
Denis Diderot
DENIS DIDEROT
1749
INLEIDING:
Het
door Diderot verkondigde Materialisme in zijn “Lettre sur les aveugles à l’usage
de ceux qui voient” [de brief over de blinden ten gebruike van de zienden]
(Londen, 1749) leidt ertoe, dat de censuur haar auteur – die ze al enige tijd
in het oog houdt – als een gevaarlijk personage beschouwt. Het boek wordt
verboden en op bevel van Nicolas René Berryer – die ook het manuscript van “La
promenade du sceptique” in beslag neemt – verdwijnt Diderot voor meer dan drie
maanden als gevangene in het Château de Vincennes.
Met
de “Lettre sur les aveugles”, leert de wereld Diderot kennen als een vermetel
en origineel denker. Het onderwerp van de verhandeling vormt de discussie over
het onderlinge verband tussen de rede en de kennis, verkregen door
gewaarwording (via de zintuigen). De titel, “de brief over de blinden ten gebruike
van de zienden,” roept op een ironische wijze ook twijfel op over de vraag wie
nu in deze discussie precies “de blinden” zijn.
Ervan
uitgaande dat kennis ontspruit aan de zintuigen betoogt een blinde Engelse
wiskundige – Nicholas Saunderson, 1682 - 1739 – dat de wiskunde de enige vorm
van kennis is waarover hij en een ziend persoon overeenstemming kunnen bereiken.
De
suggestie wordt gwekt, dat blinden kunnen leren lezen met het gebruik van hun
tastzin.
Wat
de “Lettre sur les aveugles” verder zo opmerkelijk maakt, is de heldere,
weliswaar niet nader uitgewerkte, uiteenzetting over de theorie van genetische
Variabiliteit en Natuurlijke Selectie.
Het
essay speelt zich af op het sterfbed van Nicholas Saunderson, die in zijn
laatste uren de argumenten voor de Goddelijke voorzienigheid verwerpt. Saunderson
baseert zijn argumentatie op het Neo-Spinozisme, Naturalisme en Fatalisme en
gebruikt een gekunstelde vorm van Spontane Generatie en de natuurlijke evolutie
van soorten, zonder terug te grijpen op schepping of bovennatuurlijk ingrijpen.
Het begrip van de “denkende materie” wordt verdedigd, terwijl het teleologisch
argument – als loos en niet overtuigend – wordt verworpen. (Bron: Wikipedia)
BRIEF OVER DE BLINDEN
TEN GEBRUIKE
VAN DE ZIENDEN
Possunt,
nec posse videntur (Ze kunnen wat ze niet lijken te kunnen,
Vergilius Aeneïs V,
vs. 231)
Ik betwijfel ten zeerste, Mevrouw,
of de blindgeborene, die onlangs door de Hr. de Réaumur van de staar is
gestoken, u iets had kunnen leren over wat u zou willen weten. Maar ik wacht me
er voor te bedenken dat het zijn of uw fout is. Middels zijn beste vrienden en de
loftuitingen die ik hem heb doen toekomen heb ik een dringend verzoek gericht
tot zijn weldoener, maar wij hebben niets bereikt. Het eerste verband zal
zonder uw aanwezigheid verwijderd worden. Samen met de filosofen delen hooggeplaatste
personen in de eer van zijn weigering. Kortom, de Hr. de Réaumur wil die sluier
alleen maar laten vallen in aanwezigheid van een aantal onbeduidende lieden.
Als u benieuwd bent waarom deze
bekwame academicus zijn experimenten zo heimelijk uitvoert, terwijl die volgens
u bijgewoond zouden moeten worden door een heel groot aantal ontwikkelde
getuigen, kan ik u antwoorden dat de onderzoekingen van een zo beroemd man
minder behoefte hebben aan toeschouwers als ze uitgevoerd worden, dan aan
toehoorders als ze eenmaal uitgevoerd zijn. Ik ben dus terug, Mevrouw, bij mijn
aanvankelijke opzet, en omdat ik gedwongen ben een experiment aan mij voorbij
te laten gaan, waar ik toch al noch voor mij noch voor u enig nut in zag, maar
waar Mr. de Réaumur zonder twijfel veel meer zijn voordeel mee zal doen, ben
ik, samen met enkele vrienden, gaan filosoferen over deze belangrijke materie
die dit als onderwerp heeft. Wat zou ik u graag deelachtig maken van een van
onze gesprekken, in plaats van de vertoning die ik u zo lichtvaardig beloofd
heb!
Op dezelfde dag waarop de dochter
van Simoneau door de Pruis aan de staar geopereerd werd, zijn we de
blindgeborene van Puisseaux gaan opzoeken. Het is iemand die het niet ontbreekt
aan gezond verstand en velen kennen hem. Hij weet wat van scheikunde en heeft
met succes lessen in de botanica gevolgd in de Jardin Royal. Zijn vader was een
geziene professor in de filosofie aan de Universiteit van Parijs. Hij
beschikte over een niet onaardig vermogen, waarmee hij op een eenvoudige manier
de zintuigen, die hem nog resten, heeft kunnen bevredigen. Maar verleid door
zijn driften heeft hij zich in zijn jeugd laten meeslepen door zijn hang naar
vermaak. Dat heeft zijn huishouden ontregeld en nu leeft hij teruggetrokken in
een klein provinciestadje. Van daaruit maakt hij eenmaal per jaar een reis naar
Parijs. Tot ieders genoegen brengt hij zelfgedistilleerde likeur mee. Dat zijn
dus, Mevrouw, geen erg filosofische omstandigheden, maar juist daarom voor u meer
geëigend om op te kunnen maken dat de persoon waarover ik met u spreek niet
denkbeeldig is.
Om vijf uur ‘s avonds arriveerden
wij bij onze blinde en troffen hem aan terwijl hij bezig was zijn zoon te leren
lezen met behulp van letters in reliëf. Hij was pas één uur wakker, want, zoals
u weet, begint voor hem de dag wanneer die voor ons eindigt. Hij heeft de
gewoonte om zich met huishoudelijke zaken bezig te houden en werkt terwijl de
anderen slapen. ‘s Nacht wordt hij niet gestoord en is hij niemand tot last. Zijn
eerste zorg is alles terug te zetten wat de anderen overdag verplaatst hebben.
Wanneer zijn vrouw opstaat, vindt ze het huis doorgaans aan kant. Het probleem
dat blinden hebben met het terugvinden van verplaatste voorwerpen, maakt van
hen ordelijke mensen. En ik heb gemerkt dat de mensen die vertrouwelijk met hen
omgaan die eigenschap eveneens hebben; of ten gevolge van het goede voorbeeld
dat de blinden geven, of door een gevoel van medemenselijkheid dat zij voor hen
hebben. Wat zouden de blinden ongelukkig moeten zijn, zonder die kleine
attenties van hun omgeving! als wij onszelf zonder die al zouden beklagen! Grootse
gebaren zijn als goud- en zilverstukken die we zelden kunnen gebruiken, maar
kleine attenties zijn als wisselgeld, dat je altijd bij de hand hebt.
Onze blinde stelt symmetrie erg op
prijs. Symmetrie mag voor ons misschien louter afspraak zijn, maar tussen een
blinde en de zienden geldt dat zonder twijfel in vele opzichten. Door met zijn
tastzin de samenstelling te onderzoeken, die wij bezigen voor een geheel om dat
mooi te noemen, slaagt de blinde erin dat begrip op de juiste wijze toepassen.
Maar wanneer hij zegt: Dat is mooi, geeft hij niet zijn eigen mening,
maar de mening van anderen, die wel kunnen zien. Doet overigens driekwart van
de mensen, die hun mening geven na een toneelstuk te hebben gezien of een boek te
hebben gelezen, iets anders?
Wanneer schoonheid los gezien wordt
van bruikbaarheid is dat voor een blinde slechts een woord. Wat moeten er dus
veel dingen zijn waarvan het nut hem ontgaat, omdat hij over een zintuig minder
beschikt! Zijn blinden niet zeer te beklagen, als mooi voor hen goed
betekent? Hoeveel wonderbaarlijke dingen moeten hen niet ontgaan! Het enige
goeds dat dit verlies oplevert is dat zij wel gedachten over schoonheid hebben,
weliswaar minder groots, maar uitgesprokener dan die van de helderziende
filosofen, die daar heel lang mee bezig zijn geweest.
Onze blinde begint steeds weer over spiegels.
U zult wel begrijpen dat hij niet weet wat het woord spiegel betekent. Toch
zal hij nooit een spiegel naar het daglicht houden. Over de eigenschappen en
gebreken van het orgaan dat hij mist, uit hij zich even zinvol als wij. Zelfs
als hij geen enkele idee verbindt aan de door hem gebezigde begrippen, heeft
hij nog altijd het voordeel dat hij ze nooit te onpas gebruikt. Hij kan zo goed
en juist praten over zoveel dingen die voor hem totaal onbekend zijn, dat omgang
met hem de gevolgtrekkingen, die wij allemaal maken over wat er omgaat in
onszelf en anderen, zeer zal ontkrachten.
Ik vroeg hem wat hij onder een
spiegel verstond. “Het is een instrument,” antwoordde hij me, “dat de dingen op
een bepaalde afstand in reliëf weergeeft, mits ze juist geplaatst zijn ten
opzichte van de spiegel. Het is zoals mijn hand, die ik niet naast een voorwerp
mag plaatsen als ik het wil voelen.” Als Descartes blind geboren was geweest,
denk ik dat hij een dergelijke definitie toegejuicht zou hebben.
Ik vraag u nu de scherpzinnigheid te
overdenken waarmee hij bepaalde ideeën met elkaar in verband gebracht moet
hebben om tot deze uitspraak te komen. Onze blinde heeft slechts weet van de
voorwerpen door middel van zijn tastzin. Hij weet op gezag van anderen dat
voorwerpen onderscheiden kunnen worden door ze te zien, zoals hij ze leert
kennen door ze aan te raken. Dat is overigens het enige beeld dat hij zich
daarvan kan vormen. Bovendien weet hij dat iemand zijn eigen gezicht niet kan
zien, maar wel kan aanraken. Daaruit moet hij wel opmaken dat het
gezichtsvermogen een soort aanraken is dat slechts opgaat voor voorwerpen, met
uitzondering van ons gezicht en dingen die veraf zijn. Overigens geeft het
aanraken hem slechts een idee over het reliëf van een voorwerp. Een spiegel,
voegt hij daaraan toe, is dus een instrument dat van ons een reliëf maakt
buiten onszelf. Hoeveel befaamde filosofen hebben minder scherpzinnigheid
gebezigd om tot dezelfde even verkeerde denkbeelden te komen? Hoe verrassend
moet een spiegel wel niet zijn voor onze blinde? Wat moest zijn verbazing nog toenemen
toen we hem vertelden dat er van die instrumenten bestaan, die voorwerpen
kunnen vergroten; dat er andere zijn die de voorwerpen, zonder ze te
verdubbelen, kunnen verplaatsen — verder weg of dichterbij brengen —, en weer
andere waarmee de kleinste onderdeeltjes onthuld kunnen worden voor de ogen van
natuuronderzoekers; die voorwerpen duizendvoudig kunnen verveelvoudigen en tot
slot instrumenten die voorwerpen totaal lijken te vervormen.
Hij stelde ons honderd en één wonderlijke vragen over deze
verschijnselen. Zo vroeg hij ons bijvoorbeeld of alleen de zogenaamde
natuurkundigen door een microscoop konden kijken en of de astronomen de enigen
zijn die met een telescoop keken; of het instrument dat voorwerpen vergroot
groter is dan het instrument dat ze verkleint en of het instrument dat dichterbij
brengt korter is dan datgene dat ze verder weg brengt. Daarbij begreep hij niet
hoe die andere wij, waarvan volgens hem door de spiegel een reliëf wordt
gemaakt, aan het tastgevoel ontkomt. “Dit zijn dus twee zintuiglijke
waarnemingen,” zei hij, “die door één instrumentje met elkaar in tegenspraak gebracht
worden. Met een volmaakter instrument, zouden ze misschien wel met elkaar
stroken, zonder dat de voorwerpen daarom werkelijker zouden zijn. Misschien dat
een derde, nog volmaakter en minder onbetrouwbaar instrument, die strijdigheden
zou doen verdwijnen en ons op de fout zou wijzen.
Wat zijn, volgens u, ogen? zei de Hr.
de.....tegen hem.
“Het is een orgaan,” antwoordde de
blinde, “waarop de lucht dezelfde werking heeft als de stok op mijn hand.” Dit
antwoord verbaasde ons, terwijl wij elkaar met bewondering aankeken. “Dat is zó
waar,” vervolgde hij, “dat als ik mijn hand tussen uw ogen en een voorwerp
plaats, voor u mijn hand aanwezig, maar het voorwerp afwezig is. Mij overkomt
hetzelfde, als ik een voorwerp zoek met mijn stok en op iets anders stuit.”
Mevrouw, slaat u de Dioptrique
van Descartes maar open en u zult zien dat de verschijnselen van het
gezichtsvermogen in verband gebracht worden met die van de tastzin. De prenten over
de optica, staan vol afbeeldingen van mensen die kijken met behulp van
een stok. Descartes en al zijn opvolgers hebben ons geen duidelijkere inzichten
kunnen geven over het gezichtsvermogen. Die grote filosoof heeft wat dat
betreft geen grotere voorsprong gehad op onze blinde, dan al die andere mensen met
ogen.
Niemand van ons waagde het hem
vragen te stellen over de schilderkunst en het schrift; maar het is duidelijk
dat er geen vragen waren waarbij zijn vergelijkingen ons niet tevreden zouden hebben
kunnen stellen. Ik twijfel er niet aan dat hij ons verteld zou hebben dat zonder
ogen proberen te kijken en te lezen, hetzelfde is als een speld zoeken met een
dikke stok. We vertelden hem alleen over het soort invalshoeken dat reliëf
geeft aan de voorwerpen, wat zoveel gelijkenis vertoont met onze spiegels en
tegelijkertijd toch zo anders is. We merkten dat dit meer schade toebracht dan bijdroeg
aan het idee dat hij zich gevormd had van een spiegel en dat hij geneigd was te
geloven dat, als een spiegel voorwerpen afbeeldde, de schilder dan misschien wel
een spiegel schilderde om ze weer te geven.
We zagen hem garen door hele kleine
naaldjes rijgen. Mogen we u verzoeken, Mevrouw, hier het lezen even te
onderbreken en u proberen voor te stellen hoe u dat in zijn plaats zou doen?
Voor het geval u geen enkele oplossing zou vinden, zal ik u die van onze blinde
vertellen. Hij plaatst het oog van de naald dwars tussen zijn lippen, evenwijdig
aan zijn mond. Vervolgens trekt hij met behulp van zijn tong en door te zuigen de
draad, die zijn adem volgt, door het oog van de naald, als die ten minste niet
te dik is voor de opening. Maar in dat geval is de ziende nauwelijks minder
onthand dan iemand die verstoken is van het gezichtsvermogen.
Hij heeft een verrassend goed
geheugen voor geluiden en gelaatsuitdrukkingen bieden ons geen grotere
verscheidenheid, dan die hij waarneemt in stemgeluiden. Voor hem betekenen die
een oneindig aantal fijne schakeringen, die ons ontgaan omdat het voor ons, anders
dan voor de blinde, onbelangrijk is om daarop te letten. Het is met die nuances
als met ons eigen gezicht. Van alle mensen die we hebben gezien, herinneren we
ons het slechtst onszelf. Wij bestuderen slechts gezichten om mensen te kunnen
herkennen en als we ons dat van onszelf niet herinneren, komt dat omdat we nooit
het gevaar lopen onszelf voor iemand anders te houden, noch iemand anders voor
onszelf. Bovendien verhindert de hulp die onze zintuigen elkaar bieden, dat ze
zich vervolmaken. Dit geval zal niet het enige zijn waarbij ik dit moet opmerken.
Onze blinde deelde ons hieromtrent mee
dat hij zichzelf wel zou kunnen beklagen, omdat hij verstoken is van voordelen die
wij genieten, en daardoor geneigd zou kunnen zijn om ons wat intelligentie
betreft als meerdere te beschouwen, als hij niet honderd maal ondervonden had
hoezeer wij in andere opzichten voor hem onderdoen. Deze overweging bracht ons op
een andere. Deze blinde, zeiden wij bij onszelf, waardeert zichzelf even veel
of misschien wel meer dan wij, die kunnen zien. Waarom zou dan een dier, als
het zou kunnen redeneren, — wat nauwelijks te betwijfelen valt —, door zijn
voordelen op de mens af te wegen, die hij beter kent dan die van de mens op
hem, niet eenzelfde oordeel kunnen vellen? Hij heeft armen, zegt het vliegje
misschien, maar ik heb vleugels. Hij kan dan wel wapens bezitten, zegt de leeuw,
maar hebben wij geen klauwen? De olifant zal ons zien als insecten. Alle dieren
die ons graag een verstand toekennen, waardoor wij grote behoefte zouden hebben
aan hun instinct, beweren dat zij begiftigd zijn met een instinct waarmee ze
ons verstand zeer sterk overtreffen. Wij hebben zo sterk de neiging om onze
kwaliteiten te overschatten en onze gebreken af te zwakken, dat het bijna lijkt
alsof de mens een pact moet sluiten met kracht en het dier met de rede
Een van ons bedacht de blinde te
vragen of hij graag zou willen kunnen zien. “Als ik niet zo nieuwsgierig zou
zijn,” zei hij, “zou ik net zo graag lange armen willen hebben: het lijkt me
dat mijn handen me meer zouden kunnen leren, over wat er op de maan gebeurt,
dan uw ogen of telescopen; daarbij houden ogen veel eerder op met zien, dan
handen met voelen. Het zou mij dus zeker zoveel waard zijn dat het zintuig dat
ik bezit vervolmaakt wordt, dan dat men mij het zintuig zou geven dat ik mis.”
Onze blinde kan zo doeltreffend de
richting bepalen van waaruit een geluid of een stem komt, dat ik er niet aan
twijfel dat blinden door die eigenschap zeer behendig en gevaarlijk kunnen
worden. Ik zal u een staaltje vertellen dat u ervan zal overtuigen hoezeer men
beducht moet zijn als een blinde u met een steen wil gooien of met een pistool
in zijn hand bedreigt, als hij ten minste de gewoonte zou hebben om zich van dat
wapen te bedienen. In zijn jeugd had hij een keer ruzie met één van zijn
broers, die zich daarbij zeer kwalijk gedroeg. Geërgerd door vervelende opmerkingen
die hij te slikken kreeg, greep onze blinde het eerste het beste voorwerp dat
hij bij de hand had, slingerde het naar zijn broer, raakte hem midden op zijn
voorhoofd, en vloerde hem.
Door dat voorval en nog enige andere
werd hij ontboden bij de politie. Uiterlijke tekenen van macht die ons zo hevig
raken, maken geen indruk op een blinde. Onze blinde verscheen dan ook voor de rechter,
alsof hij zijns gelijke was. Dreigementen boezemden hem geen vrees in. “Wat gaat
u met mij doen?”, vroeg hij aan de Hr. Herault. “Ik zal u in onderaardse kerker
laten werpen”, antwoordde de rechter. “Maar mijnheer”, antwoordde de blinde, “daar
ik zit ik al 25 jaar in.” Wat een antwoord, Mevrouw! en wat een uitspraak
voor iemand die even graag moraliseert als ik! Wij verlaten het leven als ware
het een betoverend schouwtoneel; maar de blinde verlaat het alsof hij een
gevangenis verlaat. Wij hebben misschien meer plezier beleefd aan het leven,
maar neem maar aan dat een blinde sterft met minder spijt.
De blinde van Puisseaux schat de
nabijheid van een vuur aan de hand van de warmte, hoe vol een vat is aan het
geluid die de vloeistof maakt als hij het vult en de nabijheid van voorwerpen
aan de werking van de lucht op zijn gezicht. Hij is zo gevoelig voor de
geringste veranderingen in de atmosfeer, dat hij een straat kan onderscheiden
van een doodlopende steeg. Het gewicht van een voorwerp kan hij uitstekend schatten
of de inhoud van een vat. Met zijn armen vormt hij een zo nauwkeurige
weegschaal en met zijn vingers een zo doeltreffende passer, dat ik in gevallen
waarin dat soort statistiek nodig is, altijd op onze blinde zou wedden, tegen
twintig mensen die kunnen zien. Het oppervlak van een voorwerp heeft voor hem
nauwelijks minder nuances dan stemgeluiden. Men hoeft dus niet bang zijn dat
hij zijn eigen vrouw voor een ander zou houden, tenzij hij iets zou winnen met
die verwisseling.
Het heeft er alle schijn van dat bij
een volk van blinden de vrouwen gemeenschappelijk bezit zouden zijn, of dat zij
strenge wetten tegen overspel zouden hebben. Door een teken af te spreken met
haar minnaar zou het immers voor een blinde vrouw heel gemakkelijk zijn om haar
man te bedriegen,.
Schoonheid beoordeelt hij met zijn
tastzin; dat laat zich denken. Maar wat moeilijker te vatten is, is dat hij bij
die beoordeling de uitspraak en klank van de stem laat meespelen. De anatomen moeten
ons maar vertellen of er een verband bestaat tussen de delen van mond en
gehemelte en die van het gelaat. Op een draaibank en met de naald kan hij kleine
werkstukjes maken; voor het waterpas maken gebruikt hij een winkelhaak. Apparaten
voor dagelijks gebruik zet hij in en haalt hij uit elkaar Hij weet voldoende af
van muziek om een stuk uit te voeren, als hij de noten en hun waarden maar kent.
Veel nauwkeuriger dan wij schat hij de tijdsduur door middel van de
opeenvolging van handelingen en gedachten. Een mooie huid, dikte, stevigheid
van de spieren, de hoedanigheden van de lichaamsbouw, een zachte adem en de aantrekkelijkheid
van stem en uitspraak, zijn eigenschappen waar hij bij andere mensen veel
waarde aan hecht.
Hij is getrouwd om over ogen te kunnen
beschikken. Voordien had hij bedacht een dove te nemen, die hem ogen zou
verschaffen en in ruil daarvoor oren zou krijgen. Niets heeft mij zozeer verbaasd
als zijn buitengewone bekwaamheid in zoveel zaken. Toen wij hem hierover onze
verwondering lieten blijken, zei hij: “Mijne heren, ik merk dat u niet blind bent.
U bent verbaasd over wat ik doe. Waarom bent u dan ook niet verbaasd over wat
ik zeg?” Ik denk dat er in deze vraag meer filosofie schuilt dan hij voorgeeft
daar zelf ingelegd te hebben. Dat is iets dat even verrassend is, als het gemak
waarmee wij leren praten. Wij kunnen een idee alleen maar aan een veelheid van
begrippen hechten die niet staan voor tastbare voorwerpen — en dus zogezegd
geen vastheid hebben —, door middel van een reeks scherpzinnige en
betekenisvolle verbanden, die wij vinden tussen die niet-tastbare voorwerpen en
de beelden die ze oproepen. Daarom moeten we aannemen dat een blindgeborene
meer moeilijkheden zal ondervinden bij het leren spreken dan iemand anders.
Omdat het aantal niet-tastbare voorwerpen voor hem veel groter is, heeft hij om
te vergelijken en juiste verbanden te leggen, veel minder speelruimte dan wij. Hoe
wilt u bijvoorbeeld dat hij het begrip gelaatsuitdrukking in zijn geheugen prent?
Dit is een soort afspraak over zaken die zo weinig tot de verbeelding van een
blinde spreken, dat wij, omdat het zelfs voor ons zienden moeilijk te
omschrijven is, zeer in verlegenheid gebracht zouden worden als wij heel
precies zouden moeten zeggen wat het hebben van een gelaatsuitdrukking
betekent. Als die voornamelijk zetelt in de ogen, zegt dat de tastzin niets.
Wat betekent voor een blinde “dode ogen, levendige ogen, schalkse ogen, enz.”?
Daaruit maak ik op dat de
samenwerking tussen onze zintuigen en organen ons zonder twijfel grote diensten
bewijst. Het zou echter heel anders zijn als we ze afzonderlijk en nooit twee
zintuigen tegelijk zouden gebruiken, in het geval dat één enkel zintuig toereikend
voor ons zou zijn. Aan het gezichtsvermogen de tastzin toevoegen, als men
voldoende heeft aan de ogen, is zoiets als vóór twee paarden die op zich al
heel vurig zijn, een derde inspannen, dat naar de ene kant trekt, terwijl de
andere naar de andere kant trekken.
Ik heb er nooit aan getwijfeld dat de
toestand van onze organen en zintuigen een grote invloed op onze geestelijke en
morele toestand heeft en onze meest zuivere intellectuele ideeën, als ik dat zo
mag zeggen, in nauwe wisselwerking staan met onze lichamelijke gesteldheid. Daarom
ben ik onze blinde vragen gaan stellen over deugden en ondeugden. Eerst viel
mij op dat hij een grondige afkeer had van diefstal; voor hem was dat om twee
redenen: ten eerste, het gemak waarmee hij bestolen kon worden zonder dat hij
iets zou merken en ten tweede, misschien, dat hij gemakkelijk gezien kon worden
als hij zelf zou stelen. Dit wil niet zeggen dat hij zich niet heel goed teweer
kan stellen tegen de neiging die hij beter van ons kent dan van zichzelf en
niet heel goed weet hoe een diefstal verheeld moet worden.
Hij maakt niet veel drukte over schaamtegevoel
en zonder de gure weersomstandigheden, waartegen kleren bescherming bieden, zou
hij daarvan nauwelijks het gebruik begrijpen. Hij geeft openlijk toe dat hij
niet kan bedenken waarom men het ene lichaamsdeel wel bedekt en het andere niet
en nog minder om wat voor zonderlinge reden men daarbij de voorkeur geeft aan sommige
van die lichaamsdelen, waarvan het gebruik en het ongemak die zij met zich
meebrengen, erom vragen onbedekt gehouden te worden. Hoewel we in een tijd
leven waarin de filosofische geest ons heeft bevrijd van een groot aantal vooroordelen,
geloof ik toch niet dat we ooit zover zullen komen dat we evenmin zullen
erkennen als onze blinde dat schaamtegevoel een voorrecht is. Diogenes zou voor
hem geen filosoof geweest zijn.
Terwijl het bij ons allemaal uiterlijke
verschijnselen zijn die medelijden opwekken en de gedachte aan pijn, worden
blinden slechts getroffen door het geklaag. Ik verdenk ze over het algemeen van
onmenselijkheid. Maar welk verschil bestaat er voor een blinde tussen iemand
die urineert en een ander die zonder geklaag zijn bloed vergiet? Is het feit
dat voor ons het medelijden ophoudt, als de afstand te groot of de voorwerpen
te onbeduidend worden niet hetzelfde als het ontberen van het gezichtsvermogen voor
de blinden? Zoveel van onze deugden hangen af van onze manier van voelen en de
mate waarop uiterlijke verschijnselen ons raken! Daarom twijfel ik er niet aan
dat veel mensen, als ze niet bang hoeven te zijn voor straf, er minder moeite
zouden mee hebben om iemand te doden die zich op een grote afstand bevindt,
zodat die niet veel groter lijkt dan een zwaluw, dan om eigenhandig een os te
moeten slachten. Als we medelijden voelen met een paard dat lijdt en toch een
mier kunnen vertrappen zonder enig gewetensbezwaar, is het kennelijk niet hetzelfde
beginsel dat ons beweegt? Ach, Mevrouw, wat een verschil tussen onze moraal en
die van de blinden! En hoezeer verschilt de moraal van een dove met die van een
blinde! en wat zou een wezen dat over een zintuig meer zou beschikken, vinden
van onze onvolmaakte moraal, om niets ergers te zeggen?
Onze metafysica verschilt al
evenzeer van die van de blinden. Hoeveel van hun principes zijn niet onzinnig
voor ons en omgekeerd! Ik zou nader op een detail kunnen ingaan, dat u vast
vermakelijk zult vinden, maar door sommige mensen, die overal kwaad in zien, onvermijdelijk
als ongelovigheid bestempeld zou worden; alsof ik het aan mij zou zijn blinden
dingen anders te laten gewaarworden dan zij dat zelf doen. Ik zal dus volstaan met
het vaststellen van iets, waarvan ik denk dat iedereen het daar mee eens zal
zijn, namelijk dat de gewichtige redenering die ontleend wordt aan de wonderen
der natuur, amper geldt voor de blinden.
Het gemak waarmee wij met behulp van
een spiegeltje zogezegd nieuwe voorwerpen kunnen creëren is voor hen onbegrijpelijker
dan de sterren, die ze toch nooit zullen kunnen aanschouwen. De lichtgevende
bol die van Oost naar West schuift, verbaast hen minder dan een vuurtje dat ze
zelf kunnen aanwakkeren of doven. Omdat ze de materie op een veel abstractere manier
beschouwen dan wij, zijn ze meer geneigd te geloven dat zij denkt.
Als iemand, die pas één of twee dagen
kan zien, in een groep blinden geplaatst zou worden, zou hij of moeten zwijgen,
of voor gek doorgaan. Hij zou hen steeds weer een of ander nieuw mysterie
verkondigen, dat alleen voor hen mysterieus zou zijn en alleen de verstandigsten
onder hen niet goedschiks zouden geloven. Zouden de verdedigers van het geloof
geen voordeel kunnen halen uit een zo hardnekkige ongelovigheid, die in bepaalde
opzichten zo terecht, maar toch zo weinig gefundeerd is?
Als u een moment met die
veronderstelling meegaat, zal die u herinneren aan de aan de geschiedenis
ontleende gebeurtenissen en vervolgingen van diegenen die in die duistere
tijden het ongeluk hebben gehad in aanraking te komen met de waarheid. Zij waren
zo onvoorzichtig om die waarheid te verkondigen aan hun blinde tijdgenoten,
onder wie zij geen wredere vijanden hebben gehad dan degenen die door hun
status en ontwikkeling het dichtstbij hun ideeën leken te staan.
Ik laat nu de moraal en metafysica
van de blinden rusten en ga over tot zaken die minder belangrijk zijn, maar
meer te maken hebben met het doel van de onderzoekingen, die hier ter sprake
zijn geweest sinds de aankomst van de Pruis. Eerste vraag: Hoe vormt een
blindgeborene zich een beeld van een figuur? Ik denk dat de bewegingen van zijn
lichaam, de opeenvolgende verschillende plaatsen waar zijn hand zich bevindt en
het ononderbroken voelen van een voorwerp dat tussen zijn vingers door glijdt,
hem het idee van richting geven. Als hij zijn vingers langs een strak gespannen
touw laat glijden, vormt hij zich een beeld van een rechte lijn; maar volgt hij
met zijn vingers de boog van een slap touw, dan weet hij die van een kromme.
Meer in het algemeen, door herhaalde gewaarwordingen van het tasten, herinneringen
aan verschillende gewaarwordingen op verschillende plaatsen, kan hij die gewaarwordingen zodanig combineren dat ze figuren
vormen.
Voor een blinde die geen meetkundige
is, betekent een rechte lijn niets anders dan de herinnering aan een reeks
aanrakingen langs een gespannen koord; een gebogen lijn, de herinnering aan een
reeks aanrakingen over een vast hol of bol voorwerp. Een meetkundige kan door
onderzoek het beeld van die lijnen aanpassen, door middel van de eigenschappen
die hij daarbij ontdekt. Maar meetkundige of niet, de blindgeborene herleidt
alles tot zijn vingertoppen. Wij verbinden gekleurde punten met elkaar; hij doet
dat slechts met tastbare punten, of nauwkeuriger gezegd, aanrakingen die hij
zich herinnert. In zijn hoofd gaat niets om dat overeenkomt met wat er in ons
hoofd gebeurt. Hij kan zich niets voorstellen. Immers om zich iets voor te
stellen moet men een achtergrond inkleuren en daarop de punten van de figuur in
een andere kleur aanbrengen. Wordt de kleur van de punten vervangen door dezelfde
kleur als de achtergrond dan verdwijnt opeens het beeld; tenminste, zo stel ik
mij dat voor en ik neem aan dat anderen dat niet anders doen dan ik. Als ik me
voorneem in mijn hoofd een rechte lijn waar te nemen, anders dan door haar
eigenschappen, dan stel ik me een wit oppervlak voor met daarop een reeks
zwarte punten die in dezelfde richting geplaatst zijn. Hoe groter het contrast
tussen de kleur van achtergrond en de punten, hoe duidelijker ik de punten kan
zien. Het in mijn verbeelding bekijken van een figuur waarvan de kleur weinig
verschilt met de achtergrond, vermoeit evenzeer als iets soortgelijks dat
buiten mij is of op een schilderij.
U ziet dus, Mevrouw, dat men regels zou
kunnen opstellen omzich gemakkelijk tegelijkertijd meerdere voorwerpen van
verschillende kleur te kunnen inbeelden, maar dat deze regels zonder twijfel
niet dienstig zouden zijn voor een blindgeborene. De blindgeborene kent immers
geen kleuren en kan zich bijgevolg niet iets voorstellen zoals wij dat doen.
Hij beschikt slechts over de herinnering van door de tastzin verworven
waarnemingen, waardoor hij punten, plaatsen of afstanden met elkaar in verband brengt
en zodoende figuren samenstelt. Het staat vast dat wij ons zonder kleuren niets
kunnen voorstellen. Als men ons in het donker kleine bolletjes zou laten aanraken,
waarvan wij samenstelling noch kleur kennen, stellen wij die ons onmiddellijk voor
als wit, zwart of van een andere kleur. Als we ze geen kleur geven, zoals de
blindgeborene, hebben we enkel de herinnering aan de geringe gewaarwordingen
aan onze vingertoppen, zoals kleine bolletjes die teweegbrengen. Als de
herinnering aan de bolletjes voor ons zeer vluchtig is en wij ons nauwelijks kunnen
voorstellen hoe een blindgeborene de gewaarwordingen van zijn tastzin vastlegt,
terugroept en met elkaar verbindt, is dat een gevolg van de gewoonte, die wij
door onze ogen gekregen hebben, om in onze verbeelding alles uit te voeren in
kleur. Toch is het mijzelf in een toestand van hevige opwinding overkomen, dat
ik een rilling door mijn hele hand voelde gaan, de indrukken voelde van voorwerpen
die ik lang daarvoor had aangeraakt, en even levendig terugkwamen alsof ik ze
nog steeds aanraakte en ik zeer duidelijk gewaar werd dat de begrenzingen van
het gevoel precies samenvielen met die van het afwezige voorwerp. Hoewel de
gewaarwording op zich onzichtbaar is, neemt zij, als die term gebruikt mag worden,
een bepaalde ruimte in, die de blindgeborene in gedachten kan vergroten of verkleinen,
door de betreffende gewaarwording te vergroten of te verkleinen. Daarmee vormt hij
punten, vlakken en voorwerpen. Hij kan dat zelfs met een voorwerp zo groot als
de aardbol, als hij zich zijn vingertop met behulp van de eigenschappen lengte,
hoogte en breedte even groot voorstelt als de aarde.
Ik ken niets dat beter het bestaan
bewijst van dit innerlijke zintuig, dan het bij ons zwakke, maar bij de
blindgeborenen sterke vermogen om voorwerpen gewaar te worden of zich te
herinneren, zelfs wanneer ze afwezig zijn en dus niet meer op hen in kunnen
werken. We kunnen een blindgeborene niet duidelijk maken dat onze verbeelding
afwezige voorwerpen weergeeft, alsof ze nog aanwezig zijn. Wij kunnen echter
zeer goed bij onszelf het vermogen herkennen om met onze vingertoppen een voorwerp
te voelen dat er niet meer is, net zoals de blindgeborene dat kan. Druk daartoe
de wijsvinger heel stevig tegen de duim, sluit de ogen en haal vervolgens de
vingers van elkaar. Ga meteen na het van elkaar halen bij uzelf na wat er in uw
hoofd gebeurt en vertel me dan of de gewaarwording niet nog lang aanhoudt nadat
het samendrukken is beëindigd. Of uw geest, tijdens het samendrukken, niet
eerder in uw hoofd aanwezig is dan in uw vingertoppen en of dat samendrukken u
niet het idee geeft van het oppervlak, ten gevolge van de ruimte die de
gewaarwording inneemt. Wij maken alleen maar onderscheid tussen de aanwezigheid
van voorwerpen buiten ons, en hun weergave in onze verbeelding, door middel van
de sterkte of zwakte van de indruk. Op dezelfde manier onderscheidt de
blindgeborene het met zijn vingertop waarnemen van een werkelijk aanwezig voorwerp
slechts door middel van de sterkte of zwakte van de gewaarwording zelf.
Als een blind- en doofgeboren
filosoof ooit een mens zou ontwerpen in navolging van die van Descartes, durf
ik te beweren, Mevrouw, dat hij de geest ervan zou plaatsen in de vingertoppen;
want daar doet hijzelf voornamelijk zijn gewaarwordingen en kennis op. En wie
zou hem erop wijzen dat het hoofd de zetel is van de gedachten? Indien de
bezigheden van de verbeelding onze geest vermoeien, komt dat omdat de
inspanning die wij verrichten bij het verbeelden, erg lijkt op de inspanning
die we bezigen om voorwerpen te zien die heel dichtbij of heel klein zijn. Maar
dit gaat niet op voor de blind- en doofgeborene. De gewaarwordingen die hij
heeft opgedaan door zijn tastzin zullen als het ware de mal vormen voor al zijn
beelden. Het zou me overigens niet verwonderen als hij, na een diepzinnige
bespiegeling, even vermoeide vingers zou hebben als wij een vermoeid hoofd. Ik zou
er niet beducht voor zijn dat een filosoof hem tegen zou werpen dat de zenuwen
de oorzaak zijn van onze gewaarwordingen en dat die allemaal vanuit onze
hersenen komen. Wanneer beide stellingen zouden zijn bewezen, wat amper het
geval is, vooral voor wat de eerste betreft, zou de blinde zich alleen maar
alles hoeven laten uitleggen, wat de natuurkundigen daarover hebben bedacht, om
in zijn overtuiging te kunnen volharden.
Maar als de verbeelding van een
blinde niets anders is dan het vermogen om zich zijn gewaarwording van tastbare
punten te herinneren en die met elkaar te verbinden en de verbeelding van een
ziende het vermogen om zich zichtbare of gekleurde punten te herinneren en met
elkaar te verbinden, volgt daaruit dat de blindgeborene de dingen op een veel
abstractere manier gewaarwordt dan wij en hij zich daarom in zuiver
speculatieve vraagstukken minder snel zal vergissen. Want abstractie bestaat slechts
uit, door middel van het denken, scheiden van waarneembare eigenschappen van voorwerpen,
of de ene van de andere, of van het voorwerp zelf, waaruit zij voorkomen. Vergissingen
ontstaan als deze scheiding slecht of te onpas wordt gemaakt; slecht bij
metafysische en te onpas bij natuur- en wiskundige vraagstukken. Zo zal men zich
in de metafysica vrijwel zeker vergissen als men de onderwerpen waarmee men zich
bezighoudt, onvoldoende vereenvoudigt. Een onbekende, maar onfeilbare manier om
ondeugdelijke resultaten te verkrijgen in natuur- en wiskundige problemen, is
die minder ingewikkeld voor te stellen dan ze in werkelijkheid zijn.
Er bestaat een soort van abstractie
waartoe zo weinig mensen in staat zijn, dat die lijkt voorbehouden aan zuivere
intellectuelen. Dat is de abstractie waarbij alles herleid wordt tot numerieke eenheden.
Men moet toegeven dat de resultaten van die meetkunde zeer nauwkeurig en de
formules zeer algemeen geldend zijn. Er bestaan immers geen voorwerpen in de
natuur, noch mogelijke voorwerpen, die met behulp van die eenvoudige eenheden
niet weergegeven kunnen worden als punten, lijnen, vlakken, vaste lichamen, beelden
of gewaarwordingen. En als dat toevalligerwijs de leer van Pythagoras was, zou
men van hem kunnen zeggen dat zijn opzet is mislukt.
Zijn manier van filosoferen gaat ons
immers ver te boven en benadert te zeer die van het Opperwezen, dat, volgens de
spitsvondige uitspraak van een Engelse meetkundige, in het universum tot in
alle eeuwigheid meetkunde bedrijft.
Voor ons is deze zuivere en eenvoudige eenheid een te vaag en te
algemeen symbool. Onze zintuigen voeren ons terug naar figuren die meer
overeenkomen met de omvang van onze geest en de bouw van onze organen. We
hebben het zelfs zodanig ingericht dat die tekens bij ons gewoon zijn en in
zekere zin dienen als pakhuis voor wederzijdse uitwisseling van ideeën. Wij
hebben ze vastgesteld voor de ogen, dat zijn de lettertekens en voor de oren,
dat zijn de gearticuleerde klanken.
Maar we hebben er geen voor de tastzin
hoewel er wel een geëigende manier bestaat om dit zintuig aan te spreken en
antwoorden te krijgen. Bij gebrek aan deze taal is de communicatie volledig
verbroken tussen ons en doof-, blind- en stomgeborenen. Zij groeien op maar
blijven steken in een toestand van achterlijkheid. Misschien zouden ze zich wel
ideeën eigen kunnen maken, als hen die vanaf hun geboorte op een onveranderlijke,
bepaalde, bestendige en eenvormige manier gelijkvormige wijze aangeleerd zou
worden. Kortom, als hun op hand dezelfde tekens getekend zouden worden, als wij
op papier zetten en als daaraan een onveranderlijke betekenis gehecht zou
worden.
Lijkt deze taal, Mevrouw, u niet
even handig als een andere? Is die ook niet volledig bedacht? En durft u
beweren dat men u nooit iets op die manier duidelijk heeft gemaakt? Als men
vindt dat het weergeven door middel van gewone schrifttekens te langzaam gaat
voor dit zintuig, dan komt het er op aan om die tekens vast te leggen en er een
grammatica en woordenboeken voor te maken.
Er zijn drie poorten waarlangs kennis
onze geest kan binnendringen en één ervan houden we gesloten omdat het ons aan
tekens ontbreekt. Als we die twee andere ook hadden verwaarloosd dan waren we
tot de dierlijke toestand teruggebracht. Zoals we slechts kunnen knijpen om
iets te kennen te geven aan onze tastzin, zouden we dan nog slechts een
schreeuw hebben om tegen het oor te spreken. Men moet één zintuig missen,
Mevrouw, om de voordelen te beseffen van tekens, die bestemd zijn voor de andere.
De mensen die helaas doof, blind en stom zijn, of dat zijn geworden door het
verlies van die drie zintuigen door een of ander ongeluk, zouden het zeer op
prijs stellen als er een duidelijke en nauwkeurige taal zou bestaan voor de
tastzin.
Het kost veel minder tijd om allemaal
bedachte symbolen te gebruiken, dan om ze zelf te bedenken, zoals men wel eens
noodgedwongen moet doen. Wat zou Saunderson er baat bij hebben gehad, als hij
op 5-jarige leeftijd een kant en klare tastbare rekenkunde had gehad, in plaats
van er op 25-jarige leeftijd zelf te moeten bedenken! Die Saunderson, Mevrouw,
is een andere blinde waarover het niet ongepast zou zijn u iets te vertellen.
Wonderlijke verhalen doen over hem de ronde en zijn verdiensten in de letteren,
en zijn bekwaamheid in de wiskunde zijn ongelofelijk.
Zowel voor zijn algebraïsche
berekeningen als voor de beschrijving van rechtlijnige figuren gebruikte hij
één en hetzelfde apparaat. U zult er niet rouwig om zijn, als ik u dat zal
uitleggen, als u ten minste kunt luisteren. U zult zien dat er geen enkele
kennis voor vereist is die u niet al bezit. De methode zal nog zeer nuttig voor
u kunnen zijn, als u ooit in den blinde lange en moeizame berekeningen moet
doen.
Stelt u zich een vierkant voor,
verdeeld in vier gelijke delen door lijnen die loodrecht op elkaar staan (Prent
II.), zodat u negen snijpunten krijgt: 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9. Stel dat in
elk vierkant negen gaten zitten, waarin twee soorten spelden gestoken kunnen
worden, allemaal even lang en even dik, de ene met een veel dikkere kop dan de
andere. De spelden met een dikke kop worden steeds in het midden van het
vierkant geplaatst, die met een kleine kop altijd aan de zijkanten, behalve in
het geval van het getal 0. De nul wordt voorgesteld door een speld met een
dikke kop, geplaatst in het midden van het kleine vierkant, zonder enige andere
speld aan de zijkanten. Het getal 1 wordt voorgesteld door een speld met kleine
kop in het midden van het vierkant, zonder enige andere speld aan de zijkanten.
Het getal 2 door een speld met een dikke kop in het midden van het vierkant en
een speld met kleine kop aan de zijkant op punt 1 van het vierkant. Het getal
3, door een speld met dikke kop in het midden van het vierkant en een speld met
kleine kop aan een van de zijkanten op punt 2 van het vierkant. Het getal 4,
door een speld met dikke kop in het midden van het vierkant en een speld met
kleine kop aan een van de zijkanten, op punt 3 van het vierkant. Het getal 5,
door een speld met dikke kop in het midden van het vierkant en een speld met
kleine kop aan een van de zijkanten, op punt 4 van het vierkant. Het getal 6,
door een speld met dikke kop in het midden van het vierkant en een speld met
kleine kop aan een van de zijkanten, op punt 5 van het vierkant. Het getal 7,
door een speld met grote kop in het midden van het vierkant en een speld met
kleine kop aan een van de zijkanten op punt 6 van het vierkant. Het getal 8,
door een speld met grote kop in het midden van het vierkant en een speld met
kleine kop aan een van de zijkanten, op punt 7 van het vierkant. Het getal 9,
door een speld met grote kop in het midden van het vierkant en een speld met
kleine kop aan een van de zijkanten, op punt 8 van het vierkant.
Dat zijn de verschillende weergaven
voor de tastzin, die overeenkomen met één van onze tien rekenkundige symbolen. Stelt u nu een tabel voor, zo groot als u zelf
wilt, die verdeeld is in kleine vierkantjes, horizontaal gerangschikt en op
gelijke afstanden van elkaar, zoals u kunt zien op Prent III, en u hebt het apparaat
van Saunderson. U kunt eenvoudig begrijpen dat op die Tabel geen getallen
geschreven kunnen worden, en derhalve geen enkele wiskundige berekening uitgevoerd
kan worden.
Stel nu dat we bijvoorbeeld de som willen vinden van onderstaande
9 willekeurige getallen of ze op willen tellen.

Ik breng ze aan op de tabel in de
volgorde waarop ze opgenoemd worden, het eerste cijfer links van het eerste
getal, op het eerste vierkant rechts van de eerste kolom; het tweede cijfer
links van het eerste getal, op het tweede vierkant rechts van diezelfde kolom.
Enzovoort.
Het tweede getal breng ik aan op de
tweede rij vierkantjes, de eenheden onder de eenheden, de tientallen onder de
tientallen, enz.
Het derde getal breng ik aan op de
derde rij vierkantjes, enz., zoals u kunt zien op Prent III.
Door elke verticale kolom van boven
naar beneden te doorlopen met mijn vingers, te beginnen met de meest rechtse
kolom, tel ik vervolgens alle aangegeven cijfers op. Het overschot van de
tientallen schrijf ik op onder aan de kolom. Ik doorloop de tweede kolom, vanaf
rechts, waarbij ik op dezelfde manier te werk ga, vervolgens de derde kolom enz;
en zo voltooi ik mijn optelling.
Om de eigenschappen van rechtlijnige
figuren te onderzoeken gebruikte Saunderson de tabel als volgt. Stel dat hij
wilde aantonen parallellogrammen met dezelfde basis en dezelfde hoogte dezelfde
oppervlakte hebben. Hiertoe plaatste hij de spelden zoals u kunt zien op prent
IV. Hij gaf de hoekpunten een naam en voltooide de bewijsvoering met zijn vingers.
Als we aannemen, dat Saunderson uitsluitend spelden met
grote koppen gebruikte om de grenzen van zijn figuren aan te geven, dan kon hij
nog op negen verschillende manieren beschikken over spelden met kleine koppen,
die hem allemaal bekend waren. Het is nauwelijks verwonderlijk dat hij, in het
geval er een groot aantal hoekpunten was die hij bij zijn bewijsvoering moest
benoemen, gedwongen was zijn toevlucht te nemen tot de letters van het alfabet.
Men heeft ons niet verteld hoe hij ze gebruikte.
We weten alleen dat hij zijn tabel doorliep
met een verrassende vingervlugheid en met succes lange bewerkingen kon maken.
Hij kon dat onderbreken, en merkte het als hij een fout maakte. De uitkomsten
kon hij eenvoudig nakijken en het werk kostte hem minder moeite dan men redelijkerwijze
zou moeten aannemen, dankzij de handige manier waarop hij de tabel had opgezet.
Die voorbereiding bestond uit het
plaatsen van spelden met grote koppen in het midden van elk vierkant. Als hij
daarmee klaar was, hoefde hij alleen nog maar de waarde te bepalen met behulp
van spelden met kleine koppen, behalve in het geval hij een 1 moest aangeven.
Dan plaatste hij een speld met een kleine kop in het midden van het vierkantje,
in plaats van de speld met een dikke kop die daar zat.
In plaats van een lijn helemaal te
vormen met spelden, beperkte hij zich soms tot de hoek- of snijpunten, waartussen
hij zijden draden spande, om zodoende de figuren af te bakenen. Zie prent V.
Hij heeft ook nog een aantal andere apparaten
nagelaten, die voor hem de studie van de meetkunde vereenvoudigden. Het is
onbekend hoe hij ze in werkelijkheid gebruikte en er is misschien meer vernuft
nodig om dat te ontdekken, dan het oplossen van een probleem van de
integraalrekening.
Een meetkundige zou ons maar eens
moeten uitleggen waarvoor vier stukken hout in de vorm van een rechthoekig
parallellepipedum dienen, stevige latten van elk elf duim lang en vijf en een
halve duim breed en een dikte van iets meer dan anderhalve duim. De twee grote
tegenover elkaar liggende vlakken waren verdeeld in kleine vierkantjes, zoals
die van de abacus die ik zojuist beschreven heb, met het enige verschil dat ze
slechts op enkele plaatsen waren doorboord. Door die gaten werden spelden tot
aan hun kop ingestoken.
Elk oppervlak was samengesteld uit
negen kleine rekenkundige tabellen van elk tien getallen, en ieder getal
bestond uit vijf cijfers. Prent VI geeft één van die tabellen weer.


Hij is de schrijver van een werk dat
zeer uitmuntend is in zijn soort. Het zijn stukken over algebra, waaraan alleen
te zien valt dat hij blind was door het ongewone van bepaalde bewijzen, waar
een ziende misschien niet opgekomen was. Van hem is de verdeling de kubus in zes
gelijke piramiden, waarvan de top zich in het midden van de kubus bevindt en als
grondvlak één van de zijvlakken van de kubus hebben. Daar maakt men gebruik van
om op een zeer eenvoudige manier aan te tonen, dat elke piramide het derde deel
is van een prisma met dezelfde basis en hoogte.
Hij werd gedreven door zijn
voorliefde voor de wiskundestudie en bescheiden financiële toestand. De
aansporingen van zijn vrienden deden hem besluiten om lessen in het openbaar te
geven. Zij twijfelden er niet aan dat hij niet aan zijn verwachtingen zou
voldoen, vanwege het wonderbaarlijke gemak waarmee hij zich kon uiten. Saunderson
sprak namelijk zijn leerlingen toe alsof zij ook verstoken waren van het
gezichtsvermogen; maar een blinde die zich helder uitdrukt voor blinden moet
nog veel duidelijker overkomen voor mensen die wel kunnen zien; ze krijgen er
als het ware een telescoop bij.
Diegenen die zijn leven beschreven
hebben, vertellen dat hij overliep van goed gekozen uitspraken en dat is erg waarschijnlijk.
Maar wat verstaat u onder ‘goed gekozen uitspraken,’ zult u me nu misschien
vragen. Dan antwoord ik u, Mevrouw, dat het uitspraken zijn die eigen zijn aan
een bepaald zintuig, bijvoorbeeld aan de tastzin, en tegelijkertijd een
metafoor zijn voor een ander zintuig, zoals de ogen; vandaar dat die dubbel zoveel
verhelderen voor de toehoorder: het werkelijke en rechtstreekse licht van de
uitspraak en het weerkaatste licht van de metafoor.
Het is duidelijk dat Saunderson, hoe
scherpzinnig hij ook was, zichzelf maar deels begreep, omdat hij de begrippen
die hij bezigde ook slechts deels waarnam. Maar wie bevindt zich niet af en toe
in eenzelfde situatie? Het komt vaak voor bij gekken, die soms uitstekende
grappenmakers zijn, en bij zeer verstandige personen die een geestigheid niet
snappen, zonder dat de eersten en laatsten dat zelf beseffen.
Ik heb gemerkt dat ook een geringe
woordenschat die uitwerking heeft op buitenlanders, die nog niet vertrouwd zijn
met een taal: zij moeten alles zeggen met een zeer kleine hoeveelheid woorden,
wat ze noodzaakt soms heel gelukkig gekozen uitspraken doen. Maar over het
algemeen is elke taal arm aan geschikte woorden voor schrijvers met een
levendige fantasie. Ze bevinden zich vaak in dezelfde situatie als zeer gevatte
buitenlanders. De situaties die ze bedenken, de subtiele nuances die ze opmerken
in de karakters en hun ongekunstelde beschrijvingen, doen hen altijd afwijken
van het normale taalgebruik. Ze moeten zinswendingen kiezen die telkens weer bewonderenswaardig
zijn, als ze ten minste niet gekunsteld of onduidelijk zijn. Dat zijn fouten
die men hen meer of minder gemakkelijk vergeeft naargelang men zelf heel gevat
is en minder kennis van de taal heeft. Dat is de reden waarom de Hr. de M…..
van alle Franse schrijvers het best in de smaak valt bij de Engelsen en
Tacitus, van alle Latijnse schrijvers, het meest gewaardeerd wordt door de denkers.
De vrijheden van de taal ontgaan ons, en wij worden alleen getroffen door de
juistheid van de begrippen.
Saunderson onderwees wiskunde aan de
universiteit van Cambridge, met een opmerkelijk succes. Hij gaf lessen in
optica, hield lezingen over de aard van het licht en de kleuren, legde de
theorie uit van het zien, behandelde de werking van lenzen, het verschijnsel
van de regenboog en allerlei onderwerpen die in verband stonden met het
gezichtsvermogen en –zintuig.
Die dingen verliezen veel van hun
wonderbaarlijkheid, Mevrouw, als u bedenkt dat bij elk vraagstuk waarbij
natuurkunde vermengd is met meetkunde, drie dingen in acht genomen moeten
worden: het verschijnsel dat verklaard moet worden, de vooronderstellingen van
de meetkundige en de berekening die voorkomt uit die vooronderstellingen. Welnu,
het is duidelijk dat, hoe scherpzinnig een blinde ook is, de verschijnselen
licht en kleuren voor hem onbekend zullen zijn. Hij zal wel de aannamen
begrijpen, omdat die allemaal in verband staan met tastbare oorzaken, maar op
geen enkele manier de reden waarom de meetkundige daaraan de voorkeur heeft
gegeven boven andere, want hij zou zelfs de vooronderstellingen moeten kunnen
vergelijken met de verschijnselen zelf. De blinde neemt dus de vooronderstellingen
zoals ze hem worden gegeven: een lichtstraal als een dunne rekbare draad, of
als een reeks kleine deeltjes die ons oog raken met een ongelofelijke snelheid;
en hij rekent dienovereenkomstig. De stap van de natuurkunde naar de meetkunde
is gezet, en het vraagstuk wordt zuiver wiskundig.
Maar wat moeten we denken over de
resultaten van de berekening?
1. Dat die soms zeer moeilijk zijn
te verkrijgen; dat een natuurkundige onterecht zeer gelukkig is als hij
hypothesen bedenkt die het meest overeenstemmen met de natuur, als hij ze niet
kan laten toetsen door de meetkunde; dat ook beroemdste natuurkundigen, Galilei,
Descartes en Newton, grote meetkundigen waren.
2. Dat de resultaten minder of meer
zeker zijn, naarmate de hypothesen waarvan uitgegaan wordt minder of meer
ingewikkeld zijn. Wanneer de berekening gebaseerd is op een eenvoudige hypothese,
krijgen de gevolgtrekkingen meetkundige bewijskracht. Wanneer het aantal vooronderstellingen
zeer groot is, zal de kans dat elke hypothese juist is kleiner worden,
evenredig met het aantal hypothesen, maar anderzijds toenemen door de geringe
waarschijnlijkheid dat zoveel onjuiste hypothesen elkaar precies kunnen
opheffen, zodat een resultaat verkregen wordt dat in overeenstemming is met de
verschijnselen. In dat geval zou het hetzelfde zijn als een optelling waarvan
het resultaat juist is, hoewel de deeloptellingen bij elk toegevoegd getal
allemaal foutief zijn. Het valt niet te ontkennen dat een dergelijke bewerking
mogelijk is, maar u zult tegelijkertijd begrijpen dat dit zeer zelden voorkomt.
Hoe meer getallen er opgeteld moeten worden, des te meer waarschijnlijker dat men
zich vergist bij het toevoegen van elk getal. Maar ook dat die waarschijnlijkheid
minder groot is, als het resultaat van de bewerking juist is. Er bestaat dus
een aantal hypothesen, dat zodanig is dat de zekerheid die daaruit volgt, zo
klein mogelijk is. Als ik A plus B plus C gelijk stel aan 50, mag ik dan de
conclusie trekken dat 50 daadwerkelijk de hoeveelheid van het verschijnsel is
en de hypothesen voorgesteld door de letters A, B, en C juist zijn? Helemaal
niet, want er zijn ontelbare mogelijkheden om iets van een van een letter af te
trekken en bij de twee andere te voegen, waarna de uitkomst altijd 50 zal
bedragen. Maar het geval van drie hypothesen bijeen is misschien een van de
ongunstigste.
Een voordeel van de berekening die
ik niet mag vergeten, is het uitsluiten van onjuiste vooronderstellingen door
de strijdigheid tussen resultaat en verschijnsel. Als een natuurkundige de
kromming van een lichtstraal die de atmosfeer doorkruist wil bepalen, is hij
verplicht om rekening te houden met de dichtheid van de luchtlagen, de lichtbrekingswet,
de aard en vorm van de lichtdeeltjes en misschien nog andere wezenlijke
elementen die hij er niet bij betrekt, óf omdat hij ze vrijwillig verwaarloost,
óf omdat die hem onbekend zijn. Daarna zal hij de kromming van de straal
bepalen. Is die in de natuur anders dan zijn berekening hem verschaft? Zijn de
vooronderstellingen onvolledig of onjuist? Volgt de straal de berekende kromme?
Het is of het een of het ander: de veronderstellingen zijn onjuist of juist;
maar welk van de twee? Hij weet het niet. Toch is dat de enige zekerheid die
hij kan bereiken.
Ik heb de Élémens d’Algèbre
van Saunderson doorgebladerd in de hoop daarin te vinden wat ik te weten wilde
komen van mensen die hem van nabij meegemaakt hebben en ons enkele
bijzonderheden over zijn leven hebben verteld; maar ik werd in mijn
nieuwsgierigheid teleurgesteld. Ik heb begrepen dat de meetkundige elementen, zoals
hij die opvat, op zich een zeer merkwaardig werk zouden hebben opgeleverd, dat
echter voor ons wel van groot nut had kunnen zijn. We zouden er de definities
hebben gevonden van de punt, de lijn, het oppervlak, het vaste lichaam, de
hoek, elkaar snijdende lijnen en vlakken, en ik twijfel er niet aan dat hij een
beroep zou hebben gedaan op de beginselen van een zeer abstracte metafysica,
die zeer verwant is aan die van de idealisten. Men noemt die filosofen idealisten,
die zich slechts bewust zijn van hun eigen bestaan en van de opeenvolgende
innerlijke gewaarwordingen, en niets anders willen aanvaarden. Het lijkt me een
vergezocht systeem dat zijn ontstaan louter te danken heeft aan blinden; een
systeem dat, tot schande van de menselijke geest en de filosofie, zeer moeilijk
te bestrijden is, hoewel het het meest onzinnige is van alle filosofieën.
Doctor Berkeley, bisschop van Cloyne, heeft het in Drie Dialogen even openhartig
als duidelijk uiteengezet. De schrijver van het Essai sur nos connaissances
zou verzocht moeten worden om dit werk te bestuderen. Hij zou er stof vinden
tot nuttige, aangename, en scherpzinnige overwegingen, kortom, zoals hij dat
doorgaans doet. Het idealisme verdient zeker door hem aan de kaak gesteld te
worden en die hypothese heeft iets prikkelends, minder door haar
eigenaardigheid dan door de moeilijkheid haar grondslagen te weerleggen, want
die zijn precies dezelfde als die van Berkeley. Volgens beiden en volgens de
rede, dragen de begrippen essentie, materie, substantie, substraat enz., op
zich amper bij aan onze inzichten. Bovendien merkt de schrijver van het Essai
sur l’origine des connaissances humaines terecht op dat wij, of we ons nu
verheffen tot in de hemel of afdalen in de hel, nooit uit onszelf kunnen treden
en enkel onze eigen gedachten zien. Welnu, dat is het resultaat van de eerste Dialoog
van Berkeley en het fundament van zijn systeem. Bent u niet nieuwsgierig naar
de veroveringen van twee vijanden, van wie de wapens zo op elkaar lijken? Als
één van hen de zege toe zou komen, zou het diegene zijn die die zich daar het
best van bedient; maar de schrijver van het Essai sur l’origine des
connaissances humaines levert in zijn Traité sur les Systèmes nieuwe
bewijzen van de slimme manier waarop hij zijn wapens hanteert en toont aan hoe
gevaarlijk hij is voor de systematici.
Wij zijn nu wel heel ver afgedwaald
van onze blinden, zult u zeggen, maar u zult zo goed moeten zijn, Mevrouw, mij
al deze uitweidingen toe te staan. Ik heb u een onderhoud beloofd, maar kan
mijn woord niet houden zonder die toegeeflijkheid.
Met alle mogelijke aandacht heb ik gelezen
wat Saunderson heeft geschreven over het oneindige. Ik kan u verzekeren dat hij
over dit onderwerp heel juiste en heldere ideeën had en dat voor hem het
merendeel van onze oneindigheidsadepten blinden geweest zouden zijn. Maar het
is aan u om daar zelf over te oordelen. Hoewel die stof vrij moeilijk is en uw
wiskundige kennis enigszins te boven gaat, zal ik toch niet wanhopen nu ik mij
voorneem die binnen uw bevattingsvermogen te brengen en u in te wijden in die
oneindigheidslogica.
Het voorbeeld van deze beroemde
blinde toont aan dat de tastzin, wanneer die door oefening wordt vervolmaakt,
gevoeliger kan worden dan het gezichtsvermogen. Als hij een reeks muntstukken
door zijn handen liet glijden, kon hij de echte van de valse onderscheiden, hoewel
die zo goed waren nagemaakt, dat ze zelfs een kenner konden misleiden. Daarnaast
beoordeelde hij de nauwkeurigheid van een wiskundig instrument door zijn
vingertoppen over de verdelingen te laten gaan. Dat is vast veel moeilijker dan
door te voelen de gelijkenis te beoordelen van een borstbeeld met de persoon
die het voorstelt. Daaruit blijkt dat een volk van blinden ook beeldhouwers zou
kunnen hebben. Aan hun standbeelden zouden zij dan hetzelfde genoegen ontlenen als
wij, namelijk het vereeuwigen van de herinnering aan heldhaftige daden en
personen die hen dierbaar waren. Ik betwijfel zelfs niet dat het gevoel dat ze
ondervinden bij het aanraken van een standbeeld heviger is dan dat van ons als
wij ernaar kijken. Wat een genoegen voor een geliefde die iemand teder bemind
heeft, om met zijn handen over lieftalligheden te strijken die hij herkent. Op
een blinde moet dat droombeeld immers een veel grotere uitwerking hebben dan op
een ziende. Maar misschien zal hij ook minder verdriet hebben, naarmate hij
meer geniet van die herinnering.
Met de blinde van Puisseaux had Saunderson
gemeen, dat ook hij gevoelig was voor de geringste atmosferische wisselvalligheid
en vooral bij rustige weersomstandigheden kon hij de aanwezigheid gewaarworden
van voorwerpen die zich op enkele passen van hem af bevonden. Er wordt verteld
dat hij op zekere dag astronomische waarnemingen bijwoonde die plaatsvonden in
een tuin. De wolken, die van tijd tot tijd de zon aan het zicht van de waarnemers
onttrokken, veroorzaakten een zeer merkbare verandering van de inwerking van de
zonnestralen op zijn gezicht, die voor hem, in tegenstelling tot de waarnemers,
de gunstige momenten aangaf. U denkt misschien dat er zich in zijn ogen een of
andere trilling afspeelde, die hem wel wees op de aanwezigheid van het licht,
maar niet op die van voorwerpen. Ik zou hetzelfde als u gedacht hebben, als het
niet zeker was dat Saunderson niet alleen het gezichtsvermogen miste, maar ook
het orgaan.
Saunderson zag dus met zijn huid. Dit
omhulsel was bij hem zo uiterst gevoelig, dat men zou kunnen stellen dat hij
met wat oefening een van zijn vrienden had kunnen herkennen, als een tekenaar
diens portret op zijn hand zou tekenen. Hij had aan de hand van de opeenvolging
van de door het potlood veroorzaakte gewaarwordingen kunnen zeggen: dat is de
heer die en die. Ook voor blinden bestaat dus een schilderkunst, waarbij hun
eigen huid als doek dient. Deze gedachten zijn allesbehalve hersenspinsels,
want ik weet zeker dat als iemand op uw hand het mondje van de heer….zou tekenen,
u dat ogenblikkelijk zou herkennen. Geeft u maar toe dat dit voor een
blindgeborene nog veel gemakkelijker zou zijn dan voor u, ondanks dat u het zo
vaak ziet en zo aantrekkelijk vindt. Bij uw oordeel spelen immers de volgende twee
of drie zaken mee: de vergelijking tussen de tekening die op uw hand gemaakt
wordt, met het beeld dat binnen in uw oog gevormd wordt; de herinnering aan de
manier waarop u beïnvloed wordt door wat u voelt en graag heeft gezien en
bewonderd. Tot slot het toepassen van die gegevens op de vraag die u gesteld
wordt door de tekenaar, die u met de punt van zijn potlood op de huid van uw
hand vraagt: van wie is de mond die ik teken? Het geheel van gewaarwordingen,
dat opgewekt worden door de hand van een blinde te kussen, is hetzelfde als het
geheel van opeenvolgende gewaarwordingen, die opgewekt worden door het potlood
van de tekenaar die die mond weergeeft.
Ik zou aan het verhaal over de
blinde van Puisseaux en Saunderson, nog de verhalen kunnen toevoegen over
Didymus van Alexandrië, Eusebius de Aziaat en Nicasius van Mechelen, en verschillende
anderen, die met een zintuig minder zo ver verheven waren boven de rest van de
mensheid, dat de dichters zonder overdrijving konden verklaren dat de jaloerse
goden hen beroofd hadden van een zintuig, uit angst dat ze onder de
stervelingen hun gelijken zouden krijgen. Want hoe zat het met die Tiresias,
die de geheimen der goden had gelezen, de gave bezat om de toekomst te
voorspellen, en een blinde filosoof was, over wie de overlevering ons de
herinnering heeft nagelaten? Maar wij zullen niet verder afdwalen van
Saunderson en deze buitengewone man volgen tot aan zijn graf.
Toen hij op sterven lag werd een
zeer kundig geestelijke bij hem ontboden, de heer Gervaise Holmes. Ze hadden
een gesprek over het bestaan van God, waarvan enkele fragmenten bewaard zijn
gebleven die ik zo goed als mogelijk voor u zal vertalen, want ze zijn zeer de
moeite waard. De geestelijke had begon met hem over de wonderen van de natuur: “Wel,
meneer, antwoordde de blinde filosoof, praat me niet over dat mooie schouwspel
dat nooit voor mij is opgevoerd! Ik ben veroordeeld om mijn leven in duisternis
door te brengen, en u vertelt me over wonderen die ik niet begrijp en slechts iets
bewijzen voor uzelf en diegenen die kunnen zien. Als u wilt dat ik in God
geloof, dan moet u mij hem maar laten aanraken.”
Mijnheer, antwoordde de geestelijke
sluw, leg uw handen op uzelf en u zult de goddelijkheid aantreffen in het
volmaakte mechaniek van uw organen. “Mijnheer Holmes,” antwoordde Saunderson, “ik
zeg u nogmaals, dat dit allemaal voor mij niet zo mooi is als voor u. Maar is
het dierlijk mechaniek wel zo volmaakt als u beweert? Ik wil dat graag geloven,
want u bent een oprecht man die mij nooit zou bedriegen. Maar wat heeft dat mechaniek
gemeen met een intelligent Opperwezen? Als u zich verwondert, komt dat misschien
omdat u de gewoonte hebt om alles wat uw krachten te boven gaat als een wonder
te zien. Ikzelf ben voor u zo vaak het voorwerp van bewondering geweest, dat ik
geen hoge dunk heb over wat u bewondert. Uit de verste uithoeken van Engeland
heb ik mensen aangetrokken die niet konden begrijpen hoe ik de meetkunde
beoefende. U moet begrijpen dat die mensen geen erg juist idee hadden van de
mogelijkheden van de dingen. Als volgens ons een verschijnsel de mens te boven
gaat, zeggen wij onmiddellijk: dat is het werk van God. Met minder neemt onze
ijdelheid geen genoegen. Zouden wij in onze gesprekken niet wat minder
ijdelheid kunnen leggen en wat meer filosofie? En als de natuur ons een knoop
biedt, die moeilijk valt te ontwarren, laten we die laten voor wat zij is, en
om die door te hakken niet de hand bezigen van een Wezen dat vervolgens voor
ons een nieuwe knoop bedenkt die nog veel onontwarbaarder is dan de eerste. Vraag
eens aan een Indiër waarom de aarde in de lucht blijft hangen. Hij zal u
antwoorden dat de aarde gedragen wordt op de rug van een olifant. En waarop rust
de olifant? Op een schildpad. En wie ondersteunt de schildpad?… U heeft
medelijden met deze Indiër, maar men zou zowel tegen u als hem kunnen zeggen:
“Mijnheer Holmes, goede vriend, geef eerst toe dat u het niet weet en bespaar
me de olifant en schildpad”.
Saunderson zweeg een ogenblik. Hij
verwachtte blijkbaar een antwoord van de geestelijke. Maar hoe een blinde aanpakken?
De heer Holmes beriep zich op de hoge dunk die Saunderson over hem had gekregen
en op de inzichten van Newton, Leibniz, Clarke en nog een aantal van zijn
landgenoten, de belangrijkste genieën ter wereld, die allemaal getroffen waren
geweest door de wonderen der natuur en als haar schepper een intelligent Wezen
hadden erkend. Dat was ontegenzeggelijk het beste wat de geestelijke tegen
Saunderson kon inbrengen. Ook de brave blinde gaf toe, dat het stoutmoedig zou
zijn te ontkennen dat iemand als Newton, het niet beneden zijn waardigheid
geacht had dat toe te geven.
Hij hield de geestelijke echter voor
dat de getuigenis van Newton voor hem even zwaar woog als de die van de hele
natuur voor Newton, en dat Newton Gods woord geloofde, en dat hij zich in
plaats daarvan beperkte tot het woord van Newton.
“Bedenk, Mijnheer Holmes,” voegde
hij daaraan toe, “hoeveel vertrouwen ik moet hebben in uw woord en in dat van
Newton. Ik zie niets en ervaar toch in alles een bewonderenswaardige orde; maar
ik reken erop dat u niet meer van mij zult verlangen. Ik leg mij neer bij uw
opvatting over de huidige toestand van het universum, maar verlang daarvoor in
de plaats van u dat u mijn vrijheid geeft om te denken wat ik wil over zijn oude
en oorspronkelijke toestand, waarvoor u even blind bent als ik. Om mij te
bestrijden kunt u geen beroep doen op getuigen en bieden uw ogen geen uitweg. U
mag zich verbeelden, zo u wilt, dat die orde die u opvalt er altijd geweest is,
maar laat mij geloven dat die nergens is en dat wij, als we zouden terugkeren
naar het begin der tijden en dingen en getuige zouden zijn van een bewegende
materie en een zich ontwarrende chaos, een groot aantal vormeloze wezens zouden
ontwaren en maar een paar goed gevormde. Als ik niets tegen u kan inbrengen
over de huidige toestand der dingen, dan kan ik u op zijn minst ondervragen
over hun voorbije toestand. Ik zou u bijvoorbeeld kunnen vragen wie aan u,
Leibniz, Clarke en Newton heeft verteld dat, bij het ontstaan van de dieren, de
een geen kop en de ander geen poten had? Ik kan tegen u beweren dat sommige
geen maag hadden en andere geen ingewanden; dat zij, bij welke een maag, een verhemelte
en tanden het voortbestaan leken te voorspellen, ten onder zijn gegaan aan een
kwaal van hart of longen; dat de misbaksels achtereenvolgens zijn uitgestorven;
dat alle ondeugdelijke vormsels van de materie zijn verdwenen en alleen die
zijn overgebleven waarvan het mechaniek geen belangrijke tegenstrijdigheid
bevatte. Die konden zelfstandig blijven bestaan en zich voortplanten.
Maar stel dat de eerste mens een
gesloten strottenhoofd en gebrek aan geschikt voedsel had gehad, als hij zijn
voorplantingsorganen verkeerd gebruikt had en metgezellin niet tegen was
gekomen en opgegaan was in een andere soort, Mijnheer Holmes, wat was er dan
terechtgekomen van de mensheid? Zij zou opgegaan zijn in de algehele loutering
van het universum en dat hoogmoedige wezen dat zich mens noemt, zou zijn
opgelost en verspreid tussen de moleculen van de materie, en misschien voor altijd
tot het aantal mogelijkheden behoord hebben.
Als er nooit vormeloze wezens waren
geweest, zou u vast beweren dat die er ook nooit zullen zijn en ik me overgeef
aan hersenschimmige hypothesen. Maar de orde is nooit zo volmaakt,” ging
Saunderson verder, “dat er toch niet af en toe monsterlijke vormsels
verschijnen.” Vervolgens keerde hij zich naar de geestelijke en voegde hem
toe: “Kijk goed naar me, Mijnheer Holmes, ik heb geen ogen. Wat hebben wij, u
en ik, God aangedaan, de een om dat orgaan wel te bezitten en de ander om het
te moeten missen?”
Terwijl hij deze woorden uitsprak keek
Saunderson zo oprecht en ernstig dat de geestelijke en de rest van het
gezelschap niet konden verhinderen dat ze deelachtig werden aan zijn verdriet
en bittere tranen over hem begonnen te wenen. De blinde merkte dat: “Mijnheer
Holmes,” sprak hij tot de geestelijke, “de goedheid van uw hart was mij
welbekend en ik ben zeer gevoelig voor het bewijs dat u mij in mijn laatste
momenten daarvan levert; maar als ik u dierbaar ben, misgun mij dan niet op
mijn sterfbed de troost nooit iemand verdriet aangedaan te hebben.”
Vervolgens hernam hij een
krachtigere toon en voegde daaraan toe: “Ik vermoed dus dat bij het allereerste
begin, toen de gistende materie het universum deed ontluiken, mensen zoals ik
heel gewoon waren. Maar waarom zou ik over de werelden niet hetzelfde beweren,
wat ik over de dieren denk? Hoeveel mislukte en gebrekkige werelden zijn er
verdwenen, vormen zich opnieuw en verdwijnen misschien elk moment, in de verre
ruimten, die ik niet kan aanraken en u niet kunt zien? Maar waar het bewegen
doorgaat en zal doorgaan met het bijeenbrengen van brokken materie, totdat die
een ordening gekregen hebben waarin zij kunnen blijven bestaan. O filosofen,
begeef u toch samen met mij naar de uithoeken van dit universum, voorbij het
punt waar ik goedgevormde wezens voel en u ze ziet. Laat u ronddrijven in die
nieuwe oceaan en zoek dwars door haar woelige wervelingen heen wat
overblijfselen van dit intelligente Wezen waarvan u hier de wijsheid bewondert!
Maar wat voor zin heeft het om u uit
uw element te halen? Wat is dit voor een wereld, Mijnheer Holmes? Een geheel
dat onderhevig is aan omwentelingen, die allemaal zonder uitzondering streven
naar vernietiging, een snelle opeenvolging van wezens die groeien en weer
verdwijnen; een voorbijgaande symmetrie, een kortstondige orde. Zo-even verweet
ik u dat u de volmaaktheid der dingen afmeet naar uw eigen begripsvermogen. Ik
zou u er hier van kunnen beschuldigen dat u hun bestaansduur afmeet aan de duur
van uw dagen. U oordeelt over het opeenvolgende bestaan van de wereld als de
eendagsvlieg over het uwe. Voor u is de wereld eeuwig, zoals u eeuwig bent voor
het schepsel dat slechts een ogenblik leeft. Dan nog is het insect redelijker
dan u. Wat voor wonderlijke opeenvolging van kortstondige generaties bewijst uw
eeuwigheid? Wat een onafzienbare overlevering! Toch zullen wij allemaal
voorbijgaan, zonder dat we de ware uitgestrektheid van dit bestaan kunnen
doorgronden, noch de precieze tijd die we hebben doorgebracht. Tijd, materie en
ruimte zijn misschien slechts één punt.”
Saunderson wond zich tijdens dit
gesprek wat meer op dan zijn toestand hem toeliet. Hij kreeg een aanval van
geestverwarring die enkele uren duurde en waaruit hij slechts ontwaakte om uit
te roepen: “O god van Clarke en Newton, heb erbarmen met mij! en te
sterven.
Zo stierf Saunderson. U ziet dus,
Mevrouw, dat alle argumenten die hij zo-even tegen de geestelijke had
ingebracht, zelfs een blinde niet gerust konden stellen. Wat een schande voor de
lieden die geen betere argumenten hebben dan hij, lieden die wel kunnen zien en
aan wie het verwonderlijke schouwspel van de natuur van zonsopgang tot het
verdwijnen van de kleinste sterren, het bestaan en de glorie van haar schepper
verkondigt! Zij hebben de ogen, die Saunderson miste; maar Saunderson had een
zuivere levenswandel en oprecht karakter, die zij ontberen. Ook zij leven als
blinden, en Saunderson sterft alsof hij ziende geweest is. Bij hem liet de stem
der natuur zich voldoende horen, dwars door de zintuigen heen, die hem nog
restten. Zijn getuigenis tegen de lieden die hardnekkig oren en ogen sluiten,
werd daardoor alleen maar krachtiger. Ik vraag me vaak af of de ware god niet
meer versluierd was voor Socrates door de duisternis van het heidendom, dan
voor Saunderson door het ontberen van het gezichtsvermogen en het schouwspel
der natuur.
Het spijt me werkelijk, Mevrouw, dat
men ons, tot uw en mijn genoegen, niet meer interessante bijzonderheden heeft
doorgegeven. Misschien zouden er dan uit zijn antwoorden meer inzichten te
halen vallen dan uit alle onderzoeken die men zich voorneemt. De mensen die met
hem omgingen waren veel erger dan filosofen. Ik maak echter een uitzondering
voor zijn leerling, de heer William Inchlif, die Saunderson pas in zijn laatste
dagen heeft ontmoet en voor ons zijn laatste woorden heeft opgetekend. Ik raad
eenieder, die een beetje Engels kent, aan om de originele tekst te lezen, in
zijn boek dat gepubliceerd werd te Dublin in 1747, met als titel: “The Life
and character of Dr. Nicholas Saunderson late lucasian Professor of mathematics
at the university of Cambridge; by his disciple and friend William Inchlif,
Esq.” Die woorden vallen op door een innemendheid, kracht, waarachtigheid
en mildheid die men in geen enkel ander geschrift tegenkomt. Die heb ik u helaas
niet kunnen overbrengen, ondanks al mijn inspanningen om ze in mijn vertaling
te handhaven.
In 1713 huwde hij de dochter van de
heer Dickons, rector van Boxworth, in de buurt van Cambridge. Zij kregen een
zoon en een dochter die nog in leven zijn. De afscheidswoorden die hij tot zijn
gezin richtte zijn zeer ontroerend: “Ik ga daarheen,” sprak hij, “waar we
allemaal heen zullen gaan; bespaar me weeklachten die mij ontroeren. Jullie geklaag
maakt me gevoeliger voor mijn eigen klachten.
Zonder moeite neem ik afscheid van
een leven dat voor mij slechts één lange hunkering en doorlopend gemis was. Leef
even deugdzaam maar gelukkiger dan ik en leer even vreedzaam te sterven.” Vervolgens
pakte hij de hand van zijn vrouw en hield die een moment in de zijne; hij keerde
zijn gelaat naar haar toe, alsof hij haar probeerde zien; hij zegende zijn
kinderen, omhelsde ze allemaal en vroeg hen weg te gaan, omdat zij zijn gemoed
erger beproefden dan de naderende dood.
Engeland is het land van filosofen,
nieuwsgierigen en systematici. Toch zouden we zonder de Hr. Inchlif over
Saunderson niet meer geweten hebben dan wat meest alledaagse mensen verteld
hebben.
Hij herkende bijvoorbeeld de
plaatsen waar hij ooit was geweest, aan het geluid van de muren en straatstenen,
dat zij toen maakten en honderd en een gelijksoortige dingen, die hij gemeen
had met bijna alle blinden. Hoezo? zo vaak komt men in Engeland toch geen
blinden tegen die even verdienstelijk zijn als Saunderson? en kan men er soms dagelijks
mensen tegenkomen die nooit hebben gezien en toch lessen in de optica geven?
Er worden pogingen gedaan om
blindgeborene het gezichtsvermogen terug te geven, maar bij nader inzien zal
men, denk ik, ontdekken dat de filosofie heel wat meer baat kan hebben door een
blinde met gezond verstand te raadplegen. Men zou daarbij kunnen leren wat er
zich in hem afspeelt en dat vergelijken met de manier waarop dat bij ons
gebeurt. Daaruit zouden misschien de oplossingen gehaald kunnen worden voor de
problemen die de theorie van het zien en de zintuigen zo onbeholpen en onzeker
maken. Maar ik geeft toe dat ik niet begrijp wat men dan verwacht van iemand
die net een pijnlijke operatie heeft ondergaan van zo een uiterst gevoelig
orgaan, dat bij de geringste kwetsing ontregelt en vaak diegenen misleidt, bij
wie het wel gezond is en die lang van de voordelen ervan genieten. Zelf zou ik
liever luisteren naar een theorie over de zintuigen van een metafysicus die
vertrouwd is met de beginselen van de natuurkunde, de elementen van de wiskunde
en de bouw van de organen, dan die van iemand zonder opleiding en kennis, bij
wie men het zicht heeft hersteld door een staaroperatie. Ik zou minder
vertrouwen stellen in de antwoorden van iemand die voor het eerst kan zien, dan
in de bevindingen van een filosoof die in het verborgene goed over de dingen
heeft nagedacht; of, om het voor u in dichterlijke taal te zeggen, ‘die zijn
ogen bedorven heeft om beter te begrijpen wat het gezichtsvermogen eigenlijk is.’
Als men aan het onderzoek enige
zekerheid wil geven, moet de proefpersoon langdurig voorbereid en opgeleid worden.
Misschien moet men hem filosoof maken, maar een filosoof maken is niet zomaar
gebeurd, zelfs men het al is, en wat als men geen filosoof is? en nog erger, als
men denkt het te zijn! Het is het beste niet eerder met de waarnemingen te
beginnen, dan geruime tijd na de operatie.
Daartoe zou men de zieke in het
donker moeten behandelen en zich er terdege van vergewissen dat de wond genezen
is en de ogen weer gezond zijn. Ik zou niet willen dat hij meteen aan het volle
daglicht blootgesteld wordt. De schittering van een fel licht verhindert ook
ons te zien. Wat voor uitwerking moet dat dan niet hebben op een orgaan, dat het
allergevoeligst is als het nog geen enkele indruk heeft gehad, waardoor het
heeft kunnen wennen.
Maar dat is nog niet alles. Het
blijft een heel hachelijke zaak om iets te hebben aan iemand die op deze manier
voorbereid is, en hem zo scherpzinnig te ondervragen, dat hij nauwkeurig kan vertellen
wat er in hem omgaat. De ondervraging zou plaats moeten vinden in een volle
academiezaal. Om niet teveel toeschouwers te hebben, zouden voor die
bijeenkomst beter slechts mensen uitgenodigd moeten worden die dat verdienen door
hun kennis op filosofisch, anatomisch, enz. gebied ………Ook de bekwaamste mensen
en de grootste denkers zouden daarvoor niet te goed zijn. Een blindgeborene
voorbereiden en ondervragen zou een bezigheid zijn geweest, die de gezamenlijk
talenten van Newton, Descartes, Locke en Leibniz waardig zou zijn geweest.
Ik beëindig deze al veel te
uitvoerige brief met een vraag die al lang geleden werd gesteld. Enige
overdenkingen over de opmerkelijke toestand van Saunderson hebben me duidelijk
gemaakt dat die vraag nooit helemaal beantwoord is. Men neemt aan dat een
blindgeborene die volwassen geworden is en aan wie wordt geleerd met behulp van
zijn tastzin onderscheid te maken tussen een kubus en een bol, beiden van
hetzelfde metaal en ongeveer van dezelfde grootte, kan zeggen, als hij ze
betast, wat de bol is en wat de kubus. Men neemt ook aan dat, als de kubus en
de bol op een tafel zijn geplaatst en men dat dan vraagt aan die blinde die pas
kan zien, als hij ze wel kan zien maar niet kan aanraken, hij ze van elkaar kan
onderscheiden en zeggen wat de kubus en wat de bol is.
De Hr. Molineux was de eerste die
deze vraag stelde en ook probeerde te beantwoorden. Hij stelde dat de blinde
geen onderscheid zou kunnen maken tussen de bol en de kubus; “want,” zo zei
hij, “hoewel de blinde door ervaring heeft geleerd hoe een bol en een kubus
zijn aanraking beïnvloeden, dan weet hij daarom nog niet dat wat zijn aanraking
zus of zo beïnvloedt, op de een of andere manier zijn ogen moet treffen. Hij
weet ook niet hoe een vooruitstekende hoek van de kubus, die op een onregelmatige
manier tegen zijn hand drukt, voor zijn ogen moet verschijnen, zoals die aan de
kubus zit.
Toen Locke geraadpleegd werd over
dit onderwerp, zei hij: “Ik ben het helemaal eens met de Hr. Molineux. Ik denk
dat de blinde, na een eerste blik, helemaal niet in staat zou zijn om met enige
zekerheid te bepalen wat de kubus is en wat de bol, door ze alleen te bekijken.
Maar als hij ze zou kunnen betasten kan hij ze vast benoemen en onderscheiden
door hun verschil in vorm, die hij door het aanraken kan herkennen.”
De Hr. Abbé de Condillac, van wie u
met evenveel plezier als profijt het Essai sur l’origine des connoissances
humaines hebt gelezen, en van wie ik u samen met die brief het uitmuntende Traité
des Systêmes heb gestuurd, heeft hierover een bijzondere mening. Het is
onnodig u de redenen te vertellen waarop hij die baseert. Dat zou u het plezier
kunnen ontnemen om het werk te herlezen waarin ze op een zó aangename en
filosofische manier zijn uiteengezet, dat ik van mijn kan teveel op het spel
zou zetten door ze hier weer te geven. Ik beperk me ertoe op te merken dat ze
allemaal neerkomen op proberen te bewijzen dat de blindgeborene niets ziet, of
de bol en kubus anders ziet en dat de voorwaarden dat de twee voorwerpen van
hetzelfde metaal moeten zijn en ongeveer even groot – wat men van belang achtte
bij de vraagstelling – overbodig zijn. Dat kan niet betwist worden. Immers, als
er gezegd zou kunnen worden dat er geen enkel wezenlijk verband bestaat tussen
de gewaarwording van het zicht en die van de tastzin, zoals de heren Locke en
Molineux beweren, dan zouden ze toch toe moeten geven dat een voorwerp van 2
voet groot door een hand bedekt kan worden. De Hr. de Condillac voegt daar
echter aan toe dat, in het geval dat de blindgeborene de voorwerpen ziet en de
vormen kan onderscheiden, maar toch twijfelt over de mening die hij daarover
uit moet spreken, dat alleen maar kan voortkomen uit zeer vergezochte metafysische
redenen, die ik u straks zal uitleggen.
Dit zijn dus twee verschillende meningen
over één en hetzelfde vraagstuk en van filosofen van het grootste kaliber. Het
zou kunnen lijken dat er, nadat het behandeld is door mensen als de heren Molineux,
Locke en Abbé de Condillac, niets meer over te zeggen valt. Maar er zijn zoveel
invalshoeken van waaruit hetzelfde probleem bekeken kan worden, dat het me niet
zou verbazen dat ze niet allemaal uitputtend zijn behandeld.
Zij die beweerd hebben, dat de
blindgeborene een kubus van een bol kan onderscheiden, zijn uitgegaan van een
veronderstelling die misschien van belang is te onderzoeken, namelijk of een
blindgeborene, die van de staar gestoken wordt, in staat is meteen na de
operatie zijn ogen te gebruiken. Ze hebben alleen maar gezegd: “De blindgeborene
die de beelden van bol en kubus, die hij door te voelen verkregen heeft, vergelijkt
met de beelden die hij krijgt door ze te zien, zal zeker weten dat het dezelfde
lichamen betreft. Het zou voor hem immers heel vreemd zijn, als hij zou beweren
dat de kubus hem het beeld geeft van een bol en de bol het beeld van een kubus.
Hij zal dus bij het zien en betasten van de bol en de kubus beide lichamen
juist benoemen.”
Maar wat was het antwoord en de
redenering van hun tegenstanders? Ze zijn er eveneens vanuit gegaan dat de
blindgeborene kan zien, zodra zijn ogen genezen zijn. Ze hebben gedacht dat een
van de staar gestoken oog vergelijkbaar is met een arm die genezen is van een verlamming:
die heeft namelijk geen oefening nodig om te kunnen voelen. En ze voegden daaraan
toe: “Ken de blindgeborene een beetje meer filosofie toe dan wat u hem er nu van
geeft, dan zal hij, na de redenering voortgezet te hebben tot waar u hem hebt
laten liggen, daarmee zelf verdergaan. Maar wie kan mij verzekeren dat mijn
handen, als ik die voorwerpen nader en ze daarop leg, niet meteen mijn
verwachting zullen misleiden en de kubus mij de indruk van een bol zal geven en
de bol die van een kubus? Alleen de ervaring kan mij leren of er een eenduidig
verband bestaat tussen zicht en tastzin. De twee zintuigen
zouden wat betreft hun resultaten met elkaar in tegenspraak kunnen zijn, zonder
dat ik daar iets van zou merken. Misschien zou ik zelfs kunnen denken dat wat er
in mijn gezichtsveld verschijnt slechts schijn is, als mij niet verteld zou
zijn dat het dezelfde lichamen betreft, die ik eerder heb aangeraakt. Het lijkt
me dat dit ene het voorwerp moet zijn dat ik kubus noem en dat andere daar de
bol; maar mij wordt niet gevraagd wat het me lijkt, maar wat het is en ik ben
op geen enkele manier in staat een afdoend antwoord te geven op die vraag.”
Deze redenering, zegt de schrijver
van het “Essai sur l’origine des connaissances humaines”, zou erg verwarrend
zijn voor de blindgeborene en ik zie dat alleen de ervaring hier een antwoord
kan verschaffen. Het heeft er alle schijn van dat de Hr. Abbé de Condillac hier
niets wil zeggen over de ervaring de blindgeborene zou opdoen door de voorwerpen
nogmaals te betasten. U zult straks begrijpen waarom ik deze opmerking maak. Deze
slimme metafysicus had daar overigens aan toe kunnen voegen, dat een
blindgeborene het evenmin onzinnig zou vinden om te veronderstellen dat twee
zintuigen met elkaar in tegenspraak kunnen zijn, als zich voor te stellen dat
een spiegel daar een beeld van maakt, zoals ik hierboven heb opgemerkt.
Vervolgens merkt de Hr. de Condillac
op dat de Hr. Molineux de vraag ingewikkeld heeft gemaakt door een aantal
voorwaarden, die de problemen die de metafysica zou betekenen voor de
blindgeborene evenmin kunnen voorkomen als oplossen. Deze opmerking is des te
meer terecht omdat de metafysica die men aan de blindgeborene toeschrijft, niet
misplaatst is, omdat in die filosofische vraagstukken de ervaring altijd opgedaan
moet worden door een filosoof. Dat wil zeggen, door iemand die bij de vragen
die hem gesteld worden alles doet wat de redenering en de toestand van zijn
zintuigen hem daarvan laten zien.
Kort samengevat, Mevrouw, is dit wat
er voor en tegen dit vraagstuk ingebracht kan worden en door het onderzoek dat
ik daarover zal verrichten, zult u zien dat degenen die hebben uitgesproken dat
de blindgeborene vormen ziet en voorwerpen kan onderscheiden, allesbehalve in
de gaten hadden dat ze gelijk hadden en hoezeer degenen die dat ontkenden,
redenen hadden om te denken dat ze geen ongelijk hadden.
Als het vraagstuk van de
blindgeborene wat algemener opgevat wordt dan de Hr. Molineux gesteld heeft, blijkt
dat daar twee andere vragen in besloten liggen, die we afzonderlijk zullen
behandelen. Het betreft de vraag, 1. Of de blindgeborene meteen na de
staaroperatie kan zien. 2. In het geval hij wel kan zien, of hij dan voldoende
kan zien om vormen te onderscheiden, of hij in staat zal zijn, als hij ze ziet
daaraan met zekerheid dezelfde namen toe te kennen die hij gegeven heeft bij
het betasten en of hij kan aantonen dat die benamingen juist zijn.
Kan de blindgeborene meteen zien na
de genezing van zijn zintuig? Degenen die beweren dat hij dan niet kan zien,
zeggen: “Zodra de blindgeborene de mogelijkheid heeft om zijn ogen te gebruiken,
wordt het hele tafereel vanuit zijn oogpunt, afgebeeld op zijn netvlies. Dit
beeld is samengesteld uit een oneindig aantal voorwerpen, samengebracht in een
zeer kleine ruimte. Het is slechts een wirwar van vormen, die hij niet van
elkaar zal kunnen onderscheiden. Men is het er nagenoeg over eens dat hij uitsluitend
door ervaring de afstand van de voorwerpen kan leren beoordelen. Daartoe is het
ook noodzakelijk dat hij de voorwerpen benadert, aanraakt, en afstand neemt en weer
nadert en opnieuw aanraakt, om zich ervan te vergewissen dat ze geen deel van
zichzelf zijn, geen deel uitmaken van zijn bestaan, en zich nu eens dichtbij en
dan weer veraf van hem bevinden. Waarom zou hij geen ervaring nodig hebben om
die te kunnen zien? Als iemand zonder ervaring de voorwerpen voor het eerst
ziet, moet hij zich wel verbeelden dat zij, als zij zich van hem verwijderen of
hij zich van hen, en buiten zijn gezichtsveld raken, niet meer bestaan. Immers
alleen door de ervaring die we opdoen over altijd aanwezige voorwerpen en ze steeds
op dezelfde plaats terugvinden waar we ze achtergelaten hebben, weten we zeker
dat ze in de verte blijven bestaan. Misschien is dat wel de reden dat kinderen
zo gauw getroost zijn als hen hun speelgoed afgepakt wordt. Men mag niet zeggen
dat zij ze meteen vergeten. Als men namelijk bedenkt dat er kinderen van
tweeëneenhalf zijn die al over een aanzienlijke woordenschat beschikken en het
hen minder moeite kost om ze te onthouden dan uit te spreken, zal men ervan
overtuigd zijn dat de kindertijd de tijd van het geheugen is. Is het dan niet
heel vanzelfsprekend te veronderstellen dat kinderen denken dat wat ze niet
meer zien ook niet meer bestaat? Vooral omdat hun vreugde gepaard gaat met
verwondering, als ze de uit het zicht verloren voorwerpen weer zien opduiken.
De opvoedsters leren hen het idee van het blijven bestaan van afwezige
voorwerpen, door ze te oefenen met een spelletje waarbij het gezicht bedekt en
dan opeens weer getoond wordt. Op die manier doen ze in een mum van tijd de
ervaring op, dat wat niet meer zichtbaar is, daarom nog niet ophoudt te
bestaan. Daaruit volgt dat wij het idee van het voortbestaan van voorwerpen
danken aan de ervaring; dat we door ze aan te raken het idee krijgen van hun
afstand; dat het oog misschien moet leren zien, zoals de tong moet leren
spreken; dat het niet verrassend is dat zintuigen elkaar nodig hebben, en dat de
tastzin ons verzekert van het bestaan van de voorwerpen buiten ons, als die
zich voor onze ogen bevinden, waardoor dat misschien het zintuig is dat voor
ons bij uitstek geschikt is om, ik zeg niet alleen hun vorm en veranderingen,
maar ook hun aanwezigheid vast te stellen.”
Voeg aan die argumenten de beroemde
experimenten toe van Cheselden (Zie: Elémens de la Philosophie de Newton,
door de Hr. Voltaire). De jongeman die deze bekwame chirurg van de staar had
gestoken, kon lange tijd geen afmetingen, afstanden, situaties en zelfs geen
vormen onderscheiden. Als een voorwerp van een pink groot voor zijn ogen
gehouden werd en daardoor voor hem een huis verborg, leek voor hem even groot
als het huis zelf. De voorwerpen bevonden zich allemaal op zijn ogen en voor
hem was het alsof ze daarop gelegd waren, zoals bij het voelen de voorwerpen
dat op de huid doen. Wat hij met zijn handen rond had gevonden, kon hij niet
meer onderscheiden van wat voor hem hoekig was geweest. Met zijn ogen kon hij
niet iets als hoog en laag zien, wat hij als hoog of laag had gevoeld. Hij
slaagde erin, zij het met veel moeite, te zien dat zijn huis veel groter was
dan zijn kamer, maar kon op geen enkele manier begrijpen hoe het oog hem dat
idee kan geven. Hij moest herhaaldelijk oefenen om zich ervan te vergewissen
dat een schilderij voorwerpen afbeeldde. En toen hij er, door schilderijen te
bekijken, van overtuigd was dat het niet alleen vlakken waren die hij zag,
legde hij zijn hand erop en was zeer verbaasd slechts een vlak oppervlak te
voelen zonder enige oneffenheid. Hij vroeg zich toen af wie de bedrieger was:
de tastzin of het zicht.
De eerste keer dat natuurvolkeren
een schilderij zagen had dat overigens op hen dezelfde uitwerking. Ze zagen de
geschilderde figuren aan voor echte mensen, stelden hen vragen en waren heel
verwonderd toen ze geen enkel antwoord kregen. Deze vergissing kwam bij hen vast
niet voort uit weinig kijken.
Maar wat is het antwoord op de andere
problemen? Hoe komt het dat een geoefend oog van een volwassene voorwerpen
beter kan zien dan het eenvoudige en geheel nieuwe zintuig van een kind of van
een blindgeborene, bij wie net de staar verwijderd is? Kijkt u eens, Mevrouw,
naar alle bewijzen die de Hr. Abbé de Condillac hiervoor geeft aan het einde
van zijn Essai sur l’origine des connaissances humaines, waar hij
bedenkingen opwerpt tegen de experimenten die door Cheselden verricht zijn en waarvan
de heer Voltaire verslag heeft gedaan. De uitwerking van licht op een oog dat
daar voor het eerst aan blootgesteld wordt, de vereiste toestand van het
oogvocht van dit orgaan, het hoornvlies, de kristallens enz… worden daar heel
duidelijk en doeltreffend uitgelegd, en laten er nauwelijks twijfel over
bestaan dat het gezichtsvermogen zeer onvolmaakt werkzaam is bij een kind dat
voor het eerst de ogen opent of een blinde die door een operatie het zicht
krijgt.
We moeten dus toegeven dat we
oneindig veel meer zien in voorwerpen, die het kind of de blindgeborene niet
zien, hoewel die zich op dezelfde manier op hun netvlies aftekenen; dat het
niet voldoende is dat de voorwerpen bij ons binnenkomen; dat we eveneens moeten
letten op de indrukken die ze maken; dat men daardoor de eerste keer dat men de
ogen gebruikt niets ziet; dat men bij de eerste momenten van het kijken slechts
getroffen wordt door een overvloed aan verwarde gewaarwordingen, die zich pas
na verloop van tijd en door middel van de gebruikelijke overwegingen over wat
zich in ons afspeelt, ontwarren; dat alleen ervaring ons leert de
gewaarwordingen te vergelijken met datgene dat ze veroorzaakt; dat de
gewaarwordingen in wezen in niets overeenkomen met de voorwerpen, maar dat de
ervaring ons moet leren wat de overeenkomsten zijn, wat louter een kwestie van
afspraak lijkt te zijn. Kortom, er valt niet aan te twijfelen dat de tastzin
heel belangrijk is om het oog nauwgezet op de hoogte te brengen van de
overeenkomst tussen het voorwerp en het beeld dat het daarvan krijgt. Ik denk
dat wij, als zich in de natuur niet alles af zou spelen volgens zeer algemene
wetten — dat bijvoorbeeld het prikken van bepaalde voorwerpen pijnlijk is en
dat van andere gepaard gaat met een aangenaam gevoel — zouden sterven zonder een
honderd miljoenste deel van de ervaringen te hebben opgedaan, die noodzakelijk
zijn voor het behoud van ons lichaam en welzijn.
Toch ben ik van mening dat het oog
in staat is om van zichzelf te leren, of, als ik het zo mag zeggen, zelf te
experimenteren. Het is niet nodig te kunnen zien om zich door middel van de
tastzin te vergewissen van bestaan en vorm van voorwerpen. Waarom zou men
voorwerpen, als men ze kan zien, moeten aanraken om er zeker van te zijn dat
het dezelfde zijn? Ik ken alle voordelen van de tastzin en heb ze niet verbloemd
toen het ging over Saunderson of de blinde van Puisseaux; maar ik heb dat toen
niet onderkend. Het valt eenvoudig te begrijpen dat het gebruik van een van zintuigen
misschien vervolmaakt en versneld kan worden door waarnemingen van een ander
zintuig; maar dat geldt volstrekt niet als er bij hun functioneren sprake is
van een wezenlijke onderlinge afhankelijkheid. Het staat vast dat voorwerpen
eigenschappen bezitten die we zonder aanraking nooit zouden ontdekken. De tastzin
licht ons in over de aanwezigheid van bepaalde veranderingen die voor het oog
niet waarneembaar zijn, en pas waargenomen worden als door dat zintuig daarop
gewezen is. Maar die diensten zijn wederkerig. Bij personen bij wie het zicht
beter is ontwikkeld dan de tastzin wijst het eerste zintuig het andere op het
bestaan van voorwerpen en veranderingen die het anders zouden ontgaan door hun nietigheid.
Als er buiten uw weten een vel papier of een of ander dun, glad en buigzaam
voorwerp tussen uw duim en wijzervinger geplaatst zou worden, zou alleen uw oog
u kunnen vertellen dat uw vingers niet rechtstreeks contact met elkaar maken. Ik
merk terloops op dat het oneindig veel moeilijker is om een blinde daarmee te
misleiden dan iemand die gewoon kan zien.
Een levendig en beweeglijk oog heeft
zonder twijfel moeite om vast te stellen dat de voorwerpen buiten zichzelf geen
deel uitmaken van zichzelf; dat ze nu eens dichtbij zijn en dan weer veraf; dat
het ene veel groter is dan het andere; dat het afbeeldingen zijn; dat ze diepte
hebben, enz.,….. Maar toch twijfel ik er geenszins aan dat het ze uiteindelijk ziet,
en duidelijk genoeg ziet om op zijn minst daarvan grofweg de grenzen te
onderscheiden. Dat ontkennen, zou betekenen de bestemming van de zintuigen uit
het oog verliezen; dat de belangrijkste kenmerken van het zicht vergeten worden;
dat ontkend wordt dat geen enkele schilder vaardig genoeg is om de schoonheid
en de nauwkeurigheid te benaderen van de miniaturen die zich aftekenen op ons
netvlies; dat niets een nauwkeurigere gelijkenis vertoont dan het beeld en het
afgebeelde voorwerp; dat het doek van dit schilderij niet zo klein is; dat er
geen enkele verwarring tussen de vormen bestaat; dat zij een oppervlak van
ongeveer een halve duim in het vierkant beslaan; en dat bovendien niets
moeilijker is dan uit te leggen hoe de tastzin te werk gaat om het oog te leren
kijken en hoe het oog leert kijken, als het gebruik van dat laatste zintuig
absoluut onmogelijk zou zijn zonder hulp van het eerste.
Maar ik zal me niet beperken tot
eenvoudige veronderstellingen en me afvragen of de tastzin het oog ook kleuren leert
onderscheiden. Ik denk niet dat aan dit zintuig zo’n uitzonderlijk voorrecht toegekend
wordt. Als dat aangenomen wordt volgt daaruit dat als men een blinde, die net het
zicht teruggekregen heeft, een zwarte kubus voorhoudt en een rode bol tegen een
witte achtergrond, hij zonder aarzelen de omtrek van deze figuren kan onderscheiden.
Men zou mij kunnen antwoorden, dat
hij net zolang zal aarzelen als de oogvloeistoffen nodig hebben om op het
hoornvlies in te werken zodat dat het de bolling kan aannemen die vereist is om
te zien; op de pupil om vatbaar te zijn voor verwijding en vernauwing die haar
eigen zijn; op de draadjes van het netvlies om niet te gevoelig of ongevoelig
te zijn bij de inwerking van het licht; op de kristallens om de van haar
verwachte bewegingen naar voren en achteren uit te kunnen voeren; op de spieren
om goed te kunnen functioneren; op de oogzenuwen om te wennen aan het doorgeven
van de waarneming; op de hele oogbol om klaar te zijn voor alle noodzakelijke
bewegingen en op alle samenstellende delen, om bij te kunnen dragen aan het tot
stand brengen van dat miniatuurtje waarmee men zozeer zijn voordeel kan doen,
als het erom gaat te bewijzen dat het oog zelfstandig zijn te werk gaat.
Ik geef toe dat, hoe eenvoudig het tafereel
van kubus en bol, dat ik zo-even heb voorgesteld aan het oog van een
blindgeborene, ook is, hij de onderdelen ervan alleen maar kan onderscheiden, als
het zintuig aan alle bovenvermelde voorwaarden voldoet. Maar dat duurt
misschien slechts een ogenblik en het zou niet moeilijk zijn als men dezelfde
redenering, waartegen men zo-even bezwaren heeft ingebracht, zou toepassen op
een ingewikkelde machine, bijvoorbeeld een horloge, om te bewijzen, dat, als
men in detail alle bewegingen zou bekijken, die zich afspelen in de trommel, de
spil, de tandwielen, de schijven, de werking van de radertjes, de veer, enz., de
wijzer 15 dagen zou nodig hebben om de afstand van 1 seconde te doorlopen. Als
men mij antwoordt dat die bewegingen gelijktijdig plaatsvinden, dan is mijn
antwoord daarop dat dit misschien ook opgaat voor de bewegingen in het oog, als
het zich voor de eerste keer opent. Hetzelfde geldt voor het merendeel van de
beoordelingen die dienovereenkomstig worden gemaakt. Welke voorwaarden er ook
aan het oog gesteld worden om te kunnen zien, we moeten toegeven dat die niet
door de tastzin worden verschaft, maar dat het oog ze zelf verwerft. Bijgevolg kan
het zonder hulp van een ander zintuig de figuren kunnen onderscheiden die zich daarin
afbeelden.
Maar nogmaals, zult u zeggen, wanneer
is het zover? Misschien veel vlugger dan men denkt. U herinnert zich vast,
Mevrouw, dat wij samen het museum van de Jardin Royal gingen bezoeken, de
ervaring met de holle spiegel en hoe u schrok toen u een punt van een degen op
u af zag komen, met dezelfde snelheid als de punt van de degen die u in de hand
had en naar het spiegeloppervlak uitstak. Toch was u gewend de voorwerpen die zich
in een spiegel afbeelden buiten de spiegel te plaatsen. De ervaring is dus niet
zo noodzakelijk en evenmin zo onfeilbaar als men denkt, om voorwerpen of hun
afbeeldingen waar te nemen waar ze zich werkelijk bevinden. Zelfs uw papegaai
levert me daar geen bewijs van. De eerste keer dat hij zichzelf in een spiegel
zag, naderde hij die met zijn snavel. En toen hij niet op zichzelf, die hij
voor een soortgenoot hield, stuitte ging hij achter de spiegel kijken. Ik wil
aan het voorbeeld van de papegaai niet meer waarde hechten dan dat heeft, maar
het is wel de ervaring van een dier, waarbij geen sprake kan zijn van vooringenomenheid.
Zou men mij echter verzekeren dat
een blindgeborene twee maanden lang niets kan onderscheiden dan zou mij dat
niet verbazen. Ik zou daaruit alleen maar opmaken dat het oog ervaring nodig
heeft, maar geenszins dat de tastzin geoefend moet worden. Ik begrijp dan wel des
te beter hoe het belangrijk het is om de blindgeborene enige tijd in het donker
door te laten brengen, als het de bedoeling is hem te onderzoeken. Zijn ogen moeten
de vrijheid hebben om te oefenen, wat beter zal kunnen geschieden in het donker
dan in het volle daglicht. Die oefeningen mag hij dan alleen maar doen in een
soort schemerlicht, of op zijn minst, op de plek waar ze gedaan worden, de
mogelijkheid om de hoeveelheid licht te versterken of te verminderen. Daaruit
blijkt dat ik maar al te zeer geneigd ben toe te geven dat dit het uitvoeren
van dit soort experimenten altijd zeer moeilijk en onzeker is. De kortste weg,
die misschien wel de langste kan lijken, is de proefpersoon te wapenen met enige
filosofische kennis, die hem in staat stelt de twee toestanden die hij heeft
meegemaakt met elkaar te vergelijken en ons dan kan vertellen wat het verschil
is tussen de toestand van een blinde en een ziende. Maar nogmaals, wat nauwkeurigs
valt er te verwachten van iemand die niet gewend is na te denken over zichzelf
en zoals de blinde van Cheselden, de voordelen van het zicht zelfs zozeer ontkende,
dat hij niet gevoelig was voor zijn ongemak en zich niet kon voorstellen dat
het verlies van dat zintuig veel afbreuk deed aan zijn plezier. Saunderson, die
men de titel filosoof niet kan onthouden, kende die onverschilligheid vast niet
en ik betwijfel ten zeerste of hij dezelfde mening was toegedaan als de
schrijver van het uitstekende Traité sur les Systêmes. Ik zou die
laatste filosoof er graag van verdenken dat hij zich in een systeempje blootgegeven
heeft, toen hij beweerde, “Dat iemand, als het leven van de mens slechts een
ononderbroken gevoel van plezier of verdriet zou zijn geweest, gelukkig in het
ene geval zonder enig besef van ongeluk, ongelukkig in het andere geval zonder
enig besef van geluk, dan genoten of geleden had. Alsof dat zijn aard zou zijn
geweest, zou hij helemaal niet om zich heen gekeken hebben, om te zien of voor
zijn behoud een of ander Wezen over hem waakte of dat het zich bezighield met
hem schade te berokkenen. Maar het heen en weer geslinger, van de ene toestand
naar de andere, zou hem wel tot nadenken aangezet hebben, enz.…
Denkt u niet, Mevrouw, dat door van het
ene heldere inzicht af te dalen naar het andere (want dat is de manier van
filosoferen van die schrijver, en de juiste!) hij dan ooit tot die
gevolgtrekking gekomen zou zijn? Het is met geluk en ongeluk niet zoals met licht
en duisternis: het ene bestaat niet uit het volledig en eenvoudigweg ontbreken
van het andere. Misschien zouden we, als we er onveranderlijk van genoten
hadden, beweerd hebben dat geluk voor ons even belangrijk is als leven en denken.
Maar hetzelfde kan ik niet zeggen over ongeluk. Het zou heel vanzelfsprekend
zijn geweest om ongeluk als een gedwongen toestand te zien, onszelf onschuldig
voelen en toch denken dat we schuldig zijn en de natuur beschuldigen of
verontschuldigen, zoals men dat doorgaans doet.
Denkt de Hr. Abbé de Condillac soms dat
een kind niet jammert als het pijn heeft, alleen omdat het al vanaf zijn
geboorte onophoudelijk lijdt? Als hij me antwoordt “dat leven en lijden
hetzelfde is voor iemand die altijd al heeft geleden en dat die zich niet kan
voorstellen dat men een eind kan maken aan het lijden zonder het eigen bestaan
te vernietigen,” dan zou ik hem misschien antwoorden dat de onophoudelijk
ongelukkige mens hem niet zou zeggen: wat heb ik misdaan om zo te moeten
lijden? Toch begrijp ik niet waarom hij de twee uitspraken, ik besta en ik
lijdt, niet als synoniem heeft gebruikt, het ene als proza, het andere
als poëzie, zoals wij de twee uitdrukkingen hebben, ik leef en ik
adem. Overigens zult u beter dan ik merken, Mevrouw, dat die passage van de
Hr. Abbé de Condillac prachtig geschreven is en ik ben heel bang dat u, bij het
vergelijken van mijn kritiek met zijn beschouwing, veel liever een vergissing
van de Montagne hebt dan een waarheid van Charron.
En altijd die zijsprongen, zult u
dan zeggen, ja, dat is de aard van onze verhandeling. Nu volgt mijn mening over
de twee voorafgaande vragen: Ik denk dat de blindgeborene helemaal niets ziet
als hij voor het eerst zijn ogen opent voor het licht; dat zijn ogen eerst enige
tijd moeten oefenen, maar dat zij uit zichzelf oefenen en er niet alleen in
zullen slagen kleuren te onderscheiden, maar ook de grove omtrekken van
voorwerpen. Laten we nu kijken, in de veronderstelling dat hij die vaardigheid
binnen zeer korte tijd verwerft, of dat hij die verkrijgt door zijn ogen te
bewegen in het donker, waar
erop gelet wordt dat hij daar opgesloten
blijft en aangespoord wordt om te oefenen. Gedurende de tijd na de operatie en
vóór zijn oefeningen, kunnen we zien of hij op het zicht voorwerpen herkent die
hij heeft aangeraakt en of hij in staat is hen hun passende naam te geven. Dat
is de laatste vraag die ik nog moet beantwoorden.
Om mij daarvan te kwijten op een manier
die bij u in de smaak valt — omdat u immers houdt van methodisch te werk gaan —,
zal ik onderscheid maken tussen meerdere soorten mensen, op wie de experimenten
uitgevoerd kunnen worden. Als het onbeschaafde lieden zijn, zonder ontwikkeling
en zonder kennis en voorbereiding, denk ik dat, als de staaroperatie de oogkwaal
helemaal verholpen heeft en het oog weer gezond is, de voorwerpen zeer
duidelijk afgebeeld worden. Maar omdat die lieden niet gewend zijn aan enige
vorm van redeneren; niet weten wat een gewaarwording of idee is; niet in staat
zijn de gewaarwordingen die ze hebben verkregen door hun tastzin te vergelijken
met de gewaarwordingen die ze verkrijgen door middel van hun ogen, zeggen ze,
dat is een cirkel, dat is een vierkant, zonder dat er staat gemaakt kan worden
op hun oordeel. Het kan zelfs ook dat ze argeloos toegeven dat ze in de
voorwerpen die in hun gezichtsveld verschijnen, niets zien dat lijkt op wat ze
aangeraakt hebben.
Er zijn andere mensen die, als ze de
vormen die ze waarnemen aan het voorwerp vergelijken met de vormen die ze met
hun handen betasten, en in gedachten hun tasten toepassen op voorwerpen die zich
op een afstand bevinden, zeggen dat de een een vierkant en de ander een cirkel
is, maar zonder ook maar te weten waarom. Het vergelijken van de beelden die
zij verkregen hebben door middel van hun tastzin, met die die ze hebben ontvangen
door het zicht, gebeurt bij hen onvoldoende duidelijk om hen te overtuigen van
de juistheid van hun oordeel.
Zonder uit te weiden, Mevrouw, stap
ik nu over naar een metafysicus met wie hetzelfde experiment is uitgevoerd. Ik
betwijfel geenszins dat hij niet meteen zo gaat redeneren als hij de voorwerpen
duidelijk begint waar te nemen, alsof hij ze al zijn hele leven heeft gezien.
Na de beelden die hij met zijn ogen verkregen heeft te hebben vergeleken met de
beelden die hij door zijn tastzin verkregen heeft, zegt hij, niet met dezelfde stelligheid
als u en ik: “Ik ben sterk geneigd te denken dat dit het voorwerp is dat ik
altijd een cirkel en dat wat ik altijd een vierkant heb genoemd. Maar ik hoed
me er wel voor uit te spreken dat dat werkelijk zo is. Wie heeft me verteld dat
ze, als ik er dichterbij komt, niet onder mijn handen zullen verdwijnen? Hoe
kan ik weten of de voorwerpen van mijn zicht bestemd zijn om ook de voorwerpen
van mijn tastzin te zijn? Ik weet niet of wat voor mij zichtbaar is ook
voelbaar is. Maar als ik niet in die onzekerheid zou verkeren en de mensen om
mij heen op hun woord zou geloven dat wat ik zie, werkelijk is wat ik heb
gevoeld, ben ik daar nauwelijks iets mee opgeschoten. Het kan best dat die
voorwerpen in mijn handen veranderen en mij door de tastzin beelden geven die helemaal
in tegenspraak zijn met de beelden die ik daarvan door het zicht ondervonden
heb.” “Heren,” zal hij daaraan toevoegen, “dat voorwerp lijkt mij een vierkant
en dat een cirkel, maar ik weet echt niet of ze dat zijn bij het tasten of bij
het zien.”
Als we de metafysicus vervangen door
een meetkundige, Locke door Saunderson, zal hij net als hij zeggen dat als hij
zijn ogen moet geloven, een van de twee figuren die hij ziet is wat hij een
vierkant en de ander wat hij een cirkel noemt: “Want ik zie,” zal hij daaraan
toevoegen, “dat de eerste niets anders is dan iets waarop ik draden kon spannen
en spelden met een grote kop kon plaatsen, die de hoekpunten van een vierkant
aangaven; en de tweede iets waarbinnen en omheen ik draden kon spannen die ik
nodig had om de eigenschappen van de cirkel aan te tonen. Dit is dus een cirkel
en dat een vierkant! Maar,” zou hij verder gaan in de trant van Locke,
“misschien dat ze, als ik mijn handen op die figuren leg, zodanig in elkaar
veranderen, dat ik dezelfde figuur zou kunnen gebruiken om blinden de
eigenschappen van een cirkel uit te leggen, en zienden de eigenschappen van een
vierkant. Misschien zie ik dan een cirkel en voel tegelijkertijd een vierkant.
Nee,” zou hij weer zeggen, “ik vergis me. Degenen aan wie ik de eigenschappen
van een cirkel en een vierkant uitgelegd heb, hadden hun handen niet op mijn
abacus gelegd en raakten niet de draden aan die ik had gespannen en mijn
figuren begrensden. Toch begrepen ze me. Zij zagen dus geen vierkant toen ik
een cirkel voelde. Zonder dat zouden wij elkaar nooit begrepen hebben. Ik zou
voor hen dan de ene figuur getekend en de eigenschappen van een andere
aangetoond hebben. Ik zou hen een rechte lijn in plaats van een cirkelboog
gegeven hebben en een cirkelboog in plaats van een rechte lijn. Maar omdat zij
mij allemaal begrepen, zag iedereen de ene voor de andere aan. Ik zag dus
vierkant wat zij vierkant zagen, en cirkelvormig wat zij cirkelvormig zagen.
Dus dit is wat ik altijd vierkant en dat wat ik altijd cirkel genoemd heb.”
Ik heb de cirkel vervangen door een
bol en het vierkant door een kubus, omdat het er alle schijn van heeft dat wij
afstanden schatten vanuit onze ervaring en bijgevolg ziet iemand, die voor het
eerst zijn ogen gebruikt, alleen maar oppervlakken en weet niet dat het
allemaal uitsteeksels zijn. Dat een voorwerp voor het oog een uitsteeksel heeft,
komt omdat sommige van zijn punten voor ons dichterbij lijken dan andere.
Maar als een blindgeborene, vanaf de eerste keer dat hij
ziet, een oordeel geeft over de uitsteeksels en vastheid van voorwerpen en hij niet
alleen in staat zou zijn de cirkel te onderscheiden van het vierkant,
maar ook
de bol van de kubus, denk ik niet dat hij daarom hetzelfde kan met elk ander
ingewikkelder voorwerp. Het is zeer waarschijnlijk dat de blindgeborene van de
Hr. Reaumur kleuren van elkaar heeft onderscheiden, maar tien tegen een dat hij
op goed geluk uitspraken heeft gedaan over de bol en kubus. Ik ben er zeker van
dat hij — tenzij hij een openbaring heeft gehad —, niet zijn handschoenen,
kamerjas en schoenen heeft kunnen herkennen. Die voorwerpen zijn onderhevig aan
zo groot aantal veranderingen en er is zo weinig verband tussen hun vorm en de
ledematen, die zij dienen te verfraaien of te bedekken, dat het voor Saunderson
honderdmaal moeilijker was geweest te zeggen waar een vierkante muts (bonnet
quarré) voor dient, dan voor de Hr. d’Alembert of Clairaut om het gebruik van
zijn tabellen opnieuw te ontdekken.
Saunderson zou vast verondersteld
hebben dat er een meetkundig verband bestaat tussen de dingen en hun gebruik,
en daarom aan de hand van twee of drie overeenkomsten hebben vastgesteld, dat
zijn muts voor zijn hoofd bestemd was. Er zit niets willekeurigs aan, dat hem
daarover in verwarring had kunnen brengen. Maar wat zou hij gedacht hebben van
de hoeken en de kwast van zijn vierkante muts? vanwaar die kwast? waarom vier
hoeken en geen zes, zou hij zich afgevraagd hebben? Die twee wijzigingen, die
voor ons een kwestie van versiering zijn, zouden voor hem een bron geweest zijn
van voor een heleboel absurde redeneringen, of hem eerder de gelegenheid bieden
voor een prachtige satire over wat wij goede smaak noemen.
Na rijpelijk nadenken over de
dingen, moet men toegeven dat het verschil tussen iemand die altijd gezien
heeft, maar niet weet hoe een voorwerp gebruikt moet worden, en iemand die dat
wel weet, maar het nooit gezien heeft, niet in het voordeel spreekt van de
eerste. Toch gelooft u, Mevrouw, dat als u vandaag voor het eerst dat
versiersel wordt getoond, u nooit zult kunnen bedenken dat het een toevoegsel
is en nog wel voor het hoofd. Maar als het voor een blindgeborene, die voor het
eerst kan zien, des te moeilijker is om voorwerpen juist te beoordelen,
naarmate ze een veel groter aantal vormen hebben, die hem zullen weerhouden om
een geheel geklede toeschouwer, die onbeweeglijk in een fauteuil zit die vóór
hem geplaatst is, aan te zien voor een meubel of een apparaat en een boom
waarbij bladeren en takken door de wind bewogen worden, voor een bewegend,
bezield en denkend wezen, Mevrouw, hoezeer suggereren onze zintuigen ons dan niet
iets over dingen en wat zouden wij zonder onze ogen dan zelf moeite hebben om
niet aan te nemen dat een blok marmer niet denkt en voelt!
Rest nog aan te tonen dat Saunderson
zeker wist dat hij zich niet vergiste toen hij een oordeel uitsprak over cirkel
en vierkant, en dat er gevallen voorkomen waarin de argumenten en ervaring van
anderen de opvatting over het verband met de tastzin kunnen verhelderen en vertellen
dat wat voor het oog geldt, ook opgaat voor de tastzin.
Maar voorgaande veronderstelling
over de blindgeborene draagt twee andere aan. De ene over iemand die vanaf zijn
geboorte heeft kunnen zien, maar niet de beschikking heeft over tastzin en de
andere over iemand bij wie zicht en tastzin doorlopend met elkaar in
tegenspraak zijn. Over de eerste zou men zich af kunnen vragen of hij, als hij
het zintuig dat hij mist terugkrijgt en het zicht hem ontnomen zou worden door
een blinddoek, voorwerpen zou herkennen als hij ze aanraakt. Het is duidelijk dat
de wiskunde, in het geval hij daarin onderricht wordt, hem een onfeilbaar
middel verschaft om zich ervan te vergewissen of de waarneming van beide
zintuigen al dan niet strijdig zijn. Hij zou alleen maar de kubus of bol ter
hand hoeven nemen, daarvan aan iemand de eigenschappen laten zien en zeggen of
hij begrijpt dat hij een kubus ziet, wat als kubus voelt en het dus de kubus is
die hij vasthoudt. Wat betreft degene die deze uitspraak zou ontkennen, denk ik
dat het voor hem niet eenvoudiger zou zijn om door middel van de tastzin de
kubus van de bol te onderscheiden, dan voor de blinde van de heer Molineux door
te kijken.
Ik weet niet wat iemand, bij wie
zicht en tastzin doorlopend met elkaar in tegenspraak zouden zijn, denkt over
vormen, orde, symmetrie, schoonheid, lelijkheid, enz……Naar alle
waarschijnlijkheid zou hij, door het verband tussen de dingen, denken dat wij
in betrekking staan met de werkelijke uitgebreidheid en bestaan van de dingen. Hij
zou in het algemeen zeggen dat een voorwerp een vorm heeft, maar zou waarschijnlijk
wel moeten denken dat dat niet is wat hij ziet en ook niet wat hij voelt. Zo
iemand zou heel goed ontevreden kunnen zijn over zijn zintuigen, maar die
zintuigen zouden evenmin tevreden als ontevreden zijn over de voorwerpen. Als
hij een daarvan zou willen beschuldigen van onjuistheid, denk ik dat hij de
tastzin de schuld zou geven. Honderd en een omstandigheden zouden hem kunnen
doen denken dat de vorm van de voorwerpen eerder verandert door de invloed van
zijn handen, dan door die van zijn ogen op de voorwerpen. Maar ten gevolge van
zijn vooroordelen zou het verschil in hardheid en zachtheid dat hij aan de
voorwerpen opmerkt, zeer verassend voor hem zijn.
Maar volgt uit het feit dat onze
zintuigen niet met elkaar in tegenspraak zijn wat betreft de vormen, dat wij
die beter kennen? Wie heeft ons verteld dat wij niet te maken hebben met
ondeugdelijke getuigen? Helaas, Mevrouw, als alle menselijke kennis op de
weegschaal van Montaigne gelegd wordt, zou men de neiging kunnen hebben om zijn
motto (vert.: Que sais je?) over te nemen. Weten wij soms wat materie is?
volstrekt niet. Wat geest en denken is? nog minder. Wat beweging, ruimte en
tijd zijn? geenszins. Meetkundige waarheden? Vraag het maar aan betrouwbare
wiskundigen en zij zullen u bekennen dat hun stellingen allemaal hetzelfde zijn
en al die boeken, bijvoorbeeld over de cirkel, er op neerkomen dat ze ons op
honderdduizend verschillende manieren telkens weer vertellen dat het een figuur
is waarvan alle lijnen, getrokken vanuit het middelpunt naar de omtrek, even
lang zijn. Wij weten dus bijna niets, maar wat een geschriften van schrijvers
die allemaal hebben beweerd dat ze iets wisten! Ik snap niet waarom de wereld
zich niet verveelt met al dat lezen en niets leren, tenzij dat dat zou zijn om
dezelfde reden, als ik de eer heb gehad u twee uur lang te mogen onderhouden,
zonder me te vervelen en zonder u iets te vertellen.
Hoogachtend verblijf ik,
MEVROUW,
Uw zeer
onderdanige en zeer dienstwillige Dienaar.
* * *