www.verbodengeschriften.nl
DE NIEUWE ADAM EN EVA
door
Nathaniel Hawthorne
1846
Uit: MOSPLANTJES VAN EEN OUDE
PASTORIE
Wij,
die
geboren
zijn in dit wereldwijde kunstmatige bestel, kunnen nooit
precies
weten hoe weinig er natuurlijk is in onze huidige toestand en
omstandigheden,
en hoeveel slechts het resultaat is van een geperverteerd menselijk
brein en
hart. Kunst is een tweede en hechtere natuur geworden, een stiefmoeder,
wier
sluwe tederheid ons geleerd heeft de vrijgevige en heilzame hulp van
onze echte
moeder te versmaden. Alleen door middel van onze verbeelding kunnen wij
die
ijzeren boeien, die wij waarheid en werkelijkheid noemen, losser maken
en ons
er zowaar deels van bewust worden hoezeer wij gevangen zitten. Stel dat
de
uitleg van de profetieën door die beste eerwaarde William Miller
juist is
gebleken. Over de hele aarde is de Dag des Oordeels losgebarsten en
heeft de
hele mensheid weggevaagd. Uit steden en velden, zeekusten en
bergstreken in de
binnenlanden, uitgestrekte continenten en zelfs de verste verwijderde
eilanden
in de oceanen, is elk levend wezen verdwenen. Geen enkele ademtocht van
een
geschapen wezen, verstoort de aardse atmosfeer. Maar de woonplaatsen
van de
mens, en alles wat hij tot stand heeft gebracht, de voetafdrukken van
zijn dwaalwegen
en de resultaten van zijn geploeter, de zichtbare symbolen van het
cultiveren
van zijn intellect en zijn morele vooruitgang, — kortom, al het
stoffelijke dat
blijk kan geven van zijn toestand op dat moment — zal onaangeroerd
blijven voor
het ingrijpen van het lot. Laten wij ons vervolgens voorstellen dat, om
deze
verwoeste en onbewoonde opnieuw te bevolken, een nieuwe Adam en Eva
worden
geschapen, met een volledig ontwikkelde geest en hart, maar zonder weet
te
hebben van hun voorgangers, noch van de verziekte omstandigheden die
zich als
een korst om hen heen hadden gevormd. Dat tweetal zou meteen het
verschil zien
tussen het kunstmatige en de natuur. Hun instinct en intuďtie zouden
onmiddellijk de wijsheid en eenvoud van de laatste begrijpen; terwijl
het
eerste, met zijn uitgebreide perversiteiten, hen voortdurend voor
raadsels zou
stellen.
Laten
we
proberen,
in een half speelse en half bedachtzame stemming, het spoor
te
volgen van deze denkbeeldige erfgenamen van onze sterfelijkheid,
tijdens hun
wederwaardigheden op die eerste dag. Pas gisteren was de vlam van het
menselijke leven uitgedoofd; er is een ademloze nacht geweest; en nu
breekt er
een nieuwe morgen aan, die de aarde niet minder verlaten verwacht aan
te
treffen dan de dag tevoren.
De
ochtend gloort. Ofschoon geen mensenoog het gadeslaat hult het Oosten
hult zich
in zijn eeuwenoude blos; want alle verschijnselen van de
oorspronkelijke wereld
vernieuwen zich steeds, ondanks de verlatenheid die nu over de hele
wereld heerst.
De schoonheid van aarde, zee en hemelgewelf is er nog steeds, ter wille
van de
schoonheid zelf. Maar weldra zullen er toeschouwers zijn. Op het moment
dat de
eerste zonnestralen de aardse bergtoppen vergulden, zijn twee mensen
tot leven
gekomen, niet in zo’n bloeiend Paradijs dat onze eerste ouders
verwelkomde,
maar midden in een moderne stad. Ze ontdekken dat ze bestaan en staren
in
elkaars ogen. Hun gevoel is er niet een van verbazing, en ze maken het
niet
moeilijker voor zichzelf met pogingen om te ontdekken wat ze zijn, waar
ze
vandaan komen en waarom ze er zijn. Voor beiden is het genoeg dat ze er
zijn,
omdat de ander er ook is; en hun eerste gevoel is er een van rustige en
wederzijdse vreugde, die niet op dat moment opwelt, maar een
voortzetting lijkt
te zijn van een voorbije eeuwigheid. Aldus tevreden met de innerlijke
stemming waarin
zij beiden verkeren, kan de buitenwereld niet hun aandacht opeisen.
Al
gauw voelen ze de onontkoombare noodzaak van dit aardse leven en
beginnen kennis
te maken met de dingen en omgeving die hen omringen. Misschien rest er
geen
enkele nog te maken stap, groter dan die zij maken op het moment dat
zij zich
voor het eerst afwenden van hun wederzijdse blik naar de dromen en
schaduwen overal
elders, die hen in verwarring brengen.
“Liefste
Eva,
waar
zijn we?” roept de nieuwe Adam uit; want taal, of een
gelijksoortige
manier van uitdrukken is hen aangeboren, en gaat net zo natuurlijk als
ademen.
“Volgens mij herken ik deze plek niet.”
“Ik
ook
niet, lieve Man,” antwoordt de nieuwe Eva. “En wat een vreemde plaats
eigenlijk! Ik zal wat dichter bij je komen en alleen maar naar jou
kijken; want
alles wat ik verder zie stoort me en brengt me in de war.”
“Nee,
Eva,”antwoordt
Adam,
die zich meer aangetrokken voelt door de stoffelijke
wereld, “het zou goed zijn als we wat meer van dit alles gaan
begrijpen. We
zitten in een wonderlijke situatie hier. Laten we wat rondkijken.”
Zonder
twijfel
is
er genoeg te zien om de nieuwe erfgenamen in een hopeloos verwarde
toestand te brengen. De lange rijen gebouwen met hun, in het gouden
zonlicht,
schitterende ramen, en de smalle straat daartussen, met zijn kale
bestrating
met sporen en littekens van wielen, die nu weggerateld zijn naar een
onherroepelijk verleden! De verkeersborden met hun onbegrijpelijke
hiëroglyfen!
De vierkante, lelijke, regelmatige en onregelmatige vervormingen die
het oog
treffen! De tekenen van verval en onherroepelijk bederf, dat mensenwerk
onderscheidt van het groeien van de natuur! Wat betekent dit alles, dat
het een
glimp van betekenis kan overbrengen op een gemoed, dat geen weet heeft
van het
kunstmatige geheel, dat blijkt uit elke lantaarnpaal en elke baksteen
van de
huizen? Bovendien moet de volslagen eenzaamheid en stilte, van een
schouwspel
dat oorspronkelijk zijn ontstaan dankte aan lawaai en drukte, zelfs op
Adam en
Eva de indruk maken van verlatenheid, nietsvermoedend als ze zijn van
de
recente uitroeiing van het menselijke bestaan. In een woud zou
eenzaamheid
leven betekenen; in een stad betekent het dood.
De
nieuwe Eva kijkt rond met een gevoel van twijfel en argwaan, zoals een
stadse
dame, dochter van ontelbare generaties van burgers, zich zou voelen als
ze
opeens overgebracht werd naar de Hof van Eden. Uiteindelijk ontdekken
haar
neergeslagen ogen een klein plukje gras, dat net begint uit te spruiten
tussen
de stenen van het plaveisel; nieuwsgierig grijpt ze het en voelt dat
dit
gewasje iets wakker maakt in haar hart. De natuur heeft haar niets
anders te
bieden. Adam heeft de straat naar beide richtingen afgespeurd zonder
een enkel
voorwerp te ontdekken dat hij kan begrijpen, en keert ten slotte zijn
gezicht
naar het hemelgewelf. Daar is echt iets wat het diepst van zijn hart
herkent.
“Kijk
daar,
mijn
eigen Eva,” roept hij, “wij horen vast thuis te midden van die
goudgekleurde wolken of in de blauwe diepten daar voorbij. Ik weet niet
hoe of
wanneer, maar wij zijn duidelijk afgedwaald van ons thuis; want hier om
ons
heen zie ik niets dat bij ons lijkt te horen.”
“Kunnen
we
niet
naar boven klimmen?” vraagt Eva.
“Waarom
niet?”
antwoordt
Adam, hoopvol. “Maar nee; er iets dat ons omlaagtrekt hoezeer
we ons ook inspannen. Misschien vinden we later wel een pad.”
Met
de energie van een nieuw leven lijkt het niet zo’n onuitvoerbaar
kunststukje om
naar de hemel op te klimmen. Maar ze hebben wel al een trieste les
gekregen, die
er uiteindelijk toe zou kunnen leiden dat zij afdalen tot het niveau
van de heengegane
mensheid, door te begrijpen dat ze het platgetreden pad van de aarde
moeten
volgen. Nu gaan ze verder op hun zwerftocht door de stad, in de hoop te
kunnen
ontsnappen aan deze onaangename atmosfeer.
In
hun prille geestelijke veerkracht hebben zij al het gevoel van
vermoeidheid
ontdekt. Wij zullen hen gadeslaan als zij een paar winkels, openbare en
particuliere gebouwen binnengaan; want elke deur, van wethouder of
bedelaar,
van kerk of staatspaleis, is opengezwaaid door dezelfde kracht die hun
bewoners
heeft weggemaaid.
En
zo gebeurt het, — en gelukkig voor Adam en Eva, die nog steeds in het
kostuum
lopen dat beter gepast had in de Hof van Eden, — en zo gebeurt het dus,
dat het
eerste wat ze bezoeken een textiel- en kledingwinkel is. Geen
hoffelijke en
opdringerige bedienden haasten zich om hun bestellingen in ontvangst te
nemen;
geen menigte vrouwen stort zich op de weelderige Parijse stoffen. Alles
is
verlaten; de handel is tot stilstand gekomen; en zelfs geen echo van de
nationale leuze, “Loop door!” verstoort de rust van de nieuwe klanten.
Maar
exemplaren van de laatste aardse mode, zijden kledingstukken in
allerlei
kleurschakeringen, en alles wat er maar aan het fijnste en prachtigste
is voor
het opsieren van het menselijke figuur, liggen hier overal in het rond,
overvloedig als glanzende herfstbladeren in een bos. Adam bekijkt een
paar van
de kledingstukken, maar gooit ze weer achteloos terzijde met een soort
uitroep
die zou kunnen lijken op “bah!” of “gadver!” in de nieuwe woordenschat
van de
natuur. Eva, — als het ware zonder haar aangeboren eerbaarheid geweld
aan te
doen, — onderzoekt echter deze schatten van haar eigen sexe met een wat
levendigere belangstelling. Er liggen toevallig een paar korsetten op
de
toonbank; ze bekijkt ze nieuwsgierig, maar weet niet was ze ermee aan
moet. Dan
betast ze met een vaag verlangen een modieus zijden kledingstuk;
gedachten
dwalen her en der, instincten tasten in het duister.
“Eigenlijk
hou
ik
hier niet van,” merkt ze op, terwijl ze de glanzende stof weer op de
toonbank legt. “Maar, Adam, het is wel heel vreemd. Wat zou de
bedoeling zijn
van die dingen? Ik zou het vast moeten weten; toch brengen ze me
helemaal in de
war.”
“Poeh!
Mijn
liefste
Eva, waarom zou jij dat kleine hoofdje van je lastig vallen met
dergelijke onzin?” roept Adam uit, in een vlaag van ongeduld. “Laten we
ergens
anders naar toe gaan. Maar wacht even; wat prachtig! Mijn liefste Eva,
wat heb
jij van die jurk iets charmants gemaakt, door die alleen maar over je
schouders
te gooien!”
Want
Eva,
met
de smaak die de natuur in haar aard heeft gekneed, heeft een lap
prachtig zilveren stof gepakt en om haar figuur gewikkeld, zodanig dat
het Adam
zijn eerste idee geeft van de betovering van kledij. Hij slaat zijn
echtgenote
gade in een nieuw licht en met hernieuwde bewondering; toch kan hij
nauwelijks
een andere uitdossing aanvaarden, dan haar eigen goudblonde lokken. Hij
volgt
echter Eva’s voorbeeld, grijpt lukraak een blauwfluwelen mantel en
slaat die zo
sierlijk om zich heen dat het lijkt alsof die vanuit de hemel over zijn
imposante
gestalte heen is vallen. Aldus gekleed gaan ze op zoek naar nieuwe
ontdekkingen.
Daarna
lopen
ze
een kerk binnen, niet om te koop te lopen met hun prachtige kleren,
maar aangetrokken door haar naar de hemel reikende torenspits, waar ze
al naartoe
hadden willen beklimmen. Terwijl zij het voorportaal betreden herhaalt
de klok,
die door de koster als zijn laatste aardse daad nog was opgewonden, het
uur in
donkere, weergalmende klanken; want de Tijd heeft zijn laatste kroost
overleefd
en spreekt nu met de hem door de mens geschonken ijzeren tong, haar
twee
kleinkinderen toe. Ze luisteren, maar begrijpen haar niet. De natuur
placht de
tijd te meten met de opeenvolging van gedachten en daden, die het echte
leven
vormen, en niet met uren van leegte. Zij lopen over het gangpad en
richten hun
ogen naar het plafond. Als onze Adam en Eva sterveling waren geworden
in een
Europese stad, en rondgedwaald hadden in een enorme en grootse
kathedraal,
zouden ze misschien begrepen hebben waarom de zeer bezielde stichters
haar
hadden gebouwd. Als het duistere ontzagwekkende van een oerwoud, zou de
sfeer
hen opgeroepen hebben tot gebed. Binnen de enge muren van Amerikaanse
kerk kan
zoiets niet gebeuren.
Toch
is
hier
nog wat geur van de godsdienst blijven hangen, de erfenis van
vrome
zielen, die de gunst verleend werd zich te verheugen in een voorproef
van het
onsterfelijke leven. Misschien fluisteren zij hun opvolgers wel een
voorzegging
in van een betere wereld, die nu blootgesteld zijn aan al hun eigen
zorgen en het
onheil in de huidige wereld.
“Eva,
er
is
iets dat me dwingt omhoog te kijken, “zegt Adam, “maar het stoort me
dat
dak te zien tussen ons en de hemel. Laten we weggaan, misschien kunnen
we een
Grote Gedaante ontdekken die op ons neerkijkt.”
“Ja,
een
Grote
Gedaante, met een stralende blik van liefde, als zonneschijn,”
antwoordt
Eva. “Wij hebben vast al ergens zo’n gezicht gezien.”
Ze
lopen de kerk uit en knielend op de drempel geven zij zich over aan de
natuurlijke aandrang van de geest tot aanbidding van een weldoende
Vader. Maar
in feite is hun leven tot nu toe een doorlopend gebed geweest.
Zuiverheid en
eenvoud voeren elk moment een gesprek met hun Schepper.
We
zien ze nu een rechtbank binnenlopen. Hoe kunnen ze in de verste verte
ook maar
begrijpen wat de bedoeling van een dergelijk gebouw is? Hoe zouden ze
op het
idee kunnen komen dat mensenbroeders, met dezelfde natuur als zijzelf,
en
oorspronkelijk begiftigd met dezelfde gebod der liefde, hun enige
leidraad van
het leven, ooit behoefte zouden hebben gehad aan een uiterlijke
bekrachtiging
van hun ware innerlijke stem? En wat zou hen, behalve een smartelijke
ervaring,
— een duister gevolg van vele eeuwen, — in kunnen wijden in de
tragische
geheimen van de misdaad? O Rechterstoel, niet door de reinen van hart
zijt gij
ingesteld, noch door de armen van geest; maar door hardvochtige en
verkreukelde
mensen, en geplaatst op de opeengehoopte berg van het aardse kwaad. Gij
zijt
het zinnebeeld van de ‘s mensens ontaarde toestand.
Even
vergeefs
bezoeken
onze wandelaars daarna het Gebouw van de Wetgevende Macht.
Adam
laat Eva plaatsnemen op het spreekgestoelte, onbewust van de moraal die
hij
daarmee verbeeldt. Het intellect van de Man, verzacht door de tederheid
en het
morele gevoel van de Vrouw! Als dat de wetgeving van de wereld zou
zijn, zou er
geen behoefte zijn aan Regerings-, Congres- en Parlementsgebouwen,
zelfs niet
aan die kleine vergaderingen van stamhoofden onder lommerrijke bomen,
door wie
voor het eerst de vrijheid werd vertolkt voor de mensheid aan onze
eigen
kusten.
Waar
gaan
ze
nu naartoe? Een verderfelijk lot lijkt hen in verwarring te brengen
met
het ene na het andere van de raadsels, die de mensheid het dwalende
universum
heeft verkondigd en door haar eigen vernietiging onopgelost heeft
gelaten. Ze betreden
een uit grimmige grijze stenen opgetrokken gebouw, afgezonderd te
midden van
andere, naargeestig, ondanks de stralen van de zon, die het nauwelijks
kunnen binnendringen
door de ijzeren getraliede ramen. Het is een gevangenis. De
gevangenbewaarder
heeft zijn post verlaten op bevel van een grotere autoriteit dan die
van de
sheriff. En de gevangenen dan? Heeft de boodschapper van het lot, toen
hij alle
deuren opende, het dwangbevel van het gezag en het vonnis van de
rechter in
acht genomen en de bewoners van de kerkers achtergelaten om ze over te
laten
aan de bestemde loop van de aardse wet? Nee, een hoger gerechtshof
heeft een
nieuw onderzoek gelast, waarbij wellicht rechter, jury en gevangene
naast
elkaar in de beklaagdenbank plaats hebben moeten nemen en misschien de
een niet
schuldiger is bevonden dan de ander. Net als de hele aarde is de
gevangenis nu
verlaten en heeft daarmee iets van haar grauwe naargeestigheid
verloren. Maar
de kleine cellen zijn er nog, als graftombes, alleen somberder en
dodelijker,
omdat daarin samen met het lichaam de onsterfelijke geest was begraven.
Op de
muren doemen inscripties op, gekrabbeld met een potlood of gekrast met
een
roestige spijker; misschien korte woorden van doodsangst, van wanhopig
verzet
van de schuldige tegen de wereld, of gewoon het optekenen van een
datum,
waarmee de schrijver de voortgang van het leven probeerde bij te
houden. Geen
levend oog kan die gedenktekens nog ontcijferen.
Het
komt ook niet doordat ze nog maar zo kort geleden uit de hand van de
Schepper
gekomen zijn, dat de nieuwe aardbewoners — nee, noch hun nazaten over
duizend
jaar — niet konden ontdekken dat dit gebouw een ziekenhuis was voor de
vreselijkste ziekte die hun voorgangers kon treffen. Zijn patiënten
droegen de
uiterlijke symptomen van de melaatsheid, waardoor iedereen min of meer
was aangetast.
Ze waren — en dat gold ook voor de zuiversten van hun broeders — besmet
door de
zonde-epidemie. Inderdaad een dodelijke ziekte! Als zij die zonde in
hun borst
voelden, verborgen mensen die angstig en beschaamd, en waren dan nog
alleen
maar wreder voor de ongelukkigen bij wie de verderfelijke zweren
duidelijker te
zien waren voor het blote oog. Behalve weelderige kleding kon niets
ooit die
pestplek verbergen. In de loop van het bestaan van de wereld werd elk
geneesmiddel uitgeprobeerd om het te genezen en uit te snijden, behalve
dat
ene, de bloem die in de Hemel groeide en heilzaam was voor alle ellende
in de
wereld. Nooit had de mens geprobeerd de zonde te genezen met liefde. Had hij dat maar
ooit gedaan,
dan had het best kunnen gebeuren dat er geen behoefte meer was geweest
aan de
duistere leprozerie waarin Adam en Eva hadden rondgedwaald. Haast je
weg, met
jullie aangeboren onschuld, anders zullen de dampen van deze nog steeds
bewuste
muren jullie eveneens besmetten, en zal zich opnieuw een zondig ras
voortplanten!
Nadat
hij vanuit het gevangenisgebouw
naar buiten gelopen is, blijft Adam binnen de ommuring staan onder een
uiterst
simpel bouwsel, dat toch voor hem volstrekt onbegrijpelijk is. Het
bestaat
gewoon uit twee rechtopstaande palen, die een dwarsbalk ondersteunen,
waaraan
een touw bungelt.
“Eva,
Eva!”
roept
Adam, huiverend van een onbestemde afschuw. “Wat kan dit nu zijn?”
“Ik
weet het niet,” antwoordt Eva; “maar, Adam, mijn hart is bedroefd! Er
lijkt
geen blauwe lucht meer te zijn — geen zonneschijn meer!”
Het
is
misschien het terecht dat Adam huivert en die arme Eva bedroefd van
hart is,
want dit geheimzinnige ding was het kenmerkende van het hele stelsel
dat
bedoeld was om de grote problemen die God hen gegeven had om op te
lossen, —
een stelsel van angst en wraak, dat nooit iets opleverde, en toch tot
op het
laatst werd betracht. Hier was, op de ochtend dat de laatste aanzegging
kwam,
een misdadiger — een enkele misdadiger, terwijl niemand onschuldig was
— aan de
galg gestorven. Had de wereld de voetstap gehoord van haar eigen
naderende
ondergang, dan zou het geen misplaatste daad geweest zijn om het
register van
haar daden op zo’n kenmerkende manier af te sluiten.
De
twee pelgrims haasten zich nu weg van de gevangenis. Als ze hadden
geweten hoe
de voormalige bewoners van de aarde opgesloten zaten in kunstmatige
dwalingen
en verkrampt en geketend waren door hun zedeloosheid, zouden zij wel
eens de hele
zedelijke wereld vergeleken kunnen hebben met een gevangenis, en het
wegvagen
van de mensheid als een wereldwijd vrijlating uit de gevangenis hebben
kunnen zien.
Vervolgens
gaan
ze
onaangekondigd, — al was hun aanbellen aan de deur toch tevergeefs
geweest, — een particulier huis binnen, een van de statigste in de
Beacon
Street. Onstuimige en klagelijke flarden muziek trillen door het huis,
het ene
moment aangroeiend tot een plechtig orgelgeluid, dan weer uitdovend tot
het
zwakste geruis, alsof een of andere geest, die zich betrokken voelde
bij het
verscheiden van het gezin, zichzelf bejammerde in de verlatenheid van
hal en
kamers. Misschien was een maagd, de zuiverste van de sterfelijke
mensheid,
achtergelaten om een dodendienst te houden voor de hele mensenfamilie.
Dat was
niet zo. Het zijn de klanken van een eolische harp, waar de natuur de
in elk zuchtje
wind verscholen harmonie doorheenstuwt, van zomerbries tot storm. Adam
en Eva zijn
opgegaan in vervoering, zonder zweem van verrassing. De
voorbijstromende wind,
die de snaren van de harp in beweging bracht, is gaan liggen, nog
voordat het
in hen op kan komen het prachtige meubilair, de fraaie vloerkleden en
de
inrichting van de kamers gade te slaan. Die dingen houden hun
ongeoefende ogen wel
aangenaam bezig, maar raakt niets binnen in hun hart. Zelfs de
schilderijen aan
de wand wekken nauwelijks meer belangstelling in hen op; want er
schuilt iets
uiterst kunstmatigs en bedrieglijks in schilderijen, dat een geest die
in haar
oorspronkelijke eenvoud verkeert, niet kan waarderen. De ongenode
gasten
bestuderen een rij familieportretten, maar zijn te onbevangen om daar
mannen en
vrouwen in te herkennen, onder die vermomming van lachwekkende kledij,
en met
beschamende gelaatstrekken en –uitdrukkingen, overgeleverd door eeuwen
van
moreel en lichamelijk verval.
Het
toeval biedt hen echter beelden van de menselijke schoonheid,
rechtstreeks uit
de hand van de Natuur. Bij het betreden van een prachtige kamer zien ze
verbaasd, maar niet geschrokken, twee gedaanten op hen toelopen. Is het
niet
een gruwelijk idee dat er, behalve hun eigen, nog meer leven in de
wijde wereld
overgebleven zou zijn?
“Wat
is
dat
nou?” roept Adam uit. “Mijn mooie Eva, ben je op twee plaatsen
tegelijk?”
“En
jij dan, Adam!” antwoordt Eva, weifelend, maar verrukt. “Die edele en
prachtige
gestalte is vast van jou. En toch ben je hier naast me. Eén Adam is
voor mij
genoeg, — me dunkt dat er geen twee hoeven te zijn.”
Dit
wonder wordt teweeggebracht door een grote spiegel, een geheim dat ze
al snel
doorhebben, omdat de Natuur een spiegel schept voor het menselijke
gelaat in
elke waterplas en voor haar eigen gelaatstrekken in rimpelloze meren.
Blij en
tevreden met het kijken naar zichzelf, ontdekken ze nu in een hoek van
de kamer
het marmeren beeld van een kind, zo voortreffelijk vormgegeven, dat het
bijna kan
dienen als een profetisch evenbeeld van hun eerstgeborene. Het beste
beeldhouwwerk
is
waarheidsgetrouwer dan een schilderstuk, en lijkt zich ontwikkeld te
hebben uit
een natuurlijke kiem, door dezelfde wetmatigheid als een blad of bloem.
Het
beeld van het kind geeft het eenzame paar het gevoel van gezelschap;
het
verwijst tevens naar geheimen van verleden en toekomst.
“Mijn
man!”fluistert
Eva.
“Wat
wil
je
zeggen, liefste Eva?” vraagt Adam.
“Ik
vraag me af,” gaat ze verder, “of we wel alleen zijn in deze wereld,
maar dat
we een soort angstig gevoel hebben bij het idee dat er nog andere
bewoners zijn.
Wat een prachtig beeldje! Heeft het ooit geademd? Of is het de schaduw
van iets
werkelijks, zoals onze beelden in de spiegel?
“Vreemd!”
antwoordt
Adam,
terwijl hij zijn hand tegen zijn voorhoofd drukt. “Overal om
ons heen geheimen. “Er schiet de hele tijd een gedachte door mijn
hoofd, — ik
wou dat ik het kon pakken! Eva, Eva, lopen we in de voetstappen van
wezens die
op ons leken? Als dat zo is, waar zijn ze dan naartoe gegaan? — en
waarom is
hun wereld voor ons zo’n ongeschikte verblijfplaats?”
“Dat weet alleen onze grote Vader,” antwoordt Eva. “Maar iets zegt me
dat we
niet altijd alleen zullen blijven. Wat zou het heerlijk zijn als andere
wezens
ons in de gedaante van dit mooie beeld zouden bezoeken!”
Daarna
dwalen
ze
door het huis en vinden overal tekenen van menselijk leven, die nu,
met het idee dat ze net hebben geopperd, nog meer nieuwsgierigheid in
hen
oproept. De vrouw heeft hier sporen achtergelaten van haar gevoeligheid
en verfijning
en haar beminnelijke activiteiten. Eva doorzoekt een werkmandje en duwt
instinctief de roze top van haar vinger in een vingerhoed. Ze pakt een
borduurwerkje op, met glimmende namaakbloemen; in een ervan heeft een
mooie
jongedame van de uitgestorven mensheid een naald achtergelaten. Jammer
dat de
Dag des Oordeels de voltooiing van een zo nuttige taak heeft
verhinderd! Eva
heeft haast het gevoel dat ze het kan afmaken. De piano is open blijven
staan. Snel
beweegt ze haar hand achteloos over de toetsen en ontlokt daar opeens
een
melodie aan, die niet minder natuurlijk klinkt dan de flarden van de
eolische
harp, maar dan vreugdevol en met het speelse van haar nog zorgeloze
leven. Na
een donkere gang vinden ze achter een deur een bezem; en Eva, die hele
aard van
het vrouw-zijn omvat, heeft het vage idee dat het een voor haar hand
geëigend
apparaat is. In een andere kamer zien ze een hemelbed en alle
benodigdheden
voor een aangenaam verpozen. Een hoop herfstbladeren zou beter aan dit
doel
beantwoorden. Ze lopen de kinderkamer in en staan verbaasd bij de
aanblik van
kleine jurkjes en mutsjes, kleine dingetjes, en een wiegje, waarin
middenin nog
een afdruk zichtbaar is in de vorm van een baby. Adam merkt die
kleinigheidjes
nauwelijks op, maar Eva verzinkt in stilzwijgend gepeins, waar zij maar
met
moeite uitgehaald kan worden.
Door
een
uiterst
ongelukkige samenloop van omstandigheden zou er in dit huis een
groot diner gegeven worden, net op dag dat de hele mensenfamilie,
waaronder de
genode gasten, werden ontboden in onbekende regionen van de oneindige
ruimte.
Op het moment dat het lot toesloeg, was de tafel al gedekt en stond het
gezelschap op het punt te gaan zitten. Adam en Eva treffen ongenood het
feestmaal aan; het is nu al enige tijd koud, maar anders had het hen
voorzien
van de meest uitgelezen voorbeelden van de kookkunst van hun
voorgangers. Maar
de verwarring van het onbevangen stel valt moeilijk voor te stellen,
als ze proberen
geschikt voedsel te vinden voor hun eerste maaltijd, op een tafel waar
de
verfijnde smaak van een chique gezelschap gestreeld moest worden. Zal
de Natuur
hen het geheim onthullen van een bord schildpaddensoep? Zal zij hen
aanmoedigen
aan te vallen op een stuk wildbraad? Zal zij hen inwijden in het
verdienstelijke van een Parijse pastei, geďmporteerd door de laatste
stoomboot
die de Atlantische Oceaan nog overstak? Zal zij hen niet eerder smeken
zich met
weerzin af te wenden van die vis, gevogelte en vlees die in hun
neusgaten
walmen met een weerzinwekkende geur van dood en verderf? — Voedsel? De
menukaart bevat niets dat zij als zodanig herkennen. Gelukkig staat er
wel een
nagerecht op een belendende tafel.
Adam,
wiens
eetlust
en dierlijke instincten sneller werken dan die van Eva, ontdekt
dat geschikte feestmaal.
“Hier,
liefste
Eva,”
roept hij uit, — “hier is eten.”
“Nou
ja,”
antwoordde
ze, met het beginnetje van de huisvrouw die zich in haar
roerde, “we zijn vandaag zo druk geweest, dat zo’n geplukt diner vast
zal
smaken.”
Dus
loopt Eva naar de tafel toe en krijgt uit handen van haar echtgenoot
een
roodgewangde appel, als vergelding voor de noodlottige gift van haar
voorgangster aan onze gemeenschappelijke voorvader. Ze eet het zonder
zonde op
en, laten we hopen, zonder rampzalige gevolgen voor haar toekomstige
nageslacht. Ze verorberen een rijkelijke, maar bescheiden hoeveelheid
fruit,
dat, hoewel niet verzameld in het Paradijs, toch rechtmatig ontleend is
aan de
zaden die daar geplant werden. Hun eerste honger is gestild.
“Wat
zullen
we
drinken, Eva?” vraagt Adam.
Eva
kijkt naar wat flessen en karaffen, waarvan ze, omdat ze vloeistoffen
bevatten,
vanzelfsprekend aanneemt dat ze wel geschikt moeten zijn om de dorst te
lessen.
Maar nooit eerder heeft rode en witte wijn en Madeira, met een rijk en
zeldzaam
boeket, zoveel walging opgewekt als nu.
"Bah!"
roept
ze
uit, na aan verschillende wijnen geroken te hebben. “Wat is dat voor
spul? De wezens die ons voorgegaan zijn kunnen niet dezelfde aard gehad
hebben
als wij; want noch hun honger, noch hun dorst waren als die van ons.”
“Geef
me
die
fles daar alsjeblieft aan, “zegt Adam. “Als het voor enig soort
sterveling drinkbaar is geweest, kan ik daar vast mijn keel mee
bevochtigen.”
Na
wat tegenstribbelen, pakt ze een fles champagne, maar schrikt van het
plotselinge ploffen van de kurk, en laat hem op de grand vallen. Daar
stroomde
de onaangeroerde drank bruisend weg. Hadden ze zich er wel aan te
buiten
gegaan, dan zouden zij dat kortdurende delirium hebben meegemaakt,
waarmee de
mens, geprikkeld door of morele of lichamelijke oorzaken, zich
probeerde
schadeloos te stellen voor de rustige, levenslange genietingen die hij
was
kwijtgeraakt door zijn in opstand komen tegen de natuur. Ten slotte
vindt Eva
in een koelkast een glazen kruik met water, zuiver, koud en helder, dat
ooit in
de heuvels uit een bron stroomde. Beiden drinken en het geeft zo’n
verfrissing
dat zij zich afvragen of deze kostelijke drank niet dezelfde is als de
levensstroom binnenin hen.
“En
nu,” merkt Adam op, “moeten we proberen te ontdekken wat voor wereld
dit is en
waarom wij hier naartoe zijn gestuurd.”
“Waarom?
om
elkaar
lief te hebben,” roept Eva uit. “is dat niet genoeg?”
“Dat
is
waar,”
antwoordt Adam en kust haar; “maar toch — ik weet het niet — is
er
iets dat ons zegt dat er iets gedaan moet worden. Misschien is de ons
toebedeelde taak niets anders dan de lucht in te klimmen, die zoveel
mooier is
dan de aarde.”
“Dan
zouden
wij
daar nu moeten zijn,” mompelt Eva, “zodat er geen taak of plicht
meer tussen ons zou kunnen komen!”
Zij
verlaten het gastvrije huis en wij zien hen vervolgens de State Street
oversteken. De klok op het Statengebouw wijst twaalf uur ’s middags, de
tijd
waarop de Beurs op zijn drukst en het levendigste toonbeeld zou moeten
zijn van
wat, voor een grote menigte van voormalige wereldburgers, de enige
bezigheid in
het leven was. Dat is nu voorbij. De sabbat van de eeuwigheid heeft
haar stilte
over de straat uitgegoten. Zelfs geen krantenjongen bestormt de twee
eenzame
voorbijgangers met een extra dubbeltjeskrant van de Times of Mail, met
het
volledige verslag van de vreselijke ramp van gisteren. Van alle saaie
tijden
die handelaren en speculanten hebben gekend, is dit de ergste; want
voor zover
zij daarbij waren betrokken, heeft de schepping zelf de vrijheid
genomen hen
bankroet te verklaren. Eigenlijk jammer. Die machtige kapitalisten, die
net hun
felbegeerde rijkdom hadden verworven! Die sluwe handelslieden die
zovele jaren
gewijd hadden aan de meest ingewikkelde en kunstmatige van alle
wetenschappen, en
die net onder de knie hadden toen het wereldwijde bankroet werd
aangekondigd
door trompetgeschal! Zouden zij zo onvoorzichtig zijn geweest zich geen
valuta aan
te schaffen van het land waar ze naartoe zijn gegaan, wissels en
kredietbrieven
van de noodlijdenden voor de boekhouders van de hemel?
Adam
en
Eva
lopen een Bank binnen. Schrik niet, gij die uw kapitaal hier in
bewaring
hebt gegeven! Nooit meer zult gij het nodig hebben. Roep de politie
niet. Voor
dit eenvoudige stel zijn straatstenen en het geld in de bankkluizen
evenveel
waard. Een merkwaardig gezicht! Ze pakken handenvol glanzend goud op en
gooien
dat speels in de lucht, alleen maar om de blikkerende waardeloosheid
als een
regenbui neer te zien kletteren. Ze weten niet dat elk van die kleine
gelen
rondjes ooit iets betoverends had, in staat om het hart van de mensen
te
beheersen en hun moraal te misleiden. Ze mogen hier bijkomen van het
onderzoek
van het verleden. Ze hebben de drijvende kracht ontdekt, het leven, het
wezen
van het systeem dat zich ingedrongen had in de levenskracht van de
mensheid en in
zijn dodelijke greep haar oorspronkelijke natuur had gesmoord. Maar hoe
machteloos staat die tegenover deze jonge erfgenamen van de opgepotte
aardse
rijkdom! Hier liggen ook enorme stapels bankbiljetten, die
gelukbrengende
papiertjes die ooit in staat waren luchtkastelen te bouwen en allerlei
hachelijke wonderen tot stand te brengen, maar zelf slechts de geest
van het
geld waren, de schaduw van een schaduw. Hoezeer lijkt die kluis op de
grot van
de tovenaar, als zijn almachtige toverstaf is geknakt, de denkbeeldige
pracht
is verdwenen en de vloer bezaaid ligt met brokstukken van vergruizelde
toverspreuken
en ooit door demonen bezielde levenloze dingen!
“Overal,
mijn
lieve
Eva,” merkt Adam op, “vinden we allerlei hopen troep. Ik ben
ervan
overtuigd dat iemand moeite heeft gedaan om die dingen te verzamelen,
maar
waarom? Misschien zullen we later wel hetzelfde gaan doen. Zou dat dan
onze
bezigheid in de wereld moeten zijn?”
“O
nee, nee, Adam!” antwoordt Eva. “We zouden beter rustig kunnen gaan
zitten en
omhoog kijken naar de lucht.” Net op tijd verlaten ze de Bank; want als
ze
getreuzeld hadden zouden ze misschien een oude jichtige kwelgeest tegen
het
lijf gelopen zijn van een kapitalist, wiens ziel met haar schatten
nergens
anders kon zijn dan in de kluis.
Vervolgens
treffen
wij
hen aan in een juwelierswinkel. Ze genieten van de schittering van
de edelstenen. Adam hangt een prachtig parelsnoer rond de hals van Eva
en maakt
zijn eigen mantel dicht met een fonkelende diamanten broche. Eva
bedankt hem en
kijkt stralend naar zichzelf in de dichtstbijzijnde spiegel. Even
daarna ziet
ze een boeket rozen en andere prachtige bloemen in een vaas met water
staan; ze
gooit de kostbare parels weg en versiert zichzelf met deze nog mooiere
edelstenen van de natuur. Zij bekoren haar zowel door het gevoel, als
door hun
schoonheid.
“Het
zijn
vast
levende wezens,” merkt ze op tegen Adam.
“Ik
denk het ook,” antwoordt Adam, “en het lijkt alsof zij zich evenmin in
deze
wereld thuisvoelen als wij zelf.”
We
moeten
niet proberen elke voetstap te volgen van deze onderzoekers, die van de
Schepper de opdracht hebben gekregen onbewust een oordeel te vellen
over het
doen en laten van de verdwenen mensheid. Snel en nauwkeurig van begrip,
beginnen ze langzamerhand de bedoeling van veel dingen rond hen te
bevatten.
Zij vermoeden bijvoorbeeld dat de gebouwen van de stad niet
rechtstreeks opgetrokken
zijn door de hand die de wereld gemaakt heeft, maar als beschutting en
voor het
gemak, door mensen die enigszins op henzelf leken. Maar hoe moeten ze
pracht
van de ene woning verklaren, tegenover de smerige ellende van een
andere? Op
wat voor manier kan het idee van slaafsheid tot hen doordringen?
Wanneer zullen
zij het belangrijke en rampzalige feit begrijpen — waarvan de bewijzen
zich
overal aan hun zintuigen opdringen — dat het ene deel van de verdwenen
aardbewoners zich wentelde in weelde, terwijl de meerderheid ploeterde
voor wat
karig voedsel? Eerst moet zich daadwerkelijk een tragische verandering
in hun
geest voltrekken, voordat ze kunnen begrijpen dat het eerste gebod van
Liefde al
zolang geleden al is afgeschaft, zodat de ene broeder altijd wilde
hebben wat
de andere broeder had. Als zij tot dat inzicht gekomen zullen zijn, zal
dit
nieuwe nageslacht van de Aarde weinig redenen hebben om te juichen over
het
oude, verworpen geslacht.

Hun zwerftocht heeft hen nu naar de
buitenwijken van de stad gevoerd. Ze staan op een grazige helling van
een
heuvel, aan de voet van een granieten obelisk, die met haar grote
vinger omhoog
wijst, alsof de mensenfamilie had afgesproken, door middel van een,
eeuwenlang
de tijd trotserend, zichtbaar symbool, een bepaald dankoffer of
smeekbede te
brengen. De plechtstatige hoogte van het monument, zijn grote eenvoud,
en de
afwezigheid van enig alledaags en praktisch nut, versterken de indruk
die het
maakt op Adam en Eva en zorgen ervoor dat zij het met een zuiverder
gevoel
interpreteren, dan de gedachte die bouwers daarmee tot uitdrukking
brachten.
“Eva,
dat
is
een zichtbaar gebed,” merkt Adam op.
“Laten
we
ook
bidden,” antwoordt ze.
Wij
zullen het deze arme, vader- en moederloze kinderen, vergeven dat zij
zich zo vreselijk
vergist hebben in de betekenis van het gedenkteken, dat door de man
opgericht
en door de vrouw voltooid werd, op de wijd en zijd befaamde Bunker
Hill. Ook het
idee oorlog is hen niet aangeboren. Zij hebben geen waardering voor de
dappere
verdedigers van de vrijheid, omdat onderdrukking ook een van hun
onvermoede
geheimen is. Als ze zouden weten dat het groene grasveld waar zij nu zo
vredig
op staan, ooit bezaaid lag met lijken en rood van hun bloed was, zou
het hen bovendien
verbazen dat de ene mensengeneratie zo’n slachting kan aanrichten en
dat de
volgende generatie dat triomfantelijk herdenkt.
Met
een gevoel van verrukking slenteren ze over de groene velden en langs
de oever
van een kabbelende rivier. Niet om ze te dicht op de voet te volgen,
maar nu
treffen we de zwervers aan terwijl ze een uit grijze stenen opgetrokken
Gotisch
gebouw zien binnengaan, waar de voorbije wereld alles heeft
achtergelaten wat
zij de moeit waard vond om op te schrijven, de uitgebreide bibliotheek
van de
Harvard-universiteit. Geen enkele student heeft ooit zo’n verlatenheid
en
stilte geproefd dan die nu heersen in haar diepe nissen. De huidige
bezoekers
begrijpen maar weinig van de mogelijkheden die hen in de schoot
geworpen
worden. Toch kijkt Adam angstig naar de lange rijen boeken, de
opgetekende
geschiedenis van de hoogtepunten van de menselijke overlevering, boven
elkaar,
van grond tot plafond. Hij pakt een lijvig boekwerk. Het valt open in
zijn
handen, alsof het uit zichzelf de geest van de schrijver kenbaar wil
maken aan
het nog niet aangetaste en onbedorven verstand van de net geschapen
sterveling.
Aandachtig bestudeert hij de regelmatige kolommen met mystieke tekens,
alsof
hij zich in een leergierig bui bevindt; want de onbegrijpelijke inhoud
van de
bladzijde maakt op een geheimzinnige manier contact met zijn geest, en
geeft
hem het gevoel alsof er een grote last op zijn schouders is geworpen.
Het
brengt hem vreselijk in verwarring en tevergeefs probeert hij er iets
van te
begrijpen. O Adam, het is nog te vroeg, te vroeg om na minstens
vijfduizend
jaar, een bril op te zetten en jezelf te begraven in de nissen van een
bibliotheek!”
“Wat
kan
dit
nu zijn,” mompelt hij ten slotte. “Eva, volgens mij is het niet zo
verstandig
om het geheim te ontdekken van dit grote en zware ding, met zijn
duizenden
kleine onderdeeltjes. Kijk! het staart me aan, alsof het op het punt
staat iets
te zeggen!”
Uit
een vrouwelijk instinct bladert Eva vluchtig in een bundel populaire
gedichten,
vast het werk van de gelukkigste aller aardse dichters, want zijn
balladen zijn
nog in zwang, terwijl alle grote lyrische meesters in vergetelheid zijn
geraakt. Maar zijn geest moet niet te hard juichen! De enige vrouw ter
wereld
smijt het boek op de grond en lacht vrolijk om de verstrooide
gelaatsuitdrukking van haar echtgenoot.
“Mijn
beste
Adam,”
roept ze, “wat zie je er treurig en ellendig uit. Gooi dat
stomme
ding weg; want zelfs als het zou spreken, zou het toch niet de moeite
waard
zijn. Laten we met elkaar praten en met de lucht, de groene aarde en
haar bomen
en bloemen. Zij zullen ons zinnigere kennis bijbrengen dan wij hier
kunnen
vinden.”
“Goed,
Eva,
misschien
heb je gelijk,” antwoordt Adam, met een soort zucht. “Toch
kan
ik het niet uit mijn hoofd zetten dat de verklaring van de raadsels
waar wij de
hele dag tussendoor gelopen zijn, hier gevonden zou kunnen worden.”
“Misschien
is
het
beter geen verklaring te zoeken,” dringt Eva aan. “Wat mij betreft
bevalt
de sfeer van die plek mij niet. Als je van me houdt, ga dan mee
hiervandaan!”
Ze
weet hem te overreden en redt hem van de geheimzinnige gevaren van de
bibliotheek. De heilzame invloed van de vrouw! Als hij lang genoeg
gebleven
was, een lijn had kunnen ontdekken in de schatten van de bibliotheek, —
wat
niet onmogelijk was, gezien het feit dat zijn verstand een menselijke
structuur
had, maar nog wel met een rechtstreekse kernachtigheid en
scherpzinnigheid, —
en op dat moment daar onderzoeker geworden was, zou kroniekschrijver
van onze
arme wereld weldra de val van een tweede Adam opgetekend hebben. Er zou
dan
opnieuw van de Boom der Kennis een noodlottige appel gegeten zijn. Alle
misvattingen, bedrieglijke redeneringen en schijnwijsheid die zo goed
de ware
wijsheid nabootst, — die hele bekrompen waarheid, die zo vooringenomen
is dat
ze nog bedrieglijker is dan onwaarheid, — alle onjuist principes en nog
onjuistere praktijken, de verderfelijke voorbeelden en verkeerde regels
van het
leven, — alle schoonschijnende theorieën, die van de aarde een
schimmenrijk
maken en van mensen schaduwen, — al die tragische ervaringen die de
mensheid
eeuwenlang heeft opgehoopt, en waaruit ze nooit een les voor de
toekomst heeft
getrokken, de hele rampzalige berg overgeleverde kennis, die in een
keer op
Adams hoofd zou zijn uitgestort. Hij had dan alleen nog maar het al
mislukte
experiment van het leven kunnen oppakken, waar hij het had laten vallen
en
daarmee een stukje verder kunnen ploeteren.
Maar
gelukkig
in
zijn onwetendheid, kan hij in onze uitgeleefde wereld nog steeds
genieten van de nieuwe wereld. Zou hij tekort schieten in het goede,
zelfs zo
erg als wij dat hebben gedaan, dan zou hij toch nog de — geen
onbelangrijke — vrijheid
hebben om zelf fouten te maken. En zijn literatuur zal, wanneer de loop
der
eeuwen die zal scheppen, geen eindeloos herhaalde echo zijn van onze
eigen
dichtkunst en de door onze meesters in lied en verbeelding
voorgebrachte
beelden, maar een op aarde nog nooit eerder vernomen melodie en niet
door onze
opvattingen bezoedelde, begrijpelijke vormen. Laat het stof zich dus
maar
ophopen op de boeken van de bibliotheek; op zeker moment zal het dak
van het
gebouw dan in brokstukken op het geheel neervallen. Als de nakomelingen
van de
tweede Adam zelf evenveel rotzooi verzameld zullen hebben, zal er nog
tijd
genoeg zijn om in onze bouwvallen te graven en de literaire vorderingen
van de
twee onafhankelijke mensheden met elkaar te vergelijken.
Maar
we
kijken
te ver vooruit. Dat is kennelijk de gewoonte van mensen die een
lang
verleden hebben. We keren nu terug naar de nieuwe Adam en Eva, die,
omdat ze
maar vage herinneringen en vluchtige visioenen hebben van een eerder
bestaan,
blij zijn dat ze leven en gelukkig zijn in het heden.
De
dag loopt vrijwel ten einde als deze pelgrims, die aan geen enkele dode
voorouder hun bestaan ontlenen, de begraafplaats van Mount Auburn
bereiken. Lichthartig
— want hemel en aarde hadden elkaar verblijd met schoonheid — lopen ze
langs de
kronkelende paden, marmeren zuilen, namaaktempels, urnen, obelisken en
sarcofagen, soms halthoudend om te mijmeren over deze fantasieën van de
menselijke groei, en soms om de bloemen te bewonderen, waarmee de
natuur verval
in schoonheid verandert. Kan de Dood hen, te midden van zijn oude
overwinningen, duidelijk maken dat ze de zware last van de
sterfelijkheid op
zich genomen hebben, die een hele mensheid van zich afgeworpen had?
Stof als
het hunne heeft nooit in het graf gelegen. Zullen zij dan, — en al zo
snel, —begrijpen
dat Tijd en elementen een onvervreemdbare aanspraak maken op hun
lichaam? Dat
is niet onwaarschijnlijk. Er moeten voldoende schaduwen geweest zijn,
zelfs
tijdens de eerste zonnestralen van hun bestaan, die het vermoeden
wekken van
het onverenigbare van hun ziel met haar omstandigheden. Ze hebben al
geleerd
dat er iets buitengesloten moet worden. Het idee Dood is al in hen
aanwezig, of
niet ver meer weg. Maar als ze voor hem een zinnebeeld zouden moeten
bedenken,
zou het een omhoog fladderende vlinder zijn, de hen hemelwaarts
wenkende
stralende engel, of het slapende kind, met zoete dromen, zichtbaar door
zijn
doorschijnende zuiverheid heen.
Zo’n
kind,
in
het blankste marmer, hebben ze gevonden tussen de grafmonumenten op
Mount Auburn.
“Liefste
Eva,”
zegt
Adam, terwijl zij hand in hand dit prachtige beeld gadeslaan,
“ginds
heeft de zon ons verlaten en de hele wereld vervaagt voor onze ogen.
Laten we
gaan slapen, zoals dat prachtige beeldje slaapt. Alleen onze Vader weet
welke
uiterlijke dingen die wij vandaag bezeten hebben, ons weer voor altijd
ontnomen
zullen worden. Maar als ons aardse leven ons samen met het verdwijnende
licht
zal verlaten, zal een nieuwe dageraad ons ongetwijfeld aantreffen,
verscholen
achter Gods glimlach. Ik voel dat Hij te kennen heeft gegeven dat de
zegen van
het bestaan nooit weer zal terugkeren.”
“En
het maakt niet uit waar we zijn,” antwoordt Eva, “want we zullen toch
altijd
samen zijn.”
* * *
|