www.verbodengeschriften.nl


BRIEVEN, GESCHREVEN OP DE BERG

 DOOR

 JEAN-JACQUES ROUSSEAU

 

 

HET LEVEN WIJDEN AAN DE WAARHEID

Juvenalis, Satiren, IV, vers 90.



INLEIDING:

In 1763 veroordeelde de Raad van Genève Rousseau’s Emile en Het Maatschappelijk Verdrag (Contrat Social). Rousseau werd verbannen en zijn boeken verbrand. Daarna publiceerde Tronchin, de procureur generaal van de Raad in een mislukte poging om de denkbeelden van Rousseau te weerleggen de Lettres écrites de la Campagne. De eerste druk verscheen in 1765 in Genève. Jean-Jacques Rousseau schreef zijn Lettres écrites de la Montagne, naar aangenomen wordt,  tussen oktober 1763 en mei 1964 in Môtiers en het werd gedrukt bij zijn uitgever Marc Michel Rey in Amsterdam in 1764. Het is aannemelijk dat de titel van de publicatie van Tronchin een reactie is op die van het Boek van Rousseau. Het is de vraag waarom Rousseau zijn boek die titel heeft gegeven, maar het meest waarschijnlijk is dat hij die ontleend heeft aan het Evangelie en wel aan de Bergrede (Hij ging de berg op….zeggende”), die in het Frans de Sermon sur la Montagne heet. Maar er staan twee varianten van de Bergrede in het Evangelie, namelijk in Matth. 5:1-12 en een tweede in Luk. 6:20-26. Die laatste heet in het Frans ook wel de Sermon sur la Plaine (“En hij daalde met hen af en bleef staan op een vlakke plaats…en zeide”). De meest voor de hand liggende vertaling van beide geschriften lijkt dus: Brieven, geschreven op de Berg en de reactie van Tronchin: Brieven, geschreven op de Vlakte


VOORWOORD.

Ik besef dat het lang geduurd heeft voor ik nu weer terugkom op een al zozeer afgezaagd en in vergetelheid geraakt onderwerp. Mijn toestand, die mij verder geen enkele arbeid vergunt en mijn afkeer voor polemische zaken, zijn de redenen van mijn talmen om te schrijven en weerzin tegen publiceren. Ik zou deze Brieven zelfs helemaal hebben laten vallen, of liever niet eens geschreven hebben, als het alleen over mij gegaan was, maar ik ben niet zozeer vervreemd van mijn Vaderland, dat ik ongestoord kan toezien hoe zijn Burgers onderdrukt worden, vooral omdat zij hun wetten alleen maar in opspraak gebracht hebben om mijn Zaak te verdedigen. Ik zou de laatste zijn om in zulk geval gehoor te geven aan een gevoel dat niet getuigt van zachtmoedigheid en geduld, maar van zwakte en lafheid, dat mij zou verhinderen mijn plicht te doen.

Ik begrijp dat voor het Publiek niets onbelangrijker is dan het onderwerp van die Brieven. De staatsregeling van een kleine Republiek, het lot van een kleine Burger, het aan het licht brengen van een aantal onrechtvaardigheden en weerleggen van enige drogredenen, dat alles vormt op zich niet iets dat belangrijk genoeg is om veel Lezers te verdienen. Mijn onderwerpen kunnen dan wel onbeduidend zijn, maar mijn doeleinden zijn groots en verdienen de aandacht van elk rechtschapen mens. We kunnen Genève zijn plek wel gunnen en Rousseau zijn zwaarmoedigheid, maar de Religie dan, de vrijheid en gerechtigheid? Wie u ook bent, dit gaat u allemaal aan.

Men moet niet in de stijl een vergoelijking zoeken van de saaiheid van het onderwerp. Degenen die zich ernstig gestoord hebben aan sommige van mijn opgewekte pennenstreken, zullen in die Brieven vast wat aantreffen dat hen tot bedaren brengt. Als ik had gesproken voor een ander, zou de eer hem te kunnen verdedigen mijn hart hebben doen ontvlammen. Gedwongen tot de droeve taak mijzelf te verdedigen, heb ik mij moeten beperken tot het houden van een betoog. Me opwinden zou betekenen dat ik me zou verlagen. Ik zou dan wel genade gevonden hebben in de ogen van degenen die zich verbeelden dat het voor de waarheid van wezenlijk belang is dat daarover harteloos gesproken wordt, een opvatting die ik evenwel met moeite kan begrijpen. Als wij gedreven worden door een hartstochtelijke overtuiging, moet de gebezigde manier uit ijzige woorden bestaan. Had Archimedes, toen hij geheel in vervoering, naakt door de straten van Syracuse liep, de waarheid op dat moment soms minder gevonden omdat hij daar door bezeten was? Juist integendeel. Iemand die de waarheid bespeurt kan het niet laten haar te vereren, en iemand die koel blijft heeft haar niet gezien.

Hoe het ook zij, ik verzoek de Lezers gewoon geen acht te slaan op mijn fraaie stijl en alleen te onderzoeken of mijn redeneringen al dan niet juist zijn, want eigenlijk zie ik niet in hoe alleen uit wat door de Schrijver in stijlvolle bewoordingen uitgedrukt wordt, zou kunnen volgen dat die Schrijver niet weet wat hij zegt.

EERSTE BRIEF.

Nee, Mijnheer, ik neem het u niet kwalijk dat u zich niet achter de Afgevaardigden geschaard hebt om mijn zaak te verdedigen. Ik ben het helemaal niet eens geweest met deze gang van zaken en heb mij daar zelf uit alle macht tegen verzet. Op mijn verzoek hebben mijn ouders zich daarvan teruggetrokken. Er is gezwegen toen er gesproken en gesproken toen er nog alleen maar gezwegen moest worden. Ik heb de zinloosheid van de voorstellen voorzien en heb enig vermoeden van de gevolgen ervan. Ik denk dat hun onvermijdelijke gevolgen de openbare orde zullen verstoren, of het staatsbestel zullen veranderen. Wat er voorgevallen is heeft mijn vrees maar al te zeer gerechtvaardigd. U wordt dus gedwongen tot een moeilijke keuze. Daar was ik al bang voor. Het keerpunt waarop u zich bevindt, vraagt een andere overweging, waarvan ik niet langer het onderwerp ben. Aan de hand van wat er gedaan is, vraagt u zich af wat u moet doen. U denkt dat het gevolg van deze gang van zaken, die betrekking heeft op de hele Bourgeoisie, eerder zal terugslaan op degenen die zich daarvan onthouden hebben, dan op hen die dat teweeg hebben gebracht. Aldus moeten door het gemeenschappelijke belang degenen, die eerst verschillende opvattingen hadden, hier allemaal bijeengebracht worden. Uw opgeëiste en aangevallen rechten kunnen niet langer in twijfel getrokken worden. Zij moeten of erkend of vernietigd worden. Het is hun vanzelfsprekendheid die hen in gevaar brengt. Tijdens een storm moet men niet dichtbij een fakkel komen, maar op dit moment staat het huis in brand.

Hoewel het niet langer om mijn belangen gaat, ben ik door mijn eergevoel altijd deelgenoot in deze zaak. U weet dat, maar raadpleegt mij alsof ik onpartijdig ben. U veronderstelt dat ik mij niet zal laten verblinden door vooringenomenheid en mijn gedrevenheid mij niet onrechtvaardig zal maken. Dat hoop ik ook. Maar wie kan in dergelijke netelige omstandigheden instaan voor zichzelf? Ik voel dat ik mijzelf onmogelijk kan vergeten in een ruzie waarvan ik het onderwerp ben en dat de belangrijkste oorzaak is van mijn ellende is. Wat moet ik doen, Mijnheer, om te beantwoorden aan uw vertrouwen en uw achting te rechtvaardigen, voor zover ik die verdien? Daar gaat het om. Als ik mijzelf oprecht verdedig, zal ik u eerder mijn argumenten vertellen dan mijn opvattingen. U zult ze wegen, vergelijken en een keuze maken. U moet meer doen. Verdedig altijd uzelf, niet mijn bedoelingen. God weet dat ze zuiver zijn, maar dat is mijn mening. Als hij verbitterd is, ziet zelfs de rechtvaardigste mens zelden de dingen zoals ze zijn. Ik wil u zeker niet misleiden, maar het kan dat ik mezelf misleid. Ik kan dat in elk ander geval ook doen en de kans dat dat hier zal gebeuren is nog waarschijnlijker. Wees dus op uw hoede en als ik niet tien keer gelijk hebt, moet u me geen enkele keer gelijk geven.

Dat, Mijnheer, is de voorzorgsmaatregel die u moet nemen en wat ik ook op mijn beurt wil doen. Ik zal beginnen met u over mijzelf te spreken, over mijn grieven en over het hardvochtige optreden van uw Gezagsdragers. Als dat gebeurd is en ik mijn hart gelucht heb, zal ik mij zelf vergeten. Dan zal ik met u over uzelf spreken, over uw situatie, dat wil zeggen die van de Republiek. En ik denk dat ik mijzelf niet te zeer overschat als ik hoop dat ik, door middel van deze afspraak, de vraag die u mij stelt naar billijkheid zal behandelen.

Ik ben op een veel wredere manier beledigd, dan ik dacht verdiend te hebben van mijn Vaderland. Als mij mijn gedrag vergeven had moeten worden, kon ik redelijkerwijs nog hopen dat ik vergeving zou krijgen. Maar met een ongeëvenaarde voortvarendheid, zonder waarschuwing, zonder dagvaarding en zonder onderzoek, heef men zich gehaast mijn boeken te veroordelen. Er is nog meer gedaan. Zonder rekening te houden met mijn kwalen, met mijn ellende en mijn toestand, heeft men met dezelfde haast een arrestatiebevel tegen mij uitgevaardigd. Men heeft mij niet gespaard voor bewoordingen die gebruikt worden voor misdagers. Deze Heren zijn niet toegeeflijk geweest, maar zijn zij daarom minder rechtvaardig geweest? Dat wil ik samen met u onderzoeken. Ik verzoek u niet te schrikken van de uitgebreidheid die ik noodgedwongen aan deze Brieven moet geven. In de veelheid aan vragen die zich voordoen, zou ik karig met woorden willen zijn. Maar, Mijnheer, wat er ook gedaan wordt, het moet in dienst staan van het betoog.

Laten we eerst de motieven bijeengaren die zij gegeven hebben aan de gang van zaken, niet in de aanklacht, niet in het vonnis, dat in het geheim uitgesproken is en in het duister zal blijven; [1] maar in de antwoorden van de Raad aan de vertegenwoordigers van de Burgers en Bourgeois, of liever in de Brieven vanaf het Platteland, een werk dat hen als manifest dient en het enige waarin zij zich verwaardigen met u te argumenteren.

“Mijn Boeken, zeggen zij, zijn goddeloos, aanstootgevend, overmoedig, en staan vol godslasteringen en lasterlijkheden tegen de Godsdienst. Onder het mom van twijfels, heeft de Schrijver alles verzameld wat de belangrijkste grondslagen van de geopenbaarde christelijke Godsdienst zou kunnen ondergraven, aan het wankelen brengen en vernietigen.”

“Ze doen een aanval op alle Regeringen. “

“Deze Boeken zijn des te gevaarlijker en laakbaar, omdat ze in het Frans geschreven zijn, in een uiterst verleidelijke stijl, omdat ze verschijnen onder de naam en hoedanigheid van een Burger van Genève, en omdat de Emile, volgens de bedoeling van de Schrijver, als leidraad moet dienen voor vaders, moeders en leraren.”

“Bij het beoordelen van deze Boeken, is het voor de Raad onmogelijk geweest om geen enkele aandacht te schenken aan de persoon die daarvan de Schrijver wordt geacht.”

Bovendien, vervolgen zij, is het Arrestatiebevel tegen mij, “geen vonnis en ook geen straf, maar een voorlopige beschikking, die mijn mogelijkheden tot verweer en beroep niet aantastte en, in het onderhavige geval, diende als voorbereiding op de procedure die voorgeschreven wordt door de Kerkelijke Edicten en Verordeningen.”

Zonder in te gaan op het onderzoek van de Leer brachten de Vertegenwoordigers daar tegen in, “dat de Raad een oordeel uitgesproken had, zonder voorafgaande formaliteiten; dat Artikel 88 van de Kerkelijke Verordeningen met dat vonnis geweld was aangedaan; dat dat Artikel bij de in 1562 tegen Jean Morelli gevolgde procedure, duidelijk aangaf hoe die uitgevoerd diende te worden en met dat voorbeeld een jurisprudentie verschafte die men naar waarde had moeten schatten; dat die nieuwe manier van procesvoering zelfs strijdig was met de regels van het natuurlijke Recht, dat door alle Volkeren erkend wordt, dat eist dat niemand veroordeeld mag worden zonder gehoord te zijn met zijn verweer; dat een Boek niet veroordeeld kan worden, zonder tegelijkertijd de Schrijver te veroordelen, wiens naam het draagt; dat niet gezien wordt welk verweer en beroep nog mogelijk zijn voor iemand, van wie wordt verklaard dat hij in zijn Geschriften goddeloos, vermetel en aanstootgevend is geweest.  En dat, nadat het vonnis over die geschriften gewezen en uitgevoerd was, omdat de zaken niet vielen onder goddeloosheid, tot verbranding leidt door de beul, dat zich noodzakelijkerwijs tegen de Schrijver keerde. Daaruit volgt dat men een Burger het kostbaarste goed heeft kunnen ontnemen, namelijk zijn eer; dat men niet zijn reputatie en status kon vernietigen zonder hem eerst te horen; dat de veroordeelde en gelaakte Werken op zijn minst evenveel steun en verdraagzaamheid verdienden als verschillende andere Geschriften, waarin de Religie meedogenloos gehekeld wordt en die in de Stad verspreid en zelfs gedrukt zijn; tot slot dat het, ten aanzien van de Regeringen, in Genève altijd toegestaan is vrij te spreken over dat onderwerp in het algemeen; dat daar geen enkel Boek dat dat onderwerp behandelt verboden wordt; dat daar geen enkele Schrijver gelaakt wordt omdat hij dat behandelt heeft, wat zijn opvatting ook is; en dat ik, in plaats van de Regering van de Republiek in het bijzonder aan te vallen, geen enkele gelegenheid voorbij laat gaan om haar te prijzen.”

Op die bezwaren werd door de Raad geantwoord: “Dat een Boek veroordelen na het doorgelezen en de genoegzaam onderzocht te hebben niet betekent dat er voorbijgegaan wordt aan de regel die eist dat niemand veroordeeld wordt zonder gehoord te zijn; dat Artikel 88 van de Verordeningen slechts van toepassing is op iemand die leerstellingen verkondigt en niet op een Boek dat de christelijke Godsdienst aantast; dat het niet waar is dat het veroordelen van een Boek zich uitstrekt tot de Schrijver, die onvoorzichtig of onhandig geweest kan zijn; dat het, wat betreft de aanstootgevende Boeken die gedoogd of zelfs gedrukt zijn in Genève, niet redelijk is te beweren dat een Regering, omdat zij dat soms door de ogen heeft gezien, verplicht is dat altijd te doen; dat bovendien Boeken waarin de Godsdienst alleen maar belachelijk wordt gemaakt, niet even strafbaar zijn als boeken waarin de Godsdienst onverbloemd en geargumenteerd aangevallen wordt; tot slot dat de Raad hem die straf opgelegd heeft om het algemeen welzijn, de Wetten en de eer van de Regering en de christelijke Godsdienst in haar zuiverheid te bewaren, en zij die niet mag veranderen of afzwakken.”

Dat zijn niet alle redenen, bezwaren en antwoorden die over en weer aangevoerd zijn, maar wel de belangrijkste en ze zijn toereikend om ten aanzien van mij de vraag over feitelijkheden en recht te stellen.

Maar omdat de zaak, op deze manier naar voren gebracht, nog steeds enigszins in het vage blijft, zal ik proberen een nauwkeurigere omschrijving te geven, omdat ik vrees dat u anders alleen maar denkt dat ik de verdediging aangaande de zaak niet op mij wil nemen.

Ik ben mens en heb Boeken geschreven. Ik heb dus ook fouten gemaakt. [2]

Zelf ontdek ik daar een heel groot aantal in. Ik betwijfel niet dat anderen er nog veel meer in vinden en er nog veel meer zijn die noch ik, noch anderen ontdekken. Als dat het enige is, onderschrijf ik dat.

Maar welke Schrijver verkeert niet in zo’n zelfde positie, waarin hij zich durft te verbeelden dat hij geen vergissingen maakt? Daarover bestaat dus geen verschil van mening. Als ik weerlegd wordt en men heeft gelijk, is de vergissing weer goedgemaakt en doe ik er het zwijgen toe. Als ik weerlegd wordt en men heeft ongelijk, zal ik dat nog meer doen. Moet ik soms antwoorden op een zaak van een ander? Hoe het ook zij, na de twee Partijen gehoord te hebben is het Publiek rechter, het spreekt, het Boek zegeviert of sneuvelt en het proces is beëindigd.

Vergissingen van Schrijvers zijn vaak zeer onbelangrijk, maar er zijn ook schadelijke, zelfs tegen de bedoeling in van degene die ze maakt. Men kan zich vergissen ten nadele van het Publiek of van zichzelf. Men kan in alle onschuld schade berokkenen. Geschillen over zaken van Jurisprudentie, Moraal en Religie sneuvelen in dat geval vaak. Noodzakelijkerwijs is het één van de twee partijen die zich vergist en wordt een vergissing in dit soort zaken, die altijd belangrijk zijn, een vergrijp. Toch wordt dat niet bestraft als aangenomen wordt dat het niet met opzet gebeurd is. Iemand is niet schuldig als hij, terwijl hij wil helpen, schade berokkent. Maar als een Schrijver strafrechtelijk vervolgd wordt voor vergrijpen uit onwetendheid of onachtzaamheid, voor kwalijke stellingen die men zeer stelselmatig, maar zonder zijn goedvinden uit zijn geschriften haalt, welke Schrijver zou zich dan nog kunnen verschuilen voor die vervolgingen? Men moet wel bezield zijn door de Heilige Geest om Schrijver te worden en als rechter alleen maar lieden moeten hebben die door de Heilige Geest bezield zijn.

Als men mij slechts dergelijke fouten aanwrijft, verdedig ik mij evenmin tegen eenvoudige vergissingen. Ik kan niet bevestigen dat ik dergelijke fouten niet begaan heb, want ik ben geen Engel. Maar die fouten die men in mijn geschriften beweert aan te treffen, kunnen dat heel goed niet zijn, omdat degenen die ze ontdekken evenmin Engelen zijn. Ze zijn mens en evenzeer als ik onderhevig aan vergissingen. Waarom willen ze dan dat hún verstand scheidsrechter is over dat van mij en ben ik schuldig omdat ik niet gedacht heb zoals zij?

Het Publiek is dus ook rechter over soortgelijke fouten. Zijn afkeuring is dan de enige straf. Niemand kan zich onttrekken aan die Rechter en ik doe daar geen beroep op. De Gezagdrager kan, als hij die fouten schadelijk vindt, het Boek waarin ze staan weliswaar verbieden, maar kan, ik zeg het nogmaals, daarom nog niet de Schrijver straffen die ze gemaakt heeft, omdat dat zou betekenen dat hij een vergrijp straft dat misschien onopzettelijk is en dan van het kwaad alleen de intentie bestraft wordt. Dus dat is nog steeds niet waar het hier om gaat.

Maar er is een groot verschil tussen een Boek dat schadelijke vergissingen bevat en een verderfelijk Boek. Aangenomen principes, de gevolgde gedachtegang en de daaruit afgeleide gevolgtrekkingen, geven blijk van de bedoeling van de Schrijver en omdat die bedoeling afhankelijk is van zijn wil, valt die onder de jurisdictie van de Wetten. Als die bedoeling uitgesproken slecht is, is dat niet langer een vergissing en ook geen fout, maar een misdrijf. Dan wordt alles anders. Het gaat dan niet langer om een literair twistgesprek waarover het Publiek verstandelijk een oordeel uitspreekt, maar om een strafzaak waarover in de Rechtbank een vonnis geveld moet worden, volgens de gehele striktheid van de Wetten. Dat is de hachelijke positie waarin ik gebracht ben door de Gezagsdragers, die zeggen dat ze rechtvaardig zijn, en gedreven Schrijvers die ze te belangrijk vinden. Zodra er voor mij gevangenissen, beulen en ketenen in gereedheid gebracht worden, is iedereen die mij beschuldigt een verklikker. Of omdat hij niet alleen de Schrijver aanvalt, maar de mens; of omdat wat hij schrijft van invloed kan zijn op mijn lot. [3] Hij heeft het niet alleen maar gemunt op mijn reputatie, maar ook op mijn eer, mijn vrijheid en mijn leven.

Dat, Mijnheer, brengt ons opeens terug bij de stand van de zaak en het lijkt me dat het Publiek daar afstand van neemt. Als ik laakbare dingen heb geschreven kan mij dat kwalijk genomen en het boek verboden worden. Maar om het te veroordelen en mij persoonlijk aan te vallen, is er meer nodig. Een fout is daarvoor niet toereikend, er moet sprake zijn van een vergrijp, een misdrijf. Ik moet dan met slechte bedoelingen een verderfelijke Boek geschreven hebben, en dat moet bewezen worden, niet zoals de ene Schrijver aantoont dat een andere Schrijver zich vergist, maar zoals een aanklager de aangeklaagde voor de rechter schuldig moet bevinden. Om behandeld te worden als een misdadiger, moet aangetoond worden dat ik dat ben. Dat is de eerste vraag die onderzocht dient te worden. De tweede is, aangenomen dat het vergrijp geconstateerd is, daar de aard van vast te stellen, de plek waar het plaatsgevonden heeft, de rechtbank die daarover een vonnis moet vellen, de Wet die het veroordeelt en de straf die gegeven dient te worden. Pas als die twee vragen beantwoord zijn, volgt daaruit of ik al dan niet rechtvaardig ben behandeld.

Om te weten of ik verderfelijke boeken heb geschreven, moeten de grondbeginselen daarin onderzocht worden en zien wat daarvan het gevolg zou zijn als ze aangenomen zouden worden. Omdat ik veel onderwerpen behandeld heb, moet ik mij beperken tot die waarvoor ik vervolgd ben, namelijk, de Godsdienst en de Regering. Laten we, naar voorbeeld van de rechters die zich niet uitgesproken hebben over de tweede zaak, beginnen met de eerste.

In de Emile is de Geloofsbelijdenis van een katholieke Priester te vinden, en in de Heloïse die van een vrome vrouw. Die twee stukken komen zozeer overeen dat het ene door het andere verduidelijkt kan worden. Vanwege die overeenkomst kan met enige waarschijnlijkheid aangenomen worden dat als de Schrijver, die de boeken gepubliceerd heeft waar ze in staan, niet helemaal achter beide stukken staat, hij daar ten minste wel een grote voorkeur voor heeft. Omdat de eerste van die twee geloofsbelijdenissen het uitgebreidst is en de enige is waarin het corpus delicti is aangetroffen, kan die het best eerst onderzocht worden.

Dat onderzoek verschaft nog een verheldering die noodzakelijk is om het doel te bereiken. Want bedenk wel dat het verhelderen en onderscheiden van de stellingen die mijn tegenstanders in verwarring en verlegenheid brengen, hen antwoorden betekent. Omdat zij iets bestrijden dat vanzelfsprekend is, zijn ze al weerlegd als de vraag goed gesteld is.

Naast de vorm van de eredienst, die slechts een ceremonieel is onderscheid ik in de Religie twee onderdelen. Die twee onderdelen zijn het dogma en de moraal. De dogma’s verdeel ik nogmaals in tweeën, namelijk het deel dat, omdat ze de grondslagen van onze plichten bepalen, als basis dient van de moraal en het deel dat zuiver betrekking heeft op het geloof en slechts bespiegelende dogma’s bevat.

Uit deze verdeling, die mij juist lijkt, volgt de verdeling in meningen over de Religie, enerzijds juiste, onjuiste of twijfelachtige en anderzijds goede, slechte of onverschillige.

De beoordeling van de eerste meningen komt uitsluitend op rekening van het verstand en als de Theologen zich daar meester van maken, doen zij dat als denker, als beoefenaar van de wetenschap, met behulp waarvan ze leren kennen wat waar en onwaar is met betrekking tot het geloof. Als een dwaling in dat deel schadelijk is, geldt dat alleen voor degenen die dwalen, en betekent alleen een vooringenomenheid ten opzichte van het toekomstige leven, waarover menselijke rechtbanken niet hun bevoegdheid kunnen uitstrekken. Als zij verstand hebben van deze materie, is dat niet als rechter over wat juist en onjuist is, maar als bedienaar van de burgerlijke Wetten, die de uiterlijke vorm regelen van de eredienst. Hier gaat het niet om dit gedeelte. Dat zal later besproken worden. Wat betreft het deel van de Godsdienst die de moraal bewaakt, dat wil zeggen, rechtvaardigheid, het algemene welzijn, gehoorzaamheid aan de natuurlijke en vaststaande Wetten, sociale deugden en alle plichten van mens en burger, daar behoort de regering van op de hoogte te zijn. Alleen op dat punt valt de Godsdienst rechtstreeks onder haar jurisdictie en moet zij niet de dwaling uitbannen, waarover zij geen rechter is, maar welke elke schadelijke opvatting die de maatschappelijke samenhang dreigt te schaden.

Dat, Mijnheer, is het onderscheid dat u moet maken om te kunnen oordelen over dat Stuk, dat voor het gerecht gedaagd is, niet van Priesters, maar Gezagsdragers. Ik geef toe dat het niet helemaal eenduidig is. Er staan bedenkingen en twijfels in. Laten we aannemen, wat niet het geval is, dat die twijfels ontkenningen zijn. Maar voor het grootste gedeelte is het overtuigend; het is overtuigend en bewijzend over alle fundamentele punten van de burgerlijke Godsdienst; het is dermate uitgesproken over alles wat verband houdt met de eeuwige Voorzienigheid, naastenliefde, rechtvaardigheid, vrede, het menselijke geluk, de Wetten van de maatschappij en alle deugden, dat de bedenkingen en zelfs twijfels het enigszins ten goede komen, en ik daag iedereen uit mij in de aangevallen leer ook maar een enkel punt aan te wijzen, waarvan ik kan bewijzen dat het schadelijk is voor mensen of op zichzelf, of door zijn onvermijdelijke gevolgen.

Voor de volkeren is de Godsdienst nuttig en zelfs noodzakelijk. Is dat soms niet verteld, verdedigd en aangetoond in datzelfde Boek? In plaats van de ware principes van de Godsdienst aan te vallen, worden ze door de Schrijver zoveel mogelijk naar voren gebracht en bevestigd. Wat hij aanvalt, wat hij bestrijdt, is blind fanatisme, meedogenloos bijgeloof en stompzinnige vooringenomenheid. Maar, zeggen zij, dat moet allemaal gerespecteerd worden. Maar waarom? Omdat dat de manier is waarop de Volkeren bestuurd worden. Ja, zo worden zij ten verderve geleid. Bijgeloof is de afschuwelijkste gesel van de Mensheid. Het stompt de eenvoudigen af, vervolgt de wijzen, ketent de naties en richt overal vreselijk veel kwaad aan. Wat voor goeds doet het? Helemaal niets. Als ze dat wel doet is dat voor Tirannen. Zij is hun verschrikkelijkste wapen en dat is het grootste kwaad dat zij ooit aangericht heeft.

Zij zeggen dat zij het bijgeloof aanvallen en ik de Religie wil vernietigen. Hoe weten ze dat? Waarom halen ze die twee zaken door elkaar, die ik zo zorgvuldig van elkaar onderscheid? Waarom zien ze niet dat die aantijging met alle kracht op hen zelf terugslaat en dat de Religie geen afschuwelijkere vijanden heeft dan de verdedigers van bijgeloof? Het zou heel wreed zijn als het zo gemakkelijk is iemand te beschuldigen van een bedoeling, terwijl het zo moeilijk is die te rechtvaardigen. Juist omdat niet bewezen is dat die slecht is, moet ervan uitgegaan worden dat die bedoeling goed is. Met andere woorden, wie zou zich kunnen behoeden voor willekeurige oordelen van zijn vijanden? Hoezo? Hun eenvoudige bevestiging geeft blijk van iets dat zij niet kunnen weten. En de mijne, die onlosmakelijk verbonden is met mijn gedrag, bevestigt die dan niet mijn eigen opvattingen? Welke manier rest mij dan nog om ze kenbaar te maken? Ik geef toe dat ik al het goede dat ik in mijn hart voel niet kan tonen. Maar wat een afschuwelijk mens, die er prat of durft te gaan dat hij daar het kwaad heeft ontwaard dat er nooit geweest is.

Hoe meer iemand zich schuldig maakt aan het verkondigen van bijgeloof, zegt de heer d’Alembert heel terecht, hoe misdadiger hij is als hij daar anderen van beschuldigt die dat niet doen. Degenen die openlijk mijn christen-zijn veroordelen, tonen daarmee alleen maar hun eigen soort christendom. Het enige dat ze aangetoond hebben is dat zij en ik niet dezelfde Godsdienst hebben. Dat is precies wat ze boos maakt. Het is te merken dat ze minder verbitterd worden door het slechte dan het goede. Dat goede dat ze wel moeten aantreffen in mijn Geschriften, stoort hen en brengt hen in verlegenheid. Omdat ze dat ook nog moeten veranderen in iets slechts, denken ze heel wat ontdekt te hebben. Wat zouden zij zich toch op hun gemak voelen als dat goede er niet zou zijn!

Als ik niet beoordeeld wordt naar wat ik gezegd heb, maar naar wat beweerd wordt dat ik heb willen zeggen en als er in mijn bedoelingen iets slechts gezocht wordt dat niet in mijn Geschriften staat, wat kan ik dan nog doen? Met behulp van mijn denkbeelden weerspreken zij mijn betoog. Als ik wit zeg, beweren zij dat ik zwart had willen zeggen. Zij gaan op Gods stoel zitten om het werk van de Duivel uit te voeren. Hoe kan ik mijn hoofd beschermen tegen slagen die van zo hoog worden toegebracht?

Ik zie maar één manier om te bewijzen dat de Schrijver niet de afschuwelijke bedoeling heeft die zij hem toeschrijven. Dat is het boek zelf beoordelen. Ach, laat ze maar oordelen, ik vind het best. Maar dat is niet mijn taak en een degelijk onderzoek vanuit dat standpunt, zou mij onwaardig zijn. Nee, Mijnheer, er schuilt niets kwaads in en kleeft geen smet aan, die mij zouden kunnen dwingen tot die lafhartigheid. Ik denk dat ik de Schrijver, Uitgever en zelfs de Lezer zou beledigen door een rechtvaardiging die nog veel beschamender dan eenvoudig is. Bewijzen dat deugdzaamheid geen misdaad is, betekent haar omlaaghalen. Bewijzen dat dat de waarheid is, betekent het bewijs verzwakken. Nee, lees en oordeel zelf. Wee gij, als uw hart tijdens het lezen van dat Boek niet de deugdzame en standvastige man prijst, die op deze manier de mensen durft te onderrichten! Welnu, hoe zou ik dat Boek kunnen rechtvaardigen? ik, die denk daarmee de fouten van mijn hele leven te kunnen uitwissen; ik, die de kwalijkheden die ik mij daarmee op de hals haal vereffen met die ik in mijn leven heb gedaan; ik die vol vertrouwen hoop te kunnen zeggen tegen de Opperrechter: Verwaardig u, in uw goedertierenheid, een zwak mens te oordelen; ik heb op aarde kwaad gedaan, maar wel dat Geschrift gepubliceerd.

Geachte Heer, sta mijn gezwollen hart toe bij tijd en wijle een zucht te slaken, maar weet zeker dat ik in mijn woordenstrijd geen hoogdravende woorden of jammerklachten zal mengen. Ik zal er zelfs de felheid van mijn tegenstanders in leggen. Mijn betoog zal steeds beheerst zijn. Ik bezin me dus.

Laten we proberen een middenweg te nemen, waar u tevreden mee bent en die mij niet onteert. Laten we even aannemen dat de geloofsbelijdenis van de Kapelaan in een uithoek van de christelijke wereld ingang had gevonden en dan bekijken wat dat aan goed en kwaad teweeggebracht had. Daarmee wordt die aangevochten noch verdedigd. Dat betekent de geloofsbelijdenis beoordelen naar haar uitwerking.

Eerst zie ik de nieuwste dingen zonder enige schijn van nieuwigheid; geen enkele verandering in de eredienst of grote veranderingen in het gemoed, bekeringen zonder ruchtbaarheid, een geloof zonder twisten, gedrevenheid zonder fanatisme, verstand zonder goddeloosheid, weinig dogma’s en veel deugden, verdraagzaamheid van de Filosoof en naastenliefde van de Christen.

Onze Bekeerlingen zouden maar twee leidraden hebben voor het geloof, die op hetzelfde neerkomen, verstand en Evangelie; de tweede zal te meer onwrikbaar zijn, omdat het zich niet zal baseren op het eerste en helemaal niet op bepaalde feiten die, terwijl ze eerst nog bewezen dienen te worden, de Godsdienst onder het gezag van mensen plaatsen. Het grote verschil dat er zou bestaan tussen hen en andere christenen, is dat de laatsten lieden zijn die veel redetwisten over het Evangelie zonder zich te bekommeren over het in praktijk brengen ervan, terwijl onze mensen zich zeer toeleggen op de praktijk en niet zullen redetwisten.

Wanneer de redetwistende christenen hen zullen komen vertellen: “Jullie zeggen dat je Christen bent, zonder het te zijn; want om Christen te zijn, moeten jullie geloven in Jezus-Christus en dat doen jullie niet,” dan zullen de vreedzame Christenen hen antwoorden: “Wij weten niet zo goed of wij volgens jullie idee in Jezus-Christus geloven, omdat wij dat niet begrijpen. Maar wij proberen in acht te nemen wat hij ons voorgeschreven heeft. Wij zijn Christen, ieder op zijn eigen manier, door ons aan zijn woorden te houden en jullie door in hem te geloven. Zijn naastenliefde wil dat wij allemaal broeders en zusters zijn. Dat nemen wij in acht door jullie als zodanig te aanvaarden. Ontneem ons, uit liefde voor hem, niet een naam die wij uit alle macht eerbiedigen en ons even dierbaar is als jullie.”

De redetwistende Christenen zullen zonder twijfel blijven aandringen. Als jullie je naar Jezus noemen, moeten jullie ons vertellen met welk recht jullie dat doen. Jullie zeggen dat jullie zijn woorden in acht nemen, maar welk gezag kennen jullie hem toe? Erkennen jullie de Openbaring of niet? Aanvaarden jullie het Evangelie in zijn geheel of slechts gedeeltelijk? Waarop baseren jullie dat onderscheid? Vermakelijke Christenen, die marchanderen met de Meester en uit zijn leer datgene kiezen wat ze graag aanvaarden of verwerpen.

Daarop zullen de anderen rustig zeggen: “Broeders, wij marchanderen niet, want ons geloof is geen handel. Jullie veronderstellen dat het van onszelf afhangt naar eigen believen iets te aanvaarden of verwerpen. Maar daar is geen sprake van, want ons verstand gehoorzaamt niet onze wil. Wij zouden wel kunnen willen dat wat ons onjuist voorkomt, juist lijkt; dat iets ons onjuist lijkt in weerwil van onszelf. Het enige dat van onszelf afhangt is spreken naar wat wij denken of daar tegenin gaan. Ons enige vergrijp is dat wij jullie niet willen misleiden.”

“Wij erkennen het gezag van Jezus-Christus, omdat ons verstand zijn geboden beaamt en wij zelf merken hoe voortreffelijk ze zijn. Dat gezag vertelt ons dat het de mens betaamt zijn geboden te volgen, maar het hem zelf te boven ging die te vinden. Wij aanvaarden dat de Openbaring ontsproten is aan de Geest Gods, zonder te weten hoe en zelf moeite te doen om dat te weten te komen. Stel dat wij weten dat God gesproken heeft, dan vinden wij het toch van weinig belang om te achterhalen hoe hij het aangelegd heeft om zich verstaanbaar te maken. Nu wij aldus in het Evangelie het goddelijk gezag erkennen, geloven wij dat Jezus-Christus met dat gezag bekleed was. In zijn gedrag ontwaren wij een bovenmenselijke deugdzaamheid en in zijn leringen een bovenmenselijke wijsheid. Dat is voor ons een voldongen feit. Hoe wij daartoe gekomen zijn? Dat hebben wij niet zelf gedaan, dat overkomt ons. Als jullie dat niet overkomt, het zij zo. Zo ja, dan wensen wij jullie van harte geluk. Jullie verstand kan dat van ons dan wel overtreffen, maar dat wil niet zeggen dat het jullie als Wet moet dienen. Wij vinden het goed dat jullie alles weten, maar gun ons dat wij soms iets niet weten. Jullie vragen ons of wij het Evangelie in zijn geheel aanvaarden. Wij aanvaarden alle leringen die Jezus-Christus gegeven heeft. Het nut en de noodzaak van het merendeel van die leringen raken ons en wij proberen ons daaraan te houden. Sommige vallen buiten ons bereik. Die zijn zonder twijfel gegeven voor intelligentere mensen dan wij. Wij denken niet dat wij de grenzen van het menselijke verstand bereikt hebben en scherpzinnigere mensen hebben behoefte aan verhevener geboden.”

“Veel zaken in het Evangelie gaan ons verstand te boven en brengen het zelfs in de war. Daarom verwerpen we ze nog niet. Omdat wij overtuigd zijn van de ontoereikendheid van ons bevattingsvermogen, kunnen wij eerbiedigen wat wij niet kunnen begrijpen als wij, in verhouding met wat wij wel begrijpen, vinden dat het ons begrip te boven gaat. Alles wat nodig is om een heilige te zijn, blijkt voor ons duidelijk uit het Evangelie. Moeten we de rest dan ook begrijpen? Op dat punt blijven wij onwetend, maar zonder ons te vergissen. Wij zullen daardoor niet een minder goed mens zijn. Juist die nederige terughoudendheid is de strekking van het Evangelie.”

“Wij eerbiedigen dat heilige Boek niet helemaal als Boek, maar als woord en leven van Jezus-Christus. De aard van de waarheid, wijsheid en heiligheid die het bevat, leert ons dat dat verhaal niet wezenlijk veranderd is. [4] Voor ons geldt echter dat niet bewezen is dat dat nooit gebeurd is. Wie weet of de dingen die wij daarin niet begrijpen, geen fouten zijn die in de tekst zijn geslopen? Wie weet of de Leerlingen, die zozeer de mindere waren van hun Meester, alles wel begrepen en goed overgebracht hebben? Wij spreken ons daar niet over uit, wij veronderstellen het niet eens en dragen jullie alleen maar vermoedens aan, omdat jullie dat vragen.”

“Wij kunnen ons vergissen in onze ideeën, maar jullie kunnen dat ook in die van jullie. Waarom zouden jullie dat niet kunnen, omdat jullie immers mens zijn? Jullie kunnen even te goeder trouw zijn als wij, maar dat wil niet zeggen dat jullie meer weten. Jullie kunnen verstandiger zijn, maar jullie zijn niet onfeilbaar. Wie moet er dan oordelen over die twee opvattingen? Jullie? dat zou niet rechtvaardig zijn. Wij nog minder, want wij vertrouwen juist niet op onszelf. Laten we dus die beslissing overlaten aan de gemeenschappelijke rechter die ons begrijpt en, omdat wij het eens zijn over de regels van onze wederzijdse plichten, gedoog ons dan in het overige zoals wij jullie gedogen. Wees vreedzame mensen, wees broeders en zusters. Laten we, in de liefde van onze gemeenschappelijke Meester, één worden in het uitoefenen van de deugden die hij ons heeft voorgeschreven. Dat is wat de ware Christen doet.”

“Als jullie ons die kostbare naam blijven weigeren, nu wij alles in het werk hebben gesteld om broederlijk met jullie samen te leven, zullen wij ons over die onrechtvaardigheid heen zetten, door te bedenken dat woorden geen dingen zijn, de eerste Leerlingen van Jezus ook niet de naam Christen aannamen, de martelaar Stephanus die nooit droeg en toen Paulus zich bekeerde tot het geloof van Christus er geen enkele Christen op aarde was [5].”

Denkt u niet, Mijnheer, dat een meningsverschil, als dat zo behandeld zou worden, niet zeer fel en langdurig zou zijn en een van de Partijen niet weldra genoodzaakt zou zijn te zwijgen, als de andere niet zou willen discussiëren?”

Als onze Bekeerlingen het land dat zij bewonen in bezit hebben, zullen zij een vorm van eredienst instellen die even eenvoudig is als hun geloof. De Godsdienst die uit dat alles voort zal vloeien zal juist door haar eenvoud veel nuttiger zijn voor de mensen. Bevrijd van alles dat zij vervangen hebben door deugden, en omdat die Leer geen bijgelovige rituelen en scherpzinnigheden bevat, zal zij in haar geheel op haar ware doel afstevenen, namelijk het uitoefenen van onze plichten. De woorden vroom en orthodox zullen daar onbruikbaar zijn. Eentonige geprevel zal daar niet doorgaan voor vroomheid. Daar zullen goddeloze noch slechte, maar alleen maar betrouwbare en rechtschapen mensen zijn.

Als die ordening eenmaal is doorgevoerd zal iedereen, verplicht door de Wetten, zich daaraan onderwerpen, omdat zij niet gebaseerd is op het gezag van mensen, niets in zich heeft dat niet in de orde ligt van natuurlijke inzichten, geen enkel punt bevat dat niet te maken heeft met het welzijn van de gemeenschap en niet vermengd is met ook maar een enkel dogma of iets zuiver speculatiefs, dat overbodig is voor de moraal.

Zouden onze Bekeerlingen daardoor onverdraagzaam zijn? Integendeel. Zij zouden juist uit principe verdraagzaam zijn. Zij zouden dat meer zijn dan in enig andere leer mogelijk is, omdat zij alle goede Godsdiensten zullen toelaten die elkaar onderling niet verdragen, dat wil zeggen, alle Godsdiensten die het wezenlijke verwaarlozen en van wat dat niet is iets wezenlijks maken. Terwijl zij zich zelf houden aan dat enige wezenlijke, laten zij de anderen zich naar eigen goeddunken bezighouden met het overbodige, mits zij dat eerste niet verwerpen. Zij laten hen uitleggen wat zij zelf niet kunnen. Zij laten hen beslissen over zaken waarover dat zij zelf niet kunnen. Zij gunnen iedereen zijn rituelen, geloofsartikelen en –overtuiging. Zij zeggen: aanvaard net als wij de plichten als mens en Burger, en geloof verder wat je maar wil. Wat betreft de Godsdiensten die in wezen slecht zijn en de mens ertoe brengen kwaad te doen: die zullen zij niet gedogen, omdat dat juist strijdig is met ware verdraagzaamheid, die als enige doel vrede onder de Mensheid heeft. Iemand die werkelijk verdraagzaam is, duldt geen misdaad. Hij duldt ook geen enkel dogma dat mensen slecht maakt.

Stel nu het tegenovergestelde, namelijk dat onze Bekeerlingen overheerst worden door anderen. Als vreedzame mensen zouden zij zich onderwerpen aan de Wetten van hun meesters, zelfs inzake de Godsdienst, te minste als die Godsdienst niet door en door slecht zou zijn, want dan zouden ze zonder degene die haar belijden te kwetsen, weigeren dat ook te doen. Zij zouden tegen hen zeggen: omdat God ons tot dienstbaarheid oproept, willen wij goede dienaren zijn en jullie opvattingen verhinderen dat. Wij kennen onze plichten. Wij hebben ze lief en wijzen iedereen af die ons daar vanaf brengt. Om ten opzichte van jullie oprecht te zijn, aanvaarden wij de Wet der ongerechtigheid niet.

Maar als de Godsdienst van het land op zich goed is, en wat er slecht aan is alleen schuilt in eigen interpretaties, of zuiver bespiegelende dogma’s, zullen zij zich houden aan het wezenlijke en de rest gedogen, evenzeer uit respect voor de Wetten als uit liefde voor de vrede. Als hen gevraagd wordt nadrukkelijk uiting te geven aan hun geloofsovertuiging, zullen zij dat doen, omdat ze niet willen liegen. Zij zullen zo nodig vastberaden, zelfs krachtig, hun mening uitspreken. Als ze aangevallen worden, zullen zij zich bedachtzaam verweren. Verder zullen zij niet strijden tegen hun broeders en zullen hen, zonder hen hardnekkig te willen overtuigen, uit naastenliefde bijeen laten. Zij zullen hun bijeenkomsten bijwonen, hun gebruiken overnemen en zich, omdat zij niet denken onfeilbaarder te zijn dan zij, onderwerpen aan de mening van de meerderheid, wat betreft hetgeen hun geweten niet aangaat en niet van belang is voor hun heil.

Dat is het goede, zult u mij zeggen, maar laten we nu naar het kwaad kijken. Dat kan in een paar woorden gezegd worden. God zal niet langer de spreekbuis zijn van de slechtheid der mensen. De Godsdienst zal niet langer dienen als instrument van de tirannie van de Lieden der Kerk en de wraakzucht van de overweldigers. Zij zal nog alleen maar dienen om de Gelovigen goed en rechtvaardig te maken. Dat komt niet voor rekening van degenen die hen besturen en voor hen is het ergste als de Godsdienst nergens toe dient.

Zogezien is die Leer dus heilzaam voor de mensheid en slecht voor haar onderdrukkers. In welke absolute klasse moet zij geplaatst worden? Ik heb oprecht de voors en tegens opgesomd. Vergelijk zelf en kies.

Nu alles goed onderzocht is, denk ik dat u het met twee dingen eens zult zijn. Ten eerste, dat die door mij veronderstelde mensen zich wat dat betreft zeer consequent gedragen naar de geloofsbelijdenis van de Kapelaan. Ten tweede, dat hun gedrag niet alleen onberispelijk zal zijn, maar werkelijk christelijk; dat men er verkeerd aan doet die deugdzame en godvruchtige mensen de naam Christen te ontzeggen, omdat zij die door hun gedrag volkomen verdienen; dat zij door hun opvattingen minder gekant zullen zijn tegen veel Sekten die zich die naam wel toe-eigenen, wat hen niet betwist wordt; dat veel van diezelfde Sekten niet onderling verdeeld zijn. Zij zullen dan, zo men wil, geen Christen zijn op de manier van Paulus, die oorspronkelijk hun vervolger was en Jezus-Christus niet zelf aanhoord had, maar Christen op de manier van Jacobus, die door de Meester persoonlijk uitverkozen was en uit zijn eigen mond de aanwijzingen gekregen had die hij ons overbrengt. Die hele gedachtegang is heel eenvoudig, maar lijkt me wel doorslaggevend.

U zult mij misschien vragen hoe die leer valt te rijmen met iemand die zegt dat het Evangelie bespottelijk is en verderfelijk voor de maatschappij? Ik geef ruiterlijk toe dat die overeenkomst mij niet eenvoudig lijkt, maar wil u op mijn beurt vragen waar de man is die zegt dat het Evangelie ongerijmd en verderfelijk is. U, Heren, beschuldigt mij ervan dat ik dat gezegd heb. Waar dan? In Het Maatschappelijke Verdrag, in het Hoofdstuk over de burgerlijke Godsdienst. Dat is merkwaardig! Ik denk dat ik in datzelfde Boek en in hetzelfde Hoofdstuk juist het tegenovergestelde heb gezegd. Ik denk dat ik daar gezegd heb dat het Evangelie iets prachtigs is en het sterkste punt van de maatschappij. [6]

Ik wil die Heren niet beschuldigen van een leugen, maar geef dan wel toe dat twee zulke tegenstrijdige stellingen, in hetzelfde Boek en hetzelfde Hoofdstuk, iets uiterst merkwaardigs betekenen.

Zou hier niet sprake kunnen zijn van een nieuw misverstand, waarop men zich beroept om mij nog schuldiger of gekker te maken dan ik ben? Dat woord Maatschappij is een nogal vaag begrip. Er zijn ter wereld heel wat soorten maatschappijen en het is niet onmogelijk dat wat de ene van dienst is, de andere schaadt. Laten we eens zien: de favoriete manier van mijn aanvallers is dat zij altijd heel slim vage ideeën opperen. Laten we als enige antwoord proberen ze te verduidelijken.

Het Hoofdstuk waarover ik spreek is, zoals men aan de titel kan zien, bedoeld om te onderzoeken hoe godsdienstige instellingen de Staatsinrichting kunnen binnendringen. Zogezien gaat het hier dan niet om Godsdiensten juist of onjuist te vinden, zelfs niet slecht of goed op zich, maar ze uitsluitend te bekijken in hun verhouding met de Staat en als onderdeel van de Wetgeving.

Vanuit dat oogpunt laat de Schrijver zien dat alle oude Religies, zonder daar de Joodse van uit te sluiten, oorspronkelijk nationaal waren, in overeenstemming waren gebracht met en toegeëigend door de Staat en zodoende de basis vormden of op zijn minste deel uitmaakten van het wetgevende Systeem.

Het Christendom is juist principieel een universele Godsdienst, die niemand uitsluit, niet aan plaats gebonden is en niets bevat dat meer eigen is aan het ene dan aan het andere land. Haar goddelijke stichter die, in zijn grenzeloze naastenliefde, alle mensen gelijkelijk omarmde, is gekomen om de muren te slechten waardoor de Naties van elkaar gescheiden waren en de hele Mensheid bijeen te brengen in één Volk van broeders en zusters, want voor elke Natie is iedereen die haar eerbiedigt en zich wijdt aan gerechtigheid, welgevallig. [7] Dat is de ware strekking van het Evangelie.

Zij die van het Christendom een nationale Godsdienst en een onderdeel van het Wetgevende Systeem hebben willen maken, hebben daarmee twee nadelige fouten gemaakt, de een voor de Godsdienst, de andere voor de Staat. Ze hebben zich afgewend van de bedoeling van Jezus-Christus, wiens rijk niet van deze wereld was, door wereldse belangen te vermengen met die van de Godsdienst. Zij hebben haar hemelse zuiverheid bezoedeld en er een wapen van gemaakt voor Tirannen en een instrument voor vervolgers. Evenzeer hebben zij de heilzame stelregels van de politiek geschaad, omdat zij, in plaats van het Regeringsapparaat te vereenvoudigen, dat ingewikkeld gemaakt en oneigenlijke en overbodige bevoegdheden toegekend hebben. En door het te dwingen aan twee verschillende, vaak tegenstrijdige drijfveren te voldoen, hebben ze onenigheden teweeggebracht die merkbaar zijn in alle christelijke Staten, waar men de Godsdienst het politieke systeem heeft laten binnendringen.

Het volmaakte Christendom is een universele sociale instelling, maar om aan te tonen dat het geen politieke instelling is en niet wedijvert met goede particuliere instellingen, moeten de drogredenen ontzenuwd worden van de lieden die de Godsdienst overal in mengen, als een houvast om zich overal meester van te kunnen maken. Alle menselijke instellingen zijn gebaseerd op menselijke hartstochten en houden zichzelf daarmee in stand. Wie hartstochten bestrijdt en vernietigt, is dus niet geëigend om die instellingen te versterken. Zal iemand, die het hart van de mensen losmaakt van de aarde, bij ons soms meer belangstelling opwekken voor wat zich daar afspeelt? Zal iemand die ons alleen maar bezighoudt met een ander Vaderland, ons soms meer hechten aan het onze?

Nationale Godsdiensten zijn als deel van haar inrichting nuttig voor de Staat. Daarover valt niet te twisten. Maar ze zijn schadelijk voor de Mensheid en in een ander opzicht ook voor de Staat. Hoe en waarom heb ik al laten zien.

Omdat het de mensen rechtvaardig en gematigd maakt en hen de vrede leert lief te hebben, is het Christendom juist zeer heilzaam voor de maatschappij. Maar het verzwakt wel de kracht van de politieke bevoegdheden, hindert de bewegingen van het Staatsapparaat, verbreekt de eenheid van het geheel van de moraal en moet wel, omdat het zich onvoldoende aangepast heeft, daar of een oneigenlijk en verwarrend deel van blijven uitmaken of ontaarden.

Aan twee kanten vormt dat dus een nadeel en ongemakken voor de Staat. Toch is het van belang dat de Staat niet verstoken is van een Godsdienst en wel om twee zwaarwegende redenen, waarop ik overal sterk de nadruk heb gelegd. Maar het is nog veel beter geen Godsdienst te hebben, dan een die onmenselijk is en vervolgt, die door de Wetten te tiranniseren, de plichten van de Burger zal dwarsbomen. Er zal gezegd worden dat alles wat in Genève ten aanzien van mij voorgevallen is, slechts gedaan is om dat Hoofdstuk als voorbeeld te stellen, en aan de hand van mijn eigen verhaal aan te tonen dat mijn betoog zeer deugdelijk is geweest.

Wat moet een verstandige Wetgever doen in dit dilemma? Een van de twee. Of een zuiver burgerlijke Godsdienst vestigen, waarbij hij, door alle fundamentele dogma’s van elke goede Godsdienst daarin in te sluiten, alle dogma’s die werkelijk nuttig zijn voor de maatschappij, hetzij universele, hetzij bijzondere, en alle andere weglaat die van belang kunnen zijn voor het geloof, maar op geen enkele manier voor het aardse welzijn, het enige doel van de Wetgeving. Want hoe kan bijvoorbeeld het mysterie van de Drie-eenheid bijdragen aan een goede Staatsinrichting? Hoe kunnen haar leden een betere Burger zijn, als zij de verdienste van goede werken zouden verwerpen en wat is het verband tussen de burgerlijke maatschappij en het dogma van de Erfzonde? Maar wie ziet niet dat, hoewel het Christendom een vreedzame instelling is, het dogmatische en theologische Christendom, door de veelheid en vaagheid van zijn dogma’s en vooral door de verplichting die te aanvaarden, een slagveld is, dat altijd open ligt tussen mensen en dat zonder, krachtens interpretaties en besluiten, nieuwe twistgesprekken over die besluiten te kunnen voorkomen?

De andere oplossing is het Christendom te aanvaarden in haar ware geest, vrij, bevrijd van elke wereldse band, zonder andere plicht dan die van het geweten, zonder andere beperking in haar dogma’s dan zeden en Wet. Door de zuiverheid van haar moraal, is de christelijke Godsdienst in een Staat altijd goed en heilzaam, mits van haar geen deel van het bestel wordt gemaakt, mits zij uitsluitend aanvaard wordt als Godsdienst, mening, overtuiging en geloof. Maar als politieke Wet, is het dogmatische Christendom een heilloze instelling.

Dat, Mijnheer, is de belangrijkste conclusie die getrokken kan worden uit dat Hoofdstuk, waarin ik vind dat het zuivere Evangelie, omdat het zozeer de hele Mensheid insluit, in plaats van verderfelijk voor de maatschappij, in zekere zin te sociaal is voor een Wetgeving die mensen uit moet sluiten. Dat het mensen eerder aanzet tot medemenselijkheid dan vaderlandsliefde en er eerder naar streeft mensen te vormen dan Burgers. [9] Als ik mij vergis, heb ik mij in politiek opzicht vergist. Maar waar is mijn goddeloosheid dan?

Het besef van de verlossing en de opvattingen van de Regering zijn zeer verschillend. Willen dat het alleen maar om het eerste gaat, is kleingeestig fanatisme. Dat is de manier van denken van de Alchemisten, die in hun kunst van het bereiden van goud, ook het universele geneesmiddel zien, of van de Mohammedanen die beweren alle wetenschappen aan te treffen in de Koran. De leer van het Evangelie kent maar één doel, namelijk alle mensen uitnodigen en redden. Hun vrijheid en welzijn hier beneden, nemen daar part noch deel aan, heeft Jezus duizend keer gezegd. Dat doel vermengen met aardse oogmerken, betekent zijn buitengewone eenvoud veranderen, zijn heiligheid bezoedelen met menselijke belangen. Dat is de echte goddeloosheid.

Dat onderscheid is van alle tijden. Alleen ten aanzien van mij is dat door elkaar gehaald. Door de Christelijke Religie los te maken van de nationale Instellingen, heb ik aangeduid wat het beste is voor Mensheid. De Schrijver van Over de Geest der Wetten (vert.: Montesquieu) is verder gegaan. Hij heeft gezegd dat de Mohammedaan eigenlijk thuishoren in de Aziatische streken. Zijn redenering was politiek, die van mij ook. In welk land heeft men ruzie gezocht, ik bedoel niet met de Schrijver, maar met het Boek? [10] Waarom ben ik dan schuldig en niet het Boek?

Dat, Mijnheer, is hoe een rechtvaardige kritiek, door middel van betrouwbare samenvattingen, er in slaagt de werkelijke opvattingen van een Schrijver en de opzet waarmee hij zijn Boek geschreven heeft, kenbaar te maken. Als al mijn meningen op die manier onderzocht worden, ben ik niet bang voor het oordeel dat ieder rechtschapen mens daarover zal uitspreken. Maar dat is niet de manier waarop die Heren het aanpakken. Daar wachten zij zich wel voor. Wat ze zoeken zullen ze niet vinden. Met het oogmerk mij tegen elke prijs schuldig te verklaren, laten ze de werkelijke bedoeling van het Boek buiten beschouwing. Elke vergissing, elke nalatigheid die de Schrijver ontgaan is, schrijven zij een bedoeling toe. En als hij toevalligerwijs een passage voor meerdere uitleg vatbaar laat, verzuimen zij niet daar een verklaring aan te geven, die niet de zijne is. Op een grote akker bedekt met een rijke oogst, gaan zij zorgvuldig op zoek naar een paar slechte planten, om degene die ze gezaaid heeft aan te kunnen wrijven dat hij een gifmenger is.

Op de plek waar ze staan kunnen mijn stellingen geen enkel kwaad. In de betekenis die ik ze geef zijn ze waar, heilzaam en oprecht. Het is het opzettelijk verkeerd weergeven en hun vervalsingen en bedrieglijke interpreteringen, die ze strafbaar maken. In hun eigen Boeken moeten ze verbrand worden, in de mijne gelauwerd. Hoe vaak hebben belasterde Schrijvers en een verontwaardigd Publiek niet geprotesteerd tegen die schandelijke manier om een Boek te versnipperen, die snippers te verdraaien, het aan de hand van verdwenen flarden hier en daar lukraak te laten veroordelen, door een onbetrouwbare aanklager, die zelf iets slechts vervaardigt door het af te zonderen van het goede dat hij verbetert en verklaart en overal ontdoet van de werkelijke betekenis? Laten ze eens een oordeel uitspreken over la Bruyere of La Rochefoucault aan de hand van afzonderlijke aforismen. Zou vergelijken en verwijten dan ook terecht zijn? Maar hoeveel verschillende betekenissen kan dezelfde stelling niet hebben, al naargelang de manier waarop de Schrijver haar gebruikt en bekijkt, in een Boek in de vorm van een betoog? Er is misschien geen enkele stelling die mij verweten wordt, waarop ik op de daarop volgende of voorafgaande pagina niet zelf van repliek dien, en ik in een andere betekenis opgevat heb, als mijn aanklagers daaraan geven. Voordat ik deze Brieven beëindig, zult u daarvan bewijzen zien, die u zullen verrassen.

Maar als er op zich onjuiste, laakbare en afkeurenswaardige stellingen in staan, is dat dan voldoende om een Boek verderfelijk te maken? Een goed Boek is niet een Boek dat niets ondeugdelijks bevat of iets dat als ondeugdelijk geïnterpreteerd kan worden. Want dan zouden er geen goede Boeken bestaan. Maar een goed Boek is een Boek dat meer goede dingen bevat dan slechte. Een goed Boek is een Boek, waarvan de werking is dat die in haar geheel naar het goede leidt, ondanks het kwaads dat het bevat. Mijn hemel, het zou wat zijn als het toegestaan was, in een prachtig Boek, vol nuttige waarheden, lessen in menslievendheid, vroomheid en deugdzaamheid, met een kwaadaardige nauwgezetheid op zoek te gaan naar alle dwalingen, alle dubbelzinnige, verdachte of ondoordachte stellingen en alle inconsequenties waarvan een Schrijver de bijzonderheden kunnen zijn ontgaan. Een Schrijver die overbelast met zijn onderwerp, overstelpt met talrijke ideeën die het oproept, de ene stelling met andere verwisselt en zijn veelomvattende plan met moeite in zijn hoofd bijeen kan brengen. Het zou wat zijn als het toegestaan was al zijn fouten op één hoop te gooien, de een door de ander erger te laten maken, door wat verstrooid is bijeen te brengen, op zichzelf staande zaken met elkaar te verbinden, en vervolgens de veelheid aan goede en prijzenswaardige dingen te verzwijgen, die ze logenstraffen, verklaren en weer goed maken, die het werkelijke doel laten zien van de Schrijver en die afschuwelijke verzameling voor zijn principes te houden, te opperen dat dat de samenvatting is van zijn werkelijke opvattingen en vervolgens te oordelen over een dergelijk uittreksel? Naar welke wildernis moet hij vluchten, in welke spelonk moet hij zich verbergen om te ontkomen aan de vervolgingen door dat soort mensen die, onder de schijn van het slechte, het goede straffen, die de kern, bedoelingen en overal duidelijke oprechtheid niet meetellen en de geringste en onopzettelijkste fout behandelen als een misdaad van een schurk? Is er ter wereld ook maar een enkel waarachtig, een enkel goed, een enkel uitmuntend Boek dat kan ontkomen aan die schandelijke inquisitie? Nee, Mijnheer, dat is er niet, geen enkel, zelfs niet het Evangelie, want het kwaad dat daar niet in zit zullen zij met hun onbetrouwbare citaten, met hun bedrieglijke interpretaties, daarin binnenbrengen.

Wij schenken u, durven ze te zeggen, een schandelijk, vermetel, en goddeloos Boek. De moraal daarvan is de rijke rijker maken en de arme beroven, [11] kinderen leren hun moeder en broeders te verloochenen, [12] zich zonder gewetensbezwaren meester te maken van eigendommen van anderen, [13] slechte mensen niet onderrichten, uit angst dat zij hun leven beteren en vergeven worden, [14] en vader, moeder, vrouw, kinderen en alle naasten te haten. [15] Het is een boek waarin overal het vuur van tweedracht aangeblazen wordt, [16] waarin men zich erop beroemt de zoon te wapenen met een zwaard, tegen zijn vader, [17] ouders tegen elkaar op te zetten [18] en knechten tegen hun meesters. [19] Waarin ingestemd wordt met het overtreden van de Wetten, [20] de plicht opgelegd wordt anderen te vervolgen, [21] en waarin om volkeren tot struikroverij aan te zetten, het eeuwige geluk de beloning van geweld en de verovering door geweldenaars, gemaakt wordt. [22]

Stelt u zich voor dat een duivelse geest, die op deze manier het hele Evangelie ontleedt en deze lasterlijke analyse maakt onder de naam evangelische Geloofsbelijdenis, een angstaanjagend geschrift, en dat de vrome Farizeeërs dat Geschrift triomfantelijk aanprijzen als een kort overzicht van de leringen van Jezus-Christus. Toch is dat hoever die schandelijke manier kan leiden. Iedereen die mijn Boeken leest en daarna de aantijgingen onder ogen krijgt die mij veroordelen en achtervolgen, zal zien dat ik door iedereen zo behandeld ben.

Ik denk u te hebben bewezen dat die Heren geen redelijk oordeel over mij hebben geveld. Ik moet u nu nog bewijzen dat zij mij niet mij niet overeenkomstig de Wetten hebben veroordeeld. Maar laat mij even op adem komen. Tot welke treurige verhandelingen wordt ik op mijn leeftijd nog gedwongen! Moet ik zo laat nog leren mijn apologie te schrijven? Was het wel de moeite waard daarmee te beginnen?

 

NOTEN

[1] Door middel van een Verzoekschrift verzocht mijn familie op de hoogte gesteld te worden van de uitspraak. Dit is het antwoord: “25 Juni 1762. Het onderhavige Verzoekschrift in aanmerking genomen, dienen naar unaniem besluit uitspraak en doeleinden derzelve niet medegedeeld te worden aan Verzoekers.” Was getekend, Lullin. Het Vonnis van het Parlement van Parijs werd gepubliceerd meteen nadat het was uitgesproken. Bedenk dat dit een vrije Staat is, waar dergelijke Decreten worden uitgevaardigd tegen de eer en vrijheid van de Burgers!

 [2] Laten wij, zo men wil, een uitzondering maken voor de Boeken over Meetkunde en hun Schrijvers. Maar nogmaals, als de stellingen zelf geen dwalingen bevatten, wie zal ons dan verzekeren dat dat ook het geval is in de reeks conclusies, de gemaakte keuzes en de methode? Euclides levert een bewijs en bereikt zijn doel, maar langs welke weg? hoeveel vergissingen heeft hij onderweg gemaakt? De wetenschap kan dan wel onfeilbaar zijn, maar de mens die haar beoefent vergist zich vaak.

[3] Een paar jaar na het verschijnen van een beroemd Boek, besloot ik de principes daarin te bestrijden die ik gevaarlijk vond. Ik staakte die onderneming toen ik hoorde dat de Schrijver vervolgd werd. Meteen wierp ik mijn papieren in het vuur, omdat ik vond dat geen enkele plicht de laagheid kon wettigen om mij achter een groep mensen te scharen om iemand te belasten die in de verdrukking zat. Toen de rust weer helemaal weergekeerd was, was ik in de gelegenheid om mijn mening over datzelfde onderwerp te uiten in andere geschriften, maar dat heb ik gedaan zonder Boek of Schrijver te vermelden. Dat respect voor zijn ellende heb ik gedacht te moeten toevoegen aan de achting die ik altijd voor hem persoonlijk heb gehad. Ik geloof niet dat die manier van denken alleen voor mij geldt. Alle rechtschapen mensen hebben die met elkaar gemeen. Zodra een zaak het stempel misdadig krijgt, moeten ze zwijgen, tenzij zij worden opgeroepen als getuige.

[4] Wat zou er gebeuren met de eenvoudige gelovigen, als kritische discussies de enige manier zou zijn om dat te weten te komen of op gezag van de Predikant? Uit welke onbeschaamdheid durft men het geloof te laten afhangen van zoveel kennis of onderdanigheid?

[5] Die naam werd hen een paar jaar na Antiochus voor het eerst gegeven.

[6] Het Maatschappelijk Verdrag, L. IV. Hoofdst. 8. pag. 310, 311, van de uitgave in 8°.

[7] Handelingen, X. 35.

[8] Brieven vanaf het Platteland (Lettres écrites de la Campagne), pag. 30.

[9] Het is een prachtig gezicht ons die keuze van fraaie meningen zien verzamelen in de Boeken. Daar zijn alleen woorden voor nodig en deugden op papier kosten amper iets. Maar zo ordenen zij zich helemaal niet in het mensenhart en het zijn allesbehalve waarheidsgetrouwe beschrijvingen. Vaderlandsliefde en naastenliefde zijn bijvoorbeeld in kracht niet met elkaar te vergelijken en vooral niet bij een Volk in zijn geheel. De Wetgever die ze beiden wil, zal ze geen van beiden bereiken. Nooit is gezien dat die twee samengingen en dat zal ook nooit gebeuren, want dat is strijdig met de natuur. Men kan dezelfde hartstocht niet op twee dingen richten.

[10] Het is goed om op te merken dat het Boek, Over de Geest der Wetten, voor het eerst gedrukt werd in Genève, zonder dat de Scholarchen daarin iets laakbaars aantroffen en dat de Uitgave gecorrigeerd werd door een Predikant.

[11] Matth XIII. 12. Luc. XIX. 26.

[12] Matth. XII. 48. Marc. III. 33.

[13] Marc. XI. 2. Luc. XIX. 30.

[14] Marc. IV. 12. Joh. XII. 40.

[15] Luc. XIV. 26.

[16] Matth. X. 34. Luc. XII. 51. 52.

[17] Matth. X. 35. Luc. XII. 53.

[18 Ibid.

[19] Matth. X. 36.

[20] Matth. XII. 2. & ev.

[21] Luc. XIV. 23.

[22] Matth. XI. 12.