DOSTOJEWSKI EN "HET GOUDEN TIJDPERK"
Richard Peace, Universiteit van Hull
In het zogenaamde “verbannen
hoofdstuk” van “De Boze Geesten” beschrijft Stavrogin een welhaast
mystieke
ervaring die hij Duitsland had.
Ik droomde een droom, die totaal
onverwacht voor
mij was, omdat mij nooit zoiets was overkomen. In het museum in Dresden
hangt een
schilderij van Claude Lorrain, dat volgens de catalogus, volgens mij,
“Acis en
Galatea” heet, maar ik heb het altijd “het Gouden Tijdperk” genoemd,
maar ik
weet niet waarom. Ik had het al eerder gezien en nu, drie dagen
geleden, had ik
het op mijn doorreis opnieuw ontdekt. Over dat schilderij heb ik
gedroomd, maar
niet als een schilderij, maar alsof het in feite echt was
Het is een gedeelte van de Griekse
archipel, er zijn
vriendelijke blauwe golven, eilanden en kliffen, een bloeiende
kustlijn, een
magisch panorama in de verte en een wenkende ondergaande zon. Je kunt
het niet
in woorden uitdrukken. Hier is, bewaard in zijn herinnering, de wieg
van de
Europese mens. Hier waren de eerste mythologische taferelen, zijn
paradijs op
aarde…..Hier leefden prachtige mensen. Zij ontwaakten en gingen weer
slapen,
gelukkig en schuldeloos. Hun vreugdevolle gezang vulde de wouden. Een
grote
overvloed van nog niet aangeboorde energie ging op in liefde en
onbevangen
vreugde. De zon baadde deze eilanden en zee in haar stralen, verblijd
door haar
prachtige kinderen. Een schitterende droom! Een verheffende dwaling. De
meest
onwaarschijnlijke van alle dromen die er ooit geweest zijn, en waar het
hele
mensdom al zijn energie zijn hele leven lang aan gewijd heeft, waarvoor
het
alles opgeofferd heeft, waarvoor het mensen heeft gekruisigd en
profeten heeft
vermoord, zonder welke volkeren niet willen leven en zelfs niet dood
kunnen
gaan. Het was alsof ik al die gevoelens in die droom doorleefde. Ik
weet niet
wat ik precies droomde, maar de kliffen, de zee en de schuine stralen
van de ondergaande
zon – alles leek ik nog te zien toen ik wakker werd en mijn ogen
opende, die
voor het eerst in mijn leven letterlijk baadden in tranen. Een tot dan
toe
onbekend gevoel van geluk doorstroomde mijn hart, tot een punt waarop
het zelfs
pijn deed. Het was al laat op de avond en door het venster van mijn
kleine
kamer en het groen met de bloemen op de vensterbank stroomde een hele
bundel
schitterende stralen van de ondergaande zon naar binnen en baadde me in
het
licht. Snel sloot ik mijn ogen weer, alsof ik ernaar smachtte de
voorbije droom
terug te laten keren, maar plotseling zag ik, als het ware middenin het
heldere,
heldere licht, een soort klein vlekje. Het kreeg vorm en opeens werd ik
een
nietig spinnetje gewaar. Ik herinnerde me meteen dat het op een
geraniumblad
zat toen de schuine stralen van de zon ook zo naar binnen vielen. Het
was alsof
er zich iets scherps in me stortte en ik ging overeind op het bed
zitten…..Precies zoals toen! Ik zag voor me (o, niet in werkelijkheid!
O was
het maar, o was het maar een spookverschijning!) ik zag Matresha voor
me staan,
uitgemergeld en met koortsachtige ogen, precies als toen…, toen ze op
de
drempel voor me stond, en met haar hoofd naar me knikte en haar kleine
vuistje
naar me ophief. (1)
Dezelfde droom, geïnspireerd door
exact
hetzelfde
schilderij, wordt bijna woord voor woord beschreven door een van de
andere van
Dostojewski’s dolende, verwesterde edellieden – Versilov in “De
Jongeling”.
Voor beide mannen wordt de idylle die ze in hun droom vluchtig zagen
bijna onmiddellijk
teniet gedaan, hoewel het verschillende vormen aanneemt.
In waaktoestand wordt Stavrogins
droom
over het
Gouden Tijdperk uitgewist door een symbool van individuele schuld – hij
zag het
kleine rode spinnetje toen de veertien jaar oude Matresha zelfmoord
pleegde.
Voor Versilov verandert de zonsondergang in zijn droom op de eerste dag
van de
Europese mens, in waaktoestand in de zonsondergang op de laatste dag
van de
Europese mens. Versilov merkt bij zichzelf op: “Juist toen leek het
alsof er in
heel Europa een doodsklok gehoord kon worden” en hij zegt dat hij niet
alleen
de Frans-Pruissische oorlog op het oog had, of het in brand steken van
de
kunstschatten van de Tuillerieën door de Parijse Commune, maar zijn
eigen
voorgevoel dat het hele aangezicht van de oude Europese wereld zal
vergaan en
dat dat voor hem, als Russische Europeaan ondenkbaar is. (2)
Een veel uitgebreidere
interpretatie van
de droom
van het Gouden Tijdperk staat in een verhaal dat voor het eerst
verscheen in
“Het Dagboek van een Schrijver” uit 1877 – “De Droom van de
Belachelijke Man”.
Het landschap van de droom is hetzelfde, hoewel in dit geval niet
specifiek
naar het schilderij van Claude Lorrain verwezen wordt. (3) In dit geval
echter,
slaat de hoofdpersoon de idylle niet alleen als dromer gade. De
uitspraak uit
de vroegere versies “het was alsof ik al deze gevoelens in die droom
doorleefde”
(4) krijgt een verhalend gewicht. De belachelijke man ervaart de idylle
onmiddellijk doordat hij temidden van de mensen uit het Gouden Tijdperk
leeft.
Helaas brengt hij de waarden van een “moderne Russische progressieve en
verachtelijke St. Petersburger” met zich mee. “Hij bederft de mensen
uit het
Gouden Tijdperk! Onder zijn invloed doorlopen ze alle opeenvolgende
stadia van
de beschaving, die West Europa zelf ook doorlopen heeft, zodat de
vernietiging
van de idylle het voorgevoel van Versilov van “de zonsondergang op de
laatste
dag van de Europese mens” met een gevoel van persoonlijke schuld
verenigt, net
als wat Stavrogin plotseling onder ogen ziet. De relatie van de
persoonlijke
schuld van Stavrogin met het onvermogen van de beschaafde westerse mens
een
“werkzame liefde” te betonen, lijkt welhaast uitgesproken. Want het is
na zijn
weigering het kleine verdrietige meisje te helpen, dat “de belachelijke
man”
die droom heeft, alsof het een antwoord was op die daad van gevoelloze
onverschilligheid. De droomervaring verandert zijn houding radicaal en
de
slotwoorden van het verhaal bakenen typografisch af wat er eerder
gebeurd is:
“Maar ik heb dat kleine meisje gezocht en gevonden…..En ik zal
doorgaan! Ik zal
doorgaan!”
In het begin van het verhaal
blijkt de
belachelijke man een nihilist te zijn. Zijn filosofie van vse ravno
lijkt op de morele onverschilligheid waartoe Stavrogin zich bekent. Op
dezelfde
manier speculeert Stavrogin, die in “Boze Geesten” het boegbeeld voor
de
nihilisten is, over het gevoel van onkwetsbaarheid dat je op aarde zou
kunnen
hebben, als je iets geks of misdadigs op de maan had gedaan, (5) maar
de
ethische implicaties van zo’n ruimtereis zijn voor “De Droom van de
Belachelijke Man” veel fundamenteler. Deze nihilist wordt (al was het
maar in
een droom) naar een andere wereld overgebracht en het leven dat hij
daar ziet
en zijn eigen handelen op die planeet, raken hem diep als hij weer op
aarde is
teruggekeerd.
Hij beschrijft zichzelf als een
Trichinella wat
betreft de invloed, die hij op de levens van die mensen die die
ververwijderde
planeet bewonen, heeft gehad. De Trichinella is een worm die zowel
varkens als
mensen kan aantasten en deze zelfidentificatie door de belachelijke man
suggereert diezelfde allegorie van “nihilisme” die achter “De Demonen”
ligt –
de parabel van de Gadareense zwijnen (Matth. 8: 28-34) Het zinspeelt
ook op een
andere droom – de droom die door Raskolnikov ervaren wordt in de
Epiloog van
“Misdaad en Straf”: de droom over een ziekte die Europa wegvaagt, een
epidemie
van nihilisme, die ook aan de Trichinella wordt toegeschreven. (6)
Door zijn “Gouden Tijdperk” aan te
bieden als een
weerlegging van het nihilisme, is Dostojewski, net als elders in zijn
geschriften, duidelijk bezig met polemiek, en verder is het duidelijk
dat door
middel van een droom de volmaakte mens ten tonele wordt gevoerd; want
de
volmaakte maatschappij van de nihilisten (om die term maar eens ruim te
gebruiken) wordt ook in een droom uitgebeeld: de Vierde Droom van Vera
Pavlovna
in “Wat moet er gedaan worden?” Voor de karakters uit de roman van
Chernyshevsky kan het Gouden Tijdperk alleen maar in de toekomst
liggen. Zoals
Kirsanov tegen Lopukhov zegt:
het Gouden
Tijdperk –
komen zál
het, Dmitry, dat weten we, maar het ligt nog in de toekomst. Dat
ijzeren
tijdperk gaat nu voorbij, is bijna voorbij, maar dat gouden is nog niet
aangebroken. (7)
Vreemd genoeg blijkt het
symbolische
metaal van
deze gouden eeuw uiteindelijk geen goud maar aluminium te zijn. De
droom van
Vera Pavlovna onthult dat de volmaakte maatschappij van de toekomst
gehuisvest
is in kristallen paleizen (ergens gebruikt Chernyshevsky inderdaad de
term khrustal'nyi
dvorec) van gietijzer en glas, of aluminium en glas. Zo’n architectuur
bestond
toen nog niet , maar Chernyshevsky erkent dat er een aanduiding van is
in “het
paleis dat op de Sydenham Heuvel staat.” (8)
"Wat moet er gedaan worden?” werd
gepubliceerd in 1863 en in datzelfde jaar gaf Dostojewski zijn
"Winterse
Opmerkingen over Zomerse Indrukken” uit, waarin het Crystal Palace in
Londen
niet wordt gezien als een belichaming van een grote prestatie van
architectuur
en wetenschap, maar als een soort nepideaal voor de mensheid, dat
bestreden
moet worden
Het
Crystal Palace,
de
Wereldtentoonstelling….Ja, de tentoonstelling is opmerkelijk. Je voelt
de
huiveringwekkende kracht die hier is samengebald, als een zwerm, al die
ontelbare aantallen mensen, die van overal ter wereld samengekomen
zijn. Je
bent je bewust van een gigantisch idee; je voelt dat hier al iets
bereikt is,
dat hier een overwinning en triomf gevierd worden. Toch is het alsof de
angst
voor iets anders je bekruipt. Hoe los je er ook van staat, om een of
andere
reden beangstigt het je. Toch denk je dat het eigenlijk geen ideaal is
dat er
bereikt is. Betekent dit niet het einde? Is dit nou die “ene
gemeenschap” ?
Moet je dit eigenlijk niet als de totale waarheid aanvaarden en
sprakeloos
zijn? Dit is allemaal zo triomferend, zegevierend en trots, dat het
lijkt alsof
je ziel verkrampt en bevangen wordt. Je kijkt naar die
honderdduizenden, al die
miljoenen mensen, die hier gedwee samenstromen uit alle hoeken van de
aarde –
mensen die hier met één gedachte gekomen zijn, die met een rustige
vastberadenheid in dit kolossale paleis samendrommen, en je voelt dat
hier
eindelijk iets bereikt is; het is bereikt en dit is het einde. Het is
een scène
uit de Bijbel, en roept een herinnering aan Babel op: een profetie uit
de
Apocalyps die voor je ogen in vervulling gaat. Je voelt dat het vraagt
om een
eindeloze hoeveelheid spirituele tegenkracht en verwerping, om niet te
bezwijken voor en je over te geven aan de indruk die het maakt; om niet
te
buigen voor de feiten en Baäl tot een afgod te maken – dat betekent dat
je het
niet als je ideaal te accepteert. (9)
De kracht van dit beeld staat voor
Dostojewski
buiten kijf, maar toch voelt hij dat het Crystal Palace verworpen moet
worden,
wat het ook aan spirituele energie zou moeten kosten om dat te doen.
Ongeveer
een tiental bladzijden verder brengt hij behoedzaam een ander mogelijk Utopia naar voren,
niet een
gebaseerd op ratio en wetenschap, maar op het denkbeeld van mensen die
van
elkaar houden. Het individu draagt zijn rechten aan zijn medebroeders
over en
zij staan op hun beurt in voor zijn individualiteit en vrijheid
(“Bemint
elkander, en dit alles zal u bovendien
geschonken
worden.” Matth. 6:33):
Heren, hier ziet
u dat
er
inderdaad een Utopia is! Alles is gebaseerd op gevoel, op de natuur en
niet op
de ratio. Het is, zoals u ziet zelfs een soort vernedering voor de
ratio. Wat
denkt u? Is dit een Utopia of niet? (10)
Vergeleken met zijn
hartstochtelijke
vloed van
overpeinzingen over het Crystal Palace, lijkt de presentatie van dit
alternatieve Utopia nogal tam, bijna beschaamd. Het is heel terecht dat
hij
aarzelt: wat hij voorstelt is maar weinig meer dan een romantisch
cliché, een
rudimentair Rousseau-isme. Het lijkt inderdaad alsof Rousseau, met zijn
cultus
van het gevoel en Voltaire, de kampioen van de ratio, een bijna
symbolische
betekenis aannemen voor een debat dat zich in Dostojewski zelf
afspeelt. Als
hij in Parijs het Pantheon bezoekt, wordt hij getroffen door een
paradox over
deze twee schrijvers, die een zeer Dostojewskiaanse waarheid onthuld
over het
gelijktijdig bestaan van tegenstrijdige tegenpolen
Wat
vreemd…..zelfs
deze twee grote
mannen, waarvan de een zijn hele leven lang de ander een leugenaar en
verdorven
mens noemde, en de eerste de tweede maar een dwaas noemde. Toch komen
zij hier
bijna zij aan zij bij elkaar. (11)
Het debat wordt voortgezet in
“Aantekeningen uit
het Ondergrondse” waar die redenerende anti- rationalist, de ultieme
paradoxalist, een Utopia gebaseerd op wetenschap en menselijke rede
aanvalt,
maar er niets voor in de plaats stelt. Deze tekortkoming wordt
toegeschreven
aan de activiteiten van de censor, maar er speelt ook iets wellicht
fundamentelers. Voor het Utopia dat Dostojewski verwerpt heeft hij een
artistiek beeld: het is opnieuw het Crystal Palace. Maar voor het
Utopia dat
hij zou kunnen aanvaarden, is het beeld nog niet gevonden en bij een
schrijver
die in beelden denkt is dat een ernstige artistieke tekortkoming. Om er
slechts
platitudes over “liefde” voor in de plaats te stellen is nauwelijks
adequaat,
per slot van rekening is “Het Kristallen Paleis”van Chernyshevsky ook
op liefde
gebaseerd. De Vierde Droom van Vera Pavlovna begint met het verwerpen
van de
opeenvolgende tijdperken uit het verleden (primitieve nomaden, oude
Atheners en
de ridderlijke Middeleeuwen) en hij verwerpt die juist vanwege de
ontoereikendheid
van hun opvatting over liefde. (12) Vera Pavlovna vervolgt met een
droom over
een Gouden Tijdperk in de toekomst. Tegengesteld daaraan dromen de
helden van
Dostojewski over een Utopia in het verleden. – een Utopia waarvoor nu
een beeld
is: “Acis en Galatea” van Claude Lorrain. Maar terwijl de droom van
Vera
Pavlovna laat zien hoe de sexuele liefde zich door de eeuwen heen
ontwikkelt,
getuigt de belachelijke man van de toenemende teloorgang van
broederliefde
vanaf de oorspronkelijke idyllische zuiverheid.
II
De polemische aspecten van het
thema van
het
Gouden Tijdperk zijn vanzelfsprekend belangrijk. Toch worden, zoals
vaak in het
schrijven van Dostojewski gebeurt, de positieve ideeën bepaald door wat
hij
verwerpt. In “De Droom van de Belachelijke Man” komen we dicht bij een
wezenlijke beschrijving van de positieve gedachte van Dostojewski. Die
visie
zou misschien extreem kunnen lijken, met name omdat de waarden van de
droom
niet religieus zijn in wat voor conventionele zin dan ook. De
gelukzaligheid
van het Gouden Tijdperk is die van een zuivere, allesdoordringende
liefde die
de mens verbindt met de hele natuur en het hele universum.
Ze wezen mij op
hun
bomen en ik
kon die diepgevoelde liefde niet begrijpen waarmee ze ernaar keken; het
was of
ze over schepsels als zij zelf spraken. En misschien vergis ik me niet
wanneer
ik zeg dat ze met hen spraken. Ja, ze hadden hun taal ontdekt en ik ben
ervan
overtuigd dat de bomen hen verstonden. En op dezelfde manier
beschouwden ze de
hele Natuur — de dieren die in vrede met hen leefden en hen niet
aanvielen,
maar overwonnen door hun liefde, van hen hielden. Ze wezen mij de
sterren aan
en vertelden me er iets over wat ik niet kon begrijpen, maar ik ben
ervan
overtuigd dat zij op een of andere manier in contact met de sterren
stonden,
niet alleen in gedachten maar langs een of ander levend kanaal. O, die
mensen
deden ook helemaal geen moeite om te zorgen dat ik ze begreep, ze
hielden ook
zo van me. (13)
Deze zin van universele
aanbidding,
heeft iets dat
dichtbij het pantheïsme komt (het benadert de Christelijke leer het
meest in de
leringen van Franciscus van Assisië). Maar hier zijn toch mensen voor
wie
religie overbodig lijkt:
Ze begrepen me
nauwelijks als ik
ze vroeg over onsterfelijkheid maar blijkbaar waren ze er zo
onberedeneerd van
overtuigd, dat dat voor hen helemaal geen vraag was. Ze hadden geen
tempels,
maar een echt levend ervaren van eenheid met het hele Universum; ze
beleden
geen geloof, maar hadden het zekere weten dat wanneer hun aardse
vreugde de
grenzen van de aardse natuur had bereikt voor hen, voor de levenden
zowel als
voor de doden, een nog dieper contact met het geheel van het Universum
zou
komen. (14)
Dergelijke waarden zijn in wezen
tegengesteld aan
de conventionele religie. Deze mensen hebben geen templels en geen
geloof. Pas als
zij verdorven zijn gaan zij tempels bouwen en bidden en praten over de
barmhartige rechter die hen zal oordelen. De behoefte aan religie
markeert hun
val. Het idee van de mens als een religieus dier, wat het verhaal
biedt, ligt
inderdaad merkwaardig dicht tegen Feuerbach’s zienswijze in zijn “ Het
Wezen
van het Christendom” aan: “ Met het Christendom verloor de mens het
vermogen om
zichzelf als deel van de Natuur, van het universum te zien.” (15)
Positieve Christelijke zienswijzen
worden in de
kunst van Dostojewski tot uitdrukking gebracht door Zosima in “De
Broeders
Karamazow”. Toch speelt ook hier het thema van de natuur een dominante
rol.
Zosima beschrijft hoe hij een keer de nacht doorbracht aan de oever van
een
rivier in het gezelschap van een eenvoudige boerenjongen:
Wij spraken over
de
schoonheid van
Gods wereld, over zijn mysterieuze schoonheid. Ieder grassprietje,
ieder
kevertje, de mier en het gouden bijtje kenden hun weg zo wonderlijk
goed, ook
al ontbrak hun het verstand, ze getuigden van Gods mysterie en deelden
er zelf
in, zonder ophouden. Ik zag dat de jongeman daarover in vuur raakte.
Hij
vertelde me dat hij veel hield van het bos en de vogels die daarin
rondvliegen:
hij was een vogelaar, kende het fluiten van ieder vogeltje en wist hoe
hij ze
moest lokken. ‘Er bestaat niets mooiers dan het bos,’ zei hij,
‘trouwens, de
hele natuur is mooi.’ ‘Dat is waar,’ antwoordde ik, ‘alles is mooi en
goed,
omdat het zo echt is. Kijk eens naar een paard, zon edel dier, dat de
mens zo
na staat, of naar de os die hem voedsel geeft en voor hem werkt, dat
gebogen
peinzende dier. Kijk eens naar hun snuiten, wat spreekt daaruit een
zachtmoedigheid en een gehechtheid aan de mens die hem zo vaak
onbarmhartig
slaat, wat ligt er een goedmoedigheid, een vertrouwen en een schoonheid
in. Het
is ontroerend te weten dat zij zonder zonden zijn, want alles is
volmaakt en
zonder zonde, alles, behalve de mens, en Christus is eerder met hen dan
met
ons.’ ‘Is Christus dan werkelijk ook bij hen?’ vroeg de jongen. ‘Hoe
zou het anders
wezen!’ zei ik tegen hem, ‘het Woord is immers voor ieder bestemd,
ieder
schepsel, ieder levend wezen en elk blaadje streeft naar het Woord,
zingt de
lof van God, weent zonder het zelf te weten om Christus: daarin ligt
het geheim
van hun zondeloos bestaan. (16)
Dus Zosima beschouwt de hele
natuur als
goed, met
uitzondering van de mens: “Alles is volmaakt; alles is zondeloos,
behalve de
mens,” en we zien in “De Droom van de Belachelijke Man” dat het Gouden
Tijdperk
een tijdperk was waarin de mens zelf een integraal en onvoorwaardelijk
deel van
de universele goedheid uitmaakte.
Desondanks wordt de “orthodoxie”
van de
ideeën en
praktijken van Zosima aangevochten binnen het klooster zelf. Hij wordt
verketterd door Ferapont en de sterke nadruk op de schoonheid en
goedheid van
de natuur in zijn leringen lijken het gevaar te lopen in een
pre-Christelijke
cultus van de aarde uit te monden – hij draagt zijn volgelingen op neer
te
vallen en de aarde te kussen. Dat motief keert in de geschriften van
Dostojewski telkens weer terug. In “Misdaad en Straf” sommeert Sonja
Raskolnikov neer te vallen en de grond op het kruispunt te kussen. In
"De
Demonen" vertelt een ketter die uit het klooster verbannen is aan
Marija
Lebjadkina dat de Madonna de vochtige moeder aarde is en dat ze neer
moet vallen
en de aarde moet kussen en haar met haar tranen moet bevochtigen. (17)
Dat
motief is ook in “De Droom van de Belachelijke Man” aanwezig, waarin
hij de
mensen van het Gouden Tijdperk niet vertelt over de aarde waar hij
vandaan gekomen
is, maar in hun aanwezigheid neervalt en de aarde kust, waarop zij
leven.
In deze handeling van het kussen
van de
aarde (wat
eigenlijk een andere wereld is) vinden we de elementen van de mystieke
ervaring
van Aljosha, na de dood van Zosima. Ook hij viel neer, kuste de aarde
en voelde
dat hij in verbinding stond met andere werelden. Het Gouden Tijdperk,
waar de
belachelijke man over droomt, is zelf een andere wereld – die verre
ster, die
hij eerder had gezien op zijn weg naar huis door de straten van Sint
Petersburg, en die toen zijn nihilisme leek te bevestigen en zijn
besluit om
zelfmoord te plegen leek te versterken. Maar dit is een andere wereld
waar de
mensen zelf in contact staan met andere werelden, en het plotselinge
contact
van de belachelijke man met deze andere wereld van het Gouden Tijdperk
opent
zijn ogen voor de mogelijkheden van leven op zijn eigen aarde.
Als “De Droom van de Belachelijke
Man”
een soort
van uitgebreide parabel over de lering van Zosima over andere werelden
is, dan
komt het element van het aanbidden van de aarde ons niet alleen als
on-Christelijk voor, maar de leer van de andere werelden is daarnaast
van een
twijfelachtige Orthodoxe waarde. Het idee van het bestaan van andere
werelden
werd door de Heilige Synode in de achttiende eeuw veroordeeld, en de
kerk werd
daarvoor in Lomonosov’s gedicht “ Hymne aan de Baard” belachelijk
gemaakt. De
synode antwoordde in 1757 met het verzoek aan de keizerin een oekaze
uit te
vaardigen, die ongetwijfeld Lomonosov op het oog had: “opdat voortaan
niemand
iets zal durven schrijven of drukken, noch over de veelheid van
werelden, noch
iets anders dat strijdig is met het heilige geloof of in afwijking van
de
eerbare moraal, op straffe van de zwaarste straf.” (18
Hoewel Lomonosov de opvatting van
de
“veelheid van
werelden” poogde te rechtvaardigen door teksten van Basileus de Grote
en Johannes
van Damascus aan te halen, is het standpunt van de Heilige Synode
desondanks
duidelijk. (19)
III
Er doemen nog meer problemen op
door het
schilderij dat Dostojewski identificeert met de droom van het Gouden
Tijdperk. Het
heeft een mythologisch onderwerp (zowel de droom van Stavrogin als die
van
Versilov beweren: “ Hier waren de eerste mythologische plaatsen”) en
toch lijkt
de mythe van Acis en Galatea nauwelijks te rijmen met de droom die het
lijkt op
te roepen. Op de eerste plaats is de plaats van handeling niet
Griekenland,
zoals Dostojewski veronderstelt, maar Sicilië, de hellingen van de
Etna. Noch
beeldt het de mens af, levend in een gemeenschap en in een toestand van
eenheid
met de natuur – maar een man en een vrouw, Acis en Galatea, in
wederzijdse
adoratie, zonder oog voor de wereld rondom hen, en eigenlijk
afgeschermd van de
natuur die de achtergrond vormt, door een de aanzet van een tentachtige
beschutting.
Bovendien zijn er details waarvan
Dostojewski zich
nauwelijks bewust is: kleien cupidootjes en boten op de zee. (20)
Ovidius, aan
wie het verhaal van Acis en Galatea is ontleend, verteld ons dat de
enige reden
waarom de boten ongehinderd mochten passeren was vanwege de invloed die
Galatea
op een andere figuur had. De Cycloop, Polyfemus, die deze kust
bewoonde, was
ook verliefd op haar en werd zo afgeleid dat:
Zijn
onstilbare
dorst naar bloed is gelest:
Schepen
mogen
voorbijgaan
En
veilig
weerkeren.
(21)
Deze jaloerse reus staat ook echt
op het
schilderij. Hij zit op de kliffen achter het paar en we weten van de
mythe dat
hij een rots naar Acis zal smijten en hem zal doden. Dat is dus de
opvatting
van Dostojewski over het Gouden Tijdperk: een intrige van
hartstochtelijke en tomeloze
liefde, jalousie en geweld tegen de achtergrond van een vulkaan – een
intrige als
van een typische Dostojewskiaanse roman! Claude heeft de scène op een
idyllisch
moment van rust gevangen, maar het is een idylle die weldra wreed en
gewelddadig uit elkaar zal spatten. Merkwaardig genoeg komt dat ook
overeen met
Dostojewski’s eigen voorstelling van het Gouden Tijdperk. In de dromen
van
Stavrogin, Versilov en de belachelijke man, wordt de idylle vluchtig
aanschouwd
om alleen maar versplinterd te worden. zij wordt vernietigd door de
onvolkomenheden van de mens zelf: de persoonlijke schuld van Stavrogin;
het
gevoel van Versilov van een uiteenvallende beschaving; het bederf dat
door de
belachelijke man zelf de idylle wordt ingebracht.
Het ideaal van het “paradijs op
aarde”
voorbijgaand
aan de eigen onvolkomenheden van de mens, brengt ons terug naar de
“Aantekeningen uit het Ondergrondse”. De ondergrond-mens verwerpt het
Crystal
Palace met argumenten die op de menselijke natuur gebaseerd zijn: “De
mens
houdt van scheppen en wegen aanleggen, dat kan men niet ontkennen, maar
waarom
houdt hij ook zo hartstochtelijk van verwoesting en chaos?” (22) Hoewel
de
ondergrond-mens het Crystal Palace ontkent in de hoop op iets beters,
is het
duidelijk dat deze “zieke, kwaadaardige en onaantrekkelijke mens” zelf
elk
beeld van volmaaktheid dat hem geboden wordt zal verbrijzelen, en met
name dat
experimentele Utopia, dat in “Winterse Opmerkingen over Zomerse
Indrukken” naar
voren gebracht wordt – het Utopia gebaseerd op broederschap en liefde
Het is deze tragische tweedeling
van
idylle en
chaos waaraan het schilderij van Claude visuele uitdrukking geeft. Het
schilderij bestaat duidelijk uit twee gedeelten. De voorgrond met zijn
idealisering van de menselijke relatie wordt van het grotere panorama
van de
natuur gescheiden door een inham van de zee, en op deze achtergrond
houdt zich
een andere menselijke gedaante schuil, eenzaam en grotesk, een
belichaming van kwaadaardigheid,
op het punt te vernietigen wat hij niet kan bereiken – juist het
paradigma van
een Dostojewskiaans kerndilemma.
Ook de belachelijke man speelt de
rol
van
Polyfemus in zijn eigen droom over het Gouden Tijdperk, maar zelfs
ondanks dat
hij weet dat hij zelf de idylle vernietigd heeft, en dat het
uiteindelijk maar
een droom was, gelooft hij desalniettemin hartstochtelijk in de
werkelijkheid
ervan. Het feit dat hij in de ogen van anderen een prooi lijkt te zijn
van een
hallucinatie is van geen belang, hij heeft een helder inzicht gekregen
dat hem
niet meer afgenomen kan worden. Een dergelijke opstandige opvatting
vormt een
treffende parallel met de houding van Myshkin ten opzichte van de
mystieke
ervaring die aan zijn epileptische insulten voorafgaat: “Wat maakt het
uit dat
dit een ziekte is? Wat heeft het voor invloed op de zaak dat het een
abnormale
spanningstoestand is, als het resultaat, als dit moment, zichzelf
openbaart als
de hoogste graad van harmonie en schoonheid, als het tot een dusver nog
niet
gehoord en niet gedroomd gevoel van vervulling geeft, van een gevoel
van orde,
van verzoening en van een extatische en vrome samensmelting met de
allerhoogste
synthese van het leven?” (23
Dit is, zoals we weten,
Dostojewski’s
eigen
ervaring met het epileptische insult. Een moment van volmaaktheid,
harmonie en
schoonheid, ontwaard juist op het punt van het begin van de
vernietigende
chaos. Dit is ook, wat de tweedeling van het schilderij van Claude zo
helder
weergeeft: de idylle op de voorgrond wordt bedreigd door de beginnende
chaos op
de achtergrond. Het schilderij is op deze manier, symbolisch voor de
antithetische ervaringen, die de het epileptisch insult behelst.
Myshkin voelt zich niet in staat
zijn
positieve
boodschap in woorden uit te drukken, en hierin komt hij overeen met de
belachelijke
man: “Na mijn droom zat ik verlegen om woorden. Tenminste alle
belangrijke
woorden, de meest noodzakelijke.” (24) Desalniettemin grijpt, van de
twee verbale
punten die hij aan het eind van het verhaal maakt, de ene terug op het
experimentele
Utopia dat op liefde gebaseerd is en wat naar voren gebracht was in “
Winterse
Opmerkingen over Zomerse Indrukken”: “Het belangrijke – heb uw naasten
lief
gelijk uzelve, dat is het belangrijke en dat is alles, er is absoluut
niets
anders nodig” ; het tweede, een negatief punt, neemt de polemiek weer
op die
gevoerd was in “Aantekeningen uit het Ondergrondse” tegen het
aantastende,
nadenkende bewustzijn van de beschaafde mens:
Bewustzijn van
het
leven is
belangrijker dan het leven zelf, kennis van de wetten van geluk is
belangrijker
dan geluk zelf. Dat is waar men tegen moet vechten! en ik zal het doen.
(25)
De positieve boodschap lijkt
afgezaagd
en de
belachelijke man is de eerste om dat toe te geven: “Maar uiteindelijk
is het
slechts een oude waarheid, die duizendmiljoen keer herhaald en gelezen
is, maar
men heeft het niet opgepikt!” In “Het Gouden Tijdperk in je Zak”,
gepubliceerd
in “Het Dagboek van een Schrijver” uit 1867 was Dostojewski
teruggekeerd naar
het thema van de verwerkelijking van die eeuwenoude droom. Hij
beschrijft zijn
teleurstelling over het onechte, beheerste gedrag van mensen op een
verenigingsbal (in contrast met het kinderbal dat daaraan vooraf ging)
en
beweert, dat als deze volwassenen zich alleen maar hun volle schoonheid
en mogelijkheden
als menselijke wezens zouden realiseren; zich zouden realiseren dat
iedereen
knapper is dan Voltaire, gevoeliger dan Rousseau, het Gouden Tijdperk
onmiddellijk zou aanbreken. “Zeker, zeker,” roept hij uit, ” het Gouden
Tijdperk bestaat toch niet alleen op Chinese theekopjes?” (26)
In woorden uitgedrukt, en deze
keer zijn
het die
van Dostojewski zelf, is de boodschap onwerkelijk, naïef en afgezaagd,
maar het
zijn niet de woorden die uiteindelijk de mogelijkheid van een Gouden
Tijdperk
bevestigen: het is een onmiddellijke ervaring, door een schilderij
overgebracht.
De titel van het schilderij van
Claude
bevat een
aanwijzing, waar Dostojewski zich al dan niet van bewust is geweest;
want de
naam Galatea roept een andere mythe op, die ook in de “Metamorfosen”
van Ovidius
gevonden kan worden; daarbij neemt in het verhaal van Pygmalion de
kunst het
over van het werkelijke leven en wordt zijn standbeeld, door de liefde,
veranderd in de volmaakte vrouw Galatea. Een beeld dat werkelijkheid
wordt is
de merkwaardige eigenschap die in de dromen van Versilov, Stavrogin en
de
belachelijke man aan het schilderij van Claude toegekend wordt. Het is
niet
louter kunst, het is levend: “alsof het iets feitelijk reëels was”.
Schrijvend over een ander beroemd
standbeeld, de
Apollo Belvedere, in zijn vroegere polemiek tegen Dobroljubov over de
aard van
de esthetische ervaring, had Dostojewski gevraagd:
Wie weet vindt
er wel
een
inwendige verandering plaats in een mens door het effect van zo’n
schoonheid,
door zo’n zenuwshock; een soort beweging van deeltjes of een
galvanische stroom
die in één moment iets wat er voor die tijd was verandert in iets
anders, een
stuk gewoon ijzer in een magneet. (27)
Hij oppert dat kunst het vermogen
bezit
om op een wezenlijke
manier op de menselijke geest in te werken: het kan gewoon ijzer
veranderen in
een magneet – onedel metaal in een gouden tijdperk. “Schoonheid zal de
wereld
redden” is een van de gedachten die aan Myshkin wordt toegeschreven,
maar toch
kent hij de verschrikkelijke werkelijkheid achter zijn eigen mystieke
vluchtige
blik op de schoonheid en de harmonie. Dmitrij Karamazow weet ook dat
schoonheid
een verschrikkelijke kracht is, dat het onverenigbare tegenstellingen
bevat – net
zozeer als de inham die Acis en Galatea scheidt van de Cycloop en de
Etna (28) in
een enkele compositie is vervat. Desondanks wordt ons meer dan eens
door de
karakters van Dostojewski verteld dat de ware harmonie voortkomt uit de
visuele
waarneming van schoonheid, de kunst om te kijken en te zien:
Weet je, ik weet
niet
hoe je langs
een boom kan lopen en bij het zien daarvan niet gelukkig kan zijn; met
een mens
kan praten en niet gelukkig zijn door het feit dat je van hem houdt. O,
ik kan
het gewoon niet uitdrukken…en hoeveel dingen bij elke stap; zo’n
prachtige
dingen, die zelfs de meest wanhopige mens prachtig vindt. Kijk naar een
kind;
kijk naar Gods zonsondergang; kijk hoe het gras groeit; kijk in de ogen
die
naar je kijken en die van je houden! (29)
Het is veelbetekenend dat de
woorden van
Myshkin
geuit worden op het korte mystieke moment dat aan zijn epileptisch
insult
voorafgaan. Daarbij vermeldt hij elementen die je ook in het schilderij
van
Claude vindt: de bomen; de zonsondergang en de ogen die beminnen. Het
is dus zo,
dat door naar schoonheid te kijken een mens gelukkig kan zijn; ook
Zosima
spoort zijn volgelingen aan om naar de schoonheid en harmonie van de
geschapen
wereld te kijken.
Schilderijen hebben een grote rol
gespeeld bij
Dostojewski’s eigen gevoel van welzijn en harmonie. De memoires en
dagboeken
van Anna Grigorevna getuigen welbespraakt van het belang van kunstmusea
gedurende de jaren die ze in het buitenland doorbrachten. Met name
noteert ze
in haar dagboek hoe Dostojewski in een postepileptische geprikkelde
toestand in
het Dresder kunstmuseum op een stoel bleef staan om de Sistine Madonna
beter te
bekijken. Maar aan de andere kant onthullen haar memoires ook dat hij
zo
overrompeld was door het schilderij van Hans Holbein van Christus in
Bazel, dat
Anna, nadat hij een lange tijd naar had staan kijken, de verschrikte
blik op
zijn gezicht waarneemt, die zij associeert met de aanzet tot een
epileptisch
insult. (30) Aan deze beide schilderijen wordt in het schrijven van
Dostojewski
een bijzonder symbolisch gewicht toegekend en de schilderijen die
terugkeren
zijn allemaal meesterstukken van de West-Europese kunst. Maar
Dostojewski kijkt
er niet naar met een Westers oog, maar meer op de manier waarop een
Orthodoxe
Christen naar een icoon kijkt: het zijn niet slechts schilderijen op
religieuze
thema’s, zij zijn een visueel brandpunt op een hele spirituele wereld
daar
voorbij. In deze zin zijn schilderijen voor Dostojewski iconen – een
constatering die evenzeer opgaat voor het niet-religieuze schilderij
“Acis en
Galatea.” Als dat het geval is, is het toch zeker ongewoon dat iconen
zelf, zo
kortstondig en zelden in zijn schrijven voorkomen. Hun flikkerende
lichtschijnsels houden de oude man Karamazow, samen met de ratten, ’s
nachts
gezelschap; Versilov breekt symbolisch een oude gelovige-icoon in
tweeën; Kirilov
wijst naar een icoon van de Verlosser; maar de echte iconografische
ervaring in
de romans komt van de meesters uit het Westen. Het zijn hun werken die
een
hogere spirituele harmonie scheppen, of in het geval van Holbeins
schilderij,
een spirituele disharmonie.
Gezien Dostojewski’s
ogenschijnlijke
obsessie met
de “ Russische Christus”, is het vreemd dat echte Russische iconen in
zijn werk
niet een meer opvallende rol spelen. Maar even vreemd, gezien het
ideologische
gewicht dat door Zosima, Markel, Myshkin (en zelfs de belachelijke man
zelf)
aan de schoonheid van de natuur wordt gehecht, is het ontbreken van een
dragende natuurbeschrijving in de romans van Dostojewski. Men zou
kunnen
tegenwerpen dat dat komt omdat die zich meer afspelen in steden dan op
het
platteland. Toch voelt Raskolnikov, telkens wanneer hij een van de
meest
indrukwekkende uitzichten op Sint Petersburg aanschouwt, geen geluk,
maar een onverklaarbare
droefheid, (31) en we hebben al gezien dat Myshkin, als hij zijn
toehoorders aanspoort
naar de schoonheid van de natuur te kijken en gelukkig te zijn,
plotseling een
epileptisch insult krijgt. Maar er is een ruime gelegenheid voor
natuurbeschrijving
in “De Demonen” en “De Gebroeders Karamazow” omdat die zich niet in de
hoofdsteden Sint Petersburg en Moskou afspelen, maar in kleine
provinciestadjes. Vooral in “De Demonen” is de rol van de
natuurbeschrijving opvallend.
Het vormt nauwelijks de achtergrond van vreugde, of het nou Stavrogrins
vreemde
regendoordrenkte tuin is, met zijn kronkelige paadjes of het
naargeestige park
waarin Shatov wordt vermoord, en wanneer goeverneur Von Lembke uitrijdt
naar
het platteland om bloemen te plukken – het markeert de aanzet van zijn
krankzinnigheid. (32)
Bovendien mist de natuur, zoals
die in
“De Droom
van de Belachelijke Man” beschreven wordt, artistieke degelijkheid. Het
is
gestileerd: gras is niet trava – het is de dichterlijke
volksuitdrukking murava. Dostojewski’s voorstelling van de
natuur is
verrassend
minder
poëtisch, minder extatisch, dan de natuurbeschrijving van Chernyshevsky
in het
begin van “De Vierde Droom” van Vera Pavlovna: een beschrijving die
lyrisch
meegesleept wordt door citaten uit het “Mailied” van Goethe (een
hulpmiddel,
waarvan je eerder zou kunnen denken, dat het kenmerkend voor
Dostojewski zelf
zou zijn). (33)
Het schilderij dat Dostojewski
identificeert met
Het Gouden Tijdperk, behandelt de natuur ook op een nogal academische,
zelfs
verhoedende manier. Hoewel er twee bomen op de voorgrond staan, lijkt
het tekenend
dat het werkelijke natuurpanorama de bovenste helft van het schilderij
vult en
dat dit gescheiden wordt van de geïdealiseerde gedaanten op de
voorgrond door
de inham van de zee. Dit “magische panorama in de verte” (zoals het in
de
dromen van Stavrogin en Versilov beschreven wordt) is op het schilderij
zelf, bar
en verboden met zijn knoestige rotsgezichten, steile kliffen en zijn
vulkaan,
maar het meest verboden van alles is het eenogige monster dat zich daar
middenin bevindt. (34) In tegenstelling tot de interpretatie van
Dostojewski,
suggereert het schilderij zelf dat de mensen van het gouden tijdperk
zich niet
van de natuur bewust zijn, er fysiek van gescheiden zijn, en bovenal
dat het
juist uit de natuurlijke achtergrond is, dat de werkelijke bedreiging
van hun
geluk zal komen.
Dostojewski's houding ten opzichte
van
de natuur
confronteert ons met een paradox: aan de ene kant een ideologische
extase; aan
de andere kant – verschrikking, of op z’n minst een beschrijvend
onbehagen en
reserve. Er zijn een aantal autobiografische aanduidingen die mogelijk
zouden
kunnen helpen om wat licht op het probleem te werpen. Een van de eerste
passages met een natuurbeschrijving komt voor in “Arme Mensen” als
onderdeel
van het relaas van Varvara Alekseevna over haar jeugd op het
platteland. Er
zijn commentatoren die ervan uitgaan dat dit gebaseerd is op
Dostojewski’s
eigen jeugdherinneringen op het kleine landgoed van zijn vader. (35)
Varvara
beschrijft de geneugten van het najaar, maar vertelt dat, toen zij op
een
wandeling achtergebleven was en merkte dat ze alleen was, zij zich bang
begon
te voelen en een stem hoorde fluisteren: “Rennen, rennen kind, kom niet
te laat
– nog even en het zal hier huiveringwekkend zijn, rennen kind!” Toen
zette ze
het op een hollen, totdat ze buiten adem het huis bereikte met z’n
gelukkige,
bedrijvige en geruststellende sfeer. (36) Het lijkt alsof deze passage
vooruitblikt op het autobiografische verhaal met de titel “ Boer Marej”
dat
verscheen in “Het Dagboek van een Schrijver” in 1876. Hier herinnert
Dostojewski
zich een voorval op het kleine landgoed van zijn vader toen hij negen
jaar oud
was. Het was eind Augustus en hij liep alleen in het bos toen hij
plotseling
een stem hoorde roepen: “er komt een wolf aan.” In paniek begon hij te
rennen
en zocht troost bij een boer – de boer Marej, uit de titel – die in de
buurt
aan het ploegen was. (37) De kreet was natuurlijk een hallucinatie en
Dostojewski bekent dat hij dergelijke stemmen eerder gehoord had. Het
hele
voorval lijkt een irrationele angst, voor het alleen in de natuur zijn,
te
suggereren, en de tegenovergestelde behoefte naar menselijk contact en
steun.
De oorzaak van het verval van het
Gouden
Tijdperk
in “De Droom van de Belachelijke Man” is het feit dat de mens zich van
de
anderen afsnijdt. Dat is ook het kwaad waarvoor Zosima waarschuwt: ot'edinenie i uedinenie (de belachelijke
man
refereert aan raz'edinenie and obosoblenie). In
Dostojewski's romans
vallen mensen die zich van de anderen afsnijden, zoals de
ondergrond-man, Raskolnikov
en Kirilov, ten prooi aan extreme, negatieve en destructieve ideeën.
Dit zijn
de intellectuele kluizenaars van de steden, maar op het platteland is
het
mogelijk je nog meer alleen en een vreemdeling te voelen, zoals
Myshkin,
omringd door het natuurlandschap van Zwitserland, merkt:
Een hele tijd keek hij in doodsangst om zich
heen.
Hij
herinnerde zich nu hoe hij zijn armen had uitgestrekt naar dat
stralende,
eindeloze blauw en geschreeuwd had. Wat hem kwelde was dat dat hij voor
dat
alles een volstrekte vreemdeling was. (38)
Het was voor een epilepticus als
Myshkin
fysiek
gevaarlijk om in zo’n wilde omgeving alleen te zijn, en het is mogelijk
dat
Dostojewski’s vreemde dubbelzinnigheid in zijn reageren op de natuur,
zelf door
zijn epileptische ervaring bepaald werd. Enerzijds verschafte het dat
gevoel
van harmonie met de natuurlijke wereld in dat kortdurende ogenblik vóór
het
insult zelf, anderzijds loerde er een echte angst, voor de epilepticus
alleen
in de natuur, zonder menselijke steun, zelfs een gevaar.
Dostojewski's romans zitten vol
mensen.
Zijn
karakters hebben behoefte aan contact, en diegenen die het contact
verliezen
zijn zelf verloren. Een treffend kenmerk van zijn eigen leven is zijn
dringende
behoefte aan gezelschap, maar de stabiliteit die hij in het huwelijk
zocht,
werd doorlopend bedreigd door de vernietigende irrationaliteit van zijn
eigen
persoonlijkheid, onder de dodelijke slagen van de epilepsie. Na het
mislukken
van zijn eerste huwelijk, de stormachtige affaire met Suslova en de
afwijzing
door Korvin-Krukovskaja, vond hij uiteindelijk de stabiliteit die hij
zocht in
zijn huwelijk met Anna Grigorevna Snitkina; maar het was een harmonie
die pas
na jaren van mentale doodsangst bereikt werd en waarin zijn jonge vrouw
ernstig
op de proef gesteld werd.
Als we nu opnieuw naar het
schilderij
van Claude
kijken, kunnen we zien dat wat het verheerlijkt niet een gemeenschap
van
onschuldige mensen die in een volmaakte harmonie leven is, zoals de
interpretatie ervan in de drie dromen zou kunnen suggereren. Het geheel
ondubbelzinnige thema ervan is de geïdealiseerde liefde van een paar,
en het is
tekenend dat het lijkt alsof de vrouw in aanbidding voor de man
neerknielt.
(39) Noch zijn deze mensen, zoals de mensen in de droom van het Gouden
Tijdperk, één met de natuur: zij zijn volledig in elkaar opgegaan, en
feitelijk
lijken zij zich van de natuur afgeschermd te hebben. Maar de nietige
beschutting die zij tegen de steile kliffen, die achter hen opdoemen,
hebben
opgericht, levert geen echte bescherming tegen die vijandige kracht die
in de
natuurlijke achtergrond verscholen is. Elk moment kan de steen van de
Cycloop
toeslaan.
IV
We hebben dus gezien dat het thema
van
het Gouden
Tijdperk, zoals veel andere dingen in het schrijven van Dostojewski,
niet
zonder polemische aspecten is, met name door de manier waarop het in
“De Droom
van de Belachelijke Man” tot ontwikkeling komt. Dostojewski’s droom van
de in volmaakte
harmonie levende mens moet geplaatst worden naast Vera Pavlovna’s droom
over
het Utopia in “ Wat moet er gedaan worden?” Maar terwijl voor
Chernyshevsky het
bepalende beeld het Crystal Palace in Londen is, met zijn zinspelen op
een
toekomstig wetenschappelijk tijdperk, verwerpt Dostojewski het Crystal
Palace
duidelijk. Zijn Utopia is niet gebaseerd op de vooruitgang van de
menselijke
ratio, maar op het behoud van onschuldige oorspronkelijke gevoelens;
voor hem
ligt het Gouden Tijdperk niet in de toekomst maar in het verleden en
hij
ontleent het beeld ervan niet aan een wetenschappelijke constructie
maar aan
een kunstwerk.
Schilderijen hebben voor
Dostojewski een
iconografische kracht. Het zijn niet alleen maar voorstellingen; zij
maken een
spirituele wereld voorbij deze wereld toegankelijk. De kracht van
Claude’s
schilderij is dat het van de harmonie van het Gouden Tijdperk een
psychologische
werkelijkheid maakt – een schoonheid die “de wereld zou kunnen redden”.
Desondanks lijkt het vreemd dat Dostojewski het Gouden Tijdperk met de
mythe
van Acis en Galatea moest identificeren, en met een schilderij dat de
idylle
net op de vooravond van een gewelddadige vernietiging, gevangen heeft.
Toch is
het tekenend dat Dostojewski zelf in staat lijkt zijn eigen idylle op
een
andere manier te verwoorden, zoals we duidelijk kunnen opmaken uit de
drie
afzonderlijke dromen over het Gouden Tijdperk, die door het schilderij
geïnspireerd zijn.
Op een bewust niveau van de
allegorie,
spruit de
vernietiging in alle drie de dromen voort uit de onvolmaakte natuur van
de
beschaafde mens, en er is meer dan één aanwijzing dat er binnen de
dromer een
verwerpende ondergrond-mens schuilt, evenzeer als binnen het schilderij
zelf de
verwoestend Cycloop schuilgaat. Maar de allegorie gaat voor Dostojewski
ook op
een dieper en meer persoonlijk niveau te werk: de mystieke vluchtige
blik op
harmonie en schoonheid, vóór het plotselinge begin van chaos en
vergetelheid,
is Dostojewski’s eigen ervaring van het epileptisch insult, en de
levendigheid
van die waarneming kan niet door de daarop volgende chaos ontkend
worden, zelfs
bij het idee dat het wellicht slechts een product van die chaos is.
De objectieve details van Claude’s
schilderij
verschillen in vrijwel elk opzicht met hun subjectieve herinterpretatie
als “de
droom van het Gouden Tijdperk” in de versies van Stavrogin, Versilov en
de
belachelijke man. Desondanks heeft de vervorming en onderdrukking van
het
detail voor Dostojewski zelf een subjectieve betekenis: het laat zijn
eigen
hoop en angst doorschemeren. Op dit niveau onthult het schilderij de
schoonheid
en verschrikking van een breekbaar ogenblik van een vluchtig
aanschouwde
volmaaktheid; en de dubbelzinnigheid van een natuur die de hoop op
harmonie
verschaft, maar ook de dreiging van reuzen, vulkanen en wolven. Bovenal
looft
het schilderij een intieme, liefhebbende verhouding en de nietige
beschutting
ervan: het enige schild tegen het geweld en de vernietiging die op elk
moment
kan uitbarsten.
Er moet nog een slotwoord aan
toegevoegd
worden.
Gogol heeft ook de idylle van de volmaakte liefde van een paar
beschreven,
omringd door de natuur, in zijn “Ouderwetse Landeigenaars” Ook hij
brengt zijn
figuren met behulp van een schilderij (in dit geval hypothetisch) in
verband
met een mythologisch onderwerp uit de “Metamorfosen” van Ovidius. Deze
verteller zegt dus: “Als ik schilder zou zijn en Philemon en Baucis op
het
canvas zou willen afbeelden, zou ik nooit een ander origineel willen
kiezen dan
hen.” Gogol’s idylle wordt versplinterd door krachten die zich buiten
het
serene middelpunt van de wereld van het paar schuilhouden, krachten in
de
natuur zelf, vertegenwoordigd door het voorteken van de kat, die naar
de wilde
katers in de bossen ontsnapt. Maar de verplettering van de idylle
(alweer door
de dood) roept bij de verteller een persoonlijke herinnering op. Hij
herinnert
zich hoe hij in zijn jeugd, als hij alleen in de tuin was en alles stil
was, vaak
een stem hem had horen roepen. Verschrikt rende hij dan weg totdat hij
iemand
tegenkwam en gerustgesteld werd.
Deze persoonlijke aantekening komt
opvallend dicht
bij de ervaring waarnaar in “Boer Marej” wordt verwezen. Inderdaad
onthult de
idylle, zowel van Dostojewski als van Gogol, een soortgelijke basis van
persoonlijke doodsangst. Gogol’s visie op een ideale maatschappij wordt
naar
voren gebracht in “Uitgekozen Passages uit de Briefwisseling met
Vrienden”; het
is Christelijk, feodaal en autoritair. De waarden erin zijn duidelijk
die van
het verleden, en “Ouderwetse Landeigenaars” kan beschouwd worden als de
vroegere artistieke uitdrukking ervan; maar vreemd genoeg, heeft, net
als in
Dostojewski’s Gouden Tijdperk, de religie er nauwelijks een plaats in.
Het is
opvallend dat, hoewel deze twee geïdealiseerde werelden op veel
basispunten
volledig verschillen, dat beide auteurs bij het schilderen van hun
respectievelijke
idylle tegelijkertijd uitdrukking geven aan hun meest geheime angsten.
NOTES
1.
F. M.
Dostoevskij,
Polnoe sobranie sochinenij v tridcati tomakh, Leningrad, 1972, Vol. XI,
pp.
21-22. (In de volgende noten wordt aan deze uitgave gerefereerd als:
PSS)
2.
PSS,
XIII,
pp. 375-376.
3.
In haar
memoires somt Anna
Grigorevna de schilderijen in de Zwinger Kunst Galerij in Dresden op,
die de
favorieten van haar echtgenoot waren en noemt daarbij: " 'Küstenlandschaft (Morgen und
Abend)' van Claude Lorrain (deze
landschappen placht mijn man “het gouden tijdperk” te noemen en hij
spreekt
daarover in “het dagboek van een Schrijver”) A. G. Dostoevskaja,
Vospominanija,
Moscow, 1971, p. 150. Desondanks wijzen de uitgevers van deze editie
erop dat
Claude Lorrian’s “Morgen” (ook bekend als “De Ontmoeting van Jacob en
Rachel”) en
het begeleidend schilderij “Avond” niet in Dresden waren maar in de
Hermitage
in Sint Petersburg, en verklaren opnieuw dat het schilderij dat
Dostojewski met
het Gouden Tijdperk identificeerde in feite Acis en Galatea uit de
Dresder
Galerij.” (ibid. , p. 422). Dezelfde opmerking wordt ook gemaakt door
de
uigevers van F. M. Dostoevskij v vospominanijakh sovremennikov, Moscow,
1964,
II, p. 436. Uit de Duitse namen en het feit dat zij de schilderijen in
Dresden
lokaliseert zou het kunnen lijken alsof Anna Grigorevna eigenlijk "Acis
and Galatea" op het oog heeft, maar de volledige naam van het
schilderij
"Kusttafereel met Acis en Galatea" verwisseld heeft met soortgelijke
landschappen in Sint Petersburg. Deze visie wordt verder versterkt door
het
bestaan van een postkaartreproduktie van "Acis and Galatea, " die op
de achterkant de volgende inscriptie van de hand van Anna Grigorevna
draagt :
"Fedor Mikhajlovich schatte dit schilderij van grote waarde en noemde
het
“Het Gouden Tijdperk” " Zie: V. S. Nechaeva (ed.), Fedor Mikhaijlovich
Dostoevski) v portretakh, illustracijakh, dokumentakh, Moscow, 1972, p.
312.
4.
"Vse
eto
oshchushchenie ja kak budto prozhil v etom sne, " in: PSS, XI, p. 21,
PSS,
XIII, p. 375.
5.
PSS, X,
p.
187.
6.
PSS,
VI, p.
419.
7.
N. G.
Chernyshevskij,
Chto delat', Leningrad, 1975, p. 187.
8.
Ibid. ,
p.
284. Het
Crystal Palace werd oorspronkelijk gebouwd in het Hyde Park voor de
Wereldtentoonstelling van 1851, maar werd verplaatst naar Sydenham Hill
in
1854.
9.
PSS,
V, pp,
69-70. Zie ook J. Catteau, "Du Palais de cristal à l'âge d'or ou les avatars
de l'utopie,
" in: Dostoevski. Cahier
de
1'Herne
no. 24, Paris: l'Herne, 1973, pp. 176-195. (Een verreikende
discussie over het Utopische thema bij Dostojewski, dat Catteau
verbindt aan de
mythe van “De eeuwige Wederkeer”)
10.
PSS, V,
p.
80.
11.
Ibid. ,
p.
89.
12.
Chto
delat',
pp. 282-283. In
zowel Vera Pavlovna’s Vierde Droom als in "De Droom van de Belachelijke
Man” wordt het Utopia door een bovennatuurlijke gedaante aan de dromer
getoond.
13.
F. M.
Dostoevski), Sobranie
sochinenij v desjati tomakh, Moscow, 1958, vol. X, p. 443.
14.
Ibid. ,
p.
434.
15.
L. A.
Feuerbach, Het
Wezen van het Christendom, (vert. uit het Duits door G. Elliot), New
York,
1957, p. 135.
16.
PSS,
XIV, pp.
267-268.
17.
PSS,
VI, p.
322 and PSS, X, p. 116. Het
concept van de door de mens verloren eenheid met de aarde wordt vermeld
– en
weer in Klassieke en pre-Christelijke termen – in De Broeders Karamazow
door Dmitrij’s
herhaalde aanhalingen van Schiller’s "Das Eleusische Fest. " PSS,
XIV, pp. 98-99.
18.
B.
N. Menshutkin,
Russia's Lomonosov, Princeton, New Jersey, 1952, p. 149.
19.
Ibid. ,
p.
148.
20.
Cf.
Vergilius’ behandeling
van het Gouden Tijdperk in "Eclogue IV" waar het zeekiezen van de
mens in boten beschouwd wordt als kenteken van zijn “val” in de verzen
31 and 32:
pauca tamen suberunt priscae vestigia fraudis,
quae temptare Thetim ratibus. . . .
T. E. Page merkt op: "De oude dichters spraken vaak over het zich op
zee
wagen als een bewijs van de zondige en aanmatigende natuur van de mens
en een
verzet tegen de hemelse wil " P. Vergili Maronis, Bucolica et Georgica,
London, 1931, pp. 10, 128.
21.
De
vertaling
is de
versie van Golding van de Metamorfosen van Ovidius, Bk. XIII, 11.
768-769.
Selected Works of Ovid, London, 1939, p. 358.
Caedis amor, feritas, sitisque immensa cruoris
Cessant; et tutae veniuntque abeuntque carinae
22.
PSS, V,
p.
118.
23.
PSS,
VIII, p.
188.
24.
F. M.
Dostoevski),
Sobranie sochinenij v desjati tomakh, Moscow, 1958, Vol, X, p. 440.
(Cf. PSS,
VIII, p. 283)
25.
F. M.
Dostoevskij,
Sobranie sochinenij v desjati tomakh, Moscow, 1958, Vol. X, p. 441.
(Cf. PSS,
V, pp. 178-179)
26.
F. M.
Dostoevskij,
Polnoe sobranie sochinenij, Sint Petersburg, 1911, vol. XX, p. 12.
27.
PSS,
XVIII,
p. 78.
28.
Er is
een
aanwijzing in
Ovidius dat de eenogige Cycloop een mythologische uitdrukking is van de
Etna
zelf. Cf.
Cumque suis videor translatam viribus AEtnam
Pectore ferre meo; nec tu, Galetea, moveris
(11. 868-869)
(Me thinks mount Aetna with his force is closed in my breast.
And yet it nothing moveth thee) (Golding p. 363)
en
Tantaque vox, quantam Cyclops iratus habere
Debuit, illa fuit: clamore perhorruit AEtna
(11. 876-877)
(Theis wordes were spoke with such a reere as verry well became
An angry Giant. Aetna shooke with lowdnesse of the same) (Golding p.
363)
De vernietinede actie van de Cycloop loopt parallel met die van de
berg: hij
smijt wat, wat Golding vertaalt met: a 'fleece' of Etna rock, of which
a small
piece kills Acis: I
nsequitur Cyclops; partem e monte revulsam
Mittit; et extremus quamvis pervenit ad ilium
Angulus e saxo, totum tamen obruit Acin
29.
PSS,
VIII, p.
459.
30.
F. M.
Dostoevskij v
vospominanijakh sovremennikov, Moscow, 1964, vol. II. , pp. 56, 109.
31.
PSS,
VI, p.
90.
32.
PSS, X,
p.
341.
33.
Cf.
Dmitrij
Karamazov’s
gebruik van Duitse poëzie om zijn doodsangst uit te drukken. PSS, XIV,
pp.
98-99.
34.
De
details
van Claude’s
decor zijn duidelijk door Ovidius beïnvloed. Cf.
Prominet in pontum cuneatus acumine longo
Collis: utrumque latus circumfluit aequoris unda (LI)
* * *
|