‘In het
museum in Dresden hangt een schilderij van Claude Lorrain dat volgens
de
catalogus Acis en Galatea heet... Dat schilderij zag ik in een
droom,
niet als een schilderij evenwel, maar als een realiteit. Ik zag net als
op het
schilderij een hoekje van de Griekse archipel en ik was, zo leek het,
drieduizend jaar in de tijd teruggegaan. Blauwe, liefkozende golven,
eilanden
en rotsen, en oevers vol bloemen; in de verte een betoverend panorama,
de roep
van de ondergaande zon... Hier had de wieg van de mensheid gestaan. De
mensen
werden gelukkig en onschuldig wakker en zo sliepen zij in; in de bossen
weerklonken hun vrolijke liederen, en het teveel van hun overvloedige
krachten
stortte zich in de liefde, in kinderlijke vreugde uit. En ik voelde het
terwijl
ik de immense toekomst die hen wachtte en waarvan ze zelfs geen idee
hadden,
ontwaarde, en mijn ziel huiverde bij die gedachten.’ (Uit: Boze
geesten.) |
Fjodor Dostojewski
DE
DROOM VAN EEN
BELACHELIJKE MAN
1877
Uit het Russisch
naar het Engels vertaald
door
Constance Garnett, 1861-1946
Ik ben een
belachelijk mens.
Ze noemen me tegenwoordig een gek. Dat zou een promotie zijn als het
niet zo
zou zijn dat ik in hun ogen net zo belachelijk blijf als vroeger. Maar
tegenwoordig neem ik ze dat niet meer kwalijk, tegenwoordig zijn ze me
allemaal
even lief en zelfs als ze me uitlachen — ja juist dan zijn ze me
bijzonder
lief. Ik zou zelf met ze mee kunnen lachen — niet om mezelf, maar uit
genegenheid voor ze — als het me niet zo verdrietig maakte ze zo te
zien.
Verdrietig omdat ze de waarheid niet kennen en ik de waarheid wel ken.
O, wat
is het moeilijk om de enige te zijn die de waarheid kent! Maar ze
zullen dat
niet begrijpen. Nee dat zullen ze niet begrijpen.
Vroeger heb ik er onder geleden dat ik zo belachelijk leek. Niet leek,
maar
was. Ik ben altijd belachelijk geweest en ik heb het misschien al vanaf
het uur
dat ik geboren ben geweten. Misschien wist ik al vanaf mijn zevende
jaar dat ik
belachelijk was. Daarna ging ik naar school, studeerde aan de
universiteit en
weet je, hoe meer ik leerde, hoe zekerder ik besefte dat ik belachelijk
was.
Zodat het op het einde leek alsof alle wetenschappen die ik aan de
universiteit
studeerde, hoe meer ik me erin verdiepte, er alleen maar waren om mij
te
bewijzen en duidelijk te maken, dat ik belachelijk was. Met het leven
ging het
op dezelfde manier als met de wetenschap. Zoals het met de studie ging,
liep
het ook in het leven. Met ieder jaar groeide en versterkte zich in mij
hetzelfde besef dat ik in alle opzichten een belachelijke figuur was.
Iedereen
lachte me altijd uit. Maar ze wisten niet of hadden er een vermoeden
van dat,
als er één mens ter wereld was die beter dan wie dan ook besefte dat ik
belachelijk was, ik dat dan zelf was, en wat voor mij het meest
stuitende was,
was dat ze dat niet wisten. Maar dat was mijn eigen schuld; ik was zo
trots dat
niets mij er toe kon bewegen dat ooit aan wie dan ook te vertellen. Die
trots
groeide in mij van jaar tot jaar en als het gebeurd zou zijn dat ik me
gepermitteerd zou hebben om tegenover wie dan ook te bekennen dat ik
belachelijk was, geloof ik dat ik me dan nog dezelfde avond voor de kop
geschoten zou hebben. O, wat heb ik in mijn jonge jaren geleden onder
de angst
dat ik daaraan zou toegeven en het aan mijn kameraden zou bekennen.
Maar sinds
ik de volwassenheid bereikt heb, ben ik, hoewel ik mij van mijn
verschrikkelijke eigenschap ieder jaar meer bewust werd, om de een of
andere
onbekende reden kalmer geworden. Ik zeg “onbekend”, omdat ik tot op de
dag van
vandaag niet kan vertellen waarom. Misschien lag het aan het vreselijke
lijden
dat in mijn ziel groeide tengevolge van iets dat voor mij zwaarder woog
dan wat
dan ook: dat iets was de overtuiging die zich aan mij opgedrongen had
dat alles
in de wereld volstrekt onbelangrijk was. Ik had er allang een
voorgevoel
van gehad maar het volledige besef kwam eigenlijk vrij plotseling
afgelopen
jaar. Ik voelde plotseling dat het mij niets zou kunnen schelen of de
wereld
bestond of dat er helemaal nooit iets geweest zou zijn: ik begon met
mijn hele
wezen te voelen dat er niets bestond. In het begin had ik het
idee dat
er vroeger veel dingen geweest waren, maar later nam ik aan dat er ook
vroeger
niets geweest was, maar dat dat om de een of andere reden alleen maar
zo had
geleken. Langzamerhand kwam ik tot de overtuiging dat er ook in de
toekomst
nooit iets zal zijn. Toen hield ik op met me kwaad te maken op de
mensen en op
den duur merkte ik ze nauwelijks meer op. Inderdaad uitte zich dat
zelfs in de
geringste kleinigheden: ik liep bijvoorbeeld op straat vaak tegen
mensen op. En
niet zozeer omdat ik in gedachten verzonken ben, want waar zou ik aan
moeten
denken? Toentertijd had ik het denken al bijna opgegeven; ik vond niets
meer
belangrijk. Had ik maar op z’n minst mijn problemen opgelost! Maar nee,
ik had
geen enkel probleem opgelost en hoeveel waren het er niet? Maar ik
hield op om
me ergens druk over te maken en toen waren alle problemen verdwenen.
En pas daarna
leerde ik de
waarheid kennen. Ik leerde de waarheid kennen in de afgelopen
novembermaand -
op de derde november om precies te zijn - en van dat moment af herinner
ik me
ieder moment. Het was op een sombere avond, een van de somberste
avonden die
men zich voor kan stellen. Ik ging om elf uur ‘s avonds naar huis en ik
herinner
me dat ik dacht dat een avond niet somberder kon zijn. Zelfs fysiek.
Het had al
de hele dag geregend en het was een koude, sombere en welhaast
dreigende regen,
herinner ik me, waar een duidelijke kwaadaardigheid jegens de mensheid
uit
sprak. Om elf uur was het plotseling opgehouden te regenen en er volgde
een
verschrikkelijk vochtige lucht, kouder en vochtiger nog dan toen het
regende,
en van alles kwam een soort damp af, van iedere steen op de
straat en
van ieder dwarsstraatje zover als men er in kon kijken. Plotseling kwam
het in
me op dat het veel minder troosteloos zou zijn als de straatverlichting
overal
uitging, dat het gaslicht het hart maar droevig stemde omdat het dit
allemaal
verlichte. Ik had die dag bijna niet gegeten en had die avond bij een
ingenieur
gezeten die nog twee kennissen op bezoek had. Ik sprak geen woord en ik
geloof
dat ik ze nogal verveeld heb. Ze spraken over een prikkelend onderwerp
en
opeens begonnen ze zich er, op zeker moment, zelfs over op te winden.
Maar het
kon ze eigenlijk niets schelen, dat zag ik wel, en ze deden alleen maar
alsof
ze zich opwonden. Op zeker ogenblik zei ik zoiets als: “Ach heren,” zei
ik,
“dat kan u toch helemaal niets schelen”. Ze waren niet beledigd maar
lachten me
uit. Dat kwam omdat ik het zonder enig verwijt gezegd had, gewoon omdat
het mij
allemaal niets kon schelen. Ze begrepen dat het mij niets kon schelen
en daar
maakten ze zich vrolijk over.
Terwijl ik nadacht over de gaslampen in de straat, keek ik omhoog naar
de
lucht. De lucht was verschrikkelijk donker maar men kon duidelijk
wolkenflarden
onderscheiden en met bodemloze zwarte plekken daartussen. Plotseling
merkte ik
in één van die plekken een ster op en begon er aandachtig naar te
kijken. Dat
was omdat die ster me op een idee bracht: ik besloot deze nacht een
eind aan
mijn leven te maken. Ik had me dat al twee maanden geleden vast
voorgenomen en
al was ik arm, toch had ik diezelfde dag een prachtige revolver gekocht
en hem
geladen. Maar er waren twee maanden voorbijgegaan en hij lag nog steeds
in mijn
la; maar het interesseerde mij allemaal ook zo weinig dat ik eigenlijk
op het
ogenblik wilde wachten dat alles me wat minder onverschillig liet.
Waarom? Ik
weet het niet. En zo kwam die twee maanden, telkens wanneer ik ‘s
nachts thuis
kwam, de gedachte op dat ik mezelf dood zou schieten. Ik bleef wachten
op het
juiste ogenblik. En nu had die ster me op een idee gebracht. Ik nam me
voor dat
het nou echt deze nacht zou moeten gebeuren. Waarom die ster me
op dat
idee bracht? Ik weet het niet.
En toen ik dan zo naar de hemel keek trok plotseling dat kleine meisje
me aan
mijn elleboog. De straat was leeg en er was bijna niemand meer te zien.
In de
verte sliep een koetsier op zijn bok. Het meisje was een jaar of acht,
met een
doekje op haar hoofd en alleen maar een helemaal doorweekt jurkje aan,
maar
vooral haar doorweekte, gescheurde schoenen zijn me bijgebleven en ik
zie ze nu
nog voor me. Die trokken speciaal mijn aandacht. Ze begon me plotseling
aan
mijn elleboog te trekken en iets tegen me te roepen. Ze huilde niet
maar
schreeuwde krampachtig een aantal onsamenhangende woorden, die ze niet
goed kon
articuleren, omdat ze helemaal beefde en bibberde. Ze was ergens hevig
van
overstuur en bleef maar roepen: “Mamma, mamma!” Ik draaide mijn hoofd
naar haar
toe, zei geen woord en liep verder; maar ze rende achter me aan en trok
aan me
en er lag een klank in haar stem, die bij hevig geschrokken kinderen
radeloosheid betekent. Ik ken die klank. Hoewel zij niet goed uit haar
woorden
kwam begreep ik dat haar moeder stervende was of dat er iets dergelijks
bij hen
aan de hand was en dat ze het huis uitgelopen was om iemand te roepen,
iemand
te vinden die haar moeder kon helpen. Maar ik ging niet met haar mee,
integendeel, ik had opeens de neiging om haar weg te jagen. Eerst zei
ik haar
dat ze naar een politieagent moest gaan. Maar met samengeklemde handjes
bleef
ze snikkend en hijgend naast mij lopen en wilde me niet laten gaan.
Toen
stampte ik met mijn voet en schreeuwde naar haar. Zij riep alleen maar:
“Meneer,
meneer!”... maar plotseling liet ze me gaan en vloog halsoverkop naar
de
overkant van de straat. Daar was nog een voorbijganger opgedoken en
klaarblijkelijk rende ze van mij naar hem toe.
Ik liep de trap op naar mijn vijfde etage. Ik heb een kamer in een huis
waar
nog meer kamerbewoners zijn. Het is een kleine armoedige kamer met een
halfrond
zolderraam. Ik heb een met kunstleer overtrokken divan, een tafel met
wat
boeken erop, twee stoelen en een comfortabele leunstoel, een erg oude
leunstoel
maar met een goede ouderwetse zit. Ik ging zitten, stak de kaars aan en
begon
te denken. In de kamer naast me, achter de tussenwand, heerste nog
steeds een
hevig kabaal. Dat was nu al drie dagen aan de gang. Daar woonde een
gepensioneerde kapitein en hij had gasten, een stuk of zes kerels met
een
dubieuze reputatie, die wodka zaten te drinken en met oude kaarten te
spelen.
De vorige nacht was er een vechtpartij geweest en ik weet dat twee van
hen
elkaar lange tijd letterlijk in de haren hadden gezeten. De hospita
wilde haar
beklag doen maar ze is vreselijk bang voor de kapitein. Verder woonde
er in dit
huis alleen een klein, mager regimentsdametje, op bezoek in Sint
Petersburg,
met drie kleine kinderen die sinds hun verblijf in dit kosthuis ziek
zijn
geweest. Zijzelf en de kinderen zijn doodsbang voor de kapitein en
zitten de
hele nacht te bibberen en zich te bekruisen en het jongste kind heeft
van angst
een soort toeval gekregen. Van die kapitein weet ik met zekerheid dat
hij op de
Newski Prospekt wel eens voorbijgangers aanhoudt en om een aalmoes
vraagt. Men
wil hem in dienst niet hebben maar het vreemde is (en daarom vertel ik
dat ook)
dat de kapitein me, deze hele maand dat hij hier woont, niet heeft
geërgerd.
Een nadere kennismaking heb ik natuurlijk van het begin af geprobeerd
te
vermijden, maar hij vond me zelf ook meteen een vervelende vent; maar
het kon
me niets schelen, wat voor herrie ze ook schopten aan de andere kant
van de
wand en met z’n hoevelen ze ook waren: ik zit de hele nacht op en
vergeet ze zo
volkomen, dat ik ze zelfs niet hoor. Ik blijf elke nacht wakker tot het
licht
wordt en dat is nu al een jaar lang zo. Ik zit de hele nacht in m’n
fauteuil
aan de tafel en ik doe niets. Ik lees alleen overdag. Ik zit en denk
zelfs
niet; er dwalen zomaar wat gedachten door mijn hoofd en ik laat ze
komen en
gaan zoals ze willen. De kaars brandt elke nacht helemaal op.
Ik
ging stil aan de tafel zitten, haalde mijn revolver te voorschijn en
legde hem
voor me neer. Ik herinner me dat ik, toen ik hem neerlegde, mezelf
afvroeg:
“Gaat het nou zo?” en dat ik met volstrekte zekerheid mezelf het
antwoord gaf:
“Ja”. Dat wil zeggen dat ik me voor het hoofd zou schieten. Ik wist
zeker dat
ik me deze nacht dood zou schieten maar hoe lang ik daarvoor nog aan de
tafel
zou zitten wist ik niet. En ongetwijfeld zou ik mezelf doodgeschoten
hebben als
dat meisje er niet geweest was.
II
Ziet
u: al interesseerde het me allemaal niets meer, toch voelde ik
bijvoorbeeld nog
wel pijn. Wanneer iemand me zou hebben geslagen zou het pijn gedaan
hebben. En
zo ook in moreel opzicht: wanneer zich iets erg zieligs voordeed, zou
ik
medelijden hebben op dezelfde manier als vroeger, toen er nog dingen in
het
leven waren die me niet onverschillig lieten. Die avond had ik een
gevoel van
medelijden gehad. Ik had dat kind beslist moeten helpen. Waarom had ik
het
meisje dan niet geholpen? Dat was omdat er toen een idee bij me
opgekomen was:
toen zij me riep en aan m’n mouw trok, kwam er plotseling een vraag in
me op en
ik kon die geen plaats geven. Het was een onbeduidend probleem maar ik
werd
kwaad. Ik werd kwaad bij de overweging dat als ik besloten had deze
nacht een
eind aan mijn leven te maken, niets in het leven mij nog zou moeten
kunnen
raken. Waarom had ik dan ineens geen vreemde pijn gevoeld, volledig
strijdig
met mijn positie? Ik weet echt niet hoe ik mijn vluchtig gevoel van dat
moment
beter onder woorden kan brengen, maar het gevoel ging niet weg toen ik
thuis
aan de tafel zat en het ergerde me meer dan ik me in tijden geërgerd
had. De
ene redenering volgde op de andere. Ik zag duidelijk dat ik leefde,
zolang ik
nog een mens was en nog geen niets, en kon lijden, kwaad worden en
schaamte
voelen voor mijn handelingen. Het was niet anders. Maar als ik mezelf,
laten we
zeggen over twee uur, doodschiet, wat kan dat meisje me dan nog schelen
en wat
heb ik dan nog te maken met schaamte of wat ook ter wereld? Ik zal in
een niets
veranderen, een absoluut niets. En kan het dan echt waar zijn dat het
besef dat
ik straks opeens volkomen ophoud te bestaan en er dus niets meer zal
zijn, toch
niet de minste invloed heeft noch op het gevoel van medelijden met het
meisje
noch op het gevoel van schaamte na het begaan van een verachtelijke
daad? Ik
had met mijn voet gestampt en naar het ongelukkige kind geschreeuwd,
alsof ik
wilde zeggen: ik voel niet alleen geen medelijden, maar zelfs als ik me
onmenselijk en verachtelijk gedraag, ben ik daar vrij in, omdat over
een uur of
twee alles afgelopen is. Gelooft u me dat ik haar daarom afsnauwde? Ik
ben er
nu bijna van overtuigd. Het stond me helder voor de geest dat het leven
en de
wereld nu op een of andere manier van mij afhankelijk waren. Ik durf
bijna te
zeggen dat de wereld nu als het ware voor mij alleen geschapen was: als
ik me
doodschoot zou de wereld ophouden te bestaan, althans voor mij. Dat wil
niet
zeggen dat er, als ik er niet meer ben, misschien wel voor niemand meer
iets
zal bestaan en de hele wereld, zodra mijn bewustzijn zou zijn
uitgedoofd,
meteen als een zinsbegoocheling zou verdwijnen, als niet meer dan een
aanhangsel
van mijn bewustzijn, omdat ik wellicht deze hele wereld en al die
mensen ben.
Ik herinner me dat ik, terwijl ik daar zo zat te peinzen, al die nieuwe
problemen die om elkaar heem zwermden, de een na de ander een heel
andere
richting opstuurde en op volkomen nieuwe gedachten kwam. Er kwam
bijvoorbeeld
plotseling een merkwaardige gedachte in me op: dat ik vroeger op de
maan of op
Mars geleefd had en daar de meest schandelijke en laaghartige daad had
begaan
en dat ik daarvoor was verwenst en gebrandmerkt op een manier zoals men
het
alleen in dromen, in nachtmerries kan ervaren en beleven, en dat ik me
daarna
op de aarde had bevonden en me nog steeds bewust was geweest van wat ik
op die
andere planeet had gedaan, en dat ik tegelijkertijd zou weten dat ik,
hoe dan
ook, nooit meer daarheen terug zou keren, en zou het me dan, als ik van
de
aarde naar de maan opkeek, iets doen? Zou ik me voor die daad schamen
of niet?
Het waren ijdele en overbodige vragen aangezien de revolver al voor mij
lag en
ik met elke vezel van mijn wezen wist dat het werkelijk zou gebeuren,
maar ze
wonden me toch op en maakten me kwaad. Ik kon nu niet meer doodgaan als
ik niet
eerst iets had opgelost. Om kort te gaan, het meisje heeft me gered
omdat ik
het pistoolschot door al die vragen uitstelde. Intussen was in de kamer
van de
kapitein ook het kabaal verdwenen: ze waren uitgekaart en gingen slapen
waarbij
alleen nog wat gebrom en een lusteloos beeindigen van hun geruzie
klonk. En
toen viel ik ook plotseling, wat me nog nooit overkomen was, in mijn
fauteuil
aan de tafel in slaap. Ik viel volkomen onmerkbaar in slaap. Dromen
zijn, zoals
we allemaal weten, hele wonderlijke zaken: sommigen manifesteren zich
met
adembenemende helderheid, opgesierd met uitgewerkte details als van een
juwelier,
terwijl je in andere bijvoorbeeld over ruimte en tijd heen springt
zonder dat
je er eigenlijk iets van merkt. Het schijnt dat niet het verstand maar
het
verlangen, niet het hoofd maar het hart de dromen voortbrengt, en toch,
wat een
ingewikkelde kunstjes heeft mijn verstand soms in mijn droom gespeeld,
wat
gebeuren er in z’n droom toch volkomen onbegrijpelijke dingen. Mijn
broer
bijvoorbeeld is vijf jaar geleden gestorven. Soms droom ik over hem:
hij neemt
deel aan mijn zaken, we zijn samen erg geïnteresseerd, en toch herinner
ik me
en weet ik tijdens de hele duur van de droom heel goed dat mijn broer
dood en
begraven is. Hoe komt het dat ik me er niet over verwonder dat hij, al
is hij
dood, toch bij me is en samen met mij bezig is? Waarom laat mijn
verstand dat
zonder meer toe? Maar genoeg. Ik zal het over mijn droom hebben. Ja, ik
heb
toen een droom gedroomd, mijn droom van de derde november! Ze plagen me
er nu
nog mee en zeggen dat het alleen maar een droom was. Maar maakt het
enig
verschil of het een droom was of de werkelijkheid, als die droom mij de
waarheid verkondigde? Wanneer je eenmaal de waarheid hebt gezien en
ervaren,
dan weet je dat dat de waarheid is en dat er geen andere waarheid is en
kan
bestaan of je slaapt of dat je waakt. Mij best, laat het een droom
zijn, maar
dat echte leven dat u zo hoog aanslaat wilde ik door een zelfmoord
uitdoven
terwijl die droom van mij, die droom van mij — o die heeft me een ander
leven,
een groots, nieuw en krachtig leven onthuld!
Luister.
III
Ik
had al verteld dat ik ongemerkt in slaap viel en toch nog steeds over
dezelfde
onderwerpen leek na te denken. Plotseling droomde ik dat ik de revolver
opnam
en hem recht op mijn hart richtte — op mijn hart en niet op mijn hoofd;
ik had
me tevoren voorgenomen om me, bij de rechter slaap, door het hoofd te
schieten.
Ik richtte de loop op mijn borst, wachtte een of twee seconden en
plotseling
begonnen mijn kaars, de tafel en de muur voor mij te bewegen en op en
neer te
gaan. Ik haalde snel de trekker over.
In een droom val je soms van een hoogte af of ze steken je of ze slaan
je maar
je voelt nooit pijn behalve wanneer je je misschien echt tegen je bed
hebt
gestoten: dan voel je pijn en word je ook bijna altijd van de pijn
wakker. Zo
ging het ook in mijn droom; ik voelde helemaal geen pijn maar het leek
alsof,
tegelijkertijd met het schot, alles binnen in me schokte en alles
plotseling
uitdoofde en het werd helemaal zwart om me heen. Het leek alsof ik met
blindheid werd geslagen, ik verlamde en ik lag op iets hards, languit
op mijn
rug; ik zag niets en kon niet de geringste beweging maken. Er liepen
mensen
schreeuwend om me heen, de kapitein brulde, de hospita krijste – en
toen even
niets en vervolgens werd ik in een gesloten doodskist weggedragen. En
ik voelde
hoe de doodkist schudde en dacht daarover na en voor het eerst werd ik
getroffen door de gedachte dat ik dood was, morsdood, ik wist het en
twijfelde
er niet aan, ik kon niet zien en niet bewegen en toch voelde en dacht
ik. Maar
ik was al snel verzoend met de toestand en zoals het gewoonlijk in
dromen gaat
accepteerde ik de feiten zonder meer.
En toen begroeven ze me in de aarde. Ze gingen allemaal weg, ik werd
alleen
achtergelaten, helemaal alleen. Ik bewoog niet. Steeds wanneer ik me
vroeger
had voorgesteld dat ik begraven zou worden had ik het graf eigenlijk
alleen
geassocieerd met vocht en kou. Zo was het ook nu, ik voelde dat ik het
erg koud
had, vooral mijn tenen waren erg koud maar verder voelde ik niets.
Ik lag stil en het vreemde was dat ik niets verwachtte, ik nam zonder
meer aan
dat een dode niets heeft te verwachten. Maar het was vochtig. Ik weet
niet
hoeveel tijd er voorbijging — een uur of een paar dagen of misschien
heel veel
dagen. Maar plotseling viel er een waterdruppel, die zijn weg door de
deksel
van de doodskist gebaand had, op mijn gesloten linker oog, een minuut
later een
tweede, weer een minuut later een derde en zo door, regelmatig, elke
minuut.
Een diepe verontwaardiging vlamde plotseling in mijn hart op, waarin ik
opeens
een scheut van fysieke pijn voelde: “Dat is mijn wond”, dacht ik, “dat
is de
kogel...” En elke minuut bleef druppel na druppel vallen op mijn
gesloten oog.
En plotseling riep ik, niet met mijn stem, maar met mijn hele wezen de
Macht,
die voor alles wat er met mij gebeurde verantwoordelijk was, aan:
— Wie u ook bent, zo u echt bestaat en zo er iets zinnigers bestaat dan
wat er
nu gebeurt laat dat hier dan nu gebeuren. Maar als u voor mijn dwaze
zelfmoord
wraak op mij neemt, met de afzichtelijkheid en absurditeit van dit
daarop
volgend bestaan, laat ik u dan zeggen dat geen enkele marteling waaraan
ik
onderworpen zou kunnen worden ooit de verachting die ik zwijgend zal
voelen zal
kunnen evenaren, al zouden mijn martelingen een miljoen jaar duren!..
Dat riep ik en zweeg. Het bleef een volle minuut lang stil en er viel
nog een
druppel, maar ik wist, ik wist met een oneindige en onwankelbare
zekerheid dat
alles meteen zou veranderen. En zie, plotseling ging mijn graf open,
dat wil
zeggen, ik weet niet of het graf geopend of opgedolven werd maar ik
werd
opgenomen door een donker en onbekend soort wezen en we bevonden ons in
de
ruimte. Plotseling kon ik weer zien. Het was volmaakt nacht en nooit,
nog nooit
was het zo donker geweest. We vlogen door de ruimte, ver van de aarde
af. Ik vroeg
degene die mij droeg nergens naar, ik was trots en wachtte. Ik hield
mezelf
voor dat ik niet bang was en huiverde van gelukzaligheid bij de
gedachte dat ik
niet bang was. Ik weet niet meer hoe lang we zo vlogen en kan het me
ook niet
voorstellen: het gebeurde zoals het altijd gaat in een droom wanneer je
over
ruimte en tijd en over de wetten van het verstand en bestaan heen
springt en
alleen stilhoudt op de punten waar het hart naar hunkert. Ik herinner
me dat ik
plotseling in de duisternis een ster zag. “Is dat Sirius? “ vroeg ik in
een
opwelling, hoewel dat ik me voorgenomen had om nergens naar te vragen.
— “Nee,
dat is die ster die je tussen de wolken gezien hebt toen je naar huis
ging”,
antwoordde het wezen dat mij droeg. Ik wist dat het een soort menselijk
gezicht
had. Vreemd genoeg hield ik niet van dat wezen, ik voelde er zelfs een
diepe
afkeer voor. Ik had het volmaakte niet-zijn verwacht en daarom had ik
mij ook
een kogel door het hart geschoten. En nu bevond ik me in handen van een
wezen
dat natuurlijk niet menselijk was maar dat toch leefde, dat
bestond:
“Dus is er toch leven na het graf ! dacht ik met de vreemde
luchthartigheid die
je in de droom kunt hebben. Maar het diepst van mijn hart bleef
onaangetast:
“En als ik opnieuw moet zijn,” dacht ik, “en nog een
keer moet
leven onder de zeggenschap van een of andere onontkoombare macht, dan
zal ik me
niet meer laten verslaan en vernederen!” “Je weet dat ik bang
voor je ben
en daarom veracht je mij”, zei ik plotseling tegen mijn metgezel, niet
bij
machte die vernederende vraag waarin een bekentenis lag opgesloten voor
me te
houden en ik voelde hoe mijn vernedering als een speldenprik in mijn
hart
drong. Hij antwoordde niet op mijn vraag maar ik voelde plotseling dat
hij me
zelfs niet verachtte, maar me uitlachte en geen medelijden met me had
en dat
onze tocht een onbekend en geheimzinnig doel had, dat alleen mij
aanging. De
angst groeide in mijn hart. Iets van mijn zwijgende metgezel deelde
zich zonder
woorden en pijnlijk aan mij mee en doordrong mijn hele wezen. We vlogen
door
een donkere en onbekende ruimte. Al enige tijd had ik het zicht
verloren op de
vertrouwde sterrenbeelden. Ik wist dat er in de hemelruimte sterren
zijn
waarvan het licht de aarde pas na duizenden en miljoenen jaren bereikt.
Misschien
vlogen we al door deze ruimten. Ik wachtte op iets met een droefheid,
die mijn
hart folterde. En plotseling doorhuiverde mij een bekend gevoel dat mij
tot in
het diepst van mijn hart roerde; ik zag plotseling onze zon! Ik wist
dat het
niet onze zon kon zijn die onze aarde leven geeft en
dat we ons
op oneindige afstand van onze zon bevonden, maar ik besefte om de een
of andere
reden met mijn hele wezen dat het een zon was precies zoals de onze,
een
dubbelganger ervan. Een zoet en ontroerend gevoel weergalmde met
vervoering in
mijn hart: de vertrouwde kracht van hetzelfde licht dat mij het licht
had doen
aanschouwen, vond weerklank in mijn hart en schudde het wakker, en voor
het
eerst sedert mijn verblijf in het graf onderging ik weer het leven, het
vroegere
leven.
”Maar als dat de zon is, als dat precies dezelfde zon is als die van
ons,” riep
ik uit, “waar is dan de aarde?” En mijn metgezel wees naar een ster die
twinkelde in de verte, met een glans van smaragd. We vlogen er recht op
af.
”Zijn zulke herhalingen in het heelal dan mogelijk? Is dat een
wet van de
natuur?.. En als dat daar de aarde is, kan dat dan net zo’n aarde zijn
als de
onze.., precies zo’n arme, ongelukkige maar kostbare en eeuwig beminde
aarde,
die zelfs in de meest ondankbare van haar kinderen dezelfde
hartstochtelijke
liefde wekt, die wij voor onze aarde voelen?” riep ik uit, bevend van
een
onweerstaanbare, geestdriftige liefde voor die oude vertrouwde aarde
die ik
verlaten had. Het beeld van het arme kind dat ik afgewezen had flitste
door
mijn hoofd.
”Je zult alles zien,” antwoordde mijn metgezel en er klonk iets van
droefheid
in zijn stem. Maar we naderden snel de planeet. Hij groeide voor mijn
ogen, ik
kon de oceaan al onderscheidden, de omtrek van Europa, en plotseling
vlamde in
mijn hart een gevoel, als van een grote, heilige jaloezie op: “Hoe kan
er zo’n
herhaling zijn en waarom? Ik houd, ik kan alleen maar houden van die
aarde die
ik verlaten heb, gekleurd door de druppels van mijn bloed, toen ik, in
mijn
ondankbaarheid, met een schot door mijn hart een eind aan mijn leven
maakte.
Maar ik heb nooit, nooit opgehouden die aarde te beminnen en zelfs in
de nacht
dat ik afscheid van haar nam, hield ik misschien meer van haar dan
ooit.
Bestaat er lijden op deze nieuwe aarde? Op onze aarde kunnen we alleen
met
lijden en door lijden liefhebben! Op een andere manier kunnen wij niet
liefhebben en een andere liefde kennen wij niet. Ik wil lijden om te
kunnen
liefhebben. Ik verlang, ik snak ernaar op ditzelfde ogenblik die aarde
in tranen
te kussen, die aarde die ik verlaten heb en ik wil niet en weiger een
leven op
enige andere aarde te aanvaarden!.. “
Maar mijn metgezel had me al verlaten. Plotseling en zonder dat ik wist
hoe,
bevond ik op die andere aarde, schoon als het paradijs, in het heldere
licht
van een zonnige dag. Ik stond naar het mij toescheen op een van de
eilanden die
op onze aardbol de Griekse archipel vormen, of op de kust van het
vasteland,
die uitkijkt op die archipel. O, alles was net zoals bij ons, alleen
leek het
alsof er overal een soort feestelijke glans over lag, de pracht van een
uiteindelijk grote, heilige, triomf. De koesterende, smaragdgroene zee
kabbelde
zachtjes tegen de kust en kuste haar met een duidelijke, bijna bewuste
liefde.
De hoge, prachtige bomen stonden in de volle pracht van hun bloesem en
hun
talloze blaadjes begroetten mij, daar ben ik zeker van, met hun zachte,
vriendelijke geruis en leken woorden van liefde te uiten. Het gras
straalde van
de schitterende, geurige bloemen. Vogels vlogen in zwermen door de
lucht en
streken onbevreesd op mijn schouders en armen neer en sloegen mij
vrolijk met
hun schattige, fladderende vleugeltjes. En eindelijk zag ik ook de
mensen van
die gelukkige aarde en leerde ze kennen. Ze kwamen uit zichzelf naar me
toe, ze
omringden en kusten me. Zonnekinderen, kinderen van hun zon — o wat
waren ze
mooi! Nog nooit had ik op onze aarde zoveel schoonheid in de mens
gezien.
Alleen bij onze kinderen misschien, in hun allereerste levensjaren, zou
men een
verre hoewel zwakke weerschijn kunnen vinden van die schoonheid. De
ogen van
die gelukkige mensen glansden van een heldere opgewektheid. Hun
gezichten waren
stralend door het licht van de Rede en de volmaakte sereenheid die
voortkomt
uit een volledig begrijpen, maar die gezichten waren vrolijk; in hun
woorden en
hun stemmen klonk iet van een kinderlijke blijheid. O, vanaf het eerste
moment,
vanaf de eerste blik op hun gezichten begreep ik alles! Dit was een
aarde die
nog niet bezoedeld was door de zondeval; hier leefden mensen die nog
niet
gezondigd hadden. Zij leefden in net zo’n paradijs als waarin volgens
alle
overleveringen van de mensheid ook onze voorouders leefden, vóór zij
zondigden;
alleen met dit verschil dat deze hele aarde één enkel paradijs was.
Vrolijk
lachend drongen die mensen om me heen en liefkoosden me; ze namen me
met zich
mee en ieder van hen wilde me geruststellen. O ze vroegen me nergens
naar, maar
ik verbeelde me dat het leek alsof ze alles al wisten zonder vragen en
of ze zo
snel mogelijk de tekenen van lijden van mijn gezicht wilden
wegstrijken.
IV
En
weet je wat? Stel dat het alleen een droom geweest is, dan nog is de
indruk van
de liefde van die onschuldige en mooie mensen me voor altijd
bijgebleven en ik
heb het gevoel alsof hun liefde nog steeds van daarvandaan naar mij
toestroomt.
Ik heb ze zelf gezien, ik heb ze leren kennen en me laten overtuigen;
ik heb
van ze gehouden en later om ze geleden. O ik heb zelfs toen al meteen
begrepen
dat ik ze in veel opzichten helemaal niet zou begrijpen; het kwam me
bijvoorbeeld,
als moderne, progressieve Rus en verachtelijk St. Petersburger,
onverklaarbaar
voor dat zij die zoveel wisten er geen wetenschap op na hielden zoals
wij. Maar
ik begreep al gauw dat hun weten door andere inzichten gevormd en
gevoed werd
dan bij ons op aarde en dat ze ook heel andere dingen nastreefden. Ze
hadden
geen wensen en leefden in vrede; ze streefden er niet naar het leven te
doorgronden zoals wij doen, omdat hun leven vervuld was. Maar hun weten
was
hoger en dieper dan het onze; want onze wetenschap probeert te
verklaren wat
het leven is, ze wil het leven leren kennen om anderen te leren hoe ze
moeten
liefhebben, terwijl zij ook zonder wetenschap wisten hoe ze moesten
leven; en
dat begreep ik, alleen hun weten kon ik niet begrijpen. Ze wezen mij op
hun
bomen en ik kon die diepgevoelde liefde niet begrijpen waarmee ze
ernaar keken;
het was of ze over schepsels als zij zelf spraken. En misschien vergis
ik me
niet wanneer ik zeg dat ze met hen spraken. Ja, ze hadden hun taal
ontdekt en
ik ben ervan overtuigd dat de bomen hen verstonden. En op dezelfde
manier
beschouwden ze de hele Natuur — de dieren die in vrede met hen leefden
en hen
niet aanvielen, maar overwonnen door hun liefde, van hen hielden. Ze
wezen mij
de sterren aan en vertelden me er iets over wat ik niet kon begrijpen,
maar ik
ben ervan overtuigd dat zij op een of andere manier in contact met de
sterren
stonden, niet alleen in gedachten maar langs een of ander levend
kanaal. O, die
mensen deden ook helemaal geen moeite om te zorgen dat ik ze begreep,
ze
hielden ook zo van me, maar ik besefte dat zij mij nooit zouden
begrijpen en
daarom sprak ik bijna nooit met ze over onze aarde. Alleen in hun
aanwezigheid
kuste ik de aarde waarop zij leefden en aanbad hen zonder woorden. En
zij zagen
het en lieten zich aanbidden zonder zich ervoor te schamen dat ik ze
aanbad,
omdat zij zelf vol liefde waren. Het raakte hen niet wanneer ik soms in
tranen
hun voeten kuste, in een vreugdevol besef van de liefde waarmee zij mij
zouden
beantwoorden. Soms vroeg ik me verwonderd af hoe het mogelijk was dat
ze een
schepsel als mij niet beledigden en in mij geen enkele keer gevoelens
van nijd
en afgunst opwekten? Herhaaldelijk vroeg ik me af hoe het kwam dat een
opschepper en leugenaar als ik ze niet vertelde van wat ik wist -
waarvan zij
natuurlijk geen flauw idee hadden – en dat ik nooit in de verleiding
kwam om
dat te doen uit verlangen ze in verbazing te brengen of zelfs te
bevoordelen.
Ze waren vrolijk en speels als kinderen. Ze dwaalden door hun mooie
bossen en
wouden, ze zongen hun mooie liederen, ze voedden zich met licht
voedsel, met de
vruchten van hun bomen, de honing uit hun wouden en de melk van de
dieren die
van hen hielden. Voor hun voeding en kleding verrichten zij maar weinig
en
licht werk. Ze hadden lief en brachten kinderen voort, maar nooit zag
ik bij
hen de opwellingen van die wrede wellust waaraan op onze aarde
praktisch
iedereen onderhevig is, allemaal en iedereen, en die de bron vormt van
bijna
alle zonden van de mensheid op aarde. Ze verheugden zich over de komst
van de
kinderen, als nieuwe wezens om hun geluk met hen te delen.
Er was geen ruzie en geen jaloezie onder hen en ze wisten zelfs niet
wat die
woorden betekenden. Hun kinderen waren de kinderen van allen omdat ze
samen één
gezin vormden. Er kwamen geen ziekten bij hen voor al kenden zij wel de
dood;
maar hun grijsaards stierven vredig, alsof zij insliepen, omgeven door
mensen
die met stralende en aandoenlijke glimlach het laatste afscheid van hen
namen
en die zij zegenden en toelachten. Droefheid of tranen heb ik bij
dergelijke
gelegenheden nooit gezien, er was alleen liefde die tot extase
uitgroeide, maar
een kalme extase, volmaakt en contemplatief. Men zou kunnen denken dat
ze met
hun afgestorvenen zelfs na hun dood in contact stonden en dat hun
aardse
verbond door de dood niet verbroken werd. Ze begrepen me nauwelijks als
ik ze
vroeg over onsterfelijkheid maar blijkbaar waren ze er zo onberedeneerd
van
overtuigd, dat dat voor hen helemaal geen vraag was. Ze hadden geen
tempels, maar
een echt levend ervaren van eenheid met het hele Universum; ze beleden
geen
geloof, maar hadden het zekere weten dat wanneer hun aardse vreugde de
grenzen
van de aardse natuur had bereikt voor hen, voor de levenden zowel als
voor de
doden, een nog dieper contact met het geheel van het Universum zou
komen. Ze
keken met vreugde naar dat ogenblik uit, maar zonder haast, zonder
ernaar te
smachten, alsof ze er in hun hart al een voorproef van hadden, waarover
ze met
elkaar spraken. ’s Avonds, vóór ze zich ter ruste begaven genoten zij
van het
zingen van harmonische en welluidende verzen. In deze liederen gaven
zij
uitdrukking aan alle gevoelens die de scheidende dag hen had gegeven,
zij
roemden de dag en namen er afscheid van. Ze zongen lof over de natuur,
de zee
en de wouden. Ze hielden ervan liederen over elkaar te maken en prezen
elkaar
als kinderen; het waren hoogst eenvoudige liederen maar ze sprongen op
uit het
hart en drongen door in de hart van de ander. En niet alleen in hun
liederen
maar in hun hele leven leken ze niets anders te doen dan elkaar te
bewonderen.
Het was als een soort verliefdheid op elkaar, maar dan een
allesomvattend en
universeel gevoel. Sommige van hun plechtige en vervoerende liederen
begreep ik
nauwelijks. Al begreep ik de woorden, ik kon de betekenis ervan nooit
helemaal
doorgronden. Deze bleef als het ware ontoegankelijk voor mijn verstand
terwijl
mijn hart er toch onbewust meer en meer van doordrongen werd. Ik zei
vaak tegen
hen dat ik er al lang geleden een voorgevoel van had gehad, dat die
vreugde en
heerlijkheid zich op onze aarde al aan mij geopenbaard had in de vorm
van een
hunkerende weemoed, die soms een ondraaglijk verdriet benaderde; dat ik
van hen
allen en hun gelukzaligheid een voorgevoel had gehad in de dromen van
mijn hart
en de visioenen in mijn geest; dat ik op onze aarde de ondergaande zon
vaak
niet zonder tranen had kunnen aanschouwen…. dat er in mijn haat tegen
de mensen
van onze aarde altijd een hunkerende smart was geweest: waarom kon ik
ze niet
haten zonder ze lief te hebben? waarom kon ik ze niet vergeven? en in
mijn
liefde voor hen lag een smachtende droefheid: waarom kon ik ze niet
liefhebben
zonder ze te haten? Ze luisterden naar me en ik merkte dat ze zich niet
konden
voorstellen wat ik zei, maar ik had er geen spijt van dat ik ze
daarover
gesproken had: ik wist dat ze de hevigheid van mijn smachtende
zielenpijn om
hen die ik verlaten hadden begrepen. Maar wanneer ze me aankeken met
hun lieve
ogen, van liefde vervuld, wanneer ik voelde dat in hun tegenwoordigheid
ook
mijn hart even onschuldig en rechtvaardig werd als hun harten, benam
het gevoel
van de volheid van het leven me de adem en dan aanbad ik hen in stilte.
O, nu lachen ze me allemaal in m’n gezicht uit en verzekeren me dat je
niet zo
gedetailleerd kunt dromen als ik nu vertel, dat ik alleen maar gedroomd
heb of
een ervaring gevoeld heb die in een delirium in mijn hart ontstaan is
en dat ik
er de bijzonderheden zelf na mijn ontwaken bij verzonnen heb. En toen
ik ze
vertelde dat het misschien inderdaad zo geweest was, mijn God, toen had
je ze
moeten horen lachen, wat hadden ze een plezier! O ja, natuurlijk was ik
onder
de indruk, alleen al door het ervaren van mijn droom en het feit dat
alles in
mijn wreed gewonde hart was blijven hangen; maar de werkelijke vormen
en
beelden van mijn droom, d.w.z. die beelden die ik werkelijk zag tijdens
mijn
droomgezicht, waren zo vol van harmonie, waren zo mooi en betoverend en
waren
zo werkelijk, dat ik bij het ontwaken natuurlijk niet in staat was ze
in onze
armzalige taal te verwoorden, zodat ze in mijn geest wel moesten
verbleken en
ik dus misschien inderdaad gedwongen was de bijzonderheden achteraf
zelf te
verzinnen, waarbij ik ze natuurlijk vervormde, in mijn hartstochtelijk
verlangen om tenminste een aantal mensen zo snel als ik kon te
overtuigen. Maar
wat kan ik er aan de andere kant aan doen, dat ik geloof dat het
allemaal waar
was? Misschien was het allemaal nog duizendmaal stralender en
heerlijker dan ik
het beschrijf. Toegegeven dat ik het gedroomd heb, toch moet het echt
geweest
zijn. Weet u, ik zal u een geheim vertellen: misschien was het helemaal
geen
droom! Want daarna gebeurde er iets zo vreselijks, zo iets gruwelijk
echts, dat
het onmogelijk alleen maar een droom geweest kan zijn. Laat mijn hart
mijn droom
hebben voorgebracht, maar was mijn hart alleen dan in staat die
verschrikkelijke gebeurtenis voort te brengen die mij later overkwam?
Hoe had
ik dat in mijn eentje kunnen bedenken of mij in mijn droom kunnen
voorstellen?
Zouden mijn bekrompen hart en mijn grillige, nietswaardige verstand
zich ooit
kunnen verheffen tot zulk een openbaring van de waarheid? O, oordeelt u
zelf:
ik heb het tot dusver verzwegen maar nu zal ik de waarheid vertellen.
Het gaat
erom dat ik…. ze allemaal bedorven heb!
V
Ja
ja, het eindigde ermee dat ik ze allemaal bedorven heb! Hoe dit kon
gebeuren
weet ik niet maar ik herinner het me duidelijk. De droom behelsde
duizenden
jaren en liet in mij alleen de indruk van een geheel na. Ik weet alleen
dat ik
de oorzaak van hun zondeval was. Als een laaghartige ziektekiem, als
een
pestbacil die hele koninkrijken aansteekt, zo stak ik die hele
gelukkige en
vóór mijn komst zondeloze aarde aan. Ze leerden liegen, werden dol op
de leugen
en ontdekten de betovering van de onwaarheid. O, het begon aanvankelijk
misschien onschuldig, met scherts, met koketterie, met een
liefdesspel,
misschien ook werkelijk met een bacil, maar die bacil van de leugen
drong in
hun harten door en viel in hun smaak. Daarop volgde spoedig de wellust,
de
wellust bracht de jaloezie voort, en de jaloezie de wreedheid... O ik
weet het
niet, ik herinner het me niet meer, maar gauw, al heel gauw
werd het
eerste bloed vergoten. Ze verwonderden zich erover en schrokken ervan,
en ze
begonnen uit elkaar te gaan en zich te verdelen. Ze vormden groepen,
maar tegen
elkaar gericht. Er kwamen verwijten, beschuldigingen. Ze leerden de
schaamte
kennen en de schaamte bracht hen tot deugd. Het begrip van eer ontstond
en elke
groep verhief zijn eigen vlag. Ze begonnen de dieren te kwellen en de
dieren
trokken zich terug in de wouden en werden hun vijanden. Er ontstond een
strijd
om afscheiding, om apartheid, om de persoonlijkheid, om het mijn en
dijn. Ze
begonnen te spreken in verschillende talen. Ze leerden het leed kennen,
kregen
het leed lief, ze dorstten naar lijden en zeiden dat de waarheid alleen
door
lijden bereikt kon worden. Toen verscheen de wetenschap. Toen ze slecht
geworden waren begonnen ze te spreken over broederschap en
menslievendheid en
ze verklaarden deze ideeën. Toen ze misdadig geworden waren vonden ze
de
gerechtigheid uit en stelden hele wetboeken op om die gerechtigheid in
stand te
houden, en om zich ervan te verzekeren dat de wetten nageleefd werden
richtten
ze de guillotine op. Ze hadden nog maar een heel flauwe herinnering aan
wat ze
verloren hadden, in feite weigerden ze te geloven dat ze eens gelukkig
en
onschuldig geweest waren. Ze lachten zelfs om de mogelijkheid van hun
vroegere
geluk en noemden het een droom. Ze konden het zich zelfs niet in vormen
en
beelden voorstellen, maar, dit is het vreemde en verbazingwekkende:
hoewel ze
ieder geloof aan hun vroegere geluk, dat ze een sprookje noemden,
verloren
hadden, verlangden ze er zo hevig naar om gelukkig en onschuldig te
zijn dat ze
als kinderen voor dit verlangen bezweken, er een afgod van maakten,
tempels
oprichtten en hun eigen idee, hun eigen verlangen begonnen te
aanbidden,
terwijl ze tegelijkertijd volkomen overtuigd waren dat het onbereikbaar
en
onuitvoerbaar was, en ze bogen zich ervoor neer en aanbaden het onder
tranen.
En toch, als het mogelijk geweest was terug te keren tot die staat van
onschuld
en geluk die ze verloren hadden en iemand ze plotseling weer daarop
gewezen had
en ze gevraagd had of ze ernaar terug wilden keren, dan zouden ze zeker
geweigerd hebben. Ze gaven mij ten antwoord: “We mogen dan wel
leugenachtig
zijn, slecht en onrechtvaardig, we weten het en huilen er om en lijden
er
onder; we pijnigen en straffen onszelf misschien nog meer dan die
barmhartige
Rechter, Die over ons oordeelt en Wiens naam wij niet kennen. Maar wij
hebben
de wetenschap en door de wetenschap zullen wij de waarheid vinden, maar
dan
zullen wij haar bewust aanvaarden. Kennis is belangrijker dan gevoel,
bewustzijn van het leven belangrijker dan leven zelf. De wetenschap zal
ons
wijsheid schenken, de wijsheid zal ons de wetten openbaren, en de
kennis van de
wetten van het geluk zijn belangrijker dan het geluk”. Zo spraken zij,
en na
deze woorden begon iedereen meer van zichzelf dan van alle anderen te
houden en
ze konden inderdaad niet anders. Iedereen werd zo jaloers door de
rechten van
zijn eigen persoon, dat hij zijn uiterste best deed die bij anderen te
beknotten en te vernietigen, en dat was het belangrijkste in zijn
leven. De
slavernij deed haar intrede, zelfs een vrijwillige slavernij: de
zwakken
onderwierpen zich gaarne aan de sterken, op voorwaarde dat de laatsten
hen
hielpen de nog zwakkeren te onderwerpen. Er traden ook heiligen op die
in
tranen naar die mensen toegingen en ze wezen op hun hoogmoed, op het
verlies
van harmonie en maat en op hun verloren schaamtegevoel. Ze werden
uitgelachen
of gestenigd. Heilig bloed werd vergoten op de drempels van de tempels.
Vervolgens traden er mensen op die zich begonnen af te vragen of het
niet
mogelijk was allen opnieuw zodanig bij elkaar te brengen zonder dat de
een de
ander in de weg stond terwijl toch iedereen zichzelf boven alle anderen
lief
bleef hebben, en of men op die manier niet met z’n allen in zoiets als
een
eensgezinde maatschappij zou kunnen leven. Om deze gedachte werden hele
oorlogen gevoerd. Alle oorlogvoerenden waren er tegelijk vast van
overtuigd dat
de wetenschap, de wijsheid en het instinkt tot zelfbehoud de mens
uiteindelijk
zouden noodzaken zich aaneen te sluiten tot een eensgezinde en
verstandige
maatschappij, en om de zaak te bespoedigen trachtten de “wijzen” dus zo
snel
mogelijk iedereen die “niet wijs” was, die namelijk hun idee niet
begrepen had, zo gauw mogelijk uit te roeien opdat die de overwinning
van hun
idee niet in de weg zouden staan. Maar het instinkt tot zelfbehoud
begon
spoedig te verslappen, er kwamen hoogmoedigen en wellustelingen naar
voren die
openlijk alles of niets eisten. Om zich in het bezit van alles te
stellen namen
ze hun toevlucht tot misdaden, en als dat niet lukte dus tot zelfmoord.
Er
kwamen religies op met een cultus van het niet-zijn en zelfvernietiging
terwille van de eeuwige rust in het niets. Tenslotte werden deze mensen
moe van
het zinloze geploeter, hun gezichten werden door het lijden getekend,
en
vervolgens verkondigden ze dat lijden schoonheid is omdat alleen in het
lijden
een zin ligt. Ze bezongen het lijden in hun liederen. Ik liep
handenwringend
tussen hen in en stortte tranen om hen maar ik hield misschien nog meer
van ze
dan vroeger toen er nog geen lijden op hun gezichten lag en toen ze nog
onschuldig waren en zo mooi. Ik kreeg hun ontwijde aarde nog meer lief
dan toen
het een paradijs was, alleen omdat het leed er zijn intrede had gedaan.
Helaas,
ik heb altijd van leed en smart gehouden, maar alleen voor mezelf, voor
mezelf
alleen, maar om hen weende ik, met hen had ik medelijden. Wanhopig
strekte ik
mijn armen naar hen uit terwijl ik mezelf beschuldigde, vervloekte en
verachtte. Ik zei hen dat ik dit allemaal veroorzaakt had, ik alleen;
dat ik ze
de verloedering, de besmetting en de leugen gebracht had! Ik smeekte ze
dat ze
me aan het kruis zouden slaan en ik leerde ze hoe ze een kruis in
elkaar
moesten zetten. Ik kon mezelf niet doden, daar had ik de kracht niet
voor, maar
ik wilde lijden door hun handen. Ik dorstte naar lijden, ik dorstte
ernaar dat
mijn bloed in deze folteringen tot de laatste druppel vergoten werd.
Maar ze
lachten me alleen maar uit en begonnen me tenslotte als een gek te
beschouwen.
Ze verontschuldigden me, ze zeiden dat ze alleen gekregen hadden wat ze
zelf
gewild hadden en dat het nu eenmaal niet anders kon zijn dan het was.
Tenslotte
zeiden ze me dat ik gevaarlijk voor ze begon te worden en dat ze me in
een
gekkenhuis zouden opsluiten als ik mijn mond niet hield. Toen nam zo’n
smart
bezit van mijn ziel dat mijn hart ineenkromp en ik voelde me alsof ik
ging
sterven, en toen... en toen, werd ik wakker.
Het
was ochtend, dat wil zeggen, het was nog niet licht maar het was al
bijna zes
uur. Ik ontwaakte in dezelfde fauteuil; mijn kaars was helemaal
opgebrand,
iedereen in de kamer van de kapitein sliep en rondom heerste een stilte
die in
onze woning een zeldzaamheid was. Eerst sprong ik in de grootste
verbazing op;
nog nooit eerder was me iets dergelijks overkomen, zelfs niet in de
meest
onbelangrijke kleinigheden: nog nooit was ik bijvoorbeeld zo in mijn
fauteuil
in slaap gevallen. Toen ineens, terwijl ik daar zo tot mezelf stond te
komen,
viel mijn blik plotseling op mijn revolver die geladen en klaar voor
mij lag —
maar in een oogwenk had ik hem van mij weggestoten! O, nu, leven,
leven! Ik
hief mijn armen omhoog en riep de eeuwige waarheid aan; ik riep niet
met
woorden, ik weende; een verrukking, een grenzeloze verrukking
overspoelde mijn
ziel. Ja, leven en de goede boodschap prediken! Het besluit om te gaan
prediken
nam ik meteen op datzelfde ogenblik en natuurlijk nam ik dat besluit
voor mijn
hele leven!
Ik ga de goede boodschap prediken, ik wil de goede boodschap prediken —
van
wat? Van de waarheid, want ik heb haar gezien, ik heb haar met eigen
ogen
gezien, ik heb haar in al haar luister gezien!
En sinds die tijd predik ik! Verder houd ik het meest van diegenen die
het
hardst van allen om mij lachen. Waarom weet ik niet en kan ik ook niet
verklaren, maar het zij zo. Ze zeggen dat ik zweverig en in de war ben,
maar
als ik nu al zweverig en in de war ben hoe moet het dan verder met me?
Het is
inderdaad waar: ik ben een zwever en een warhoofd en misschien wordt
het in de
loop van de tijd alleen nog erger. En natuurlijk zal ik een hoop
blunders maken
voordat ik er achter ben hoe ik moet prediken, dat wil zeggen met welke
woorden
en welke daden, want het is een hele moeilijk taak. Ik zie dit allemaal
glashelder, maar luister nou eens: wie maakt er geen fouten? En toch
hebben,
zoals je weet, alle mensen hetzelfde doel voor ogen en ploeteren
allemaal
dezelfde richting uit, van de wijze tot de laagste bandiet, alleen
langs
verschillende wegen. Het is een oude waarheid maar dit is nieuw: ik kan
niet zo
heel erg meer de mist ingaan. Omdat ik de waarheid gezien heb; omdat ik
gezien
heb en weet dat de mensen mooi en gelukkig kunnen zijn zonder het
vermogen te
verliezen om op aarde te leven. Ik wil en kan niet geloven dat het
kwaad de
normale menselijke staat is. En juist dat geloof van mij is het
waarover ze
allemaal lachen. Maar ik kan er niks aan doen dat ik dat geloof. Ik heb
de
waarheid gezien — ik heb het niet met mijn verstand uitgedacht maar ik
heb
gezien, gezien, en het levende beeld van die waarheid heeft
mijn ziel
voor eeuwig vervuld. Ik heb het in zo’n volmaakte gaafheid gezien dat
ik niet
kan geloven dat het onmogelijk is dat de mensen er deel van uitmaken.
En hoe
zou ik dan nog de mist in kunnen gaan? Ik zal me ongetwijfeld nog een
aantal
malen vergissen en ik zal misschien woorden spreken die niet van
mezelf
maar van anderen zijn, maar niet lang: het levende beeld van wat ik
gezien heb
zal altijd bij mij blijven en zal me altijd corrigeren en mij op de
juiste weg
leiden. O ik ben boordevol goede moed en frisheid en ik zal
doorgaan en
doorgaan, ook al zou het voor duizend jaar moeten zijn. Weet u, ik
wilde het in
het begin geheim houden dat ik ze allemaal bedorven heb, maar dat was
een fout
- dat was mijn eerste fout! Maar de waarheid fluisterde me in dat
ik loog en behoedde me aldus en bracht me weer op het juiste
pad.
Maar hoe
men het
paradijs tot stand moet brengen — dat weet ik niet omdat ik het niet in
woorden
uit kan drukken. Na mijn droom heb ik de macht over de woorden
verloren. In
ieder geval over de belangrijkste woorden, die het meest nodig zijn.
Maar dat
doet er niet toe; ik ga voort en ik zal blijven praten, onophoudelijk
praten
omdat ik het in ieder geval met eigen ogen gezien heb al ben ik niet in
staat
weer te geven wat ik gezien heb. Maar dat begrijpen de spotters niet:
Het was
een droom, zeggen ze, een koortsvisioen, een hallucinatie. Nou, alsof
dat
zoveel zegt! En zij zijn er zo trots op. Een droom? Wat is dat, een
droom? Is
ons leven soms geen droom? Ik zal nog meer vertellen! Stel je voor dat
dit
paradijs er nooit zal komen (dat heb ik inmiddels wel begrepen), dan
nog zal ik
erover blijven prediken. Eigenlijk is het zo vreselijk eenvoudig: in
één dag,
in één uur zou alles ineens geregeld kunnen worden! De
hoofdzaak is: heb
de anderen lief als jezelf, dat is de hoofdzaak en dat is alles, verder
is er
eigenlijk niets nodig: je ontdekt meteen hoe je het moet aanpakken. En
toch is
het niet meer dan een oude waarheid die men al duizendmiljoen keren
verteld en
opnieuw verteld heeft, alleen heeft men er nooit naar geleefd! Verstand
hebben
van het leven is belangrijker dan leven zelf, kennis van de wetten van
het
geluk is belangrijker dan het geluk zelf — dat is het waar men de
strijd mee
moet aanbinden! Ik zal het doen. Wanneer iedereen maar zou willen zou
onmiddellijk alles in orde komen.
Dat
kleine meisje heb ik intussen gevonden... En ik? Ik zal doorgaan! Ik
zal
doorgaan!
EINDE
|