| www.verbodengeschriften.nl De Egalitaire
Natuurstaat Hoofdstuk 10 uit: The Pursuit of the Millenium door Norman Cohn, Oxford University Press 1957, ISBN 0 19 500456 6 In het denken van
de
Oudheid Evenals
andere
fantasieën die hebben bijgedragen aan de revolutionaire eschatologie
van
Europa, kan het spoor van egalitaire en communistische fantasieën
teruggevolgd
worden tot in de oude wereld. Van de Grieken en Romeinen erfde het
middeleeuwse
Europa het begrip ‘Natuurstaat’, een toestand waarin alle mensen gelijk
waren
in status en bezit en niemand door iemand anders werd onderdrukt of
uitgebuit;
een toestand die gekenmerkt werd door volledig onderling vertrouwen en
broederliefde en daarnaast soms door een algehele gemeenschap van
goederen en
zelfs echtgenoten. …..´vertrouwen
en
deugdzaamheid
uit zichzelf,
zonder wetten. Straf en angst bestonden niet, en angstaanjagende
geboden konden
ook niet gelezen worden op onveranderlijke bronzen platen…De Aarde was
niet
verstoord en onaangeroerd door de zeis, niet geschonden door enige
ploeg, en gaf
doorgaans alle dingen uit eigen beweging…´ Maar de dag zou komen waarop
´schaamte, waarheid en vertrouwen wegvluchtten; en in hun plaats kwamen
bedrog
en schuld, samenzweringen en geweld en de verdorven zucht naar bezit…
En met
lange grenslijnen bakende de omzichtige landmeter de aarde af, die tot
dusver,
net als zon en winden gemeenschappelijk bezit was … Toen werd het
verderfelijke
ijzer vervaardigd, en goud dat nog verderfelijker is dan ijzer; en deze
twee brachten
de oorlog teweeg…De mensen leefden van plunderen…’ Soms
werd over Saturnus—
door Vergilius, bijvoorbeeld — verteld dat hij, nadat hij van de
Olympische
troon was gestoten, zijn toevlucht had genomen naar Italië, waar hij
een
plaatselijk Gouden Tijdperk vestigde op Italiaansche grond. Een
tijdgenoot van
Ovidius, wiens werk ook zeer bekend was onder middeleeuwse geleerden,
de
historicus Gnaeus Pompeius Trogus, geeft een helder verslag van die
gezegende heerschappij
en het jaarlijkse feest waarop dat werd herdacht: De eerste bewoners van Italië leefden daar van oudsher. Hun koning, Saturnus, was naar zeggen zo rechtvaardig dat onder zijn bewind niemand slaaf was en niemand enig eigen bezit had; maar alles was voor allen gemeenschappelijk en onverdeeld, alsof er voor alle mensen maar een enkel erfdeel was. Ter nagedachtenis aan dat voorbeeld werd uitgevaardigd dat tijdens de Saturnalia allen gelijke rechten gegeven moesten worden, zodat tijdens de feestmalen zonder enig onderscheid slaven met hun meesters aan konden zitten. In de beschrijving van de satiricus Lucianus, in de tweede eeuw n.C., is de draagwijdte van de mythe nog nadrukkelijker egalitair. Als hij de god uit het Gouden Tijdperk toespreekt merkt Lucianus op: Ik hoor de dichters vertellen dat in de oude tijden, toen u koning was, alles anders was in deze wereld; de aarde bracht voor de mensen haar vruchten voort, zonder dat zij bezaaid of beploegd werd — voor iedereen een volledig toebereid maal, en meer dan genoeg; stromende rivieren van wijn, andere van melk, en weer andere van honing. En het allerbelangrijkste was dat ze vertelden dat in die tijd de mensen zelf van goud waren; armoede kenden zij niet. Terwijl wij amper mensen van lood zijn, maar zelfs eerder van een armzaliger soort metaal; de meeste van ons eten hun korsten brood in het zweet huns aanschijns; voor altijd opgezadeld met armoede, behoeftigheid en hulpeloosheid, en roepen uit ‘Helaas!’ en ‘O, wat een lot!’ — dat is de manier waarop wij, armzalige mensen leven. En geloof me, dit alles zou ons een stuk minder deren als wij maar niet zouden zien hoe de rijken zich zo kostelijk vermaken — met zoveel goud en zilver in hun schatkisten, zoveel kleding en slaven, voertuigen, landgoederen en boerenbedrijven; die zo’n overvloed aan al deze dingen bezitten, en waarvan het merendeel zich bovendien nog niet eens verwaardigt ons een blik toe te werpen, het merendeel, laat staan iets met ons te delen. De
egalitaire Natuurstaat
verschafte een onderwerp, voor zowel filosofische beschouwingen als
bellettrie,
en was in filosofische vermomming, meer nog dan in de literaire, van
grote
invloed op latere middeleeuwse politieke theorieën. Al in de derde eeuw
v.C.
bevestigden de Griekse Stoïcijnen met kracht, dat alle mensen broeders
waren en
dat zij allen bovendien van nature vrij en gelijk aan elkaar waren. De
grondlegger van de Oude Stoa, Zeno, schijnt zelf zijn onderricht te
zijn
begonnen met het beschrijven van de ideale wereldgemeenschap, waarin
mensen zouden
leven als een enorme schaapskudde in één enkele, gemeenschappelijke
weide.
Verschillen van ras en politieke overtuiging, misschien ook van status
en
persoonlijk temperament zouden dan verdwijnen en alle mensen zouden
zich verenigen
in een volledige gemeenschappelijkheid van gevoel en wil. Vooral de
Stoïcijnse
religie, die grotendeels afstamde van de Chaldese astrologie en zich
toespitste
op het aanbidden van de hemellichamen, kende al snel een uniek belang
toe aan
de zonnegod, die werd vereerd als bij uitstek vrijgevig, mild en
bovenal rechtvaardig.
In de wereldwijde verspreiding van het licht door de zon zagen sommige
Stoïcijnen de ultieme metafoor van sociale gerechtigheid en zelfs van
gemeenschap
van goederen — een idee dat snel in een blijvende gemeenplaats
veranderde
binnen de retoriek van het egalitarisme. [Dat waren] heuglijke tijden, waarin de gaven van de natuur er waren om door allen zonder onderscheid gebruikt te worden, voordat hebzucht en de begeerte naar luxe verdeeldheid brachten onder de mensen, zodat zij van broederschap vervielen in het beroven van elkaar… Er is eigenlijk geen toestand van de mensheid, die iemand meer zou kunnen waarderen dan deze; en als God het iemand zou toestaan om aardse wezens te maken en gebruiken voor de mens te bepalen, zou hij niets anders proberen dan wat er verteld wordt over het tijdperk waarin ‘geen arbeiders de bodem omploegden, niemand het recht had om de grond af te bakenen of te verdelen; waarin men alles in een gemeenschappelijke voorraad stopte, en de aarde alles onafhankelijker voortbracht omdat niemand het van haar eiste.’ Wat zou gelukzaliger kunnen zijn dan een mensenras dat alles wat de natuur voortbracht gemeenschappelijk genoot? Dan zou de natuur toereikend zijn als moeder en beschermer van alle mensen, en zouden allen verzekerd zijn van het bezit van de gemeenschappelijke rijkdommen. Waarom zou ik, waar geen arm mens te vinden was, niet het rijkste mensenras kunnen noemen? Maar Hebzucht viel deze best mogelijke orde binnen en maakte daar, met het doel zich dingen toe te eigenen en er aanspraak op te maken, een einde aan door alle dingen het bezit van anderen te maken en werd daardoor teruggebracht van oneindige rijkdom naar schaarste. Hebzucht veroorzaakte armoede en door het verlangen naar veel bezit, werd alles verspeeld. Nu mag Hebzucht proberen terug te krijgen wat zij kwijt is geraakt, ze kan gebied aan gebied voegen, haar naaste verjagen met geld of geweld, haar landgoederen uitbreiden totdat zij de omvang hebben van een provincie, doen alsof reizen door het landgoed hetzelfde is als haar bezitten — geen enkele uitbreiding van die grenzen leiden terug naar wat wij hebben opgegeven. Als we alles hebben gedaan, zullen we veel bezitten; maar ooit bezaten wij de hele wereld. De gehele aarde was vruchtbaarder toen zij niet beploegd werd, en overvloedig voor de behoeftes van mensen die dit niet van elkaar weggristen. Wat de natuur ook voortbracht, het genot wat mensen haalden uit het vinden daarvan, was niet groter dan het plezier van het aan anderen laten zien wat zij hadden gevonden. Niemand kon meer of minder hebben dan een ander; alle dingen werden uitgedeeld in gemeenschappelijke overeenstemming. De sterkeren hadden zich nog niet vergrepen aan de zwakkeren; de gierigaard had nog niet, door zijn rijkdom te verbergen, anderen hun levensbenodigdheden ontzegd. Ieder zorgde net zo goed voor zijn of haar naaste als voor zichzelf… Maar Seneca — en dit stond centraal in zijn hele redenering —was ervan overtuigd dat de oude egalitaire orde niet alleen vergaan maar noodzakelijk vergaan was. Terwijl de tijd verstreek, was de mens wreed geworden; en toen dat eenmaal gebeurd was, waren instellingen zoals privébezit, dwingende regeringen, onderscheid in status en zelfs slavernij, niet alleen onvermijdelijk maar ook nodig; dat waren niet alleen de gevolgen van maar ook remedies voor de ontaarding van de menselijke natuur. En in die vorm en opgezadeld met die kenmerken, werd het begrip van de oorspronkelijke egalitaire toestand overgenomen door de Kerkvaders en ingelijfd in de politieke theorie van de Kerk. In het denken van de kerkvaders en de Middeleeuwen Tegen
de derde
eeuw n.C. hadden Christelijke leerstellingen eindelijk, uit de
buitengewoon
invloedrijke filosofie van het Stoïcisme, het idee in zich opgenomen
van de
egalitaire Natuurstaat, die onherroepelijk verloren was. En alhoewel
het bijna
niet mogelijk was om te spreken
over de
sociale en economische inrichting van de Hof van Eden, speelden
orthodoxe
theologen het desondanks klaar om de Grieks-Romeinse mythe te gebruiken
om de
leerstelling van de Zondeval aanschouwelijk te maken. Dit heeft de natuurlijke orde voorgeschreven en zo heeft God de mens geschapen. Want hij sprak: ‘Laat hen heersen over de vissen in de zeeën en het gevogelte in de lucht, en over elk kruipend schepsel dat over de aarde kruipt.’ Door de mens naar zijn evenbeeld te maken, een redelijk wezen, bedoelde hij dat zij alleen heerser zou zijn over redeloze wezens; niet mens over mens, maar mens over dier… De eerste oorzaak van slavernij is de zonde, waardoor de ene mens onderworpen is aan de andere, door de beperkingen van zijn toestand… Maar door de natuur waarmee God de mens ooit schiep, is niemand slaaf noch van een ander mens noch van de zonde. Ondanks
het feit
dat de Kerk er zelf grote getallen slaven op
nahield
bleef
de
visie,
verwoord
door
Augustinus,
de
orthodoxe
gedurende
de
Middeleeuwen.
Het
zou ook de mening worden van de wereldse feodale
wetgevers.
De overtuiging van de beroemde Franse jurist Beaumanoir, uit de
dertiende eeuw,
kan genomen worden als maatgevend voor de gangbare mening van
middeleeuwse
denkers: ‘Alhoewel er nu
verschillende klassen
van mensen bestaan, is het waar dat in den beginne allen vrij waren en
dezelfde
vrijheid genoten; want iedereen weet dat wij afstammen van één vader en
één
moeder…’ Het gebruik van alle dingen die in deze wereld zijn, zou gemeenschappelijk moeten zijn aan alle mensen, maar door onrechtvaardigheid zegt de één dat dit van hem is, en de ander dat het van hem is, en zo wordt er verdeeldheid teweeggebracht onder stervelingen. Kortom, een hele wijze Griek, die wist dat deze dingen zo zijn, zegt dat alle dingen gemeenschappelijk zouden moeten zijn onder vrienden. En onder ‘alle dingen’ worden ontegenzeglijk ook echtgenoten begrepen. Hij zegt ook dat, net zoals de lucht niet verdeeld kan worden, noch de pracht van de zon, dus ook alle dingen die in deze wereld voorhanden zijn, allen gemeenschappelijk toebehoren en dus niet verdeeld zouden moeten worden, maar echt gemeenschappelijk zouden moeten zijn. Ongeveer vijf eeuwen later kreeg deze passage een geheel nieuwe betekenis. Rond 850 n.C. schreef een Franse monnik, bekend als de Pseudo-Isodorus (omdat hij zijn werk toeschreef aan Isodorus, Aartsbisschop van Sevilla) valse decreten en canons, voor de beroemde verzameling, die nu bekend staat als de Valse Decreten. De verzameling begint met vijf ‘Brieven van Paus Clemens’, allemaal apocrief en drie daarvan zelf vervalst door de Pseudo-Isidorus. In de vijfde brief, die gericht is aan Jacobus en de Christenen in Jerusalem, nam Pseudo-Isodorus ook de bovenstaande passage op — echter niet meer als een uitspraak van een heiden, maar als uiting van de denkbeelden van Paus Clemens zelf. En hij laat de Paus de uitspraak versterken door te citeren uit Handelingen iv, tijdens de eerste Christelijke bijeenkomst in Jerusalem: En de menigte van hen, die tot het geloof gekomen waren, was één van hart en ziel, en ook niet één van hen zeide, dat iets van hetgeen hij bezat zijn persoonlijk eigendom was, doch zij hadden alles gemeenschappelijk…. Want er was ook niet één behoeftig onder hen; want allen, die eigenaars waren van stukken grond of van huizen, verkochten die brachten de opbrengst van de verkoop en legden die aan de voeten der apostelen: en aan een ieder werd uitgedeeld naar behoefte. Het
was in deze
mengvorm, half Christelijk en half Stoïcijns, dat de stichter van de
wetenschap
van het Canonieke Recht deze uitspraak op zijn weg vond. Toen Gratianus
rond
1150 zijn grootse compilatie maakte, twijfelde hij nooit — evenmin
als
zijn
voorgangers —aan de echtheid van de decreten van de
Pseudo-Isodorus.
De vijfde brief van Clemens, met zijn opmerkelijke bevestiging van het
anarcho-communisme,
werd ingevoegd in het Decretum en verwierf daarvoor een gezag
dat het
tot aan de zestiende eeuw zou bewaren, toen het werd afgewezen, samen
met de
rest van de Valse Decreten. Gratianus voegt inderdaad bepaalde
opmerkingen
toe aan het document, die het bereik ervan inperkten; maar elders in
het Decretum
maakt hij de argumenten uit het document (afgezien van vrije liefde)
openhartig
de zijne. En in de latere Middeleeuwen werd het onder de canonici en de
scholastici een gemeenplaats, dat er in de oorspronkelijke toestand van
de
maatschappij, die ook de beste toestand was geweest, niet zoiets
bestond als privébezit,
omdat alle dingen toebehoorden aan iedereen. ‘Ooit, in de dagen van onze eerste voorvaderen,’ schrijft de dichter, ‘zoals de geschriften uit de Oudheid getuigen, hielden mensen van elkaar met een fijngevoelige en eerlijke liefde, en niet uit de begeerte naar wellust en winstbejag. Goedhartigheid heerste in de wereld.’ In die dagen waren smaken eenvoudig, mensen voedden zich met vruchten, noten en kruiden, ze dronken alleen water, kleedden zich in dierenvellen, wisten niets van landbouw, en leefden in grotten. Toch was er geen ontbering, omdat de aarde vrijuit al het voedsel gaf wat ze nodig hadden. Geliefden omhelsden elkaar op bloembedden, achter gordijnen van bladeren (voor deze schrijver was vrije liefde een belangrijk onderdeel van de oorspronkelijke gelukzaligheid). ‘Daar dansten zij en vermaakten zich in heerlijk nietsdoen, eenvoudige rustige mensen die zich voor niets anders interesseerden dan blijmoedig en in vriendschap met elkaar te leven. Geen koning of prins had nog, als een misdadiger, weggegrist wat aan anderen toebehoorde. Allen waren gelijk en hadden geen eigen bezit. Zij waren zich zeer bewust van de stelregel dat liefde en macht nooit vreedzaam samengaan… En zo, mijn vriend, hielden de Ouden elkaar gezelschap, vrij van enige band of beperking, vreedzaam, fatsoenlijk; en voor al het goud in Arabië en in Phrygië zouden zij hun vrijheid nog niet hebben willen opgeven …’ Jammer
genoeg kwam
aan deze gelukkige toestand een einde door de verschijning van een heel
leger
ondeugden — Verraad, Trots, Begeerte, Jaloezie en de rest. Hun eerste
daad was
dat zij Armoede en haar zoon Diefstal loslieten op de aarde, die tot
dan toe
nog niets van hen had afgeweten. Vervolgens rukten
deze demonen, vervuld van woede en
jaloezie bij het zien van gelukkige mensen, de gehele aarde binnen,
zaaiden
verdeeldheid, haarkloverij, onenigheid en rechtszaken, ruzies,
geschillen,
oorlogen, roddel, haat en wrok. Verdwaasd door het goud, vilden zij de
aarde,
sleepten de verborgen schatten uit haar ingewanden, metalen en kostbare
gesteenten. Want Armoede en Begeerte had de zucht naar rijkdom in de
harten van
mensen opgewekt. Begeerte maakt geld en Hebzucht bergt het op —
ongelukkig
wezen dat ze is, en nooit zal zij het uitgeven, maar het nalaten aan
haar
erfgenamen en executeurs om het te beheren en te beschermen, als het
tenminste
niet voor die tijd al een tegenvaller treft. Op het laatst werd deze anarchie zo onhoudbaar dat de mensen iemand moest kiezen om de orde te herstellen en te bewaren. Ze kozen ‘een grote ploert, degene met de zwaarste botten, de meest stevige, de sterkste die zij konden vinden; en zij maakten hem prins en koning’. Maar hij had hulp nodig en dus werden heffingen en belastingen in het leven geroepen om het dwangbewind te bekostigen; het was het begin van de koninklijke macht. Geld werd gemunt, wapens vervaardigd — en tegelijkertijd verstevigden mensen steden en kastelen en bouwden gigantische paleizen, overdekt met beeldhouwwerk, omdat degenen die deze rijkdommen bezaten bang waren voor het geval dat dit door diefstal of geweld van hen afgenomen zou worden. Toen waren zij nog betreurenswaardiger, deze ongelukkige mensen, omdat zij nooit meer de zekerheid zouden kennen, van de tijd voordat ze, uit hebzucht, zichzelf toe-eigenden wat eerder zoals lucht en zon van allen gemeenschappelijk was. Dat
waren de
egalitaire en communistische idealen, die aanvaard werden door vele
nadenkende mensen
in het middeleeuwse Europa. En er kan niet gezegd worden dat er nooit
een
poging is gedaan om deze naar de werkelijkheid te vertalen. De Kerk
hield zelf
consequent vol dat een gemeenschappelijk leven in vrijwillige armoede
‘de volmaaktere
manier was’; maar benadrukte alleen dat dit in een verdorven wereld,
die
zwoegde onder de gevolgen van de Zondeval, een ideaal was waarnaar
enkel door de
elite kon en mocht worden gestreefd. Onder de clerus vond deze
opvatting een geïnstitutionaliseerde
uiting in de monniken- en broederorden. Het was een opvatting die ook
grote
aantrekkingskracht had op leken, vooral toen de handel weer opleefde,
nieuwe
rijkdom verscheen en een stadse samenleving groeide. In de meer
ontwikkelde en
dichterbevolkte gebieden van Europa vond men vanaf de elfde eeuw
groepen leken,
die in kloosterachtige gemeenschappen leefden, en alle bezittingen
gemeenschappelijk hadden; soms met, soms zonder goedkeuring van de
Kerk. Voor
al deze gemeenschappen werd een voorbeeld verschaft door de
beschrijving in Handelingen
iv, van de eerste Christelijke gemeenschap in Jerusalem. Dit
voorbeeld — dat, zoals we
hebben gezien, al werd geciteerd door de Pseudo-Isodorus in zijn
vervalste brief
van Clemens — verwierf een enorm aanzien; omdat nergens ingeschat werd
hoe ver
Lucas zijn fantasie toegestaan had om zijn kennis van historische
feiten
terzijde te schuiven * * * |