www.verbodengeschriften.nl


BEKENTENISSEN VAN EEN
ENGELSE OPIUMSLIKKER
Uit
het
“London
Magazine”
van
September
1821.
AAN
DE
LEZER
Ik
doe u hier, welwillende lezer, verslag van een opmerkelijke periode uit
mijn
leven: ik vertrouw erop dat het, zoals ik die heb beschreven, niet
alleen een
interessant verslag zal zijn, maar ook in grote mate nuttig en leerzaam
is. Met die hoop heb ik het opgeschreven; en dat moet
mijn
verontschuldiging
zijn voor het verbreken van dat broze en achtenswaardige voorbehoud dat
ons
grotendeels weerhoudt van het openbaar maken van onze eigen dwalingen
en
zwakheden. Voor het gevoel van de Engelsman is eigenlijk niets zo
stuitend als
het tafereel van iemand die opdringerig onze aandacht vraagt voor zijn
morele
etterbuilen en littekens, en dat “keurige gordijn” wegtrekt dat tijd of
toegeeflijkheid
voor de menselijke zwakheid daar voor zou hebben kunnen schuiven;
vandaar dat
het grootste gedeelte van onze bekentenissen (dat wil zeggen,
spontane
en niet voor de rechtbank afgelegde bekentenissen) kennelijk gedaan
wordt door
wereldse lieden, avonturiers of zwendelaars. Voor al die nodeloze
zelfvernederende uitingen van mensen van wie verondersteld kan worden
dat zij
welwillend staan tegenover het fatsoenlijke en zichzelf respecterende
deel van
de maatschappij, moeten we kijken naar de Franse literatuur of naar het
deel
van de Duitse, dat aangetast is door de onechte en gebrekkige
sentimentaliteit
van de Fransen. Ik heb daar zoveel last van en ben zo gevoelig voor het
verwijt
dat ik me daar ook schuldig aan zou kunnen maken, dat ik maandenlang
geaarzeld
heb of het wel gepast is als dit of een ander gedeelte van mijn relaas
het
publiek nu al onder ogen zou komen, of pas na mijn dood (als het in
zijn geheel
om uiteenlopende redenen gepubliceerd zal worden); en niet zonder
angstvallige afweging
van de argumenten voor en tegen deze stap, heb ik tenslotte toch
besloten die
te nemen.
Uit
een natuurlijk instinct schrikken schuld en ellende terug voor de
aandacht van
het publiek: ze vragen om geheimhouding en eenzaamheid; en zelfs bij
het kiezen
van hun graf zullen zij zich af en toe afzonderen van de gewone
bevolking van
het kerkhof, alsof ze de aanspraak op het lidmaatschap van de grote
mensenfamilie afwijzen en (in de aangrijpende woorden van Wordsworth)
Nederig uiting willen
geven
Aan boetvaardige
eenzaamheid.
Dat
is over het geheel genomen goed en in ons aller belang moet dat ook zo
zijn: zelf
zou ik niet graag voorbij willen gaan aan dergelijke heilzame
gevoelens, en ook
niet in woord of daad iets doen om ze te verzwakken; maar omdat
enerzijds mijn
zelfverwijt niet een bekennen van schuld inhoudt is het anderzijds
mogelijk dat,
als ik dat wel zou doen, het voordeel dat voor anderen zou
voortvloeien
uit een verslag van een zo duur betaalde ervaring, door een groot
overwicht, al
het van de door mij vermelde gevoelens aangedane geweld zou kunnen
goedmaken en
het overtreden van de algemene regel zou kunnen rechtvaardigen.
Zwakheid en
ellende houden niet noodzakelijkerwijs schuld in. Zij komen voort of
wijken terug
uit schaduwen van dat duistere verbond, afhankelijk met de
waarschijnlijke
motieven en verwachtingen van de overtreder en de, bekende of
verborgen,
verzachtende omstandigheden van de overtreding; naar gelang waarin
vanaf het
begin de verleidingen ertoe krachtig en de weerstand ertegen, in daad
of
inspanning, tot het laatst toe oprecht waren. Wat mijzelf betreft zou
ik,
zonder waarheid of fatsoen geweld aan te doen, kunnen bevestigen dat
mijn leven
alles bij elkaar genomen dat van een filosoof is geweest: vanaf mijn
geboorte
ben ik gekneed tot een intellectueel en mijn bezigheden en genietingen
zijn,
zelfs vanaf mijn schooljaren, altijd intellectueel in de beste zin van
het
woord geweest. Al is opiumslikken een zinnelijk genot en moet ik
toegeven dat
ik mij daaraan zo overmatig te buiten ben gegaan als nog nooit eerder
van
iemand is beschreven [1], toch is het niet minder waar dat ik
met een
religieuze ijver gevochten heb tegen deze fascinerende betovering en
ten slotte
iets heb volbracht dat ik nog nooit aan iemand anders heb horen
toeschrijven—en
de vervloekte keten die mij boeide bijna tot de laatste schakel heb
verbroken. Een
dergelijke zelfoverwinning zou redelijkerwijs op kunnen wegen tegen elk
soort
of mate van buitensporigheid. Ik hoef niet te benadrukken dat in mijn
geval de
zelfoverwinning onbetwistbaar was en ik mijn onmatigheid spitsvondig
aan
twijfels onderwierp, voor zover de betekenis van dat woord óf
uitgebreid kan
worden tot handelingen die louter gericht zijn op verlichting van pijn,
óf beperkt
moet worden tot het opzettelijk gericht zijn op genot.
Daarom
beken
ik
geen
schuld
en
als
ik
het
wel
zou doen, zou ik misschien toch nog
besluiten door te gaan met deze bekentenissen vanwege de dienst die ik
daarmee
zou kunnen bewijzen ten behoeve van de hele groep opiumslikkers. Maar
wie zijn
dat? Lezer, het spijt me te moeten zeggen dat het er inderdaad heel
veel zijn.
Dat werd me een paar jaar geleden duidelijk toen ik in een kleine groep
in de
Engelse samenleving (de groep die zich onderscheidde door talent of
hoge
positie) een opsomming maakte van de mensen van wie ik, direct of
indirect,
wist dat ze opiumslikker waren; zoals bijvoorbeeld de welbespraakte en
vrijgevige…., wijlen de Deken van…., Lord…., de filosoof …., een
voormalig
staatssecretaris (die mij, in precies dezelfde bewoordingen als de
Deken van….,
het gevoel beschreef dat hem voor het eerst tot het gebruik van opium
aanzette,
namelijk “dat hij het gevoel had dat er ratten aan zijn maagwand
knaagden en
vraten”), de heer…., en vele andere nauwelijks minder bekende personen,
maar het
vermelden van hen zou een saaie opsomming worden. Als, met andere
woorden, een
enkele zo betrekkelijk kleine groep al een zo groot aantal gevallen zou
kunnen
opleveren (en dat ook nog voor zover een enkele onderzoeker dat weet),
zou daar
vanzelfsprekend uit afgeleid kunnen worden dat de hele bevolking van
Engeland
een evenredig aantal zou opleveren. Ik twijfelde echter aan de
juistheid van
die conclusie, totdat mij een aantal feiten ter ore kwamen, die mij
ervan
overtuigden dat ik het bij het rechte eind had. Ik zal er twee noemen.
Ten
eerste: drie achtenswaardige Londens drogisten, gevestigd in ver
uiteenliggende
wijken in Londen, bij wie ik toevallig onlangs kleine hoeveelheden
opium had
gekocht, verzekerden me dat het aantal niet-professionele opiumslikkers
(zoals
ik ze zou willen noemen) in die tijd enorm was; en dat het probleem om
onderscheid te maken tussen mensen voor wie door verslaving opium
noodzakelijk
was geworden en degenen die het aanschaften omdat ze zelfmoord wilden
plegen,
hen elke dag weer zorgen en ruzies opleverden. Dat gold alleen voor
Londen. Maar
ten tweede,—wat de lezer misschien nog meer zal verbazen—een paar jaar
geleden
werd mij, op doorreis in Manchester, door een paar katoenfabrikanten
verteld
dat hun arbeiders zich in snel tempo overgaven aan het opiumslikken,
zozeer dat
op zaterdagmiddag de toonbanken van de drogisten bezaaid lagen met
pillen van
een, twee of drie grein, die daar al klaar lagen voor de bekende vraag
van die
avond. De directe aanleiding voor die gang van zaken waren de lage
lonen,
waardoor de arbeiders zich destijds niet konden permitteren zich te
buiten te
gaan aan bier of sterke drank, en het viel te verwachten dat aan die
praktijk
een einde zou komen als de lonen stegen; maar omdat ik niet zomaar
geloof dat
iemand, die een keer de goddelijke weelde van opium heeft geproefd,
daarna weer
zal terugvallen op de banale en sterfelijke genoegens van alcohol, is
het voor
mij vanzelfsprekend
Dat zij, die nooit eerder
slikten, nu wel slikken
En zij die altijd al
slikten, nu des te meer slikken
In
feite wordt de fascinerende kracht van opium zelfs onderkend door
medische
auteurs, die daar de grootste vijand van zijn. Vandaar dat bijvoorbeeld
Awsiter, de apotheker van het Greenwich-ziekenhuis, in zijn “Essay over
de
Werking van Opium” (gepubliceerd in 1763), toen hij probeerde uit te
leggen
waarom Mead onvoldoende duidelijk was geweest over de eigenschappen,
tegengiften enz., van dat medicijn, zich uitdrukte in de volgende
geheimzinnige
bewoordingen (φωναντα
συνετοισι): “Misschien dacht hij
dat de aard van het onderwerp te gevoelig lag om openbaar te maken; en
mensen
het dan lukraak zouden gaan gebruiken, waardoor het ontdaan zou worden
van de
noodzakelijke angst en voorzichtigheid, die hen ervan zou weerhouden
van het
ervaren van de grote kracht van dit medicijn. Als het namelijk
algemeen
bekend zou worden hoeveel mogelijkheden in die drug schuilen, zou dat
kunnen
leiden tot verslaving en bij ons tot een grotere vraag dan bij de
Turken zelf; “het
gevolg van die kennis,” voegt hij daaraan toe, “zal ongetwijfeld een
grote ramp
betekenen.” Ik ben het er niet helemaal mee eens dat die conclusie
onvermijdelijk is; maar aan het slot van mijn bekentenissen zal ik van
de
gelegenheid gebruik maken om op dit punt terug te komen. Dan zal ik de
lezer de moraal van mijn verhaal uit de doeken doen.
INLEIDENDE
BEKENTENISSEN
De
schrijver heeft het om de volgende drie verschillende redenen gepast
geacht om
deze inleidende bekentenissen of het relaas van de voorvallen uit zijn
jeugd,
die de basis legden voor zijn latere verslaving aan opium, vooraf te
laten
gaan:
1.
Om
vooruit te lopen en een afdoende antwoord te geven op de vraag, die
zich anders
op een pijnlijke manier zou opdringen in de loop van de
Opiumbekentenissen—namelijk
“Hoe een weldenkend iemand ertoe gekomen is zichzelf aan zo’n juk van
ellende
te onderwerpen; zichzelf vrijwillig zo’n slaafse gevangenschap op de
hals heeft
kunnen halen en zich doelbewust heeft kunnen kluisteren met die
zevenvoudige
ketens?”—een vraag die, als die niet op een of andere manier
geloofwaardig
beantwoord wordt, door de verontwaardiging die zo’n daad van
lichtzinnige
dwaasheid zou kunnen oproepen, ongetwijfeld afbreuk zou doen aan de
mate van
welwillendheid die hoe dan ook onmisbaar is voor de bedoelingen van een
schrijver.
2.
Om
de lezer een sleutel te verschaffen voor sommige gedeelten van de
fantastische taferelen
die later de dromen van de Opiumslikker bevolkten.
3.
Om
bij voorbaat al wat belangstelling van persoonlijke aard te kweken voor
de
aflegger van deze bekentenissen, afgezien van de bekentenissen zelf,
waardoor
die alleen maar interessanter kunnen worden. Als iemand, “die alleen
maar over
koeien praat,” een opiumslikker zou worden, zal hij waarschijnlijk (als
hij
maar niet zo saai is dat hij helemaal niet droomt) over koeien dromen;
terwijl
de lezer in het onderhavige geval zal ontdekken dat de Opiumslikker er
prat op
gaat dat hij filosoof is en dat zodoende het schimmenspel dat in zijn
dromen wordt opgevoerd (wakend of slapend, dag- of nachtdromen),
behoort bij
iemand bij wie als zodanig niets menselijks vreemd is.
Onder
de
voorwaarden
die
schrijver
dezes
onmisbaar
acht
om
enige
aanspraak te
kunnen
blijven maken op de benaming filosoof, valt niet alleen het beschikken
over een
voortreffelijk analytisch functionerend verstand (wat dat
betreft kan
Engeland echter al een paar generaties maar een paar mensen laten zien
die daar
aanspraak op kunnen maken; hij heeft in ieder geval geen weet van ook
maar één
bekende gegadigde voor die eer, iemand die duidelijk een
scherpzinnige
denker genoemd kan worden, met uitzondering van Samuel Taylor
Coleridge en, binnen een beperkter denkraam, de sinds kort befaamde
[2] David Ricardo) maar ook over een zodanig geheel van morele
eigenschappen,
dat die hem een innerlijk oog en de intuïtieve kracht geeft voor het
doorzien
van de geheimen van onze menselijke natuur. Kortom, de eigenschappen
die onze
Engelse dichters (van alle mensengeslachten die op deze planeet, van
den
beginne als het ware deel van het leven hebben uitgemaakt) het meest
hebben
bezeten en de Schotse professoren [3] het minst.
Mij
is vaak gevraagd hoe ik eigenlijk een verstokte opiumslikker ben
geworden en
zeer onterecht heb ik geleden onder de mening van mijn omgeving die
vond dat ik
mij alle ellende, die ik nog zal schetsen, zelf op de hals had gehaald,
doordat
ik mij zolang te buiten ben gegaan aan die praktijken, ter wille van
het
teweegbrengen van een kunstmatige toestand van aangename opwinding. Dat
is
echter in mijn geval een onjuiste voorstelling van zaken. Het klopt dat
ik
bijna tien jaar lang af en toe opium heb genomen, ter wille van het
heerlijke
genot dat het mij verschafte; maar zolang ik het om die reden nam, was
ik
afdoende beschermd tegen alle materieel kwalijke gevolgen, door de
noodzaak om
tussen de verschillende uitspattingen lang pauzes in te lassen, als ik
dat
aangename gevoel opnieuw wilde beleven. Niet om een aangenaam gevoel
teweeg te
brengen, maar om de uiterst hevige pijn te verzachten, begon ik voor
het eerst
opium te gebruiken als dagelijkse kost. Op mijn achtentwintigste kreeg
ik een
hevige aanval van een vreselijk pijnlijke maagaandoening, waar ik tien
jaar
daarvoor ook al last van had gehad. Die kwaal was oorspronkelijk
veroorzaakt
door perioden van hevige honger, waar ik in mijn jeugd al aan had
geleden. In
de tijd van hoop en overvloedig geluk die daarop volgde (van mijn
achttiende
tot mijn vierentwintigste) had die gesluimerd; in de drie
daaropvolgende jaren
had zij bij tijd en wijle weer de kop opgestoken; en nu, onder
ongunstige
omstandigheden, als gevolg van neerslachtige buien, kreeg ik een aanval
te
verduren die zo hevig was, dat die alleen maar op opium reageerde.
Omdat de
ellende uit mijn jeugd, die deze maagstoornis voor het eerst
teweegbracht, en
de daarmee gepaard gaande omstandigheden op zich interessant zijn, zal
ik die
hier in het kort schetsen.
Mijn
vader
stierf
toen
ik
ongeveer
zeven
jaar
oud
was
en vertrouwde mij toe aan de
zorg van vier voogden. Ik werd naar verschillende scholen gestuurd,
grote en
kleine en blonk al heel snel uit door mijn resultaten in de klassieke
talen,
vooral door mijn kennis van Grieks. Toen ik dertien was schreef ik met
gemak
Grieks en op mijn vijftiende beheerste ik die taal zo goed dat ik niet
alleen
Griekse gedichten in lyrische versmaat schreef, maar ook vloeiend en
probleemloos Grieks kon spreken—een vaardigheid die ik sindsdien bij
geen
enkele geleerde uit mijn tijd heb aangetroffen en in mijn geval te
danken was
aan de gewoonte om elke dag voor de vuist weg de kranten in het beste
Grieks,
dat ik bij de hand had, hardop voor te lezen. De noodzaak om mijn
geheugen en
vindingrijkheid uit te kammen op zoek naar allerlei manieren en
combinaties van
beschrijvende uitdrukkingen, die gelijkwaardig zijn aan hedendaagse
ideeën,
beelden, verbanden tussen dingen, enz., gaven mij een richtlijn voor
het
gebruik van de taal, die ik door een saai vertalen van zedenkundige
verhandelingen enz., nooit had kunnen verwerven. “Die jongen,” zei een
van mijn
leermeesters, terwijl hij de aandacht van een onbekende op mij
vestigde, “die
jongen zou een menigte Atheners beter hebben kunnen toespreken dan jij
of ik
een Engelse.” Degene die mij vereerde met die lofprijzing was een
geleerde,
“een wijze en goede,” en was van al mijn leraren de enige van wie ik
hield of
ontzag voor had. Helaas voor mij (en, zoals ik later begreep, tot grote
verontwaardiging van die achtenswaardige man) werd ik eerst
overgeleverd aan de
zorg van een domkop, die doorlopend in angst verkeerde dat ik zijn
domheid aan
het licht zou brengen en ten slotte aan de zorg van een achtenswaardige
geleerde die aan het hoofd stond van een grote school, op klassieke
grondslag.
Deze man was in die functie benoemd door het …..College in Oxford, en
was een
degelijke en goedontwikkelde geleerde, maar (zoals de meesten die ik
van dat
college heb gekend) platvloers, stuntelig en onelegant. Hij bood in
mijn ogen
een schril contrast met het Etoniaanse briljante van mijn
lievelingsleraar en
daarnaast kon hij zijn armzalige en magere kennis niet verborgen houden
voor
mijn doorlopende oplettendheid. Het is niet goed voor een jongen als
hij in
kennis of geestkracht ver boven zijn leraren uitsteekt en dat ook nog
weet. Dat
gold, in ieder geval wat betreft kennis, niet alleen voor mij, want de
twee
jongen die samen met mij in de eerste klas zaten, waren ook betere
hellenisten
dan de bovenmeester, hoewel ze geen betere leerlingen waren en
doorgaans
helemaal niet meer aan de Muzen offerden. Ik herinner me dat wij, toen
ik daar
begon, Sofokles lazen en dat het voor ons, het erudiete driemanschap
van de
eerste klas, steeds weer een triomf was om te merken dat onze
“Archididascalus”
(zoals hij graag genoemd wilde worden) onze lessen uit het hoofd had
geleerd,
voordat wij er zelf mee begonnen en met zijn woordenschat en grammatica
een
lopend vuurtje aanlegde om als het ware alle problemen die hij ontdekte
in de
reizangen op te blazen en uit de weg te ruimen, terwijl wij ons
nooit
verwaardigden om onze boeken eerder open te slaan dan we begonnen en
meestal
bezig waren met het schrijven van puntdichten op zijn pruik of iets
anders
belangrijks. Mijn twee klasgenoten waren arm en voor hun vooruitzichten
aan de
universiteit afhankelijk van de aanbevelingen van de bovenmeester; maar
ik
beschikte over een klein erfdeel, dat mij voldoende inkomsten bood om
mij op
school te ondersteunen en wilde rechtstreeks naar de universiteit
gestuurd
worden. Ik drong daar ernstig op aan bij mijn voogden, maar allemaal
tevergeefs.
Een van hen, die redelijker was en meer op de hoogte was van de wereld
dan de
rest, woonde ver weg. Twee van de drie hadden afstand gedaan van heel
hun
zeggenschap en het in handen gelegd van de vierde, met wie ik moest
onderhandelen. Hij was op zijn manier een achtenswaardig man, maar
hooghartig, koppig
en onverdraagzaam voor alles wat tegen zijn wil indruiste. Na een
aantal
brieven en persoonlijke gesprekken, kwam ik er achter dat ik in deze
zaak niets
van mijn voogd te verwachten had, zelfs geen compromis.
Onvoorwaardelijke onderdanigheid
was wat hij eiste en daarom zon ik op andere maatregelen. De zomer kwam
nu met
rasse schreden naderbij en het zou niet lang meer duren voordat ik mijn
zeventiende verjaardag zou vieren. Ik had mijzelf bezworen dat ik
mijzelf na
die dag niet langer onder de leerlingen zou scharen. Omdat ik vooral
geld nodig
had, schreef ik een brief aan een welgestelde dame die zelf nog jong
was, mij
van kinds af aan had gekend en mij kort daarvoor nog zeer voorkomend
had
bejegend. Ik vroeg haar daarin vijf guineas “te leen.” Meer dan een
week kwam
er geen antwoord en ik begon al te wanhopen, toen een bediende mij
uiteindelijk
een dikke brief overhandigde met een kroontje op het zegel. Het was een
vriendelijke en hoffelijke brief. De aardige schrijfster was aan zee en
daardoor was de vertraging ontstaan. Zij had het dubbele bijgesloten
van wat ik
gevraagd had en wees mij er goedhartig op dat het haar absoluut niet
zou
ruïneren, als ik het nooit zou terugbetalen. Nu was ik dus
klaar voor
mijn plan. Tien guineas, gevoegd bij de ongeveer twee die ik over had
van mijn
zakgeld, leek mij toereikend voor een eeuwigheid. Als aan je kracht op
die
gelukkige leeftijd geen eindige begrenzing gesteld kan worden,
maakt een
verwachtingsvolle en opgeruimde instelling die in feite oneindig.
Dr.
Johnson merkt terecht op (een zeer invoelende opmerking, wat niet vaak
gezegd
kan worden van zijn uitspraken) dat we nooit iets bewust voor het
laatst doen
(dat wil zeggen, dingen die wij lang gewend waren te doen) zonder
hartzeer. Die
waarheid ondervond ik hartgrondig toen ik ….ging verlaten, een plek
waar ik
niet van hield en niet gelukkig geweest was. Op de avond dat ik voor
altijd….verliet,
was ik verdrietig toen in het oude en hoge schoollokaal de avonddienst
weergalmde, die voor het laatst in mijn aanwezigheid gehouden werd. En
die
avond liep ik, toen de lijst met namen werd opgelezen, en de mijne
(zoals
gewoonlijk) het eerst werd afgeroepen, naar voren en toen ik de
bovenmeester
voorbijliep, die erbij stond, boog ik naar hem en keek hem diep in zijn
ogen,
terwijl ik bij mijzelf dacht. “Hij is oud en zwak en ik zal hem in deze
wereld
nooit meer zien.” Ik had gelijk, want ik heb hem nooit meer gezien en
zal hem
nooit meer zien. Hij keek mij zelfgenoegzaam aan, glimlachte
vriendelijk,
beantwoordde mijn groet (of liever mijn vaarwel) en onze wegen
scheidden zich
(hoewel hij dat niet wist) voorgoed. Ik kon wat betreft zijn intellect
geen
achting voor hem opbrengen, maar hij was steeds toegeeflijk voor mij
geweest en
het deed mij verdriet als ik bedacht hoe ik hem daarmee zou kwetsen.
De
ochtend brak aan die mij de wereld in zou sturen en waaraan mijn hele
volgende
leven op veel punten zijn kleur heeft ontleend. Ik woonde in het huis
van de
bovenmeester en vanaf de eerste dag genoot ik het voorrecht van een
eigen kamer,
die ik als slaapkamer en studeerkamer gebruikte. Om half drie stond ik
op en
staarde hevig geëmotioneerd naar de “in het eerste ochtendlicht
gehulde” oude
torens van de….., die al karmozijnrood begonnen te kleuren in de
stralende
pracht van een wolkenloze julimorgen. Maar ondanks het feit dat mijn
plannen
stevig en onwrikbaar vaststonden, raakte ik opgewonden door het
vooruitzicht op
onbestemde gevaren en problemen en als ik de heilloze orkanen en
hagelbuien,
die binnen korte tijd op mij zouden neerdalen zou hebben kunnen
voorzien, zou
ik nog veel onrustiger geweest zijn. De innige vredigheid van de
ochtend bood
een aangrijpende tegenstelling met die onrust en werkte in zekere zin
als
medicijn. De stilte was dieper dan die van het middernachtelijk uur.
Voor mij
is de stilte van een zomerochtend ontroerender dan elke andere stilte,
omdat, hoewel
het licht even weids en krachtig is als dat van het middaguur in de
andere
jaargetijden, het toch anders lijkt te zijn dan van een volmaakte dag,
vooral omdat
er nog niemand op straat is. Het lijkt dus alsof de vredigheid van de
natuur en
de onschuldige schepselen Gods slechts zolang gewaarborgd en diep is,
als de
aanwezigheid van de mens en zijn ongedurige en rusteloze geest die
heiligheid
niet verstoort. Ik kleedde mij aan, pakte mijn hoed en handschoenen en
bleef
even dralen in mijn kamertje. De afgelopen anderhalf jaar was dit
vertrek mijn
“denkburcht” geweest. Hier had ik al die nachtelijke uren gelezen en
gestudeerd,
en hoewel het ook waar was dat ik, die voor liefde en zachtaardige
genegenheid
was geschapen, de laatste tijd mijn vrolijkheid en geluk was
kwijtgeraakt, door
de ruzies en koortsachtige twistgesprekken met mijn voogd, heb ik daar
anderzijds,
als een jongen die zo dol op boeken was, en zich zo toegewijd inzette
voor zijn
intellectuele ontwikkeling, ongetwijfeld vele gelukkige uren
doorgebracht te
midden van een algehele neerslachtigheid. Ik moest huilen toen ik om
mij heen
keek, naar de stoel, de haard, de schrijftafel en andere vertrouwde
voorwerpen,
omdat ik maar al te goed wist dat ik daar voor het laatst naar keek.
Terwijl ik
dit opschrijf is het achttien jaar geleden en toch zie ik, als de dag
van
gisteren, de trekken en uitdrukking van het voorwerp waarop ik mijn
afscheidsblik richtte. Het was een schilderij van de lieflijke….., dat
boven de
schoorsteenmantel hing. Haar ogen en mond waren zo prachtig, en haar
hele
gezicht straalde zo van welwillendheid en goddelijke rust, dat ik wel
duizend
keer mijn pen of boek had neergelegd om daar troost bij putten, zoals
een
gelovige bij zijn schutsheilige. Terwijl ik er nog naar staarde,
kondigden de donkere
klanken van de klok van de…..aan dat het vier uur was. Ik liep naar het
schilderij toe, kuste het, liep toen rustig naar buiten en sloot de
deur
voorgoed.
* * * * *
Aanleidingen
tot
lach
en
traan
zijn
in
dit
leven
zo
met elkaar versmolten en verweven,
dat
ik niet zonder glimlach kan terugdenken aan een voorval dat op dat
moment
plaatsvond en bijna een eind had gemaakt aan de onmiddellijke uitvoer
van mijn
plan. Ik had een koffer met een enorm gewicht, omdat er naast mijn
kleren ook
bijna al mijn boeken in zaten. Het probleem was hoe ik die bij de
vrachtrijder
kon krijgen. Mijn kamer bevond zich op de bovenverdieping van het huis
en (wat
nog erger was) de trap die in verbinding stond met deze kant van het
gebouw,
was alleen toegankelijk via een galerij, die langs de kamerdeur van de
bovenmeester liep. Ik was geliefd bij alle bedienden en omdat ik dus
wist dat
zij mij allemaal de hand boven het hoofd zouden houden en alles
vertrouwelijk
zou blijven, vertelde ik mijn probleem aan de kamerdienaar van de
bovenmeester.
De kamerdienaar bezwoer me dat hij alles zou doen wat ik wilde en liep
toen het
zover was naar boven om de koffer naar beneden te brengen. Ik was bang
dat het
de kracht van wie dan ook te boven zou gaan, maar de kamerdienaar was
iemand
Met schouders als een
Atlas, die het gewicht
Van de machtigste
koninkrijken kon torsen.
en
had een rug zo breed als de Vlakte van Salisbury.
Daarom stond hij erop dat hij de koffer alleen naar beneden zou dragen,
terwijl
ik, ongerust over de afloop, onder aan de trap stond te wachten. Een
tijd lang
hoorde ik hem met trage en ferme tred naar beneden komen, maar toen hij
op een
gevaarlijk stuk kwam, een paar passen van de galerij, gleed helaas zijn
voet
uit en viel het enorme gevaarte van zijn schouders, dat naar beneden
stuiterend
met elke tree zo’n vaart kreeg dat het, toen het onder aan de trap
aanlandde,
verder schoof, of liever, sprong met het lawaai van twintig duivels,
precies
tegen de slaapkamerdeur van de Archididascalus. Mijn eerste
gedachte was
dat alles verloren was en dat mijn enige mogelijkheid om de aftocht te
blazen
was als ik mij bagage opofferde. Bij nader inzien besloot ik mij echter
bij de
zaak neer te leggen. De kamerdienaar was in alle staten, zowel om
zichzelf als
om mij, maar desondanks had het lachwekkende van deze ongelukkige
tegenvaller
zozeer bezit genomen van zijn verbeelding, dat hij uitbarstte in zo’n
lange,
luidruchtige en galmende lachbui, dat die de Zeven Slapers
zou hebben kunnen wekken. Toen ik die weergalmende vrolijkheid hoorde,
en dat
ook nog binnen gehoorsafstand van de gekwetste gezagdrager, kon ik het
niet
laten mee te schateren. Ik moest daar niet zozeer aan geloven door de
ongelukkige onbezonnenheid met de koffer, als wel door de uitwerking
die dat op
de kamerdienaar had. Wij verwachtten allebei natuurlijk dat Dr……uit zou
kamer
zou komen stormen, want doorgaans sprong hij, als er zich maar een
muisje verroerde,
naar buiten als een buldog uit zijn hok. Vreemd genoeg klonk er echter
bij deze
gelegenheid, toen het lawaai van ons gelach weggestorven was, geen
geluid of
ook maar geritsel uit zijn slaapkamer. Dr……leed aan een pijnlijke
kwaal, die
hem soms uit de slaap hield, maar als hij toch in slaap viel die alleen
maar
dieper maakte. De kamerdienaar putte moed uit de stilte, hees zijn last
weer op
zijn schouders en voltooide de rest van zijn afdaling zonder
ongelukken. Ik
wachtte tot ik zag dat de koffer op een kruiwagen werd geladen en op
weg ging
naar de vrachtrijder. Daarna ging ik “met de Voorzienigheid als mijn
gids” te
voet verder, met een klein pakketje kleren onder mijn arm, een geliefde
Engelse
dichter in de ene zak en een klein handboekje met ongeveer negen
toneelstukken
van Euripides in de andere.
Aanvankelijk
was
het
mijn
bedoeling
naar
Westmoreland
te
gaan,
omdat
ik die streek een
warm
hart toedroeg, maar ook om andere persoonlijke redenen. Het toeval gaf
echter
een andere koers aan mijn omzwervingen en ik richtte mijn schreden naar
Noord-Wales.
Nadat
ik
enige
tijd
rondgezworven
had
in
Denbighshire,
Merionethshire
en
Carnarvonshire,
nam ik mijn intrek in een keurig huisje in B…. Daar zou
ik
wekenlang zeer aangenaam hebben kunnen doorbrengen, want de
levensmiddelen
waren daar heel goedkoop…., doordat er een gering afzetgebied was voor
de
overproductie van een uitgestrekte landbouwstreek. Door een toeval,
waarbij
misschien geen kwade opzet in het spel was, werd ik echter gedwongen
verder te trekken.
Ik weet niet of mijn lezer het misschien al opgemerkt heeft, maar ik
heb er
vaak op gewezen dat de hooghartigste klasse in Engeland (of in ieder
geval de
klasse waarbij dat het opvallendst is) bestaat uit de
bisschopsfamilies. Bij edellieden
en hun kinderen is alleen al in hun titel een voldoende aanduiding voor
hun
rang. Ja, zelfs hun naam (en dat geldt ook voor de kinderen van veel
titelloze
adellijke geslachten) klinkt vaak in Engelse oren al als een toereikend
bewijs
van adellijke geboorte of afstamming. Sackville, Manners, Fitzroy,
Paulet,
Cavendish en tientallen anderen, vertellen allemaal hun eigen verhaal.
Daarom
vinden dergelijke personen overal een terechte weerklank voor hun al
gevestigde
aanspraken, behalve bij degenen die vanwege hun eigen onwetendheid niet
op de
hoogte zijn van wat er in de wereld te koop is: “Hen niet
kennen,
betekent zelf onbekend zijn.” Hun manieren nemen een passende klank en
kleur
aan en tegenover die ene keer dat zij het nodig vinden bij anderen de
indruk te
geven van een gevoel van belangrijkheid, staan duizend andere gevallen
waarbij
zij dat gevoel matigen en temperen door zich hoffelijk minzaam te
gedragen. Bij
de bisschoppenfamilies ligt dat anders; bij hen is het allemaal een
hels karwei
om hun pretenties waar te maken, omdat het aandeel van de
bisschoppelijke
magistratuur dat wordt geleverd door adellijke families nooit erg groot
is geweest
en die hoogwaardigheidsbekleders elkaar zo snel opvolgen dat het
publiek zelden
de tijd heeft om hen te leren kennen, tenzij ze in verband gebracht
worden met
een of andere literaire reputatie. Vandaar dat kinderen van bisschoppen
een
stug en kil voorkomen hebben, een aanwijzing voor nog algemeen
aanvaarde
aanspraken, een soort noli me tangere-manier, gespannen en
beducht voor
een te vertrouwelijke benadering, en met de gevoeligheid van een
jichtlijder terugdeinzend
voor elk contact met de οι πολλοι. Ongetwijfeld
zal een groot intellect of ongewone goedaardigheid iemand voor een
dergelijke
zwakheid behoeden, maar in het algemeen zal de juistheid van mijn
beschrijving
erkend worden. In ieder geval komt hooghartigheid, zo die niet diep
geworteld
is in dergelijke families, meer tevoorschijn aan de buitenkant van hun
doen en
laten. De intentie van dat soort gedrag wordt vanzelfsprekend
overgedragen op
hun bedienden en andere ondergeschikten. Het geval wilde dat mijn
hospita
kamer- of kindermeisje was geweest in het gezin van de bisschop van….,
en daar
vanwege haar huwelijk onlangs vertrokken was en zich (zoals dergelijke
mensen
dat uitdrukken) “gesetteld” had. In een kleine stad als B…., bracht
alleen al
het feit dat zij bij het gezin van de bisschop had gewoond een bepaald
onderscheid met zich mee en mijn brave hospita had, voor zover ik dat
wat dat
betreft heb gemerkt, eigenlijk meer dan haar deel van die
hooghartigheid
overgenomen. Wat “mijnheer” zei en wat “mijnheer” deed, hoe belangrijk
hij was
in het Parlement en hoe onmisbaar in Oxford, vormde het dagelijkse
refrein van
haar gesprekken. Dat kon ik allemaal heel goed verdragen, omdat ik te
goedaardig was om iemand in zijn gezicht uit te lachen en voor dat
geklets van
een oude dienstbode heel toegeeflijk was. Het kan echter niet anders
dan dat ik
in haar ogen veel te weinig onder de indruk was van de belangrijkheid
van de
bisschop, en op zekere dag, misschien om mij te straffen voor mijn
onverschilligheid, of mogelijk bij toeval, herhaalde zij tegenover mij
een
gesprek waarmee ik indirect iets te maken had. Zij was naar het paleis
gegaan
om haar opwachting te maken bij de familie en werd, nadat de maaltijd
was
beëindigd, in de eetkamer ontboden. Toen ze verslag deed van haar
huishoudelijke bezigheden vermeldde ze terloops dat ze haar kamers had
verhuurd. Daarop had de bisschop (kennelijk) de gelegenheid te baat
genomen om
haar te waarschuwen voor de keuze van haar huurders, “want,” zei hij,
“je moet
bedenken dat deze stad aan de grote weg naar The Head ligt, zodat grote
groepen
Ierse zwendelaars die voor hun schulden op de vlucht slaan naar
Engeland en benden
Engelse zwendelaars die voor hun schulden naar het eiland Man vluchten,
waarschijnlijk
onderweg daar langs komen.” Dat advies was ongetwijfeld niet ongegrond,
maar
meer geëigend om opgeslagen te worden voor Mevr. Betty’s eigen
overwegingen dan
nou net aan mij overgebriefd te worden. Wat volgde was echter nog wat
erger.
“O, monseigneur,” antwoordde mijn hospita (volgens haar eigen invulling
van het
gesprek), “ik denk echt niet dat deze jongeman een oplichter is, omdat
….” “Denkt
u soms dat ik een oplichter ben?” onderbrak ik haar uiterst
verontwaardigd, “ik
zal u verder de moeite besparen om daar over na te hoeven denken.” En
zonder
dralen trof ik voorbereidingen voor mijn vertrek. De goede vrouw leek
wat
toeschietelijker te worden; maar de onbarmhartige en laatdunkende
opmerking die
ik, naar ik vrees, had gebezigd voor de geleerde
hoogwaardigheidsbekleder,
wekte op zijn beurt weer haar verontwaardiging en maakte een verzoening
onmogelijk. Ik was inderdaad zeer gegriefd door de suggestie van de
bisschop
dat er, hoewel onder voorbehoud, enige grond zou zijn om iemand te
verdenken
die hij nog nooit had gezien, en overwoog hem in het Grieks te laten
weten wat
ik daarvan vond, wat niet alleen een bewijs zou kunnen zijn dat ik geen
oplichter was, maar de bisschop tegelijkertijd zou dwingen (hoopte ik)
in
dezelfde taal te antwoorden; ik twijfelde er niet aan dat ik in dat
geval
duidelijk kon maken dat ik, ook al was ik niet zo rijk als hij, in
ieder geval
een veel betere hellenist was. Mijn gedachten bedaarden en daardoor
verdween
dat kwajongensplan uit mijn hoofd; want ik bedacht dat de bisschop
gelijk had
om een oude dienstbode raad te geven; dat hij niet voorzien kon hebben
dat zijn
advies aan mij doorverteld zou worden en dat dezelfde onbehouwenheid
die ertoe
geleid had dat Mevr. Betty het advies herhaald had, het misschien zo
gekleurd
had dat het meer in overeenstemming was met haar eigen manier van
denken, dan met
wat de eerwaarde bisschop in werkelijkheid had gezegd.
Nog
hetzelfde uur verliet ik het kosthuis en dat bleek voor mij een zeer
ongelukkige beslissing, omdat ik voortaan in herbergen moest logeren en
snel
door mijn geld heen was. Binnen veertien dag stond ik op rantsoen, dat
wil
zeggen dat ik mij maar één maaltijd per dag kon veroorloven. Na de
uitstekende
eetlust, veroorzaakt door onafgebroken lichaamsbeweging en berglucht,
die
invloed hebben op een jeugdige maag, begon ik al snel last te krijgen
van dit
karige dieet, want het enige voedsel dat ik durfde te bestellen was
koffie of
thee. Zelfs dat kon er echter op den duur niet meer van af; en later,
zolang ik
Wales verbleef, leefde ik of op bramen, rozenbottels, haagdoornbessen,
enz., of
van toevallige gastvrijheid, die ik af en toe genoot in ruil voor
kleine
diensten, als ik daar de kans toe had. Soms schreef ik zakelijke
brieven voor
dorpelingen die familie hadden in Liverpool of Londen; maar vaker
schreef ik
liefdesbrieven aan hun geliefden, voor jongedames die als dienstmeiden
hadden
gewerkt in Shrewsbury of andere steden aan de Engelse grens. Bij al die
gelegenheden waren mijn eenvoudige vrienden zeer tevreden over me en
werd ik
doorgaans gastvrij bejegend; vooral een keer in de buurt van het dorp
Llan-y-styndw (of zoiets), in een afgelegen deel van Merionethshire,
waar ik ooit
meer dan drie dagen onthaald werd door een huishouden van jongelui, met
een
hartelijke en broederlijke vriendelijkheid, die in mijn hart een
onvergetelijke
indruk achterliet. Het gezin bestond destijds uit vier zusters en drie
broers,
allemaal volwassen en opmerkelijk elegant en goedgemanierd. Ik kan me
niet
herinneren dat ik ooit eerder zoveel schoonheid, zoveel aangeboren
goede
manieren en verfijning heb gezien in één huishouden, behalve een of
twee keer
in Westmoreland en Devonshire. Ze spraken Engels, een vaardigheid die
niet vaak
voorkomt bij zoveel leden van één gezin, vooral niet in ver van de
grote weg
gelegen dorpen. Daar schreef ik na mijn eerste kennismaking, een brief
over zijn
soldij, voor een van de broers, die aan boord van een Engels
oorlogsschip had
gediend; en, meer vertrouwelijk, twee liefdesbrieven voor twee van de
zusters. Het
waren twee aantrekkelijke meisjes, en een van beiden was buitengewoon
aardig. Terwijl
zij mij, verward en met blosjes, hun brieven dicteerden, of liever,
algemene
aanwijzingen gaven, hoefde ik niet veel moeite te doen om te begrijpen,
dat zij
wilden dat hun brieven in overeenstemming waren met een gepaste
jongedamestrots. Ik zag de kans om mijn taal zo te matigen dat het aan
beide
gevoelens tegemoetkwam; en ze waren net zo ingenomen met de manier
waarop ik
hun gedachten verwoordde als dat zij er (in hun onbevangenheid) over
verbaasd
waren dat ik die zo moeiteloos geraden had. De manier waarop iemand
ontvangen
wordt door de vrouwen van een gezin, bepaalt doorgaans het hele verloop
van
zijn onthaal. In dit geval had ik mij zo tot algemene tevredenheid
gekweten van
mijn vertrouwelijke diensten als secretaris, en hen misschien ook
vermaakt met
mijn gesprekken, dat zij er bij mij met zo’n hartelijkheid op
aandrongen te
blijven, dat ik nauwelijks de neiging voelde om daar tegenin te gaan.
Hoewel
het enige vrije bed in de kamer stond van de jongedames, sliep ik bij
de
broers; maar in alle andere opzichten behandelden ze me met een respect
dat
doorgaans niet betoond wordt aan een beurs zo plat als de mijne — alsof
mijn
geleerdheid voldoende bewijs was van “goede komaf.” Zo bleef ik drie
dagen bij
hen en een groot deel van de vierde; en gezien de onverminderde
vriendelijkheid
waarmee zij mij bejegenden, geloof ik dat ik, als ze gekund hadden wat
ze
wilden, misschien wel tot op de dag van vandaag bij hen gebleven was.
De
laatste ochtend merkte ik, terwijl ze aan het ontbijt zaten, aan hun
gezichten
dat er een onaangename mededeling op komst was; en kort daarop legde
een van de
broers me uit dat hun ouders, een dag voor mijn komst, naar de
jaarlijkse
bijeenkomst waren gegaan van de Methodisten in Carnavon, en dat ze
verwachtten
dat ze die dag terug zouden komen; “en als ze niet zo beleefd leken,
als ze
zouden moeten zijn,” verzocht hij mij, mede namens alle anderen, dat
niet verkeerd
op te vatten. De ouders kwamen thuis met een stuurse blik en “Dym
Sassenach”
(vert.: Ik begrijp het niet) (geen Engels) als antwoord op alles
wat ik
zei. Ik begreep hoe de zaken ervoor stonden; en dus vertrok ik, nadat
ik
hartelijk afscheid had genomen van mijn aardige en interessante jonge
gastheren
en –vrouwen; want hoewel zij voor mij een goed woordje deden bij hun
ouders en
zich herhaaldelijk verontschuldigden voor het gedrag van de oude
mensen, door
te zeggen dat dat “nu eenmaal hun manier was,” begreep ik toch best dat
mijn
talent voor het schrijven van liefdesbrieven evenmin een aanbeveling
voor mij
was bij de zware Methodistische zestigers als mijn Griekse sapphische
en
alcaïsche verzen; en dat wat gastvrijheid was, toen het mij geboden
werd met de
vriendelijke hoffelijkheid van mijn jonge vrienden, onder het stuurse
gedrag
van deze oude mensen liefdadigheid zou worden. Shelley heeft zonder
meer gelijk
als hij opmerkt over ouderdom: als die niet krachtig bestreden wordt
met alle mogelijk
tegenkrachten, is het een armzalige bederver en verzieker van de gulle
vrijgevigheid van het menselijk hart.
Kort
hierna
zag
ik
kans,
op
een
manier
die
ik
wegens plaatsgebrek hier niet kan
vertellen, in Londen te komen. En nu begon de laatste en bitterste
etappe van
mijn lange lijdensweg; het is niet teveel gezegd als ik dat mijn
doodstrijd zou
noemen. Meer dan zestien weken lang onderging ik nu de kwellingen van
fysieke
honger in allerlei graden van hevigheid, maar hoewel die misschien even
schrijnend was als ooit iemand, die het heeft overleefd, heeft kunnen
lijden,
zou ik toch niet de gevoelens van mijn lezer nodeloos op de proef
willen
stellen met een gedetailleerde beschrijving van alles wat ik doorstaan
heb; want
dergelijke extreme toestanden, zelfs in geval van wangedrag of eigen
schuld, kunnen
niet gadegeslagen worden zonder een zeker leedvermaak, dat kwetsend is
voor de
natuurlijke goedheid van het menselijk hart. Laat ik, ten minste in dit
geval,
volstaan met te zeggen dat mijn enige voedsel en dan ook nog
ongeregeld, wat
broodkruimels waren die overbleven van de ontbijtdis van een zeker
iemand (die
dacht dat ik ziek was, maar niet wist dat ik ten einde raad was).
Tijdens de
eerste periode van mijn lijdensweg (dat wil zeggen, voor het grootste
gedeelte
in Wales en de hele eerste twee maanden in Londen) was ik ontheemd en
sliep
heel zelden onder een dak. Aan die doorlopende blootstelling aan de
open lucht
schrijf ik hoofdzakelijk toe, dat ik niet onderdoorging aan mijn
beproevingen.
Later echter, toen het kouder en guurder werd en ik door de duur van
mijn
kwellingen in een nog zorgelijkere toestand begon weg te zinken, was
het zonder
twijfel voor mij een geluk dat dezelfde man, bij wie ik aan de
ontbijttafel
mocht aanschuiven, mij toestond te overnachten in een leegstaand huis,
waarvan
hij de huurder was. Ik noem het onbewoond, omdat er geen gezin of
personeel in
woonde; en er dus ook helemaal geen meubilair in was, behalve een tafel
en een
paar stoelen. Toen ik mijn intrek nam in mijn nieuwe verblijf, ontdekte
ik
echter dat het huis al een bewoner had, een arm in de steek gelaten
kind, van
een jaar of tien; maar ze leek verzwakt door de honger en dat soort
narigheden
zorgt er vaak voor dat kinderen er ouder uitzien dan ze zijn. Van dit
eenzame
kind hoorde ik dat ze daar al enige tijd, vóór ik kwam, had geslapen en
gewoond, en het arme schepsel liet zien hoe blij ze was toen ze
ontdekte dat ik
haar voortaan gezelschap zou houden in de donkere uren. Het was een
groot huis
en omdat het meubilair ontbrak werd het onheilspellende geluid van de
ratten
weerkaatst door het ruime trappenhuis en de hal; en te midden van die
echte, aardse
beproevingen van kou en (ben ik bang) honger, had het van-god-verlaten
kind ook
nog de tijd gevonden om nog meer te verduren (leek het) door zelf de
beproeving
‘spoken’ te bedenken. Ik beloofde haar te beschermen tegen alle
mogelijke
spoken, maar kon haar helaas! geen andere hulp bieden. We lagen op
vloer met
een stapel vervloekte wetboeken als kussen en alleen maar een soort
grote
ruitermantel als deken; later ontdekten we in een zolderkamertje een
oud
sofakleed, een stukje tapijt en een paar andere lappen, die een beetje
bijdroegen aan onze warmte. Het arme kind kroop dicht tegen me aan voor
de
warmte en om zich te beschermen tegen haar spookachtige vijanden. Als
ik me
niet beroerder voelde dan normaal, nam ik haar in mijn armen, zodat ze
helemaal
warm genoeg werd en vaak sliep, als ik dat niet kon; want de laatste
twee
maanden van mijn beproevingen sliep ik veel overdag en kon op elk uur
van de
dag een dutje doen. Maar slapen putte me meer uit dan wakker zijn, want
behalve
de onstuimigheid van mijn dromen (die echter niet zo verschrikkelijk
waren als
de door opium teweeggebrachte dromen, die later nog zal beschrijven),
was mijn
slaap nooit meer dan wat een hazenslaapje wordt genoemd, zodat
ik mij
zelf kon horen kreunen en kennelijk vaak plotseling wakker werd
van mijn eigen
stem; en rond die tijd begon ik, zodra ik insluimerde, last te krijgen
van een
afschuwelijk verschijnsel, dat sindsdien in verschillende perioden van
mij
leven is teruggekomen — namelijk een soort krampen (ik weet niet waar,
maar
schijnbaar in de maagstreek) waardoor ik me genoodzaakt voelde mijn
voeten met
kracht uit te strekken, waardoor de krampen dan afnamen. Dat gevoel
trad op zo
gauw ik in slaap viel en de pogingen om er van af te komen maakten me
de hele
tijd wakker, zodat ik op het laatst van uitputting in slaap viel;
daarnaast
viel ik (zoals ik al eerder heb gezegd) ook nog door mijn zwakte steeds
in
slaap en werd dan weer wakker. Ondertussen viel af en toe de huisbaas
opeens
bij ons binnen, nu eens heel vroeg, dan weer niet voor tienen ’s avonds
en soms
helemaal niet. Hij was doorlopend bang voor deurwaarders en deed het
nog
slimmer dan Cromwell, door elke nacht in een andere buurt van Londen te
slapen;
en het viel me op dat hij telkens eerst stiekem door een raam keek om
te zien
wie er aan de deur had geklopt, voordat hij die open liet maken. Hij
ontbeet
alleen, want hij zou niet eens een tweede persoon hebben durven
uitnodigen,
omdat zijn theeservies daarvoor nauwelijks toereikend was, evenmin als
de
hoeveelheid eetbaar matériel, dat meestal niet meer was dan een
broodje
of een paar beschuiten, die hij op de terugweg van zijn slaapverblijf
had
gekocht. En mocht hij ooit gasten uitnodigen dan zouden die — zoals ik
een keer
erudiet en geestig tegen hem opmerkte — als een opeenvolgende reeks in
verhouding tot elkaar moeten staan (en in ieder geval niet zitten),
zoals
de
metafysici
dat
doen,
en
niet
naast
elkaar;
zoals
de eenheden van
tijd
en niet van ruimte. Als hij zat te ontbijten bedacht ik doorgaans een
reden om
bij hem binnen te lopen om dan zo onverschillig mogelijk de restjes te
pikken
die hij had laten liggen; soms lag er echter helemaal niets meer.
Daarmee beging
ik geen diefstal, behalve van de man zelf, die zodoende (volgens mij)
‘s
middags af en toe wat extra beschuit moest laten halen; het arme kind
werd
echter nooit toegelaten in zijn studeerkamer (als ik zijn belangrijkste
bergruimte voor papieren, akten, enz., zo mag noemen); die kamer was
voor haar Blauwbaards
torenkamer van het huis, omdat hij die altijd afsloot als hij rond zes
uur, dat
’s avonds doorgaans het tijdstip van vertrek was, voor het avondeten
vertrok.
Ik kon er niet achterkomen of dit meisje een buitenechtelijk kind was
van Mr……,
of alleen maar een dienstmeisje; ze wist het zelf ook niet; maar in
ieder geval
werd ze in alle opzichten als zodanig behandeld. Zo gauw Mr….verscheen
liep ze
naar beneden, poetste zijn schoenen, borstelde zijn jas af, enz.; en
behalve
als ze ontboden werd voor een boodschap, kwam ze alleen de mistroostige
Tartarus van de keuken uit, naar boven, als ’s avonds mijn welkome
kloppen haar
bibberende voetjes naar de voordeur riepen. Maar van haar leven overdag
wist ik
alleen maar wat zij daar zelf ‘s avonds over vertelde, want zo gauw de
kantoren
weer opengingen, begreep ik dat mijn afwezigheid voor haar weer te
verdragen
was en ging ik meestal weg en zat dan tot de avond in het park of
ergens anders.
Maar
wie
of
wat
was
die
heer
des
huizes
eigenlijk?
Lezer, hij was een van die
merkwaardige
ambtenaren uit de lagere regionen van de rechterlijke macht, die — wat
zal ik
zeggen? — voorzichtigheidshalve of noodgedwongen, zichzelf de weelde
ontzeggen
van een te fijngevoelig geweten, (een omschrijving die aanzienlijk
ingekort kan
worden, maar dat laat ik over aan de smaak van de lezer); in
veel
beroepen is een geweten een duurdere last dan een vrouw of rijtuig; en
net
zoals mensen het hebben over “het stallen” van hun rijtuig, denk ik dat
mijn
vriend Mr…..zijn geweten voor een tijdje “gestald” had, zonder twijfel
met de
bedoeling het weer op te pakken, zo gauw hij zich dat weer kon
veroorloven. De
innerlijke boekhouding van het dagelijkse leven van zo iemand zou een
uiterst
merkwaardig beeld opleveren, als ik het over mijn hart zou kunnen
verkrijgen de
lezer ten koste van hem te vermaken. Zelfs met mijn beperkte
mogelijkheden om te
ontdekken wat er gaande was, zag ik bij hem toch veel voorbeelden van
Londense
intriges en ingewikkelde chicanes, “cyclus en epicyclus, cirkel in
cirkel,”
waarover ik tot op de dag van vandaag soms nog steeds moet glimlachen,
en destijds
ook deed, ondanks mijn ellende. Door mijn situatie in die tijd merkte
ik echter
bij Mr…. weinig van andere karaktertrekken, dan van die hem tot eer
strekten;
en van zijn hele gedrag moet ik verder maar alles vergeten, behalve dat
hij
voorkomend voor me was en, voor zover hij kon, ook vrijgevig.
Dat
laatste was hij overigens niet erg; maar net als de ratten hoefde ik
geen huur
te betalen; en zoals dr. Johnson heeft vermeldt dat hij maar één keer
in zijn
leven net zoveel vruchten aan zijn leibomen had als hij op kon, moet ik
ook
dankbaar zijn dat ik bij die ene gelegenheid een even grote keuze had
aan
kamers in een Londens huis, als ik mij maar kon wensen. Behalve de
kamer van
Blauwbaard, waarvan het arme kind dacht dat het daarin spookte, stonden
alle
andere, van zolder tot kelder, tot onze beschikking; “de hele wereld
was voor
ons,” en wij sloegen voor de nacht ons kampement op, waar we maar
wilden. Uit
mijn beschrijving is al gebleken dat het een groot huis was; het staat
op een
opvallende plek en in een bekend deel van Londen. Ik twijfel er niet
aan dat
veel van mijn lezers, binnen een paar uur nadat ze dit hebben gelezen,
er langs
gelopen zijn. Zelf bezoek ik het altijd als ik voor zaken in Londen
moet zijn;
vanavond nog, 15 augustus 1821 — mijn verjaardag — ben ik, tijdens mijn
avondwandeling door Oxford-street, even omgelopen om er een blik op te
werpen;
het wordt nu bewoond door een keurige familie, en in het licht van de
salon aan
de voorkant zag ik een huiselijke gezelschap bijeen, misschien voor de
thee, en
duidelijk opgewekt en uitgelaten. In mijn ogen een wonderlijk contrast,
vergeleken met het donkere, koude, stille en verlatene van datzelfde
huis
achttien haar daarvoor, toen haar nachtelijke bewoners slechts een
hongerende
student en een verwaarloosd kind waren. Haar heb ik overigens in latere
jaren
vergeefs proberen op te sporen. Afgezien van haar situatie, was het
niet wat je
noemt een interessant kind; ze was niet knap, niet snel van begrip en
ook niet
opmerkelijk aangenaam in de omgang. Maar Godzijdank! zelfs in die jaren
had ik
niet bijkomstige uiterlijkheden nodig om mijn genegenheid te laten
blijken: de
gewone menselijke natuur, in haar eenvoudigste en alledaagse tooi, was
voor mij
voldoende, en ik hield van het kind omdat zij mijn metgezel was in de
ellende.
Als ze nu nog leeft, is ze waarschijnlijk moeder, met eigen kinderen;
maar,
zoals ik al heb gezegd, ik heb haar nooit meer gevonden.
Dat
betreur ik; maar er was in die tijd nog een andere persoon die ik
sindsdien nog
veel gedrevener geprobeerd heb op te sporen en met veel meer verdriet
toen dat
niet lukte. Dat was een jonge vrouw, uit die tragische klasse die leeft
van de
inkomsten van de prostitutie. Ik schaam me er niet voor en heb daar ook
geen
enkele reden voor op te biechten dat ik destijds op vertrouwelijke en
vriendschappelijke voet stond met veel vrouwen, die zich in die
beklagenswaardige situatie bevonden. De lezer hoeft niet te lachen om
deze
bekentenis of zijn wenkbrauwen te fronsen; want zonder mijn klassiek
geschoolde
lezers te herinneren aan het oude Latijnse gezegde, “Sine cerere,”
enz.,
(vert.:
Sine
Cerere
et
Baccho
friget
Venus:
zonder
Ceres
en Bacchus kan
Venus
niets uitrichten) kan toch wel bedacht worden dat, gezien mijn destijds
bestaande
financiële situatie, mijn omgang met die vrouwen niet onzuiver kan zijn
geweest. Maar de waarheid is dat ik in mijn leven nooit iemand ben
geweest die vond
dat hij bezoedeld werd door aanraking of contact met enig schepsel met
een
menselijke gedaante; vanaf mijn vroegste jeugd ben ik er altijd trots
op
geweest dat ik vertrouwelijk, more Socratio, omging met alle
mensen,
mannen, vrouwen en kinderen, die toevallig mijn pad kruisten; een
manier
van
doen
die
gunstig
is
voor
de
kennis
van
de menselijke natuur, een
goed
gevoel en de openhartigheid die iemand past, die door wil gaan voor
filosoof. Want
een filosoof moet niet kijken met de ogen van de armzalige en bekrompen
figuur,
die zich een man van de wereld noemt, en vol zit met kleingeestige en
egocentrische vooroordelen over afkomst en opvoeding, maar moet
zichzelf zien
als een ruimdenkend mens en als iemand die op gelijke voet staat met
hoog en
laag, ontwikkelden en onontwikkelden, met schuldigen en onschuldigen.
Omdat ik
destijds noodgedwongen een peripateticus was, dat wil zeggen iemand die
veel
over straat loopt, kwam ik vanzelfsprekend vaker die vrouwelijke
peripatetici
tegen die met een technische term tippelaarster worden genoemd.
Veel van
die vrouwen hadden het regelmatig voor mij opgenomen tegen bewakers die
mij
wilden wegjagen van de trappen van huizen waar ik zat. Maar een van
hen, degene
voor wie ik dit onderwerp eigenlijk heb aangesneden — maar nee! ik moet
de, O! edelmoedige
Ann, niet onder die vrouwen scharen. Als het kan moet ik een aardigere
naam
bedenken om de situatie te beschrijven van iemand aan wie ik, door haar
vrijgevigheid en mededogen, waarmee zij voorzag in mijn eerste
levensbehoeften
toen de hele wereld mij in de steek gelaten had, te danken heb dat ik
nu nog in
leven ben. Weken lang had ik met dit arme eenzame meisje ‘s avonds op
en neer
gelopen over Oxford-street, of samen met haar uitgerust op trappen en
me verscholen
in portieken. Ze kon niet even oud zijn als ik; ze vertelde me
inderdaad dat ze
nog geen zestien was. Door dergelijke vragen, die mij werden ingegeven
omdat ik
belangstelling voor haar had, was ik langzamerhand haar eenvoudige
verhaal te
weten gekomen. Het was een standaardverhaal (zoals ik sindsdien
begrepen heb)
en een waarbij de arm der wet, als de Londense liefdadigheid wat beter
toegerust was om daarmee om te gaan, vaker ingegrepen zou moeten hebben
om haar
te beschermen en te wreken. Maar de Londense liefdadigheid stroomt door
een
kanaal dat wel diep en machtig is, maar geluidloos ondergronds loopt;
niet
zichtbaar of toegankelijk voor arme dakloze zwervers; en het kan niet
ontkend
worden dat buitenkant en structuur van de Londense maatschappij
harteloos,
wreed en weerzinwekkend zijn. Maar in ieder geval begreep ik dat een
deel van
het haar aangedane onrecht eenvoudig rechtgezet zou kunnen worden en ik
drong er
vaak en ernstig bij haar op aan haar klachten aan de rechter voor te
leggen. Ik
verzekerde haar dat er, ondanks dat ze geen vrienden had, meteen
aandacht aan
haar zaak geschonken zou worden, en dat de Engelse justitie haar,
zonder
aanziens des persoons, onverwijld en ruimschoots zou wreken bij de
genadeloze
bruut, die haar van haar armzalige bezit beroofd had. Vaak beloofde ze
me dat
ze het zou doen, maar steeds weer stelde ze het nemen van stappen uit,
die ik
voor haar uitzette, om dat ze zo verlegen en moedeloos was, waaruit
bleek
hoezeer het verdriet haar jonge hart in zijn greep had gekregen; en
misschien ging
ze er terecht vanuit dat zelfs de onkreukbaarste rechter en
rechtvaardigste
rechtbank niets konden doen om het grootste van het haar aangedane
onrecht weer
goed te maken. Maar misschien zou er toch iets aan gedaan zijn, want
uiteindelijk hadden we met elkaar afgesproken, helaas de allerlaatste
keer dat
ik haar ooit nog zag, dat we een dag of twee later samen naar de
rechter zouden
gaan en dat ik dan namens haar het woord zou voeren. Het was echter
voorbeschikt dat ik haar die kleine dienst nooit zou bewijzen.
Ondertussen had
zij mij er wel een bewezen, groter dan ik haar ooit zou kunnen
vergelden,
namelijk de volgende: — Op een avond hadden we langzaam over
Oxford-street
geslenterd en na een dag waarop ik mij meer dan gewoonlijk ziek en zwak
gevoeld
had, vroeg ik haar samen met mij terug te lopen naar Soho-square. We
liepen
daar naartoe en gingen zitten op de trappen van een huis, dat ik tot op
de dag
van vandaag niet voorbij kan lopen zonder een plotselinge opwelling van
verdriet en een innerlijke huldeblijk aan moed van dat ongelukkige
meisje, in
herinnering aan de edelmoedige daad die zij daar verrichtte. Toen wij
daar
zaten, voelde ik me steeds beroerder worden. Ik leunde met mijn hoofd
tegen
haar borst, zakte opeens uit haar armen en viel achterover op de
trappen. Door
wat ik toen voelde, was ik er zelf heilig van overtuigd dat ik zonder
krachtige
en reanimerende prikkel óf ter plekke doodgegaan, óf zo uitgeput
geraakt zou
zijn dat, onder mijn van godverlaten omstandigheden, alle hoop om weer
bij te komen
vervlogen was. Toen reikte, tijdens die noodlottige crisis, mijn arme
van haar
ouders beroofde metgezel, die zelf in deze wereld alleen maar onrecht
had
meegemaakt, mij haar reddende hand. Ze slaakte een angstkreet, maar
zonder een
moment van aarzeling rende ze Oxford-street in en was weer binnen de
kortste
keren bij me terug met een glas port met kruiden, dat op mijn lege
maag, die in
die tijd alle vaste voedsel geweigerd zou hebben, meteen een heilzame
werking
had; en dit glas betaalde die vrijgevige meisje zonder morren uit haar
eigen
krappe beurs, in een tijd — let wel! — waarin zij nauwelijks over
middelen
beschikte om in het allernodigste levensonderhoud te voorzien en geen
reden had
te verwachten dat ik haar ooit zou kunnen terugbetalen.
O,
jeugdige weldoenster! hoe vaak heb ik in de jaren daarop niet aan je
gedacht,
op eenzame plekken en met hartzeer en volmaakte liefde — hoe vaak heb
niet
gewenst dat, zoals in oude tijden geloofd werd dat de vloek der vader
een
bovennatuurlijke kracht had, en haar slachtoffer achtervolgde met een
zichzelf
vervullende noodlottige noodwendigheid, een met dankbaarheid gezegend
hart
eenzelfde voorrecht had, van boven de kracht gekregen had je te
achtervolgen,
lastig te vallen, te belagen, te overrompelen en na te zitten tot
midden in de
duisternis van een Londens bordeel, of (zo mogelijk) tot in de
duisternis van
het graf, om je daar te wekken met een oprechte boodschap van vrede en
vergeving en een laatste verzoening!
Ik
huil niet vaak: want mijn gedachten over onderwerpen die te maken
hebben met de
belangrijkste lotgevallen van de mens, reiken elke dag, zelfs elk uur
duizend
vadem “te diep voor tranen;” niet alleen is de onverzettelijkheid van
mijn
denkgewoonten tegenstrijdig met gevoelens die tranen oproepen — een
onvermijdelijk gebrek bij mensen die, doorgaans beschermd door hun
oppervlakkigheid, geen enkele neiging hebben stil te blijven staan bij
hun
verdriet en door diezelfde oppervlakkigheid niet in staat zouden zijn
weerstand
te bieden tegen elke toevallige opwelling van dergelijke gevoelens —
maar ik
geloof ook dat alle mensen die dat soort dingen even diep hebben
overdacht als
ik, om zichzelf te beschermen tegen uiterste wanhoop, al vroeg een
soort
rustgevend geloof aangemoedigd en gekoesterd hebben, over het
vereffenen en de
ondoorgrondelijke betekenis van de menselijke beproevingen. Daarom ben
ik tot
op heden opgewekt en huil ik, zoals ik al heb gezegd, niet vaak. Toch
zijn
sommige gevoelens, hoewel niet dieper of hartstochtelijker, brozer dan
andere;
en als ik tegenwoordig bij het dromerige licht van de lantaarns over
Oxford-street wandel en van die deuntjes hoor spelen op een draaiorgel,
die mij
en mijn dierbare metgezellin (zoals ik haar altijd wel moet noemen)
jaren daarvoor
getroost hebben, lopen mij vaak de tranen over de wangen en mijmer ik
over de
geheimzinnige lotsbeschikking, die ons zo plotseling en onherroepelijk
voor
altijd van elkaar scheidde. Hoe dat gebeurde zal de lezer te weten
komen uit de
rest van dit inleidende verhaal.
Ik
heb opgeschreven dat ik kort na dit laatste voorval in Albemarle-street
een
heer ontmoette uit de hofhouding van wijlen zijne Majesteit. Deze heer
was bij
verschillende gelegenheden gastvrij ontvangen door mijn familie en
hield mij nu
staande en vroeg uitleg over mijn sterke familiegelijkenis. Ik
probeerde niets
te verbloemen en gaf hem onbevangen antwoord op zijn vragen en op zijn
woord
van eer dat hij mij niet zou verraden aan mijn voogden, gaf ik hem het
adres
van mijn bevriende advocaat. De dag daarop ontving ik van hem een
bankbiljet
van tien pond. De bijgesloten brief werd afgeleverd met een paar
zakelijke
brieven aan de advocaat, maar hoewel ik uit zijn blik en gedrag
opmaakte dat
hij vermoedde wat erin zat, overhandigde brenger ze me keurig en zonder
aarzeling.
De
bijzondere bestemming die aan dit geschenk werd gegeven, brengt mij er
als
vanzelfsprekend toe het nu te gaan hebben over het doel dat mij naar
Londen had
gelokt en waar ik (om een fraai woord te gebruiken), vanaf de dag van
mijn
aankomst in Londen tot die van mijn definitieve vertrek, naar
gereikhalsd heb.
Het
zal mijn lezers verbazen dat ik in een zo enorme gemeenschap als Londen
niet
een of andere manier had gevonden om een eind te maken aan mijn ergste
armoede;
en het moet hen vast opvallen dat ten minste twee mogelijkheden voor
mij open
lagen — namelijk of hulp zoeken bij vrienden van mijn familie, of mijn
jeugdige
talenten en vaardigheden aanwenden om wat inkomsten te verwerven. Wat
de eerste
mogelijkheid betreft, moet ik in het algemeen opmerken dat er, waar ik
meer dan
alle andere kwaden bang voor was, de kans bestond dat mijn voogden zich
weer
met mij zouden gaan bemoeien; en ik twijfelde er niet aan dat dan elke
macht,
die de wet hen verschafte, zoveel mogelijk tegen mij in het geweer
gebracht zou
worden — dat wil zeggen dat ze zover zouden gaan dat ze mij weer zouden
dwingen
naar de school te gaan, waar ik weg was gelopen, iets dat in mijn ogen
een
schande zou zijn dat, zelfs als ik mij daar vrijwillig aan had
onderworpen,
voor mij een grotere vernedering moest betekenen dan de dood en daarmee
ook
vast zou eindigen, als mij dat afgedwongen werd zonder rekening te
houden met
mijn eigen wensen en doen en laten. Ik was dus heel terughoudend in het
vragen
om hulp, zelfs in kringen waar ik die zeker zou krijgen, omdat ik bang
was dat ik
dan mijn voogden een aanwijzing zou geven, zodat ze me zouden kunnen
opsporen. Maar
in Londen zelf kan ik mij, hoewel mijn vader daar tijdens zijn leven
zonder
twijfel veel vrienden had, toch (omdat er al tien jaar verstreken waren
sinds
zijn dood) maar weinigen van hen zelfs maar bij naam herinneren; en
omdat ik
niet eerder in Londen was geweest, afgezien van een paar uur, wist ik
zelfs van
die paar mensen geen adres. Deels omdat ik het moeilijk vond, maar nog
veel
meer door de allesoverheersende angst die ik al heb genoemd, had ik
doorgaans
een hekel aan die manier van hulp vragen. Wat betreft de andere manier,
ben ik
bereid deels mee te gaan met mijn lezer, als hij zich erover verbaasd
dat ik
die over het hoofd heb gezien. Als corrector van Griekse drukproeven
(of zoiets)
zou ik zondert twijfel genoeg hebben kunnen verdienen voor mijn
bescheiden
behoeften. Ik zou een dergelijke functie met zo’n voorbeeldige en
punctuele
nauwgezetheid hebben kunnen uitoefenen, dat ik al gauw het vertrouwen
van mijn
werkgevers zou winnen. Daarbij moet niet vergeten worden dat ik, zelfs
voor een
functie als die, op de eerste plaats een aanbeveling nodig had voor een
uitgever, en daar kon ik op geen enkele manier aankomen. Om de waarheid
te zeggen,
was het eigenlijk nooit bij me opgekomen literaire bezigheden als bron
van
inkomsten te zien. Ik had nooit een andere manier bedacht om snel aan
geld te
komen dan het te lenen, met mijn toekomstige aanspraken en
verwachtingen als
onderpand. Die methode probeerde ik op elke manier uit, onder andere
ook bij
een jood, D…genaamd. [4]
Bij
deze jood en andere geldschieters (van wie sommigen volgens mij ook
jood waren)
had ik mijzelf geïntroduceerd met een overzicht van mijn
vooruitzichten; door
bij het Register het testament van mijn vader in te zien, hadden zij
zich ervan
vergewist dat het verhaal klopte. De daarin als tweede zoon van
…..vermelde
persoon, bleek alle aanspraken (of meer dan alle) te kunnen doen
gelden, waar
ik recht op dacht te hebben; maar van het gezicht van de joden viel
duidelijk
af te lezen dat hen nog één vraag restte — was ik wel die
persoon? Het
was nooit in me opgekomen dat daaraan getwijfeld kon worden; ik was,
telkens
als mijn joodse vrienden mij kritisch opnamen, eerder bang geweest dat
het maar
al te bekend was dat ik die persoon was en dat zij misschien een of
ander plan
in hun hoofd hadden om mij in de val te laten lopen en aan mijn voogden
te
verkopen. Ik vond het een vreemd idee dat ik materialiter werd
gezien
(zo zei ik dat, want ik was verzot op het nauwgezet onderscheid maken
van de
logica), en werd beschuldigd of op zijn minst verdacht van het, formaliter
gezien, mij voordoen als mijzelf. Om echter tegemoet te komen aan hun
bedenkingen, koos ik de enige voor mij mogelijke weg. Toen ik in Wales
verbleef
had ik van jonge vrienden meerdere brieven gekregen; die liet ik zien,
want ik
droeg ze altijd bij me, omdat ze in die tijd bijna de enige restanten
waren van
mijn persoonlijke ballast (naast de kleren die ik droeg), waar ik me
niet op
een of andere manier van had ontdaan. De meeste van die brieven waren
afkomstig
van Graaf….., die destijds mijn belangrijkste (of liever de enige)
hartsvriend
was. Deze brieven waren gedagtekend in Eton. Ik had er ook een paar van
zijn
vader, de Markies van ….. , die, hoewel hij volledig in beslag werd
genomen
door werkzaamheden in de landbouw, zelf ook op Eton had gezeten en,
zoals een geletterd
edelman betaamt, nog steeds belangstelling had behouden voor klassieke
talen en
jonge studenten. Vandaar dat hij sinds mijn vijftiende met mij
gecorrespondeerd
had; soms over de grote verbeteringen die had doorgevoerd of van plan
was door
te voeren in de graafschappen M… en S…., sinds ik daar was geweest,
soms over
de verdiensten van een Latijnse dichter, en andere keren droeg hij
onderwerpen
aan waarover hij wilde dat ik gedichten schreef.
Nadat
hij
de
brieven
had
gelezen,
was
een
van
mijn
joodse vrienden bereid mij
twee-
of driehonderd pond te leveren, op mijn persoonlijke borgtocht en op
voorwaarde
dat ik de jonge Graaf…— die overigens niet ouder was dan ik — kon
overhalen garant
te staan voor de betaling, op het moment dat we meerderjarig werden;
het
uiteindelijke doel van de jood, denk ik nu, was niet de onbeduidende
winst die
hij op mij verwachtte te maken, maar de kans in contact te kunnen komen
met
mijn adellijke vriend, van wie de grandioze vooruitzichten hem
welbekend waren.
Gehoor gevend aan het voorstel van de jood trof ik, acht of negen dagen
nadat
ik de tien pond had ontvangen, voorbereidingen om af te reizen naar
Eton. Bijna
drie pond van het bedrag had ik aan mijn geldschietende vriend gegeven,
omdat
hij beweerde dat er zegels gekocht moesten worden, zodat de papieren in
orde
konden worden gemaakt terwijl ik weg was uit Londen. In mijn hart dacht
ik dat
hij loog; maar ik wilde hem geen enkel excuus geven om zijn eigen
vertragingen
op mijn bord te kunnen schuiven. Een kleiner bedrag had ik gegeven aan
mijn
vriend, de advocaat (die als juridisch adviseur contact had met de
geldschieters) waarop hij namelijk recht had vanwege het aan mij
verhuren van
zijn ongemeubileerde woning. Ongeveer vijftien shilling had ik besteed
aan het
fatsoeneren (zij het heel bescheiden) van mijn kleding. Van de rest gaf
ik een
kwart aan Ann, met de bedoeling bij terugkomst, wat er dan overgebleven
was,
met haar te delen. Nadat ik dat allemaal geregeld had, vertrok ik op
een
donkere winteravond, meteen na zessen, samen met Ann naar Piccadilly;
want het
was mijn bedoeling, met de postkoets naar Bath en Bristol, mee te
rijden tot
Salthill. Onze tocht voerde door een stadsdeel dat nu helemaal is
verdwenen,
zodat ik de oude grenzen niet meer kan vinden — volgens mij werd het
Swallow-street genoemd. Maar omdat we tijd genoeg hadden, sloegen we
linksaf
tot we op Golden-square kwamen; daar gingen we zitten, in de buurt van
de hoek
van Sherrard-street, omdat we ons niet in de drukte en het gewoel van
Piccadilly wilden storten. Enige tijd daarvoor had ik haar verteld van
mijn
plannen en nu verzekerde ik haar opnieuw dat zij zou delen in mijn
voorspoed,
als mij die ten deel zou vallen en dat ik haar nooit meer in de steek
zou
laten, zo gauw ik sterk genoeg was om haar te beschermen. Dat was ik
echt van
plan, zowel uit welwillendheid als uit plichtsgevoel; want afgezien van
dankbaarheid,
waardoor ik in ieder geval levenslang bij haar in het krijt stond,
hield ik
even teder van haar alsof ze mijn zuster was; en op dat moment met een
zevenvoudige tederheid, uit medelijden, omdat ik zag hoe vreselijk
verdrietig
ze was. Ik had eigenlijk de meeste reden om verdrietig te zijn, omdat
ik de
redster van mijn leven verliet; toch was ik, ondanks de klap die mijn
gezondheid had opgelopen, opgewekt en vol goede hoop. Zij daarentegen,
die
afscheid nam van iemand die maar over weinig middelen had beschikt om
haar
behulpzaam te zijn, behalve een vriendelijke en broederlijke
bejegening, was
door verdriet overmand; zodat zij, toen ik haar kuste bij ons laatste
afscheid,
haar armen om mijn nek sloeg en zonder woorden huilde. Ik hoopte
uiterlijk over
een week terug te komen en sprak met haar af dat zij op de vijfde avond
vanaf
dan, en elke avond daarna, om zes uur op mij zou wachten aan het einde
van de Great
Titchfield-street, dat als het ware onze veilige haven was geweest,
waar we steeds
met elkaar afspraken, om te voorkomen dat we elkaar mis zouden lopen in
de
grote Middellandze zee van Oxford-street. Deze en andere
voorzorgsmaatregelen nam
ik, maar ik vergat er één. Zij had mij nooit haar achternaam verteld,
of ik was
die (als iets onbelangrijks) vergeten. Het is namelijk de algemene gang
van
zaken, dat meisjes van nederige afkomst in hun ongelukkige situatie,
zichzelf
niet (zoals romannetjes lezende vrouwen met meer pretenties) Miss
Douglas, Miss Montague, enz. noemen, maar gewoon met hun
voornaam — Mary, Jane, Frances, enz. Als de
zekerste manier om haar later op te
kunnen
sporen,
had ik nu dus haar achternaam moeten vragen; maar omdat ik geen reden
had te
denken dat onze ontmoeting door een korte onderbreking moeilijker of
onzekerder
zou worden dan het al zoveel weken was geweest, had ik in werkelijkheid
nauwelijks een moment gedacht dat het nodig was, of het bij de dingen
gezet die
ik niet moest vergeten bij dit afscheidsgesprek; en omdat mijn laatste
zorgen
werden besteed aan haar met hoopvolle gedachten te troosten, en te
benadrukken
dat ze wat medicijnen moest halen voor haar hevige hoest en heesheid,
waar ze
last van had, vergat ik het helemaal totdat het te laat was om haar
terug te
roepen.
Het
was al over achten toen ik aankwam bij het koffiehuis van Gloucester en
omdat
de poskoets naar Bristol op punt van vertrek stond, klom ik op het dak.
De
heerlijke vloeiende beweging [5] van deze postkoets wiegde me al snel
in slaap:
het is vrij opmerkelijk dat de eerste probleemloze en verkwikkende
slaap die ik
in een paar maanden had genoten, boven op een postkoets was — een bed
dat ik tegenwoordig
nogal ongemakkelijk vind. Er was een verband tussen die slaap en een
voorvalletjes dat, net als honderden andere in die tijd, diende om mij
te laten
zien hoe gemakkelijk iemand, die nooit in grote moeilijkheden heeft
verkeerd,
door het leven kan gaan zonder iets te weten, ten minste wat hem zelf
betreft,
van de mogelijke goedheid van het menselijke hart — of, zoals ik daar
met een
zucht aan toe moet voegen, van zijn mogelijke laagheid. Er is zo’n dik
gordijn
van manieren gelegd over de eigenschappen en uitingen van de
menselijke natuur,
dat voor de gewone toeschouwer de twee uitersten en het eindeloze
gebied van
varianten dat daar tussen ligt, één grote warboel is; het uitgestrekte
en
veelsoortige bereik van hun diverse harmonieën wordt teruggebracht tot
een
pover schema van verschillen, uitgedrukt in het gamma of alfabet van
elementaire geluiden. De zaak was als volgt: gedurende de eerste vier
of vijf
mijl na Londen, viel ik mijn medepassagier op het dak lastig door af en
toe
tegen hem aan te vallen als de koets een plotselinge beweging naar zijn
kant
maakte; en als de weg minder vlak en egaal was geweest zou ik er
inderdaad van
zwakte afgevallen zijn. Hij klaagde hevig over die hinder, wat de
meeste mensen
onder die omstandigheden zouden doen; maar gaf echter veel korzeliger
uiting
aan zijn klacht dan het geval leekt te rechtvaardigen, en als ik op dat
moment
afscheid van hem had genomen zou ik een beeld van hem hebben
overgehouden (ten
minste als ik het de moeite waard zou vinden om dat te maken) van een
norse en
bijna gevoelloze kerel. Ik besefte echter dat ik hem een reden tot
klagen had
gegeven en daarvoor verontschuldigde ik me en verzekerde hem dat ik
mijn uiterste
best zou doen om verder niet meer in slaap te vallen; en tegelijkertijd
legde
ik hem zo beknopt mogelijk uit dat ik ziek was en verzwakt door
langdurige
ontberingen en dat ik mij op dat moment een plaats ín de koets niet kon
veroorloven. Toen hij dat gehoord had veranderde de houding van de man
ogenblikkelijk; en toen ik de keer daarop weer even wakker werd door
het geluid
en de lichten van Hounslow (want ondanks mijn goede voornemens en
inspanningen
was ik twee minuten nadat ik met hem had gesproken weer in slaap
gevallen)
merkte ik dat hij zijn arm om mij heen had geslagen om te voorkomen dat
ik naar
beneden zou vallen en gedurende de rest van mijn reis bejegende hij me
met de
zachtzinnigheid van een vrouw, zodat ik uiteindelijk bijna in zijn
armen lag; en
dat was des te aardiger omdat hij niet kon weten dat ik niet helemaal
tot Bath
of Bristol mee zou rijden. Helaas ging ik een stuk verder mee dan de
bedoeling
was, want mijn slaap was zo aangenaam en verkwikkend, dat de keer dat
ik na
Hounslow helemaal wakker werd was op het moment dat de postkoets opeens
stopte
(mogelijk bij een postkantoor) en ik bij navraag ontdekte dat we al in
Maidenhead waren — volgens mij zes of zeven mijl voorbij Salthill. Daar
stapte
ik uit en in die halve minuut dat de postkoets stopte werd mij door
mijn
vriendelijke medereiziger (die uit de vluchtige glimp die ik van hem
opgevangen
had in Piccadilly mij een herenknecht leek, of iets dergelijks) op het
hart
gedrukt meteen naar bed te gaan. Dat beloofde ik, maar was niet van
plan dat te
doen; en in werkelijkheid ging ik meteen te voet verder, of liever,
terug. Het
moet toen rond middernacht geweest zijn, maar ik vorderde zo langzaam
dat ik in
een huisje de klok vier uur hoorde slaan, voordat ik de weg insloeg van
Slough
naar Eton. De buitenlucht en slaap hadden me verkwikt; maar toch was ik
moe. Ik
herinner me een uitspraak (heel toepasselijk en aardig verwoord door
een Romeins
dichter) die mij toen in mijn armzalige toestand wat troost bood. Even
daarvoor
was er een moord gepleegd op of in de buurt van de Hounslower heide. Ik
denk
dat ik me niet vergis als ik zeg dat de naam van de vermoorde Steele
was, en dat hij de eigenaar was van een lavendelplantage in de buurt.
Elke stap
bracht mij dichter bij de heide en natuurlijk kwam het bij me op dat ik
en de
van moord beschuldigde man, als hij die nacht op pad was, elkaar
onbewust in de
duisternis elk moment naderbij kwamen; in dat geval, zei ik — ervan
uitgaand
dat ik ik ben en niet (wat ik feitelijk ben) gewoon maar een
paria — als
ik
Eigenaar van mijn kennis, maar zonder land—
zou
zijn, zoals mijn vriend Lord…., van wie algemeen bekend is dat hij
erfgenaam is
van 70.000 pond per jaar, wat een paniek zou mij dan op dit moment naar
de
strot vliegen! Het was echter waarschijnlijk dat Lord….nooit in mijn
situatie
zou verkeren. Maar toch blijft de strekking van de opmerking juist —
namelijk
dat veel macht en bezittingen iemand beschamend bang maken voor de
dood; en ik
ben ervan overtuigd dat bij veel van de onverschrokkenste avonturiers
die, doordat
ze het geluk hebben arm te zijn, volledig gebruik kunnen maken van hun
natuurlijke moed, als ze, op het moment dat ze in actie zouden komen,
het
bericht zouden krijgen dat ze onverwacht in Engeland een erfenis hadden
gekregen van 50.000 pond per jaar, de afkeer van kogels aanzienlijk
groter zou
worden, [6] en hun streven naar gelijkmoedigheid en zelfbeheersing
evenredig problematisch.
Het is dus waar dat, in de woorden van een wijs man die uit eigen
ervaring
kennis had gemaakt met beide kanten van het lot, rijken eerder geneigd
zijn om
In
deugd te verslappen en de scherpe kantjes eraf te slijpen
Dan
haar te verleiden tot het doen van iets
Dat
de verdienste tot eer zou strekken.
Paradise
Regained.
Ik
zit hier wat te knoeien met mijn onderwerp, omdat de herinnering aan
die tijd
voor mij heel boeiend is. Maar mijn lezer zal verder geen reden tot
klagen
hebben, want ik zal mij nu reppen naar het einde van het verhaal.
Onderweg
tussen Slough en Eton viel ik in slaap en toen de morgen aanbrak werd
ik gewekt
door de stem van een man die over me heen gebogen stond en naar me
keek. Ik
weet niet wat hij was: hij zag er onvriendelijk uit, maar dat wil nog
niet
zeggen dat hij iets onvriendelijks van zins was; en als dat wel zo zou
zijn, kan
ik me toch niet voorstellen dat iemand die ’s winters buiten slaapt de
moeite
van het beroven waard is. Mocht hij zich echter onder mijn lezers
bevinden, dan
wil ik hem verzekeren dat hij zich wat mij betreft vergiste. Na een
terloopse
opmerking verdween hij; en ik vond het niet erg dat hij mij gestoord
had, omdat
ik nu door Eton kon lopen voordat de meeste mensen op waren. ’s Nachts
was het
somber en betrokken geweest, maar tegen de morgen was dat overgegaan in
een
lichte vorst en waren grond en bomen bedekt met rijp. Ik sloop
onopgemerkt door
Eton, waste mezelf en fatsoeneerde mij kleren zo goed mogelijk in een
kleine
herberg in Windsor; en om acht uur liep ik naar beneden naar de winkel
van
Pote. Onderweg kwam ik een paar studenten tegen, bij wie ik
inlichtingen inwon.
Een student van Eton is altijd een heer; en ondanks mijn sjofele kledij
gaven
ze me beleefd antwoord. Mijn vriend, Lord…., was vertrokken naar de
Universiteit van …… “Ibi omnis effusus labor! (vert.: “Daar is alle
werk
mateloos,” Virgilius, Georgica).” Ik had echter nog andere
vrienden op
Eton; maar iemand die in de problemen zit maakt niet graag zijn
opwachting bij
iedereen die de naam vriend draagt en geslaagd is. Ik vermande me
echter en
vroeg naar Graaf van….., bij wie ik (hoewel mijn omgang met hem niet zo
vertrouwelijk was als met anderen) er niet voor zou terugschrikken mij
in welke
toestand dan ook te vertonen. Hij was nog op Eton, hoewel hij, geloof
ik, bezig
was met Cambridge. Ik ging bij hem langs, werd vriendelijk ontvangen en
uitgenodigd voor het ontbijt.
Ik
moet hier even ophouden om te voorkomen dat mijn lezer een verkeerde
conclusie
trekt. Omdat ik af en toe een aanleiding zie om iets te zeggen over
verschillende adellijke vrienden, moet daaruit niet opgemaakt worden
dat ik
enige pretentie heb om mij te scharen onder de gegoede klasse of mensen
van hoge
afkomst. Godzijdank hoor ik daar niet bij. Ik ben de zoon van een
gewone
Engelse koopman, die tijdens zijn leven gewaardeerd werd vanwege zijn
grote
onkreukbaarheid en zeer gehecht was aan literaire bezigheden (hij
schreef zelf
ook, maar anoniem). Als hij was blijven leven, was hij naar verwachting
nu heel
rijk geweest; maar omdat hij vroegtijdig stierf liet hij maar 30.000
pond na,
verdeeld over zeven erfgenamen. Met trots zou ik willen vermelden dat
mijn
moeder nog veel begaafder was; want hoewel zij geen aanspraak maakte op
de
titel en het aanzien van een literaire vrouw, ben ik zo vrij
haar (wat
veel literaire vrouwen niet zijn) een intellectuele vrouw te
noemen; en
ik denk dat als haar brieven ooit verzameld en gepubliceerd worden, men
algemeen zal vinden dat zij een even krachtige en mannelijke toon
aanslaan, en
dan ook nog opgeschreven in een even zuivere “moedertaal,” geestig en
helder en
met stijlbloempjes, als al het andere in onze taal — misschien met
uitzondering
van wat Lady M. W. Montague geschreven heeft. Dat zijn de eretekenen
van mijn
afkomst, ik heb geen andere; en ik heb God oprecht bedankt dat ik die
niet heb
want dat zijn, volgens mij, niet de meest gunstige voor morele of
intellectuele
eigenschappen.
Lord
D….liet
een
schitterend
ontbijt
voor
mij
neerzetten.
Dat
was
het echt, maar in
mijn ogen leek het nog drie keer zo schitterend, omdat het mijn eerste
gewone
maaltijd was, de eerste “feestmaaltijd,” waar ik sinds maanden bij
aanzat.
Vreemd genoeg kon ik echter nauwelijks iets naar binnen krijgen. Op de
dag
waarop ik mijn biljet van tien pond kreeg, was ik naar de bakker gegaan
en had
een paar broodjes gekocht; twee maanden of zes weken eerder had ik zo
hunkerend
naar die winkel gekeken dat het bijna gênant is om daaraan terug te
denken. Ik
herinnerde me het verhaal over Thomas Otway [7], en was bang dat te
snel eten
misschien gevaarlijk was. Maar ik hoefde me niet ongerust te maken;
mijn
eetlust was helemaal verdwenen en ik werd al beroerd voordat ik de
helft van
wat ik gekocht had, op had. Deze uitwerking van het eten van alles wat
ook maar
op een maaltijd leek, bleef ik wekenlang voelen; als ik er niet
misselijk van
werd, kwam een deel van wat ik at weer terug, soms met het zuur, soms
meteen en
zonder zuur. In dit geval, aan de tafel van Lord D…., voelde ik mij
helemaal
niet beter dan gewoonlijk, en te midden van die overvloed had ik geen
eetlust. Maar
ik had wel de hele tijd vreselijk veel zin in wijn; daarom deed ik voor
Lord
D….mijn situatie uit de doeken en gaf hem een beknopt verslag van mijn
recente
ontberingen, waarop hij uitgebreid zijn medeleven betoonde en wijn liet
aanrukken.
Die gaf mij tijdelijk verlichting en een aangenaam gevoel; als ik er de
gelegenheid voor had, kon ik het nooit nalaten wijn te drinken, die ik
toen
evenzeer aanbad als ik later met opium heb gedaan. Ik ben er echter van
overtuigd dat dat overmatige gebruik van wijn bijdroeg aan het
verergeren van
mijn ziekte, want mijn maag was duidelijk helemaal verslapt en zou bij
een
beter dieet sneller en misschien afdoende hersteld zijn. Ik hoop dat
het niet
door die voorliefde voor wijn was dat ik bleef hangen in de buurt van
mijn
vrienden van Eton; destijds hield ik mezelf voor dat het kwam omdat ik
aarzelde
Lord D…, van wie ik wist dat ik nauwelijks iets van hem te vorderen
had, de
speciale dienst te vragen waarvoor ik naar Eton was gekomen. Ik wilde
echter
niet dat mijn reis helemaal tevergeefs was geweest, en — ik vroeg het.
Lord D…,
die grenzeloos beminnelijk was, wat ten aanzien van mij misschien meer
te maken
had met zijn medeleven met mijn toestand en omdat hij op de hoogte was
van met
vertrouwelijke omgang met een paar van zijn familieleden, dan door een
al te
zorgvuldig onderzoek naar in hoeverre ik rechtstreekse vorderingen op
hem had, aarzelde
echter bij dat verzoek. Hij erkende dat hij liever niets te maken had
met
geldschieters en bang was dat zijn verwanten een dergelijke transactie
ter ore
zou komen. Bovendien betwijfelde hij of zijn handtekening,
iemand van
wie de vooruitzichten zoveel beperkter waren dan die van….., iets zou
uithalen
bij mijn niet-christelijke vrienden. Hij wilde me echter kennelijk niet
kwetsen
met een absolute weigering; want na enige overweging beloofde hij me
borg te
willen staan, onder bepaalde voorwaarden die hij te berde bracht. Lord
D….was
destijds nog geen achttien; maar ik heb vaak betwijfeld, als ik later
terugdacht aan het gezonde verstand en de behoedzaamheid die hij bij
die
gelegenheid paarde aan zoveel hoffelijkheid (een hoffelijkheid die bij
hem de charme
vertoonde van jeugdige oprechtheid), of enig staatsman — zelfs de
oudste en
diplomatiekste — zich onder dezelfde omstandigheden beter van zijn taak
gekweten had. De meeste mensen kun je inderdaad niet met zoiets lastig
vallen
zonder dat ze je opnemen met een even norse en ongunstige blik als van
een
Saracenenkop.
Weer
opgebeurd
door
die
belofte,
die
niet
helemaal
gelijk
was
aan de beste, maar
veel beter dan de slechtste die ik voor mogelijk had gehouden, keerde
ik in een
Windsor-rijtuig terug naar Londen, drie dagen nadat ik daar was
vertrokken. En
nu kom ik bij het einde van mijn verhaal. De joden gingen niet akkoord
met de
voorwaarden van Lord D…; ik weet niet of zij die uiteindelijk toch
aanvaard
zouden hebben en alleen maar tijd wilden om dienaangaande inlichtingen
in te
winnen; maar het werd telkens uitgesteld, de tijd verstreek, het restje
van
mijn bankbiljet was net verdampt en voordat er ook maar enige uitspraak
kon
worden gedaan in de zaak, moet ik in mijn vroegere ellendige toestand
zijn
teruggevallen. Maar plotseling werd er tijdens dat kritieke stadium
bijna bij
toeval een opening gemaakt om mij weer te kunnen verzoenen met mijn
vrienden;
in allerijl vertrok ik vanuit Londen naar een afgelegen streek in
Engeland;
enige tijd later begon ik op de universiteit en pas na vele maanden was
ik in
staat de plaats weer te bezoeken die zo boeiend voor me was geworden en
dat tot
de dag van vandaag is gebleven, omdat het het belangrijkste toneel van
de
beproevingen in mijn jeugd is.
Wat
was er ondertussen terechtgekomen van Ann? Voor haar heb ik mijn
slotwoord
bewaard. Volgens onze afspraak zocht ik haar dagelijks naar haar en
wachtte,
zolang ik in Londen was, elke avond op haar op de hoek van
Titchfield-street. Ik
deed navraag naar haar bij iedereen die haar mogelijk kende en tijdens
de
laatste uren van mijn verblijf in Londen stelde ik alles, wat mijn
bekendheid
met Londen mij ingaf en mijn beperkte kracht mogelijk maakte, in het
werk om
haar op te sporen. Ik wist in welk straat ze had gewoond, maar niet in
welk
huis; en ten slotte herinnerde ik me een verhaal dat ze me verteld had
over de
slechte behandeling door haar huisbaas, wat het waarschijnlijk maakte
dat ze die
woning verlaten had voor we afscheid van elkaar namen. Ze had weinig
kennissen;
bovendien dachten de meeste mensen dat de gedrevenheid van mijn zoeken
voortkwam uit motieven, die hun lachlust of minachting opwekten; en
anderen,
die dachten dat ik op jacht was naar een meisje dat mij wat
kleinigheden afhandig
had gemaakt, waren vanzelfsprekend en begrijpelijk niet bereid om mij
enige
inlichting over haar te verschaffen, als zij al iets wisten. Ten slotte
gaf ik
op de dag dat ik uit Londen vertrok, als mijn wanhopige laatste
redmiddel, de
enige persoon die (daar was ik zeker van) Ann van gezicht moest kennen,
doordat
hij een of twee keer in gezelschap van ons was geweest, het adres
van….in ….-shire,
waar in die tijd mijn familie verbleef. Maar tot op de dag van vandaag
heb ik
nooit meer iets van haar gehoord. Van alle tegenslagen waar de meeste
mensen in
dit leven mee te maken krijgen, is dit mijn grootste geweest. Als ze
nog in
leven was, zouden wij vast en zeker af en toe, in de reusachtige
labyrinten van
Londen, naar elkaar op zoek zijn geweest; misschien zijn wij zelfs wel
eens een
paar stappen van elkaar vandaan geweest — een hindernis, niet breder
dan een
Londense straat, die vaak uiteindelijk een scheiding voor eeuwig
betekent! Een
aantal jaren hoopte ik dat ze nog leefde; en ga ervan uit, dat ik,
tijdens mijn
meerdere bezoeken aan Londen , in de letterlijke en niet-retorische
betekenis
van het woord myriaden, ik mag wel zeggen naar vele, vele
myriaden
vrouwengezichten heb gekeken, in de hoop haar tegen te komen. Ik zou
haar uit
duizenden herkennen, als ik haar maar even zou zien; want hoewel ze
niet knap
was, had ze een innemende gelaatsuitdrukking en droeg haar hoofd op een
eigenaardige en bevallige manier. Zoals ik al gezegd heb zocht ik haar
in de
hoop haar te vinden. Dat heb ik jaren gedaan, maar nu zou ik er tegenop
zien
haar weer te ontmoeten en haar hoesten, dat mij pijn deed toen ik
afscheid van
haar nam, is nu mijn troost. Ik wil haar nu niet meer zien; maar ik
denk liever
aan haar, als aan iemand die lang geleden in het graf is gelegd, naar
ik hoop als
een Maria Magdalena; weggenomen, voordat vernederingen en wreedheid
haar
onschuldige karakter hadden weggevaagd en misvormd, of de
gruwelijkheden van de
beulen de afbraak, waarmee ze begonnen waren, hadden voltooid.
[De
rest van dit zeer interessante artikel zal in het volgende nummer
verschijnen.—ED.]
Deel
II
Uit
het London Magazine van oktober 1821.
Dus
Oxford-street,
stiefmoeder met een hart van steen! gij die het zuchten van de wezen
aanhoort
en kindertranen drinkt, eindelijk was ik van u af; eindelijk was de
tijd
gekomen dat ik niet langer gepijnigd op en neer zou lopen langs uw
eindeloze
huizenblokken, niet meer zou dromen en waken, bevangen door een
knagende
honger. Teveel mensen, erfgenamen van onze beproevingen, zijn, na Ann
en mij,
sindsdien in onze voetstappen getreden; andere wezen dan Ann hebben
gezucht;
tranen zijn geplengd door andere kinderen; en gij, Oxford-street, hebt
sindsdien zonder twijfel het gekreun van ontelbare harten weerkaatst.
Voor
mijzelf leek de storm, die ik had overleefd, echter de belofte in te
houden van
een lange periode van mooi weer — de te vroegtijdige beproevingen die
ik had
afbetaald, leken aanvaard te zijn als losgeld voor vele komende jaren,
als een
prijs voor een langdurige vrijwaring voor verdriet; en als ik dan weer
door
Londen liep, als een eenzame en bedachtzame man (wat ik vaak deed),
deed ik dat
meestal met een sereen en vredig gemoed. En hoewel het waar is dat de
rampzaligheden van mijn inwijdingsperiode in Londen zich zo diep hadden
geworteld in mijn lichamelijke gestel, dat zij later weer opschoten,
opnieuw
tot bloei kwamen, en uitgroeiden tot een giftig gebladerte, dat mijn
latere
jaren heeft overschaduwd en verduisterd, ben ik toch deze tweede
aanvalsgolf
van beproevingen tegemoetgetreden met een overtuigdere vastberadenheid,
met hulp
van een rijper verstand en met verzachting door meelevende genegenheid
— O hoe
innig en liefdevol!
Hoe
die
beproevingen ook verzacht werden, de jaren die ver uiteenlagen waren
met elkaar
verbonden door ragfijne lijntjes van leed, ontsproten uit een
gemeenschappelijk
bron. En ik zie een voorbeeld van de kortzichtigheid van menselijke
verlangens
in het feit dat het op maanverlichte nachten, tijdens mijn eerste
treurige
verblijf in Londen, mij vaak tot troost was (als zoiets denkbaar zou
zijn) om vanaf
Oxford-street de zijwegen die het hart van Marylebone doorkruisen,
straat na
straat door te kijken naar de velden en bossen; “dat,” zei ik
dan,
terwijl ik met mijn ogen langs de lange lanen reisde, die deels in het
licht,
deels in de schaduw lagen, “dat is de weg naar het Noorden en
dus naar
Grasmere, en als ik de vleugels van een duif had, zou ik die
richting in
vliegen voor vertroosting.” Dat zei ik en daarnaar verlangde ik, in
mijn
blindheid. Toch was het zelfs juist naar dat Noorden, zelfs naar dat
dal, ja
zelfs naar dat huis waarnaar mijn verkeerde verlangens zich richtten en
waar
deze tweede geboorte van mijn beproevingen aanving en opnieuw de burcht
van
leven en hoop dreigden in te nemen. Daar was het dat ik jarenlang
achtervolgd
werd door visioenen, spookbeelden even afzichtelijk en verschrikkelijk
als die
ooit de ligbank van iemand als Orestes hebben bezocht; en daarin
ongelukkiger
dan hij, werd ik als mijn bitterste gesel bezocht door de slaap, die
voor
iedereen als adempauze en herstel komt en in het bijzonder voor hem als
zalige
[8] balsem voor zijn gewonde hart. Zo blind was ik in mijn verlangens;
maar als
er een sluier hangt tussen de kortzichtigheid van de mens en zijn
toekomstige
rampen, verbergt diezelfde sluier voor hem alles wat verlichting kan
brengen. Een
verdriet dat niet gevreesd wordt, ontmoet troost waarop niet gehoopt
is. Ik die
als het ware deel had aan Orestes’ beproevingen (met uitzondering van
zijn
verontruste geweten), deelde niet minder in alles wat hem tot steun
diende.
Mijn Eumeniden stonden net als de zijne, aan het voeteinde van mijn
bed, en
staarden me aan door de gordijnen; maar wakend bij mijn kussen, of
zichzelf de
slaap onthoudend om mij gezelschap te kunnen houden tijdens de zware
slapeloze
uren van de nacht, zat mijn Elektra; want jij, geliefde M., dierbare
metgezellin van mijn latere jaren, jij was mijn Elektra! en noch in
zieleadel,
noch in lankmoedigheid zou jij toelaten dat een Griekse zuster zou
uitmunten
boven een Engelse vrouw. Want jij vond het vanzelfsprekend je te
verlagen tot
bescheiden liefdadigheid en dienstbare [9] hulp van de tederste
genegenheid —
door jarenlang de verderfelijke zweetdroppels van mijn voorhoofd te
wissen, of
mijn door koorts uitgedroogde en verschroeide lippen te verkwikken;
zelfs niet
toen jouw eigen vredig sluimer door langdurig medeleven was besmet met
het
schouwspel van mijn angstaanjagende gevecht met spoken en schimmige
vijanden,
die mij vaak bevalen: “niet meer slapen!” — zelfs toen kwam er geen
klacht of
gemor over je lippen, behield je je engelachtige glimlach en deinsde je
niet
terug voor jouw liefdesdienst, nog getrouwer dan Elektra lang geleden.
Want ook
zij, hoewel ze een Griekse was en dochter van de koning [10] der
mensen, huilde
bij tijd en wijle en verborg dan haar gezicht [11] in haar gewaad.
Maar
die
ellende
behoort
tot
het
verleden;
en
jij
zult
de optekeningen lezen van
een
voor ons beiden zo smartelijke periode, als de overlevering van een
afschuwelijke droom die nooit weer kan terugkeren. Inmiddels ben ik
weer in
Londen en weer loop ik ‘s avonds langs de huizenblokken in
Oxford-street; en
vaak als ik terneergedrukt wordt door angsten die steun zoeken door een
beroep te
doen op heel mijn levenswijsheid en de troostende gedachte van jouw
aanwezigheid,
en bedenk dat ik van jou gescheiden ben door driehonderd mijl en de
tijdspanne
van drie sombere maanden, kijk ik op maanverlichte nachten door de
straten heen
die vanaf Oxford-street naar het Noorden lopen en herinner mij weer de
angstkreet uit mijn jeugd; en dan bedenk ik dat jij helemaal alleen zit
in
datzelfde dal, de vrouw des huizes van de woning waarnaar mijn hart
zich negentien
jaar geleden in zijn verblinding wendde; dan denk ik dat de
aansporingen van
mijn hart, hoewel blind en onlangs verstrooid door de winden, toch
hebben
verwezen naar een veel eerdere tijd en gerechtvaardigd zouden kunnen
worden als
daar een andere bedoeling aan toegekend wordt; en als ik mij zelf zou
kunnen
vergunnen weer af te dalen naar de machteloze verlangens van mijn
kindertijd,
zou ik tegen me zelf zeggen, als ik naar het Noorden kijk, “O, had ik
maar de
vleugels van een duif—” en met een terecht vertrouwen in jouw goede en
beminnelijke karakter zou ik daar de andere helft van mijn eerdere
kreet aan
toe kunnen voegen—“En daarheen zou ik vliegen ter vertroosting!”
DE
GENEUGTEN
VAN OPIUM
Het
is zo lang geleden dat ik voor het eerst opium nam dat ik, als het in
mijn
leven een onbeduidende gebeurtenis was geweest, misschien de datum
vergeten zou
zijn; maar kardinale gebeurtenissen mogen niet vergeten worden en, aan
de hand
van daarmee verbonden omstandigheden, herinner ik me dat het
plaatsgevonden
moet hebben in de herfst van 1804. In die periode verbleef ik in
Londen, waar
ik voor het eerst naartoe gegaan was sinds ik met mijn studie begonnen
was.
Mijn kennismaking met opium verliep als volgt. Van jongs af aan was ik
gewend
mijn hoofd minstens eenmaal per dag met koud water te wassen. Toen ik
kiespijn
kreeg schreef ik dat dus toe aan een soort verslapping ten gevolge van
een
onopzettelijk nalaten van dat ritueel, omdat ik uit bed gesprongen was,
mijn
hoofd in een bekken met koud water had gedompeld en met natte haren
weer was
gaan slapen. Ik hoef nauwelijks te vertellen dat ik de ochtend daarop
wakker
werd met verschrikkelijke reumatische pijnen aan mijn hoofd en gezicht,
die
ongeveer twintig dagen vrijwel onophoudelijk aanhielden. Ik denk dat
het de
eenentwintigste dag was, op een zondag, dat ik de straat op ging, meer
om zo
mogelijk mijn kwellingen te ontvluchten dan met een bepaald doel.
Toevallig
kwam ik een studiegenoot tegen, die mij opium aanraadde. Opium! Die
vreselijke
brenger van onvoorstelbaar genot en pijn! Ik had erover gehoord zoals
over
manna of ambrozijn, maar niet meer. Hoe betekenisloos was die klank nog
in die
tijd; welke plechtige akkoorden slaat het tegenwoordig op mijn hart!
wat voor
hartverscheurende trillingen van droeve en blijde herinneringen! Als ik
daar
even aan terugdenk, heb ik het gevoel dat er een mystieke lading kleeft
aan de
onbeduidendste omstandigheden, die te maken hebben met de tijd,
plaats en de
man (als hij wel een mens was) die voor het eerst het Paradijs van de
Opiumslikkers voor mij openden. Het was op een zondagmiddag, nat en
triest. Er
bestaat op onze aarde geen saaier schouwspel dan een regenachtige
zondag in
Londen. Mijn weg naar huis voerde door Oxford-street en in de buurt van
“het
statige Pantheon” (zoals Wordsworth dat zo hoffelijk noemde) zag ik een
drogisterij. De drogist—onbewuste leverancier van hemelse vreugden!—zag
er, als
het ware in overeenstemming met de regenachtige zondag, doodsaai en
onnozel
uit, precies zoals van elke sterfelijke drogist op een zondag verwacht
mag
worden. En toen ik hem om opiumtinctuur vroeg, reikte hij die me aan
zoals ieder
ander zou hebben gedaan, en bovendien gaf hij me van mijn shilling iets
terug
wat een echte koperen halve penny bleek te zijn, die hij uit een echte
houten
lade pakte. Ondanks een dergelijk blijk van menselijkheid, is hij
sindsdien altijd
in mijn hoofd aanwezig geweest als het gelukzalige visioen van een
onsterfelijke drogist, op aarde neergezonden met een speciale opdracht
voor
mij. Een bevestiging van dat idee kreeg ik toen ik de keer daarop in de
buurt
van het statige Pantheon naar hem op zoek ging en niet vond. Voor mij,
die zijn
naam (als hij er al een had) niet wist, leek hij eerder verdwenen uit
Oxford-street, dan verhuisd in lichamelijke zin. De lezer mag zelf
weten of hij
mogelijk toch niet gewoon een ondermaanse drogist geweest is; het is
mogelijk,
maar mijn geloof is groter—ik geloof dat hij vervluchtigd [12] of
verdampt is. Met
zoveel tegenzin zou ik ook maar enige herinnering willen verbinden aan
dat
tijdstip, die plek en dat wezen, dat mij voor het eerst liet
kennismaken met dat
hemelse medicijn.
Je
zou kunnen denken dat ik eenmaal thuisgekomen geen moment verloor om de
voorgeschreven hoeveelheid te kunnen innemen. Ik wist natuurlijk niets
van de
hele kunst en het geheim van het opiumslikken, en wat ik innam, nam ik
in onder
de allerongunstigste omstandigheden. Maar ik nam het in—en na een
uur—o, goeie
hemel! wat een verandering! wat een omhoogkolken vanuit het
allerdiepste van
mijn gemoed! wat een apocalyps in mijn binnenwereld! Dat mijn pijnen
waren
verdwenen was nu in mijn ogen een kleinigheidje. Dit negatieve effect
werd
verzwolgen in de onmetelijkheid van de positieve effecten die zich voor
mij
openden—in de afgrond van het goddelijke genot dat zodoende plotselinge
werd
onthuld. Dit was een panacee, een φαρμακον
voor alle menselijke smarten; dit was het geheim van het geluk,
waarover de
filosofen zoveel eeuwen geredetwist hadden, opeens ontdekt; geluk zou
nu voor
een penny gekocht en meegenomen kunnen worden in je vestzak; draagbare
extases
zouden in een flesje gekurkt en gemoedsrust in liters met de postkoets
verstuurd kunnen worden. Maar als ik op die manier spreek zal de lezer
denken
dat ik er de draak mee steek, maar ik kan hem verzekeren dat iemand die
veel
met opium te maken heeft het lachen zal vergaan. Zelfs de genoegens van
opium
zijn ernstig en plechtig van aard en zelfs in zijn gelukkigste toestand
kan de
opiumslikker niet de rol van L’Allegro [13] spelen; zelfs dan
spreekt en
denkt hij zoals Il Penseroso betaamt. Toch kan ik te midden van
mijn ellende
op een verwerpelijke manier grappen maken en ben bang dat ik, als mij
niet een
halt wordt toegeroepen door sterkere gevoelens, mij zelfs in dit relaas
van
smart of vreugde schuldig zal maken aan onfatsoenlijk gedrag. De lezer
moet wat
dat betreft enigszins rekening houden met mijn broze aard en op een
paar van
dat soort uitspattinkjes na, zal ik proberen zo ernstig, zo niet
slaapverwekkend te zijn als past bij een onderwerp als opium, hoe
anti-onrust het
in werkelijkheid ook is en hoe onterecht het als slaapverwekkend bekend
staat.
Eerst
dan
een
enkel
woord
over
de
lichamelijke
effecten
ervan,
want op alles wat
tot
nu toe geschreven is over het onderwerp opium, hetzij door reizigers
uit
Turkije (die zich kunnen beroepen op hun sinds onheuglijke tijden
bestaande
voorrecht te mogen liegen), hetzij door ex cathedra schrijvende
professoren in de geneeskunde, heb ik maar een enkel welgemeend woord
van
kritiek te geven—Leugens! leugens! leugens! Ik herinner me ooit
terloops in een
boekenstalletje de volgende woorden te hebben opgevangen van een
satirische
schrijver: “Toen raakte ik ervan overtuigd dat de Londense kranten
minstens
twee keer per week de waarheid spraken, namelijk op dinsdag en op
zaterdag; dan
kon je er veilig op vertrouwen—namelijk de lijst van faillissementen.”
Evenzeer
ontken ik geenszins dat wat betreft opium de wereld een aantal
waarheden zijn
opgediend. Zo is door de geleerden herhaaldelijk bevestigd dat opium
donkerbruin van kleur is en let wel, daar ben ik het mee eens. Ten
tweede, dat
het vrij prijzig is, wat ik ook beaam, want in mijn tijd deed
Oost-Indische
opium drie guineas het pond en de Turkse acht. En ten derde, dat als je
er
flink wat van slikt, je ongetwijfeld zult doen wat bijzonder
onaangenaam is
voor iemand met vaste gewoonten, namelijk sterven. [13] Deze
zwaarwegende
beweringen zijn allemaal stuk voor stuk juist. Ik kan ze niet
tegenspreken en
de waarheid is altijd prijzenswaardig geweest en zal dat altijd
blijven. Maar
ik denk dat we met deze drie stellingen de tot nu toe verzamelde kennis
over
het onderwerp opium wel uitgeput hebben.
En
daarom, waarde heren doktoren, omdat er geen ruimte meer lijkt te zijn
voor
verdere ontdekkingen, bemoei je er niet meer mee en laat het verder aan
mij
over om hierover het een en ander te vertellen.
Op
de eerste plaats wordt door alle mensen die het ooit doelbewust of
toevallig
over opium hebben gehad, niet alleen bevestigd maar ook als
vanzelfsprekend
aangenomen, dat het geen roes veroorzaakt of kan veroorzaken. Welnu
lezer, neem
op mijn verantwoording maar aan dat geen enkele hoeveelheid ooit een
roes heeft
veroorzaakt of kan veroorzaken. Opiumtinctuur (doorgaans laudanum
genoemd) kan
echter zonder twijfel een roes teweegbrengen, als je er maar genoeg van
in zou
kunnen nemen. Maar waarom? Omdat er zoveel alcohol in zit en niet omdat
het
zoveel opium bevat. Maar ruwe opium en dat beweer ik nadrukkelijk, kan
op geen
enkele manier een lichamelijke toestand teweegbrengen, die lijkt op de
toestand
die door alcohol wordt veroorzaakt, niet alleen in die mate,
maar ook
niet iets dat daar mee overeenkomt. Het is dus niet alleen door
de mate
van hun werking, maar vooral in de hoedanigheid, dat ze volmaakt
verschillend
zijn. Het door wijn verschafte genot neemt geleidelijk toe, leidt tot
een
crisis en zakt dan weer af. Dat van opium houdt, als het eenmaal is
ontstaan,
acht tot tien uur aan. Bij het eerste is er, om een technisch
onderscheid uit
de geneeskunde aan te halen, sprake van een acuut, bij het tweede van
een
chronisch genot. Het eerste is als een vlam, het andere als een
aanhoudend en
gelijkmatig gloeien. Maar het belangrijkste onderscheid ligt in het
feit dat,
terwijl wijn de geestelijke vermogens ontregelt, opium daarentegen (als
het op
een juiste manier wordt ingenomen) daarin de meest subtiele ordening,
systeem
en harmonie aanbrengt. Wijn berooft iemand van zijn zelfbeheersing,
opium
versterkt die in grote mate. Wijn verwart en benevelt het
oordeelsvermogen, en
geeft een onnatuurlijke en levendige glans aan minachting en
bewondering, afkeur
en voorkeur van de drinker. Opium daarentegen schenkt actief of passief
aan alle
vermogens helderheid en evenwicht, en wat betreft stemming en morele
gevoelens
geeft het over het algemeen gewoon de levenswarmte, die redelijkerwijs
op prijs
gesteld wordt en waarschijnlijk altijd al de oorspronkelijke en
paradijselijke
gezonde lichamelijke gesteldheid vergezeld heeft. Opium geeft dus net
als wijn
bijvoorbeeld een toename van hartelijke en vriendelijke gevoelens, maar
met het
opmerkelijke verschil, dat in dat plotselinge optreden van de met
dronkenschap
vergezelde aardigheid altijd min of meer iets overdreven sentimenteels
schuilt,
dat op de omstanders een pijnlijke indruk maakt. Mannen schudden
handen, zweren
elkaar eeuwige vriendschap en plengen tranen en geen sterveling weet
waarom.
Het is duidelijk dat het gevoel hoogtij viert. Maar het toenemen van de
vriendelijkere gevoelens dat gepaard gaat met het gebruik van opium is
geen
koortsachtig gebeuren, maar een gezonde terugkeer naar de toestand
waarin het
gemoed uit zichzelf al terecht zou komen, bij het verdwijnen van een
diepverankerde pijn, die de oorspronkelijk rechtvaardige en goed
drijfveren van
het hart hadden verstoord en bevochten. Het is waar dat wijn, tot op
zekere
hoogte en bij bepaalde mensen, de neiging heeft het verstand te
versterken en
te kalmeren; ik zelf, die nooit een grote wijndrinker ben geweest,
merkte dat
een half dozijn glazen wijn meestal een gunstige invloed had op mijn
geestelijke vermogens—ze verhelderden en verhoogden het bewustzijn en
gaven
mijn geest het gevoel dat zij ponderibus liberata suis waren.
Het is dus
volstrekt absurd dat in de volksmond wordt gezegd dat iedereen die
drank op
heeft een masker opzet, terwijl het juist omgekeerd is en de meeste
mensen
iemand anders zijn als ze nuchter zijn en dat als ze drinken (zoals de
oude man
in Athenæus zegt) dat mensen εαυτους
εμφανιζουσιν
οιτινες εισιν—dan
pas hun ingewikkelde karakter tonen, wat echt iets anders is dan een
masker
opzetten. Maar voorbij een bepaalde grens verdampt en verjaagt zij alle
verstandelijke vermogens. Opium lijkt echter altijd te kalmeren wat
opgewonden
en bijeen te brengen wat verstrooid geraakt is. Kortom, dat alles in
één zin
samengevat, iemand die dronken is of dronken begint te worden, bevindt
zich of
denkt zich in een toestand te bevinden, die de louter menselijke, en al
te vaak
onmenselijke kant van zijn karakter de boventoon laat voeren. De
opiumslikker
(ik bedoel dan iemand die niet ziek is of lijdt aan andere nawerkingen
van
opium) voelt echter dat de goddelijke kant van zijn karakter de
heerschappij
voert, dat wil zeggen dat zijn morele gevoelens in een toestand
verkeren van
wolkenloze helderheid en over alles het grote licht schijnt van het
majestueuze
intellect.
Dat
is de leer van de ware opiumkerk, de kerk waarvan ik mijzelf uitroep
tot enig
lid—de alfa en de omega, maar vervolgens moet men wel bedenken dat ik
spreek op
grond van een uitgebreide en grondige ervaring, terwijl de meeste
niet-wetenschappelijke [14] schrijvers die allemaal beschouwingen
gewijd hebben
aan opium, en zelfs degenen die uitgesproken de medische kant van de
zaak
hebben belicht, door de afschuw die zij daarover uitspreken, duidelijk
laten
blijken dat hun proefondervindelijke kennis van de werking nul komma
nul is. Ik
wil echter eerlijk toegeven dat ik één persoon ben tegengekomen die zo
goed op
de hoogte was van het roesverwekkende vermogen van opium, dat het mijn
eigen
ongeloof deed wankelen. Hij was namelijk arts en had zelf uitgebreid
opium
gebruikt. Ik vertelde hem terloops dat zijn vijanden (zoals ik gehoord
had) hem
aanwreven dat hij onzin uitsloeg over politiek en dat zijn vrienden het
voor
hem opnamen door te suggereren dat hij doorlopend in een opiumroes
verkeerde.
Ik zei dus dat de beschuldiging op het eerste gezicht niet perse
onzinnig was,
maar de verdediging wel. Tot mijn verbazing beweerde hij echter dat
zowel zijn
vrienden als zijn vijanden gelijk hadden. “Ik zal blijven beweren,” zei
hij,
“op de eerste plaats dat ik onzin vertel en op de tweede plaats dat ik
dat niet
uit principe doe, of met het oog op enig voordeel, maar louter en
alleen,” zei
hij, “louter en alleen—louter en alleen (wat hij drie keer herhaalde)
omdat ik dronken
van opium ben en dat iedere dag.” Ik antwoordde dat het, gezien
de
aantijging van zijn vijanden, scheen te berusten op een degelijke
getuigenverklaring, omdat ik begreep dat de drie betrokken partijen het
daarover allemaal eens waren, en het niet in mij opkwam om dat te
betwijfelen,
maar dat ik wel bedenkingen koesterde over de aangevoerde verdediging.
Hij
bleef er maar mee doorgaan en zijn redenen aanvoeren, maar het leek mij
zo
ongepast een argument te berde te brengen dat het idee zou geven dat
iemand
zich in iets had vergist dat tot zijn eigen vak behoorde, dat ik geen
druk op
hem uitoefende, zelfs niet als zijn betoog ruimte liet voor een
tegenargument,
nog afgezien van het feit dat iemand die onzin uitkraamt, zelfs als hij
dat
niet doet ‘met de bedoeling daar beter van te worden,’ nou niet echt de
meest
aangename gesprekspartner is, noch als tegenstander, noch als
verdediger. Ik
geef echter toe dat het zou kunnen lijken dat het gezag van een arts en
dan ook
nog iemand die goed stond aangeschreven, een groot gewicht in de schaal
legt
tegenover mijn vooringenomenheid. Toch kan ik mij dan nog steeds
beroepen op
mijn eigen ervaring, die zijn grootste overtrof met 7.000 druppels per
dag. En
hoewel het onmogelijk was te veronderstellen dat een dokter niet op de
hoogte
was met de kenmerkende symptomen van een door wijn teweeggebrachte
dronkenschap, viel het mij toch op dat hij kennelijk voortborduurde op
een
denkfout door het woord dronkenschap met een te grote armslag te
gebruiken en
het als een soortnaam uit te breiden tot allerlei nerveuze toestanden,
in
plaats van het te beperken tot een uitdrukking voor een specifiek soort
opwinding, met bepaalde symptomen.
Ik
heb sommige mensen horen beweren dat ze dronken waren geworden van
groene thee
en een medisch student in Londen,—en ik heb redenen om zijn vakkennis
zeer hoog
te achten—verzekerde me onlangs nog dat een patiënt die van een ziekte
herstellende was, dronken was geworden van een biefstuk.
Nu
ik zo lang heb uitgeweid over deze eerste en belangrijkste dwaling wat
betreft
opium, zal ik heel in het kort een tweede en derde opnoemen, namelijk
dat de
door opium teweeggebrachte uitbundigheid onherroepelijk gevolgd wordt
door een
daarmee evenredige neerslachtigheid, en dat het normale en zelfs
rechtstreekse
gevolg van opium apathie en stilstand is, geestelijk en lichamelijk. Ik
zal
volstaan met de eerste van die misvattingen gewoon te ontkennen en mijn
lezer
te verzekeren dat gedurende de tien jaar dat ik met tussenpozen opium
heb
genomen, de dag nadat ik mij die luxe had veroorloofd altijd
buitengewoon
opgewekt was.
Wat
betreft de vermeende daarop volgende, of liever (als we de talrijke
afbeeldingen van Turkse opiumslikkers zouden moeten geloven) de met
opiumslikken gepaard gaande apathie: ook dat ontken ik. Natuurlijk
wordt opium
ingedeeld onder het hoofdstuk verdovende middelen en iets van die
werking kan
het uiteindelijk ook wel hebben, maar de belangrijkste werking van
opium is dat
het altijd en uitermate het geheel prikkelt en stimuleert. Tijdens mijn
inwijdingsperiode duurde bij mij dat eerste werkzame stadium tot meer
dan acht
uur, zodat het de fout van de opiumslikker zelf is als hij het moment
van zijn
blootstelling aan de dosis (in medische terminologie) niet zodanig
kiest dat het
zwaartepunt van de bedwelmende invloed tijdens zijn slaap valt. Turkse
opiumslikkers zijn naar het schijnt zo dwaas om als zoveel
ruiterstandbeelden,
die even dom zijn als zijzelf, op houtblokken te blijven zitten. Maar
om de
lezer zelf te laten oordelen over de mate waarin opium de geestelijke
vermogens
van een Engelsman kan afstompen, zal ik (door het vraagstuk meer als
voorbeeld
dan als bewijs te behandelen) de manier beschrijven waarop ik in de
periode
tussen 1804 en 1812 in Londen vaak mijn opiumavond doorbracht. Daaruit
zal
blijken dat het in ieder geval niet de opium was die mij ertoe bewoog
de
eenzaamheid, laat staan ledigheid op te zoeken, of die apathische
toestand
waarin naar men zegt de Turken zichzelf terugtrekken. Ik doe dit
verslag op het
gevaar af te worden uitgemaakt voor een krankzinnige enthousiasteling
of
dromer, maar daar heb ik weinig last van. Ik moet mijn lezer
verzoeken
te bedenken dat ik een ijverige student was, mijn leven lang hard
gestudeerd
heb en net als andere mensen af en toe recht had op een verzetje. Dat
stond ik
mijzelf echter maar zelden toe.
Wijlen
de
hertog van….placht
te zeggen, “Komende vrijdag, als hemels’ zegen daarop rust, neem ik mij
voor
dronken te worden,” en op dezelfde manier stelde ik meestal van tevoren
vast
hoe vaak en wanneer ik mij binnen een bepaalde periode aan opium te
buiten zou
gaan. Dat was zelden meer dan eens in de drie weken, want in die tijd
durfde ik
niet, zoals later, elke dag een glas laudanum in warme wijn, zonder
suiker
te vragen. Nee, zoals ik al heb gezegd dronk ik in die tijd zelden meer
dan
eens in de drie weken laudanum. Dat was gewoonlijk op dinsdag- of
zaterdagavond
en mijn reden daarvoor was de volgende. In die tijd zong Guiseppina
Grassini in
de Opera en haar stem was heerlijker dan alles wat ik ooit gehoord had.
Ik weet
niet hoe het Operagebouw er nu bij staat, omdat ik al zeven of acht
jaar niet
meer binnen zijn muren heb vertoefd, maar in die tijd was het in Londen
de aangenaamste
openbare gelegenheid om een avond door te brengen. Vijf shilling gaf
toegang
tot de galerij, die veel minder ergernis opleverde dan de parterre van
theaters.
Het orkest onderscheidde zich door zijn zoetgevooisde en melodieuze
pracht van
alle andere Engelse orkesten, waarvan ik moet toegeven dat de
samenstelling
door het overwicht van de schreeuwerige instrumenten en absolute
tirannie van
de viool, onverdraaglijk voor mijn oren is. De koren waren goddelijk om
naar te
luisteren en als Grassini in een intermezzo ten tonele verscheen, wat
ze vaak
deed, en haar hartstochtelijke ziel uitstortte als Andromache bij het
graf van
Hector en dergelijke, dan vraag ik mij af of er wel één Turk is
geweest, van
allen die ooit het Paradijs van de Opiumslikkers hebben betreden, die
ook maar
de helft van mijn plezier heeft beleefd. Maar eigenlijk geef ik de
barbaren
teveel eer door te veronderstellen dat zij in staat zijn tot geneugten
die ook
maar enigszins in de buurt komen van de intellectuele genoegens van een
Engelsman.
Muziek is namelijk een intellectueel en zinnelijk genieten in
overeenstemming
met het temperament van de luisteraar. Overigens kan ik me, afgezien
van
fantastische muziekstuk in de “Twelfth Night”
dienaangaande,
wat dat betreft in de hele literatuur maar een enkele zinnige opmerking
herinneren. Het is een passage in de Religio Medici [15]
van Sir T. Brown, en hoewel die voornamelijk opmerkelijk is vanwege
haar
voortreffelijkheid, is zij filosofisch ook waardevol, voor zover zij
wijst op
de juiste theorie over de werking van muziek. De door de meeste mensen
gemaakte
vergissing is dat zij veronderstellen dat zij via hun oren contact
maken met
muziek en dat zij daarom zuiver passief op haar reageren. Maar dat is
niet zo;
het is juist de reactie van het brein op de boodschappen van het oor,
(de inhoud
komt via de zintuigen naar binnen, de vorm wordt bepaald door
het brein)
waardoor het genieten tot stand wordt gebracht en daarom verschillen op
dit
punt mensen met even goede oren zoveel van elkaar. Dat wil dus zeggen
dat opium
over het algemeen, door het zeer sterk doen toenemen van de geestelijke
activiteit, noodzakelijkerwijs dat soort activiteit opvoert, waardoor
wij in
staat zijn uit het ruwe materiaal van organisch geluid een doorwrocht
intellectueel genot te construeren. Maar, zegt een vriend, een
opeenvolging van
muzikale geluiden is voor mij zoiets als een verzameling Arabische
tekens; daar
kan ik geen ideeën aan ophangen. Ideeën, beste man! die hebben hier
niets te
zoeken; al dat soort ideeën, die in een dergelijk geval bruikbaar
kunnen,
spreken de taal van overeenkomstige gevoelens. Maar dat is een
onderwerp dat
met mijn huidige opzet niets te maken heeft. Ik wil alleen maar zeggen
dat een
koorgezang, enz., met een als in een wandtapijt tot in detail
uitgewerkte
harmonie, mijn hele voorbije leven tentoonspreidde—niet alsof het weer
werd
opgeroepen vanuit mijn geheugen, maar alsof het aanwezig en belichaamd
werd in
de muziek. Niet langer pijnlijk om bij stil te blijven staan, maar de
bijzonderheden van de voorvallen waren verdwenen of samengesmolten tot
een
soort wazige abstractie. En dat allemaal voor vijf shilling. En buiten
en boven
de muziek van toneel en orkest, bevond zich overal rondom mij, in de
pauzes van
de voorstelling, de muziek van het Italiaans, gesproken door Italiaanse
dames,—want
de galerij zat doorgaans vol Italianen—en ik luisterde met hetzelfde
genoegen
waarmee de ontdekkingsreiziger Weld in Canada zat te luisteren naar het
beminnelijk lachen van Indiaanse vrouwen. Want hoe minder iemand van
een taal
verstaat, hoe gevoeliger hij is voor het melodieuze of rauwe van haar
klanken. Daarom
kwam het me goed uit dat ik een slechte leerling Italiaans was, het
nauwelijks
kon lezen en helemaal niet kon spreken, en nog geen tiende kon verstaan
wat ik
hoorde spreken.
Dat
waren mijn opera-genoegens, maar ik vermaakte nog op een andere manier
die,
omdat dat alleen op zaterdagavond kon, af en toe in conflict kwam met
mijn
liefde voor de Opera, want in die tijd waren dinsdag en zaterdag de
gebruikelijke opera-avonden. Ik ben bang dat ik mij hierover nogal op
de vlakte
zal houden, maar kan de lezer verzekeren dat ik dat niet meer zal doen
dan
Marinus in zijn Leven van Proclus, of vele andere biografen en
autobiografen met
een goede naam. Dat pleziertje kon dus, zoals ik al zei, alleen op
zaterdagavond genoten worden. Was zaterdagavond voor mij dan
belangrijker dan
al die andere avonden? Ik had geen werk om van uit te rusten, geen loon
om te
ontvangen. Wat restte mij anders voor de zaterdagavond dan die als een
aansporing te zien om Grassini te gaan horen? Ach, zeer logisch
denkende lezer,
ik heb inderdaad geen antwoord op wat u zegt. En toch was en is het zo
dat, terwijl
verschillende mensen hun gevoelens op verschillende manieren uiten en
de
meesten geneigd zijn hun belangstelling voor de zorgen van de armen
voornamelijk tentoon te spreiden door op een of andere manier medeleven
te
tonen met hun kommer en kwel, ik in die tijd geneigd was uiting te
geven aan
mijn belangstelling door medeleven te tonen met hun genietingen. De
ellende van
armoede had ik kort daarvoor al teveel gezien, meer dan ik me wilde
herinneren.
Maar het gadeslaan van de genoegens van de armen, hun geestelijke
vertroosting
en hun uitrusten van het lichamelijke geploeter, kan nooit deprimerend
zijn.
Zaterdagavond is dus het moment voor de belangrijkste, regelmatig
terugkerende rustperiode
van de armen. Wat dat betreft bundelen zelfs de vijandigste sekten
zich, en beantwoorden
aan een gemeenschappelijke broederschapsband. Vrijwel het gehele
Christendom
rust na gedane arbeid. Het is een rust die leidt tot een tweede rust en
door
een hele dag en twee nachten gescheiden is van het hervatten van het
gezwoeg.
Daarom heb ik op zaterdagavond altijd het gevoel alsof ik bevrijd ben
van een
soort arbeidsjuk, wat loon in ontvangst moet nemen en de luxe van wat
rust moet
genieten. Om dus zo uitgebreid mogelijk getuige te kunnen zijn van een
schouwspel waar ik zo op gesteld was, zwierf ik vaak op zaterdagavond,
nadat ik
mijn opium had ingenomen, zonder veel acht te slaan op richting en
afstand,
rond over alle markten en door andere wijken van Londen, waar de armen
op
zaterdagavond in grote getale naartoe komen om hun loon uit te geven.
Heel wat gezinnen,
bestaande uit man, vrouw en soms een of twee van hun kinderen heb ik
horen
overleggen over hun voornemens en middelen, of de vulling van de kas en
de
prijs van huishoudelijke artikelen. Langzamerhand raakte ik vertrouwd
met hun
wensen, problemen en opvattingen. Soms was er ontevreden gemor te
horen, maar
veel vaker in gelaatsuitdrukking of geuit in woorden, uitdrukkingen van
geduld,
hoop en vredigheid. Ik moet zeggen dat de armen over het algemeen, in
ieder
geval wat dat betreft, filosofischer zijn dan de rijken—dat zij zich
bereidwilliger en opgewekter onderwerpen aan wat zij beschouwen als
ongeneeslijk kwaad of onherstelbaar verlies. Telkens als ik een
mogelijkheid
zag, of het kon doen zonder opdringerig te lijken, mengde ik me onder
hen en
gaf dan mijn mening over het besproken onderwerp die, hoewel niet
altijd ter
zake kundig, altijd welwillend ontvangen werd. Als de lonen wat stegen
of
zouden stijgen, het vierpondsbrood wat in prijs zakte, of aangekondigd
werd dat
de verwachting was dat uien en boter goedkoper zouden worden, deed mij
dat
goed. Maar als het tegenovergestelde het geval was, vond ik in opium
een manier
om mijzelf te troosten. Opium kan namelijk (net als de bij die, niet
kieskeurig, haar voedsel uit rozen en schoorsteenroet haalt) alle
gevoelens
overstemmen en als met een loper toegankelijk maken. Sommige van die
zwerftochten voerden mij ver weg, want een opiumslikker is te gelukkig
om de
tijd in de gaten te houden. En soms, als ik met behulp van
zeevaartkundige
theorieën weer op huis aan probeerde te stevenen, door mijn ogen naar
de
poolster te richten en ijverig de Noordwest-passage te zoeken, in
plaats van
alle kapen en landtongen te omzeilen die ik op mijn heenweg had gerond,
stuitte
ik plotseling op zo’n warwinkel van steegjes, geheimzinnige poortjes en
ondoorgrondelijke
doodlopende stratenpuzzels, dat die volgens mij zelfs de
onverschrokkenheid van
kruiers van de wijs zou brengen of het hoofd van de aapjeskoetsiers van
streek
zou maken. Af en toe zou ik bijna geloofd hebben dat ik vast de eerste
ontdekkingsreiziger van sommige van die terræ incognitæ was, en
betwijfelde of die al op de huidige kaarten van Londen stonden. Voor
dat alles
betaalde ik echter in latere jaren een hoge prijs, toen menselijke
tronies mijn
dromen tiranniseerden, en mijn verwarrende stappen door Londen
terugkeerden en
in mijn slaap rondspookten, met het gevoel van morele en verstandelijke
verbijstering, dat mijn hersenen verwarde en mijn geweten angstig en
berouwvol
maakte.
Ik
heb dus laten zien dat opium niet noodzakelijkerwijs lusteloosheid of
apathie
teweegbrengt, maar dat het mij juist vaak naar marktplaatsen en
theaters
voerde. Toch moet ik eerlijk toegeven dat markten en theaters niet een
geschikte ontmoetingsplaats vormen voor de opiumslikker, als hij in de
goddelijkste toestand verkeert die bij zijn genot hoort. In die
toestand krijgt
hij het benauwd van menigten en is zelfs muziek te zinnelijk en grof.
Uit
zichzelf zoekt hij eenzaamheid en stilte, de onontbeerlijke voorwaarden
voor trances
of peilloze droomtoestanden, die bekroning en hoogtepunt vormen van wat
opium
voor de menselijke natuur kan betekenen. Mijn ziekte was dat ik teveel
nadacht
en te weinig observeerde en meteen al bij mijn toelating aan de
universiteit
bijna in een ernstige zwaarmoedigheid verviel, omdat ik teveel piekerde
over de
ellende waarvan ik in Londen getuige was geweest en ik was me voldoende
bewust
van de neiging van mijn gedachten om in te gaan tegen alles wat ik
deed. Ik
leek eigenlijk op iemand die, volgens de oude legende, de grot van
Trofonius
was binnengegaan en de uitweg die ik zocht was dat ik probeerde mijzelf
te
dwingen gezelschap op te zoeken en mijn verstand voortdurend bezig te
houden
met wetenschappelijke zaken. Zonder die hulpmiddelen zou ik echter
ongetwijfeld
een hypochondere zwartkijker geworden zijn. Later, toen mijn
opgewektheid
voldoende teruggekomen was, zwichtte ik toch weer voor mijn natuurlijke
neiging
naar een teruggetrokken leven. En in die tijd verviel ik na het innemen
van
opium vaak in die dagdromen, en meer dan eens is het me overkomen dat
ik, op
een zomeravond zittend voor een open venster, in een kamer van waaruit
ik kon
uitkijken over de zee een mijl onder me en op ongeveer eenzelfde
afstand
uitzicht had op de grote stad L…., daar van zonsopgang tot
zonsondergang,
zonder te willen bewegen, roerloos bleef zitten.
Ze
zullen me vast beschuldigen van mystiek, Boehmisme, quietisme, enz.,
maar dat
kan me niets schelen. Sir H. Vane, junior, was een van onze wijste
mensen en
mijn lezer moet maar uitmaken of hij in zijn mystieke werken niet half
zo
mystiek is als ik. Ik zei dus dat het me vaak is opgevallen dat het
tafereel
zelf op een of andere manier kenmerkend was voor wat er in mijn
dagdromen
plaatsvond. De stad L….stelde de wereld voor, met haar achter mij
gelaten
zorgen en graven, maar niet helemaal uit het zicht, niet helemaal
vergeten. De
oceaan met haar eeuwige maar trage deining, waar laag een vredige
kalmte over
hing, zou dan een goed beeld geven van de daarmee heen en weer deinende
gemoedstoestand. Want ik had het gevoel dat ik toen voor het eerst ver
weg en
afzijdig van het roerige leven stond, alsof rumoer, koortsachtigheid en
jachten
verdaagd waren, een adempauze voor de geheime lasten van het hart, een
sabbat
van rust, een uitrusten van alle menselijke zwoegen. Hier was de hoop
die langs
het levenspad bloeit, verzoend met de vrede van het graf, waren
gedachtegangen
even onvermoeibaar als het firmament, en was er toch voor alle zorgen
een
vredige rust, een niet uit loomheid voortkomende rust, maar als het
ware het
gevolg van krachtige en gelijkwaardige tegenstellingen, grenzeloze
bedrijvigheid, grenzeloze rust.
O, rechtvaardige, fijnbesnaarde
en machtige opium! gij die een verzachtende balsem biedt voor hart van
arm en
rijk, voor nooit helende wonden, en voor “pijnscheuten die de geest in
opstand
doen komen;” welsprekende opium! die met uw machtige retoriek heimelijk
de
redenen voor gramschap wegneemt en de schuldige voor één nacht de hoop
van zijn
jeugd teruggeeft, zijn handen schoonwast van zuiver bloed; hooghartige
en
kortstondige vergetelheid voor onvereffend onrecht en ongewroken smaad,
die
valse getuigen oproept voor het hooggerechtshof der dromen, om de
lijdende onschuld
te laten zegevieren; die meineed beschaamt en het vonnis van de
onrechtvaardige
rechters doet herroepen;—gij die in de boezem der duisternis, uit de
fantastische verbeelding van het brein, steden en tempels bouwt, die de
kunst
van Phidias en Praxiteles overstijgen—groter dan de pracht van Babylon
en
Hekatómpylos, en “vanuit de anarchie van de droomslaap” naar het
zonnige licht de
gezichten roept van lang geleden begraven schoonheden en gezegende, van
de
“schande van het graf” gereinigde, vertrouwde gelaatstrekken. Gij
alleen geeft
de mens deze gaven en gij beheert de sleutels van het Paradijs, o,
rechtvaardige, fijnbesnaarde en machtige opium!
INLEIDING
TOT
DE
ELLENDE
VAN
OPIUM
Welwillende
en
naar
ik
hoop
ruimhartige
lezer
(want
al mijn lezers moeten
ruimhartig
zijn, want anders ben ik bang dat ik ze te zeer zal doen schrikken om
nog
langer op hun hoffelijkheid te kunnen rekenen), ik wil u vragen, nu u
mij tot
hier toe hebt vergezeld, ongeveer acht jaar over te slaan, dat wil
zeggen van
1804 (toen, zoals ik al heb gezegd, mijn kennismaking met opium begon)
tot 1812.
De jaren van mijn verblijf aan de universiteit zijn nu voorbij en
verdwenen—bijna
vergeten. De studentenbaret rust niet meer op mijn slapen en als mijn
baret nog
bestaat, rust hij op die van een jonge student, hopelijk even gelukkig
als ik
zelf, en een even hartstochtelijke minnaar van kennis. Tegen die tijd
verkeert
mijn toga, neem ik aan, in dezelfde staat als vele duizenden
uitmuntende boeken
in de Bodleian-bibliotheek, dat wil zeggen, ijverig uitgeplozen door
ongetwijfeld leergierige motten en wormen, of misschien (het enige wat
ik van
haar lot weet) vertrokken naar die grote vergaarbak van ergens,
waar
alle theekopjes, theeblikken, theepotten en theeketels, enz., in
terecht zijn
gekomen (om maar te zwijgen over het nog breekbaardere vaatwerk als
glazen,
karaffen, kamermeisjes, enz.) die mij door hun toevallige gelijkenis
met de
huidige generatie theekopjes, enz., doen terugdenken aan alles wat ik
ooit zelf
had, maar over hun verdwijnen en uiteindelijke lot zou ik volgens mij,
net als
over de togadragers van beide universiteiten, niet meer dan een duister
en
vermoedelijk verhaal kunnen ophangen. Niet langer wordt mijn gesluimer
verstoord door de kwelling van de kapelklok, met haar onwelkome gebeier
om zes
uur ‘s ochtends. De portier over wiens prachtige neus (brons, ingelegd
met
koper) ik als wraak zoveel Griekse epigrammen schreef tijdens het
aankleden, is
dood en valt nu niemand meer lastig. En ik, en vele anderen die zozeer
hebben
geleden onder zijn voorliefde voor geklingel, hebben nu besloten zijn
fouten door
de vingers te zien en hebben hem vergeven. Zelfs over de klok ben ik
tegenwoordig
heel mild. Die luidt volgens mij nog steeds zoals voorheen drie keer
per dag en
ergert zonder twijfel nog steeds onbarmhartig veel achtenswaardige
heren en
verstoort hun gemoedsrust. Maar in dit jaar 1812 let ik zelf niet meer
op haar
verraderlijke geluid (ik noem het verraderlijk omdat zij uit een soort
kwaadaardig raffinement klanken liet horen die zo zoetgevooisd en
zilverachtig
waren dat het leek alsof ze je uitnodigden voor een feest). Haar
klanken zijn
niet krachtig genoeg meer om mij te kunnen bereiken, hoe gunstig de
kwaadaardigheid van de klok de windrichting ook zou willen wensen, want
ik
bevind me 250 mijl verderop, begraven in het holst van de bergen. Wat
doe ik in
die bergen? Opium slikken. Inderdaad, maar wat nog meer? Welnu, lezer,
in 1812,
het jaar waar wij nu in terechtgekomen zijn ben ik, net als een paar
jaar
geleden, voornamelijk bezig geweest met het bestuderen van de Duitse
metafysica
in de geschriften van Kant, Fichte, Schelling, enz. En hoe en op welke
manier
breng ik mijn leven door?—kortom, tot welke klasse of soort mensen
behoor ik?
Ik woon op dat moment—dat wil zeggen, in 1812—in een huisje op het
platteland,
met een vrouwelijke vrijgezelle bediende (honi soit qui mal y pense),
die
bij
mijn
buren
doorgaat
onder
de
naam
“mijn
huishoudster.”
En erudiet
en
ontwikkeld als ik ben, en in die zin een heer van stand, mag ik
aannemen dat ik
mij zelf kan beschouwen als een onwaardig lid van de onbestemde
groepering, die
doorgaat voor heren van stand. Deels misschien op grond van wat
ik al
heb aangegeven, deels omdat ik geen aanwijsbaar beroep of bezigheden
uitoefen,
wordt terecht verondersteld dat ik vast van mijn eigen vermogen leef.
Dat is
het hokje waar mijn buren mij ingestopt hebben en door het huidige
Engeland
wordt ik beleefdheidshalve op brieven, enz., aangesproken met Weledelgeboren,
maar
ik
ben
bang
dat
ik
door
de
onverbiddelijke
eisen
van de Raad van Adel,
nauwelijks aanspraak kan maken op die eervolle onderscheiding. In de
ogen van
het volk ben ik dan wel de Weledelgeboren X. Y. Z., maar geen
kantonrechter of
staatsarchivaris. Ben ik getrouwd? Nog niet. En slik ik nog steeds
opium? Op
zaterdagavond. En ben ik dat dan schaamteloos blijven gebruiken sinds
“die
regenachtige zondag,” het statige Pantheon en de “gelukzalige drogist”
van
1804? Zelfs dat. En hoe staat het met mijn gezondheid na al dat
opiumslikken?
Kortom, hoe gaat het met me? Welnu, heel goed, bedankt lezer. In de
woorden van
vrouwen in het kraambed, “naar omstandigheden wel.” Als ik zou durven
de naakte
en eenvoudige waarheid te zeggen, zou ik om te beantwoorden aan de
theorieën
van de doktoren eigenlijk ziek moeten zijn, maar ik heb me in het
voorjaar van
1812 van mijn leven nog nooit zo goed gevoeld. En ik hoop oprecht,
beste lezer,
dat de hoeveelheid rode wijn, port, of “uitzonderlijke Madeira,” die u
naar
alle waarschijnlijkheid heeft gedronken en van plan bent uw leven lang
elke
tijdspanne van acht jaar te blijven drinken, evenmin uw gezondheid zal
verstoren als de mijne door opium werd verstoord. Daarom moet u
begrijpen hoe
gevaarlijk het is te luisteren naar de medische adviezen van Anastasius.
[14]
Voor
zover
ik
weet
is
hij
misschien
wel
een
goede raadsman in de
theologie
of rechtsgeleerdheid, maar niet in de geneeskunde. Nee, het is veel
beter te
rade te gaan bij Dr. Buchan, zoals ik heb gedaan, want ik ben nooit het
uitstekende advies van die achtenswaardige man vergeten, en ben “zo
voorzichtig
geweest om nooit meer dan anderhalf ounce (± 40 ml.) laudanum te
nemen.” Aan
dit matig en bescheiden gebruik van het spul heb ik het volgens mij in
ieder
geval te danken dat ik tot nu toe (d.w.z. in 1812), niet op de hoogte
ben en
geen flauw vermoeden heb van de wraakzuchtige gruwelen die opium in
petto heeft
voor degenen die misbruik maken van haar barmhartigheid. Tegelijkertijd
moet
niet vergeten worden dat ik tot nu toe slechts een niet professionele
opiumslikker ben geweest. Zelfs acht jaar lang gebruik, met als enige
voorzorg
het in acht houden van een voldoende pauze tussen de uitspattingen, is
onvoldoende geweest om voor mij van opium een dagelijkse behoefte te
maken.
Maar nu breekt een nieuw tijdperk aan. Ik vraag u, lezer, verder te
gaan naar
1813. In de zomer van het jaar dat wij net achter ons hebben gelaten,
had mijn
lichamelijke gezondheid sterk geleden onder een geestelijke uitputting,
die te
maken had met een droevige gebeurtenis. Omdat die gebeurtenis op geen
enkele
manier in verband staat met het huidige onderwerp, behalve dan door de
daardoor
teweeggebrachte lichamelijke kwaal, hoef ik daar verder geen bijzondere
aandacht aan te besteden. Ik weet niet of de aandoening uit 1812 iets
te maken
had met die van 1813, maar in dat laatste jaar kreeg ik last van een
vreselijk
branderig gevoel in mijn maag, in alle opzichten hetzelfde als die mij
in mijn
jeugd zoveel ellende had opgeleverd en die vergezeld ging van het
herleven van
alle vroegere dromen.
Dit
is het punt in mijn relaas waar omheen, wat betreft mijn
zelfrechtvaardiging,
als het ware heel het volgende draait. En dat betekent voor mij een
overrompelend dilemma. Of ik moet enerzijds een aanslag doen op het
geduld van
de lezer door verder in te gaan op mijn kwaal of mijn gevecht daarmee,
waaruit
voldoende mijn onvermogen zou kunnen blijken om nog langer weerstand te
bieden
tegen de ergernis en voortdurende ellende, of anderzijds door luchtig
over dat
wezenlijke gedeelte van mijn verhaal heen te stappen, het voordeel
voorbij te
laten gaan om een grotere indruk bij de lezer achter te laten, en
mijzelf bloot
te stellen aan de misvatting dat ik, zoals een onmatig iemand eigen is,
via
gemakzuchtige en geleidelijke stappen afgezakt ben van het eerste tot
het
laatste stadium van opiumslikken (een misvatting die door mijn eerdere
bekentenissen bij de lezer toch al op de loer lijkt te liggen). Dit is
het
dilemma en alleen al de eerste hoorn daarvan zou een hele colonne
lezers door
de lucht kunnen laten vliegen en spietsen, al stonden ze zestien rijen
dik en
zouden ze doorlopend aangevuld worden met verse manschappen. Daar valt
dus niet
aan te denken. Rest mij dat ik zoveel veronderstel, als nodig is voor
mijn
opzet. Verder, beste lezer, moet u evenveel geloof hechten aan wat ik
beweer
als wanneer ik het, ten koste van uw en mijn geduld, bewezen had. Wees
daarom
niet zo onvriendelijk, vanwege mijn eigen toegeeflijkheid en rekening
houdend
met uw gemoedsrust, mij uw instemming te onthouden. Meer nog, ik vraag
u alles
te geloven, dat wil zeggen alles waar ik niet langer weerstand aan kon
bieden.
Geloof het onbevooroordeeld en als een gunst, of anders louter uit
behoedzaamheid. Zo niet, dan zal ik u in de volgende, herziene en
vermeerderde
uitgave van mijn Bekentenissen pas echt laten geloven en huiveren en
door al
mijn lezers alleen maar lastig te vallen met slaapverwekkende verhalen,
afschrikken om nog ooit een volgens mij zinnige bewering in twijfel te
trekken.
Dus
nogmaals,
ik beweer dat ik, toen ik elke dag opium ging gebruiken, geen andere
mogelijkheid had. Of ik later niet met die gewoonte had kunnen breken,
zelfs
toen alle pogingen mij vergeefs leken, en veel van de ontelbare
pogingen die ik
heb gedaan en mijn geleidelijke herovering van het verloren terrein
misschien
energieker had moeten doorzetten—zijn vragen die ik af moet wijzen.
Misschien
zou ik verzachtende omstandigheden kunnen aanvoeren; maar ben ik dan
wel
eerlijk? Ik geeft toe, dat het een hardnekkige zwakte is, dat ik teveel
een
eudemonist ben. Ik hunker te zeer naar een toestand van geluk, zowel
voor
mijzelf als voor anderen. Ik kan niet met droge ogen ellende aanzien,
al dan
niet mijn eigen en nu geen pijn verdragen ter wille van een voordeel
later. In
wat andere zaken ben ik het eens met de heren van de katoenhandel [16]
in Manchester, die de Stoïcijnse filosofie
aanhangen,
maar niet hierin. Hier neem ik de vrijheid van een eclectische filosoof
en kijk
uit naar een hoffelijke en voorkomende sekte die minder neerbuigend
doet over
de beroerde toestand van een opiumslikker. Van die “aardige mensen,”
zoals
Chaucer zegt, “die je het niet kwalijk nemen,” en enig geweten tonen
bij de
straffen die ze opleggen en de pogingen tot onthouding die zij eisen
van arme
zondaars zoals ik. In mijn nerveuze toestand kan ik onmenselijke
moralisten
evenmin velen als niet gekookte opium. In ieder geval moet iemand die
van mij
verwacht dat ik een grote hoeveelheid zelfverloochening en
zelfkastijding
uitstraal op een kruistocht naar morele zelfverbetering, mij wel
duidelijk
kunnen maken dat het geen hopeloze onderneming is. Op mijn leeftijd
(zesendertig jaar) kan van mij niet verwacht worden dat ik nog veel
energie
over heb. Eigenlijk is het allemaal net genoeg voor de intellectuele
arbeid die
ik onder handen heb, en daarom moet niemand verwachten dat hij me met
harde
woorden zo bang kan maken dat ik daarvan ook maar een deel zal besteden
aan
uitzichtloze morele avonturen.
Uitzichtloos
of
niet,
maar
de
afloop
van
het
gevecht
in
1883 was zoals ik dat verteld
heb en
vanaf dat tijdstip moet de lezer me zien als een geregelde en verstokte
opiumslikker, bij wie vragen of hij op een bepaalde dag al dan niet
opium had
genomen, hetzelfde zou zijn als vragen of zijn longen wel geademd
hadden en zijn
hart wel had geklopt. Nu begrijpt u, lezer, wat ik ben en inmiddels
beseft u
dat geen enkele oude heer “met een sneeuwwitte baard” [14] enige kans
maakt om
mij over te halen “het kleine gouden kokertje met het verderfelijke
medicijn”
af te geven. Nee; ik laat ze allemaal weten, of het nu moralisten of
artsen
zijn, of wat hun pretenties of kundigheden op hun eigen vakgebied ook
mogen zijn,
dat ze van mij geen enkele steun kunnen verwachten, als zij ook maar
één
barbaars voorstel willen doen voor een Vasten of Ramadan zonder opium.
Als we
dat helemaal met elkaar eens zijn, zullen we verder voor de wind
zeilen. Zo,
lezer, sta nu alstublieft op uit 1813, waar we al die tijd hebben
zitten
treuzelen, en loop ongeveer drie jaar verder. Haal het doek op en
aanschouw me
in een nieuwe rol.
Als
iemand, rijk of arm, zou willen vertellen wat de gelukkigste dag van
zijn leven
was, en hoe en waarom, denk ik dat we allemaal zouden roepen—Luister!
Luister!
Voor elk wijs mens zou het noemen van de gelukkigste dag nog
een heel
probleem zijn, omdat elke gebeurtenis die zo’n belangrijke plaats zou
kunnen
innemen in een terugblik op iemands leven, of waarvan gezegd zou kunnen
worden
dat die een uitzonderlijk gelukkige glans aan die dag heeft gegeven, zo
bestendig moet zijn dat (afgezien van ongelukken) die dezelfde of een
niet
duidelijk minder gelukkige glans zou moeten geven aan vele jaren
aaneen. Het
gelukkigste lustrum of zelfs het gelukkigste jaar kan
iedereen
wel aanwijzen zonder de wijsheid geweld aan te doen. In mijn geval,
lezer, was
dat jaar het jaar waarin wij nu zijn aangeland, hoewel ik toegeef dat
het wel als
een intermezzo tussen twee mistroosterige in zat. Het was een jaar met
de
helderheid van een briljant (om op zijn juweliers te spreken) als het
ware
afzonderlijk gezet in de naargeestige en duistere zwaarmoedigheid van
opium.
Hoe vreemd het ook klinkt, maar ik was kort daarvoor opeens en zonder
noemenswaardige inspanning geminderd van 320 grein opium (d.w.z.
achtduizend
druppels laudanum [17]) per dag naar veertig grein, dus eenachtste. Van
het ene
moment op het andere, als bij toverslag, trok de wolk van uiterste
zwaarmoedigheid
die mijn hersenen omhulde, binnen één dag
(νυχθημερον) weg, als donkergrijze
nevelslierten die ik ooit van de bergtoppen zag afrollen, en verdween
met haar
duistere vaandels even plotseling als een gestrand schip dat
vlotgetrokken
wordt door de vloed—
Als het gaat, gaat het ook helemaal.
Nu
was ik dus weer gelukkig. Ik nam nog maar 1000 druppels laudanum per
dag en wat
stelde dat eigenlijk nog voor? Een laatste lente was aangebroken als
afsluiting
van mijn jeugd. Mijn hersenen werkten weer even gezond als ooit
tevoren. Ik las
Kant opnieuw en weer begreep ik hem, of verbeeldde me dat ik hem
begreep. Opnieuw
breidde mijn aangename gevoelens zich uit overal om mij heen, en ik zou
iedereen uit Oxford of Cambridge of elders, die zijn opwachting zou
maken in
mijn bescheiden huisje, hebben verwelkomd met een zo overvloedig
onthaal als
een armoedzaaier maar kon bieden. Als laudanum het enige was dat aan
het geluk
van een wijze zou ontbreken, zou ik hem net zoveel gegeven hebben als
hij wilde
en ook nog in een gouden kopje. En tussen haakjes, nu ik het toch heb
over
laudanum weggeven, herinner ik me uit die tijd een voorvalletje, dat ik
vermeld
omdat de lezer het, hoe beduidend het ook was, binnenkort weer zal
tegenkomen
in mijn dromen, die daardoor onvoorstelbaar hevig aangeslagen waren. Op
een dag
klopte een Maleier aan mijn deur. Wat een Maleier te zoeken had in de
Engelse
Bergen, is voor mij een raadsel, maar mogelijk was hij onderweg naar
een
zeehaven ongeveer veertig mijl verderop.
De
dienstbode die opendeed was een jong meisje, geboren en opgegroeid in
de bergen,
die nog nooit ook maar één Aziatisch gewaad gezien had. Daarom schrok
ze erg
van zijn tulband, en toen bleek dat hij net zoveel van Engels wist als
zij van
Maleis, leek er een onoverkomelijke hindernis op te rijzen voor elke
overdracht
van gedachten, als ze die al hadden. In deze ingewikkelde situatie
schoot het
meisje de befaamde lessen van haar meester te binnen (en zonder twijfel
geloofde ze dat ik alle wereldtalen kende en daarnaast misschien nog
een paar
van de maan), kwam naar me toe en gaf me te kennen dat er een soort
duivel
beneden stond, die ik wel even met mijn toverkunsten het huis uit zou
kunnen
drijven. Ik liep niet meteen de trap af, maar toen ik eenmaal beneden
was, nam het
als het ware toevallig zo ontstane tafereel dat ik ontwaarde zich
zodanig
meester van mijn verbeelding zoals nog nooit ook maar een van die
standbeeldachtige houdingen bij de balletten in de Opera had gedaan,
hoe
opzichtig ingewikkeld ze ook waren. Daar stond de Maleier dan in de
keuken van
een huisje op het platteland, die door de donkerhouten, door ouderdom
en
slijtage op eiken lijkende, betimmering op de muren, meer deed denken
aan een
rustieke ontvangsthal—zodat zijn tulband en wijde, groezeligwitte broek
afstaken tegen de donkere lambrizering. Hij stond dichter bij het
meisje dan
haar lief leek, maar haar aangeboren onverschrokkenheid van het volk
uit de
bergen, worstelde met het gevoel van natuurlijk ontzag dat haar gezicht
uitstraalde terwijl ze naar de tijgerkat staarde die voor haar stond.
Was er
een aangrijpender beeld voorstelbaar dan het prachtige Engelse
meisjesgezicht
met haar fijne trekken en rechte en zelfverzekerde houding, naast de
door zeelucht
mahoniekleurig geëmailleerde of geverniste vale en geelachtige
huidskleur van
de Maleier, met zijn kleine, woeste en rusteloze ogen, dunne lippen en
slaafse
gebaren en buigingen. Halfverscholen achter de woestuitziende Maleier
stond een
klein kind, uit een naburig huisje, dat na hem binnen was geglipt, zijn
hoofdje
optilde en naar de tulband en de woeste ogen daaronder omhoogstaarde,
terwijl
het ter bescherming met een handje de rok van de jonge vrouw vastgreep.
Mijn
kennis van de Oosterse talen is niet erg groot en bestaat eigenlijk
maar uit
twee woorden—het Arabische woord voor gerst en het Turkse voor opium
(madjoen),
die ik van Anastasius had geleerd en omdat ik geen Maleis
woordenboek
had en zelfs niet Adelungs Mithridates, dat mij aan een paar
woorden had
kunnen helpen, sprak ik hem toe met een paar regels uit de Ilias, omdat
ik
bedacht dat van de talen die ik meester was, Grieks, wat betreft
lengtegraad,
geografisch het dichtst in de buurt van een Oosterse taal kwam. Hij
begroette
mij uiterst vriendelijk en antwoordde me in wat volgens mij Maleis was.
Zo
redde ik mijn reputatie voor mijn buren, want de Maleier kon hoe dan
ook mijn
geheim niet verraden. Hij bleef ongeveer een uur op de grond liggen en
vervolgde
toen zijn reis. Bij zijn vertrek bood ik hem een stuk opium aan. Ik had
bedacht
dat hij als oosterling wel bekend zou zijn met opium, en zijn
gezichtsuitdrukking overtuigde mij ervan dat dat het geval was. Toch
schrok ik
wel even toen ik hem opeens zijn hand naar zijn mond zag brengen en,
zoals
schooljongens dat zeggen, de hele brok, in drie stukken tegelijk in
zijn mond
propte. De hoeveelheid was voldoende om drie dragonders met paard en al
om het
leven te brengen en ik maakte me wat zorgen om de arme man; maar wat
kon ik
doen? Ik had hem de opium gegeven uit medelijden met zijn eenzame
bestaan, want
ik had bedacht dat hij, als hij te voet vanuit Londen was gekomen.
bijna drie
weken met niemand van gedachten had kunnen wisselen. Het kwam niet in
mij op om
de wetten van de gastvrijheid te breken door hem op te laten pakken,
een
braakmiddel toe te laten dienen en hem zodoende bang te maken dat wij
hem
gingen offeren aan een of andere Engelse afgod. Nee; er viel duidelijk
niets
aan te doen. Hij nam afscheid en ik maakte me een paar dagen zorgen,
maar omdat
ik er niets over hoorde dat er ergens een Maleier dood aangetroffen
was, raakte
ik ervan overtuigd dat hij gewend was [18] aan opium en bedacht dat ik
hem vast
een dienst had bewezen door hem één nacht respijt te geven van dat
ellendige
zwerven.
Ik
heb wat langer uitgewijd over dit voorval, omdat deze Maleier (deels
door het
schilderachtige tafereel waaraan hij zijn bijdrage had geleverd, deels
door de
zorgen die zijn beeld een aantal dagen bij mij opriep) zich vastzette
in mijn
dromen en andere Maleiers met zich meebracht, die nog erger waren dan
hij, als
bezetenen tegen me te keer gingen [19] en mij een wereld vol gevaren
insleepten. Maar genoeg van deze periode en terug naar dat ene jaar dat
ik
gelukkig was. Ik heb al gezegd dat wij over een voor ons allen zo
belangrijk
onderwerp als geluk, graag zouden moeten willen luisteren naar ieders
ervaringen of experimenten, al was het maar van een boerenjongen, van
wie niet
verwacht kan worden dat hij heel diep geploegd heeft in een zo
weerbarstige
grond als die van menselijke ellende en genot, of zijn onderzoek heeft
verricht
met zeer verlichte principes. Maar ik, die het geluk tot mij genomen
heb in
zowel vaste als vloeibare toestand, gekookt en ongekookt, Oost-Indisch
en Turks
— mijn experimenten over dit interessante onderwerp heb uitgevoerd met
een
soort galvanische batterij, en mijzelf, voor het heil van de wereld,
als het
ware heb ingeënt met het vergif van 8000 druppels laudanum per dag (om
dezelfde
reden waarom een Franse arts zichzelf onlangs inentte met kanker, een
Engelse
twintig jaar geleden met de pest en een derde, ik weet niet waar
vandaan, met
hondsdolheid), als iemand moet weten wat geluk is, dan moet toegegeven
worden
dat ik dat ben. En daarom zal ik hier een analyse opschrijven van
geluk; en om
dat zo boeiend mogelijk te houden, zal ik dat niet schoolmeesterachtig
doen,
maar verpakt en verweven in de beschrijving van een enkele avond, zoals
ik
avond na avond doorbracht in dat tussenjaar toen laudanum, hoewel ik
dat
dagelijks innam, voor mij meer gewoon het wondermiddel voor genot was.
Als ik
dat gedaan heb zal ik het onderwerp geluk verder helemaal laten rusten
en
overgaan tot iets heel anders — de ellende van opium.
Stel
je
een
huisje
voor,
gelegen
in
een
dal,
achttien
mijl van de
dichtstbijzijnde
stad — geen uitgestrekt dal, maar ongeveer twee mijl lang en gemiddeld
driekwart mijl breed; het voordeel van dat gegeven is dat alle families
die
binnen dat gebied wonen als het ware één groot gezin vormen, op het oog
vertrouwd met je zijn en min of meer belangstelling voor je koesteren
en voor
het gevoel in elkaar geïnteresseerd zijn. Stel verder dat het echte
bergen
zijn, tussen de 3000 en 4000 voet hoog, en het huisje een echt huisje
en niet
(zoals een gevatte schrijver vermeldt) “een huisje met een dubbel
koetshuis;” het
is dus (want ik moet me aan feitelijke situatie houden) inderdaad een
wit
huisje, overgroeid door bloeiende struiken, zo uitgekozen dat zich
tijdens alle
maanden van lente, zomer en herfst achtereenvolgens bloemen ontvouwen
op muren
en rond vensters — te beginnen met meirozen en eindigend met jasmijn.
Maar het
is geen lente, geen zomer en geen herfst, maar winter op zijn
strengst. Dat
is een heel belangrijk gegeven in de wetenschap van het geluk en ik
verbaas me
erover dat mensen dat over het hoofd zien en denken dat ze zich
gelukkig moeten
prijzen omdat de winter voorbij is of, als hij in aantocht is, dat het
geen
strenge winter wordt. Elk jaar ik smeek juist om zoveel mogelijk
sneeuw, hagel,
vorst of stormen, het een of het ander, zoveel als de luchten ons maar
kunnen
leveren. Iedereen weet wel hoe goddelijk aangenaam het is om ‘s winters
bij de
open haard te zitten, kaarsen die om vier uur aangestoken worden, een
warme
plaid, thee, een aardige theeschenkster, gesloten luiken en gordijnen
die met
ruime plooien over de grond vallen, terwijl buiten hoorbaar wind en
regen
razen,
En aan deuren en ramen
lijken te roepen,
Terwijl hemel aarde als
het ware samensmelten;
Toch vinden zij nergens
een ingang, zodat
Wij ons in de grote hal
steeds veiliger voelen.
Het Kasteel der Traagheid. (James
Thompson, 1748)
Dat
zijn allemaal facetten van de beschrijving van een winteravond, die
ongetwijfeld bekend zijn bij iedereen die op een hoge breedtegraad
geboren is. En
het is duidelijk dat het tot stand komen van de meeste van die
heerlijkheden,
net als ijs, een zeer lage temperatuur vragen; het zijn vruchten die
niet
kunnen rijpen zonder stormachtig of guur weer. Ik ben niet
‘kieskeurig,’ zoals
de dat mensen zeggen; of het nou sneeuwt, vriest dat het kraakt of de
wind zo
sterk is dat (zoals de heer…zegt) ‘dat je er tegen aan kunt leunen als
tegen
een pilaar.’ Van mij mag het zelfs regenen, als het dan maar giet; maar
zoiets
moet ik echt hebben en als het niet zo is, voel ik me tekort gedaan;
want
waarom moet ik zoveel betalen voor de winter, in kolen en kaarsen en
allerlei
ontberingen die zelfs elke heer van stand overkomen, als ik daar niet
het beste
in zijn soort voor terugkrijg? Nee, wat mij betreft dan maar een
Canadese
winter of een Russische, waarin iedereen slechts samen met de
noordenwind enig
eigenaar van zijn eigen oren is. Wat dat betreft ben ik inderdaad zo’n
fijnproever dat ik niet volop kan genieten van een winteravond, als die
na de
kortste dag ontaardt tot weerzinwekkende voorjaarsstemmingen. Nee, de
winteravond moet door een dikke muur van donkere nachten gescheiden
zijn van de
hele terugkeer van licht en zonneschijn. Van de laatste weken van
oktober tot
kerstavond is dus de periode waarin het geluk hoogtij viert, dat naar
mijn mening
de kamer binnentreedt met het theeblad; want thee zal altijd de
favoriete drank
van de intellectueel blijven, hoewel er de spot mee wordt gedreven door
mensen
die van nature grofbesnaard zijn of dat geworden zijn door het drinken
van wijn
en niet bevattelijk zijn voor de invloed van een zo verfijnd opwekkend
middel;
en wat mij betreft zou ik mij geschaard hebben achter Dr. Johnson in
een bellum
internecinum ( vert.: oorlog op leven en dood) tegen elk goddeloos
individu, dat het lef zou hebben zich daar geringschattend over uit te
laten.
Maar om mij de moeite te besparen daar teveel woorden aan vuil te
maken, zal ik
een schilder ten tonele voeren, en hem aanwijzingen geven voor de rest
van het
schilderij. Schilders houden niet van witte huisjes, tenzij ze
behoorlijk
verweerd zijn; maar omdat de lezer inmiddels begrepen heeft dat het een
winteravond is, hoeft van zijn diensten alleen maar gebruik gemaakt te
worden
voor de binnenkant van het huis.
Schilder
dan
voor
me
een
kamer
van
ongeveer
zeventien
bij
twaalf voet, en niet hoger
dan
zeveneneenhalve voet. Dit, beste lezer, is in ons gezin een ietwat
grootse
betiteling van de salon; maar omdat het twee in een zijn wordt het ook,
en meer
terecht, de bibliotheek genoemd, want boeken zijn nu eenmaal het enige
waarin
ik rijker ben dan mijn buren. Ik heb er ongeveer vijfduizend, die ik
vanaf mijn
achttiende geleidelijk aan verzameld heb. Zet er daarom, schilder,
zoveel van
als je kunt in die kamer. Bevolk de kamer met boeken en schilder dan
een fraai
haardvuur en eenvoudige en bescheiden meubels, die passen bij de
eenvoudige
woning van een geleerde. En schilder bij het vuur een theetafel en zet
daar
(omdat het vanzelfsprekend is dat op zo’n stormachtige avond niemand op
bezoek
zal komen) maar twee kopjes en schoteltjes op; en als je zoiets
symbolisch of
anderszins kunt uitbeelden, schilder dan een eeuwige theepot voor me —
eeuwig a
parte ante en a parte post— want ik drink gewoonlijk thee
van acht
uur ’s avonds tot vier uur in de morgen. En schilder, omdat het heel
onaangenaam is zelf thee te zetten en in te schenken, een mooie jonge
vrouw
voor me, zittend aan de tafel. Schilder haar met armen als van Aurora
en
glimlach als van Hebe. Maar nee, beste M., ik moet zelfs niet als grap
laten
doorschemeren dat jouw vermogen om licht te brengen in mijn huisje op
iets zo
vergankelijks berust als louter persoonlijke schoonheid, of dat de
magie van
een engelachtige glimlach binnen het domein ligt van een aardse
penseel. Ga
dan, mijn beste schilder, maar over naar iets dat meer in je macht
ligt; en het
volgende opgediende onderwerp moet ik natuurlijk zelf zijn — een
afbeelding van
de Opiumslikker, met zijn “gouden flaconnetje met het verderfelijke
medicijn”
dat naast hem op tafel staat. Ik heb er geen bezwaar tegen een
afbeelding van
de opium te zien, hoewel ik de voorkeur geef aan het origineel. Je mag
het best
schilderen als je dat wil, maar ik waarschuw je dat zelfs in 1816 geen
enkel
“klein” flaconnetje beantwoordde aan mijn behoefte, terwijl ik
zo ver af
was van het “statige Pantheon” en alle drogisten (al dan niet
sterfelijk). Nee,
je kunt net zo goed het echte flaconnetje schilderen, dat niet van goud
was,
maar van glas en zo goed mogelijk op een wijnkaraf moet lijken. Daarin
mag je
een liter robijnrode laudanum gieten; dat en een boek over de Duitse
Metafysica
daarnaast geplaatst, zal voldoende aangeven dat ik in de buurt ben.
Maar ik
zelf? — daar teken ik bezwaar tegen aan. Ik geef toe dat ik op het
schilderij
natuurlijk op de voorgrond zou moeten staan; als hoofdpersoon van het
stuk, of
(zo je wilt) de misdadiger voor het gerecht, zou ik lijfelijk in de
rechtszaal
aanwezig moeten zijn. Dat lijkt redelijk; maar waarom zou ik in dit
geval voor
een schilder mijn bekentenis afleggen? of zou ik het eigenlijk wel
moeten doen?
Als het publiek (waarbij ik vertrouwelijk mijn bekentenissen in het oor
fluister en niet in dat van zomaar een schilder) misschien voor
zichzelf een
bepaald aardig beeld van de buitenkant van de Opiumslikker heeft kunnen
bedenken, hem romantisch een elegante gestalte of knap gezicht heeft
toebedeeld, waarom zou ik het dan die zo aangename illusie moeten
ontnemen —
die zowel voor het publiek als voor mij prettig is? Nee, als het dan
toch moet,
schilder me dan naar je eigen fantasie en omdat de fantasie van een
schilder
moet wemelen van prachtige scheppingen, kan ik op die manier alleen
maar
winnen. En nu, beste lezer, hebben we alle tien stadia van mijn
toestand in de
periode 1816-17 doorlopen, waarbij ik me tot het midden van het laatste
jaar als
een gelukkig man beschouwde, en heb ik geprobeerd, in de hierboven
gegeven
beschrijving van het interieur van de bibliotheek van een ontwikkeld
man, voor
u de elementen van dat geluk te schetsen, in een huisje in de bergen op
een
stormachtige winteravond.
Maar
nu
het
afscheid
—
een
lang
afscheid
van
geluk,
winter en zomer! Afscheid
van
glimlach en lach! Afscheid van gemoedrust! Afscheid van hoop en vredige
dromen,
en de gezegende troost van de slaap. Al meer dan drieëneenhalf jaar
wordt mij
dat ontzegd. Ik ben nu aangekomen bij een Ilias van smarten, want ik
moet het
nu gaan hebben over
de ellende van opium
Als doopt een grote
schrijver zijn penseel
In duisternis van
aardbeving en zonsverduistering.
Opstand
der Islam, Shelley.
Van
de lezer, die mij tot dusver vergezeld heeft, moet ik nu aandacht
vragen voor
een korte uiteenzetting op drie punten:
1.
Om
diverse redenen heb ik de aantekeningen over dit gedeelte van mijn
relaas niet
in een gebruikelijke en samenhangende vorm kunnen gieten. Ik geef ze
afzonderlijk weer zoals ik ze aantref, of diep ze meteen uit mijn
geheugen op.
Sommige verwijzen naar hun eigen dagtekening, andere heb ik zelf van
een datum
voorzien en weer andere zijn niet gedateerd. Overal waar het aan mijn
doel
beantwoordde ze van de gewone over te zetten naar de chronologische
volgorde,
heb ik daarin niet geaarzeld. Soms spreek ik in de tegenwoordige, soms
in de
verleden tijd. Misschien zijn maar weinig van de aantekeningen precies
opschreven in de periode waarnaar ze verwijzen; maar dat kan weinig
afdoen aan
hun nauwgezetheid, omdat de indrukken zodanig waren dat ze nooit uit
mijn
geheugen kunnen verdwijnen. Veel is weggelaten. Het lukte mij niet, me
zonder
moeite te beperken tot de taak de hele vracht aan verschrikkingen die
mij
bedrukte weer op te roepen of daar een geordend relaas van te maken.
Dit gevoel
is één kant waarvoor ik mij verontschuldig en de andere kant is dat ik
mij op
dit moment in Londen bevind en een nogal hulpeloos iemand ben, die
zonder steun
niet eens zijn eigen papieren kan ordenen; en ik mis de handen die
gewend zijn
de taak te vervullen van een particulier secretaris.
2.
U
zult misschien denken dat ik te vertrouwelijk en mededeelzaam ben over
mijn
eigen geschiedenis. Het zij zo. Maar mijn manier van schrijven is
eerder hardop
denken en mijn stemmingen volgen, dan veel rekening houden met wie naar
mij
luistert; en als ik ophoud te bedenken wat tegen deze of gene gezegd
moet
worden, zal ik er binnen de kortste keren over gaan twijfelen of er ook
maar
iets geschikt is. In feite verplaats ik me zelf vijftien of twintig
jaar verder
in de tijd en hou me voor dat ik schrijf voor mensen die dan nog in mij
geïnteresseerd zijn; en omdat ik toch een zoiets als een tijdsverslag
wil
hebben van de hele geschiedenis waar niemand behalve ikzelf van op de
hoogte
is, doe ik dat zo volledig mogelijk, met alle inspanningen waartoe ik
nu in
staat ben, omdat ik niet weet of ik ooit nog de tijd zal vinden om het
weer te
doen.
3.
U
zult zich vaak afvragen waarom ik mijzelf niet bevrijd heb van de
verschrikkingen
van de opium door ermee te stoppen of het te verminderen. Daar kan ik
kort over
zijn: er zou verondersteld kunnen worden dat ik te gemakkelijk gezwicht
ben
voor de bekoringen van opium; maar het is niet aannemelijk dat ook maar
iemand
bekoord kan worden door de verschrikkingen ervan. De lezer kan er dus
verzekerd
van zijn dat ik ontelbare pogingen heb ondernomen om de hoeveelheid te
minderen. Ik voeg daaraan toe dat het de mensen zijn geweest die
getuige waren
van de ondraaglijke kwellingen van die pogingen, en niet ik zelf, die
de eerste
waren die me smeekten daarmee te stoppen. Maar had ik het dan niet
kunnen
minderen met een druppel per dag of een druppel in tweeën of drieën te
delen
door er water aan toe te voegen? Het halveren van duizend druppels zou
dan
bijna zes jaar in beslag hebben genomen en die manier zou dus
ongetwijfeld niet
de oplossing zijn geweest. Maar dat is een gangbare vergissing van
mensen die
uit eigen ervaring niets van opium afweten; maar ik vraag degenen die
er wel
mee bekend zijn, of het niet altijd zo is dat het tot een bepaald punt
eenvoudig en aangenaam geminderd kan worden, maar dat verdere mindering
hevige
kwellingen veroorzaakt? Ja, zeggen veel onnadenkende mensen, die niet
weten
waar ze het over hebben, je hebt dan gewoon een paar dagen wat last van
neerslachtigheid en lusteloosheid. Ik antwoord, nee; er is geen sprake
van
zoiets als neerslachtigheid; de levenskrachten nemen dan juist ongewoon
toe: de
polsslag verbetert en de gezondheid neemt toe. Daarin ligt de kwelling
niet.
Het lijkt niet op de kwellingen die veroorzaakt worden door het stoppen
met
wijn. Het is een toestand met een onbeschrijfelijke maagpijn (die dus
helemaal
niets te maken heeft met lusteloosheid), gepaard met hevig zweten en
gevoelens
die ik niet eens kan beschrijven als ik niet meer ruimte ter
beschikking heb.
Ik
zal nu dus midden in het verhaal vallen en, vanaf de tijd waarop gezegd
zou
kunnen worden dat mijn opiumkwellingen op zijn hoogtepunt waren,
vooruitlopen
op het verslag van hun verlammende uitwerking op de intellectuele
vermogens.
* * * * *
Mijn
studie
heb
ik
al
lang
geleden
onderbroken.
Ik
kan
niet meer met plezier lezen,
ik kan het nauwelijks een moment volhouden. Toch lees ik soms hardop
voor, voor
het plezier van anderen, omdat lezen een van mijn talenten is — en in
de
volkstaal betekent dat woord “talent” een oppervlakkige en louter
decoratieve
verworvenheid — en bijna het enige dat ik bezit; en als ik vroeger dan
al enigermate
ijdel was door enige gave of verworvenheid, dan was het hierdoor, omdat
ik
gemerkt had dat geen enkel talent zo dun gezaaid was. Toneelspelers
zijn de
slechtste voorlezers van allemaal: …..leest beroerd; en zijn vrouw…..,
die zo
geroemd wordt, kan alleen maar toneelstukken lezen: wat ze met Milton
doet is niet
te pruimen. In het algemeen lezen mensen poëzie zonder enige
hartstocht, of anders
baan ze de natuurlijke ingetogenheid te buiten en lezen niet als een
ontwikkeld
iemand. Als iets mij de laatste tijd heeft aangegrepen waren dat de
klaagzangen
van Samson Agonistes, of de grootse harmonieën van de toespraken van
Satan in
Paradise Regained, als ik ze voor mijzelf hardop lees. Af en toe komt
er een
jongedame op bezoek en drinkt thee met ons: op haar verzoek en dat van
M., lees
ik nu en dan W’s gedichten voor. (W., is overigens de enige dichter die
ik ooit
heb ontmoet, die zijn eigen gedichten kon voordragen: vaak inderdaad
bewonderenswaardig.)
Volgens
mij
heb
ik
al
bijna
twee
jaar
geen
boek
meer gelezen, behalve één; en ik
ben de
schrijver zoveel dank verschuldigd dat ik mij verplicht voel te
vertellen welk
boek het was. Zo nu en dan lees ik, zoals ik al heb gezegd, bij
gelegenheid
betere en hartstochtelijkere dichters. Maar ik besef heel goed dat mijn
ware
roeping ligt in het beoefenen van mijn analytische begripsvermogen. Het
grootste gedeelte van analytische studies moet echter onafgebroken zijn
en niet
te hooi en te gras beoefend worden. Wiskunde, rationele filosofie enz.,
waren
allemaal ondraaglijk voor me geworden; ik deinsde daarvoor terug met
een gevoel
van machteloosheid en kinderlijke zwakheid, wat de te pijnlijker voor
me was
als ik terugdacht aan de tijd dat ik daarmee met plezier dagelijks uren
worstelde; en ook omdat ik daar mijn hele levenswerk van had willen
maken en de
bloesem en vruchten van mijn verstand had gewijd aan het stapsgewijze
en
uitvoerige werken aan het samenstellen van een enkel boek, waaraan ik
bedacht
had te titel te geven van een onvoltooid werk van Spinoza — namelijk De
Emendatione
Humani
Intellectus. (Over de Verbetering van het Menselijke
Verstand). Dat lag nu stil, als bevroren, als een Spaanse brug of
aquaduct, te
groots opgezet voor de mogelijkheden van de architect; en in plaats van
dat het
mij ten minste deed herleven als een schoolvoorbeeld van wensen en
ambities, en
van een werkzaam leven gewijd aan de verheffing van de menselijke
natuur met de
middelen waarmee God mij op zijn best had toegerust om een zo groots
onderwerp
ten uitvoer te brengen, leek het er meer op dat het voor mijn kinderen
een
gedenkteken zou worden van verloren hoop, vergeefse inspanningen,
zinloos
bijeengegaard materiaal, van gelegde grondvesten die nooit een
bovenbouw zouden
dragen — van het verdriet en het mislukken van de architect. In die
toestand
van dwaasheid had ik ter verpozing mijn aandacht gericht op de
politieke
economie; ik nam aan dat mijn verstand, dat vroeger zo actief en
rusteloos
geweest was als een hyena, (zolang ik ten minste leefde) niet helemaal
in een
toestand van lethargie kon verzinken; in mijn toestand heeft politieke
economie
het voordeel dat, hoewel het een organische wetenschap bij uitstek is
(dat wil
zeggen dat ieder deel invloed heeft op het geheel en het geheel op de
delen) de
verschillende delen toch uiteengehaald en afzonderlijk bestudeerd
kunnen
worden. Hoe zeer mijn krachten ook waren uitgeput in die tijd, toch kon
ik mijn
kennis niet vergeten; en ik had mij al teveel jaren bezig gehouden met
grote
denkers, logica en de grote geleerde meesters, om niet de volslagen
vaagheid te
onderkennen van de grote kudde van de huidige economen. In 1811 was ik
begonnen
met het doornemen van vrachten boeken en pamfletten in vele takken van
de
economie; en op mijn verzoek las M. mij soms hoofdstukken voor uit meer
recentere werken, of gedeelten van parlementaire debatten. Ik merkte
dat die in
het algemeen de droesem en drab van het menselijke verstand bevatten;
en dat
iedereen met gezond verstand, die met een scholastieke behendigheid de
logica
kon hanteren, de hele academie van moderne economen tussen hemel en
aarde op
zou kunnen pakken en tussen duim en wijsvinger fijnknijpen, of hun
zwamhoofden verpulveren
met een vrouwenwaaier. Lang daarna, in 1819, stuurde een vriend uit
Edinburg
mij het boek van Ricardo; en terugkomend op mijn eigen voorspelling van
de
komst van een wetgever in deze wetenschap, zei ik, nog voor ik het
eerste
hoofdstuk uit had, “Gij zijt die man!” Verwondering en nieuwsgierigheid
waren
gevoelens die al lang geleden in mij gestorven waren. Toch verbaasde ik
me
weer: ik verbaasde me erover dat ik weer geprikkeld kon worden door de
inspanning van het lezen en nog meer door het boek zelf. Was dat
diepzinnige
boek echt geschreven in Engeland, in de negentiende eeuw? Was dat
mogelijk? Ik
ging ervan uit dat het denken in Engeland uitgestorven was. [20] Kon
het zijn
dat een Engelsman, en niet eens in de academische luwte, maar
overstelpt met bezigheden
als handelsman en senator, iets tot stand had gebracht waar zelfs alle
Europese
universiteiten en een eeuw denken geen haarbreed mee verder gekomen
waren? Alle
andere schrijvers waren verpletterd en bedolven onder een enorme vracht
feiten
en documenten. De heer Ricardo had a priori, uit het verstand
zelf
wetten afgeleid, die voor het eerst een sprankje licht wierpen in de
logge
chaos van materiaal en had, van wat slechts een verzameling was van
aarzelende
discussies, een wetenschap van gangbare afmetingen gemaakt, die nu voor
het
eerst een onvergankelijk fundament had gekregen.
Dit
ene diepzinnige werk was dus voldoende om mij het plezier en de
bedrijvigheid
weer terug te geven die ik al jaren niet meer gekend had. Het zette me
zelfs
aan het schrijven of in ieder geval dicteren, wat M. dan voor me
opschreef. Ik
had het idee dat zelfs aan het “onverbiddelijke oog” van de heer
Ricardo een
paar belangrijke waarheden waren ontsnapt; omdat die grotendeels van
dien aard
waren dat ik ze bondiger en eleganter kon uitdrukken of aanschouwelijk
maken
met behulp van algebraïsche symbolen dan met de doorgaans onbeholpen en
aarzelende terminologie van economen, zou het geheel amper een
zakboekje kunnen
vullen; met M. als mijn secretaresse — want zelfs in die tijd was ik
door een algehele
uitputting daartoe niet in staat — schreef ik mijn beknopte Prolegomena
to
all
future
Systems
of
Political
Economy. Ik hoop dat het niet
naar
opium riekt; hoewel voor de meeste mensen het onderwerp zelf al
voldoende
bedwelmend is.
Deze
krachtsinspanning
was
echter
maar
een
tijdelijke
opwelling,
zoals
het
vervolg
wel aangeeft; want ik wilde mijn werk gaan publiceren. Er werden
afspraken
gemaakt met een provinciale drukkerij, ongeveer achttien mijl verderop,
om het
te laten drukken. Daarvoor werd voor een paar dagen een extra
letterzetter
aangetrokken. Het werk werd zelfs twee keer aangekondigd en ze hadden
zich in
zekere zin verplicht mijn wens te vervullen. Maar ik moest nog een
voorwoord
schrijven en een opdracht aan de heer Ricardo, waar ik iets prachtigs
van wilde
maken. Ik merkte dat ik daar allemaal niet toe in staat was. De
afspraken
werden afgezegd, de zetter ontslagen en mijn “Prolegomena” bleef vredig
liggen naast
zijn oudere en waardigere broeder.
Dat
is de beschrijving en verduidelijking van mijn intellectuele verdoving
in
bewoordingen die min of meer toepasselijk zijn op elk moment van de
vier jaar,
waarin ik in de ban was van de Circe-achtige betovering van opium. Maar
afgezien van de ellende en kwellingen, zou je inderdaad kunnen zeggen
dat ik in
een sluimertoestand heb verkeerd. Ik kon mij er zelden toe zetten een
brief te
schrijven; een antwoord van een paar woorden op alles wat ik ontving
was het
uiterste dat ik kon opbrengen en vaak pas nadat de brief weken of zelfs
maanden
op mijn bureau had gelegen. Zonder de hulp van M. zouden alle betaalde
of nog
te betalen rekeningen spoorloos verdwenen en mijn hele huishoudelijke
economie,
laat staan de Politieke Economie, een onherstelbare warboel geworden
zijn. Over
dit deel van de zaak zal ik het hierna niet meer hebben. Het is echter
iets dat
de opiumslikker uiteindelijk even benauwend en kwellend vindt als ieder
ander,
door het gevoel van onmacht en machteloosheid, door de rechtstreekse
problemen
die voortvloeien uit verwaarlozing of uitstel van de dagelijkse
plichten en
door de wroeging die de angels van het kwaad alleen maar erger maken
voor een
bespiegelend en gewetensvol iemand. De opiumslikker verliest niets van
zijn
morele besef of idealen. Hij verlangt en hunkert even serieus als
altijd naar
het tot stand brengen van wat hij gelooft dat mogelijk is, en voelt
zich
gedreven door zijn plichtsgevoel; maar zijn verstandelijke
bevattingsvermogen
voor wat er mogelijk is, gaat zijn krachten oneindig te boven, niet
alleen bij
het uitvoeren ervan, maar zelfs bij het alleen maar proberen. Hij gaat
gebukt
onder de last van kwelgeesten en nachtmerries; hij ziet alles wat hij
zou
willen doen, net zoals iemand die noodgedwongen het bed moet houden
door fatale
uitputting of een verzwakkende ziekte en er dan getuige is van is dat
zijn meest
geliefde gekwetst of aangerand wordt: hij vervloekt de ketenen die hem
aan bed
kluisteren; hij zou zijn leven geven als hij op kon staan en zou kunnen
lopen;
maar hij is machteloos als een kind en kan niet eens proberen op te
staan.
Ik
ga nu over tot het belangrijkste onderwerp van voornoemde
bekentenissen, het
verhaal en dagboek van wat er plaatsvond in mijn dromen, want dat is de
onmiddellijke
oorzaak van mijn hevigste kwellingen.
Het
eerste besef van dat er een belangrijke verandering plaatsvond in dat
deel van
mijn gestel kwam door het weer ontwaken van de manier van kijken die
doorgaans
eigen is aan de kindertijd of een toestand van verhoogde gevoeligheid.
Ik weet
niet of mijn lezer ervan op de hoogte is dat veel kinderen, misschien
wel de
meeste, het vermogen hebben, op het duister als het ware allerlei
droombeelden
te kunnen schilderen. Bij sommigen is dat vermogen gewoon een
mechanische
aandoening van het oog; anderen beschikken over een willekeurig of
onwillekeurig vermogen om ze te laten verdwijnen of op te roepen; of
zoals een
kind mij desgevraagd ooit vertelde, “ik kan ze zeggen dat ze weg moeten
gaan en
dat doen ze dan —, maar soms komen ze als ik niet zeg dat ze moeten
komen.” Toen
vertelde ik hem dat hij een bijna even onbeperkte macht over
verschijningen had
als een Romeinse centurio over zijn soldaten. — Ik denk dat het rond
het midden
van 1817 was dat dat vermogen mij echt tot last werd: als ik ’s nachts
wakker
in bed lag trokken er in pracht en praal lange rouwstoeten voorbij;
taferelen
van eindeloze verhalen, die naar mijn gevoel even droevig en plechtig
waren als
de verhalen uit de tijd vóór Oedipus of Priamus, vóór Tyrus, vóór
Memfis. Tegelijkertijd
vond een overeenkomstige verandering plaats in mijn dromen; het leek
alsof in
mijn hoofd opeens een gordijn openging en het toneel verlicht werd, en
zich een
schouwspel ontvouwde van een meer dan aardse pracht. Voor die periode
zijn vier
feiten het vermelden waard:
1.
Dat,
naar gelang de beeldenvormende toestand van het oog toenam, waak- en
droomtoestand van het brein in zekere zin meer met elkaar in
overeenstemming
kwamen — dat wat ik op die donkere achtergrond ook maar opzettelijk
opriep of
bedacht zich heel gemakkelijk naar mijn dromen verplaatste, zodat ik
bang was
van die mogelijkheid gebruik te maken; want zoals Midas alle dingen in
goud
veranderde waardoor echter zijn hoop verijdeld en zijn menselijke
verlangens
hem ontnomen werden, veranderde wat ik mij ook maar in de duisternis
visueel
kon voorstellen meteen in droombeelden van het oog; en door een
kennelijk
evenmin onvermijdelijk proces werden ze, als ze eenmaal in bleke en
visioenachtige kleuren geschetst waren, als tekeningen in gevoelsinkt,
door de
heftige geheimzinnige werking van mijn dromen, omgezet naar een
ondraaglijke
pracht die aan mijn hart knaagde.
2.
Want
deze en alle andere veranderingen in mijn dromen gingen gepaard met zo
diepgewortelde angst en wanhopige zwaarmoedigheid, dat het op geen
enkele
manier in woorden uit te drukken valt. Elke avond leek ik niet
figuurlijk, maar
letterlijk af te dalen in ravijnen en zonloze afgronden, dieper dan
diep,
waaruit ik nooit meer omhoog leek te kunnen komen. En als ik wakker
werd had ik
ook niet het gevoel dat ik eruit geklauterd was. Hier zal ik niet bij
stil
blijven staan, omdat de naargeestige toestand die deze schitterende
taferelen
teweegbrachten, een soort suïcidale moedeloosheid, niet onder worden
gebracht kan
worden.
3. Het
besef
van
ruimte
en
uiteindelijk
ook
van
tijd,
werd
hevig aangetast.
Gebouwen, landschappen,
enz., doemden op in zodanige afmetingen dat het lichamelijke oog ze
niet kon
omvatten. De ruimte dijde uit en werd opgeblazen tot een
onuitsprekelijke
onmetelijkheid. Dat was het echter niet dat me zo in verwarring bracht,
maar de
enorme uitzetting van de tijd; soms leek het alsof ik in één nacht 70
of 100
jaar geleefd had — nee, ik had soms het gevoel dat er wel duizend jaar
voorbijgegaan waren in die tijd, of in ieder geval een tijdspanne die
buiten de
grenzen ligt van elke menselijke ervaring.
4. Vaak
kwamen
de
onbeduidendste
voorvallen
uit
mijn
kindertijd,
of
vergeten
taferelen
uit latere jaren, weer tot leven: het was niet zo dat ik mij die
herinnerde,
want als iemand ze mij verteld had als ik wakker was, zou ik ze niet
herkend
hebben als een gedeelte van mijn verleden. Maar op de manier waarop zij
zich in
mijn dromen voordeden als ingevingen, gepaard met al hun vluchtige
omstandigheden en bijbehorende gevoelens, herkende ik ze
meteen. Ooit
vertelde een naast familielid me dat ze als kind in een rivier gevallen
was en
toen ze op het randje van de dood zweefde, voordat de toegeschoten hulp
haar op
het nippertje kon bereiken, in één ogenblik als in een spiegel haar
hele leven
overzag, tot in de kleinste voorvallen; en even plotseling kon ze het
geheel en
alle delen ervan begrijpen. Vanuit een aantal van mijn ervaringen met
opium kan
ik dat geloven; daarnaast heb ik datzelfde tweemaal zien bevestigen in
recente
boeken, met een opmerking die naar mijn overtuiging juist is; dat wil
zeggen
dat het angstaanjagende boek uit de Schriften, waarin al onze daden
opgetekend
worden, in werkelijkheid het brein van ieder mens persoonlijk is.
Daarom ben ik
er zeker van dat er voor het brein niet zoiets als vergeten
bestaat; duizend
en één toevalligheden kunnen en zullen een sluier hangen tussen ons
huidige
bewustzijn en de geheime inscripties in het brein; soortgelijke
toevalligheden
zullen die sluier ook weer wegrukken; maar gesluierd of ongesluierd is
om het
even, want de inscripties blijven daar voor eeuwig staan, zoals de
sterren
lijken te verdwijnen door het licht van de dag, terwijl wij allemaal
weten dat
het licht als een sluier over hen heen wordt getrokken en dat zij
wachten om
onthuld te worden als het verduisterende daglicht zich weer zal
terugtrekken.
Nu
ik deze vier gedenkwaardige feiten heb opgesomd waarmee mijn dromen
onderscheiden kunnen worden van die van gezonde mensen, zal ik ter
verduidelijking van het eerst feit een geval aanhalen en vervolgens een
paar
andere die ik mij herinner, of in hun chronologische of enige andere
volgorde, waardoor
ze beeldender worden voor de lezer.
Ik
ben in mijn jeugd en later af en toe voor mijn plezier, een grote lezer
geweest
van Livius, en ik geef toe dat ik aan hem zowel vanwege zijn stijl als
onderwerpen de voorkeur geef boven alle andere Romeinse
geschiedschrijvers; en
de twee woorden die op mij de meest plechtige en onthutsende indruk
maakten en
voor mijn gevoel het meest kenmerkend waren voor de grootsheid van het
Romeinse
volk, waren de woorden die zo vaak bij Livius voorkomen — Consul
Romanus,
vooral als de consul ter sprake wordt gebracht in zijn militaire
hoedanigheid.
Ik wil daarmee zeggen dat de woorden koning, sultan, regent, enz., of
welke
andere benaming dan ook van mensen die als persoon de
gemeenschappelijke
grootsheid belichamen van een groot volk, minder deden met mijn
gevoelens van
ontzag. Hoewel ik geen groot lezer ben van geschiedkundige werken, had
ik mij
zorgvuldig en kritisch vertrouwd gemaakt met een speciale periode uit
de
Engelse geschiedenis, dat wil zeggen de periode van de Burgeroorlog
(1642 –
1651), omdat ik mij aangetrokken voelde door de morele grootsheid van
sommige
hoofdpersonen in die tijd en door de vele interessante verslagen die
deze
woelige tijden hebben overleefd. Deze twee onderwerpen van mijn
lichtere
leeskost hebben mij vaak stof verschaft tot overdenking, maar leverden
nu stof
voor mijn dromen. Vaak zag ik, nadat ik in wakende toestand op de lege
duisternis een soort oefenbeeld had geschilderd, een drom vrouwen en
soms een
feest met dansende mensen. En ik hoorde dan zeggen, of zei tegen
mijzelf, “Dit
zijn Engelse dames uit de ongelukkige tijd van Karel I. Dit zijn de
vrouwen en
dochters van de mannen die elkaar in vrede tegenkwamen, aan dezelfde
tafel
zaten en verbonden waren door huwelijk of bloed; en toch, na een
bepaalde dag
in augustus 1642, nooit meer tegen elkaar glimlachten en elkaar nog
alleen maar
troffen op het slagveld; en op de heide bij Marston, bij Newbury of
Nasby met
de wrede sabel alle liefdesbanden kliefden en met bloed de herinnering
aan oude
vriendschappen wegwisten.” De dames dansten en leken even bekoorlijk
als aan
het hof van George IV. Toch wist ik, zelfs in mijn droom, dat ze al
twee eeuwen
in het graf lagen. Dat schouwspel brak dan opeens af en onder
handgeklap viel
de overdonderende kreet Consul Romanus te horen; en meteen
daarna kwamen
Paulus of Marius “voorbijstevenen” in schitterende krijgsmantels,
omstuwd door
een compagnie centurions, met een purperen tunica omhooggestoken aan
een lans
en gevolgd door de strijdkreet van de Romeinse legioenen.
Toen
ik
vele
jaren
geleden
Piranesi’s
Romeinse
Oudheden
doorbladerde,
beschreef
Coleridge,
die naast mij stond, een serie gravures van die kunstenaar,
zijn Dromen
genaamd, die verslag doen van zijn eigen visioenen tijdens zijn
ijlkoortsen.
Sommigen (ik beschrijf ze alleen uit wat ik mij herinner van
Coleridge’s
verslag) stelden enorme Gothische zalen voor, met op de vloer allerlei
machines
en apparaten, tandraderen, kabels, katrollen, hefbomen, katapulten,
enz., enz.,
als uiting van enorme krachten en overwonnen weerstand. Langs de wand
kon je
een trap omhoog zien kruipen; en daarop zag je Piranesi zich tastend
een weg
naar boven zoeken. Als je de trap wat verder vervolgde zag je dat die
plotseling en onverhoeds ophield, zonder balustrade, zodat iemand die
de top
bereikt had alleen nog maar in de diepte kon storten.
Wat
moet er van die arme Piranesi terechtkomen, denk je dan, want op een of
andere
manier moeten zijn inspanningen hier eindigen. Maar sla je ogen op en
ontwaar
een tweede, nog hoger reikende trap, waarop opnieuw Piranesi te zien
is, maar
dit keer helemaal op het randje van de afgrond. Kijk nog hoger en
ontwaar een
trap die nog verder naar de hemel reikt en weer is die arme Piranesi
druk bezig
met omhoog te ploeteren; enzovoort, totdat de onvoltooide trappen en
Piranesi
beiden in de bovenste duisternis van de zaal zijn opgelost. Met
dezelfde
grenzeloze groeikracht en zelfvermenigvuldiging ging mijn bouwkunst te
werk in
mijn dromen. In het eerste stadium van mijn kwaal werd de pracht van
mijn
dromen ook voornamelijk bepaald door bouwwerken; ik aanschouwde steden
en
paleizen met zo’n pracht en praal als nooit eerder door een wakend oog
was
gezien, behalve in wolkenluchten. Ik zal een passage citeren van een
grote
hedendaagse dichter, waarin hij in feite de vormen beschrijft die hij
in de
wolken ontwaart, maar die ik vaak in mijn slaap zag:
Het beeld, zo opeens onthuld,
Was van een machtige
stad—als het ware
Een wildernis van
gebouwen, die diep verzinkt
En zich terugtrekt in een
wonderbaarlijke diepte
Diep wegzinkt in
schoonheid—zonder einde!
Gemaakt naar het scheen
van diamant en goud
Met albasten koepels en
zilveren spitsen
Terras na
terras, ver naar omhoog;
Hier vredige paviljoens,
stralend gelegen
Langs lange lanen; daar
torens omgord
Met kantelen, met op hun
rusteloze voorzij
Sterren—licht van vele
edelstenen!
De aardse natuur had dit
gewrocht
Op de donkere achtergrond
van de inmiddels
Bedaarde storm; en daarop
en op de kreken
En steilten en toppen van
bergen, vanwaar
De nevels teruggeweken
waren,—en plaats
Hadden genomen onder een
azuren lucht, enz., enz.
William
Wordsworth, uit: The
Excursion
Het
prachtige gegeven, “kantelen, met op hun rusteloze voorzij
sterren,” had
zo ontleend kunnen worden aan mijn architectuurdromen, die vaak
voorkwamen. We
horen van Dryden en meer recent van Fuseli, dat ze dachten dat het
zinnig was
rauw vlees te eten om prachtige dromen te krijgen; hoeveel
doeltreffender is
het niet om daarvoor opium te slikken. Maar toch kan ik mij niet
herinneren dat
een dichter dat ooit heeft gedaan, behalve de toneelschrijver Shadwell
en in
oude tijden Homerus, die er volgens mij terecht om bekend stond dat hij
de
weldaden van opium kende.
De
gebouwen werden in mijn dromen opgevolgd door meren en zilverige
watervlakten; die
achtervolgden mij zodanig dat ik bang was (hoewel dat een dokter
waarschijnlijk
belachelijk in de oren zal klinken) dat zich op die manier een soort
opgeblazen
toestand of neiging van de hersenen objectiveerde (om een
metafysisch
begrip te gebruiken); waarbij het waarnemend zintuig zichzelf als zijn
eigen
object projecteert. Twee maanden lang had ik vreselijke pijn in mijn
hoofd, een
lichaamsdeel dat tot dan toe zo vrij was geweest van elk spoor of elke
zweem
van zwakte (ik bedoel fysiek), zodat ik daarover placht te zeggen wat
de
laatste Lord Orford over zijn maag zei, namelijk dat het leek alsof die
de rest
van zijn persoon zou overleven. Tot dan toe had ik nooit hoofdpijn
gehad, zelfs
niet de minste andere pijn, behalve de door mijn eigen waanzin
veroorzaakte
reumatische pijnen. Ik kwam die aanval echter te boven, hoewel ik op
het randje
van iets heel gevaarlijks moet hebben gebalanceerd.
De
watervlakten veranderden nu van aanschijn — van als spiegels
doorzichtige meren
werden ze nu zeeën en oceanen. En daarna trad er een enorme verandering
op, die
zich geleidelijk maandenlang als een perkamentrol ontrolde en een
voorbode was
van een blijvende kwelling, die mij inderdaad tot het einde toe nooit
verliet.
Tot dusver waren er vaak menselijke gezichten verschenen in mijn
dromen, maar
niet tiranniek of als iets kwellends. Maar nu begon zich te ontvouwen,
wat ik
de tirannie van het menselijk gezicht heb genoemd. Misschien zijn
bepaalde
facetten van mijn Londense leven daar debet aan. Maar hoe het ook zij,
op de
deinende watervlakte van de oceaan begon nu het menselijke gezicht op
te
doemen; de zee leek geplaveid met talloze naar de hemel gerichte
gezichten —
smekende gezichten, woedende, wanhopige, golfden bij duizenden omhoog,
bij
tienduizenden, bij generaties, bij eeuwen: mijn opwinding was mateloos;
mijn
hoofd woelde en golfde mee met de oceaan.
Mei
1818
De
Maleier was maandenlang een geduchte vijand geweest. Elke nacht werd ik
door
zijn toedoen naar landstreken in Azië gevoerd. Ik weet niet of anderen
soortgelijke ervaringen hebben, maar ik heb vaak gedacht dat ik gek zou
worden,
als ik gedwongen zou worden Engeland te verlaten en in China te wonen,
te midden
van de Chinese manier van leven, gewoonten en omgeving. De oorzaken van
mijn
afschuw zitten diep en anderen zullen een aantal daarvan vast kennen.
Zuid-Azië
is eigenlijk de bakermat van vreselijke beelden en associaties. Als de
wieg van
de mensheid zou het alleen vaag een eerbiedig gevoel moeten oproepen.
Maar er
zijn andere oorzaken. Niemand kan beweren dat de woeste, barbaarse en
onberekenbare bijgeloven van Afrika of van wilde stammen van elders, op
hem
dezelfde diepe indruk maken als de eeuwenoude, monumentale, wrede en
gedetailleerde godsdiensten van Hindoestan, enz. Alleen al de ouderdom
van de
Aziatische aangelegenheden, hun instellingen, geschiedenis, manier van
geloven,
enz., zijn zo indrukwekkend dat in mijn ogen het jeugdige gevoel van
het
individu overschaduwd wordt door de immense ouderdom van volk en naam.
Voor mij
is een jonge Chinees een opnieuw geboren voorwereldlijk wezen. Zelfs
Engelsen,
die immers niet grootgebracht zijn met enige kennis van die
instellingen,
kunnen alleen maar huiveren bij de mystieke verhevenheid van de kasten
die sinds onheuglijke tijden uit elkaar gedreven zijn en weigeren zich
met
elkaar in te laten; evenmin kan iemand geen ontzag hebben voor de namen
Ganges
of Eufraat. Heel belangrijk voor dit gevoel is dat Zuid-Azië het
werelddeel is,
en duizenden jaren is geweest, dat krioelt van menselijk leven, de
grote
werkplaats, het officina gentium. Mensen groeien als
onkruid in die
contreien. Ook de uitgestrekte keizerrijken waarin de enorme bevolking
van Azië
is samengesmeed, versterken de verheven gevoelens die opgeroepen worden
door
alle Oosterse namen of beelden. In China, naast wat het gemeen heeft
met de
rest van Zuid-Azië, ben ik als de dood voor de zeden en gewoonten en
vormt,
door een dieper gevoel dan ik ontleden, absolute afkeer en gebrek aan
medegevoel een obstakel tussen ons. Ik zou nog eerder kunnen leven
tussen
gekken en wilde dieren. Dit alles en nog veel meer dan ik kan zeggen of
waar ik
de tijd voor heb, moet de lezer op zich in laten werken, voordat hij de
onvoorstelbare gruwel kan begrijpen, die deze Oosterse droombeelden en
mythologische kwellingen mij inboezemden. Onder het gelijktijdige
gevoel van
tropische hitte en loodrecht vallend zonlicht, verzamelde ik alle
schepsels,
vogels, wilde dieren, reptielen, alle bomen en planten, gebruiken en
verschijnselen, die aangetroffen worden in alle tropische streken, en
bracht ze
samen in China of Hindoestan. Uit soortgelijke gevoelens schaarde ik
Egypte en
al zijn goden onder dezelfde wet. Apen, parkieten en kaketoes staarden
me aan,
jouwden me uit en kwetterden over me. Ik rende pagodes binnen en bleef
eeuwenlang opgesloten zitten in de nok of geheime vertrekken: ik was de
afgod;
ik was de priester; ik werd aanbeden; ik werd geofferd. Ik was op de
vlucht,
door alle wouden van Azië heen, voor de gramschap van Brahma: Vishnoe
haatte
me: Shiva loerde op me. Plotseling liep ik Isis en Osiris tegen het
lijf: ze
zeiden dat ik iets had gedaan waarvoor ibis en krokodil huiverden.
Duizend jaar
lang lag ik begraven in stenen doodskisten, samen met mummies en
sfinxen, in bedompte
vertrekken in het hart van eeuwige piramiden. Met kankerzoenen werd ik
gekust
door krokodillen; en verstrikt in slijmerigheden lag ik in riet en
modder van
de Nijl.
Hiermee
geef
ik
de
lezer
enig
idee
van
mijn
oosterse
dromen, die mij met hun
monsterachtige taferelen altijd zo verbijsterden, dat het afgrijzen
daardoor
even verzwolgen werd. Vroeg of laat kenterde dat gevoel en verzwolg dan
de
verbijstering, en liet mij door wat ik zag niet zozeer achter in
afgrijzen,
maar in haat en weerzin. Over elke vorm, bedreiging, straf en sombere
onzichtbare opsluiting, hing een vaag gevoel van eeuwigheid en
oneindigheid,
dat mij zo neerslachtig maakte dat ik er bijna gek van werd. Alleen in
die
dromen, met een of twee uitzonderingen, drong een fysiek afgrijzen
binnen. Alle
voorgaande verschrikkingen waren moreel en geestelijk geweest. Maar
hier waren
de belangrijkste kwelgeesten afzichtelijke vogels, slangen of
krokodillen;
vooral de laatsten. Van de vervloekte krokodil werd ik banger dan van
heel de
rest. Ik werd gedwongen met hem samen te leven en dat (zoals het in
vrijwel al
mijn dromen het geval was) eeuwenlang. Soms ontsnapte ik en kwam dan
terecht in
Chinese huizen met rotantafels, enz. Alle tafel- en stoelpoten kwamen
meteen
tot leven: de afschuwelijke kop van de krokodil, met zijn kwaadaardige
blik,
keek mij duizendvoudig vermenigvuldigd aan; en walgend en gefascineerd
sloeg ik
hem gade. En dat huiveringwekkende dier spookte zo vaak rond in mijn
dromen,
dat dezelfde droom herhaaldelijk op precies dezelfde manier eindigde:
ik hoorde
dan lieve stemmetjes iets tegen me zeggen (als ik slaap hoor ik alles)
en werd
meteen wakker. Het is midden op de dag en mijn kinderen staan hand in
hand bij
mijn bed —ze komen mij hun gekleurde schoentjes laten zien, hun nieuwe
jasjes
of wat ze aan hebben om naar buiten te gaan. Ik verzeker u dat de
overgang van
die vervloekte krokodil en de andere onbeschrijfelijke monsters en
wangedrochten uit mijn dromen, naar de aanblik van onschuldige
menselijke
wezens, de kinderen, zo vreselijk was dat ik moest huilen bij die
geweldige en
plotselinge omschakeling van mij gemoedstoestand en niet kon nalaten
hun
gezichtjes te kussen.
Juni
1819
In
meerdere perioden in mijn leven heb ik gemerkt dat de dood van mensen
die wij
liefhebben en eigenlijk het nadenken over de dood in het algemeen, ‘s
zomers (cæteris
paribus) ingrijpender is dan in elk ander seizoen. In mijn ogen
zijn daar
drie redenen voor aan te wijzen: ten eerste dat het zichtbare
uitspansel ‘s
zomers veel hoger, veel verder lijkt, en (vergeef me de ongepastheid)
oneindiger; de wolken, waarmee het oog hoofdzakelijk de afstand van de
boven
ons hoofd gewelfde blauwe koepel inschat, zijn ’s zomers omvangrijker,
opeengepakter en opeengehoopt in veel grootsere en hoger oprijzende
stapels.
Ten tweede zijn licht en beeld van ondergaande en opkomende zon veel
geschikter
om de aard en hoedanigheid van het Oneindige aan te geven. En ten derde
(de
belangrijkste reden), vestigt de uitbundige en losbandige kwistigheid
van het
leven als vanzelfsprekend de aandacht van de gedachten sterker op het
tegenstrijdige met de dood en winterse onvruchtbaarheid van het graf.
Want over
het algemeen kan opgemerkt worden dat, overal waar twee denkbeelden met
elkaar
in verband staan door middel van de wet van tegenstrijdigheid en als
het ware
bestaan doordat ze elkaar wederzijds afstoten, zij de neiging vertonen
elkaar
op te roepen. Daarom kan ik onmogelijk het denken aan de dood van mij
afzetten,
als ik in mijn eentje rondwandel in de eindeloze zomerdagen; en elk
sterfgeval,
spookt in ieder geval in dat seizoen hardnekkiger en onbedwingbaarder,
zo niet aangrijpender,
rond in mijn hoofd. Misschien is deze reden, naast een voorvalletje
waar ik het
niet over zal hebben, de onmiddellijke aanleiding geweest voor de
volgende
droom, waarvoor echter altijd een aanleg moet zijn geweest in mijn
brein; maar
eenmaal gewekt verliet die droom mij nooit meer en viel uiteen in
duizenden
verschillende fantastische beelden, die zich vaak opeens weer
samenvoegden en
opnieuw de oorspronkelijke droom vormden.
Ik
geloof dat het een zondagmorgen in mei was, Paaszondag denk ik, en nog
heel
vroeg in de ochtend. Ik stond volgens mij in de deuropening van mijn
huisje.
Recht voor me strekte het landschap zich uit, dat in werkelijkheid door
dat
gegeven bepaald werd, maar dan zoals gebruikelijk geïdealiseerd en
plechtig
gemaakt door de intensiteit van de droom. Daar lagen dezelfde bergen en
aan hun
voet hetzelfde fraaie dal; maar de bergen verhieven zich hoger dan de
Alpen en
tussen hen in bevonden zich veel weidsere weiden en bosarealen; de
heggen waren
overvloedig bedekt met witte rozen en er was geen levend wezen te
bekennen,
behalve dat er op de groene kerkhof koeien lagen te rusten op de met
gras
bedekte graven en in het bijzonder in de buurt van het graf van een
kind waar
ik erg veel van gehouden had, precies zoals ik ze, diezelfde zomer even
voor
zonsopgang, gezien had toen het kind stierf. Ik staarde naar het
bekende
tafereel en zei hardop (naar ik dacht) tegen mijzelf, “de zon moet nog
wat
verder rijzen en het is Paaszondag; en dat is de dag waarop ze de
eerste
vruchten vieren van de Verrijzenis. Ik ga er op uit; vandaag zal het
oud zeer
vergeten worden, want het is koel en rustig, de heuvels zijn hoog en
rijzen tot
aan de hemel; de open plekken in het bos zijn even rustig als het
kerkhof en
met de dauw kan ik de koorts van mijn voorhoofd wissen en dan zal ik
niet
langer ongelukkig zijn.” En ik keerde me om, alsof ik mijn tuinhek open
wilde
maken en op datzelfde moment zag ik links van me een heel ander
tafereel, dat
echter door de kracht van dromen in overeenstemming gebracht was met
het
andere. Het was een Oosters schouwspel en ook daar was het Paaszondag
en heel
vroeg in de ochtend. En als een vlek aan de horizon waren heel in de
verte
daken en koepels zichtbaar van een grote stad — een beeld of flauwe
abstractie
van een afbeelding van Jeruzalem, dat ik misschien ooit in mijn jeugd
had
gezien. En nog geen boogscheut van mij af zat een vrouw op een steen,
in de
schaduw van Judese palmbomen, en ik keek, en het was — Ann! Ze keek me
aan met
een ernstige blik en ten slotte zei ik tegen haar: “Eindelijk heb ik je
dus
gevonden.” Ik wachtte, maar ze zei geen woord. Haar gezicht was nog
hetzelfde
als toen ik haar voor het laatst zag, en toch hoe anders! Zeventien
jaar
geleden kuste ik haar voor de laatste keer, terwijl het licht van de
lantaarns
op haar gezicht viel (lippen, Ann, die voor mij niet bezoedeld waren),
en de
tranen uit haar ogen stroomden; de tranen waren nu afgewist; ze leek
mooier dan
ze destijds was, maar wat al het andere betreft hetzelfde en niet
ouder. Haar
blik was sereen, maar met een ongewoon plechtige uitdrukking en ik
staarde haar
aan met een zeker ontzag; maar opeens werden haar gelaatstrekken wazig
en toen
ik mij naar de bergen keerde zag ik dat er nevelslierten tussen ons in
stroomden. Plotsklaps was alles verdwenen, een dichte duisternis rukte
op en in
een oogwenk was ik ver van de bergen en wandelde ik weer, samen met
Ann, bij
het licht van de lantaarns in Oxford-street — zoals we daar zeventien
eerder
hadden gelopen, toen we allebei nog kinderen waren.
Als
laatste voorbeeld zal ik gewag maken van een andersoortig voorval uit
1820.
De
droom begon met muziek die ik toen vaak hoorde in mijn dromen —muziek
als
inleiding en bewust worden van spanning, muziek als het begin van
Händels
Kroningsmotet, die op dezelfde wijze het idee geeft van een grote
optocht, van
een eindeloos in rijen afmarcherende ruiterstoet en het opmarcheren van
talloze
legers. De morgen van een doorslaggevende dag was aangebroken — een dag
van
crisis en laatste hoop voor de mensheid, die toen gebukt ging onder een
geheimzinnige aftakeling en angstig tot het uiterste voortploeterde.
Ergens, ik
weet niet waar — op een of andere manier, ik weet niet hoe — werd door
bepaalde
mensen, ik weet niet wie — een veldslag, een strijd, een gevecht op
leven en
dood gevoerd, dat zich ontwikkelde als een immens drama of muziekstuk,
waarvoor
mijn begrip des te ondraaglijker was omdat ik geen flauw benul had van
waar en
waarom het plaatsvond en van de aard en mogelijke uitkomst ervan. Zoals
gewoonlijk in dromen (waarin wij onszelf noodzakelijkerwijs tot
middelpunt
maken van elke beweging) had ik de zeggenschap, en toch weer niet, om
er een
einde aan te maken. Ik had die wel, als ik mijzelf ertoe kon zetten het
te
willen; en toch had ik die zeggenschap niet omdat er een gewicht van
twintig
Atlantische oceanen op mij drukte of de last van een niet meer goed te
maken
schuld. “Dieper dan ooit een schietlood kan peilen,” lag ik daar
onbeweeglijk.
Als het inzetten van een koorzang werd het allemaal nog
hartstochtelijker. Er
stond een groter belang op het spel, iets machtigers dan ooit door het
zwaard
was verdedigd, of de trompet had verkondigd. Plotseling klonken er
strijdsignalen, renden ontelbare vluchtende mensen sidderend heen en
weer — ik
wist niet met goede of kwade bedoelingen, duisternis en lichten,
wervelstorm en
menselijke gezichten, en uiteindelijk, met het gevoel dat alles
verloren was,
vrouwelijke gedaanten en gelaatstrekken die mij alles ter wereld waard
waren,
maar slechts een moment vergund — handen die elkaar vastgrepen en
hartverscheurende scheidingen, en toen — afscheid voor eeuwig! En met
een
zucht, zoals de krochten van de Hel zuchtten toen de incestueuze moeder
de
verafschuwde naam van de Dood uitsprak, weerkaatste het geluid —
afscheid voor
eeuwig! En weer en steeds weer weerkaatste het — afscheid voor eeuwig!
En
tegenspartelend werd ik wakker en riep hardop — “Ik wil nooit meer
slapen.”
Maar
nu
voel
ik
mij
genoodzaakt
het
al
tot
een
onredelijke lengte uitgedijde
relaas
af te sluiten. Als de grenzen wat ruimer hadden gelegen, zou het
materiaal dat
ik gebruikt heb misschien beter tot zijn recht gekomen zijn en het
toevoegen
van veel van wat ik niet gebruikt heb zou doeltreffend hebben kunnen
zijn. Maar
misschien is het zo wel genoeg geweest. Rest mij nog dat ik iets zou
moeten
zeggen over de manier waarop dit treffen der verschrikkingen
uiteindelijk een
beslissend stadium bereikte. De lezer begrijpt al (uit een passage in
het begin
van de inleiding bij het eerste deel) dat de Opiumslikker op een of
andere
manier “de vervloekte keten die hem gevangen hield bijna tot de laatste
schakel
heeft losgemaakt.” Hoe? Dat te verhalen volgens de oorspronkelijke
opzet, zou
de ruimte die mij nu ter beschikking staat ver te buiten zijn gegaan.
Gelukkig
is de reden om het verhaal in te korten zo dwingend, want bij nader
inzien voel
ik er uitermate weinig voor om de lading van het verhaal geweld aan te
doen met
van die nietszeggende details, een verhaal dat een beroep doet op de
voorzichtigheid en het geweten van de nog niet verstokte opiumslikker —
of
zelfs maar (hoewel dat een zeer ondergeschikte overweging is) het
effect van de
compositie te verkrachten. De belangstelling van de oordeelkundige
lezer zal
zich niet in de eerste plaats richten op het punt van het boeiende van
de
bekoringen, maar op het overweldigende van het wat daar boeiend aan is.
Niet de
Opiumslikker, maar de opium is de ware held van het verhaal en het
terechte
middelpunt waar de aandacht omheen draait. De bedoeling was het tonen
van de
wonderbaarlijke werking van opium, hetzij voor genot, hetzij voor pijn:
als dat
klaar is, is de voorstelling afgelopen.
Omdat
sommige
mensen
echter,
ondanks
alles
wat
tot
het
tegenovergestelde
maant,
zullen blijven vragen wat er van de Opiumslikker terecht is gekomen en
hoe het
nu met hem gaat, zal ik namens hem als volgt antwoorden: de lezer weet
inmiddels
dat opium al lang niet meer zijn heerschappij baseerde op verlokking
tot genot;
alleen maar door middel van kwellingen die onlosmakelijk verbonden
waren met de
pogingen het af te zweren, hield het hem nog in zijn greep. En omdat
het niet
afzweren van een dergelijke tiran met andere kwellingen gepaard ging,
en niet
minder dan misschien gedacht zou kunnen worden, bleef er slechts het
kiezen
tussen twee kwaden over; en dan kan het beste het kwaad gekozen worden
dat,
hoewel gruwelijk op zichzelf, het vooruitzicht biedt op een
uiteindelijk weer
gelukkig worden. Dat lijkt juist, maar logisch redeneren gaf de
schrijver niet
de kracht om daarmee overeenkomstig te handelen. Maar toen kwam er een
keerpunt
in het leven van de schrijver en ook voor anderen die hem nog
dierbaarder waren
— en voor hem altijd veel dierbaarder zullen zijn dan zijn eigen leven,
zelfs
nu het weer een gelukkig leven is. Ik begreep dat ik dood zou gaan als
ik
doorging met opium. Daarom besloot ik, als dat nodig zou zijn, dan weer
te
sterven bij de poging mij daarvan te bevrijden. Hoeveel ik op dat
moment innam,
kan ik niet zeggen, want de opium die ik gebruikte werd voor mij
gekocht door
een vriend, die mij achteraf weigerde hem te laten betalen, zodat ik
niet eens te
weten kon komen hoeveel ik dat jaar heb gebruikt. Ik ben echter bang
dat ik het
heel regelmatig nam en dat het tussen de ongeveer drie à vier en tien
gram per
dag lag. Mijn eerste zorg was het terug te brengen naar tweeëneenhalf,
anderhalf en zo snel als ik kon naar 1 gram.
Ik
won. Maar denk niet, lezer, dat daarmee mijn kwellingen ten einde
waren, en
denk ook niet dat ik bij de pakken neerzat. Zie me als iemand die,
zelfs na
vier maanden, nog steeds opgewonden, bevend, aangedaan en ontredderd
was en
zich misschien wel in de situatie bevond van iemand die op de pijnbank
was
gelegd, zoals ik mij de kwellingen van die toestand herinner uit het
schokkende
verslag daarover dat geschreven is door een geheel onschuldig
slachtoffer [21]
uit de tijd van James I. Intussen vond ik geen enkele baat bij welk
medicijn
dan ook, behalve bij een dat mij voorgeschreven was door een zeer
uitmuntende
Edinburgse arts, namelijk valeriaantinctuur. Daarom heb ik op medisch
gebied
weinig te melden over mijn bevrijding en zelfs dat weinige, waarmee
iemand die
zo weinig op de hoogte is van dat gebied als ik, is iets dat
waarschijnlijk
alleen maar mensen in verwarring zou brengen. Het zou hoe dan ook
misplaatst
zijn in dit geval. De moraal van dit relaas is bestemd voor de
opiumslikker en
daarom noodzakelijkerwijs beperkt in zijn toepasbaarheid. Als hij
geleerd heeft
bang te zijn en te beven, is het voldoende zinvol geweest. Hij zou
echter
kunnen zeggen dat de afloop van mijn geval op zijn minst een bewijs is
dat
opium, na zeventien jaar slikken en acht jaar misbruik maken van zijn
mogelijkheden, nog steeds afgezworen kan worden en dat hij de
zaak
energieker aan zou pakken dan ik, of dat hij met een sterker gestel dan
het mijne
hetzelfde resultaat kan bereiken met minder moeite. Dat kan best. Ik
durf de
inspanningen van anderen niet af te meten aan mijn eigen. Ik wens hem
van harte
meer kracht toe. Ik wens hem hetzelfde succes. Maar zelf had ik
motieven die
buiten mijzelf lagen, die hij helaas misschien niet heeft en die mij
gewetensvolle steun boden, terwijl louter eigenbelang een door opium
afgestompt
brein die niet kunnen bieden.
Jeremy
Taylor
vermoedt
dat
het
misschien
even
pijnlijk
is
om
te sterven als om
geboren
te worden. Ik denk dat dat waarschijnlijk waar is; en tijdens de hele
periode
van het minderen van opium onderging ik de kwellingen die iemand
meemaakt die
van de ene manier van leven naar een andere gaat. Het liep niet uit op
doodgaan, maar op een soort lichamelijke wedergeboorte; en ik kan
daaraan
toevoegen dat ik sindsdien, bij tussenpozen, meer dan een herstel van
mijn
jeugdige levenskracht heb ervaren, hoewel dat plaatsvond onder de druk
van
ellende, die ik in een minder gelukkige geestestoestand, rampen had
genoemd.
Rest
nog
één
aandenken
uit
mij
vroegere
toestand
—
mijn
dromen zijn nog niet
volmaakt
tot rust gekomen; de angstige deining en opwinding van de storm zijn
nog niet
helemaal weggeëbd; de legioenen die in mijn dromen hun kampement hadden
opgeslagen trekken zich terug, maar zijn nog niet allemaal verdwenen;
mijn
slaap is nog steeds onrustig en zoals onze eerste voorouders vanuit de
verte de
poorten van het paradijs ontwaarden, zijn ze nog steeds (in de
schitterende zin
van Milton):
“Vol drommen angstaanjagende tronies en
vlammende
zwaarden.”
AANHANGSEL
Uit
het “London Magazine” van december 1822.
Onze
toezegging
van
een
Derde
Deel
zal,
door
de
belangstelling
die is gewekt door de
twee artikelen met die titel in onze nummers van september en oktober
1821, in
de herinnering van onze lezers levendig gebleven zijn. Dat wij nog
steeds niet
die afspraak hebben kunnen nakomen in haar oorspronkelijke opzet, zal
ongetwijfeld even spijtig zijn voor hen als voor ons, vooral als ze het
volgende aangrijpende verhaal hebben gelezen. Het is geschreven met de
bedoeling dat het toegevoegd zal worden aan een uitgave van de
Bekentenissen in
een aparte aflevering, die voor het publiek al te koop is; wij hebben
het in
zijn geheel afgedrukt, zodat al onze abonnees kunnen beschikken over
dit hele
buitengewone verhaal.
* * * * *
Nu
de eigenaars van dit kleine boekje besloten hebben tot een herdruk,
lijkt het
wenselijk een en ander te verduidelijken, gezien het niet verschijnen
van een
derde deel dat toegezegd was in het London Magazine van
afgelopen December;
en temeer omdat de eigenaars, die hadden ingestaan voor die toezegging,
anders
misschien betrokken zouden worden in de aantijging die — min of meer —
te maken
heeft met dat niet nakomen. Die kritiek betrekt de schrijver, heel
terecht, op
zichzelf. Wat de mate van schuld is die hij zodoende op zich neemt is
naar zijn
mening een zeer duistere zaak, waarop al die meesters in spitsvondige
argumenten, die hij in dezen geraadpleegd heeft, niet veel licht konden
werpen.
Enerzijds is men het er in het algemeen over eens dat een belofte
omgekeerd
evenredig bindend is met het aantal mensen dat die belofte is gedaan;
dat is de
reden waarom we zien dat veel mensen zonder gewetensbezwaren beloften
verbreken, die een heel volk zijn gedaan, dat religieus blijft geloven
in alle
eigen afspraken, terwijl het verbreken van een belofte aan een
machtiger
iemand, levensgevaarlijk is; anderzijds zijn zijn lezers de enige
betrokkenen,
die belang hebben bij de beloften van een schrijver, en daarom is het
bij elke
schrijver een teken van bescheidenheid om zo weinig mogelijk te geloven
— of
misschien valt er maar een enkel iets te bedenken, in welk geval elke
belofte morele
heilige verplichtingen oplegt. Nu die spitsvondige argumenten van de
hand
gewezen zijn, stelt de schrijver zich echter toegeeflijk op jegens
iedereen die
zichzelf gegriefd voelt door zijn uitstel, door het hierna volgende
relaas over
zijn eigen toestand, vanaf het einde van afgelopen jaar, toen de
afspraak werd
gemaakt, tot bijna dit moment. Om zichzelf vrij te pleiten zou het
voldoende
zijn te vertellen dat ondraaglijk lichamelijk lijden hem totaal
ongeschikt maakte
voor vrijwel elke geestelijke inspanning, met name als er iets van hem
geëist
werd, waarvoor een aangename en blijmoedige gemoedstoestand een
voorwaarde is;
maar omdat het een geval betreft dat verder uitgewerkt is dan in het
verleden ooit
onder de aandacht van vakmensen is gebracht, en mogelijk een beetje kan
bijdragen aan de medische geschiedenis van opium, is hij van mening dat
het
misschien voor sommige lezers welkom is als het uitvoeriger beschreven
wordt. Fiat
experimentum in corpore vili (vert.: een experiment moet je
uitvoeren op
een waardeloos lichaam) is een juiste regel als er enig redelijk
vooruitzicht
op is dat het op grote schaal voordelen oplevert. Wat dat voordeel dan
is zal
aan twijfel onderhevig zijn, maar over de waarde van het lichaam valt
niet te
twijfelen; want de schrijver is zo vrij te bekennen dat geen enkel
lichaam
waardelozer is dan het zijne. Hij is zo hoogmoedig te geloven dat dat
het summum
is van een laaghartig, krankzinnig en verachtelijk menselijk geheel,
dat amper
bedoeld kan zijn om het meer dan twee dagen uit te houden op zee, onder
de
gewone stormen en beslommeringen van het leven; en als dat in feite de
loffelijke manier zou zijn om van menselijke lichamen af te komen, moet
hij
bekennen dat hij zich er bijna voor zou schamen om zijn armzalige
lichaam aan
een fatsoenlijke hond te vermaken. Ten aanzien van het geval zal de
schrijver,
om het steeds weer omslachtig herhalen van omschrijvingen te vermijden,
het
verhaal in de eerste persoon vertellen.
* * * * *
Degenen
die
de
Bekentenissen
hebben
gelezen
zullen
het
boekje
dichtgeslagen
hebben
met
de indruk dat ik de opium helemaal had afgezworen. Deze indruk wilde ik
graag
overbrengen en wel om twee redenen: op de eerste plaats omdat alleen al
het doelbewust
opschrijven van een ellendige toestand noodzakelijkerwijs veronderstelt
dat de
schrijver in staat is zijn eigen geval te bezien als een afstandelijke
toeschouwer en over een voldoende mate van geestkracht beschikt om dat
adequaat
te beschrijven, wat niet zou stroken met iemand die spreekt vanuit de
situatie
van waarin hij daadwerkelijk lijdt. Op de tweede plaats, omdat ik van
de enorme
hoeveelheid van 8.000 druppels was geminderd tot een
(verhoudingsgewijs) kleine
hoeveelheid van tussen de 300 en 160 druppels, en daarom best zou
kunnen denken
dat de overwinning echt was behaald. Door mijn lezers dus de indruk te
geven
dat ik een genezen opiumslikker was, deed ik alleen wat ik zelf ook
vond; en,
zoals zal blijken, was zelfs die indruk alleen maar af te leiden uit de
algemene strekking van de conclusie en niet uit bepaalde woorden, die
in geen
geval in tegenspraak zijn met de letterlijke waarheid. Niet lang nadat
die
verhandeling was geschreven, kreeg ik het gevoel dat de nog te leveren
inspanning me veel meer energie zou kosten dan ik had voorzien, terwijl
de
noodzaak om het toch te doen elke maand duidelijker werd. In het
bijzonder werd
ik mij bewust van een toenemende gevoelloosheid of een verminderde
gevoeligheid
van mijn maag en ik bedacht dat dat zou kunnen betekenen dat zich in
dat orgaan
een kankergezwel had gevormd of aan het vormen was. Een vooraanstaand
arts, aan
wie ik voor zijn vriendelijkheid zeer veel verschuldigd ben, vertelde
me dat in
mijn geval een dergelijke afloop niet onmogelijk was, hoewel dat
waarschijnlijk
verhinderd zou worden door een ander afloop, als ik door zou gaan met
het
gebruiken van opium. Daarom besloot ik de opium af te zweren, zo gauw
ik het
gevoel zou hebben dat ik me vrij genoeg voelde om mijn gehele aandacht
en
energie aan dat doel te wijden. Het duurde echter tot 24 juni voordat
zich een
aanvaardbare samenloop van omstandigheden voordeed voor een dergelijke
poging.
Op die dag begon ik met mijn experiment, nadat ik mij eerst vast had
voorgenomen door te zetten en “het te redden” onder bedreiging van alle
mogelijke “straffen.” Ik moet vooropstellen dat mijn gewone rantsoen
maandenlang 170 tot 180 druppels was geweest; af en toe had ik dat
opgevoerd
tot wel 500, en een keer bijna 700 druppels; en herhaaldelijk was ik,
als
inleiding op mijn laatste experiment, ook gezakt tot 100 druppels; maar
ik had
gemerkt dat ik dat onmogelijk langer dan vier dagen vol kon houden —
wat ik
overigens altijd moeilijker heb gevonden dan elk van de voorafgaande
drie dagen.
Ik begon rustig aan — drie dagen lang 130 druppels per dag; op de
vierde dook
ik in een klap naar 80. De ellende die ik nu te verduren kreeg deed mij
meteen
“een toontje lager zingen” en ongeveer een maand lang bleef ik bij tijd
en wijle
rond dat niveau hangen; daarna zakte ik tot 60 en de dag daarop tot —
helemaal
niets meer. Dat was de eerste dag in bijna tien jaar dat ik het zonder
opium
had gedaan. Ik hield dat negentig uur vol, dat wil zeggen, meer dan een
halve
week. Daarna nam ik — vraag me niet hoeveel; zeg het maar,
scherpslijpers, wat
zouden jullie gedaan hebben? Daarna hield ik er weer mee op — nam
vervolgens 25
druppels en stopte weer, enzovoort.
Ondertussen
waren
de
symptomen,
die
mijn
geval
gedurende
de
eerste
zes weken van mijn
experiment vergezelden, de volgende: enorme prikkelbaarheid en
opwinding van
het hele gestel; vooral de maag verkreeg opnieuw haar hele vitaliteit
en
gevoeligheid, maar was vaak zeer pijnlijk; dag en nacht een
onafgebroken
rusteloosheid; slaap — ik wist nauwelijks wat dat was; ik sliep hooguit
drie
van de vierentwintig uur en dan nog zo onrustig en licht dat ik elk
geluid om
mij heen hoorde. Onderkaak doorlopend gezwollen, zwerende mond en nog
veel
andere verontrustende symptomen, te saai om allemaal op te sommen; ik
moet er
echter nog één vermelden, omdat elke poging om met de opium te stoppen
daar
onherroepelijk mee gepaard ging — namelijk hevige niesbuien. Dat werd
nu
buitengewoon hinderlijk, duurde soms twee uur achter elkaar en keerde
minstens
twee of drie keer per dag terug. Ik was daar niet erg verbaasd over,
omdat ik
mij herinnerde dat ik ergens gehoord of gelezen had dat het slijmvlies
dat de
neus bekleed, het verlengde is van dat van de maag; daaruit kunnen
volgens mij
ook de ontstekingsverschijnselen rond de neusgaten van jeneverdrinkers
verklaard worden. Ik veronderstel dat het ook plotselinge herstel van
de
gevoeligheid van de maag daarin tot uiting kwam. Verder is het
opmerkelijk dat
ik, in al die jaren dat ik opium heb gebruikt, nooit kou heb gevat
(zoals de
uitdrukking luidt), zelfs niet de lichtste verkoudheid. Maar nu werd ik
getroffen door een hevige verkoudheid en kort daarop begon ik te
hoesten. In
een passage van een onvoltooid gebleven brief, waaraan ik in die tijd
was
begonnen — lees ik de volgende woorden: “Je vraagt me een antwoord —
Ken je het
toneelstuk ‘Thierry en Theodore’ van Beaumont en Fletcher? Dat gaat
over mijn
slaapprobleem, en het is niet eens erg aangedikt. Ik bezweer je dat er
op dit
moment meer gedachten in mij op komen in een uur, dan in een heel jaar
onder
het juk van opium. Het lijkt alsof alle gedachten die door de opium een
tiental
jaren ingevroren waren nu, zoals het in de oude sprookje luidt (vert.:
De
Sneeuwkoningin), opeens waren ontdooid — zoveel stromen er van alle
kanten bij
mij binnen. Toch zijn mijn ongeduld en vreselijke prikkelbaarheid zo
groot dat
voor één gedachte die ik kan vasthouden er vijftig aan me ontsnappen:
ondanks
mijn vermoeidheid door de kwellingen en het gebrek aan slaap, kan ik
geen twee
minuten aaneen stil blijven staan of zitten. ‘I nunc, et versus tecum
meditare canoros.’” (Ga nu en
overdenk uw welluidende
verzen, (Horatius,
Epist. 2.2.76)
In
dit stadium van mijn experiment stuurde ik iemand naar een dokter in de
buurt,
met het verzoek mij op te komen zoeken. Die avond kwam hij en nadat ik
hem in
het kort de zaak had uitgelegd, vroeg ik hem of hij dacht dat de opium
misschien als een prikkel had gewerkt voor de spijsverteringsorganen en
dat de
huidige maagklachten, die duidelijk de oorzaak waren van het niet
kunnen
slapen, door indigestie zouden kunnen komen? Zijn antwoord was: nee;
hij dacht
juist dat de klachten veroorzaakt werden dóór indigestie, wat
natuurlijk een
onbewust gebeuren is, maar dat de, door het zo lang gebruiken van opium
teweeggebrachte, onnatuurlijke toestand van de maag nu duidelijk
voelbaar was
geworden. Dat was een aannemelijke verklaring en het onafgebroken
karakter van
de pijn bracht mij ertoe te denken dat het waar was, want als het
gewoon een ongelijkmatige
aandoening van de maag was geweest, zou het natuurlijk steeds even
ophouden en in
hevigheid op en neer gaan. Zoals blijkt uit de gezonde toestand, is het
kennelijk de bedoeling van de natuur dat we geen aandacht schenken aan
al onze
levensfuncties, zoals de bloedsomloop, het uitzetten en samentrekken
van de
longen, de peristaltiek van de maag, enz., en lijkt het dat opium
daarbij, net
als in andere gevallen, de bedoelingen van de natuur tegenwerkt. Op
aanraden
van de arts probeerde ik maagbitter. Dat verlichtte even de
pijn waaronder
ik gebukt ging, maar rond de tweeënveertigste dag van het experiment
begonnen
de zojuist vermelde symptomen te verdwijnen en traden er nieuwe op,
andersoortig en veel pijnlijker; sindsdien heb ik daar, afgezien van
een paar
perioden waarin het minder was, doorlopend onder te lijden gehad. Maar
ik zal
dat allemaal niet beschrijven, om twee redenen: ten eerste, omdat mijn
geest in
opstand komt tegen het weer uitvoerig oprakelen van kwellingen die nog
maar zo
kort achter de rug zijn. Dit uitvoerig genoeg doen om deze terugblik
enige zin
te geven zou in feite infandum [regina, iubes] renovare dolorem
(vert.: [Koningin,
gij dwingt mij] de pijn weer op te rakelen, Vergilius, Aeneiden)
betekenen en
mogelijk zonder voldoende reden; want ten tweede betwijfel ik of deze
laatste
toestand eigenlijk wel te wijten is aan de opium — positief of zelfs
maar
negatief gezien; dat wil zeggen, of het gerekend kan worden onder de
laatste
klachten van de rechtstreekse werking van opium, of gewoon onder de
eerdere
klachten, als gevolg van de behoefte aan opium, in een door het
gebruik
daarvan al lang ontregeld gestel. Een deel van de symptomen kan
ongetwijfeld
toegeschreven worden aan de tijd van het jaar (augustus), want hoewel
het geen
warme zomer was, maakte in ieder geval alle warmte bij elkaar (als je
dat zo
zou kunnen zeggen) van de voorafgaande maanden, gevoegd bij de warmte
van die
maand, van augustus uiteraard de warmste periode van het jaar; en zo
gebeurde
het dat de buitengewoon hevige transpiratie — die zelfs met de
kerstdagen
leidde tot een grote afname van de dagelijkse hoeveelheid opium en in
juli zo
hevig was dat ik me gedwongen voelde vijf of zes maal per dag een bad
te nemen,
— bij het begin van het warmste seizoen volledig was verdwenen,
waardoor het
effect van het nemen van een bad op de warmte des te beter was. Een
ander
verschijnsel — namelijk wat ik in mijn onwetendheid inwendige reumatiek
noem
(soms in de schouders, enz., maar vaker in de maag leek te zitten) —
leek ook
minder waarschijnlijk toe te schrijven aan de opium, of een tekort aan
opium,
dan aan de vochtigheid van het huis [22] dat ik bewoon, die rond die
tijd op
het ergst was, omdat juli zoals gewoonlijk een maand was geweest waarin
het
onophoudelijk had geregend, in ons regenachtigste deel van Engeland.
Omdat
dat
de
redenen
zijn
van
mijn
twijfel
aan
het
feit of opium enig verband
hield
met de latere toestand van mijn lichamelijke ellende — behalve
misschien als bijkomende
oorzaak, waardoor mijn lichaam zwakker en zieker was geworden en dus
bevattelijker
voor elke slechte invloed — wil ik mijn lezer elke beschrijving daarvan
besparen; hij moet dat maar vergeten en ik zou wel willen dat ik het
even
gemakkelijk uit mijn eigen herinnering kon verwijderen, zodat al die
nog
komende uren van rust niet verstoord zullen worden door een te levendig
beeld
van wat er aan menselijke ellende mogelijk is!
Tot
zover de nasleep van mijn experiment. Wat betreft het eerdere stadium,
waarin
het experiment waarschijnlijk plaatsvond, en de toepasselijkheid op
ander gevallen,
moet ik mijn lezer verzoeken de redenen maar te vergeten, waarom ik het
op heb
geschreven. Dat waren er twee: de eerste is dat ik dacht dat ik
misschien iets
zou kunnen toevoegen aan de geschiedenis van opium als medicijn.
Daarbij besef
ik dat ik op geen enkele manier voldaan heb aan mijn eigen
doelstellingen, ten
gevolge van mijn eigen futloosheid, lichamelijke pijn en de vreselijke
afkeer van
het onderwerp, die mij achtervolgden bij het schrijven van dat gedeelte
van de
verhandeling, dat niet gecorrigeerd of verbeterd kon worden omdat het
meteen
naar de drukker was gestuurd (ongeveer vijf mijl verderop). Maar uit
dit
verslag, hoe onsamenhangend het ook is, blijkt duidelijk dat de mensen
die het
meest geïnteresseerd zijn in het opiumverhaal, namelijk de
opiumslikkers in het
algemeen, daar veel aan kunnen hebben; dat het, als troost en
bemoediging,
aantoont dat je, door het vrij snel [23] te minderen, van opium af kunt
komen, met
ook nog minder ellende dan de gebruikelijke oplossing biedt.
Mijn
allerbelangrijkste
doel
was
het
overbrengen
van
dit
resultaat
van
mijn
experiment. Daarnaast, als bijkomstig doel, wilde ik duidelijk maken
waarom het
voor mij onmogelijk was geworden een Derde Aflevering te schrijven, die
aan
deze nieuwe druk toegevoegd kon worden; want tijdens dit experiment
waren de
proefvellen van deze herdruk vanuit Londen naar mij toegestuurd, maar
het onvermogen
om ze uit te werken of te verbeteren was van dien aard dat ik het niet
eens kon
opbrengen ze voldoende aandachtig door te lezen om de drukfouten eruit
te halen
of onnauwkeurige formuleringen te verbeteren. Dat waren de redenen om
mijn
lezer lastig te vallen met een verhandeling, kort of lang, van de
experimenten
met een zo minderwaardig onderwerp als mijn eigen lichaam; en ik dring
er bij
de lezer op aan dat hij die niet moet vergeten, of mij niet zo verkeerd
begrijpen dat hij mij in staat acht dat ik mij voor een zo onaangenaam
onderwerp leen, ter wille van het onderwerp zelf, of voor iets minder
dan het algemeen
belang van anderen. Ik weet dat er van die misbaksels zijn als de
hypochonder
die alleen maar met zichzelf bezig is; die ben ik zelf wel eens
tegengekomen,
en ik weet dat hij de ergst denkbare heautontimoroumenos (vert.:
zelfkweller)
is;
die
elk
symptoom,
dat
door
de
gedachten
een
andere richting
uit te sturen zou verdwijnen, alleen maar erger maakt en in stand
houdt. Maar
voor mij is de verachting voor die onwaardige en egoïstische gewoonte
zo groot,
dat ik mij daar evenmin toe kan verlagen als mijn tijd verdoen aan het
bespieden
van een arm dienstmeisje, dat ik op dit moment achter mijn huis hoor
vrijen met
een of andere jongen. Moet een Transcendentale Filosoof voor zoiets
soms enige
belangstelling hebben? Of mag verondersteld worden dat iemand, voor wie
het
leven maar achteneenhalf jaar waard is, ook maar tijd heeft voor
dergelijke
onbenullige bezigheden? Ik zal hier niet verder op ingaan, maar nog één
ding
zeggen, dat bij sommige lezers misschien hard aan zal komen, maar ik
weet zeker
dat het dat niet zou moeten doen, gezien de redenen waarom ik het zeg.
Ik ga
ervan uit dat niemand veel van zijn tijd besteed aan door zijn lichaam
vertoonde verschijnselen, zonder zich daar enigszins zorgen over te
maken;
terwijl de lezer dat ziet, voor zover hij de mijne gadeslaat met enige
laatdunkendheid of bezorgdheid, haat ik dat en zie het als iets
belachelijks en
verachtelijks; en het zou me niet onwelgevallig zijn als ik zou weten
dat de
laatste vernederingen die de wet het lichaam van de ergste misdadigers
laat
ondergaan, ook het mijne later ten deel zouden vallen. En als bewijs
dat het
mij ernst is, doe ik het volgende aanbod. Net als andere mensen heb ik
mijn
eigen ideeën over de plek waar ik begraven wil worden; omdat ik
hoofdzakelijk
in bergachtige streken heb gewoond, ben ik gehecht aan het idee dat een
graf op
een begroeid kerkhof te midden van oude en afgelegen heuvels voor een
filosoof
een uitgelezener en rustigere plek is dan in de vreselijke Golgotha’s
van
Londen. Maar als de heren van Surgeons’
Hall denken
dat het onderzoeken van de afwijkingen in het lijk van een opiumslikker
iets
aan hun wetenschap kan bijdragen, hoeven ze maar één woord te zeggen en
dan zal
ik ervoor zorgen dat zij zich van het mijne conform de wet kunnen
verzekeren —
dat wil zeggen, zo gauw ik ermee klaar ben. Ze moeten niet, op grond
van
gewetensbezwaren of valse kiesheid en consideratie met mijn gevoelens,
aarzelen
hun wensen kenbaar te maken; ik bezweer dat ze me een te grote eer
bewijzen door
“demonstraties te geven” op een zo krankzinnig lijf als het mijne, en
het zal
me een plezier doen de postume wraak en belediging tegemoet te zien,
die wordt
aangericht op datgene wat mij in dit leven zoveel ellende heeft
bezorgd. Zulke
nalatenschappen zijn niet gebruikelijk; in veel gevallen is het
aankondigen van
het schenken van erfgoed, dat afhankelijk is van de dood van de
erflater,
inderdaad gevaarlijk. Daarvan vinden we een opmerkelijk voorbeeld bij
de
gewoonten van een Romeinse heerser, die elke keer wanneer hem door
rijke
personen meegedeeld werd dat zij hem in hun testament een aardig
landgoed
vermaakt hadden, bij dergelijke afspraken uitdrukking placht te geven
aan zijn
tevredenheid daarover en van zijn welwillende aanvaarding van
dergelijke van
toewijding getuigende nalatenschappen; maar als de erflaters dan
verzuimden hem
meteen in bezit te stellen van het eigendom, als zij verraderlijk
“bleven
leven” (si vivere perseverarent, zoals Suetonius dat zei),
maakte hem
dat razend en nam hij navenant zijn maatregelen. In die tijd en van een
van de
ergste Caesars, kunnen we een dergelijk gedrag verwachten; maar ik weet
zeker
dat ik hedentendage bij Engelse artsen niet hoef te letten op tekenen
van
ongeduld, of andere gevoelens dan die beantwoorden aan de zuivere
liefde voor
de wetenschap en al haar belangen, die de aanleiding vormt voor mijn
aanbod.
30
September
1822
NOTEN
[1]
“Nog
niet eerder beschreven,” zeg ik; want er is tegenwoordig één
beroemdheid, die,
als alles wat er over hem verteld wordt waar is, mij in kwantiteit
ruimschoots
heeft overtroffen.
[2]
Daar zou misschien nog een derde
uitzondering aan
toegevoegd kunnen worden; en mijn reden om die uitzondering toch niet
toe te
voegen is voornamelijk omdat de schrijver op wie ik zinspeel alleen in
zijn
jeugdwerken uitdrukkelijk filosofische thema’s behandelde; zijn rijpere
vermogens
heeft hij allemaal gewijd (om zeer vergeeflijke en begrijpelijke
redenen, onder
invloed van de huidige koers van de publieke opinie in Engeland) aan
boekrecensies en de Schone Kunsten. Afgezien van die reden, betwijfel
ik echter
of hij niet eerder gezien moet worden als een scherpzinnige dan
spitsvondige
denker. Bovendien is het een groot nadeel voor zijn beheersing van
filosofische
onderwerpen, dat hij kennelijk niet het voordeel heeft genoten van de
gebruikelijke filosofische scholing: hij heeft in zijn jeugd niet Plato
gelezen
(wat zeer waarschijnlijk alleen maar pech was), maar als volwassene
heeft hij
ook niet Kant gelezen (en dat is zijn eigen schuld).
[3]
Ik wijs elke toespeling op nog levende
professoren
van de hand; daar ken ik er maar één van.
[4]
Overigens wendde ik mij ongeveer achttien
maanden
later tot diezelfde jood over dezelfde zaak; en omdat ik in die tijd
net van
een eerbiedwaardige universiteit afkwam, had ik het geluk dat ik hem
zover kon
krijgen serieuze aandacht aan mijn voorstellen te besteden. Mijn kommer
en kwel
was niet voortgekomen uit geldverspilling of jeugdige lichtzinnigheid
(door mijn
gewoonten en de aard van mijn vermaak stond ik daar ver boven), maar
gewoon
door de wraakzuchtige kwaadaardigheid van mijn voogd die, toen hij
merkte dat
hij mij niet langer kon verhinderen naar de universiteit te gaan, als
een
laatste teken van zijn inschikkelijkheid, geweigerd had een papier te
tekenen
dat mij recht gaf op een shilling extra, naast de toelage die ik van de
school
kreeg — namelijk 100 pond per jaar. Van dat bedrag viel er in mijn tijd
nauwelijks te leven op de universiteit en zeker niet door iemand die,
hoewel
hij boven de verachtelijke aanstellerij van demonstratieve minachting
voor geld
stond en geen dure smaak had, echter een beetje teveel op bedienden
vertrouwde
en geen belangstelling had voor de kleine details van een nauwgezette
boekhouding. Ik raakte dus al snel financieel in de problemen en
uiteindelijk
werd mij, na zeer uitgebreide onderhandelingen met de jood (een deel
daarvan
zou mijn lezers zeer vermaken, als ik de tijd zou hebben ze te
herhalen), het
gevraagde bedrag ter beschikking gesteld, onder de “gebruikelijke”
voorwaarde
dat ik de jood over het hele bedrag zeventieneneenhalf procent rente
per jaar
zou betalen; van zijn kant zou Israel niet meer dan ongeveer negentig
guineas
van bovengenoemde bedrag krijgen, volgens een akte van een advocaat
(waar dat
voor diende, aan wie het werd overgemaakt en wanneer, bij de belegering
van
Jeruzalem, de bouw van de tweede Tempel, of een eerdere gelegenheid,
heb ik tot
nu niet kunnen achterhalen). Hoeveel meter die akte lang was ben ik
echt
vergeten; maar ik bewaar die nog steeds in een rariteitenkabinet, en
denk het
te zijner tijd aan te bieden aan het Brits Museum.
[5]
De postkoets naar Bristol is de best
toegeruste in
het hele Koninkrijk, dankzij het dubbele voordeel van een goede weg en
een door
de kooplieden van Bristol gefourneerd extra geldbedrag voor de uitgaven.
[6]
Men zal tegenwerpen dat veel mannen van
de hoogste
rang en rijkdom, zowel in onze tijd als onze hele geschiedenis door, op
het
slagveld het dapperst de gevaren hebben getrotseerd. Dat is waar, maar
daar
gaat het hier niet om; lange tijd omgaan met macht heeft daarvan de
uitwerking
en aantrekkelijkheid gesmoord.
[7]
Thomas Otway, was een Engelse schrijver
(1652 –
1685), In 1678 kreeg hij, wanhopig door een niet beantwoorde liefde, op
voorspraak
van de graaf van Plymouth een aanstelling bij een regiment dat in de
Nederlanden diende. In 1679 werden de Engelse troepen ontbonden, maar
werden
aan hun lot overgelaten en moesten zelf maar zien hoe ze Engeland weer
bereikten. Aan het eind van dat jaar kwam Otway in Londen aan, haveloos
en
vervuild en zonder geld op zak. Een voorbijganger gaf hem, toen hij
hoorde wie
hij was, een guinea, waarmee Otway naar de bakker snelde. Hij schrokte
zo
haastig het brood naar binnen, dat hij in de eerste hap stikte. Of dat
verhaal
al dan niet waar is, in ieder geval stierf hij volkomen berooid en werd
op 15
april 1685 begraven op het kerkhof van St. Clement Danes.
[8]
Φιλον
υπνη θελyητρον
επικουρον
νοσον.
[9]
Ηδυ
δουλευμα. Euripides, Orestes.
[10]
Αναξανδρων
’Αyαμεμνων.
[11]
Ομμα
θεισ’
ειτω
πεπλων. De ontwikkelde lezer zal begrijpen dat
deze hele passage verwijst naar de eerste scenes van Orestes; een van
de
prachtigste weergaven van huiselijke genegenheid, van alle stukken van
Euripides. Voor de Engelse lezer moet daaraan toegevoegd worden dat de
situatie
bij het begin van het stuk over een broer gaat die, alleen bijgestaan
door zijn
zuster op het moment dat hij, door zijn gekwelde geweten, bezeten is
door
demonen (of, in de mythologie van het stuk, achtervolgd wordt door
Furiën),
rechtreeks bedreigd wordt door vijanden en in de steek gelaten is door
zijn
zogenaamde vrienden.
[12] Vervluchtigd: die manier om van
het toneel
van het leven te verdwijnen schijnt zeer bekend te zijn geweest in de
17e eeuw,
maar in die tijd werd dat beschouwd als een bijzonder voorrecht van
mensen van koninklijke
bloede, en geenszins bestemd voor drogisten. Want rond het jaar 1686
geeft een
dichter met een nogal onheilspellende naam (die daar overigens
overvloedig
recht aan deed) namelijk, Mr. Flatman, toen hij het over de
dood van
Karel II had, uiting aan zijn verwondering over het feit dat een vorst
zoiets
absurds zou doen als doodgaan, omdat, zo zegt hij,
“Koningen
zouden
doodgaan
moeten
minachten
en
alleen verdwijnen.
Zij
zouden met de noorderzon moeten vertrekken, naar de andere
wereld.”
[13]
Dat
schijnen de geleerden echter de
laatste tijd
in twijfel te trekken; want in de roofdruk van Buchanan’s Domestic
Medicine,
die ik ooit in handen zag van een boerin, die dat ten bate van haar
gezondheid
bestudeerde, wordt een dokter de volgende uitspraak in de mond gelegd —
“Let er
in het bijzonder vooral op nooit meer dan vijfentwintig ounce
(1 ounce
is 28 ml) laudanum in één keer te nemen;” waarschijnlijk wordt bedoeld
vijfentwintig druppels, wat overeenkomt met ongeveer één grein
(60 mg)
ruwe opium.
[14]
Onder
de grote kudde reizigers, e.d.,
die alleen
al door hun domme opmerkingen laten zien dat ze nooit iets met opium te
maken
hebben gehad, moet ik mijn lezers speciaal waarschuwen voor de
briljante
schrijver van Anastasius (Thomas Hope 1769 – 1831). Deze
man, die zo geestig schrijft dat je geneigd
bent aan te nemen dat hij zelf opiumslikker is, heeft het zelf
onmogelijk
gemaakt hem als zodanig te zien, door de pijnlijk onjuiste voorstelling
die hij
geeft van de werking op pag. 215-217 van deel I. Bij nadere beschouwing
moet
dat ook voor de schrijver zelf duidelijk zijn, want afgezien van de
hier door
mij benadrukte misvattingen, waar hij (en anderen) volledig achter
staan, moet
hij zelf ongetwijfeld toegeven dat een oude heer “met een sneeuwwitte
baard,”
die “grote hoeveelheden opium” nuttigt en desalniettemin in staat is
tot het
geven van wat bedoeld en gezien wordt als een belangrijke leidraad over
de
kwalijke gevolgen van die praktijken, slechts een pover bewijs vormt
voor het
feit dat mensen of voortijdig doodgaan aan opium, of daardoor in het
gekkenhuis
belanden. Maar ik heb die oude man en zijn motieven door: in
werkelijkheid was
hij helemaal weg van “het kleine gouden flaconnetje met dat
verderfelijke
medicijn” dat Anastasius bij zich droeg; en hij zag geen andere manier
om het eenvoudig
en veilig in zijn bezit te krijgen dan de eigenaar gek van angst te
maken. Deze
uitleg werpt een nieuw licht op de zaak en maakt het als verhaal veel
beter;
want als verhandeling over farmacie is de toespraak van de oude man
uitermate
onzinnig; maar als grap die hij met Anastasius uithaalt, leest het
prachtig.
[15]
Ik
kan dat op dit moment niet
raadplegen; maar ik
geloof dat de passage begint met —“En zelfs die kroegmuziek, waar de
een
vrolijk en de ander gek van wordt, raakt bij mij een zeer vrome snaar,”
enz.
[16] Een
fraaie
leeszaal, waarvan ik op
doorreis
in Manchester van een aantal zeer vriendelijke heren uit die plaats
gebruik
mocht maken, heet volgens mij The Porch (vert.: de Stoa);
waaruit ik,
een vreemdeling in Manchester, opmaakte dat de leden zich uitgaven voor
volgelingen van Zeno. Maar later begreep ik dat dat een vergissing was.
[17] Ik
reken
hier vijfentwintig
druppels gelijk
aan één grein opium, wat volgens mij de gewone omrekening is. Omdat
beide echter
als veranderlijke maten worden beschouwd, (ruwe opium wisselt zeer in
sterkte
en de tinctuur nog veel meer) neem ik aan dat een dergelijke berekening
nooit
helemaal nauwkeurig kan zijn. Theelepels verschillen evenzeer in
grootte als
opium in sterkte. Kleintjes bevatten ongeveer 100 druppels, zodat 8000
druppels
ongeveer tachtig theelepels zijn. De lezer ziet wel hoe goed ik me heb
gehouden
aan Dr. Buchan’s niet krenterige rantsoen.
[18]
Dat
is echter geen onontkoombare
conclusie; de
grote door opium teweeggebrachte verscheidenheid in werking, is
oneindig. Een
Londense magistraat (Harriott’s Struggles through Life, deel.
iii. pag.
391, derde druk) schrijft dat hij voor zijn jicht, de eerste keer hij
laudanum
probeerde, veertig druppels nam, de daaropvolgende avond zestig
en de vijfde avond tachtig, zonder enig effect; en dat op hoge
leeftijd.
Ik ken echter een voorbeeld van een plattelandsdokter, waarbij het
geval van
Mr. Harriot in het niet zinkt; en in mijn voorgenomen verhandeling over
opium,
die ik zal publiceren, op voorwaarde dat het College van Artsen mij zal
betalen
voor het licht laten schijnen over hun in duisternis gehulde begrip
over dat
onderwerp, zal ik dat verhaal opnemen; maar het is een veel te goed
verhaal om
het voor niets te publiceren.
[19]
Zie
de gangbare verslagen van elke
reiziger of
ontdekkingsreiziger in het Oosten, over de uitzinnige uitwassen, begaan
door
Maleiers die opium hadden genomen, of tot wanhoop waren gedreven door
verliezen
bij het gokken.
[20] De
lezer
moet goed beseffen wat ik
hier met denken
bedoel, omdat het anders een zeer pretentieus begrip is. Engeland is de
laatste
tijd zeer rijk geweest aan een overmaat van scherpzinnige denkers, op
het
terrein van creatief en associatief denken; maar er is helaas een
schaarste aan
mannelijke denkers op elk analytisch terrein. Een Schot met een
uitstekende
reputatie heeft ons onlangs verteld dat hij zich zelfs gedwongen voelde
de
wiskunde op te geven, uit gebrek aan belangstelling.
[21]
William
Lithgow. Zijn boek (Travels,
&c.) is
slecht en betweterig geschreven; maar zijn beschrijving van zijn eigen
martelingen
op de pijnbank in Malaga is overweldigend aangrijpend.
[22]
Hiermee
wil ik zeggen ten nadele van
afzonderlijke huizen, zoals de lezer zal begrijpen als ik hem vertel
dat ik, met
uitzondering van een of twee vorstelijke herenhuizen en een paar
kleinere die
bedekt zijn met Romeins pleisterwerk, geen enkel huis ken in deze
bergachtige streek
dat helemaal waterdicht is. Ik vlei mij ermee dat de architectuur van
boeken in
dit land geleid wordt door juiste principes; maar wat elke andere
architectuur
betreft verkeert het in een barbaarse staat en wat nog erger is, in een
staat
van verval.
[22]
Aan
die
laatste
opmerking
zou
ik
nog
willen
toevoegen
dat het bij mij te
snel ging en de ellende daardoor nodeloos verergerd werd; of misschien
was het eerder
niet consequent genoeg en onvoldoende gelijkmatig verdeeld. Maar dat
moet de
lezer zelf beoordelen en vooral om de Opiumslikker, die van plan is
ermee op te
houden, allerhande informatie te verstrekken, voeg ik hieronder mijn
dagboek
toe:—


De
lezer zal zich misschien afvragen wat die plotselinge minderingen tot
300, 350,
enz., druppels betekenen. De drijfveer achter deze minderingen
was
louter twijfel aan het doel; het motief, als er al een motief aan ten
grondslag
lag, was of het principe van “reculer pour mieux sauter;” (want
bij de futloosheid
na een grote dosis, die een dag of twee aanhield, had de maag, die bij
het weer
bijkomen aan dat nieuwe rantsoen gewend bleek te zijn, voldoende aan
een
kleinere hoeveelheid); of anders was het het principe van dat als twee
kwellingen verder gelijk zijn, degene het best verdragen wordt die
stuit op een
boze gemoedstoestand.
* * *
|