|
Ted Kaczynski De Waarheid Over Het Primitieve Leven: Een Kritische Beschouwing Over Het Anarchoprimitivisme
Geschreven in de gevangenis 2008
INLEIDING: Ted Kaczynski, de Unabomber, werd in 1996 gearresteerd en in 1998 tot levenslang veroordeeld. En in zijn gevangenschap schrijft hij en correspondeert met honderden mensen buiten de gevangenis. Zijn bomaanslagen, waarbij verschillende slachtoffers vielen zijn op geen enkele manier goed te praten, hoewel John F. Kennedy ooit zei: “Those who make peaceful revolution impossible make violent ones inevitable.” Dit artikel is een van zijn laatste publicaties. Hij keert zich daarin, grondig beargumenteerd, tegen de idealisering van de primitieve mens, de mythe van het anarchoprimitivisme, waarvan John Zerzan een van de protagonisten is, maar ook tegen alle utopistische stromingen, die een terug naar de natuur bepleiten, terug naar de een geïdealiseerde Gouden Tijd, naar Luilekkerland, het Land van Melk en Honing, waar niemand meer hoeft te werken, alle ellende voorbij is, nooit meer iemand ziek wordt, meesters noch knechten zijn, kortom het aardse paradijs. Zijn artikel is zeer verhelderend, niet alleen in zijn terechtwijzing van de anarchoprimitivisten, maar ook omdat hij daarin zijn eigen vooroordelen ventileert. Het lijkt zinnig om eerst een aantal door hem gebruikte termen en begrippen nader te definiëren. Anarchie: afkomstig van het Griekse αν = geen en αρχή = a) oorsprong. b) principe. c) gezag, macht. Doorgaans gebruikt in de betekenis c) en meer in het bijzonder gezag in de vorm van Staatsgezag. In ruimere zin betekent het alle vormen van gezag of macht van de ene mens over de andere, dus ook ouders over kinderen, mannen over vrouwen en omgekeerd, meesters over knechten, directeuren over werknemers, leiders over volgelingen, docenten over leerlingen, deskundigen over leken, clerus over gelovigen, kortom overal waar de een bepaalt hoe de ander moet leven, maar het geldt ook voor de macht die de mens over de natuur denkt uit te moeten oefenen. Anarchie in de ware zin des woords wil aan al die machtsverhoudingen een einde maken, de mens (dus ook het kind) zijn ware autonomie teruggeven. Alle andere vormen van zogenaamde anarchie zijn daar slechts een zwakke afspiegeling van. Een anarchist die geweld gebruikt is zoiets als een vleesetende vegetariër of een christelijke machthebber. Cultuur: alles wat niet natuur is, altijd gebaseerd op macht van de ene mens over de andere. Alles wat door de mens geproduceerd wordt, alle artefacten, zijn cultuurproducten. Een primitieve cultuur is dus ook een cultuur, een afwijking van het oorspronkelijke. En alle ziekten zijn beschavingsziekten, symptomen van de discrepantie tussen wat de mens is en zoals hij zich geleerd heeft te gedragen en te denken, tussen de onbeschaafde, de mens waar niet aan is geschaafd, de oorspronkelijke mens en de beschaafde mens. Tussen wat de mens is en wat hij denkt dat hij is, dus symptomen van zijn gespletenheid. Primitief/primitivisme: ook primitief kent verschillende betekenissen, namelijk oorspronkelijk en een vroeg stadium van ontwikkeling. Zo gezien is de jager-verzamelaar niet de oorspronkelijke mens, maar de mens die zijn oorspronkelijkheid verlaten heeft, leeft met verleden en toekomst, in hierarchische systemen leeft en zijn autonomie heft opgegeven. Waar Kaczynski en de anarchoprimitivisten dezelfde fout maken is dat ze beiden uitgaan van het na te streven ideaal van de jager-verzamelaar. Jagen houdt in dat vleeseten natuurlijk zou zijn en verzamelen dat mensen niet meer in het nu leven maar in de tijd, plannen maken, in de toekomst kijken, zich bekommeren om de dag van morgen en beide bezigheden zijn aangeleerd gedrag, dat de oorspronkelijke mens niet kent. Hoewel de bijbel een krankzinnig boek is, vol tegenstrijdigheden en geweld, staan er toch hier en daar zinnige dingen in, zoals Voltaire zei: j’ai passé ma vie à marcher sur des calloux, pour chercher parmi eux des pierres précieuses (ik heb mijn leven lang over kiezelstenen gelopen, om daartussen kostbare stenen te zoeken). In Genesis staat (1:29): “en God zei Ik geef u al het zaaddragende gewas op de gehele aarde en al het geboomte, waaraan zaaddragende vruchten zijn; het zal u tot spijze dienen.” En zo zwierf de oorspronkelijke mens over deze aarde, in gelukzaligheid genietend van wat de aarde hem in al haar overvloed bood, naakt, taalloos, schaamteloos, zorgeloos, van niemand afhankelijk, zonder ziekten en pijn, met andere woorden, onbeschaafd en cultuurloos en liet geen sporen achter. Dat dieren opgegeten konden worden, was hem volmaakt vreemd. Dat je voedsel moest verzamelen eveneens. Hij leefde zoals dat tegenwoordig zo modieus heet in het nu, in de natuur en er niet tegenover. Maar toen “at hij van de boom van kennis van goed en kwaad” (overigens fascinerend hoeveel mensen dat ‘van goed en kwaad’ vergeten!) zoals dat in de fabel heet en ging zelf bepalen wat goed en kwaad, gezond en ongezond, was en werd jager-verzamelaar, verdreef zichzelf uit zijn oorspronkelijke toestand en creëerde eigenmachtig een cultuur, kwam van kwaad tot erger en werd veeteler en landbouwer, en toen was het hek van de dam, want toe kamne de deskundigen die wisten hoe anderen moesten leven. De mens schaafde en snoeide steeds meer aan zichzelf en anderen en werd beschaafd, ging zich schamen en moest die schaamte bedekken. Vond de taal uit om bevelen te geven. Verwierf bezit en zei: “Dat is van mij.” Zoals Jean-Jacques Rousseau in zijn Vertoog over de Ongelijkheid zei: “De eerste die een stuk grond omheinde en durfde te zeggen ‘dat is van mij’, en mensen aantrof die onnozel genoeg waren om hem te geloven, was de ware grondlegger van de burgerlijke maatschappij. Wat een misdaden, oorlogen, moorden, wat een ellende en verschrikkingen was de mensheid niet gespaard gebleven als iemand toen de palen had uitgerukt of de gracht had gedempt en tot zijn medemensen had geroepen: ‘Hoed je om naar die bedrieger te luisteren; jullie zijn verloren als jullie vergeten dat de vruchten iedereen toebehoren en dat de aarde van niemand is’!” En was niet gelukkig meer, bang en onzeker, en werd steeds afhankelijker van anderen. En een van die cultuurartefacten was het libido en copuleren en orgasme een manier om even te ontsnappen aan zijn zelf gecreëerde en in stand gehouden ellende. En er kwamen kinderen die hen gelukkig moesten maken, als verzekering voor hun oude dag, waar ze van konden maken wat hen zelf niet gelukt was, die hogerop moesten komen in de hiërarchische systemen die ze zelf in het leven hadden geroepen, wat goedgepraat werd met neologismen als moederinstinct, en tegenwoordig door evolutiebiologen en –psychologen, die kennelijk zelf door hun libido worden geplaagd, geduid wordt als het instinct om “genetisch materiaal” door te geven en de soort in stand te houden en het volk gelooft dat ook nog, alsof zevenmiljard mensen hun genetisch materiaal door moeten geven en de soort in stand moeten houden! Gelukkige mensen copuleren niet en hebben ook geen kinderen nodig om hen gelukkig te maken. En zo zitten we met zijn allen nu met de ellende. Een ander punt waarin Kaczynski zich vergist is zijn aanval op het vroege christendom, als hij schrijft “Het jagende-en-verzamelende Utopia van de anarchoprimitivisten komt overeen met de Hof van Eden, waarin Adam en Eva een behaaglijk en zondeloos leven leidden.” In de Hof van Eden werd echt niet gejaagd, noch verzameld. Misschien komt dat voort uit zijn aversie tegen christenen, maar de zogenaamde christenen hebben, behalve hun mooie woorden, helemaal niets met het Evangelie te maken, want “gesteld dat een Marsbewoner onze wereld kon bezoeken, dan zou hij zich in stomme verbazing afvragen hoe het mogelijk is dat men b.v. de Rooms-Katholieke kerk in verband weet te brengen met het Nieuwe Testament” (W.F. Hermans, in Mandarijnen op Zwavelzuur, p. 133). Voor wie dit allemaal onzinnig in de oren klinkt, utopisch en onbereikbaar, die is zijn kindertijd vergeten, heeft zijn verleden geidealiseerd, het kind in zich vermoord en gelooft bizarre hersenspinsels, die door anderen bedacht zijn. In de kleine kinderen om ons heen zien wij de oorspronkelijke mens, de taalloze, cultuurloze, schaamteloze en onbevangen mens. En wie zegt dat de mens zulke prachtige dingen gewrocht heeft, moet ook niet zeuren als hij bijvoorbeeld kanker krijgt, want dat is gewoon de andere kant van die zelf gecreëerde medaille. Is er dan een weg terug? Natuurlijk wel! Zoals Heraclitus zei: ὁδὸς ἂνω κάτω μία καὶ ὡυτή, de weg op en neer is één en dezelfde. En de primitieven? Die zijn slechts een baken op onze weg terug naar huis. Is dan alles tevergeefs geweest? Ja, helaas wel, want tot nu toe heeft de mens er nooit iets van geleerd.
Slagveld de Wereld. 1000 Jaar oorlog in 5 minuten door Jordi Colomer Matutano
DE VOORUITGANG?
MOET DEZE ‘BESCHAVING’ GERED WORDEN?
(Filmpje niet zichtbaar? Dan moet je waarschijnlijk Adobe Flash Player nog installeren) En dan te bedenken dat al die oorlogen slechts de resultante zijn geweest van alle ruzies en onenigheden van de mensen onderling en uiteindelijk van de onvrede (wat een eufemisme!) van de mens met zichzelf, dé voorwaarde voor welke cultuur dan ook. Als dat aangegeven was in het filmpje zou de hele bewoonde aarde al millenia-lang overal gloeien als een ondergrondse veenbrand, die slechts oplaait in oorlogen.
Inhoud
Slotopmerking
Werken, alfabetisch
gerangschikt naar achternaam van de schrijver
1. Tijdens het voortschrijden van de Industriële Revolutie schiep de hedendaagse maatschappij voor zichzelf een zelfgenoegzame mythe, de “vooruitgangsmythe.” Vanaf de tijd van onze verre, aapachtige voorouders, was de menselijke geschiedenis een ononderbroken opmars geweest naar een betere en stralendere toekomst, waarbij iedereen vreugdevol elke nieuwe technologische vooruitgang verwelkomde: veeteelt, landbouw, het wiel, stedenbouw, uitvinding van schrift en geld, zeilschepen, het kompas, buskruit, drukpers, stoommachine en tot slot de kroon op de menselijke inspanningen: de moderne industriële maatschappij! Voorafgaande aan de industrialisatie was vrijwel iedereen gedoemd tot een ellendig leven met onophoudelijke, slopende arbeid, ziekten door slechte voeding en een voortijdige dood. Mogen wij ons dan niet gelukkig prijzen dat we in deze tijd leven en over een zee aan vrije tijd en een scala aan technologische gemakken beschikken, die ons leven vergemakkelijken? Ik denk dat er tegenwoordig maar weinig weldenkende, oprechte en goed ingelichte mensen zijn die nog steeds in deze mythe geloven. Om je geloof in “vooruitgang” te verliezen hoef je alleen maar om je heen te kijken en de verwoesting te aanschouwen van ons milieu, de verspreiding van kernwapens, het buitensporig grote aantal depressies, angststoornissen, de geestelijke armoede van een maatschappij die zich hoofdzakelijk voedt met televisie en computerspelletjes…. en ga zo maar door.
De vooruitgangsmythe is misschien nog niet helemaal, maar wel op sterven na dood. In haar plaats is een andere mythe in opkomst, een mythe die vooral gepropageerd wordt door de anarchoprimitivisten, hoewel die eveneens in andere kringen wijdverbreid is. Volgens die mythe hoefde vóór de opkomst van de beschaving nooit iemand te werken, plukten de mensen gewoon hun voedsel van de bomen, propten het in hun mond en brachten de rest van hun tijd, samen met de bloemenkinderen, door met zakdoek-leggen-niemand-zeggen. Mannen en vrouwen waren gelijk, ziekten bestonden niet, er was geen rivaliteit, geen racisme, seksisme of homofobie; de mensen leefden in harmonie met de dieren en er was alleen maar liefde, samen delen en samen werken.
Toegegeven, het voorgaande is een karikatuur van de visie van de anarchoprimitivisten. De meesten van hen hebben — hoop ik — het contact met de werkelijkheid niet zó zeer verloren. Toch zijn ze dat contact redelijk kwijt en is het hoog tijd dat iemand hun mythe ontmaskert. Omdat dat de opzet van dit artikel is, zal ik hier weinig zeggen over de positieve aspecten van primitieve gemeenschappen. Ik wil echter wel duidelijk maken dat er over dergelijke gemeenschappen eigenlijk heel wat positiefs gezegd kan worden. Met andere woorden, de anarchoprimitivistische mythe is niet voor honderd procent een mythe; er kleven wat aspecten van de werkelijkheid aan.
2. Laten we beginnen met het begrip “oorspronkelijke overvloed.” Onder de anarchoprimitivisten lijkt het een geloofsartikel te zijn dat onze jagende-en-verzamelende voorouders per dag gemiddeld maar twee tot drie uur — of twee tot vier uur, omdat de gegeven getallen uiteenlopen — hoefden te werken, maar het aangegeven maximum bedraagt nooit meer dan vier uur per dag, of 28 uur per week (gemiddeld). 1 Mensen die deze getallen leveren geven doorgaans niet precies aan wat zij onder werk verstaan, maar de lezer moet maar aannemen dat het alle activiteiten omvat die noodzakelijk zijn om het hoofd te bieden aan de eisen, die de manier van leven van de jager-verzamelaar hem stelt.
Kenmerkend
is dat anarchoprimitivisten gewoonlijk verzuimen de bron aan te geven voor deze
vermeende informatie, maar die schijnt hoofdzakelijk ontleend te zijn aan twee
essays, een van Marshall Sahlins (The Original Affluent Society 2),
en het andere van Bob Black (Primitive Affluence 3). Sahlins
beweerde dat voor de Bosjesmannen uit het Dobe-gebied in Zuid-Afrika de “werkweek
ongeveer 15 uur bedroeg.” 4 Voor deze informatie beriep hij zich op
het onderzoek van Richard B. Lee. Ik heb niet rechtstreeks toegang tot de werken
van Lee, maar beschik wel over een kopie van een artikel van Elisabeth Cashdan,
waarin ze de resultaten van Lee zorgvuldiger en completer samenvat dan Sahlins.
5 Cashdan spreekt Sahlins ronduit tegen: Volgens haar stelde Lee vast
dat de Bosjesmannen die hij bestudeerde meer dan veertig uur per week werkten. 6
In
een gedeelte van zijn essay, dat veel anarchoprimitivisten gemakshalve over het
hoofd hebben gezien, onderschrijft Bob Black die veertigurige werkweek en geeft
een verklaring voor voorgaande tegenstrijdigheid: Sahlins liet zich leiden door
eerder werk van Lee dat alleen rekening hield met de aan jagen en verzamelen
bestede tijd. Als alle noodzakelijke arbeid in aanmerking werd genomen werd de
werkweek meer dan verdubbeld. 7 Het werk, dat door Sahlins en de anarchoprimitivisten buiten beschouwing werd gelaten, omvatte waarschijnlijk het onaangenaamste deel van de werkweek van de Bosjesmannen, omdat het grotendeels bestond uit het bereiden van voedsel en verzamelen van brandhout.8 Ik spreek uit uitgebreide persoonlijke ervaring met voedsel uit het wild: het bereiden van dat soort voedsel is heel vaak strontvervelend. Het is veel leuker om noten te verzamelen, wortels uit te graven of te jagen dan noten kraken, wortels schoon te maken of dieren te villen en te slachten, dan brandhout verzamelen en boven een open vuur koken.
De anarchoprimitivisten
vergissen zich ook als ze denken dat de bevindingen van Lee toegepast kunnen
worden op jager-verzamelaars in het algemeen. Het is zelfs niet duidelijk of
die bevindingen gedurende het hele jaar toepasbaar zijn op de door Lee
bestudeerde Bosjesmannen. Cashdan citeert bewijsmateriaal waaruit blijkt dat
het onderzoek van Lee mogelijk verricht is in de tijd van het jaar dat zijn
Bosjesmannen het minst werkten. 9 Ze maakt ook melding van twee
andere jagende-en-verzamelende volkeren waarvan kwantitatief is aangetoond dat
ze veel meer tijd besteedden aan jagen en verzamelen dan de Bosjesmannen van
Lee, 10 en wijst erop dat Lee waarschijnlijk een veel te lage
schatting heeft gemaakt van de werktijd van de vrouwen, omdat hij de tijd die besteed
werd aan de zorg voor de kinderen buiten beschouwing heeft gelaten. 11
Ik ben niet bekend met enig ander zorgvuldig kwantitatief onderzoek naar de werktijd van jager-verzamelaars, maar het staat vast dat sommige jager-verzamelaars in ieder geval heel wat langer werkten dan de veertigurige week van Lee’s Bosjesmannen. Gontran de Poncins verklaarde dat de Eskimo’s bij wie hij rond 1939-1940 verbleef, “over een onbeduidende hoeveelheid vrije tijd beschikten,” en “per dag vijftien uur slaafden en zwoegden, louter om voedsel te bemachtigen om te overleven.” 12 Waarschijnlijk bedoelde hij niet dat ze elke dag vijftien uur werkten, maar uit zijn verslag blijkt duidelijk dat zijn Eskimo’s heel hard werkten.
Bij
de voornamelijk door Paul Schebesta bestudeerde Mbuti-pygmeeën duurden de
verzameltochten door de vrouwen in het oerwoud — als ze er niet in slaagden een
hoeveelheid fruit en groenten te bemachtigen bij hun dorpbewonende buren —,
tussen de vijf en zes uur. Afgezien van het verzamelen van voedsel, hadden de
vrouwen nog een aanzienlijke hoeveelheid bijkomend werk te doen. Een vrouw
moest bijvoorbeeld elke middag naar het oerwoud en keerde dan hijgend en gebukt
onder een enorme lading brandhout terug naar het kamp. De vrouwen werkten veel
meer dan de mannen, maar uit het verslag van Schebesta blijkt duidelijk dat de
mannen toch veel langer werkten dan de drie of vier uur per dag, zoals de
anarchoprimitivisten beweren.13 Colin Turnbull bestudeerde de Mbuti-pygmeeën
die met netten werkten. Dankzij het voordeel dat de netten hen opleverden,
hoefden deze Mbuti maar ongeveer twintig uur per week te jagen. Maar voor hen
gold dat “het vervaardigen van netten in feite een volledige dagtaak
is….waarbij zowel mannen als vrouwen betrokken zijn, als ze ook maar even niets
te doen hebben en over de daarvoor benodigde vaardigheid beschikken.” 14
De Siriono, die in een tropisch oerwoud in Bolivia leefden, waren geen zuivere
jager-verzamelaars, aangezien ze in beperkte mate en in bepaalde tijden van het
jaar gewassen kweekten. Maar ze leefden hoofdzakelijk van jagen en verzamelen. 15
Volgens de antropoloog Holmberg gingen de Siriono-mannen gemiddeld om de dag op
jacht. 16 Ze vertrokken bij het aanbreken van de dag en keerden
meestal terug tussen vier en zes uur ‘s middags. 17 Dat betekent
gemiddeld minstens elf uur jagen en met drie-en-een-halve dag per week komt dat
neer op ten minste 18 uur jagen per week. Omdat de mannen ook nog, op dagen
waarop ze niet op jacht gingen 18 een aanzienlijk hoeveelheid werk
verrichtten, bedroeg hun werkweek, gemiddeld over het jaar, veel meer dan 40
uur. En daarvan werd maar weinig besteed aan het bebouwen van de grond. 19
Holmberg schatte dat de Siriono in feite ongeveer de helft van hun actieve
leven besteedden aan jagen en verzamelen, 20 wat, voor alleen die
bezigheden, ruwweg 56 uur per week zou betekenen. Als het andere werk daarbij
opgeteld wordt, zou de werkweek veel meer dan 60 uur geweest zijn. De
Siriono-vrouw “geniet zelfs nog minder respijt van het werk dan haar
echtgenoot,” en “de verplichting om haar kinderen groot te brengen laat haar
weinig tijd voor rust.” 21 Holmbergs boek bevat nog veel meer
aanwijzingen over hoe hard de Siriono moesten werken. 22 In ‘The Original Affluent Society geeft Sahlins, in aanvulling op de Bosjesmannen van Lee, nog andere voorbeelden van jagende-en-verzamelende volkeren, die kennelijk weinig uren werkten, maar levert in de meeste van die gevallen geen kwantitatieve schatting van de werktijden, of alleen maar van de aan jagen en verzamelen bestede tijd. Als de Bosjesmannen van Lee als leidraad genomen worden, zou dat ruim onder de helft van de totale gewerkte tijd vallen. 23 Maar Sahlins geeft voor twee groepen Australische Aboriginals wel een kwantitatieve schatting van de aan “jagen, verzamelen van planten, voedselbereiding en het repareren van wapens bestede tijd.” In de eerste groep bedroeg de tijd die wekelijks door elke werker besteed werd aan die bezigheden gemiddeld 26½ uur; in de tweede groep ongeveer 36 uur. Maar daaronder viel niet alle werk; het zegt bijvoorbeeld niets over de tijd die besteed werd aan de zorg voor de kinderen, het verzamelen van brandhout, verplaatsen van het kamp of vervaardigen en repareren van andere werktuigen dan wapens. Als alle noodzakelijke werk meegerekend zou worden, zou de werkweek van de tweede groep zonder twijfel meer dan 40 uur zijn. De werktijd van de eerste groep geldt niet voor die van een normale jager-verzamelaarsgroep, omdat de eerste groep geen kinderen hoefde te voeden. Bovendien trekt Sahlins zelf de geldigheid in twijfel van de uit deze gegevens getrokken conclusies. 24 Maar zelfs als er incidentele voorbeelden gevonden zouden kunnen worden van jagende-en-verzamelende volkeren, waarvan de totale werktijd maar drie uur per dag bedraagt, zou dat natuurlijk weinig uitmaken voor onze opzet, omdat het er ons hier niet gaat om uitzonderlijke gevallen, maar om de kenmerkende werktijd van jager-verzamelaars. Wat de werkuren van de jager-verzamelaars ook geweest mogen zijn, veel van hun werk was lichamelijk zeer vermoeiend. Kenmerkend voor Siriono-mannen was dat ze tijdens hun jachttochten ongeveer vijftien mijl per dag aflegden en soms zelfs veertig mijl. 25 Het lopen van dat soort afstanden in een ongebaande wildernis 26 vereist veel meer inspanning dan dezelfde afstand over een weg of gebaand pad.
“Bij het lopen en rennen
door moeras en jungle wordt de naakte jager blootgesteld aan doornen, stekels
en lastige insecten…. Terwijl het zoeken naar voedsel duidelijk lonend is,
omdat het voedsel om te overleven uiteindelijk altijd wordt bemachtigd, is het
ook altijd een straf vanwege de vermoeidheid en inspanningen, die
onvermijdelijk gepaard gaan met jagen, vissen en voedsel verzamelen.” 27
“Door te jagen verdrijven mannen vaak hun boosheid op anderen….Zelfs als ze
niets doden keren ze niet langer boos terug naar huis. ”28 Voor de Siriono kon zelfs het plukken van wilde vruchten gevaarlijk zijn 29 en een aanzienlijke hoeveelheid werk vereisen. 30 31 De Siriono maakten weinig gebruik van wilde wortels, 32 maar het is algemeen bekend dat veel jager-verzamelaars zeer afhankelijk waren van wortels als voedsel. Gewoonlijk is het verzamelen van eetbare wortels in de wildernis niet zoiets als wortels trekken uit de zachte, bewerkte grond in een tuin. De grond is daar hard, of bedekt met een taaie zode waar je je eerst doorheen moet werken om bij de wortels te komen. Ik zou sommige anarchoprimitivisten wel eens mee willen nemen naar de bergen, hen laten zien waar de eetbare wortels groeien en dan uitnodigen zelf voor hun eten te zorgen door ze op te graven. Tegen de tijd dat ze genoeg yampawortels of camasknollen zouden hebben voor een halve stevige maaltijd, zouden de blaren op hun handen hen afgeholpen hebben van elk idee dat primitieven niet hoeven te werken voor hun levensonderhoud. Het werk van jager-verzamelaars was ook vaak eentonig. Dit geldt bijvoorbeeld voor het opgraven van wortels als die klein zijn, wat het geval is bij veel van de wortels die gebruikt werden door de Indianen van westelijk Noord-Amerika, zoals de wortels van het bitterkruid en de eerder genoemde yampa- (pastinaak) en camaswortels (wilde hyacint). Ook bessen plukken is eentonig werk als je daar veel uren aan moet besteden.
Of probeer eens een hertenhuid te looien. Een onbewerkte, droge hertenhuid lijkt op karton en als je het buigt breekt het, net als karton.
Om gebruikt te kunnen worden als kleding of dekens, moeten dierenhuiden gelooid worden. Stel dat je de haren op de huid wil laten zitten — als winterkledij —, dan moet je drie onmisbare stappen nemen bij het looien van een hertenhuid. Op de eerste plaats moet je zorgvuldig elk stukje vlees verwijderen van de huid. In het bijzonder moet al het vet angstvallig nauwkeurig verwijderd worden, omdat de huid gaat rotten door elk greintje vet dat daarop achterblijft. Vervolgens moet de huid zacht gemaakt en tot slot gerookt worden. Als de huid niet gerookt wordt, droogt de huid stug op en wordt weer hard na het nat worden en moet dan weer helemaal opnieuw zacht gemaakt worden. De verreweg meest tijdrovende stap is het zacht maken. Het kan uren met je handen kneden kosten, of heen en weer halen over de kop van een in een blok hout geslagen spijker en dat is echt eentonig werk. Ik spreek uit ervaring. Een argument dat soms aangevoerd wordt is dat jager-verzamelaars die zich tot op heden weten te handhaven, in een ruige omgeving verbleven, omdat alle gastvrijere gebieden in bezit genomen waren door landbouw bedrijvende volkeren. Vermoedelijk moeten prehistorische jager-verzamelaars die een vruchtbare streek bewoonden veel minder hard gewerkt hebben dan de tegenwoordige jager-verzamelaars die in woestijnen of andere niet-vruchtbare gebieden leven.33 Dat kan wel zo zijn, maar het argument is speculatief en ik ben daar sceptisch over.
Ik ben nu wat ouder maar was altijd zeer vertrouwd met de eetbare wilde planten van het Oosten van de Verenigde Staten, een van de vruchtbaarste streken ter wereld, en het zou me verbazen als iemand daar met minder dan een veertigurige werkweek in leven kan blijven en een gezin onderhouden door te jagen en te verzamelen. Het gebied levert een breed scala aan eetbare planten, maar daarvan leven is niet zo eenvoudig als je zou denken. Neem bijvoorbeeld noten. Zwarte en witte walnoten en bitternoten zijn uiterst voedzaam en vaak overvloedig aanwezig. De Indianen plachten daar enorme voorraden van aan te leggen. 34 Als je in oktober een paar goeie bomen vond, kon je waarschijnlijk in een uur of minder genoeg noten verzamelen om jezelf een hele dag te voeden. Klinkt prachtig, nietwaar? Ja, het klinkt prachtig — althans als je nooit geprobeerd hebt een zwarte walnoot te kraken. Misschien zou Arnold Schwarzenegger een zwarte walnoot kunnen kraken met een gewone notenkraker — ten minste als de notenkraker niet meteen breekt — maar iemand met een gemiddelde lichaamsbouw kan dat niet. Je moet de noot met een hamer kapot slaan; en de binnenkant van de noot is verdeeld door tussenschotten die even dik en hard zijn als de notendop, dus moet je de noot in meerdere stukken breken en dan heel saai die stukjes vruchtvlees eruit peuteren. Dat is een tijdrovende bezigheid. Om voldoende voedsel voor één dag te krijgen, moet je misschien wel het grootste deel van de dag doorbrengen met alleen maar noten kraken en de stukjes vruchtvlees eruit halen. Wilde witte walnoten (niet te verwarren met de gekweekte Engelse walnoten die je in de winkel koopt) lijken heel veel op de zwarte. Bitternoten zijn niet zo moeilijk te kraken, maar hebben ook harde inwendige tussenschotten en zijn doorgaans veel kleiner dan zwarte walnoten. De Indianen omzeilden deze problemen door de noten in een vijzel te doen en in hele kleine stukjes te stampen, doppen, vruchtvlees, alles bij elkaar. Dan kookten ze het mengsel en zetten het weg om af te koelen. De stukjes dop zakten dan naar de bodem van de pot, terwijl het fijngestampte vruchtvlees daar in een laag bovenop dreef; zodoende kon het vruchtvlees gescheiden worden van de doppen. 35 Dat was ongetwijfeld doeltreffender dan het afzonderlijk kraken van de noten, maar zoals je kunt zien vereist dat nog steeds veel werk. De Indianen in het Oosten van de Verenigde Staten, gebruikten andere wilde voedingsmiddelen, die een meer of minder bewerkelijke bereiding vereisen om ze eetbaar te maken. 36 Het is nauwelijks aannemelijk dat ze dergelijke voedingsmiddelen gebruikt zouden hebben als er eenvoudiger te bereiden voedingsmiddelen waren geweest, die in voldoende hoeveelheden gemakkelijker beschikbaar waren.
Euell Gibbons, een deskundige in eetbare wilde planten, heeft verslag gedaan van een periode dat hij van het land leefde in het Oosten van de Verenigde Staten. 37 Het is moeilijk te zeggen wat zijn ervaring ons zegt over de werktijden van de primitieve mens, omdat hij geen getalmatig verslag geeft van de tijd die hij besteedde aan het verzamelen van voedsel. In ieder geval gingen hij en zijn metgezellen alleen op zoek naar voedsel en bereidden dat; ze hoefden geen huiden te looien, hun eigen kleren, gereedschappen en werktuigen te maken, of onderdak te zoeken; zij hoefden geen kinderen te voeden en vulden hun dieet aan met hoogcalorische in de winkel gekochte voedingsmiddelen: spijsolie, suiker en meel. Bij minstens één gelegenheid maakten ze voor vervoer gebruik van een auto.
Maar laten we ter wille van de discussie aannemen dat in de vruchtbare streken van de wereld wilde voedingsmiddelen ooit zo overvloedig waren dat het mogelijk was het hele jaar door van het land te leven met gemiddeld, laten we zeggen, drie uur werk per dag. Met dergelijke overvloedige hulpbronnen zou het voor jager-verzamelaars niet nodig zijn om op zoek naar voedsel rond te trekken. Het zou dan te verwachten zijn dat ze een vaste verblijfplaats kiezen en in dat geval zouden ze bezittingen kunnen vergaren en goed ontwikkelde sociale hiërarchieën kunnen vormen. Daardoor zouden ze in ieder geval een aantal van de eigenschappen kwijtraken die anarchoprimitivisten zo op prijs stellen bij nomadische jager-verzamelaars. Zelfs de anarchoprimitivisten ontkennen niet dat de Indianen van de Noordwestkust van Noord-Amerika sedentaire jager-verzamelaars waren die bezittingen vergaarden en goed ontwikkelde sociale hiërarchieën hadden. 38 Er zijn aanwijzingen die het bestaan doen vermoeden van soortgelijke jager-verzamelaargemeenschappen op andere plaatsen, waar de overvloedige natuurlijke hulpbronnen dat toelieten, bijvoorbeeld langs de grote Europese rivieren.39 Dat betekent voor de anarchoprimitivisten een dilemma: waar de natuurlijke hulpbronnen overvloedig genoeg waren om het werk te minimaliseren, maximaliseerden ze ook de waarschijnlijkheid op sociale hiërarchieën, iets dat door de anarchoprimitivisten verafschuwd wordt.
Ik heb echter niet geprobeerd aan te tonen dat de primitieve mens minder gelukkig was in zijn werk dan de huidige mens. Naar mijn mening gold het tegenovergestelde. In ieder geval hadden sommige nomadische jager-verzamelaars meer vrije tijd dan de huidige Amerikanen met een baan. Het klopt dat de ruwweg veertigurige werkweek van Richard Lee’s Bosjesmannen ongeveer overeenkomt met de normale Amerikaanse werkweek. Maar bij de huidige Amerikanen wordt buiten de uren die ze aan hun baan besteden verder nog een groot beroep gedaan op hun tijd. Toen ik nog een veertigurige baan had, had ik zelf ook het gevoel dat ik het druk had: ik moest naar de winkel voor mijn levensmiddelen, naar de bank, de was doen, belastingformulieren invullen, mijn auto naar de garage brengen voor onderhoud, mijn haren laten knippen, naar de tandarts….er was altijd wel iets dat gedaan moest worden. Veel van de mensen met wie ik nu correspondeer klagen er ook over dat ze druk zijn. In tegenstelling daarmee was de tijd van de mannelijke Bosjesman, buiten zijn werkuren, echt zijn eigen tijd; hij kon de tijd dat hij niet werkte invullen zoals hij zelf wilde. Volwassen Bosjesmanvrouwen hebben misschien veel minder vrije tijd gehad omdat zij, zoals vrouwen in alle samenlevingen, belast waren met de zorg voor kleine kinderen.
Maar
vrije tijd is een modern begrip en de nadruk die de anarchoprimitivisten daarop
leggen geeft blijk van hun dienstbaarheid aan de waarden van een beschaving die
zij pretenderen te verwerpen. Het gaat niet om de hoeveelheid tijd die aan werk
besteed wordt. Veel schrijvers hebben gediscussieerd over wat er mis is met het
werk in de huidige maatschappij en ik zie geen reden om dat nog eens over te
doen. Waar het om gaat is dat wat, afgezien van de eentonigheid, mis is met het
werk in de huidige maatschappij, niet geldt voor het werk van nomadische
jager-verzamelaars. Het werk van de jager-verzamelaar is uitdagend, zowel wat
betreft de lichamelijke inspanningen als het niveau van de vereiste
vaardigheden. 40 Het werk van de jager-verzamelaar heeft een doel en
dat doel is niet abstract, ver weg of kunstmatig, maar concreet, heel echt, en
van rechtstreeks belang voor de werker: Hij werkt om de daadwerkelijke
behoeften van zichzelf te bevredigen, van zijn gezin en andere mensen met wie
hij persoonlijk nauw contact heeft. Maar bovenal is de nomadische
jager-verzamelaar een vrije werker: Hij wordt niet uitgebuit, hij is aan geen
enkele baas ondergeschikt, niemand geeft hem opdrachten; 41 hij
deelt zijn eigen werkdag in, is het niet als individu dan als lid van een
groep, die heel klein is zodat elk individu zinnig deel kan nemen aan de
besluiten die genomen worden. 42 Tegenwoordige banen kunnen
psychische stress opleveren, maar er zijn redenen om aan te nemen dat het werk
van primitieven weinig psychische stress met zich meebracht. 43 De
bezigheden van jager-verzamelaars is vaak eentonig, maar volgens mij levert die
eentonigheid bij primitieve mensen weinig ongemak op. Ik denk dat verveling
hoofdzakelijk een beschavingsverschijnsel is en een product van psychische
stressfactoren die kenmerkend zijn voor een beschaafd leven. Ik moet toegeven
dat dit mijn eigen mening is, ik kan het niet bewijzen en het behandelen
daarvan zou buiten het bestek van dit artikel vallen. Hier wil ik alleen maar
zeggen dat mijn mening grotendeels gebaseerd is op mijn eigen ervaring met het
leven buiten het techno-industriële systeem. Het is moeilijk te zeggen wat
jager-verzamelaars van hun eigen werk vinden, omdat antropologen en anderen die
primitieve volkeren bezocht hebben (ten minste van degenen van wie ik de verslagen
gelezen heb) dat soort vragen doorgaans niet gesteld lijken te hebben. Maar het
volgende van Holmberg is het citeren waard: “Ze staan vrij onverschillig ten
opzichte van werk (taba taba), dat bestaat uit van die onaangename taken
als hutten bouwen, brandhout verzamelen en het beplanten en bewerken van de
velden. Een heel ander soort werk bestaat echter uit aangename bezigheden als
jagen (gwata gwata) en verzamelen (deka deka, ‘zoeken’), die meer
als ontspanning dan als werk gezien worden. ”44 Dit ondanks het feit dat, zoals we eerder hebben gezien, de bezigheden van jagen en verzamelen van de Siriono uitzonderlijk tijdrovend, vermoeiend, inspannend en lichamelijk belastend waren.
3. Een ander bestanddeel van de anarchoprimitivistische mythe is het geloof dat bij de jager-verzamelaars, tenminste bij de nomadische, gendergelijkheid heerste. John Zerzan heeft dat bijvoorbeeld beweerd in Future Primitive 45 en elders. 46 Waarschijnlijk was er bij sommige jager-verzamelaargemeenschappen sprake van een volledig gendergelijkheid, hoewel ik geen enkel onbetwistbaar voorbeeld ken. Ik ken wel jager-verzamelaarculturen waarbij de mannen- en vrouwenrol in vrij grote mate gelijk was, maar niet helemaal. In andere nomadische jager-verzamelaargemeenschappen was de mannelijke dominantie onmiskenbaar en in sommige gemeenschappen bereikte die het peil van een vergaande gewelddadigheid ten opzichte van vrouwen. Waarschijnlijk is het meest geprezen voorbeeld van gendergelijkheid bij jager-verzamelaars, die van de Bosjesmannen van Richard Lee, waar we het eerder over gehad hebben in onze bespreking van de bezigheden van de jager-verzamelaar. Meteen moet daarbij opgemerkt worden dat het zeer gewaagd zou zijn om aan te nemen dat de conclusies van Lee met betrekking tot de Dobe-Bosjesmannen volledig toepasbaar zijn op de Bosjesmannen van de Kalahari. Verschillende Bosjesmangroepen liepen qua cultuur uiteen; 47 ze spraken niet eens allemaal dezelfde taal. 48 In ieder geval verklaart Nancy Bonvillain, die zich grotendeels baseert op het onderzoek van Richard Lee, dat bij de Dobe-Bosjesmannen (die zij “Ju/’hoansi” noemt), “hun sociale normen duidelijk het begrip van gelijkheid van vrouwen en mannen ondersteunen.” 50 Dus bij de Dobe-Bosjesmannen was er sprake van gendergelijkheid, of niet?
Nou,
misschien niet. Kijk maar naar een aantal feiten die Bonvillain zelf aandraagt
in hetzelfde boek: “ “De meeste leiders en woordvoerders in het kamp zijn
mannen. Hoewel zowel mannen als vrouwen deelnemen aan groepsdiscussies en het
nemen van besluiten…..bedraagt de spreektijd van de mannen bij discussies waar
beiden geslachten betrokken zijn ongeveer tweederde van het totaal.”51
Veel kwalijker zijn de gedwongen huwelijken van jonge tienermeisjes met mannen die veel ouder zijn dan zij. 52 Het is waar dat praktijken die in onze ogen wreed lijken, door mensen uit andere culturen die daartoe gedwongen worden niet als wreed worden ervaren. Maar Bonvillain haalt woorden aan van een Bosjesmanvrouw waar in ieder geval uit blijkt dat sommige meisjes hun gedwongen huwelijk als wreed ondergingen: “Ik huilde en huilde; 53 ik rende steeds weg. Een deel van mijn hart bleef maar denken: ‘hoe kan dat, ik ben nog maar een kind en heb een echtgenoot genomen?’” 54 Bovendien, “omdat een hogere leeftijd aanzien met zich meebrengt….maken de hogere leeftijd, grotere ervaring en rijpheid de vrouwen maatschappelijk, zo niet persoonlijk ondergeschikt.”55 Terwijl bij de Dobe-Bosjesmannen zonder twijfel sprake was van enige gelijkheid tussen mannen en vrouwen, zou het nogal ver gaan om te beweren dat er volledige gelijkheid heerste. Op grond van eigen ervaring, verklaarde Colin Turnbull dat bij de Mbuti-pygmeeën in Afrika, “een vrouw maatschappelijk volstrekt niet de mindere was van de man,” 56 en dat “de vrouw niet als minderwaardig behandeld wordt.” 57 Dat klinkt als gendergelijkheid ….totdat je kijkt naar de concrete feiten die Turnbull zelf in datzelfde boek levert: “Vrouwen slaan werd tot op zekere hoogte als goed gezien en verwacht werd dat de vrouw terugvocht; 58 “Hij zei dat hij heel tevreden was met zijn vrouw en het helemaal niet nodig had gevonden haar vaak te slaan;” 59 Man gooit vrouw op de grond en mept haar; 60 Echtgenoot slaat vrouw; 61 Man slaat zijn zuster; 62 Kenge slaat zijn zuster; 63 “Misschien had hij haar harder moeten slaan, zegt Tungana [een oude man], want sommige meisjes worden graag geslagen;” 64 “Amabosu reageerde door haar hard in het gezicht te meppen. Normaal zou Ekianga een zo mannelijk bewijs van gezag over een ontrouwe echtgenote goedgekeurd hebben.” 65 Turnbull noemt twee gevallen van mannen die hun vrouw een opdracht geven. 66 Ik heb in Turnbulls boeken geen enkel voorbeeld gevonden van vrouwen die hun man een opdracht gaven. Wat door de vrouw werd ingebracht werd beschouwd als eigendom van de man.67 “[Een jongen] moet toestemming hebben [van het meisje] voordat geslachtsgemeenschap kan plaatsvinden. Maar de mannen zeggen dat ze vroeger, als zij een meisje bij verrassing wilden nemen, bij haar gingen liggen en streelden en haar dan hun wil oplegden.” 68 Tegenwoordig zouden wij dat “verkrachting tijdens een afspraakje noemen” en de betreffende jongeman zou een lange gevangenisstraf riskeren.
Laten we als tegenwicht opmerken dat Turnbull bij de Mbuti geen geval aantrof van wat wij “verkrachting door een onbekende” zouden noemen, in tegenstelling tot “verkrachting tijdens een afspraakje; 69 echtgenoten werden niet verondersteld hun vrouw op het hoofd of in het gezicht te slaan; 70 en in minstens één geval waarin een man zijn vrouw te vaak en te hard sloeg, vonden zijn medekampbewoners uiteindelijk een manier om de mishandeling een halt toe te roepen zonder geweld te gebruiken en zonder openlijk tussen beiden te komen.71 Ook dient bedacht te worden dat de betekenis van een afstraffing afhangt van de culturele context. In onze maatschappij is door iemand anders geslagen worden een grote vernedering, vooral door iemand die groter en sterker is dan jijzelf. Maar omdat klappen bij de Mbuti een dagelijks gebeuren waren, 72 kan waarschijnlijk veiligheidshalve aangenomen worden dat die niet als iets speciaal vernederends werden gezien. Toch is het volstrekt duidelijk dat er bij de Mbuti sprake was van dominantie van de mannen. Bij de Siriono: “Is een vrouw ondergeschikt aan haar echtgenoot;” 73 “De uitgebreide familie wordt doorgaans gedomineerd door de oudste actieve man;” 74 “[Vrouwen] worden gedomineerd door de mannen”;75 “als een man met een vrouw alleen in het woud is,…..kan hij haar ruw op de grond gooien en zijn beloning [seks] in ontvangst nemen, zonder ook maar één woord te zeggen;” Ouders hebben beslist liever mannelijke kinderen; 77 “Hoewel bij de mannen de titel erekwa voorbehouden is aan een hoofdman, zal een vrouw wanneer haar gevraagd wordt ‘wie is jouw erekwa?’ steevast antwoorden: ‘mijn man.’” 78 Anderzijds slaan de Siriono hun vrouwen nooit, 79 en “Vrouwen genieten vrijwel dezelfde voorrechten als mannen. Ze krijgen evenveel voedsel te eten en hebben dezelfde seksuele vrijheid.” 80 Volgens Bonvillain, “domineren Eskimo-mannen hun vrouwen en dochters. Maar de mannelijke dominantie is niet absoluut.” 81 Ze beschrijft de verhouding tussen de geslachten bij de Eskimo’s in enkele details, 82 wat mogelijk een al dan niet gekleurd is door haar feministische ideologie.
Bij
de Eskimo’s bij wie Gontran de Poncins een tijd doorbracht, oefende de mannen
openlijk macht uit over hun vrouwen 83 en sloegen hen soms. 84
Doordat zij hen zo goed konden overtuigen, hadden vrouwen grote macht over hun
echtgenoten: “Het zou kunnen lijken…..dat de inheemse vrouwen in alle opzichten
in een toestand leefden van een verfoeilijke minderwaardigheid ten opzichte van
de mannelijke Eskimo, maar dat is niet zo. Wat ze, vergeleken met de blanke
vrouw, aan gezag verliest maakt ze op allerlei manieren weer goed door een
buitengewone slimheid. Inheemse vrouwen zijn heel slim en slagen er altijd in
te krijgen wat ze willen;” “Het was een onophoudelijk genot om deze komedie
gade te slaan, dit vrijwel woordeloze gevecht waarin de vrouw….onvermijdelijk
de echtgenoot te slim af was. Er is geen enkel Eskimo-vrouw die niet geoefend
is in de kunst van het vleien, geen enkele die niet met een onvermoeibare en
toch innemende volharding kan blijven herhalen wat ze wil, totdat de
echtgenoot, moe van haar vasthoudendheid, toegeeft;” “In deze Eskimo-wereld
zaten vrouwen overal achter;” 85 “Je hoeft geen feministe te zijn om
je af te vragen: ‘maar hoe zit het dan met de status van de Eskimo-vrouwen?’
Die status voldoet hen prima; en ik heb op deze bladzijden hier en daar aangegeven
dat ze niet alleen vrouw des huizes zijn, maar in de meeste Eskimo-gezinnen ook
de slimme souffleurs van de beslissingen van hun echtgenoot.” 86 Maar
misschien heeft Poncins de mate van macht van de Eskimo-vrouwen overschat,
omdat die niet toereikend was om hen in staat te stellen ongewenste seks te
vermijden: Het uitlenen van vrouwen bij deze Eskimo’s werd beslist door de
mannen, en de vrouwen moesten maar accepteren dat ze uitgeleend werden of ze
dat nou wilden of niet. 87 In sommige gevallen waren de vrouwen daar
tenminste duidelijk heel boos over. 88 De manier waarop de
Australische Aboriginals hun vrouwen behandelden was in één woord afschuwelijk.
Vrouwen waren vrijwel niet in staat hun eigen echtgenoot te kiezen. 89
Ze worden beschreven als “bezit” van de mannen, die voor hen een echtgenoot
kiezen. 90 Jonge vrouwen werden vaak gedwongen een oude man te
trouwen, en moesten vervolgens werken om hun oude echtgenoot van
levensbenodigdheden te voorzien. 91 Het is dan ook niet vreemd dat
een jonge vrouw zich vaak verzette tegen een gedwongen huwelijk door weg te
lopen. Dan werd ze vreselijk geslagen met een stok en keerde terug naar haar
echtgenoot. Als ze bleef weglopen, werd er soms zelfs een speer in haar
bovenbeen gestoken. 92 Een vrouw die gevangen zat in een vreselijk huwelijk
mocht zich als toetje troosten met een minnaar, maar omdat dat “niet helemaal
getolereerd werd” kon het leiden tot geweld. 93 Een vrouw kon er
uiteindelijk zelfs vandoor gaan met haar minnaar. Maar: “Dan zou ze achtervolgd
worden en als ze gepakt werd, werd het meisje voor dat moment gemeenschappelijk
bezit van haar achtervolgers. Het stel werd dan teruggebracht naar het kamp
waar, als ze van de juiste totemclan waren zodat ze wel met elkaar konden
trouwen, de man een beproeving moest trotseren waarbij door de echtgenoot en
zijn verwanten speren naar hem gegooid werden….en het meisje werd door haar
verwanten afgeranseld. Als [het stel] tot verschillende totemclans behoorden,
zodat ze niet met elkaar konden trouwen, werden ze als ze gevonden werden met
een speer doorboord, omdat hun overtreding onvergeeflijk was.” 94 Hoewel
er sprake was van “echte harmonie en wederzijds begrip in de meeste
Aboriginalgezinnen,” werden de vrouwen toch geslagen.95 Volgens A.
P. Elkin moesten vrouwen onder bepaalde omstandigheden — bijvoorbeeld bij
sommige ceremoniële aangelegenheden — gedwongen seks ondergaan, wat “inhoudt
dat de vrouw slechts een voorwerp is dat gebruikt kan worden op bepaalde
maatschappelijk aanvaarde manieren.” 96 De vrouwen, zegt Elkin,
“mogen vaak geen bezwaar maken,” 97 maar: “Soms leven ze in angst
vanwege het gebruik dat van hen gemaakt wordt tijdens sommige ceremonies.” 98
Vanzelfsprekend wordt hier niet beweerd dat alle net genoemde toestanden in
alle delen van het autochtone Australië voorkwamen. Op het hele continent was
de cultuur niet overal hetzelfde. Coon zegt dat de Australiërs nomaden waren,
maar verklaart ook dat in delen van zuidoost Australië, namelijk “De beter van
water voorziene streken, in het bijzonder Victoria en de streek rond de
Murrayrivier,” de inheemse bevolking “betrekkelijk sedentair” was. 99
In de drogere streken van zuidoost Australië moesten, volgens Massola, de
Aboriginals in tijden van droogte lange afstanden afleggen tussen de
snel-opdrogende bronnen. 100 Dit komt overeen met de uitgebreide
nomadische manier van leven, die beschreven wordt voor andere delen van
Australië, waar “Aboriginals in kleine familiegroepen van waterpoel naar
waterpoel trokken langs duidelijk gebaande paden. Het hele kamp werd dan
verplaatst en er was zelden sprake van een basiskamp.” 101 Als Coon vertelt
dat de Aboriginals in de “beter van water voorziene streken” “betrekkelijk sedentair”
waren, bedoelt hij zonder twijfel dat er “in vruchtbare streken goed voorziene
kampplekken waren, dichtbij het water, waar de mensen altijd in bepaalde tijden
van het jaar hun kamp opsloegen. Kampen vormden de basis van waaruit de mensen
strooptochten hielden in de omringende wildernis, waarbij ze laat in de middag
weer terugkeerden of daar een paar dagen doorbrachten.” 102 Coon vertelt
dat in een deel van het goed van water voorziene gebied aan de Murrayrivier, elke
plaatselijke clan een hoofdman had en een voornamelijk uit mannen bestaande
raad, hoewel er in een paar gevallen ook vrouwen in de raad gekozen werden;
terwijl er, verder naar het Noorden en Westen, maar weinig sprake was van een
formeel leiderschap en het “toezicht op vrouwen en jongere mannen gedeeld werd
tussen mannen van dertig tot vijftig jaar oud.” 103 De Australische
vrouwen hadden dus maar weinig openlijke politieke macht. Toch oefenden de
vrouwen, net als bij de Eskimo’s van Poncins en zonder twijfel ook in onze
maatschappij, vaak een grote invloed uit op hun mansvolk 104. Ook
de Tasmaniërs waren nomadische jager-verzamelaars (hoewel sommigen
“betrekkelijk sedentair” waren), 105 en het is niet duidelijk of zij
vrouwen beter behandelden dan de Australiërs. In een verslag kunnen we lezen
dat een groep, die in de buurt van de stad Hobart leefde, vóór de komst van de
kolonisten, overvallen werd door hun buren die de mannen die hen tegen probeerden
te houden doodden en hun vrouwen meenamen. En er bestaan nog meer verhalen over
huwelijken met buitgemaakte vrouwen. Soms gebeurde het dat als een man van een
naburige groep het recht had een meisje te trouwen, maar zij en haar ouders hem
niet mochten, zij het meisje liever doodden dan haar af te staan;” 106
“De andere stammen beschouwde [een bepaalde stam] als lafaards, en overvielen
hen om hun vrouwen te stelen;” 107 “Woorrady verkrachtte en doodde
zijn schoonzuster.” 108 Ik zou hier duidelijk willen maken dat het niet mijn opzet is een pleidooi te houden tegen gendergelijkheid. Ik ben zelf zozeer een product van de huidige industriële maatschappij, dat ik besef dat mannen en vrouwen een gelijke status zouden moeten hebben. Wat dat betreft is mijn bedoeling gewoon de feiten te tonen met betrekking tot de verhouding tussen de geslachten in jagende-en-verzamelende gemeenschappen.
4. Er
is een probleem met betrekking tot elke poging om uit opgetekende observaties
van bestaande jager-verzamelaargemeenschappen conclusies te trekken over
oorspronkelijke, “zuivere” jager-verzamelaarculturen. Als we een beschrijving
hebben van een primitieve cultuur, zal die gewoonlijk geschreven zijn door een
beschaafd iemand. Als het een gedetailleerde beschrijving is, betekent dat dat
het beschreven volk zeer waarschijnlijk direct of indirect duidelijk contact
gehad heeft met de beschaving en dergelijke contacten kunnen dramatische
veranderingen teweegbrengen in een primitieve cultuur. Elizabeth Marshall Thomas beschrijft in het nawoord
van de uitgave van haar boek The Harmless People,109 uit
1989, de rampzalig vernietigende uitwerking van de beschaving op de
Bosjesmannen die zij kende. Harold B. Barclay heeft er (bijvoorbeeld) op
gewezen dat de tegenwoordige Eskimo’s “heel blij zijn met hun krachtige
geweren, motorboten, enzovoort.” 110 Onder dat “enzovoort” vallen
ook sneeuwscooters. Daarom zegt Barclay, “de jager-verzamelaar van tegenwoordig
is op geen enkele manier identiek met de jager-verzamelaars van duizend of
tienduizend jaar geleden.” 111 Cashdan schrijft in 1989, “Alle
jager-verzamelaars overal ter wereld staan tegenwoordig, direct of indirect, in
contact met de wereldeconomie. Dit gegeven zou ons ervoor moeten hoeden om de huidige
jager-verzamelaars niet te zien als ‘kiekjes’ van het verleden.” 112
Bij het zoeken naar bewijsmateriaal over de manier waarop de mensen leefden
vóór de opkomst van de beschaving, zal natuurlijk niemand met enig gezond
verstand zich richten op volkeren die motorboten, sneeuwscooters en krachtige
geweren gebruiken,” 113 of op volkeren waarvan de cultuur duidelijk
ernstig ontwricht is door het binnendringen van de beschaafde maatschappij. Wij
zijn op zoek naar verhalen over jager-verzamelaars die (minstens) tientallen
jaren geleden geschreven zijn, in een tijd toen — voor zover we weten — hun
culturen nog niet ingrijpend veranderd waren door contact met de beschaving.
Maar het is niet altijd eenvoudig om te weten of contact met de beschaving een
primitieve cultuur veranderd heeft. Coon is zich duidelijk bewust van dit
probleem en geeft in zijn uitmuntende overzicht van jager-verzamelaarsculturen
het volgende voorbeeld van hoe een ogenschijnlijk geringe inmenging van de
beschaving een dramatische uitwerking kan hebben op een primitieve cultuur:
Toen “goedbedoelende missionarissen ijzeren bijlen uitdeelden” aan de inheemse
Yir Yoront in Australië, hield de Yir-Yoront-wereld vrijwel op te bestaan. De
mannen verloren hun gezag over hun vrouwen, er ontstond een generatiekloof,” en
een handelsstructuur die zich over honderden mijlen uitstrekten raakte
ontwricht. 114 Richard Lee’s Bosjesmannen zijn misschien wel het
favoriete voorbeeld voor anarchoprimitivisten en linksige antropologen, die een
politiek-correct beeld willen geven van de jager-verzamelaars, maar de
Bosjesmannen van Lee behoorden tot de minst “zuivere” van de jager-verzamelaars
die we hier vermeld hebben. Mogelijk zijn ze niet eens altijd jager-verzamelaar
geweest. 115 In ieder geval hadden ze waarschijnlijk al een paar
duizend jaar handel gedreven met landbouw- en herdersvolkeren. 116 Van
de !Kung-bosjesmannen wist Elisabeth Thomas dat ze via handel metaal hadden
bemachtigd, en datzelfde gold ook duidelijk voor de Bosjesmannen van Lee. Thomas
schrijft: “In de tien tot twintig jaar nadat wij ons onderzoek begonnen, legden
veel academici [daaronder valt waarschijnlijk ook Richard Lee] een enorme
belangstelling aan de dag voor de Bosjesmannen. Veel van hen trokken naar
Botswana om groepen !Kung-Bosjesmannen te bezoeken en op zeker moment leek in
Botswana de verhouding antropoloog/Bosjesman bijna een op een te zijn.” 119
Het is duidelijk dat de aanwezigheid van zoveel antropologen het gedrag van de
Bosjesmannen beïnvloed moet hebben. In de jaren vijftig, 120 toen
Turnbull hen bestudeerde en nog meer in de jaren twintig en dertig 121
toen Schebesta onderzoek bij hen deed, hadden de Mbuti duidelijk niet veel
rechtstreeks contact gehad met de beschaving, zodat Schebesta zover durfde te
gaan dat hij beweerde dat “de Mbuti niet alleen als ras, maar ook psychisch en
wat betreft hun cultuurgeschiedenis, een oerverschijnsel (Urphänomen) zijn
onder de rassen en volkeren der Aarde.” 122 Toch waren de Mbuti, een
paar jaar voordat Schebesta ze voor het eerst bezocht, al enigszins beïnvloed
geraakt door de beschaving. 123 En eeuwen daarvoor hadden de Mbuti
in nauw contact (waaronder uitgebreide handelsbetrekkingen vielen) gestaan met
niet-beschaafde, in dorpen wonende gewassenverbouwers. 124 Zoals
Schebesta schreef, “Het geloof dat de Mbuti hermetisch afgesloten waren geweest
van de buitenwereld, is voor eens en altijd ontzenuwd.” 125 Turnbull
gaat nog verder: “Dit wil op geen enkele manier zeggen dat het [sociale] systeem
dat aangetroffen wordt onder de Mbuti, representatief is voor het
oorspronkelijke jaag-en-verzamelsysteem van de pygmeeën; in werkelijkheid waarschijnlijk
verre van dat, want de nadelige gevolgen van de invasie van het oerwoud door de
in dorpen wonende landbouwers is enorm geweest.” 126 Hoewel
sommige van Gontran de Poncins’ Eskimo’s “zuiverder” waren dan andere,127
blijkt dat ze allemaal op zijn minst enige handelswaar van de blanken bezaten.
Als een lezer zich de moeite wil getroosten om de vroegste primaire bronnen te
achterhalen — misschien ergens int het werk van Vilhjalmur Stefansson — met de
bedoeling een oorspronkelijke en “zuivere” Eskimo-cultuur zo dicht mogelijk te
benaderen, zie ik zijn of haar bevindingen gaarne tegemoet. Maar het is ook
mogelijk dat, lang voor het contact met de Europeanen, de Eskimocultuur
aangetast is door iets dat ze overgenomen hebben van een niet-jagende cultuur;
want ze zijn met hun sledehonden niet al begonnen toen ze nog jager-verzamelaar
waren. 128 Met de Siriono komen we dichter bij zuiverheid dan met de Bosjesmannen, Mbuti of Poncins’ Eskimo’s. De Siriono hadden zelfs geen honden, 129 en hoewel ze in beperkte mate gewassen verbouwden, beschouwden antropologen hun cultuur als Paleolithisch (Oude Stenen Tijdperk). 130 Sommige door Holmberg bestudeerde Siriono hadden vóór de komst van Holmberg weinig of geen contact met blanken, 131 en bij die Siriono werden zelden Europese werktuigen aangetroffen, 132 totdat Holmberg ze zelf introduceerde.133 In plaats daarvan vervaardigden de Siriono hun werktuigen van in de natuur voorkomende plaatselijke materialen.134 Bovendien waren de Siriono zo primitief dat ze maar tot drie konden tellen.135 Toch zou die Siriono-cultuur beïnvloed kunnen zijn door contact met meer “ontwikkelde” gemeenschappen, omdat Holmberg dacht dat de Siriono “waarschijnlijk een overblijfsel waren van een oude bevolking die uitgeroeid, opgenomen of verzwolgen was door meer ontwikkelde indringers.” 136 Lauriston Sharp opperde zelfs dat de Siriono misschien wel “gedegenereerd” [sic] waren “vanuit een meer ontwikkelde technologische toestand,” hoewel Holmberg deze visie verwierp en Sharp dit zelf “niet ter zake doende” vond. 137 Bovendien zouden de Siriono indirect beïnvloed kunnen zijn door de Europese beschaving, omdat waarschijnlijk op zijn minst een aantal ziekten waaraan zij leden, b.v. malaria, door de Europeanen naar Amerika was gebracht. 138 Het is niet vreemd dat de meeste jager-verzamelaars die ik hier heb vermeld — overeenkomend met die door de anarchoprimitivisten en politiek-correcte antropologen geciteerd worden — beïnvloed waren door direct of indirect contact met landbouw- of herdersvolkeren, zelfs lang voor hun eerste contact met de Europeanen, omdat buiten Australië, Tasmanië en het verre Westen en Oosten van de Amerika, “populaties die trouw bleven aan de oude manier van leven van de jager-verzamelaar klein en verspreid waren.” 139 Afgezien van sommige groepen die kleine eilandjes bewoonden, hadden ze dus noodzakelijkerwijs enige vorm van contact met de hen omringende niet-jager-verzamelaarpopulaties.
Waarschijnlijk waren de Australische Aboriginals en de Tasmaniërs de jager-verzamelaars die nog het zuiverst waren toen de Europeanen hen ontdekten. Australië was het enige werelddeel dat, tot de komst van de blanken, uitsluitend bewoond werd door jager-verzamelaars, en Tasmanië, een eiland net ten Zuiden van Australië was zelfs nog meer geïsoleerd. Maar Australië was misschien wel bezocht door Polynesiërs en in het Noorden van Australië bestond, vóór de komst van de Europeanen, enig beperkt contact met mensen uit Indonesië en Nieuw-Guinea. 140 Nog eerder contact met buitenstaanders, al dan niet jager-verzamelaars, is waarschijnlijk. 141 We beschikken dus niet over afdoend bewijsmateriaal dat kan aantonen dat jager-verzamelaarculturen, die zich tot voor kort hebben weten te handhaven, niet grondig beïnvloed zijn door contact met niet-jager-verzamelaars, tegen de tijd dat de eerste beschrijvingen van hen geschreven werden. Daarom is er altijd meer of minder sprake van onzekerheid bij het gebruikmaken van verslagen over jager-verzamelaargemeenschappen, als daarmee conclusies getrokken worden over de man-vrouwverhoudingen bij prehistorische jager-verzamelaars. En elke conclusie over de sociale man-vrouwverhoudingen, die getrokken wordt uit archeologische overblijfselen, kan alleen maar zeer speculatief zijn. Desgewenst kun je dus alle bewijsmateriaal van beschrijvingen van recente jager-verzamelaarculturen van de hand wijzen en in dat geval weten we vrijwel niets over de man-vrouwverhoudingen bij prehistorische jager-verzamelaars. Je kunt ook (met het nodige voorbehoud) het bewijsmateriaal van recente jager-verzamelaargemeenschappen aanvaarden en in dat geval wijst dat op een beduidende mate van mannelijke dominantie. In ieder geval zijn er geen bewijzen voorhanden die het anarchoprimitivistische geloof ondersteunen dat alle of de meeste mensengemeenschappen een volledige gendergelijkheid kenden, vóór de opkomst van landbouw en veeteelt, ongeveer tienduizend jaar geleden.
5. Ons overzicht van de feiten betreffende man-vrouwverhoudingen bij recente jager-verzamelaargemeenschappen, draagt ertoe bij dat er iets onthuld kan worden over de psyche van de anarchoprimitivisten en die van hun boezemvrienden, de politiek-correcte antropologen.
De anarchoprimitivisten en veel politiek-correcte antropologen voeren elk bewijs aan dat ze maar kunnen vinden om aan te tonen dat bij jager-verzamelaars sprake was van gendergelijkheid, terwijl ze systematisch het overvloedige bewijsmateriaal over genderongelijkheid negeren, dat te vinden is in ooggetuigenverklaringen over jager-verzamelaarculturen. De antropoloog Haviland beweert in zijn handboek Cultural Anthropology bijvoorbeeld, dat een “belangrijk kenmerk van de voedselverzamelende [jager-verzamelaar] gemeenschap haar egalitairisme is.” 142 Hij geeft toe dat de twee geslachten in dergelijke gemeenschappen misschien wel een andere status hebben gehad, maar beweert dat “statusverschillen op zich niet noodzakelijkerwijs enige ongelijkheid betekenen” en dat in “traditionele voedselverzamelende gemeenschappen, niets een speciale achting van vrouwen voor mannen noodzakelijk maakte.” 143 Als je de opgegeven pagina’s bekijkt in de index van Haviland voor de trefwoorden “Bosjesman”, “Ju/’hoansi” (een andere naam voor de Dobe-bosjesmannen), “Eskimo”, “Inuit” (een andere naam voor Eskimo’s), “Mbuti”, “Tasma-niër”, “Australiër”, en “Aboriginal” (de Siriono zijn niet opgenomen in de index), zal je geen vermelding vinden van het slaan van vrouwen, gedwongen huwelijk, gedwongen geslachtsgemeenschap, of enige andere aanwijzing voor mannelijke dominantie, die ik hierboven geciteerd heb. Haviland ontkent niet dat deze dingen voorkomen. Hij beweert bijvoorbeeld niet dat Turnbull deze verhalen over het slaan van vrouwen bij de Mbuti gewoon verzonnen heeft, of dat dit of dat bewijsmateriaal aantoont dat Australische Aboriginalvrouwen, vóór de komst van de Europeanen, niet onderhevig waren aan onvrijwillige seks. Hij gaat gewoon voorbij aan deze kwesties, alsof ze niet bestonden. En het is niet dat Haviland zich niet bewust was van die kwesties. Hij citeert bijvoorbeeld uit A. P. Elkins boek, The Australian Aborigines,144 een aanwijzing voor het feit dat hij niet alleen op de hoogte is van het boek, maar het ook nog ziet als een betrouwbare informatiebron. Toch levert het boek van Elkin, dat ik al eerder aangehaald heb, ruimschoots bewijsmateriaal voor de tirannie van de Australische Aboriginalmannen over hun vrouwen, 145 — bewijsmateriaal dat Haviland verzuimt te vermelden. Het is vrij duidelijk wat er aan de hand is: Gelijkheid van de geslachten is in de huidige maatschappij een fundamenteel geloofsartikel van de heersende ideologie. Als zeer aangepaste leden van die maatschappij, geloven politiek-correcte antropologen in het principe van gendergelijkheid, met iets dat grenst aan een religieuze overtuiging, en voelen de behoefte ons kleine zedenlesjes te geven, door ons ter bewondering voorbeelden voor te houden van een gendergelijkheid, die zogenaamd gold toen de mensheid nog in een ongerepte en onbedorven toestand verkeerde. Deze beschrijving van primitieve culturen komt voort uit de eigen behoefte van de antropologen om hun geloof opnieuw te bevestigen en heeft niets te maken met oprecht zoeken naar de waarheid.
Ander voorbeeld. Ik heb John Zerzan vier keer geschreven met het verzoek zijn beweringen over de gendergelijkheid bij jager-verzamelaars te onderbouwen. 146 De antwoorden die hij me gaf waren vaag en ontwijkend.147 Ik zou hier graag Zerzans brieven aan mij over dit onderwerp openbaar willen maken, zodat de lezer zelf zijn mening kan vormen. Maar toen ik Zerzan schriftelijk toestemming vroeg om zijn brieven openbaar te maken, weigerde hij me dat. 148 Met zijn brieven stuurde hij me fotokopieën mee van pagina’s uit een paar boeken die vage en algemene uitspraken bevatten, die ogenschijnlijk zijn beweringen over gendergelijkheid ondersteunden; bijvoorbeeld de volgende uitspraak van John E. Pfeiffer, die geen deskundige is, noch zelf ooggetuige van primitief gedrag, maar iemand die dit soort verhalen toegankelijk maakt voor het grote publiek: “Om onbekende redenen kwam dit seksisme op toen de mensen zich vestigden en begonnen te boeren, tegelijkertijd met het verschijnen van de ingewikkelde maatschappij.” 149
Zerzan stuurde me ook een fotokopie van een bladzijde uit Bonvillains boek, waarin de volgende uitspraak staat: “In voedselverzamelende (jager-verzamelaars) gemeenschappen is de mogelijkheid voor gendergelijkheid misschien het grootst.” Maar Zerzan stuurde geen kopieën mee van de bladzijden waarin Bonvillain zei dat mannelijke dominantie duidelijk aanwezig was in sommige jager-verzamelaargemeenschappen, zoals bij de Eskimo’s, of de bladzijden waarin ze informatie gaf die twijfel zaait over haar eigen bewering over gendergelijkheid bij de Dobe-Bosjesmannen, zoals ik hierboven besproken heb.
Zerzan gaf zelf toe dat het materiaal dat hij me stuurde “duidelijk niet afdoende” was, hoewel hij staande hield dat het “over het algemeen geheel representatief” was. 151 Toen ik bij hem aandrong op verdere onderbouwing van zijn beweringen, 152 stuurde hij me een kopie van zijn essay Future Primitive, uit het boek met dezelfde titel. 153 In dat essay citeert hij zijn meeste bronnen door alleen maar de achternaam van de schrijver te vermelden en de data van hun publicaties; kennelijk wordt van de lezer verwacht dat hij zelf verdere informatie zal zoeken in de lijst van referenties, die elders in het boek gegeven wordt. Omdat Zerzan me geen kopie van die referentielijst stuurde, kon ik zijn bronnen niet nagaan. Ik wees hem daarop, 154 maar hij heeft me nog steeds geen kopie van die lijst gestuurd. In ieder geval zijn er gegronde redenen om aan te nemen dat Zerzan niet kritisch is geweest bij het kiezen van zijn bronnen. Hij citeert bijvoorbeeld wijlen Laurens van der Post; 155 maar in zijn boek Teller of Many Tales, heeft J. D. F. Jones, een voormalig bewonderaar van Laurens van der Post, de laatste ontmaskerd als een leugenaar en bedrieger.
Zelfs bij de eerste indruk levert de informatie in Future Primitive ons niets betrouwbaars op over het onderwerp genderverhoudingen. Vage en algemene uitspraken zijn niet erg zinnig. Zoals ik al eerder betoogd heb, hebben Bonvillain en Turnbull algemene uitspraken gedaan over gendergelijkheid respectievelijk onder de Bosjesmannen en Mbuti, die werden tegengesproken door concrete feiten die Bonvillain en Turnbull zelf in dezelfde boeken naar voren brachten. Over andere onderwerpen dan gendergelijkheid zijn sommige uitspraken in Future Primitive aantoonbaar onjuist. Neem een paar voorbeelden:
i. Zerzan, die daarbij steunt
op ene “De Vries’, beweert dat bij jager-verzamelaars de bevalling “zonder
problemen en pijnloos” verloopt.” 156 O, echt waar? Dit is wat Elisabeth
Thomas vanuit haar eigen ervaring bij de Bosjesmannen schrijft: “Bosjesmanvrouwen
bevallen in hun eentje…tenzij een meisje zwanger is van haar eerste kind, in
welk geval haar moeder haar mag helpen, of als een bevalling buitengewoon
moeizaam gaat, in welk geval de vrouw hulp mag vragen van haar moeder of een andere
vrouw. Tijdens de bevalling mag een vrouw haar kaken opeenklemmen, haar tranen
laten lopen of tot bloedens toe op haar handen bijten, maar mag nooit huilen of
laten zien dat ze bang is. 157 Omdat bij
jager-verzamelaars de natuurlijke selectie de zwakken en geestelijke
onvolwaardigen elimineert en primitieve vrouwen door hun werk in een goede
lichamelijke conditie blijven, is het waarschijnlijk juist dat bij
jager-verzamelaars de bevalling gemiddeld niet zo moeizaam verloopt als bij de
tegenwoordige vrouwen. Volgens Schebesta verliep de bevalling bij Mbuti-vrouwen
gewoonlijk gemakkelijk (hoewel dat niet inhoudt dat die pijnloos was).
Anderzijds waren ze zeer beducht voor stuitbevallingen, die gewoonlijk een
fatale afloop hadden, voor zowel moeder als kind. 158 ii. Zerzan beroept zich op ene “Duffy” als hij beweert dat de Mbuti “elke vorm van geweld tussen de ene en andere persoon met grote afschuw en weerzin bezien en dat nooit tonen tijdens hun dansen of als spel.” 159 Maar Hutereau en Turnbull hebben onafhankelijk van elkaar ooggetuigenverslagen geleverd volgens welke de Mbuti onderling wel degelijk geweldspelletjes speelden. 160 Nog belangrijker is dat er bij de Mbuti in het echte leven een heleboel geweld voorkwam. De boeken van Turnbull, The Forest People en Wayward Servants, wemelen van lijfelijke gevechten en afstraffingen. Om maar één van al die voorbeelden aan te halen, heeft Turnbull het over een vrouw die drie tanden verloor in een gevecht over een man met een andere vrouw. 161 Ik heb al de uitspraken vermeld van Turnbull over het slaan van vrouwen bij de Mbuti.
Vermeldenswaard is dat Zerzan gelooft dat onze voorouders over telepathische gaven beschikten. 162 Maar bijzonder onthullend is als iemand als Zerzan “Shanks en Tilley” citeert: “De taak van de archeologie is niet alleen maar het verleden interpreteren, maar ook de manier veranderen waarop het verleden geïnterpreteerd wordt, ten dienste van de reconstructie van de maatschappij in het heden.” 163 Dat is in feite een openlijk pleidooi voor de stelling dat archeologen hun bevindingen moeten verdraaien ten bate van politieke doeleinden. Is er een beter bewijs denkbaar voor de massale politisering die de afgelopen 35 tot 40 jaar plaatsgevonden heeft binnen de Amerikaanse antropologie? Met het oog op deze politisering moet alles in de recente antropologische literatuur, dat het gedrag van primitieve volkeren politiek-correct beschrijft, uiterst sceptisch bezien worden.
Nadat ik tegenover Zerzan een aantal voorbeelden van genderongelijkheid aangevoerd had, die ik hierboven besproken heb, stelde ik zijn oprechtheid ter discussie op grond van het feit dat hij “systematisch vrijwel alle bewijsmateriaal had uitgesloten, dat het geïdealiseerde beeld ondermijnt van de jager-verzamelaargemeenschappen” dat hij wilde laten zien. 164 Zerzan antwoordde dat hij “niet veel geloofwaardigs had gevonden dat zijn visie tegensprak.” 165 Deze uitspraak is zelf nauwelijks geloofwaardig. Een aantal voorbeelden die ik ten overstaan van Zerzan aangehaald had, (en hierboven behandeld heb) waren ontleend aan boeken waarop hij zelf vertrouwd had — die van Bonvillain en Turnbull. 166 Toch was hij er op een of andere manier in geslaagd in die boeken alle bewijsmateriaal over het hoofd te zien, die zijn beweringen tegenspraken. Aangezien Zerzan veel gelezen heeft over jager-verzamelaargemeenschappen en de Australische Aboriginals tot de meest bekende jager-verzamelaars behoren, vind ik het moeilijk te geloven dat hij nooit verhalen tegengekomen is over de mishandeling van vrouwen door de Australiërs. Toch heeft hij nooit melding gemaakt van dergelijke verhalen, zelfs niet met de bedoeling ze te weerleggen.
Je hoeft niet zonder meer aan te nemen dat Zerzan bewust oneerlijk is. Zoals Nietzsche zei: “De meest voorkomende leugen is de leugen die je jezelf vertelt; liegen tegen anderen is vrij uitzonderlijk.” 167 Met andere woorden, zelfbedrog gaat vaak vooraf aan het bedriegen van anderen. Een belangrijke factor, die algemeen bekend is bij professionele propagandisten, zou hier kunnen zijn dat mensen de neiging vertonen om zich af te sluiten — vergeten te zien of zich te herinneren — van informatie die ze onaangenaam vinden. 168 Omdat informatie die iemands ideologie in opspraak brengt uiterst onaangenaam is, volgt daaruit dat mensen geneigd zijn om dat soort informatie buiten te sluiten. Een jonge anarchoprimitivist, met wie ik gecorrespondeerd heb, heeft me een verbijsterend voorbeeld aan de hand gedaan van dit verschijnsel. Hij schreef me: “Er bestaat geen twijfel over de hardnekkigheid van het patriarchaat in alle andere gemeenschappen in de Stille Oceaan, maar bij de [Australische] Aboriginals lijkt dat volledig te ontbreken — Volgens A. P. Elkins The Australian Aborigines, zaten vrouwen helemaal niet vast in een inperkend huwelijk.” 169 Het was duidelijk dat mijn anarchoprimitivistische vriend Elkins bespreking had gelezen over de positie van de vrouw in de Australische Aboriginalgemeenschap. Hierboven heb een aantal ter zake doende pagina’s geciteerd uit Elkins boek, bijvoorbeeld die waarin hij verklaart dat Australische Aboriginalvrouwen soms in angst leven voor de gedwongen seks die zij moesten ondergaan tijdens bepaalde ceremonies. Elk weldenkend mens die de moeite neemt die bladzijden te lezen, 170 zal merken dat hij met zijn mond vol tanden staat als hij zou moeten uitleggen hoe mijn anarchoprimitivistische vriend dat materiaal gelezen zou kunnen hebben en dan in alle ernst kan beweren dat het patriarchaat volledig lijkt te ontbreken in de Australische Aboriginalgemeenschap — tenzij mijn vriend zich gewoon afgesloten heeft voor de informatie die hij ideologisch onaanvaardbaar vond. Mijn vriend twijfelde niet aan de nauwkeurigheid van Elkins informatie; in feite zag hij Elkin als een autoriteit. De informatie die wees op het bestaan van een patriarchaat bij de Australische Aboriginals was hij gewoon vergeten. Maar inmiddels moet het voor de lezer genoegzaam duidelijk zijn dat waar de anarchoprimitivisten (en veel antropologen) op uit zijn, niets te maken heeft met rationeel zoeken naar de waarheid over primitieve culturen. In plaats daarvan zijn ze bezig geweest met het creëren van een mythe.
6. Ik
heb hier en daar al gelegenheid gehad melding te maken van geweld bij de
nomadische jager-verzamelaars. Voorbeelden van geweld, waaronder dodelijk
geweld, onder jager-verzamelaars zijn overvloedig. Om maar een paar van dat
soort voorbeelden te geven: “Er is een verslag gepubliceerd van een gevecht op
leven en dood tussen een inheemse groep Tasmaniërs die over oker beschikten en
een aan de kust levende groep die ingestemd had met het ruilen van zeeschelpen
voor het product van de anderen. De mensen uit het binnenland brachten hun oker
mee, maar de kustbewoners arriveerden met lege handen. Er werden mensen gedood
vanwege een schending van het vertrouwen over de twee materialen, die beide
niet eetbaar en van geen enkel praktisch nut waren. Met andere woorden: de Tasmaniërs
waren even ‘menselijk’ als de rest van de V.S.” 171 De
Tasmaniërs maakten hun eigen speren “in twee lengtes….de korte waren voor de
jacht, de langere om te vechten.” 172 Bij de jager-verzamelaars van
de Adamaneilanden werden “krenkingen niet vergeten en kon dan later wraak
genomen worden. De overvallers slopen door de jungle of naderden in kano’s. Ze
besprongen hun slachtoffers bij verrassing, schoten [met pijlen] snel alle
mannen en vrouwen dood die niet konden ontsnappen, en namen de niet-gewonde
kinderen mee om ze te adopteren…;” “Als er genoeg leden in leven gebleven waren
om opnieuw een groep te vormen, zouden ze uiteindelijk talrijk genoeg kunnen
worden om wraak te nemen en zou er ten slotte een vete kunnen ontstaan. [Pogingen
om vrede te sluiten] werden in gang gezet door de vrouwen, omdat zij het waren
die de vijandelijkheden levend gehouden hadden, door hun mannen op te hitsen.” 173
Bij
ten minste enkele groepen Australische Aboriginals daagden de vrouwen af en toe
hun mannen uit tot dodelijke gewelddadigheden tegen andere mannen. 174
Bij de Eskimo’s bij wie Gontran de Poncins verbleef, werd “heel wat gemoord,”
en soms was er een vrouw die haar man overhaalde om een andere man te doden. 175
Door prehistorische jager-verzamelaars vervaardigde grotschilderingen in het
Oosten van Spanje vertonen groepen mannen die tegen elkaar vechten met pijl en
boog. 176 Je
zou steeds maar door kunnen gaan. Maar ik wil niet de indruk wekken dat alle
jager-verzamelaars gewelddadig waren. Turnbull haalt talrijke niet-dodelijke
gevechten en afstraffingen aan onder de Mbuti, maar in zijn boeken die ik
gelezen heb vermeldt hij geen enkel geval van doodslag.177 Dat doet
vermoeden dat dodelijk geweld bij de Mbuti zelden voorkwam in de periode dat
Turnbull met hen omging. Siriono-vrouwen vochten soms lijfelijk, waarbij ze
elkaar met stokken sloegen en ook bij de kinderen was er sprake van heel wat
agressie, zelfs met stokken of brandende fakkels die gebruikt werden als wapen.
178 Maar mannen bevochten elkaar zelden met wapens, 179 en
de Siriono waren niet oorlogszuchtig. 180 Toen ze tot het uiterste
uitgedaagd werden doodden ze ook sommige blanken en tot het christendom
bekeerde Indianen, 181 maar onder de Siriono zelf was opzettelijke
doodslag vrijwel onbekend. 182 Bij de Bosjesmannen die Elisabeth
Thomas kende kwam agressie, in welke vorm dan ook, nauwelijks voor, hoewel ze
duidelijk maakt dat dat niet zonder meer gold voor alle Bosjesmangroepen. 183
Het is overigens belangrijk te beseffen dat dodelijk geweld bij primitieven in
de verste verte niet te vergelijken valt met de huidige oorlogvoering. Als
primitieven vechten schieten twee kleine groepjes mannen pijlen naar elkaar of
slingeren strijdknotsen, omdat ze willen vechten, of omdat ze zichzelf, hun
gezinnen of grondgebied willen verdedigen. In de tegenwoordige wereld vechten
soldaten omdat ze daartoe gedwongen worden, of op zijn best omdat ze
gehersenspoeld zijn zodat ze in een of andere maffe ideologie geloven zoals het
Nazisme, socialisme of wat Amerikaanse politici graag “vrijheid” noemen. In
ieder geval is de soldaat van tegenwoordig slechts een pion, een onnozele hals
die niet sterft voor zijn gezin of stam, maar voor politici die hem uitbuiten.
Als hij pech heeft gaat hij misschien niet dood maar komt afschuwelijk verminkt
weer thuis, op een manier die nooit door een pijl of speer aangericht zou
kunnen worden. Intussen zijn er wel duizenden niet-strijders gedood of
verminkt. Het milieu is verwoest, niet alleen in het oorlogsgebied, maar ook
thuis, door het toegenomen gebruik van natuurlijke hulpbronnen die nodig zijn
om de oorlogsmachine te voeden. In vergelijking daarmee is het geweld van de
primitieve mens betrekkelijk onschuldig. Dat is echter niet goed genoeg voor de
anarchoprimitivisten of de tegenwoordige politiek-correcte antropologen. Zij
kunnen het voorkomen van geweld bij jager-verzamelaars helemaal niet ontkennen,
omdat het bewijsmateriaal daarvoor onweerlegbaar is. Maar om de hoeveelheid
geweld in het verleden van de mens te minimaliseren zullen ze de waarheid zover
uitrekken dat ze denken daarmee weg te kunnen komen. Het is de moeite waard om
een voorbeeld te geven dat de domheid illustreert van sommige redeneringen die
ze gebruiken. Met betrekking tot de Homo habilis, qua lichaamsbouw een
primitieve voorloper van de tegenwoordige mens, schrijft de antropoloog
Haviland: “Ze bemachtigen hun vlees niet door levende dieren te doden maar als
aaseter; de Homo habilis kwam aan zijn vlees door dat van karkassen van
dode dieren halen, in plaats van te jagen op levende dieren. We weten dat omdat
de sporen van stenen werktuigen op de botten van geslachte dieren gewoonlijk over
de sporen die de tanden van vleeseters gemaakt hebben, heen liggen. Het is dus
duidelijk dat de Homo habilis de prooi niet als eerste bemachtigde.”184
Maar
Haviland had toch moeten weten dat veel of de meeste roofdieren zowel jagen als
aaseten. Bijvoorbeeld beren, Afrikaanse leeuwen, marters, veelvraten, wolven,
prairiehonden, jakhalzen, hyena’s, de Aziatische wasbeerhonden, de Komodovaraan
en sommige gieren jagen en eten aas. 185 Dus het feit dat de Homo
habilis aaseter was bewijst helemaal niet dat hij niet ook jaagde. Ik
benadruk dat ik niet weet of me er druk over maak of de Homo habilis jaagde.
Ik zie niet waarom het voor ons belangrijk zou zijn om te weten of tweemiljoen
jaar geleden onze mensachtige voorouders bloeddorstige moordenaars waren,
vreedzame vegetariërs of iets daartussenin. Het gaat er hier gewoon om, om te
laten zien tot wat voor redeneringen sommige antropologen hun toevlucht nemen
in hun poging om het verleden van de mens er zo politiek-correct mogelijk uit
te laten zien. Omdat politiek correct zijn niet alleen het beeld verwrongen
heeft van het verleden van de mens, maar ook van de wilde natuur in het
algemeen, zou er op gewezen moeten worden dat dodelijk geweld bij wilde dieren zich
niet beperkt tot het doden van de ene soort door een andere. Het doden van een
soortgenoot door een andere soortgenoot komt ook voor. Het is bijvoorbeeld
algemeen bekend dat wilde chimpansees vaak andere chimpansees doden.186
Olifanten doden soms een andere olifant tijdens een gevecht, en datzelfde geldt
voor wilde varkens. 187 Zeevogels met de naam bruine gent, leggen in
elk nest twee eieren. Nadat de eieren uitgebroed zijn valt het ene kuiken het
andere aan en werkt het uit het nest, zodat het doodgaat. 188 Komodovaranen
eten elkaar soms op, 189 en er zijn aanwijzingen voor dat kannibalisme
voorkwam bij bepaalde dinosauriërs.190 (Het bewijsmateriaal voor kannibalisme
bij prehistorische mensen is omstreden.) 191 Ik wil duidelijk stellen dat het op geen enkele manier mijn bedoeling is om geweld op te hemelen. Ik zie mensen (en dieren) liever vreedzaam met elkaar omgaan. Mijn opzet is alleen het irrationele te laten zien van het politiek-correcte beeld van primitieve mensen en de wilde natuur.
7. Een
belangrijk bestanddeel van de anarchoprimitivistische mythe is het geloof dat
jager-verzamelaarsgemeenschappen geen rivaliteit kenden en zich in plaats
daarvan kenmerkten door samen delen en samen werken. Collin Turnbulls eerste
publicaties over de Mbuti-pygmeeën lijken heel oprecht, maar zijn werk neigde in
de loop der tijd steeds meer naar politieke correctheid.192 In
1983 (respectievelijk 18 en 21 jaar nadat hij Wayward Servants en The
Forest People gepubliceerd had), noteerde Turnbull dat Mbuti-kinderen
geen spelen met een wedstrijdelement kenden, 193 en nadat hij verwezen
had naar de grote waarde die de tegenwoordige maatschappij volgens hem hecht
aan “competitie” en ‘economische onafhankelijkheid,” 194 stelde hij
daar “de beproefde oorspronkelijke waarden van het familie in het groot”
tegenover: onafhankelijkheid, samenwerking en vertrouwen op de gemeenschap…in
plaats van op jezelf” 195 Maar
volgens Turnbulls vroegere eigen publicaties waren bij de Mbuti lijfelijke
gevechten aan de orde van de dag. 196 Als zo’n gevecht geen vorm van
rivaliteit is, wat is het dan wel? Het is eigenlijk duidelijk dat de Mbuti een
heel ruzieachtig volk was, en naast lijfelijke gevechten vonden bij hen ook
veel verbale ruzies plaats.197 Over het algemeen gesproken is elke
ruzie, of die nou lijfelijk of verbaal uitgevochten wordt, een vorm van
competitie: de belangen van de ene persoon zijn strijdig met die van een ander
en hun ruziemaken is een poging van elk van beiden om zijn eigen belangen te
verdedigen ten koste van die van de ander. De jaloezie van de Mbuti was ook een
blijk van rivaliserende drijfveren. 198 Twee
zaken waar de Mbuti ruzie over maakten waren partners en voedsel. Ik heb al het
geval vermeld van twee vrouwen die om een man vochten, 199 en
ruziemaken over voedsel kwam duidelijk vaak voor. 200 Vermeldenswaard
is dat Turnbull in zijn vroegere werk de Mbuti beschreef als “individualisten.”
201 Er bestaat overvloedig bewijsmateriaal over de competitieve
instelling en/of het individualisme bij primitieve volkeren. De Nuer
(Afrikaanse veefokkers), de heidense Duitse stammen, de Indianen van de
Cariben, de Siriono (die voornamelijk leefden van jagen en verzamelen) de
Navajo, Apachen, Prairie-indianen en de Noor-Amerikaanse Indianen in het
algemeen, zijn allemaal expliciet beschreven als “individualistisch.” 202
Maar “individualisme” is een vaag begrip dat voor verschillende personen
verschillende dingen kan betekenen; het is dus zinniger om te kijken naar
ondubbelzinnige gerapporteerde feiten. Een aantal van de werken die ik
geciteerd heb in voetnoot 202, ondersteunen hun toepassing bij de volkeren van
het begrip “individualistisch” met feiten. Holmberg schrijft: “Wanneer
een Indiaan [Siriono] volwassen is geworden spreidt hij een opmerkelijk
individualisme en onverschilligheid ten opzicht van zijn kameraden te toon. De
duidelijke onverschilligheid van het ene individu ten opzichte van het andere —
zelfs binnen de familie — bleef me voortdurend verbazen in de tijd dat ik bij
de Siriono verbleef. Vaak gingen mannen alleen op jacht — zonder zoiets als een
afscheidsgroet — en bleven dan weken achtereen weg van de groep zonder enige
bezorgdheid van de kant van hun medestamgenoten of zelfs hun vrouw….” “Onverschilligheid
ten opzichte van de medemens komt voor in alle soorten en maten. Op zeker
moment ging Ekwaita op jacht. Bij zijn terugkeer werd hij ongeveer vijfhonderd
meter van het kamp overvallen door de duisternis. Het was pikkedonker en
Ekwaita verdwaalde. Hij begon om hulp te roepen — of iemand hem vuur wilde
brengen of door geroep naar het kamp kon leiden. Niemand besteedde aandacht aan
zijn verzoek. Na ongeveer een half uur hield zijn geroep op en zei zijn zuster
Seaci: ‘Waarschijnlijk gepakt door een jaguar.’ Toen Ekwaita de volgende
ochtend terugkwam, vertelde hij me dat hij de nacht zittend op een boomtak
doorgebracht had, om niet door een jaguar opgegeten te worden.” 203
Holmberg maakt herhaaldelijk opmerkingen over het gebrek aan hulpvaardigheid
van de Siriono, en vertelt dat mensen die gebrekkig werden door ouderdom of
ziekte door de anderen gewoon in de steek gelaten werden. 204 Bij
andere primitieve volkeren neemt het individualisme andere vormen aan. Bij de
meeste Noord-Amerikaanse Indianen was oorlogvoeren bijvoorbeeld een uitgesproken
individualistische onderneming. “De Indianen, die zeer individualistisch zijn
en vaak meer voor eigen glorie dan ten behoeve van de groep vechten, hebben
nooit een krijgskunst ontwikkeld.” 205 Volgens de Cheyenne-Indiaan Wooden
Leg: “Als een gevecht daadwerkelijk begon, was het een zaak van ieder voor
zich. Er was geen sprake van geordend groeperen, geen gezamenlijke
gestructureerde bewegingen, geen verplicht komen en gaan. Krijgers liepen
lukraak door elkaar heen, iedereen zorgde alleen maar voor zichzelf, of hielp
een vriend als dat nodig was en als zijn hoofd er naar stond om hem behulpzaam
te zijn. De Siouxstammen leverden hun gevechten als een groep individuen, op
dezelfde manier waarop wij en alle Indianen die ik ooit gekend heb dat doen.” 206
Gedurende de eerste helft van de 20e eeuw interviewde Stanley Vestal veel Prairie-Indianen, die zich die oude tijd nog herinnerden. Hij zegt daarover:
“Het
kan niet vaak genoeg herhaald worden dat de Indiaan — behalve als hij zijn kamp
verdedigt — volstrekt onverschillig stond ten opzichte van het totale resultaat
van het gevecht: hij bekommerde zich alleen om zijn eigen succes. Steeds weer
hebben ouden mannen me verteld, als we hadden over een bepaald gevecht: ‘Die
dag is er niets gebeurd,’ wat gewoon betekent dat de spreker geen heldendaad
heeft verricht;” 207 “Prairie-Indianen konden niet volgens plan
oorlog voeren. Zij hadden geen discipline. Bij de sporadische gelegenheid
waarbij ze wel een plan hadden, voerde een of andere eerzuchtige man dan zonder
twijfel een voortijdige aanval uit.” 208 Vergelijk dat met het oorlog voeren van de tegenwoordige man: troepen bewegen zich voort, gehoorzamend aan zorgvuldig uitgewerkte plannen; iedereen moet een speciale taak uitvoeren, in samenwerking met anderen, en doet dat niet voor zijn eigen eer, maar ten behoeve van het leger als geheel. Bij het oorlog voeren is het dus de tegenwoordige man die samenwerkt en is de primitieve man over het algemeen een individualist.
Individualisme
bij de primitieven beperkt zich niet tot oorlog voeren. Bij de Indianen in het
subarctische Noord-Amerika, die jager-verzamelaars waren, was sprake van een
“individualistische relatie met het bovennatuurlijke”, “zelfstandigheid,” en
“werd veel waarde gehecht aan persoonlijke autonomie.” 209 Australische
Aboriginalkinderen werd “geleerd zelfstandig te zijn.” 210 Bij de
bosindianen in het Oosten van de Verenigde Staten, “werd grote nadruk gelegd op
zelfstandigheid en individuele bekwaamheid,” 211 en de Navajo
“drongen aan op zelfstandigheid.” 212 De Nuer in Afrika hemelden de
deugden “eigenzinnigheid” en “onafhankelijkheid” op; “Hun enige karaktertoets
is of iemand zich kan handhaven.” 213 Bewijzen van rivaliteit bij
primitieven zijn overvloedig. Naast de Mbuti vochten in ieder geval ook een
aantal andere jager-verzamelaars om partners en voedsel. “Je hoeft niet lang
onder de Siriono te verkeren om te merken dat ruzie maken en vechten
alomtegenwoordig zijn.” 214 Het merendeel van de ruzies “ontstond rechtstreeks
over voedselkwesties,” maar bij de Siriono leidde ook seksuele jaloezie tot
gevechten en ruzies. 215 De Australische Aboriginals vochten om het
bezit van vrouwen. 216 Poncins vermeldt het geval van een Eskimo die
een andere man doodde om zijn vrouw in te pikken en verklaart dat elke Eskimo
zou doden om te voorkomen dat zijn vrouw wordt afgepakt. 217 Ondanks
Turnbulls opmerking dat Mbuti-kinderen geen spelen met een wedstrijdelement
kennen, deden sommige volwassen Mbuti aan touwtrekken, wat duidelijk een competitief
spel is; 218 en bepaalde andere primitieve volkeren kenden ook
competitieve spelen. Massola maakt melding van oorlogspelletjes bij de
Australische Aboriginals, en een balspel, waarbij “de jongen die de bal het
vaakst opving als winnaar werd beschouwd.” 219 Het spel lacrosse is
ontstaan bij de Algonkin-Indianen. 220 Navaho-kinderen van beiderlei
kunne hielden hardloopwedstrijden, 221 en bij de Prairie-Indianen
waren bijna alle jongenspelletjes competitief. 222 De Cheyenne-Indiaan
Wooden Leg beschreef een aantal competitieve sporten waar zijn volk aan deed:
“Paardenraces, hardloopwedstrijden, worstelpartijen, schijfschieten met geweer
en pijl en boog, pijlwerpen met de hand, zwemmen, springen en soortgelijke
wedstrijden.” 223 De Cheyenne-Indianen wedijverden ook in oorlog,
jacht en “alle belangrijke activiteiten.” 224 Richard E. Leakey citeert het volgende van Richard Lee: “Samen delen dringt diep door in het gedrag en de waarden van de !!Kung-[Bosjesmannen]-verzamelaars. Samen delen staat centraal in de manier van leven van voedselverzamelende gemeenschappen.” Leakey voegt daaraan toe: “Dit is geen etnisch kenmerk dat zich beperkte tot de !!Kung: het is een karaktertrek van jager-verzamelaars in het algemeen.” 225 Natuurlijk, wij delen ook. We betalen belasting. Ons belastinggeld wordt gebruikt om arme of gehandicapte mensen te helpen door middel van sociale bijstandprogramma’s, en andere overheidsactiviteiten uit te voeren, waarvan verondersteld wordt dat ze het algemeen welzijn bevorderen. Werkgevers delen met hun werknemers door hen loon te betalen. Maar hè! antwoord je dan, wij delen alleen omdat daartoe gedwongen worden. Als we proberen de belasting te ontduiken, moeten we naar de gevangenis; als een werkgever te weinig loon en faciliteiten biedt, wil niemand voor hem werken of krijgt hij misschien problemen met de wet op het minimumloon. Het verschil is dat jager-verzamelaars vrijwillig deelden, uit vriendelijke, hartelijke vrijgevigheid….ja toch?
Nou,
niet helemaal. Net zoals ons samen delen gestuurd wordt door belastingwetten,
cao’s en dergelijke, werd het delen in jager-verzamelaargemeenschappen
doorgaans gestuurd door “strikte procedurele regels” die “in acht genomen
moesten worden om de vrede te bewaren.” 226 Veel jager-verzamelaars
deelden met evenveel tegenzin hun voedsel als wij onze belastingen betalen, en zorgden
er even angstvallig voor dat ze ook maar niet iets minder kregen dan waar ze
recht op hadden. Bij de Bosjesmannen van Richard Lee: “Vindt de verdeling [van
vlees] zeer zorgvuldig plaats, volgens een aantal regels. Een onjuiste
verdeling van het vlees kan de oorzaak zijn van bittere ruzies onder nauwe
verwanten.” 227 Bij de Tikerarmiut-Eskimo’s konden, zelfs terwijl de
regels voor het verdelen van walvisvlees “angstvallig in acht genomen werden,
nog steeds luidruchtige ruzies voorkomen.” 228 De Siriono kenden voedseltaboes,
die zouden kunnen dienen als regels voor de verdeling van vlees, maar vaak
veronachtzaamd werden. 229 Hoewel de Siriono voedsel deelden, deden
ze dat met enorme tegenzin: 230 “De mensen klaagden voortdurend en
maakten ruzie over de verdeling van voedsel. Enia zei ooit op een avond tegen
me: “Als iemand in de buurt van het huis komt, verstoppen de vrouwen het vlees.
Vrouwen stoppen zelfs vlees in hun vagina om het te verbergen.” 231
“Als bijvoorbeeld iemand voedsel deelt met een familielid, heeft hij het recht
iets terug te verwachten. Wederkerigheid is echter vrijwel altijd afgedwongen
en soms zelfs vijandig. Samen delen komt in feite amper voor zonder een zekere
mate van wederzijds wantrouwen en onbegrip.” 232 De Mbuti hadden regels
voor het delen van vlees, 233 maar er was “vaak heel wat gekibbel
over de verdeling van de jachtbuit.” 234 “Als een dier gedood is,
wordt het meegenomen om het na terugkeer in het kamp te verdelen. Dat wil niet
zeggen dat het delen plaatsvindt zonder enige ruzie of bitterheid. Integendeel,
de ruzies die ontstaan als de jagers terug zijn in het kamp zijn vaak langdurig
en luidruchtig;” 235 “Als de jagers teruggekeerd zijn in het kamp
zijn er zowel mannen als vrouwen, maar vooral vrouwen, te zien die stiekem wat
van de buit verbergen onder de bladeren van hun dak of in lege potten;” 236
“Het zou ongewoon zijn als een Mbuti-vrouw niet een deel van de vangst zou
verbergen in het geval dat ze het moest delen met anderen.” 237 Het
feit dat sommige jager-verzamelaars vaak ruzieden over de verdeling is in
tegenspraak met de beweringen van de anarchoprimitivisten over de “primitieve
overvloed.” Als voedsel zo gemakkelijk te verkrijgen was, waarom zouden ze er
dan ruzie over maken? Daarnaast dient opgemerkt te worden dat de algemene regel
van samen delen bij jager-verzamelaars hoofdzakelijk gold voor vlees. Er was
betrekkelijk weinig sprake van delen bij plantaardig voedsel, 238 zelfs
als dat vaak het grootste gedeelte vormde van het dieet. 239 Maar
ik wil niet de indruk wekken dat alle primitieve volkeren of alle jager-verzamelaars
radicale individualisten waren die nooit samenwerkten en nooit deelden, behalve
onder dwang. De Siriono waren wat betreft egoïsme, harteloosheid en niet
samenwerken, een uitzondering. Bij de meeste primitieve volkeren waarover ik
gelezen heb, schijnt een redelijk evenwicht te hebben bestaan tussen
samenwerken en competitie, delen en egoïsme, individualisme en gemeenschapszin.
Coon zegt dan wel dat jager-verzamelaars buiten het huishouden plantaardig
voedsel, schelpdieren en dergelijke doorgaans niet deelden, maar duidt ook aan
dat dergelijke voedingsmiddelen wel gedeeld werden met andere gezinnen, als die
laatsten honger hadden. 240 Ondanks hun individualistische trekken
hechtten de Cheyenne-Indianen (en waarschijnlijk ook ander Prairie-Indianen)
veel waarde aan vrijgevigheid (d.w.z. vrijwillig delen), en datzelfde gold voor
de Nuer.242 De Eskimo’s bij wie Gontran de Poncins een tijd
doorbracht waren zo gul in het delen van hun bezittingen dat Poncins hun
gemeenschap beschreef als “ogenschijnlijk communistisch” en verklaarde dat “ze
allemaal samenwerkten en er geen grein egoïsme bestond.” 243
(Poncins merkte echter wel op dat een Eskimo verwachtte dat elk geschenk
uiteindelijk terugbetaald werd met een tegengeschenk). 244 Hoe
belangrijk de Mbuti samenwerken vonden bij de jacht en sommige andere
activiteiten, is beschreven door Turnbull, 245 die ook vermeldt dat
niet samen delen in tijden van schaarste een “misdrijf” was, 246 en
dat de Mbuti tot op zekere hoogte ook deelden als daar geen noodzaak voor was. 247
In
tegenstelling tot de door de Siriono betoonde harteloosheid, werden bij de
Mbuti oude en gebrekkige mensen met zorg en respect bejegend, wat hoofdzakelijk
voortkwam uit genegenheid en verantwoordelijkheidsgevoel. 248
Poncins Eskimo’s plachten hulpeloze oude mensen achterlaten om te sterven als
het te moeilijk werd om nog langer voor hen te zorgen, maar ze moeten dat met
tegenzin gedaan hebben, omdat zij, zolang ze die oude mensen bij zich hadden,
“onderweg de oude mensen in de gaten hielden en vaak naar de slee terugliepen
om te kijken of de oude mensen warm genoeg waren, het behaaglijk hadden, of
misschien honger hadden en wat vis wilden.” 249 Zoals je steeds maar door kunt gaan met het geven van voorbeelden van egoïsme, competitie en agressie bij de jager-verzamelaars, kun je dat ook doen met voorbeelden van vrijgevigheid, samenwerken, en liefde bij hen. Ik heb voornamelijk alleen maar de nadruk gelegd op voorbeelden van egoïsme, competitie en agressie, omdat ik de behoefte had de mythe van de anarchoprimitivisten te ontzenuwen, die het leven van jager-verzamelaars afschildert als een soort politiek-correcte Hof van Eden.
Als Colin Turnbull de tegenwoordige “competitie,” “onafhankelijkheid,” en “zelfstandigheid” tegenover de “beproefde primitieve waarden van onderlinge afhankelijkheid, samenwerking en vertrouwen stellen in de gemeenschap” stelt, houdt hij zichzelf gewoon voor de gek. Zoals we eerder hebben gezien zijn de laatste waarden niet speciaal kenmerkend voor primitieve gemeenschappen. En je hoeft maar even na te denken om te zien dat zelfstandigheid in de huidige maatschappij vrijwel onmogelijk is geworden, en dat samenwerken en onderlinge afhankelijkheid zich ontwikkeld hebben tot een oneindig veel grotere omvang dan ooit het geval zou kunnen zijn in een primitieve samenleving.
Tegenwoordig zijn naties uitgebreide, buitengewoon georganiseerde systemen, waarin elke onderdeel afhankelijk is van elk ander onderdeel. Fabrieken en olieraffinaderijen zouden niet kunnen functioneren zonder door krachtcentrales geleverde elektriciteit, de krachtcentrales hebben reserveonderdelen nodig die vervaardigd worden in de fabrieken, de fabrieken hebben materialen nodig die niet vervoerd zouden kunnen worden zonder door olieraffinaderijen vervaardigde brandstof. De fabrieken, raffinaderijen en krachtcentrales zouden niet kunnen werken zonder arbeiders. De arbeiders hebben op boerenbedrijven geproduceerd voedsel nodig, de boerenbedrijven hebben brandstof en reserveonderdelen nodig voor tractoren en werktuigen en kunnen dus niet zonder de olieraffinaderijen en fabrieken, enzovoort. En zelfs een moderne natie is niet langer een zichzelf bedruipende eenheid. Elk land is in toenemende mate afhankelijk van de wereldeconomie. Omdat het tegenwoordige individu niet zou kunnen overleven zonder de goederen en diensten die geleverd worden door het wereldwijde techno-industriële mechaniek, is het absurd te spreken over zelfstandigheid. Om het hele mechaniek draaiende te houden, is een uitgebreid, tot in detail uitgewerkt, gechoreografeerd systeem nodig. Mensen moeten aanwezig zijn op hun werkplek op precies vastgestelde tijdstippen, en verrichten hun werk volgens gedetailleerde regels en procedures, om er zeker van te zijn dat elke verrichting van het individu in de pas loopt met die van ieder ander. Om het verkeer soepel en zonder ongelukken en files te laten verlopen, moeten mensen samenwerken door zich te voegen naar talrijke verkeersregels. Afspraken moeten nagekomen, belastingen betaald, vergunningen verleend, wetten gehoorzaamd worden, enz., enz., enz. Er is nooit een primitieve gemeenschap geweest, die een zo verreikend en uitgewerkt systeem van samenwerking had, of het gedrag van het individu zo gedetailleerd geregeld heeft. Onder deze omstandigheden lijkt de bewering dat de huidige maatschappij gekenmerkt wordt door “onafhankelijkheid” en “zelfstandigheid,” in tegenstelling tot de primitieve onderlinge afhankelijkheid en samenwerking, een bizarre uitspraak.
Daarop zou geantwoord kunnen worden dat de huidige mens alleen maar met het systeem samenwerkt omdat hij daartoe gedwongen wordt, terwijl ten minste een deel van het samenwerken van de primitieve mens min of meer vrijwillig is. Dat is natuurlijk juist en de reden daarvoor is duidelijk. Juist omdat ons systeem van samenwerken zo hoogontwikkeld is, is het buitengewoon veeleisend en daarom zó bezwarend voor het individu, dat maar weinig mensen zich daarin zouden schikken, als ze niet bang zouden zijn om hun baan te verliezen, een boete te moeten betalen of in de gevangenis te belanden. Het samenwerken van de primitieve mens kan deels vrijwillig zijn, juist omdat van de primitieve mens veel minder samenwerken wordt gevergd dan van de huidige mens. Wat de huidige maatschappij aan de buitenkant de schijn van individualisme, onafhankelijkheid en zelfstandigheid verleent, is het verdwijnen van de banden die individuen vroeger verenigden tot kleinschalige gemeenschappen. Tegenwoordig heeft het kerngezin doorgaans weinig te maken met zijn naaste buren of zelfs hun verwanten. De meeste mensen hebben vrienden, maar tegenwoordig zijn vrienden geneigd elkaar alleen maar te gebruiken ter vermaak. Doorgaans werken ze niet samen in economische of andere serieuze, praktische activiteiten, en bieden elkaar evenmin veel tastbare of economische zekerheid. Als je invalide wordt, verwacht je niet dat je vrienden je helpen. Je bent afhankelijk van verzekering of bijstand. Maar de banden van samenwerking en wederzijdse hulp die ooit de jager-verzamelaars aan zijn groep bonden, zijn niet gewoon in rook opgegaan. Ze zijn vervangen door banden die ons aan het techno-industriële systeem als geheel binden, en ons strakker vastbinden dan de jager-verzamelaar aan zijn groep. Het is absurd te beweren dat iemand onafhankelijk, zelfstandig of een individualist is, omdat hij tot een collectief behoort van honderden miljoenen mensen, in plaats tot van een van dertig of vijftig personen. Competitie is in ons maatschappij veel hechter verankerd dan dat in de meeste primitieve gemeenschappen het geval was. Zoals we hebben gezien konden Mbuti-vrouwen met hun vuisten ruziemaken om een man; ze konden met elkaar wedijveren over voedsel door wat te pikken of het op een schreeuwen zetten bij het verdelen van het vlees. Australische Aboriginal-mannen vochten met elkaar met dodelijke wapens om vrouwen.250 Maar een dergelijke onverholen en onbeperkte competitie kan in de tegenwoordige maatschappij niet geduld worden, omdat dat het ingewikkelde en nauwkeurig afgestemde systeem van samenwerken zou verstoren. Daarom heeft onze maatschappij uitlaatkleppen ontwikkeld voor de competitieve drijfveren die voor het systeem onschadelijk of soms zelfs nuttig zijn. Tegenwoordig wedijveren mannen niet om vrouwen, of omgekeerd, door te vechten. Mannen wedijveren om vrouwen door geld te verdienen en in een indrukwekkende auto te rijden; vrouwen wedijveren om mannen door aan hun aantrekkelijkheid en uiterlijk te werken. Leidinggevenden in bedrijven wedijveren door naar promotie te streven. In dit kader is competitie onder leidinggevenden een instrument dat hen aanmoedigt samen te werken met het bedrijf, want degene die de promotie in de wacht sleept, is degene die het bedrijf het best van dienst is. Het valt best aannemelijk te maken dat in de huidige maatschappij competitieve sporten functioneren als uitlaatklep voor agressieve en competitieve driften die ernstige verstorende gevolgen zouden hebben als ze geuit worden op de manier waarop veel primitieve volkeren dat met dergelijke driften doen. Het is duidelijk dat het systeem behoefte heeft aan mensen die coöperatief en gehoorzaam zijn en bereid zijn afhankelijkheid te aanvaarden. Zoals de historicus Theodore Von Laue dat stelt: “Als basis voor haar vrijheden vereist de geïndustrialiseerde maatschappij een ongelofelijke volgzaamheid [sic].” 251 Zodoende zijn gemeenschap, coöperatie en het helpen van anderen diepgewortelde, fundamentele waarden geworden van de huidige maatschappij. Maar hoe zit dat dan met de waarde die zogenaamd toegekend wordt aan onafhankelijkheid, individualisme en competitie? Terwijl de woorden “gemeenschap,” “samenwerken,” en “helpen” in onze maatschappij eenstemmig aanvaard worden als “goed, “zijn de woorden “individualisme” en “competitie” beladen en tweesnijdende woorden die met enige behoedzaamheid gebruikt dienen te worden, als je het risico van een afwijzende reactie wil vermijden. Ter illustratie de volgende anekdote: toen ik in de zevende of achtste klas zat vroeg onze onderwijzer, die geneigd was wat onbehouwen om te gaan met de kinderen, een meisje het land te noemen waarin ze woonde. Het meisje was niet zo snugger en wist kennelijk de volledige naam de Verenigde Staten van Amerika niet, dus antwoordde ze gewoon: “De Staten.” “Wat voor Staten?” vroeg de onderwijzer. Het meisje zat daar maar met een uitdrukkingsloos gezicht. De leraar bleef aandringen op een antwoord, tot ze een poging waagde: “De Gemeenschappelijke-staten?”
Waarom “gemeenschap”? Natuurlijk omdat “gemeenschappelijk” een lekker woord was, het soort woord dat een kind kon gebruiken om bij de onderwijzer een punt met een griffel te halen. Zou ooit een kind in een soortgelijke situatie hebben geantwoord “De Verenigde Competitie-staten” of de Verenigde Individualisme-staten?” Waarschijnlijk niet!
Het wordt doorgaans als vanzelfsprekend beschouwd dat woorden zoals “gemeenschap,” “samenwerken,” “helpen” en “samen delen” iets positiefs weergeven, maar “individualisme” wordt in de toonaangevende media of het onderwijssysteem zelden gebruikt in een ondubbelzinnig positieve betekenis. “Competitie” wordt wel vaker gebruikt in een positieve betekenis, maar op die manier alleen in een bepaalde context, waarin competitie nuttig (of in ieder geval onschadelijk) is voor het systeem. Competitie wordt bijvoorbeeld wenselijk geacht in de zakenwereld, omdat daardoor inefficiënte bedrijven uit de weg geruimd worden, andere bedrijven aangespoord worden om efficiënter te worden en daardoor economische en technologische vooruitgang bevorderd worden. Maar gewoonlijk wordt alleen gunstig gesproken over gecontroleerde competitie — dat wil zeggen, competitie die gebonden is aan regels, bedoeld om die onschadelijk of nuttig te maken. En als competitie gebruikt wordt in een positieve betekenis, wordt die altijd gerechtvaardigd als waardevol voor de samenleving. Zakelijke competitie wordt dus als goed geschouwd omdat het doelmatigheid en vooruitgang bevordert, die zogenaamd goed zijn voor de gemeenschap als geheel.
“Onafhankelijkheid” is ook een “goed” woord, maar alleen als het op bepaalde manieren gebruikt wordt. Als bijvoorbeeld iemand het heeft over gehandicapten “onafhankelijk” maken, wordt daaronder nooit verstaan hen onafhankelijk te maken van het systeem. Dan wordt alleen bedoeld dat ze van een betaalde baan voorzien moeten worden, zodat de samenleving niet opgezadeld wordt met de kosten voor hun onderhoud. Als ze eenmaal een baan gevonden hebben, zijn ze in alle opzichten even afhankelijk van het systeem als toen ze nog van de bijstand leefden en hebben dan heel wat minder vrijheid om zelf te bepalen hoe ze hun tijd doorbrengen. Maar waarom stellen politiek-correcte antropologen, en anderen zoals zij, dan zo graag de zogenaamde primitieve waarden als “gemeenschap,” “samenwerking,” samen delen” en “onderlinge afhankelijkheid” tegenover wat zij beweren dat de huidige waarden zijn: “competitie,” “individualisme” en “onafhankelijkheid”? Een belangrijk deel van het antwoord is zonder twijfel dat politiek-correcte mensen de waarden die de propaganda van het systeem hen geleerd heeft, waaronder de waarden “samenwerken,” “gemeenschap,” “helpen” enzovoort, te zeer eigen hebben gemaakt. Een andere waarde die zij zich door die propaganda eigen hebben gemaakt, is “verdraagzaamheid,” die in een transculturele context de neiging vertoont geïnterpreteerd te worden als neerbuigend instemmen met niet-Westerse culturen. Tegenwoordig wordt daarom een goed-aangepaste antropoloog geconfronteerd met een conflict: omdat hij verondersteld wordt verdraagzaam te zijn, vindt hij het moeilijk iets slechts te zeggen over primitieve culturen. Maar primitieve culturen leveren een overvloed aan voorbeelden van gedrag dat uitgesproken slecht is vanuit het standpunt van de huidige Westerse waarden. De antropoloog moet dus veel van dat “slechte” gedrag uit de beschrijvingen van primitieve culturen schrappen, om te voorkomen dat hij hen in een negatief daglicht zet. Bovendien heeft de politiek-correcte antropoloog, dankzij zijn eigen buitensporige aanpassing, de behoefte om te rebelleren. 252 Hij is te zeer aangepast om zich te ontdoen van de fundamentele waarden van de huidige maatschappij, en daarom uit hij zijn vijandigheid ten opzichte van die maatschappij door feiten te verdraaien, en zodoende de schijn te wekken dat de huidige maatschappij in een veel grotere mate afwijkt van haar eigen vastgestelde waarden dan in feite het geval is. Vandaar dat de antropoloog ten slotte de competitieve en individualistische aspecten van de huidige maatschappij uitvergroot, terwijl hij deze aspecten van primitieve gemeenschappen schromelijk afzwakt.
Er is natuurlijk meer aan de hand en ik kan niet beweren dat ik de psyche van die mensen helemaal begrijp. Het lijkt bijvoorbeeld overduidelijk dat de politiek-correcte beschrijving van jager-verzamelaars deels ingegeven is door de drang om een beeld te construeren van een pure en onschuldige, bij de dageraad van de tijd bestaande wereld, analoog aan de Hof van Eden, maar de reden van die drang is me niet duidelijk.
8. Hoe
zit het met de relatie van jager-verzamelaars met dieren? Sommige
anarchoprimitivisten lijken te denken dat dieren en mensen ooit “vreedzaam
naast elkaar leefden” en dat hoewel dieren tegenwoordig soms mensen eten,
“dergelijke aanvallen door dieren betrekkelijk zelden voorkomen” en “deze
dieren gebrek aan voedsel hebben, wat te wijten is aan het opdringen van de
beschaving en daardoor vooral gedreven worden door grote honger en radeloosheid.
Dat is ook te wijten aan onze onwetendheid over de gedragingen en sporen van
het dier, beschadigd gebladerte en andere signalen die onze voorouders [sic]
wel kenden maar wij door onze domesticatie verleerd zijn.” 253 Het is
zonder twijfel waar dat de kennis van jager-verzamelaars van de gewoonten van
dieren hen veiliger maakte in de wildernis dan een tegenwoordige mens zou zijn.
Het is ook waar dat aanvallen op mensen door wilde dieren betrekkelijk zeldzaam
zijn en zijn geweest, waarschijnlijk omdat dieren door bittere ervaringen
hebben geleerd dat het riskant is om op mensen te jagen. Maar voor
jager-verzamelaars betekenden wilde dieren in vele omgevingen geen beduidend
gevaar. De Siriono-jager “stond af en toe bloot aan aanvallen door jaguars,
krokodillen en giftige slangen.” 254 Voor de Mbuti vormden
luipaarden, kafferbuffels en krokodillen een heuse bedreiging. 255 Anderzijds
werd, heel opmerkelijk, verteld dat de Kadar (jager-verzamelaars in India) “een
wapenstilstand hadden gesloten met de tijgers, die hen in de oude tijden
absoluut met rust lieten. 256 Daarvan is dit het enige geval dat ik
ken. Jager-verzamelaars vormden een veel groter gevaar voor de dieren dan andersom,
omdat zij natuurlijk op dieren jaagden voor hun voedsel. Zelfs de Kadar, die
geen jachtwapens kenden en hoofdzakelijk van wilde bataten leefden, maakten af
en toe gebruik van graafstokken om kleine dieren te doden voor voedsel. 257
Jachtmethoden konden wreed zijn. Mbuti-pygmeeën plachten met een giftige speer
een olifant in de buik te steken; het dier stierf dan aan een peritonitis (een ontsteking
van het buikvlies) binnen de daarop volgende 24 uur. 258 De
Bosjesmannen schoten prooidieren met giftige pijlen en de dieren stierven dan
een langzame dood in een tijdspanne die wel drie dagen kon duren. 259
Prehistorische jager-verzamelaars slachtten dieren massaal af door ze van steile
rotsen of oevers af te jagen.260 Het gebeuren was nogal gruwelijk en
waarschijnlijk pijnlijk voor de dieren, omdat sommigen van hen niet meteen
doodvielen maar alleen maar gewond raakten. De Indiaan Wooden Leg zei: “Ik heb
meegeholpen met antilopenkudden de afgrond in te jagen. Veel van hen werden
gedood of braken poten. De gewonde dieren knuppelden we dood.” 261 Dat
is nou niet precies wat anarchoprimitivisten aanspreekt.
Anarchoprimitivisten zouden graag willen dat jager-verzamelaars dieren alleen
maar in zoverre leed berokkenen als dat nodig was om aan vlees te komen. Maar
dat klopt niet. Heel wat van de wreedheid van jager-verzamelaars was onnodig.
In The Forest People, vertelt Turnbull: “De jongen had met zijn eerste worp [de sindula] met zijn speer doorboord, en het dier aan de grond gespiesd door het vlezige deel van zijn buik heen. Maar het dier was nog steeds springlevend en vocht om vrij te komen. Maipe stak nog een speer in zijn nek, maar het bleef kronkelen en vechten. Pas toen een derde speer zijn hart doorboorde gaf het dier het gevecht op.
“Een opgewonden groep pygmeeën stond er omheen, wezen op het stervende dier en lachten. Een jongen van ongeveer negen jaar, wierp zich op de grond, kromp ineen tot een potsierlijk hoopje en deed de laatste stuiptrekkingen van de sindula na….
“Andere keren heb ik
Pygmeeën bij nog levende vogels veren zien verschroeien, waarbij ze verklaarden
dat het vlees malser is als ze langzaam doodgaan. En de jachthonden, hoe
waardevol ze ook zijn, worden genadeloos rondgeschopt van de dag dat ze geboren
worden tot de dag dat ze doodgaan.” 262 Een paar jaar later schreef Turnbull in Wayward Servants (Eigenzinnige dienaren): “Het moment van doden kan het best beschreven worden als een moment van intens mededogen en eerbied. De gekheid die vervolgens soms gemaakt wordt over het dode dier, vooral door de jeugd, lijkt bijna een reactie van opwinding, en er zit iets angstigs in hun gedrag. Anderzijds kan er met een levend gevangen vogel gespeeld worden, en de veren afgeschroeid worden boven een vuurtje terwijl het dier nog steeds fladdert en krijst, tot het ten slotte verbrandt of stikt. Ook dat wordt doorgaans gedaan door jonge mensen, die daarbij dezelfde zenuwachtige pret tonen; heel zelden is een jonge jager zo verstrooid [!?] dat hij datzelfde doet. Oude jagers en ouders keuren dat in het algemeen af, maar komen niet tussenbeide;” “Het respect schijnt niet bestemd te zijn voor het dier maar voor de jachtbuit, als gave van het woud.” 263 Dat lijkt niet helemaal te stroken met wat Turnbull eerder verklaarde in The Forest People. Misschien was Turnbull al begonnen met politiek-correct te worden toen hij Wayward Servants schreef. Maar zelfs als we de uitspraken in Wayward Servants nemen voor wat ze zijn, rest dat de Mbuti dieren onnodig wreed behandelden, afgezien van het feit of zij al dan niet “mededogen en eerbied” voor hen hadden. Als de Mbuti mededogen voor dieren hadden, waren ze wat dat betreft waarschijnlijk een uitzondering. Een kenmerk van jager-verzamelaars schijnt te zijn dat ze harteloos voor dieren zijn. De Eskimo’s bij wie Gontran de Poncins een tijd doorbracht, schopten en sloegen hun honden meedogenloos. 264 De Siriono vingen jonge dieren soms levend en brachten ze mee naar het kamp, maar gaven ze niets te eten; de dieren werden dan door de kinderen zo ruw behandeld dat ze binnen de kortste keren doodgingen. 265 Opgemerkt dient te worden dat veel jagende-en-verzamelende volkeren een gevoel voor eerbied voor of nauwe verbondenheid met wilde dieren voelden. Ik heb daarover al een uitspraak geciteerd van Turnbull in het geval van de Mbuti. Coon zegt dat “het in feite een standaardregel is bij jagers, dat ze nooit een wild dier dat ze gedood hebben bespotten of beledigen.” 266 (Zoals de passages van Turnbull die ik aangehaald heb laten zien, bestonden er uitzonderingen op die “standaardregel.”) Coon waagt zich aan speculaties als hij daaraan toevoegt dat “jagers een gevoel hebben voor de eenheid van de natuur en de combinatie van nederigheid en verantwoordelijkheid bij hun rol daarin.” 267 Wissler beschrijft de nauwe verbondenheid met en eerbied voor de natuur (waaronder wilde dieren) bij de Noord-Amerikaanse Indianen. 268 Holmberg vermeldt de banden en “verwantschap” van de Siriono met de dierenwereld. 269 Maar zoals we al hebben gezien voorkomen deze “banden” en “verwantschap” niet de fysieke wreedheid ten opzichte van dieren. Het is duidelijk dat dierenrechtenactivisten zouden gruwen over de manier waarop jager-verzamelaars dieren vaak behandelden. Voor mensen die jagende-en-verzamelende culturen als hun maatschappelijk ideaal zien, is het dus niet zinnig banden te onderhouden met de dierenrechtenbeweging.
9. Om
het als het ware af te ronden, zal ik in het kort nog een paar andere elementen
opnoemen van de anarchoprimitivistische mythe. Volgens de mythe is racisme een
artefact van de beschaving. Maar het is niet duidelijk of dit wel juist is. De
meeste primitieve volkeren konden natuurlijk geen racist zijn, omdat ze nooit
in contact kwamen met een lid van een ras anders dan het hunne. Maar waar wel
contacten voorkwamen tussen verschillende rassen, kan ik geen enkele reden
bedenken om te geloven dat jager-verzamelaars daar minder vatbaar voor racisme
waren dan de tegenwoordige mens. De Mbuti-pygmeeën waren niet alleen te
onderscheiden van hun in dorpen wonende buren door hun geringere lichaamslengte,
maar ook door hun gelaatstrekken en lichtere huidskleur. 270 De
Mbuti spraken over de dorpsbewoners als “zwarte wilden” en “dieren” en zagen
hen niet als echte mensen. 271 De dorpelingen spraken op hun beurt
over de Mbuti ook als “wilden” en “dieren” en zagen de Mbuti ook niet als echte
mensen. 272 Toch namen de dorpsbewoners vaak een Mbuti-vrouw, maar
de enige reden daarvoor schijnt te zijn geweest dat hun eigen vrouwen, in het
oerwoudmileu, een hele lage vruchtbaarheid hadden, terwijl de Mbuti-vrouwen een
overvloed aan kinderen baarden. 273 de eerste-generatie-kinderen van
gemengde huwelijken werden als minderwaardig beschouwd. 274 Vermeldenswaard
is dat, terwijl Mbuti-vrouwen vaak met dorpsbewoners trouwden en in de dorpen
woonden, dorpsvrouwen zelden een Mbuti-man trouwden, omdat zij “het harde
zwerversleven van de woudnomaden schuwden en de voorkeur gaven aan het duurzame
dorpsleven.” 275 Bovendien bleven de nakomelingen van gemengde
bloede van de Mbuti-dorpeling-huwelijken doorgaans in het dorp hangen en “vonden
zelden hun weg terug naar het oerwoud, omdat zij de voorkeur gaven aan het gerieflijkere
dorpsleven boven het zware leven in het woud.” 276 Dit valt
nauwelijks te rijmen met het beeld dat de anarchoprimitivisten hebben van het
leven van jager-verzamelaars, een leven van rust en overvloed. In het
voorgaande geval van wederzijdse racistische vijandschap bestond maar één
partij — de Mbuti — uit jager-verzamelaars, want de dorpsbewoners waren
landbouwers. Een mogelijk voorbeeld van racisme waarbij beide partijen
jager-verzamelaar waren, wordt gevormd door de Indianen van het subarctische
Noord-Amerika en de Eskimo’s, die elkaar haatten en vreesden; zij ontmoetten
elkaar zelden behalve om te vechten. 277 En hoe zat het met de
homofobie? Dat was evenmin onbekend onder jager-verzamelaars. Volgens Elisabeth
Thomas was homoseksualiteit bij de Bosjesmannen die ze kende niet toegestaan 278
(hoewel daar niet noodzakelijkerwijs uit volgt dat dat voor alle Bosjesmangroepen
gold). Volgens Turnbull werd bij de Mbuti “nooit gezinspeeld op
homoseksualiteit, behalve als een grote belediging, maar dan alleen als iemand
tot het uiterste getergd werd.” 279 De
uitgever van het anarchoprimitivistische magazine Species Traitor beweerde
in een brief aan mij dat in jager-verzamelaarculturen “mensen geen bezit
hadden.” 280 Dat is onjuist. Onder jager-verzamelaars bestonden
verschillende vormen van privé-eigendom — en niet alleen bij sedentaire
groepen, zoals de Indianen van de Noordwestkust. Het is algemeen bekend dat de
meeste jagende-en-verzamelende volkeren land in collectief bezit hadden. Dat
wil zeggen dat elke groep van 30 tot 130 personen een gebied bezat waarin zij
leefden. Coon geeft daar een uitgebreide bespreking van. 281 Minder
bekend is dat jager-verzamelaars, zelfs nomadische, ook rechten konden doen
gelden op natuurlijke hulpbronnen als individueel eigendom en in sommige
gevallen konden dergelijke rechten zelfs geërfd worden. 282 Over de
Bosjesmannen vertelt Elisabeth Thomas bijvoorbeeld: “Elke groep heeft een nauw
omschreven territorium dat alleen door die groep gebruikt mag worden en hun
grenzen worden strikt geëerbiedigd. Als iemand geboren is in een bepaalde
streek heeft hij of zij het recht de meloenen te eten die daar groeien en alle gewassen
van het veld. Een man eet de meloenen waar zijn vrouw dat mag en waar zijn
vader en moeder dat mochten, zodat elke Bosjesman op die manier op allerlei
plaatsen een soort rechten kan doen gelden. Gai at bijvoorbeeld meloenen in Ai
a ha’o, omdat de moeder van zijn vrouw daar geboren was, en eveneens in zijn
eigen geboorteplaats, de Okwa Omaramba.” 283 Bij
de Vedda’s (jager-verzamelaars op Ceylon), “werd het groepsterritorium
onderverdeeld voor individuele groepsleden, die hun bezit aan hun kinderen
konden overdragen.” 284 Bij sommige Australische Aboriginals bestond
een systeem van erfrechten voor goederen die verkregen waren in ruil voor uit
een steengroeve afkomstige stenen. 285 Bij sommige andere
Australische Aboriginals waren bepaalde vruchtbomen privé-bezit.286 De
Mbuti gebruikten termieten als voedsel en bij hen kon een termietenheuvel privébezit
zijn. 287 Draagbare voorwerpen zoals gereedschappen, kleding en
versierselen waren bezit van individuele jager-verzamelaars. 288 Turnbull maakt melding van een betoog van ene W. Nippold, die daarmee wilde aantonen dat jager-verzamelaars, waaronder de Mbuti, een zeer ontwikkeld gevoel voor privé-eigendom hadden. Turnbull reageerde daarop met dat het “een omstreden onderwerp is en grotendeels een semantisch probleem.” 289 Wij hebben geen behoefte om hier te gaan muggenziften over wat al dan niet privé-eigendom is, en wat een “zeer ontwikkeld gevoel” daarvoor zou kunnen zijn. Het zij voldoende te zeggen dat een niet nader geduid geloof dat jager-verzamelaars geen privé-eigendom hadden, alleen maar nóg een element is van de anarchoprimitivistische mythe. Het is echter van belang op te merken dat nomadische jager-verzamelaars niet in die mate bezittingen vergaarden dat ze hun rijkdom konden gebruiken om andere mensen te domineren. 290 De jager-verzamelaar moest gewoonlijk zijn hele bezit op zijn eigen rug meedragen telkens wanneer het kamp verplaatst werd, of in het gunstigste geval kon hij het vervoeren in een kano of op een honden- of Indianenslee. 291 Met al die hulpmiddelen kan slechts een beperkte hoeveelheid bezittingen vervoerd worden, vandaar dat er een bovengrens is van de hoeveelheid bezittingen die een nomade nuttig kan verzamelen.
Eigendomsrechten
op natuurlijke hulpbronnen hoeven niet vervoerd te worden, dus in theorie kon
elke nomadische jager-verzamelaar een onbeperkte hoeveelheid van dat soort
eigendom verzamelen. Maar in de praktijk ken ik geen enkel voorbeeld waarbij
iemand, die tot een nomadische jagende-en-verzamelende groep behoorde,
voldoende eigendomsrechten op natuurlijke hulpbronnen had verzameld om hem in
staat te stellen anderen daarmee te domineren. Onder de condities van het
nomadische jagen-en-verzamelen-leven zou het voor elk individu duidelijk heel
moeilijk zijn om een exclusief recht af te dwingen op meer natuurlijke
hulpbronnen dan hij zelf zou kunnen benutten. Gezien de afwezigheid van
bijeengegaarde bezittingen bij nomadische jager-verzamelaars, lijkt het
aannemelijk dat dat er bij de laatsten geen sprake zou zijn van sociale hiërarchieën,
maar dat klopt niet helemaal. Er is duidelijk niet veel ruimte voor een sociale
hiërarchie in een nomadengroep die op zijn hoogst 130 mensen (waaronder
kinderen) omvat en vaak minder dan de helft. Bovendien hebben sommige
jagende-en-verzamelende groepen een bewuste, consequente en kennelijk volledig
geslaagde poging gedaan om te voorkomen dat ook maar iemand zichzelf boven de
anderen plaatste. Bij de Mbuti waren bijvoorbeeld geen “geen leiders,
raadslieden of oudsten;” 292 “Individueel gezag is ondenkbaar,” 293
en “elke poging tot toe-eigening van individueel gezag, of zelfs buitengewone
invloed, wordt fel beantwoord door zo iemand belachelijk te maken of buiten te sluiten.”
294 In feite benadrukt Turnbull in zijn boeken steeds hoe
onvermoeibaar de Mbuti zich er tegen verzetten dat iemand zich een hogere
status toe-eigent. 295 De
Indianen in het subarctische Noord-Amerika hadden geen hoofdmannen. 296
De Siriono hadden die wel, maar: “De voorrechten van het hoofdmanschap zijn
gering. Een hoofdman doet voorstellen zoals over verder trekken, jachttochten,
enz., maar die worden niet altijd opgevolgd door zijn stamgenoten. Als teken
van zijn status heeft de hoofdman altijd meer dan één vrouw;” “Terwijl
hoofdmannen er uitgebreid over klagen dat andere groepsleden hun verplichtingen
aan hen niet nakomen, wordt er weinig aandacht besteed aan hun verzoeken;” “In
het algemeen worden hoofdmannen beter onthaald dan de andere groepsleden. Hun
verzoeken werpen veel vaker vruchten af dan die van anderen.” 297 De Bosjesmannen die Elisabeth Thomas kende “hebben geen leider of koning, alleen een hoofdman die in functie praktisch niet te onderscheiden is van de mensen die hij leidt en soms zal een groep niet eens een hoofdman hebben.” 298 Richard Lee’s !Kung-Bosjesmannen hadden geen leiders, 299 en evenals de Mbuti deden zij bewust moeite om te voorkomen dat iemand zich boven de anderen plaatste. 300 Sommige andere !Kung-Bosjesmannen hadden echter wel leiders of hoofdmannen; het hoofdmanschap was erfelijk en de hoofdman had echt gezag, want de hoofdman of leider bepaalt wie waar en wanneer op verzameltocht gaat, omdat de timing het jaar rond nauwkeurig luistert om de voedselvoorziening te verzekeren.” 301 Dat was wat Coon vertelde over de Bosjesmannen in de streek van de Gautscha-waterpoel en omdat Elisabeth Thomas die Bosjesmannen kende, 302 is het niet duidelijk hoe Coons uitspraak te rijmen valt met haar opmerking dat “een hoofdman in functie praktisch niet te onderscheiden valt van de mensen die hij leidt.” Ik heb geen toegang tot geschikte bibliotheekvoorzieningen; ik beschik zelfs niet over een complete kopie van het boek van Elisabeth Thomas, maar alleen fotokopieën van een paar pagina’s, zodat ik dit probleem over moet laten aan een lezer die misschien voldoende belangstelling heeft om dit op te pakken.
Hoe
het ook zij, in sommige streken van Australië waren “machtige leiders, die door
de kolonisten koning genoemd werden. De koning droeg een heel ingewikkelde
tulband als kroon en werd altijd door mannen op de schouders gedragen.” 303
Ook in Tasmanië waren “territoriale leiders met aanzienlijke macht en in een
aantal gevallen was hun functie in ieder geval erfelijk.” 304 Terwijl
sociale stratificatie in veel of de meeste jagende-en-verzamelende
gemeenschappen afwezig of gering was, is de verreikende aanname dat in
dergelijke gemeenschappen elke hiërarchie afwezig was dus niet juist. Doorgaans
wordt aangenomen, en niet alleen door anarchoprimitivisten, dat
jager-verzamelaars goede natuurbeschermers waren. Ik heb niet veel informatie
over dat onderwerp, maar voor zover ik weet lijkt het dat jager-verzamelaars
een dubieuze staat van dienst hadden als natuurbeschermers. De Mbuti lijken het
heel goed te doen. Schebesta geloofde dat zij hun bevolking vrijwillig beperkt
hadden om te voorkomen dat hun natuurlijke hulpbronnen overbelast werden 305
(hoewel hij, ten minste in het gedeelte van zijn werk dat ik gelezen heb, geen
verklaring geeft van zijn redenen om dat te geloven). Volgens Turnbull “is er
sprake van een sterk gevoelde en uitgesproken behoefte om elk deel van het dier
te gebruiken en nooit méér te doden dan nodig is voor de dagelijkse behoeften
van de groep. Dat is misschien een van de redenen waarom de Mbuti zo
terughoudend zijn om teveel dieren te doden en ze te bewaren als ruilmiddel voor
de dorpsbewoners. 306 Turnbull
zegt ook dat “volgens zoogdierkundigen, zoals Van Gelder, de [Mbuti]-jagers in
feite de voortreffelijkste natuurbeschermers zijn die elke regering met oog
voor natuurbescherming zich zou kunnen wensen.” 307 Maar toen
Turnbull een Mbuti met de naam Kenge meenam voor een bezoek aan een
wildreservaat ergens in de vlakte, werd Kenge verteld “dat hij meer wild zou
gaan zien dan hij ooit in het woud gezien had, maar dat hij daarop niet mocht
jagen. Dat kon Kenge niet begrijpen, omdat in zijn ogen wild was bedoeld om er
op te jagen.” 308. Volgens Coon verbood de ethiek van de Tikerarmiut-eskimo’s
hen op één dag meer dan vier wolven, veelvraten, vossen of marmotten te
strikken. Deze ethiek stortte echter snel in toen de blanke handelaars
arriveerden en de Tikerarmiut verleidden met handelswaar die zij konden
verkrijgen in ruil voor de pelzen van voornoemde dieren.309 Zodra
ze de beschikking kregen over ijzeren bijlen, begonnen de Siriono de wilde
fruitbomen in hun gebied om te hakken omdat het gemakkelijker was om het fruit
te oogsten door de boom om te hakken dan er in te klimmen. 310 Het is algemeen bekend dat sommige jager-verzamelaars opzettelijk bosbranden veroorzaakten omdat ze wisten dat leeggebrande grond meer voor hen geschikte eetbare planten zou opleveren. 311 Ik vind deze praktijken roekeloos verwoestend. Men denkt dat prehistorische jager-verzamelaars door overbejaging de oorzaak waren of in ieder geval bijgedragen hebben aan het uitsterven van sommige soorten grote zoogdieren, 312 hoewel dat zover ik weet nooit afdoende bewezen is. Het voorgaande raakt niet eens de kwestie van natuurbescherming versus roekeloosheid met het milieu van de kant van de jager-verzamelaars. Het is een vraagstuk dat grondig onderzoek verdient.
10. Ik kan niet zomaar generaliseren, omdat ik persoonlijk maar met een paar anarchoprimitivisten van gedachten gewisseld heb, maar het is duidelijk dat de opvattingen van ten minste sommige anarchoprimitivisten ongevoelig zijn voor alle feiten die daarmee in strijd zijn. Je kunt die mensen wijzen op allerlei feiten van het soort die ik hier aangevoerd heb en de uitspraken citeren van schrijvers die daadwerkelijk jager-verzamelaars bezocht hebben in een tijd waarin die nog betrekkelijk onbedorven waren, maar dan zal de rechtgelovige anarchoprimitivist toch nog altijd rationalisaties vinden, hoe geforceerd ook, om alle onaangename feiten niet serieus te nemen en zijn geloof in de mythe in stand te houden.
Denk
ook aan de reactie van fundamentalistische christenen op elke rationele aanval
op hun opvattingen. Welke feiten er ook aangevoerd worden, de fundamentalist
zal altijd een argument vinden, hoe vergezocht ook, om ze weg te redeneren en
zijn geloof goed te praten in de letterlijke en woordelijke waarheid van de
Bijbel. In feite hangt er rond de anarchoprimitivist een geur van het vroege
christendom. Het jagende-en-verzamelende Utopia van de anarchoprimitivisten komt
overeen met de Hof van Eden, waarin Adam en Eva een behaaglijk en zondeloos
leven leidden (Genesis 2). De uitvinding van de landbouw en beschaving komt
overeen met de Zondenval: Adam en Eva aten de vrucht van de boom der kennis
(Genesis 3:6), werden uit het Paradijs verdreven (Genesis 3:24) en moesten
daarna hun brood verwerven in het zweet huns aanschijns door de bodem te
bewerken (Genesis 3:19, 23). Bovendien verloren zij daardoor hun
gendergelijkheid, omdat Eva ondergeschikt werd aan haar echtgenoot (Genesis
3:16). De revolutie waarvan de anarchoprimitivisten hopen dat die de beschaving
zal omverwerpen, komt overeen met de Dag des Oordeels, de dag der verwoesting
waarop Babylon zal vallen (Openbaring 18:2). De terugkeer naar het
oorspronkelijke Utopia komt overeen met de komst van het Koninkrijk Gods,
waarin “geen dood meer zal zijn, noch rouw, noch geklaag, noch moeite” (Openbaring
21:4). De hedendaagse activisten die hun lijf aan geweld blootstellen door deel te nemen aan masochistische verzetstactieken, zoals zichzelf vastketenen op wegen om de doortocht van vrachtwagens van houtkapbedrijven te verhinderen, komen overeen met de christelijke martelaren, de ware gelovigen die “onthoofd waren om het getuigenis van Jezus en het woord van God” (Openbaring 20:4). Veganisme komt overeen met de dieetbeperkingen van veel religies, zoals de christelijke vastenperiode. Evenals de anarchoprimitivisten, benadrukten de vroege christenen het egalitarisme (“Alwie zichzelf zal verhogen, zal vernederd worden,” Mattheus 23:12) en samen delen (“en aan ieder werd uitgedeeld naar behoefte,” Handelingen 4:35). De geestelijke verwantschap tussen het anarchoprimitivisme en het vroege christendom voorspelt niet veel goeds. Zodra keizer Constantijn de christenen in de gelegenheid stelde om macht te verwerven, zetten ze hun principes overboord en sindsdien heeft het christendom, vaker wel dan niet, als steunpilaar gediend voor de gevestigde orde.
11. In het onderhavige artikel ben ik voornamelijk bezig geweest met het ontzenuwen van de anarchoprimitivistische mythe en heb daarom de nadruk gelegd op bepaalde aspecten van primitieve samenlevingen, die vanuit het standpunt van de huidige waarden als negatief gezien zullen worden. Maar deze medaille heeft ook een andere kant: Nomadische jagende-en-verzamelende gemeenschappen vertoonden veel trekken die zeer aantrekkelijk waren. Het is onder andere aannemelijk dat dergelijke gemeenschappen betrekkelijk vrij waren van psychische problemen waardoor de huidige mens geteisterd wordt, zoals chronische stress, depressies, eet- en slaapstoornissen, enzovoort; dat mensen in dergelijke gemeenschappen, in bepaalde van cruciaal belang zijnde opzichten (hoewel niet in alle opzichten) over een veel grotere persoonlijke autonomie beschikten dan de tegenwoordige mens; en dat jager-verzamelaars veel tevredener waren met hun manier van leven dan de tegenwoordige mens met de zijne.
Waarom dat van belang is? Omdat het laat zien dat chronische stress, angst en frustraties depressie, enzovoort, niet onvermijdelijk deel uitmaken van het mens-zijn, maar door de moderne beschaving teweeggebrachte stoornissen zijn. Slavernij is evenmin een onvermijdelijk deel van het mens-zijn: het voorbeeld van in ieder geval een aantal nomadische jager-verzamelaars laat zien, dat echte vrijheid wel mogelijk is. En wat nog belangrijker is: afgezien van of zij goede of slechte natuurbeschermers waren, waren primitieve volkeren niet in staat om hun milieu te verwoesten op een manier die ook maar in de verste verte in de buurt komt van de mate waarin de tegenwoordige mens dat doet. Primitieven beschikten gewoon niet over de kracht om zoveel schade aan te richten. Misschien hebben ze wel roekeloos gebruik gemaakt van vuur en door overbejaging het uitsterven bewerkstelligd van sommige diersoorten, maar ze wisten niet hoe ze grote rivieren konden afdammen, het aardoppervlak met duizenden vierkante kilometers steden en straten konden bedekken, of die grote hoeveelheden giftige chemicaliën en radioactieve afvalstoffen konden produceren, waarmee de huidige beschaving de wereld voor eens en voor altijd dreigt te vernietigen. Evenmin beschikten de primitieven over middelen om levensgevaarlijke krachten te ontketenen in de vorm van genetische manipulatie en superintelligente computers die binnen afzienbare tijd ontwikkeld zullen worden. Dat zijn gevaren die zelfs de technofielen zelf beangstigen. 313 Ik ben het dus eens met de anarchoprimitivisten dat de opkomst van de beschaving een grote ramp was en de Industriële Revolutie zelfs een nog grotere. Verder ben ik het ermee eens dat een revolutie tegen de huidige tijdgeest en de beschaving in het algemeen, noodzakelijk is. Maar je kunt geen doeltreffende revolutionaire beweging opzetten met halfzachte dromers, luiwammesen en charlatans. Daarvoor heb je vastberaden, praktische en realistische mensen nodig en dat soort mensen heeft geen behoefte aan de halfzachte, utopische anarchoprimitivistische mythe.
Slotopmerking Toen ik dit artikel schreef was ik net begonnen met het lezen van IIe Band, 1e Teil [Boek 2, deel 1] van Schebesta’s Die Bambuti-Pygmäen vom Ituri. Nu ik dat gelezen heb en dankzij de aard van de discrepanties die ik aangetroffen heb tussen het verslag van Turnbull en dat van Schebesta, voel ik mij gedwongen serieuze twijfels te koesteren over de betrouwbaarheid van Turnbulls boek over de Mbuti-pygmeeën. Ik vermoed nu dat Turnbull zijn beschrijving van de Mbuti bewust of onbewust tendentieus heeft weergegeven om die aantrekkelijker te laten lijken voor de huidige linkse intellectuelen zoals hij zelf. Ik vind het nu echter niet nodig dit artikel zodanig te herschrijven dat het vertrouwen in Turnbull opgezegd wordt, omdat ik Turnbull hoofdzakelijk geciteerd heb voor de informatie die de Mbuti in een onaantrekkelijk daglicht zetten, b.v. door het slaan van hun vrouwen, vechten en ruzie maken over voedsel. Gezien de aard van Turnbulls vooringenomenheid, lijkt het veilig, als er dan al sprake van was, aan te nemen dat hij de mate waarin hij zag dat vrouwen geslagen worden en er gevochten en geruzied wordt te laag heeft opgegeven. Maar ik denk dat het alleen billijk is de lezer te waarschuwen dat, waar Turnbull de Mbuti aantrekkelijke of politiek correcte eigenschappen toeschrijft, er een zekere mate van scepsis op zijn plaats is. Mijn dank gaat uit naar een aantal personen die me boeken, artikelen of andere informatie over primitieve gemeenschappen gestuurd hebben en zonder hulp van wie het onderhavige artikel niet geschreven had kunnen worden: Facundo Bermudez, Chris J., Maijorie Kennedy, Alex Obledo, Patrick Scardo, Kevin Tucker, John Zerzan, en zes andere mensen die het mogelijk niet op prijs stellen dat hun naam openlijk vermeld wordt. Maar vooral wil ik de vrouw bedanken van wie ik hou, die mij meer nuttige informatie heeft verschaft dan wie dan ook, waaronder twee delen van Paul Schebesta’s prachtige boek over de Mbuti-pygmeeën.
Lijst van geciteerde werken
Vanwege het feit dat ik gevangen zit en niet rechtstreeks toegang heb tot bibliotheekvoorzieningen, is de in deze lijst gegeven bibliografische informatie in sommige gevallen incompleet. Ik denk echter dat dit in de meeste gevallen niet zal leiden tot enig serieus probleem bij het plaatsen van de geciteerde werken.
Werken, alfabetisch gerangschikt naar achternaam van de schrijver
Barclay,
Harold B., brief aan de uitgever, in Anarchy: A Journal of Desire Armed, voorjaar/zomer
2002, pagina’s 70-71. Werken zonder vermelde schrijver
Encyclopedia
Americana. Internationale Editie,
1998. The
Unabomber Manifesto, Industrial Society and Its Future. Periodieken
Anarchy:
A Journal of Desire Armed. P. O. Box
3448. Berkeley CA 94703, U.S.A.
NOTEN:
1 Voorbeeld: “What is ‘Green Anarchy’?”, door het Black
and Green Network, Green Anarchy #9, September 2002, pagina 13 (“de
werkdag van de jager-verzamelaar was gewoonlijk niet langer dan drie uur”). 14 Turnbull, Change and Adaptation, pagina 18; Forest
People, pagina 131. 37 Gibbons, hoofdstuk met de
titel “The Proof of the Pudding”. 70 Turnbull, Wayward
Servants, pagina 189. Turnbull is echter misschien inconsequent wat dit
betreft. Zie de passage die ik zojuist geciteerd heb over Amabosu die zijn
vrouw in het gezicht slaat en Ekianga’s reactie. 89 Elkin, pagina’s 132-33. Massola, pagina 73. 114 Coon, pagina 276. 116 Ibid., pagina 167. Cashdan, pagina’s 43-44. 119 Thomas, pagina 284. 121 Schebesta, 1. Band, pagina’s 37, 46, 48. 148 Brief van de schrijver aan John Zerzan, 5/11/04. Brief
van John Zerzan aan de schrijver, 5/20/04. 150 Bonvillain, pagina 294. De fotokopie die Zerzan mij
stuurde was echter uit de uitgave uit 1995 van het boek, waarin dezelfde zin
staat op pagina 271. 163 Zerzan, “Future Primitive”. pagina 15. 167 Nietzsche, pagina 186. 178 Holmberg, pagina’s 126-27, 157, 209-210. 193 Turnbull, Change and Adaptation, pagina 44. 227 Richard B. Lee, geciteerd door Bonvillain, pagina 20. 236 Turnbull, Wayward Servants, pagina 120. 240 Coon, pagina 176. 259 Thomas, pagina’s 94. 190. 263 Turnbull, Wayward Servants, pagina 161. 278 Thomas, pagina 87. 291 Zie Coon, pagina’s 57-67.
THE ANARCIST LIRARY
ANTI-COPYRIGHT Maart 11, 2011
Ted Kaczynski The Truth About Primitive Life: A Critique of Anarcho-primitivism.
2008
Over het idealiseren van het verleden:
Uit het paradijs verdreven
Ons verlangen onze vakantie door te brengen in een aards paradijs heeft een hel geschapen voor diegenen die wij buitensluiten
George Monbiot Dinsdag 5 Augustus, 2003 The Guardian
Het is ongetwijfeld
een van de meest onbeschaamde vluchten uit de werkelijkheid ooit geschilderd.
“Het korenveld” van John Constable - voltooid in 1826, dat nu op de nieuwe
tentoonstelling van The National Gallery, “Het Paradijs” hangt - roept midden
in The Enclosure Movement (beweging waarbij gemeenschappelijk land tot
privébezit werd veranderd), een feilloze landelijke harmonie op.
Je kunt op de website
van het Ministerie van Tourisme van Kenya onder de kop “Wilderness” lezen over
het Masai Mara-reservaat. Het leert je dat de oorspronkelijke bevolking, de Masai,
“zichzelf evenzeer als deel van het leven van het land beschouwen als dat het
land deel is van hun leven. Traditioneel jagen de Masai zelden en in harmonie
met hun omgeving leven is een belangrijk bestanddeel van hun geloof”. Wat het
niet vertelt is dat de Masai uit de “wildernis” waarin zij in harmonie met de
flora en fauna leefden, verdreven zijn, omdat de toeristen niet verwachtten hen
daar aan te treffen. De regering van Botswana
heeft net de verdrijving van de Gana- en de Gwi-Bosjesmannen uit het Centrale
Kalahari-wildreservaat voltooid, op grond van het feit dat hun jacht en
verzamelen “obsoleet” geworden is en dat hun aanwezigheid niet langer te rijmen
valt met “het beschermen van de natuurlijke rijkdommen van het wildleven.” Om van hen af te komen,
zo heeft Survival International (Internationale organisatie ter ondersteuning
van inheemse volkeren) aangetoond, heeft het hun watervoorziening afgesloten,
en hen belastingen en boetes opgelegd, geslagen en mishandeld. Bosjesmannen hebben daar
ongeveer 20.000 jaar geleefd. Het wildleven wordt door hen niet bedreigd, maar
de vrijheid van de diamantontginning en de toeristenindustrie zou dat wel eens
kunnen doen. Nu ze de bosjesmannen uit hun stamland heeft verdreven, nodigt de
regering toeristen uit om wat ze op haar website “het laatste paradijs” noemt,
te bezoeken.
Ter illustratie het eerste hoofdstuk uit een boek van Fredy Perlman, een verheerlijker van de primitieve mens en vanzelfsprekend ook een evolutieleer-gelovige:
Tegen de Geschiedenis, tegen de Leviathan
Fredy Perlman (1934 – 1985)
(De eerste pagina’s van Fredy Perlmans boek: Against His-story, Against Leviathan!)
Die duistere vlakte is híer. Dit is het braakliggende land: Engeland, Amerika, Rusland, China, Israël, Frankrijk....
En wij zijn hier, als slachtoffers, toeschouwers, bedrijvers van martelingen, slachtingen, vergiftigingen, manipulaties, plunderingen.
Hic Rhodus! Dit is de plek om te springen, de plek om te dansen! Dit is de wildernis! Is er ooit een andere geweest? Dit is wreedheid! Noem je dat vrijheid? Dit is barbarij! Dit hier is het gevecht om te overleven. Hebben wij dat niet altijd al geweten? Is dat geen publiek geheim? Is dat niet altijd al het grote publieke geheim geweest?
Het blijft geheim. Het is algemeen bekend, maar wordt niet toegegeven. Voor het grote publiek ligt de wildernis elders, de barbarij ver weg, wreedheid in de blik van de ander. De schrale onvruchtbare regenloze donder, verwarde kreten van strijd en vlucht, naar buiten geprojecteerd, over zeeën en bergen naar het weidse onbekende. Wij staan aan de kant van de engelen.
...beweegt zijn lome schoften tegen de geprojecteerde wildernis, tegen de weerkaatste barbarij, tegen de woeste tronie die vanuit de vijver toekijkt, al bewegend de vijver leegt, de oevers vernietigt en waar ooit leven was een dorre krater achterlaat. In een wonderlijk helder boek met de titel Beyond Geography, een boek dat ook de geschiedenis, technologie en beschaving overstijgt, haalt Frederick W. Turner (niet te verwarren met Frederick Jackson Turner, de pleitbezorger van de pionier) het doek op en zet het toneel in een badend licht. Vóór Turner hebben anderen al het doek opgehaald; zij zijn degenen die het geheim openbaar hebben gemaakt, waaronder mijn tijdgenoten Toynbee, Drinnon, Jennings, Camatte, Debord, bij wie ik mijn licht heb opgestoken, en hun voorgangers Melville, Thoreau, Blake, Rousseau, Montaigne, Las Casas en Lao Tze, voor zover de schriftelijke overlevering teruggaat. Om voorbij de geografische grenzen te kunnen kijken gaat Turner voor zijn inzichten te rade bij mensengemeenschappen buiten het gezichtsveld van de beschaving. Met de ogen van de verworpenen kijkt hij naar deze ooit prachtige wereld, die rust op de rug van een schildpad, dit dubbelhartige continent met geleegde vijvers, vernietigde oevers, wouden die in dorre katers veranderden op het moment dat het Amerika genoemd werd.
...een weids beeld uit de Spiritus Mundi
Yeats concentreert zich op dat beeld en vraagt zich dan af:
Het visioen is voor Turner even helder als het was voor Yeats:
Lang geleden keerden zieners terug om hun visioenen te delen met hun gemeenschappen, zoals vrouwen hun graan en mannen hun jachtbuit deelden. Maar er is geen gemeenschap meer. De herinnering aan een gemeenschap is een vervaagd beeld uit de Spiritus Mundi. Tegenwoordig schrijft de ziener zijn visioen neer op een vel papier, op hellingen van dorre kraters, waar geharnaste bullebakken de wacht houden en het wachtwoord vragen: Positief Bewijs. Geen visioen gaat voorbij hun poorten. De enige zang die binnendringt is een verwaaide zang, schraal en lijkachtig als fossielen in het zand. Turner, zelf een wachter, een professor, heeft de onverschrokkenheid van Bartholomeo de las Casas. Hij bestormt de poorten, weigert het wachtwoord te geven en zingt, tiert, danst bijna. Het harnas laat los. Al is het niet gewoon versleten als kleren of maskers, al is het niet vastgekleefd aan gelaat en lichaam, al moeten huid en vlees samen daarmee afgerukt worden, het harnas laat los. Niet lang geleden hebben velen de poorten bestormd. Pas onlangs zong iemand dat het web van fabrieken en mijnen de Goelagarchipel was en alle arbeiders zeks (namelijk dienstplichtigen, bewoners, leden van arbeiderstroepen) waren. Iemand anders zong dat de Nazi’s de oorlog verloren hadden maar hun nieuwe orde niet. Ketters zijn talrijk tegenwoordig. Gaat het regenen? Is het de schemer van een nieuwe dageraad? Of is het de schemer waarin Minerva’s uil kan zien omdat de dag voorbij is?
* * *
Turner, Toynbee en anderen richten zich op het beest dat het enige bekende thuis van de levende wezens vernietigt. Turner geeft zijn boek als ondertitel, “De Westerse Geest tegen de Wildernis.” Met Westerse Geest bedoelt hij de houding of instelling, de ziel of geest van de Westerse Beschaving, tegenwoordig bekend als dé Beschaving. Turner omschrijft Wildernis op dezelfde manier als de Westerse Geest dat doet, behalve dat voor Turner het begrip positief en voor de Westerse Geest negatief is: Wildernis omvat de hele Natuur en alle mensengemeenschappen, die buiten het gezichtsveld van de Beschaving liggen. In A Study of History, uit Arnold Toynbee zijn enthousiasme voor de geschiedenis en beschaving. Nadat hij de opkomst en ondergang had gezien van het Derde Rijk van de Nazi’s, en alle ontwikkelingen die het in zijn kielzog teweegbracht, verloor Toynbee zijn enthousiasme. Hij beschreef dat verlies in zijn boek Mankind and Mother Earth. De inzichten in dat boek zijn verwant aan die van Turner; de Mensheid is Moeder Aarde in stukken aan het scheuren. Toynbee’s begrip Mensheid omvat zowel de Westerse Geest als de mensengemeenschappen buiten het gezichtsveld van de Beschaving en zijn Moeder Aarde omvat alle leven. Even leen ik het begrip Moeder Aarde van Toynbee. Zij is de hoofdfiguur. Ze leeft, ze is het leven zelf. Ze bedenkt en doet alles ontstaan wat groeit. Velen noemen haar de Natuur. De christenen noemen haar Wildernis. Een andere naam die Toynbee haar geeft is Biosfeer. Ze is het vasteland, het water en de aarde die onze planeet omhullen. Ze is het enige leefgebied van de levende wezens. Toynbee omschrijft haar als een dunne en kwetsbare huid, niet hoger dan vliegtuigen kunnen vliegen en niet dieper dan mijnen gegraven kunnen worden. Kalksteen, steenkool en olie die nu deel uitmaken van haar materie, bestonden ooit uit levende dingen. Selectief filtert ze de straling van de zon, precies zo dat zij het leven voor verbranding behoedt. Toynbee noemt haar een uitgroeisel, een glans of roestlaag op het aardoppervlak en veronderstelt dat er misschien geen andere Biosferen zijn. Toynbee zegt dat de Mensheid, de mensen, met andere woorden, Wij, heel machtig zijn geworden, machtiger dan alle andere levende wezens en in ieder geval machtiger dan de Biosfeer. De mensheid is in staat om de tere korst te vernietigen en doet dat ook. Er zijn veel manieren om over een val te spreken. Die kan beschreven worden vanuit het standpunt van het zichzelf in evenwicht houdende milieu, vanuit dat van de vallenzetter of het in de val gelopen dier. Zij kan zelfs beschreven worden vanuit het standpunt van de val zelf, namelijk vanuit het objectieve, wetenschappelijke en technologische standpunt. Evenveel manieren zijn er om te spreken over de verwoesting van de biosfeer. Vanuit het standpunt van een enkele hoofdpersoon, de Aarde, kan gezegd worden dat Zij suïcide pleegt. Met twee hoofdpersonen, de Mensheid en Moeder Aarde, waarvan gezegd kan worden dat Wij Haar vermoorden. Iemand van ons die dit standpunt aanvaardt en zich geen raad weet van schaamte, zou willen dat we walvissen waren. Maar degene van ons die het standpunt inneemt van het dier in de val, zal op zoek gaan naar een derde hoofdrolspeler. Toynbee’s hoofdpersoon, de Mensheid, is te vaag. Die omvat alle beschavingen en ook alle gemeenschappen buiten het gezichtsveld van de Beschaving. Toch leefden die gemeenschappen, zoals Toynbee zelf laat zien, duizenden generaties lang vreedzaam naast elkaar, zonder de Biosfeer enige schade te berokkenen. Zij zijn niet de vallenzetters, maar de in de val getrapten. Wie is dan de verwoester van de Biosfeer? Turner wijst naar de Westerse Geest. Dat is de hoofdpersoon, die zich opstelt tegenover de Wildernis, die oproept tot een vernietigingsoorlog van de Geest tegen Natuur, Ziel tegen Lichaam, Technologie tegen Biosfeer, Beschaving tegen Moeder Aarde, god tegen allen. Marxisten wijzen op de Kapitalistische productiewijze, soms alleen naar de Kapitalistische Klasse. Anarchisten wijzen naar de Staat. Camette wijst naar het Kapitaal. De Nieuwe Ketters wijzen naar de Technologie, Beschaving of beiden. Terwijl Toynbee’s hoofdpersoon, de Mensheid, te vaag is, zijn veel van de anderen te beperkt. De Marxisten zien slechts de balk in het oog van de vijand. Ze vervangen hun eigen schurk door een held, de Antikapitalistische productiewijze, de Revolutionaire Gevestigde Orde. Wat ze niet zien is dat hun held diezelfde “gedaante is met het lijf van een leeuw, hoofd van een mens, starende blik, en ledig en meedogenloos als de zon.” Wat ze niet zien is dat de Antikapitalistische productiewijze alleen maar zijn broeder wil overtreffen in het verwoesten van de Biosfeer. De anarchisten zijn even divers als de Mensheid. Er zijn zowel overheids- en commerciële Anarchisten als anarchistische huurlingen. Zij zouden de staat willen vervangen door een netwerk van computercentra, fabrieken en mijnen, gecoördineerd door “de arbeiders zelf,” of een Anarchistenvakbond. Zij zouden dat geheel niet Staat noemen. De naamsverandering zou dan het beest uitdrijven. Camatte, de Nieuwe Ranters en Turner zien de boosdoeners, Marxisten en Anarchisten, slechts als eigenschappen van de echte hoofdpersoon. Camatte geeft het monster een lijf; hij noemt het monster het Kapitaal, ontleent het begrip aan Marx maar geeft het een nieuwe inhoud. Hij belooft een beschrijving te geven van de oorsprong en traject van het monster, maar heeft dat tot nu toe nog niet gedaan. De Nieuwe Ranters hebben inzichten ontleend aan L. Mumford, J. Ellul en anderen, maar zijn, naar mijn weten, niet verder gegaan dan Camatte. Turner gaat verder. Zijn bedoeling is niet alleen een beschrijving te geven van het lijf van het monster, maar hij weet dat het het lijf van het monster is dat het lichaam vernietigt van de mensengemeenschappen en dat van Moeder Aarde. Hij vertelt veel over de oorsprong en het traject van het monster en heeft het ook vaak over zijn pantser. Maar het monster een naam geven of zijn lijf beschrijven, valt buiten zijn bestek. Mijn opzet is het lijf van het beest te behandelen. Want het heeft een lijf, een monsterlijk lijf, een lijf dat machtiger geworden is dan de Biosfeer. Misschien is het een lijf zonder eigen leven. Misschien is het iets doods, een enorm kadaver. Misschien beweegt het zijn trage schoften alleen als het bevolkt wordt door levende wezens. Maar het is zijn lijf dat de verwoestingen aanricht. Als de Biosfeer een uitwas is van het planeetoppervlak, is het beest dat haar verwoest ook een uitwas. De Vernietiger der Aarde is een roestlaag of glans op het oppervlak van de mensengemeenschap. Die wordt niet door elke gemeenschap, elke Mensheid afgescheiden. Toynbee zelf geeft de schuld aan een uiterst kleine minderheid, aan een zeer klein aantal gemeenschappen. Misschien is dat kadaverachtige beest slechts afgescheiden door een enkele gemeenschap onder ontelbare.
* * *
Dat door een mensengemeenschap uitgescheiden beest is jong, hoogstens twee- of driehonderd generaties oud. Voor ik me daarop richt, zal ik eerst een blik werpen op mensengemeenschappen, want die zijn veel ouder, duizenden generaties oud. Ons wordt verteld dat zelfs de mensengemeenschappen jong zijn, dat er een tijd was dat er alleen maar water was, tot een muskusrat naar de zeebodem dook en aarde op de rug van de schildpad legde. Dat wordt ons verteld. Naar verluid waren de eerste wandelaars die baat hadden bij de inspanningen van de muskusrat reuzen of goden, die tegenwoordig dinosauriërs genoemd worden. Moderne grafschenders hebben deze godenbotten opgegraven en uitgestald in de vitrines van het Positieve Bewijs. De grafschenders gebruiken die knekelkisten om alle van die van hun afwijkende verhalen uit het menselijke geheugen te verdrijven. Maar de verhalen van de grafschenders zijn saaier dan talloze andere verhalen en hun knekelkisten werpen slechts licht op de grafschenders zelf. De verhalen zijn even divers als hun vertellers. In veel verhalen doet de herinnering pogingen om terug te gaan tot een tijdperk waarin zij huisde in een grootmoeder die de zwemmers, kruipers en lopers als haar verwanten kende, omdat zij zelf niet vaker op haar achterbenen liep dan zij. In een heel oud verhaal viel de eerste grootmoeder op aarde vanuit een gat in de hemel. In een hedendaags verhaal was ze een vis met snuit die, nadat ze speels het ademen geoefend had door haar snuit boven water te steken, dankzij dat kunstje overleefde toen haar vijver opdroogde. In een ander oud verhaal verzwolg de Biosfeer meerdere grootmoeders, voordat hier de gemeenschappelijke voorouder zijn intrede deed en zal naar verwachting op haar beurt de achterachterkleinkinderen van die voorouder verzwelgen. Misschien zal blijken dat Toynbee zich vergist over de betrekkelijke macht van de twee hoofdpersonen. Veel verhalen gaan over minivoorouders, dwergen; een hedendaags verhaal noemt hen boomtoepaja’s, dwergspitsmuizen. Deze dwergen bewoonden de aarde terwijl de reuzen, de dinosauriërs, in het daglicht rondliepen. Behoedzame toepaja’s klommen uit de bomen om ’s nachts een feestmaal van insecten aan te richten, niet omdat de reuzen vals waren, maar vanwege het verschil in grootte. Veel toepaja’s hadden vrede met deze regeling en bleven boomtoepaja’s. Sommige, zonder twijfel een kleine minderheid, wilden ook overdag rondlopen. Gelukkig voor die rustelozen, bevonden de dinosauriërs zich onder de grootmoeders die verzwolgen werden door de Biosfeer. Toen konden de voormalige boombewoners zich koesteren in de zon, of dansen en spelen in het heldere daglicht, zonder angst vertrapt te worden. Een klein gedeelte van hen werd onrustig; sommigen wilden kruipen, anderen vliegen. De zelfgenoegzame, behoudende meerderheid, gelukkig en tevreden met hun omgeving, bleef wat zij was.
* * *
De managers van de Goelagarchipel vertellen ons dat de zwemmers, kruipers, lopers en vliegers hun leven werkend doorbrengen om te kunnen eten. Deze managers verkondigen hun nieuws te haastig. De veelkleurige schepsels zijn nog niet allemaal uitgestorven. Jij, lezer, hoeft je slechts onder hen te mengen, of ze gewoon van een afstand gadeslaan om te zien dat hun leven is gevuld met dansen, spelen en feesten. Zelfs jagen, besluipen, schijnbewegingen en springen is niet wat wij Werk noemen, maar wij noemen dat Plezier. De enige wezens die werken zijn de bewoners van de Goelagarchipel, de zeks. De voorouders van de zeks werkten minder dan een eigenaar van een bedrijf. Ze wisten niet wat werk was. Ze leefden in een toestand die J.J. Rousseau de “natuurstaat” noemde. Dat woord van Rousseau zou teruggebracht moeten worden in het dagelijks spraakgebruik. Het werkt op de zenuwen van degenen die, in de woorden van R. Vaneigem, lijken in hun mond meedragen. Het maakt het harnas zichtbaar. Zeg “natuurstaat” en je zult de lijken naar buiten zien gluren. Hou vol dat “vrijheid” en “natuurstaat” synoniem zijn en de lijken zullen je proberen te bijten. De getemden, de gedomesticeerden proberen het woord vrijheid te monopoliseren; zij zouden dat graag toepassen op hun eigen toestand. Voor de vrijen gebruiken ze het woord “wild.” Maar het is ook een publiek geheim dat de getemden, de gedomesticeerden, bij tijd en wijle wild worden, maar nooit vrij zijn zolang ze in hun hok blijven. Zelfs het gewone woordenboek houdt dit geheim slechts deels verborgen. Het begint met te zeggen dat vrij ‘burger’ betekent! Maar vervolgens zegt het, “Vrij: a) niet bepaald door iets dat buiten de eigen aard of wezen ligt; b) bepaald door de keuze van de handelend persoon of zijn wensen….” Het geheim is onthuld. Vogels zijn vrij tot mensen hen kooien. De Biosfeer, Moeder Aarde, is vrij wanneer ze zichzelf bevochtigt, wanneer ze zich uitspreidt in de zon en haar huid laat uitbarsten met veelkleurige haren, wemelend van kruipers en vliegers. Ze wordt niet bepaald door iets buiten haar eigen aard of wezen, tot een andere bol van gelijke omvang op haar te pletter slaat of een lijkachtig beest haar huid doorsnijdt en haar ingewanden doorklieft. Vrij zijn bomen, vissen en insecten als ze van zaad uitgroeien tot volwassenheid, elk hun mogelijkheden verwezenlijken, hun wensen — tot de vrijheid der insecten beknot wordt door de vogels. De verorberde insecten hebben van hun vrijheid een gave gemaakt voor de vrijheid der vogels. Op haar beurt laat de vogel de zaden vallen van de lievelingsplant der insecten, bemest ze en draagt bij aan de vrijheid van het insectenbroed. De natuurstaat is een gemeenschap van vrijheden. Dat was het milieu van de eerste mensengemeenschappen en bleef dat duizenden generaties lang. De huidige antropologen, die de Goelag meedragen in hun brein, brengen die mensengemeenschappen terug tot bewegingen die het meest op werk lijken, en geven de naam Verzamelaars aan mensen die hun geliefde voedsel bijeengaren en soms bewaren. Een bankmedewerker zou dergelijke gemeenschappen Spaarbanken noemen! De zeks op een koffieplantage in Guatemala zijn Verzamelaars en de antropoloog is een Spaarbank. Hun vrije voorouders hadden wat belangrijkers te doen. De !Kung hebben zich wonderbaarlijk in stand weten te houden tot in onze verwoestende tijd. R.E. Leakey sloeg hen gade in hun welige thuisland in de Afrikaanse wouden. Niets ontwikkelden ze behalve zichzelf. Ze maakten van zichzelf wat ze wilden zijn. Zij werden niet bepaald door iets anders buiten hun eigen wezen — niet door wekkers, niet door schulden, niet door bevelen van meerderen. Ze feestten en speelden aan een stuk door, behalve wanneer ze sliepen. Ze deelden alles binnen hun gemeenschap: voedsel, ervaringen, visioenen en gezangen. Grote persoonlijke tevredenheid, diepe innerlijke vreugde, kwamen voort uit dat delen. (In de tegenwoordige wereld genieten wolven nog steeds van samen delen. Misschien is dat de reden dat regeringen een premie betalen aan mensen die wolven doden.) S. Diamond observeerde, ook in Afrika, andere vrije mensen die zich tot in onze tijd hebben weten te handhaven. Hij kon zien dat ze niet werkten, maar wist niet hoe hij dat in het Engels moest zeggen. In plaats daarvan zei hij dat ze geen onderscheid maakten tussen werk en spel. Bedoelt Diamond dat de bezigheden van die vrije mensen het ene moment als werk gezien kunnen worden en het andere moment als spel, afhankelijk van hoe de antropoloog zich voelt? Bedoelt hij dat hij niet wist of hun bezigheden werk of spel was? Bedoelt hij dat wij, jij en ik, Diamonds geharnaste tijdgenoten, geen onderscheid kunnen maken tussen hun werk en spel? Als de !Kung onze kantoren en fabrieken zouden bezoeken, zouden ze kunnen denken dat wij spelen. Waarom zouden we daar anders zijn? Ik denk dat Diamond iets veel diepzinnigers wilde zeggen. Een arbeidsanalist die een beer gadeslaat in de buurt van een plek met bessenstruiken, weet niet wanneer hij zijn stopwatch in zou moeten drukken. Begint de beer te werken als hij naar een bessenstruik loopt, als hij de bes pakt, als hij zijn kaken opent? Is de analist niet erg snugger, dan zal hij misschien zeggen dat de beer geen onderscheid maakt tussen werk en spel. Heeft hij fantasie dan zal hij misschien zeggen dat de beer al voorpret heeft vanaf het moment dat de bessen beginnen te kleuren en al die bewegingen van de beer geen werk zijn. Leakey en anderen opperden dat de gemeenschappelijke voorouders van de mens, onze eerste grootmoeders, ontstaan zijn in de welige Afrikaanse wouden, ergens in de buurt van het thuisland van de !Kung. De behoudende meerderheid, intens tevreden met de gulle vrijgevigheid van de natuur, gelukkig met hun verworvenheden, in harmonie met zichzelf en de wereld, hadden geen reden om hun thuisland te verlaten. Ze bleven. Een kleine minderheid ging zwerven. Misschien volgden zij hun dromen. Misschien was hun favoriete waterpoel opgedroogd. Misschien waren hun favoriete dieren weggetrokken. Deze mensen waren heel dol op dieren; ze zagen de dieren als kameraad. Verhaald wordt dat de zwervers naar elk woud, vlakte en waterkant van Eurazië zijn getrokken. Ze trokken of dreven naar bijna elk eiland. Ze trokken over de landbrug in de buurt van het noordelijke ijsland naar zuidelijkste punt van het tweeledige land dat Amerika genoemd zou worden. De zwervers trokken naar warm en koude streken, naar gewesten met veel en weinig regen. Misschien hadden sommigen heimwee naar het warme thuisland dat ze verlaten hadden. Als dat zo was maakte de aanwezigheid van hun favoriete dieren, hun kameraden, hun verlies weer goed. Het eerbetoon dat sommigen van aan deze dieren gaven, kunnen we nog steeds zien op de grotwanden van Altamira, op de rotsen in Abrigo del Sol in het Amazonebekken. Sommige vrouwen leerden van vogels en wind hoe ze zaden konden verzamelen. Sommige mannen leerden van wolven en arenden hoe ze konden jagen. Maar niemand van hen werkte ooit. En iedereen weet dat. De geharnaste christenen die later die gemeenschappen “ontdekten,” wisten dat die mensen niet werkten en die kennis werkte op de christelijke zenuwen, knaagde, en leidde ertoe dat de lijken begonnen rond te gluren. De christenen spraken over vrouwen die in de velden hun “aanstootgevende dansen” ten beste gaven, in plaats zich te beperken tot het huishouden; ze zeiden dat jagers een heleboel duivels “hocus pocus” uitvoerden, voordat ze de boogpees spanden. Deze christenen, arbeidsanalisten avant la lettre, konden niet vertellen waar het spel eindigde en het werk begon. Lang vertrouwd geweest met de bezigheden van de zeks, boezemden de aanstootgevende en duivelse heidenen, die beweerden dat de Vloek der Arbeid hen niet getroffen had, hen afkeer in. De christenen maakten snel een eind aan die “hocus pocus” en dansen, en zagen toe dat niemand werk niet meer kon onderscheiden van spel. Onze voorouders — ik zal Turners woord gebruik en hen de Bezetenen noemen — hadden wel wat belangrijkers te doen dan te vechten om te overleven. Ze hadden de natuur lief en de natuur beantwoordde hun liefde. Waar ze zich ook bevonden, overal troffen ze overvloed aan, zoals Marshall Sahlins laat zien in zijn Stone Age Economics. Pierre Clastres verklaart in Society Against the State dat onder geen van de Bezetenen aantoonbaar sprake was van een strijd om het bestaan; dat is wel het geval bij de Berooiden in de diepten en aan de randen van de toenemende industrialisatie. Na een geweldige samenvatting van verhalen uit verre streken en tijden, een overzicht van de “primitieve cultuur als geheel,” besluit Leslie White dat “er voldoende te eten is voor een rijkdom van leven, iets dat onder de ‘beschaafden’ sporadisch voorkomt.” Ik zou het woord Primitief niet gebruiken om en volk met een rijk leven aan te duiden. Ik zou dat woord gebruiken voor mijzelf en mijn tijdgenoten, wij met ons steeds armzaliger leven. * * *
|