www.verbodengeschriften.nl



 

Een Episode uit Platland,

 

of hoe een platte burger de derde dimensie ontdekt

 

Door Charles Howard Hinton

 

1907

[Uittreksel van An Episode of Flatland (1907) en tevens gedeelten uit de Inleiding, "The History of Astria," en de hoofdstukken 6, 7, 8, 9, 10, en 20. Pagina 163-204, uit Speculations on the Fourth Dimension, Selected Writings of Charles H. Hinton, Copyright 1980, Dover Publications, Inc., ISBN 0-486-23916-0]

 

Inleiding

 

Op een dag legde ik wat munten op tafel (fig. 60), en vermaakte mezelf door ze wat rond te schuiven. Het trof me dat het op een of andere manier echt op een soort planetenstelsel leek. De grote munt in het midden stelt dan de zon voor en de andere haar planeten, die er omheen reizen. En toen ik me daarbij voorstelde dat de planeten bewoonde werelden waren, die alleen maar rond hun eigen zon konden bewegen en over de tafel konden schuiven, zag ik dat we wezens die deze werelden bewonen moeten zien op een manier, waarbij ze op de buitenranden van die werelden staan en niet over hun platte oppervlak lopen. Net zoals de aantrekkingskracht, in het geval van onze aarde, naar het middelpunt toe werkt en dat middelpunt onbereikbaar is, vanwege de ondoordringbaarheid van het lichaam waarop wij staan, zouden de bewoners van mijn muntenwerelden over een aantrekkingskracht beschikken, die zich, vanaf het midden van de munt, in alle richtingen over het oppervlak van de tafel uitstrekt. “Omhoog” zou dan voor hen van het centrum uit naar buiten tot over de rand zijn, terwijl “omlaag” vanaf de rand naar binnen, naar het centrum toe zou betekenen. Het zou dus juist zijn om te zeggen, dat wezens die in die positie verkeren, op het randje staan. (fig. 61).

Illustratie

En toen zag ik, dat als ik aannam de het oppervlak van de tafel volmaakt glad was, zodat daarop niets de beweging zou kunnen belemmeren, deze wezens er helemaal geen benul van zouden hebben, dat er een oppervlak was, waar zij overheen schoven. Aangezien het oppervlak steeds contact maakt met elk bewegend ding, zouden zij daar geen bewust idee van hebben. In dat opzicht zou er geen verschil bestaan. En toen zag ik dat ik een afbeelding had van een twee-dimensionale wereld, een wereld waarin haar schepsels zouden denken dat de ruimte zelf twee-dimensionaal was.

 

We zien dat de schijven, waar deze werelden uit bestaan, op een of andere manier ondersteund moeten worden, maar wezens van een dergelijk universum zouden een dergelijke vraag niet stellen – ze zouden denken dat de hele aanwezige ruimte uit de omvang bestond van de bewegingen die zij maakten. Ze zouden nooit op de gedachte komen van een beweging van de tafel af of erin, omdat ze daar altijd contact mee maakten.

 

Maar het zou heel moeilijk zijn om te beseffen hoe “uit” een schijf, zoals bij een van mijn munten, als “omhoog” gevoeld zou kunnen worden en naar binnen, naar het middelpunt, als “omlaag.” Om mijn geest op dit punt wat gerust te stellen, stelde ik mij voor dat ik op de evenaar van onze aarde stond, en daar langs keek, en dat er toen een grote stalen plaat naar beneden kwam en de aarde precies langs de evenaar doorsneed en vervolgens opnieuw naar beneden kwam en een plak evenwijdig aan de eerste afsneed. En toen bedacht ik dat die plak aarde en ikzelf tegen de plaat bleven plakken, zoals een plakje wortel aan een mes blijft hangen. Op die manier kreeg ik het gevoel dat ik me op een schijf bevond, met een “omhoog en omlaag” en een “vanaf en naar” het middelpunt van de schijf.

 

Maar ik had nog steeds niet het besef van een andere richting dan dat “vanaf en naar” – langs de rand van de schijf – en het “omhoog en omlaag” van het middelpunt af en er naartoe. Ik kon het niet helpen dat ik mijzelf het gevoel van links en rechts toekende – van de stalen plaat af en erin. Om dat gevoel kwijt te raken, moest ik duidelijk mijn besef van mijn hele lichaam veranderen. Zonder het snijden zover door te drijven dat ik mijzelf als plakje zag, stelde ik mij voor dat ikzelf van een heel dun materiaal was gemaakt, precies even dik als de plak aarde, en veronderstelde dat ikzelf en de hele plak even dik waren, en precies even dicht tegen de plaat aanlagen.

 

"Als ik nu”, zei ik toen, “geen besef had van die dikte, als de plaat volmaakt glad was en ikzelf en alles wat ik kende daar volmaakt vrij overheen bewoog, zou ik een twee-dimensionale ervaring hebben. Het bewegen van mijn arm of het wijzen van mijn vinger, waren bewegingen die alleen in contact met de plaat konden plaatsvinden, en ik zou nooit naar een derde dimensie kunnen wijzen. Ik zou dat niet eens kunnen bedenken, want alle bewegingen van alle dingen vinden dan langs het oppervlak van de plaat plaats.”

 

Zo werd dus duidelijk dat ik me, zonder te bedenken dat ik slechts een lijn of driehoek was, of een andere meetkundige figuur, mijzelf kon voorstellen als een twee-dimensionaal wezen. Als mijn dikte heel gering zou zijn en ik mij daar niet bewust van was en als ik nooit van het contact met een oppervlak zou afkomen, zou ik dat ervaren als een twee-dimensionaal wezen. Het leek dus uiteindelijk toch mogelijk dat er echte twee-dimensionale wezens waren. Maar als iets echt bestaat, is de enige reden om het niet te zien, dat het óf te klein óf te ver weg is – of misschien een andere reden. Dus ging ik proberen om deze twee-dimensionale wezens te ontdekken en alles over ze te weten te komen. Ten slotte slaagde ik daarin en als ik je niet vertel hoe, ben ik bang dat het niet om een erg belangrijke reden gaat. Want als ik zou vertellen hoe iemand iets over hen te weten kan komen, ben ik bang dat Mr. Wells of Mr. Gelett Burges, of misschien een andere briljante schrijver over hen zouden gaan schrijven en die wezens zouden opdienen op een manier om geestig en humoristisch over te komen. Dan zou niemand naar mij luisteren. Omdat het nu eenmaal zo is, heb ik mij voorgenomen om mijzelf maar het plezier te doen om over hen te vertellen.

 

Een ding wat mij steeds heeft beziggehouden, vanaf het begin waarop ik over deze platte wezens ging nadenken, waren hun ogen.

 

Het is duidelijk dat zij niet, zoals wij, twee ogen naast elkaar zouden kunnen hebben, want hun lichamen hebben geen dikte om ze zo te plaatsen. Als zij dus twee ogen hadden, vroeg ik mij af of het ene boven het andere zat, of dat ze een oog aan de voorkant en het andere aan de achterkant van hun hoofd hadden. Over deze en andere vragen kreeg ik achtereenvolgens alle informatie, die men zich maar kan wensen. Door wat ik heb ontdekt, ben ik van deze schepsels gaan denken, dat ze erg op onszelf lijken, weliswaar onder verschillende fysieke omstandigheden – maar hun drijfveren, doelen en karakter zijn maar weinig anders, hoewel de omstandigheden verschillend zijn. Het enige globale kenmerk van het verschil dat ik zou willen schetsen, is dat ze niet zo massief zijn als wij. Ze kunnen gemakkelijker tot actie worden aangezet, en politieke en andere veranderingen kunnen soepeler worden doorgevoerd dan bij ons. Zij nemen ook meer bekrompen standpunten in dan wij en bekijken de dingen niet op zo’n ruime en verdraagzame manier als wij.

 

Om alles dat ik heb te zeggen op een systematische manier aan de lezer voor te leggen, zal ik beginnen met een beknopte geschiedenis van Astria, waarbij ik de gebeurtenissen zal samenvatten, die op die planeet plaats hebben gevonden vanaf de vroegste tijden, totdat ik bij het tijdperk kom, waarover ik uitvoeriger heb geschreven. Door een selectie te maken uit het materiaal, dat tot mijn beschikking stond, heb ik uit die periode wat uitgesproken en persoonlijke informatie gegeven over personen, die in latere gebeurtenissen een belangrijke rol hebben gespeeld.

 

De Geschiedenis van Astria

 

Astria is een vlakke wereld en haar bewoners lopen langs de rand ervan. “Omhoog” is van het middelpunt van de schijf af, en “omlaag” naar het middelpunt toe. Om mijzelf de moeite te besparen om op anatomische bijzonderheden in te gaan, zal ik een Astriaan schematisch weergeven door middel van een driehoek. En het zal bijdragen aan de duidelijkheid van de verbeelding van de lezer, als hij zich een groot vel van een of andere stof voorstelt, waar Astria, haar zon, en alle stoffelijke lichamen van dat reepje universum, verticaal op gerangschikt worden. Hij zal dan een meer waarheidsgetrouw beeld krijgen van de ideeën over beweging en voortgang in deze wereld.

Illustratie

De rand van de vlakke wereld van Astria wordt door twee oceanen – de Zwarte Zee en de Witte Zee – in twee vrijwel gelijke delen verdeeld (fig. 62). Omdat de dagelijkse rotatiebeweging van Astria plaatsvindt in de richting die wordt aangegeven door een pijl, lijkt de zon op te gaan boven de Witte Zee. De richting vanaf de bewoonde streken naar de Witte Zee wordt dan het “Oosten” genoemd.

 

In de vroegste tijden was het bewoonde gebied verdeeld tussen twee volkeren, de Unaeërs en de Scythen. Van deze beiden waren de Unaeërs verreweg het meest beschaafd. In feite werd alles dat in Astria de hoop wekte dat zij het juweel van haar planetenstelsel zou worden, bij de Unaeërs aangetroffen, terwijl de Scythen een roofzuchtig nomadisch bestaan leidden. Bedreven als zij waren in alle levenskunsten, werden de Unaeërs geleidelijk door de Scythen teruggedreven en overwonnen.

 

Toen Caesar in zijn geschiedenis van de Gallische oorlogen het over de plattelanders had, zei hij dat het door hun cultuur kwam, dat ze door de barbaarse en gestaalde moed van de Germanen vielen. Hij doet alsof beschaving en cultuur op zichzelf al iets slopends en verzwakkends voor de strenge deugden met zich meebrachten. Maar er moet een andere reden worden gezocht voor de doorlopende nederlagen van de Unaeërs, de onophoudelijke roof van hun territorium, het doorlopend opslorpen door de Scythische horden van een lichtende streek in hun duisternis, die daarbij ouderdom noch geslacht ontzagen, en het land dat zij ooit hadden veroverd nooit meer prijsgaven.

Illustratie

Ik zal de oorzaak van de ellende van de Unaeërs verduidelijken. Mijn globale en vlotte weergave van de bewoners van Astria, door middel van een driehoek (fig. 63), is voldoende om mij in staat te stellen om de hoofdkenmerken te beschrijven van hun lichamelijke uiterlijk. Ik maak op de gangbare manier gebruik van deze figuur van een driehoek, als een model of symbool, dat eenvoudig en gemakkelijk is te tekenen, en wat mij, zonder enig overbodig en onvoorzien probleem, in staat stelt om iets duidelijk te maken. Het laat iets zien waar ik mij vaak over heb verbaasd, namelijk dat er een zekere aanwijzing voor bestaat, dat het Astriase geheel van bestaan eerder is gemodelleerd naar het patroon van een hoger bestaan, dan dat het een volledige aanpassing is aan de eisen van haar bekrompen wereld.

 

Als we naar de driehoek kijken die een Astriaan voorstelt, zien we dat er aan een rand twee armen en één oog zitten, terwijl aan de andere rand geen zintuig- of grijporganen aanwezig zijn. Als de Astriaan dus naar het Oosten loopt, zou hij zijn weg duidelijk zien en als hij met iets bezig is, dat ten Oosten van hem was geplaatst, zou hij daar gemakkelijk aan kunnen werken; voorwerpen echter, die zich ten Westen van hem bevinden, zou hij alleen maar kunnen zien als hij zich om zou draaien en een lichaamshouding zou aannemen waar hij, ondanks de soepelheid van zijn lijf, moeite mee zou hebben en maar moeizaam enige tijd zou kunnen volhouden. Voorwerpen ten Westen van hem zouden dus alleen maar op een zeer onhandige en ondoeltreffende manier kunnen worden bereikt.

 

Voor ons lijkt het alsof het voor een Astriaan gemakkelijk zou zijn om zich om te draaien, zodat hij in westelijke richting zou kunnen kijken. Maar om dat te doen zouden wij het dunne lijf van de man op moeten tillen van het vel waarop het voortglijdt. Een dergelijke handeling is natuurlijk onbegrijpelijk voor de bewoners van een platte wereld, en hun lichamen zouden een dergelijke handeling niet verdragen, omdat ze veel te dun zijn om zonder gevaar omgedraaid te worden en zelfs maar even zonder ondersteuning te zijn van het vel waar zij overheenglijden. Iedereen in Astria was geboren met het gezicht naar het Oosten, en met de blik op het Oosten gericht ging hij dan verder, tot hij doodging.

 

Ik denk dat het nu duidelijk is waarom de Scythen een dergelijk overwicht bleken te hebben op de Unaeërs bij het oorlog voeren. Het gestel van het Astriase lichaam was van dien aard, dat een Scythische man zo’n overwicht had op een Unaeische man, dat daar geen behendigheid of discipline tegenop kon.

Illustratie

De Scythiër, die ik weergeef als een gearceerde figuur, (fig. 64) kon de Unaeër duidelijk zien en hem doeltreffende slagen uitdelen, terwijl de Unaeër, die ik weergeef als een niet-gearceerde figuur, zich in bochten moest wringen om de Scyth te zien, en kon hem alleen indirect en naar achteren aanvallen of slaan.

 

Daarom werden de Unaeërs jaar na jaar binnen steeds nauwer wordende grenzen gedreven, tot er uiteindelijk, met de Witte Zee aan de ene kant en hun onbedwingbare dwazen aan de andere kant, geen andere afloop leek te zijn dan een definitieve en absolute uitroeiing.

 

Ondanks dit hopeloze vooruitzicht was er geen sprake van een demoralisatie van de nationale identiteit: litteratuur en kunst veranderden in drijfveren van een ingrijpender aard dan in tijden toen het gevaar minder dichtbij was, en de grootste geesten wijdden zich aan het inprenten van een onverschrokken en stoïcijnse dapperheid, en aan een religie die de dood van zijn verschrikkingen beroofde.

 

In het licht van latere gebeurtenissen is het gemakkelijk om te zeggen, dat de intellectuele energie van het ras beter ingezet had kunnen worden voor de bestudering van de natuur en om haar de geheimen te ontfutselen voor een meer efficiënte manier van oorlogvoeren. Maar het voor de hand liggende wordt altijd ontdekt via een niet voor de hand liggende weg. De geschiedenis van Unaea maakt geen uitzondering op die regel, zoals het volgende verslag van hun ontdekking van de manier waarop ze de Scythen het hoofd konden bieden, zal laten zien.

 

Onder de mensen van dit langzaam uitstervende ras, waren er een aantal die hun geest aan alle angsten van hun tijd onttrokken en, onbaatzuchtig en zonder enig eigenbelang, de bewegingen van verre sterren bestudeerden. En zo werd bij de Unaeërs, net als bij ons, de Wetenschap van de Astronomie geboren. Wetenschap, die belangstelling, die waardering van de dingen, in en voor hun eigen belang, waar wij gewoonlijk over denken als het product van een welvarende en bevoorrechte maatschappij, dook plotseling op in Unaea, toen het bolwerk van hun nationaal bestaan afbrokkelde onder de woeste en aanhoudende slagen van hun aartsvijand.

 

En net zoals bij ons de Astronomische Wetenschap haar eerste gave aan de mens schonk, door ons de kunst van het navigeren te schenken, gaf in Unaea de Wetenschap door de Astronomie haar eerste gave aan deze stervelingen. Maar de gave bestond niet louter uit het vereenvoudigen van een kunst. Het was van een ongehoorde grootsheid, niets minder dan de redding van hun ras. Want door het bestuderen van de veranderingen van de hemellichamen, die verantwoordelijk waren voor hun wisselvalligheid, eclipsen en verstoringen, stuitten de astronomen op de gedachte van de bolvorm van hun aarde. En toen het nieuws rondging, toen het nieuws van de een op de ander werd overgebracht, dat hun aarde zonder twijfel rond was, werden de harten van dit intelligente volk zondermeer met een grote vreugde vervuld. Want iedereen begreep onvoorwaardelijk, dat als hun wereld rond was, een Unaeër die om hun schijf zou heen lopen, in een positie terecht zou komen, waarbij hij evenveel overwicht op een Scyth zou hebben, als die Scyth nu over hem had.

Illustratie

Aan de rechterkant van de tekening (fig. 65) zien we dus een Scyth en een Unaeër in hun gewone vechtpositie; maar aan de linkerkant zien we een Unaeër die rond zijn aardbol is gelopen en ten opzichte van de Scyth in een gunstige positie is aangeland.

 

Het vooruitzicht om hun erfvijanden tegen te komen onder zulke omgekeerde omstandigheden, bezielde het volk met de grootste hartstocht, en een tijdperk van astronomische ontdekkingen, vergelijkbaar met de tijd die er tussen de inspanningen van Ptolemeus en Newton ligt, werd in een paar jaar overspannen. De Unaeërs overwonnen de problemen van de astronomische observatie, die in feite aanzienlijk waren.

 

In Astria kan bijvoorbeeld een buis niet gebruikt worden – er bestaat geen manier waarop de tegenover elkaar liggende zijden bij elkaar kunnen worden gehouden. Om het passeren van hemellichamen te observeren, moesten er gaten in de aarde worden gegraven. Het schema hieronder (fig. 66) laat een Unaea-telescoop zien – een opening in de grond, bedekt met een lens. Het is duidelijk dat de astronoom door hetzelfde gat naar zijn observatieplaats moet afdalen waardoor hij zijn observaties doet. Als er nog een opening zou worden gemaakt, zoals te zien is in de tweede tekening, zou de aarde boven de kamer naar beneden vallen, omdat er geen ondersteuning is die het op zijn plaats kan houden.

Illustratie

Om de problemen te overwinnen, die zowel met hun mijnbouw als met hun astronomische observaties gepaard gingen, boorden de Unaeërs alle bronnen van hun daadkrachtige intelligentie aan. En voor er vele decennia voorbij waren gegaan, na de ontdekking van de cirkelvorm van de aarde, hadden ze genoeg informatie gekregen over het verschijnsel van de getijden, om het bestaan van een continent van tegenvoeters te voorspellen. Ze hadden ondekt dat het stijgen en dalen van de zee aan hun kust geringer was dan wat er zou gebeuren als de Witte en Zwarte Zee de grenzen van dezelfde oceaan waren.

 

Het bestaan van dat continent leverde een expeditie op, om het in de rug aanvallen van de Scythen uitvoerbaar te maken. Hoewel het mogelijk was, verschilde het in details van elke andere militaire operatie die ooit was uitgevoerd.

 

De problemen bij het doorkruisen van een nog niet ontdekt continent waren voor Astria bijna onoverkomelijk. In de onbewoonde streken waren alle wouden geveld en ’s zomers was de bodem bedekt met een veerkrachtig en elastisch graangewas, dat de graankorrels in een opgerold geveerd blad droeg. Over de veerkrachtige oppervlakte, die dit soort vegetatie bood, kon je snel en gemakkelijk reizen. Maar in het ongerepte woud was het anders.

 

Het is duidelijk dat als twee Astrianen elkaar tegenkwamen, de een gedwongen was om over de ander heen te klimmen, om hem te passeren. Wij kunnen een beeld van hun toestand vormen door te denken aan twee koorddansers die, omdat zij noch naar links, noch naar rechts kunnen uitwijken, over elkaar heen of onder elkaar door moeten. Zij zouden wel een idee van rechts en links hebben, maar zouden daar toch geen gebruik van kunnen maken. Maar de Astrianen hadden er en geen idee van, en zij hadden er, ook als zij het gekund hadden, geen gebruik van kunnen maken, omdat al hun bewegingen zodanig waren beperkt dat zij alleen maar konden worden uitgevoerd, binnen de voorwaarden van hun materiële bestaan, dat wil zeggen, dat ze het vel waartegen zij rondschoven niet konden verlaten. Als het passeren van iemand anders al zoveel problemen opleverde, kun je bedenken wat voor een obstakel een enkele boom zou bieden bij het vooruitlopen. Als hij nog stond moest hij beklommen worden, of als hij was omgezaagd en daar dan lag met die hele warboel van takken, moesten ze daar over heen.

 

Gezien de problemen met de navigatie, het betreden van een onbekend continent en de terugkeer daaruit en het bouwen van schepen om de Zwarte Zee te doorkruisen, werd de kortste periode die er kon verstrijken tussen het vertrek van de expeditie en de aankomst van de mensen die het hadden overleefd, geschat op honderdvijftig jaar. Van de mensen die vertrokken zou geen enkele het doel kunnen bereiken. Een deel van het volk moest zich afscheiden. Voor die onderneming moest een groep vastberaden dappere kerels worden uitgekozen, onversaagd, stoutmoedig en getrouw.

Een uitgelezen groep moest zich toegang verschaffen tot de onvoorstelbare woestenij van de eenzame tegenvoeters. Voor hun eigen leven en dat van hun kinders kinderen moesten zij de doolhofachtige streken met ongerepte wouden doorkruisen, waarbij niets van wat heel Unaea als goedgezind, oprecht en eerzaam beschouwden het voor hen gemakkelijker zou maken. En toch moesten zij hun liefde voor Unaea bewaren; in de harten van toekomstige generaties moest de ster van de vaderlandsliefde rijzen, die ervoor moest zorgen dat zij tijdens de vermoeiende tocht trouw zouden blijven, terwijl zij stap na stap de last droegen van de laatste en enige hoop van hun land.

 

De expeditie vertrok en heel Unaea boog zichzelf met een nieuwe geestdrift over de opdracht om hun ongelijke strijd voort te zetten. Zij dachten er zelfs aan om vrouwelijke strijders in te zetten, iets dat in die tijd onvoorstelbaar was.

Illustratie

Toen ik het over de Astrianen had, heb ik eerst alleen maar mannenfiguurtjes getekend, die allemaal, zoals je kunt zien, onvermijdelijk naar het Oosten zijn gekeerd. Om een vrouw weer te geven moet een figuurtje worden getekend dat de andere kant op kijkt, dus naar het Westen (fig. 67).

 

Een vrouw uit Unaea zou dus, als haar zwakte en angst door training overwonnen zou zijn, goed toegerust zijn om weerstand te bieden aan een aanval uit het Westen. De natuurlijke ontvankelijkheid van mannen voor vrouwen en van vrouwen voor mannen, die wij in onze wereld zien, is in Astria tot een zeer uitgesproken hoogte opgevoerd. Een man kan het gezicht van zijn vriend niet zien, maar hij kan wel naar het gezicht van een vrouw kijken en de verandering van gelaatsuitdrukking opmerken, die zijn woorden teweegbrengen. De Unaeërs toonden een grote ridderlijkheid in de manier waarop zij vrouwen bejegenden, en het werd doorverteld als een van de ergste verschrikkingen van het laatste stadium van hun oorlog, dat er zelfs een serieus voorstel van vrouwen was overwogen, die hun vrouw-zijn opofferden, door vrouwen in de strijd tegen de Scythische onderdrukkers te gooien.

 

Hoe goed de opdracht, die de zwervers over land en zee was toevertrouwd, werd uitgevoerd, is een thema waar Unaeïsche schrijvers graag bij verwijlen. Uit de mensen die de woestenij binnenvielen, rees een wendbaar, ondernemend en dapper ras op, met maar een enkele gedachte, de gedachte aan een mooi Unaea. Op de rustplaatsen, waar met de wapenen werd geoefend, op de halteplaatsen waar overhangende rotspartijen hen tartten, werd steeds maar weer het oude verhaal verteld, van dat mooie en verre Unaea dat op hen wachtte, en toch was hun verhaal prachtig en helder, omdat zij steeds minder woorden gebruikten; het dialect van deze woudlopers was op een merkwaardige manier anders dan de zoete toonval van de taal van Unaea.

 

Het uitzicht op de kristalheldere wateren van de zee, aan het einde van hun honderd jaar durende mars, kwam voor hen als de vervulling van een profetie. Ze bouwden hun schepen, staken de oceaan over en vielen hun erfvijanden aan met een kracht waarin, in een enkele vlaag van vernietiging, alle energie, gratie, denken en streven van hun ras was samengebald.

 

Hun felle aanval was onweerstaanbaar. Toen ze de grenzen van hun vaderland bereikten, had Scythia als natie, opgehouden te bestaan.

 

Door de komst van hen, de lang van haar afgesneden kinderen, werd de verschrikkelijke onderdrukking opgeheven, die altijd zwaar op Unaea had gewogen. Al haar meest vurige zonen hadden zich op de oorlog toegelegd; nu legden zij zich toe op de vredeskunst. En met het definitieve en absolute verdwijnen van elke overheersing, die hun macht zou kunnen aanvechten, vond er een merkwaardige verandering van mening plaats. Juist door de volmaaktheid van zijn succes had het leger de weg bereid voor een onttakeling van de waardering, die het in haar greep had gehad.

 

De overlevers van de avontuurlijke groep, de oude helden die de Scythen in het nauw hadden gedreven, werden beloond door het schenken van stukken land. Toen kreeg Unaea de rust om over andere dingen dan oorlog te denken. Het ging niet goed met het merendeel van de oud-strijders. Zij waren slecht toegerust voor zaken, en aan de aanlokkelijke listen en behendige intriges van spitsvondige mensen, gingen velen van hen ten onder. Dat het leger zich gewonnen had gegeven en een onbeduidende factor was geworden, dus van de uitoefenaar van de absolute heerschappij minder dan een nul was geworden, was te wijten aan twee factoren. De generaal die door zijn aangeboren talent om te bevelen het leiderschap van de binnendringers van Scythia had verworven, was iemand die Wall heette, en die getypeerd werd door absolute en onopgesmukte toewijding aan zijn land. De uitspraak van Wall, "Soldaat en dienaar", werd het wachtwoord van de meer gedegen leden van de militaire klasse, net zoals voor zichzelf. De andere reden voor de geruisloze verdwijning van het militarisme was de verstandige verordening van de kapitalistische klasse, die als onderdeel van de grondwettelijke instellingen van het land een permanent leger instelde, omdat ze de tijd voorzagen waarin onverhoeds gevechten met de arbeidersklasse zouden kunnen uitbreken. De functie van dat leger was in wezen slechts die van een goedgeorganiseerde en zeer efficiënte politiemacht, maar door een hoog salaris vast te stellen – gezien het soort werk – en door de voorzorg om mensen uit te sluiten die uit klassen kwamen die afwijzend stonden tegen de heersende orde, stelde de heersende klasse dus een zeer daadkrachtige waarborg in tegen gezagsondermijning.

 

De wijsheid die door de stichters van de huidige instellingen van Unaea aan de dag werd gelegd, werd ruimschoots ten toon gespreid door de daaropvolgende loop der gebeurtenissen.

 

Nadat de eerste periode van groei voorbij was, bewees het veelzijdige en ondernemende volkskarakter zich door een snelle ontwikkeling van de organisatie, en het aanwenden van elk mogelijk bron om de gevormde organisaties te begunstigen.

 

De arbeiders beschikten over organisaties die zich uitstrekten over alle geschoolde arbeid in elke tak. De kapitalisten waren verenigd in organisaties die de bevoorrading beheersten van alle soorten goederen. Temidden van deze twee elkaar vijandig gezinde groeperingen, verdwenen de kleinere werkgevers van het toneel. Arbeid en Kapitaal bleven over, tegenover elkaar, en aan de zijde van het Kapitaal, met zijn tradities van eigen rechten, zijn bestuur door de besten en zijn beheersing en leiding van de gemeenschappelijke krachten, stond het leger, een algehele bescherming tegen elke poging om met geweld de grondwet buiten werking te stellen.

 

Klassenverschillen werden gewoon op bezit gebaseerd. De bekoring van vroegere tijden, toen het behoud van het land nog van het leger afhing, was daar volledig van gescheiden – behalve in tradities die in het leger zelf voortleefden.

 

Het merendeel van het volk beschouwden de soldaten als huurlingen in dienst van de kapitalisten, terwijl de kapitalisten de soldaten beschouwden als een van de verschillende klassen van mensen die voor hen wilden werken tegen een bescheiden geldbedrag. Dat is een kort overzicht van de geschiedenis van Unaea, die voorafging aan de periode, die ik tot onderwerp van een aparte studie heb gemaakt.

 

 [In de eerste paar hoofdstukken ontmoeten we de geliefden, Laura Cartwright en Harold Wall, die het lot niet gunstig gezind is. Laura’s vader is een machtige en gewetenloze zakenman, die in Unaea de baas is gaan spelen. Harold is een dappere jonge soldaat, de zoon van de man die de geslaagde expeditie tegen de Scythen had geleid. Om een stokje te steken voor het huwelijk van Harold en Laura, heeft Cartwright Harold overgehaald om een kolonie overzee te vestigen. Overmand door verdriet, besluit Laura om bij haar excentrieke oom, Hugh Farmer, te gaan wonen en zich samen met hem in de natuurwetenschap te bekwamen.]

 

Op de Eenzame Berg

 

Kort na het bloemenfeest, ging Laura op weg om een lang bezoek te brengen aan haar oom in Scythia. Maar voor ik ga vertellen over de gebeurtenissen die in Eenzame Berg plaatsvonden, zijn eerst een paar woorden over het karakter en leven van Hugh Farmer op zijn plaats. Hij was de enige persoon in Unaea die in de derde dimensie geloofde. De gebeurtenissen die ertoe hadden geleid dat Farmer daarin ging geloven, vormen een episode die een van de meest merkwaardige was in Platland of waar ook in de ruimte, die je maar kunt bedenken. In Unaea was het, net als bij ons, de gewoonte om een getal weer te geven door een lijn, en een vierkant door een kwadraat. Als het getal 2 werd weergegeven door een lijn, werd 4, het kwadraat van dat getal voorgesteld door het vierkant op die lijn. Het was ook geheel vanzelfsprekend voor de Unaeërs dat de derde macht van 2, dus 8, weergegeven kon worden door een figuur met een dimensie meer dan een vierkant. Zij hadden een formeel begrip van een kubus. Maar bedenken dat een dergelijke figuur werkelijk bestond, was in tegenspraak met elk principe van hun wetenschap. Wetenschap houdt, als basis, observatie in – iets dat door de zintuigen wordt verstrekt en waarmee het denken aan de gang gaat. Aan de andere kant betekende de voorstelling van een ruimte van drie dimensies, dat het denken een onjuiste rol werd toebedeeld, een onjuiste taak laten uitvoeren. Het denken zou niet iets in leven kunnen roepen, het kon alleen maar te werk gaan met bestaande dingen. De denkers uit Unaea zouden dan dus net zo gemakkelijk in monsters en draken kunnen geloven als in een drie-dimensionale ruimte. Begrippen zoals een drie-dimensionale ruimte werden namelijk ontleend aan het denken, en waren niet gebaseerd op bewijsmateriaal van de zintuigen. Farmer was het geheel eens met die hartstochtelijke overtuiging van het primaat van de zintuigen, die het denken het materiaal verschaften om mee te werken. Maar in zijn tijd was er een sekte die beweerde dat de ziel afzonderlijk en gescheiden van het lichaam bestond. Zij beweerden dat het mogelijk was om contact te maken met zielen van doden, en stelden dat deze geestelijke wezens zichzelf zichtbaar en tastbaar konden maken. Welnu, Farmer beschouwde alles wat gezien en gevoeld kon worden als een rechtmatig voorwerp voor wetenschappelijk onderzoek en dus nam hij de bestudering van deze spirituele verschijnselen ter hand. Hij voelde zich een slachtoffer van goochelarij. Er werden hem kunstjes geflikt en in zijn bijzijn werden er merkwaardige en onverklaarbare verschijnselen opgeroepen. En zo gebeurde het, door een wonderlijke samenloop van omstandigheden, dat de fantastische voorvallen die hem werden aangesmeerd, van dien aard waren dat ze werkelijk teweeggebracht zouden kunnen worden als er een derde dimensie zou bestaan. In zijn ruimte waren ze wonderbaarlijk genoeg. Maar in de drie-dimensonale ruimte zouden ze helemaal wonderbaarlijk zijn. In Platland is bijvoorbeeld een doos een aan vier kanten afgescheiden gedeelte, net zoals een leeg vierkant. Farmer zag nu eerst voorwerpen buiten een dergelijk aan vier kanten afgescheiden gedeelte, en vervolgens daarbinnen, zonder dat er iets met de zijden was gebeurd. Als een drie-dimensionaal gebeuren zou het natuurlijk geen probleem zijn om een voorwerp van buiten een vierkant, naar binnen te verplaatsen. Het zou gewoon inhouden dat het opgetild zou worden en op een andere plaats weer zou worden neergelegd. Farmer was getuige van dergelijke en andere gebeurtenissen. Hij geloofde dat ze werkelijk gebeurden. Daardoor ging hij geloven in een drie-dimensionale ruimte. Zijn zintuigen riepen in hem dat schokeffect op, wat de enige manier was waarop een vakkundige en bedachtzame Unaeër ertoe kon worden gebracht om iets te geloven. En dit schokeffect dat zijn zintuigen teweegbrachten, dit op een merkwaardige en indirecte manier zien en voelen, leidde ertoe dat hij in de derde dimensie ging geloven. Toen de eerste stap was genomen en hij mentaal aan drie-dimensionale vormen gewend en mee vertrouwd raakte, leverden zij geen probleem meer voor hem op. Ze waren duidelijk vanzelfsprekend en hij zag dat het absurd was om het bestaan tot een vlak te beperken. Maar zijn enthousiasme over zijn nieuwe opvattingen zorgden ervoor dat hij ruzies en onenigheden kreeg met zijn tijdgenoten. Hij vond het verstandig om zich terug te trekken op een klein landgoed in Scythia, waar hij eigenaar van was. Daar schudde hij de last van de afwijzing door andere mensen van zich af en verbleef daar in de eenzame gelukzaligheid van de kennis van de drie dimensies.

 

Er was niets dat Hugh Farmers verrassing en ergernis zou hebben kunnen evenaren, toen zijn prachtige nicht verscheen en aankondigde dat zij van plan was om samen met hem de natuurwetenschap te bestuderen. Hij vertelde haar dat hij absoluut geen tijd had en trok zich diep in zijn woning terug.

 

Maar zij was druk bezig in zijn kamers, zette bloemen op zijn boekenplanken, en als hij van de honger naar buiten kwam, vond hij het niet erg onaangenaam om tegenover een frisse jongedame te gaan zitten.

 

Zoals vaak het geval is met mensen die echt iets weten, was hij voor een jong iemand de laatste bij wie zij op zoek kon gaan naar informatie. Hij begon hardop te denken.

 

"Heb je het nooit gek gevonden,” zei hij, “dat er twee vormen kunnen bestaan, die allebei in de rangschikking van hun onderdelen precies hetzelfde zijn, maar zó dat wij de ene niet in de andere kunnen veranderen?”

 

"Zulke vormen bestaan niet,” zei ze.”

 

"Ja, ze bestaan wel,” en hij liet haar twee driehoeken zien en wees aan dat ze allebei dezelfde hoeken hadden en dezelfde lengten, maar dat de een niet in de andere kon veranderen, hoe zij ze ook zou schuiven.


Illustratie

[Het is niet eenvoudig om het bewijs van de oude man te volgen, maar als je een tweetal driehoeken uitsnijdt, zoals 1 en 2, kun je gemakkelijk zien dat ze, als je ze tegen het oppervlak van het papier houdt, niet samen kunnen vallen.]

 

Laura keek ernaar. Ze deden haar denken aan de kleine fantasiefiguurtjes, de poppen waar ze als kind mee speelde, want die poppen waren uitgeknipt in de vorm van driehoeken, en de driehoek die de ene kant op keek gebruikte ze altijd als jongenspop en de driehoek die de andere kant op keek als meisjespop.

 

"Ze lijken precies op de poppen die ik altijd zelf maakte,” zei ze, “de ene is net een jongenspop en de andere een meisjespop.”

 

"Ja," zei hij, en kon je de ene ooit in de andere veranderen?”

 

"Nee," zei ze.

 

"Waarom niet?”

 

"Waarom zou je dat dan willen?"

 

Hij bromde, “Ik zei niet dat ik dat wilde, maar als twee dingen precies hetzelfde zijn zouden ze op dezelfde plaats neergezet kunnen worden.”

 

"Natuurlijk zou dat moeten kunnen,” zei ze om hem een plezier te doen.”

 

"Nou," zei hij, "als je een derde dimensie bedenkt, zou je de een in de ander kunnen veranderen.”

 

"O, ik heb iets over de derde dimensie gehoord,” zei ze.

 

"Ja?, wat weet je er dan van?"

 

"Dat is waar onze ziel naar toe gaat, onze geest, bedoel ik; natuurlijk zou je daar de ene in de andere kunnen veranderen. Dat is wat ze bedoelen met dat er in de wereld hierboven geen verschil tussen mannen en vrouwen bestaat – het is voor poppen precies hetzelfde al voor ons.”

 

"Ik wist niet dat jouw vader een domme dochter had,” zei de oude man, en ging weer naar zijn kamer.

Laura hield daar wel van. Het was zo anders dan de manier waarop er altijd met haar was gepraat. Eigenlijk maakte haar oom een enorme indruk op haar. En dat hij niet van haar hield, gaf haar de kracht om het gevecht aan te gaan om hem voor zich te winnen. Zijn boeken slingerden overal rond. Ze nam er een mee naar haar slaapkamer en omdat ze geen wijs kon worden uit de tekeningen, begon ze die over te schrijven en te ontdekken hoe ze van die nieuwsgierige opmerkingen kon maken. In de stilte van de nacht hoorde ze steeds weer voetstappen – op en neer, op en neer – en toen ze in slaap viel ging dat nog steeds door – rusteloze, zenuwachtige stappen, als die van een gekooid en pijn lijdend schepsel. Angstig keek ze de volgende ochtend naar haar oom. Hij zag er helemaal niet anders uit, maar ze was er zeker van dat hij nauwelijks had geslapen.”

 

"Oom," zei ze, “waarom zie je er zo ongelukkig uit?”

 

"Waarom denk je dat ik niet gelukkig ben?”

 

"Ik weet dat je dat niet bent.”

 

"Ik ben een oude man en zal wel gauw doodgaan.”

 

"Maar niet alle oude mensen zijn ongelukkig.”

 

"Ach, maar zij zullen de wereld jong en fris verlaten. Nog voor ik ga zal een koudegolf ons allemaal treffen, en zullen de meren en zeeën bevriezen. Niets groens zal meer bloeien, slechts een paar dingen in diepe spelonken, en de mensen zullen zich met spoedig uitdovende vuren een weg banen in een ellendig bestaan, dat het einde zal betekenen van de grootsheid van onze aarde.”

 

"Kind, jouw vader heeft zijn kennis gelukkig voor jou verborgen gehouden.”

 

"O, Oom, zag hij er daarom zo afgemat en verdrietig uit?”

 

"Ja. Een uitzichtloos geheim meedragen, zoals dat, is voldoende om moe en verdrietig te worden.

Alleen de volstrekte zekerheid ervan, zou hem kunnen dwingen om dat toe te geven. Hij stuurde mij het werk dat hij had verricht en ik ontdekte dat zijn rekenaars in elk twijfelachtig geval de meest gunstige hypothese hadden aangenomen. Ik neem ze dat niet kwalijk. Het alternatief is te gruwelijk. In de meest gunstige veronderstelling zal onze aarde, na de volgende ontmoeting met de grote planeet Ardaea, in een nieuwe baan worden geslingerd – we zullen dan ver de koude ruimte in gaan totdat de aarde bevroren is en vervolgens zullen wij terugsnellen en zo dicht bij de zon terechtkomen, dat het aardoppervlak elke dag kokend heet zal worden. Misschien zullen een paar van ons in diepe grotten en spelonken overleven.”

 

"Als u daar zeker van bent, Oom, zou u dat moeten vertellen, zodat wij ons daar allemaal op kunnen voorbereiden.”

 

"Voorbereiden waarop?”

 

"Waarom? beste Oom, ons lichaam is niet alles. Als u of ik doodgaan, weten we dat onze zielen blijven leven, en geoordeeld worden naar alle goed en kwaad in ons leven. U zou het iedereen moeten vertellen.”

 

"En hen alle normen en waarden laten vernietigen in één kortdurende slemppartij? Nee Laura, jij kent de wereld niet. Er zit meer gezond verstand bij gewone mensen dan bij al jouw kleinzielige idealisten. Wij zijn hier voor een opdracht en niet voor een theatraal toneelspel om al onze goede eigenschappen ten toon te spreiden, en als mensen weten dat die opdracht ten einde loopt, zullen de dwalingen van hun predikers geen enkele invloed meer op hen hebben.”

 

"Dat zijn geen dwalingen, Oom.”

 

"Het is nog erger, Laura. Het is egoïstische zwendel. Mijn hart draait om in mijn lijf, kind, als ik hoor hoe die welbespraakte predikers zo zelfverzekerd de weg wijzen op grond van iets waarop geen enkele gewone zakenman, zelfs voor de meest eenvoudige transactie, zou vertrouwen. Als we hebben geleerd dat iets zekerder is dan al het andere, is het dat we iets alleen bij benadering kunnen weten. Maar het enige wat zij doen is uitgaan van het ultieme. Zij weten, vast en zeker, wat er is, en van daaruit leiden ze af wat er moet zijn.”

 

"Maar gelooft u dan in God, Oom?”

 

"Ik weet niet wat zij met God bedoelen. Die hele theologie is één groot verzinsel, dat aan de verkeerde kant begint en dat voorkomt dat wij dat nabije hogere ontdekken, dat wij anders misschien wel zouden kunnen leren kennen. De dwazen, “ mompelde hij, “met de instrumenten in hun handen en ogen die naar de hemel staren – en die dan weigeren te gebruiken. Weigeren tot het te laat is.”

 

Met een huivering in haar hart bij zijn hartstochtelijke blik, worstelde Laura met het raadsel van zijn ontroering. Het was geen hulpeloze treurigheid, die op hem drukte – geen wanhoop; er was iets anders dan de ondergang van de wereld dat zijn geest vervulde, iets dat hij haar niet wilde vertellen. Opeens zei ze, terwijl ze naar zijn geheime gedachte raadde, “Oom, zou u de wereld kunnen redden?”

 

"Wat heeft je vader je verteld?”

 

"Niets. Maar ik weet dat u zich niet zo zou voelen als u dat niet zou kunnen.”

 

"Maar niemand zal naar me luisteren."

 

"Kijk, wat voor zin heeft het om iedereen te haten? Ze bedoelen het echt allemaal goed. Het komt alleen maar omdat zij u niet begrijpen. Ga het die geleerde mensen vertellen die onderzoek doen naar de aarde en de sterren.”

 

"Je begrijpt het niet, Laura. Wetenschappers zijn nog dogmatischer dan theologen, omdat zij kunnen bewijzen dat ze gelijk hebben. Zij kunnen zich beroepen op het bewijsmateriaal van hun zintuigen.

 

"Ik was net als zij, en dacht dat ikzelf, mijn denkvermogen en alle talenten waar ik over beschikte, werden voortgebracht door de dingen om mij heen; dat het gebeuren dat ik kende mij zou maken, als ik het maar voldoende zou begrijpen. Ik lachte me te pletter bij het idee van een spiritueel bestaan, naast de materie. En wat een derde dimensie betreft, leek het me belachelijk om iets aan te nemen waar we geen bewijs voor hadden. Maar ik leerde een volstrekt oprecht en waarheidsgetrouw iemand kennen, die over buitengewone vermogens beschikte. Hij beweerde dat hij in contact stond met de geestenwereld, en liet mij een heleboel zien, wat mensen voor wonderbaarlijk houden. Wat ik merkte is dat deze wonderen iets was wat drie-dimensionale wezens heel gemakkelijk zouden kunnen doen. Wetenschappers noemden hem een bedrieger en oplichter. Maar ik kende hem te goed om mij bij dat koor te voegen. Hij zorgde ervoor dat ik in de derde dimensie ging geloven door het enige bewijs dat ik zou aanvaarden – het bewijs van mijn eigen zintuigen. En, Laura, ik ben er trots op dat ik kan zeggen dat ik mijn weldoener altijd trouw ben gebleven. Dat was de enige daad in mijn hele leven die ik een mens waardig beschouw. Maar het stelt niks voor, zou jij misschien kunnen zeggen, om alleen maar te verkondigen dat er in kleine materiedeeltjes bepaalde dingen gebeuren. Maar het heeft me alle vrienden gekost die ik had. Ik kon zelfs mijn armzalige en onbeduidende positie niet handhaven. Het leek erop dat ieders beroepsreputatie belangrijker was, dan dat ze iets met mij te maken wilden hebben. Als ik dan een experiment deed dat glashelder was, schreven zij het toe aan bedrog. En, Laura, het klopt dat het ons zou redden als iedereen het maar zou geloven.”

 

"Maar”, zei Laura, "als u in geesten gelooft, zouden de geestelijken wel naar u luisteren.”

 

"Dat zou me wat zijn. Ik zeg je, Laura, dat die mensen zo bedreven zijn in dingen die niet bestaan, dat zij iedereen die hen zou vertellen hoe de dingen, waar zij het over hebben, misschien echt in elkaar zitten, graag levend zouden willen verbranden, als zij daardoor zouden kunnen doorgaan met hun keuze voor dat soort dingen. Nee, zij beschikken zelf over een gesloten systeem, en hun idee over het denken is dat het bestaat uit het precies ontcijferen van wat er in oude boeken is geschreven en uit te zoeken of deze of gene man echt heeft geleefd, als er wordt vermeld dat hij heeft geleefd. Dat is het soort troep waar zij een ondergaande wereld mee opzadelen.”

 

"Maar als zij mensen beter maken?”

 

"Ja, ja, dat is een idee van hen, wat ze echt begrijpen, als ik daarover nadenk. Ik heb het bij jouw vader geprobeerd. Ik probeer het steeds bij wetenschappers, maar zij sturen mijn werk altijd beleefd terug. Ik weet wat ze erover denken.”

 

"Oom, ik ken iemand die u zou willen helpen.”

 

"Je bent een schat,” zei hij, terwijl hij haar naar zich toe trok, “er is iemand die heel veel van je houdt.”

 

"Waarom zegt u dat?”

 

"Mijn liefje, ik weet het."

 

"Oom, ik zal eerlijk tegen u zijn; ik voel op een of andere manier dat ik het u kan vertellen. Ik hou heel veel van iemand. Hij heeft nog nooit iets tegen me gezegd, maar ik hoop, ik ben er bijna zeker van, dat hij ook van mij houdt. Zo voel ik dat. Er bestaat een grote bron van liefde waar wij allemaal uit drinken. Ik hou dan wel van veel mensen en denk vaak aan ze, maar er is er maar een die kleur aan al mijn gedachten geeft. Alles wat ik denk, zeg of doe heeft op een of andere manier met hem te maken; en elke mooie gedachte die in mij opkomt, verwijst naar hem. Nou, Oom, lach me niet uit. Ik zeg echt niet dat hij de allerbeste is, maar ik voel gewoon wat ik u over hem verteld. En als ik aan al die dingen denk en hoeveel van zijn persoonlijkheid mijn beste deel is geworden, kan ik niet anders dan geloven dat hij op een of andere manier iets van mij heeft overgenomen.”

 

Farmer pakte haar hand vast. “Ik dank je, mijn liefje, omdat je in je hart hebt laten kijken, Ja, ik denk dat hij ook vast van jou houdt. Ken ik hem?”

 

"Het is Harold Wall," zei Laura.

 

"Ik heb zijn vader gekend, Na de grote oorlog kon hij nauwelijks onze taal spreken. Hij gebruikte een dialect dat tijdens de lange reis was ontstaan. Aan het eind van zijn leven was hij nog steeds dezelfde – ruig, onbeschaafd en niet in staat om zich aan te passen. De mensen vereerden hem vanwege de manier waarop hij zijn mensen door de woestijn heen had geleid, maar ze hielden niet van hem. Zijn leven was opgebruikt door die krachtsinspanning, zoals het mijne door de mijne. Misschien zal zijn zoon begrijpen dat ook ik heb gewaagd en gewonnen, terwijl ik voor ieder ander een leuterende oude kindse man ben, die een nauwelijks begrijpelijke taal spreekt.” “Ik denk”, voegde hij daaraan toe, “dat jouw vader niet erg met hem ingenomen is.”

 

"Hij heeft daar nooit wat over gezegd, daar is hij te trots voor. Als hij iets om mij geeft, zou hij nooit iets zeggen.”

 

"Dat is goed. Laura, er is iets dat me zegt dat de band die jullie beiden met elkaar verbindt, heel innig en echt is. Jullie moeten niet, zoals andere geliefden vaak doen, alleen maar aan elkaar denken; maar uit de grote tederheid en oprechtheid van jullie genegenheid, moeten jullie jezelf veranderen en opofferen – voor elkaar – om ons allemaal te helpen en te redden. Schrijf hem maar en stuur hem een boodschap van mij. Zeg hem dat hij zijn land kan redden.”

 

Laura 's Brief

Eenzame Berg

 

Lieve Harold,

 

Ik ben bij mijn oom. Voordat ik de stad uitging heb ik een heleboel meer van mijn vader gezien dan gewoonlijk. En ik heb gemerkt dat hij iets op zijn hart had, iets dat hij voor zichzelf hield. Hij was wel heel boos omdat hij dacht dat ik hem door had.

Wij zijn ons niet bewust geweest van een vreselijk gevaar dat boven ons hoofd en boven de hele wereld hangt. Mijn vader weet het, mijn oom weet het. Als je naar de Directeur van de Staatssterrenwacht gaat en hem zegt dat je van mijn oom komt zal hij je niet teleurstellen, hoewel het gevaar geheim moet worden gehouden. Het gaat om het volgende. De zomers zijn warmer geworden en de winters kouder, omdat we door Ardaea uit onze omloopbaan worden getrokken.

Over een tijdje zullen we doodvriezen of levend verbranden. Mijn oom weet een manier om ons te redden. Kom alsjeblieft en laat hem jou vertellen wat dat is. Zelf kan hij niets doen, maar met jouw hulp kan hij ons weer in veiligheid brengen,

 

Je oprecht toegenegen,

LAURA CARTWRIGHT

 

 

Als een van ons de weg had genomen die Wall in antwoord op onze brief was ingeslagen, waarbij wij dan door de drukke steden heen waren gelopen en langs de verspreid liggende dorpen en eenzame huizen die op onze weg lagen, zouden wij een vreemd gevoel van isolement hebben ervaren – alsof onze niet gedeelde kennis hersenschimmig was en al die onbewuste mensen wel in het bezit van de waarheid waren en wij niet.

 

Hoe zou aan de eeuwenlange dagelijkse gang van zakendoen, ruilhandel en commercie – de dringende en noodzakelijke zorg van iedereen voor zijn eigen zaken – hoe zou aan het opgaan van iedereen in zijn eigen microscopische kleine hoekje een eind gemaakt kunnen worden! Door hun volledig in beslag genomen zijn door hun eigen zaken, had het ras ongetwijfeld het recht verkregen om een basis te hebben, waar alles ongestoord op rustte. Het firmament, het hemelgewelf, de veranderingen van de seizoenen, de constructie van de aarde, moesten op zijn minst betrouwbaar zijn. Maar Wall had het staatsgeheim uit de tegenstribbelende astronoom gewrongen en aanvaard. Hij geloofde in de interplanetaire veranderlijkheid en was bereid om na te denken over de middelen om dat af te wenden. Er was geen gebrek aan gebeurtenissen, die hij zou kunnen zien als onheilspellend en tekenend. Hevige stormen hadden op de kust gebeukt. En getijdengolf met een weergaloze hoogte had ernstige schade toegebracht aan de schepen die voor zijn expeditie waren uitgerust. De geschrokken kolonisten weigerden uit te zeilen totdat de zee weer tot haar gebruikelijke kalmte was teruggekeerd. Maar zijn houding, zijn bereidheid om te geloven in een theorie en daarnaar te handelen, kan alleen maar worden verklaard uit de geschiedenis van zijn volk. We moeten bedenken dat Unaea haar bestaan aan de zee dankte – het was het idee van de cirkelvorm van de aarde dat Unaea had gered van vernietiging door de hand van de Scythen – en daarom hadden de Unaeërs een andere houding ten opzicht van ideeën dan wij, omdat wij tot de barbaarse horden behoren die in feite de mensen die ideeën hadden – de Grieken en Romeinen – van de aarde hebben geveegd. Ideeën zijn voor ons af en toe van nut, maar wij voelen dat wij in wezen heel goed zonder kunnen. De Unaeërs waren anders, zij bezaten het vermogen om ideeën te verwezenlijken en daarnaar te handelen, iets wat ons vreemd is. Als onze geschiedenis net zo was verlopen als de geschiedenis van Astria, dan hadden de Scythen Unaea overweldigd en de rijzende ster van de beschaving in vele eeuwen van duisternis hebben gedompeld.

 

In die periode van zijn leven was Wall vrij van dat soort aanvallen van ongebreidelde en egoïstische eerzucht, die zich later tegen hemzelf richtten. Zijn leven was, zij het onopvallend, eenvoudig en recht door zee geweest. Voor iemand die nog zo jong was, oefende hij een opmerkelijke invloed uit op zijn kameraden, misschien dankzij zijn kracht, die zovaak tijdens een crisis tot een onverwacht maar onweerstaanbaar scherpzinnig besluit bleek te leiden, waarbij hij de gemoederen van iedereen met zich meesleepte – een invloed die tot op zekere hoogte te danken was aan de verborgen hartstocht die achter heel zijn openhartige kameraadschap school en een trekje aan zijn innige verbondenheid gaf van dat enthousiasme voor het onbereikbare, dat reiken voorbij de kennelijke grenzen van het lot, dat in iedereen sluimert.

 

Sommigen zouden kunnen denken dat hij tijdens zijn reis vervuld was van een gewetenloze eerzucht, bereid om voor een goede afloop, toe te slaan met het meest subtiele instinct. En dat is ongetwijfeld juist. Strikt genomen valt zijn koers niet te verdedigen. Maar er is ook nog een andere kant. We zullen kijken naar de laatste nacht van zijn tocht, toen hij haast maakte.

 

Langzaam rees Ardaea omhoog, de door de stervelingen geprezene, het goddelijke hemellichaam, de legendarische geliefde van de aarde, waarop dichters ooit overdadig hun aanbidding richtten. Zij rees langzaam, zonderling vurig, en helder brandend, want eindelijk was dat koude hart geraakt: de kuise en eenzame, de jageres van de hemelen, was van haar eenzame pad afgeraakt, en als een antwoord, zwenkte ze al af in een ogenblik van duizelingwekkende werveling van hartstocht om haar aardse geliefde te verlokken tot een eindeloze dood. Maar argeloos! Altijd die fabeltjes die een schijn van doelgerichtheid toekennen aan de loop van de dingen. In de van tevoren bepaalde veranderingen van de hemellichamen, in die grootse profane afwisselingen, bestaat slechts een enkele wet, en het kille ritme van de kosmos, de warme polsslag van het hart, het plan van de geest, en alle gefantaseerde legenden van de ziel der dingen, zijn slechts als een onbeduidende plons van een kiezelsteen in de oceaan.

 

Maar vanwaar dit bonzen? deze hartstocht voor het leven, die hij in zich op voelde rijzen, toen hij het einde van zijn tocht naderde? In de waas waarin zijn hele bestaan zich in het bestaan van iemand anders verloor, zat daar niet iets in dat even groots was als de onvermijdelijke gang van de wereld?

 

Met de gedachte aan haar en wat zij voor hem betekende, sloeg hij een andere weg in, een andere weg naar die weidse beschouwing van de onmetelijkheid, maar in dit innige, uiterst geheime en werkelijke zich één voelen, bereikte hij iets dat even waar en krachtig was als alle wezenlijke verre droombeelden over hemel en aarde.

 

Had zij hem niet verteld dat er nog hoop was? Hijzelf en zij stonden, oog in oog met deze grote catastrofe, niet alleen. Liefde, hoop en vertrouwen waren er altijd geweest, waren altijd het uitgestrekte mechanische universum onverschrokken tegemoet getreden. Wat van die eeuwenlange omwentelingen van de planeten, was niet de eeuwenlange inspanning geweest van waarachtige mensen? Onmetelijke reusachtige krachten droegen bij aan het rondwentelen van de hemellichamen, eeuw na eeuw en generatie na generatie, in de kloppende mensenharten, die ook zwoegden, hun bouwwerken optrokken en hun krachten gereed maakten. In het leger dat Unaea had gered en dat nu, nadat het zijn inzet had laten varen, een zieltogend bestaan leidde, en ondanks zijn wanhoop toch nog in staat was tot een absoluut overwicht, zou dat leger nu misschien, door alle krachten van het land te bundelen, bijeen te garen uit machteloze handen, de aarde kunnen redden – wat zou haar brief anders bedoelen dan die boodschap?

 

Harold stond tegenover een oude man, gebogen en uitgemergeld, maar met een ernstig gezicht en een doordringend starende blik, en zijn geliefde stond er zwijgend bij. De oude man vroeg hem: “Heb je de astronomen uitgehoord?”

 

"Ja, ze hebben alle twijfels bij mij weggenomen.”

 

"In de grootsheid van het gevaar dat ons bedreigt,” zei Farmer, “heeft alles wat het menselijk vernuft heeft bedacht niets te betekenen. Geen enkele bekende kracht kan de baan van onze aarde veranderen. Voor zover onze wetenschap het weet, is de afloop hopeloos.”

 

"Dat is de mening van de mensen die het probleem hebben bestudeerd.”

 

"Maar het is moeilijk om een grens aan te geven aan wat mogelijk is. Wat mensen denken dat mogelijk is, hangt van twee factoren af, niet van een. Het hangt af van feiten en van ideeën. Welnu, de wetenschap heeft zich bezig gehouden met het ontwikkelen van een bepaald en beperkt scala van ideeën – dat zijn maar een paar van de vele ideeën uit het verleden – net die paar die wij door observatie en experiment staven. Maar er zijn veel meer ideeën dan deze en ik denk dat onze richting meer ligt in het verwerven van nieuwe ideeën, dan in die ene richting die wij in de afgelopen paar eeuwen zijn gegaan – het uitwerken van de gevolgen van de ideeën die we hebben.”

 

"Er bestaat één idee waar ik mijn hele leven lang naar heb geprobeerd te leven en dat een volmaakt nieuwe reeks van gedachten en fysieke mogelijkheden verschaft. Het is het idee van een derde dimensie. Volgens dat idee ben je, als je denkt dat je je in een lege ruimte bevindt, daar in werkelijkheid niet in. Er moet een of andere fysieke reden zijn, een bron van weerstand, die je verhindert om naar de derde dimensie te gaan. Dat is iets dat zich naast je bevindt, een substantie waarmee je in contact staat telkens als je beweegt, dat je nooit kunt zien omdat het je daar nooit van loskomt en je dus op een deeltje lijkt dat over een gladde rand glijdt – de rand voorkomt dat het deeltje anders beweegt dan in een lijn.”

 

"Welnu, over dat iets dat zich naast je bevindt, zijn alle bewegingsrichtingen mogelijk, die wij kunnen aanwijzen, en door een werking uit te oefenen op die naastgelegen substantie, kunnen wij onze bewegingen tegenhouden en veranderen. De manier, en de enige manier waardoor wij aan de catastrofe kunnen ontkomen, is door een werking uit te oefenen op die naastgelegen substantie, zodat we de baan van onze wereld af kunnen buigen. Dat kan. Ik zal je uitleggen hoe.”

Harold antwoordde, “Zeggen dat er iets naast de ruimte bestaat dat zich oneindig ver uitstrekt om ons heen, klinkt mij absurd in de oren. U hebt een wetenschappelijke theorie, leg het voor aan geleerden, en als het waar is kun je ze overtuigen.”

 

Farmer maakte een gebaar van berusting, maar Laura pakte zijn hand in haar warme greep, glimlachte bemoedigend, en fluisterde, “Hij wil alleen maar weten wat u al hebt gedaan.”

 

De Bolbewoner

 

Wall merkte dat het gemakkelijker was dan hij had verwacht om met Farmer een gesprek te voeren. Er bestond een alomheersend vaag gevoel van onbehagen en verwachting. Een aantal enorme uitgravingen die de regering had laten verrichten in streken, waar niemand tot dan toe had gedacht om naar kolen of erts te zoeken, had aanleiding gegeven tot een gevoel van geheimzinnigheid en geheimhouding.

 

Zelf zei hij niets over de dreigende ramp, maar hij zocht toehoorders uit, van wie hij zeker was over hun oordeel, kiesheid en stilzwijgen, als zij de boodschap van Farmer zouden horen.

Het meest onverwachte van al zijn successen was het gemak, waarmee hij voor Farmer een onderhoud kon regelen met het hoofd van de kerk van de Bolbewoners. Het is de moeite waard om verslag te doen van de incidenten die zich tijdens die bijeenkomst afspeelden, omdat zij een beeld geven van de problemen waarop de bekendmaking van Farmer theorie stuitte, en van de argumenten waarmee hij die probeerde te overwinnen.

 

De Opperpaus van Unaea, de leider van de oudste staatsgodsdienst, waarin de drang naar een efficiënte organisatie en het afzonderen van de clerus van het gewone mensenleven, hand in hand was gegaan, zat in de gehoorzaal.

 

Rond hem zaten priesters die van alle takken van menselijke inspanningen of onderwijs hun levenslange opdracht hadden gemaakt en allemaal waren ingetoomd tot het maximum van absolute gehoorzaamheid, zodat als het fiat was uitgegaan van de broze man, de vice-regent van God, geen enkele twijfel of aarzeling hun geest dwarsboomde, maar alleen dat feit werd aanvaard, waarover zij uiterst vrijmoedig en subtiel hadden gediscussieerd.

 

Farmer stond voor hem en zag in hem de verpersoonlijking van alles wat hij haatte, de overmacht van iets anders dan de rede, de hooghartige aanspraak om anders te oordelen dan bij benadering – de eerste oorzaak van elke dwaling, de reden waarom de onjuist gerichte inspanningen van de mensen bitter en tevergeefs bleven, en de ware weg naar het begrijpen van de wereld uit hun hoofd werd gepraat en zij daarvan werden afgehouden.

 

Farmer stond trots voor de broze man – die hem, weggezonken in de grote troon en het staatsiekleed, ontving met een onnatuurlijk stilzwijgen en vervreemding – en begon te vertellen over de astronomische situatie en de op handen zijnde vernietiging van de wereld.

 

Voor het eerst bliksemden de pauselijke ogen. “Je zou kunnen weten dat dat al bekend is,” zei hij. “De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig (Luc. 10:2) Ik vraag u, hou het kort.”

 

Deze rustige aanvaarding van de situatie in het centrum van de kerk, van waaruit zij de wereld liet zien dat zich niet meer dan een rimpeling over het oppervlak had verspreid, maakte indruk op Farmer. Zij wisten dus alles en toonden geen enkel teken van bezorgdheid! Hoe anders dan zijn eigen opwinding, deze houding van die mensen, die in het einde van alles slechts een dringendere roep voor hun eigen werk zagen!

 

"Heilige vader!” zei hij, terwijl hij de aanspreekwijze van dat geloof gebruikte, “ik zal net zo kort zijn als het strookt met het verschil van onze manier van denken. Ik ben naar u toegekomen omdat u de inspanningen van de halve wereld beheerst en als u ermee instemt om die een bepaalde richting op te sturen, kunt u deze ramp afwenden.”

 

"Ga verder, mijn zoon."

 

"Het begin van mijn idee was dat alles zich in de ruimte bevindt.”

 

“Iedereen met wie wij in contact komen kennen wij als een wezen in de ruimte; elke handeling in ons dagelijkse leven, elke gedachte die wij hebben wordt ontleend aan dingen of personen in de ruimte; zelfs de openbaring, waarin u gelooft heeft, dezelfde oorsprong. Die komt van iemand die is gezien en aangeraakt.”

 

"En als al het werkelijke dat we kennen zich in de ruimte bevindt, is datgene wat zich niet in de ruimte bevindt onwerkelijk. Een onstoffelijk bestaan is niets. Daarom dacht ik dat de enige manier om meer te weten te komen – echt te weten, en niet te bedenken – was om steeds meer kennis te verwerven over dingen in de ruimte.”

 

"Ik geef toe dat er in de ruimte veel wezens aanwezig zijn, personages zoals u volgens de overleveringen van uw kerk beweert; maar de enige manier om ze te kennen is het begrijpen dat het ruimtewezens zijn.”

 

"En als je het zo bekijkt, leek het mij belangrijk om te veronderstellen dat de ruimte meer dan twee dimensies heeft. Mogelijk zijn uw wonderverhalen vertekend en zouden we rationeel achter fantastische inzichten over echte dingen en wezens in deze ruimte kunnen komen.”

 

"Misschien is ook veel dat in de wetenschap onverklaarbaar is alleen maar duister om dezelfde reden, namelijk dat de ruimte driedimensionaal is.”

 

"Ik ben daar namelijk zelf geweest.”

 

"Stel je iemand voor in een maatschappij waar rechtvaardigheid heerst. Als hij niet zou weten wat rechtvaardigheid is, hoe zou hij dan kunnen weten welke rol dat in de instellingen van de maatschappij speelt? Er zijn ongetwijfeld allerlei dingen die hij niet begrijpt maar het zou onzinnig zijn als hij zegt dat alles wat onverklaarbaar is, veroorzaakt wordt door rechtvaardigheid.”

 

"De enige manier waarop hij dan iets over die maatschappij te weten kan komen is zijn eigen gevoel van rechtvaardigheid en pas als hij dat ontwikkelt kan hij begrijpen wat rechtvaardigheid in zijn omgeving doet.”

 

"Ik had zelf geen idee van de vormen en bewegingen die in een drie-dimensionale ruimte zouden kunnen bestaan. De enige manier om te weten of er echt drie dimensies waren, was dus het idee van drie dimensies in mijzelf te ontwikkelen.”

 

"Dus maakte ik, hoewel ik zelf slechts een 2D-mens ben, een opsomming van de meest eenvoudige dingen waar een 3D-mens mee te maken zou hebben. Ik maakte schetsen die een beeld gaven van wat een 2D-mens door zien en voelen zou kunnen weten over voorwerpen van een 3D-mens.”

 

"En ik merkte dat er een gevoel voor drie-dimensionale vormen en bewegingen in mij ontwaakte. Het leek alsof ze heel vanzelfsprekend werden. Het was alsof ikzelf echt een 3D-mens was en dat ik alleen maar als een 2D-mens kon denken, door de manier waarop ik mijn eigen lichaam ervaarde.”

 

"Vanuit die hypothese, die mij het nodige werk verschafte bij het ontwikkelen van mijn gevoel voor drie dimensies, is het mij gelukt om duidelijk te zien dat ik eigenlijk een hoger wezen ben, dat oog in oog staat met een hogere werkelijkheid, en dat ik iets kan ontwaren van de onvoorstelbare reikwijdte van krachten en mogelijkheden die voor ons liggen.”

 

"Wat is dan de relatie tussen een 3D-mens en onze lichaamsstructuur? Wij weten dat wij uiterlijke dingen niet rechtstreeks gewaarworden. Als we bekijken wat er gebeurt als wij door middel van onze zintuigen kijken of enige kennis verwerven, merken we dat er bepaalde veranderingen in ons plaats vinden. Het zijn die veranderingen die ons bewustzijn beïnvloeden. De uitwendige voorwerpen kunnen dat niet rechtstreeks doen. De invloed van de dingenwereld in datgene wat eigenlijk gewaarwordt, vindt plaats in uiterst kleine stapjes.”

 

Een van de professoren van de Heilige Raad onderbrak Farmer op dit punt en zei:

 

"U komt dus nu op het mysterie van het denken. Het denken, de persoonlijkheid, is zelf onstoffelijk en kan met geen enkele natuurkundige theorie worden verklaard.”

 

"Nee," antwoordde Farmer, "ik zeg alleen maar dat er, voordat je aan het mysterie van het zelf en de persoonlijkheid toekomt, een tussengebied bestaat dat verkend moet worden. Je kunt de processen in dat gebied onderzoeken, zonder aan het mysterie van het denken toe te komen.”

 

"Als je terechtkomt bij de minieme werkingen van de natuur, kom je bij acties in een drievoudige ruimte, en datgene wat daadwerkelijk ons hele lichaam bezielt en stuurt, heeft precies dezelfde soort activiteit.”

 

"De 3D-mens is klein vergeleken met onze lichamen, maar grootte alleen is geen belemmering voor enige complexiteit van structuur. Wij zijn 3D-mensen, die het doen en laten sturen van lichaamsstructuren die zijn beperkt tot bewegingen in twee richtingen.”

 

"Maar dan rijst de vraag: als de ruimte echt drie dimensies heeft, waarom nemen wij dan slechts een twee-dimensionale wereld waar?”

 

"Daar kan maar één antwoord op zijn. Omdat wij begrensd zijn. Onze lichamen wordt in hun bewegingsvrijheid belemmerd. Wij kunnen ons met onze lichaamsstructuren slechts in twee dimensies bewegen omdat iets ons verhindert, alle dingen, deze planeten, werelden en zonnen verhindert om vrij te bewegen.”

 

"Wat ons tegenhoudt noem ik het naastgelegen iets of wezen. Welke richting wij ook uit wijzen en kijken, wij kiezen alleen maar een richting langs zijn grens, nooit een richting daarin of daar vandaan. En met dat erkennen van dat naastgelegen iets, opent zich opeens een nieuw terrein van mogelijkheden.”

 

"Als wij onszelf vrij in de ruimte zouden bevinden, zou er geen manier zijn om de baan van onze planeet te beïnvloeden.”

 

"Maar omdat wij altijd contact met dat naastgelegen iets maken, zouden we, als we daar een spijker in zouden kunnen slaan, onze beweging kunnen vertragen. Je zou ook, als je de drie dimensies bestudeert, intuïtief begrijpen dat je daar een groef in kunt duwen, zodat de beweging van iemands lichaam afgebogen zou kunnen worden, door de groef op een juiste manier tegen het naastgelegen iets te drukken.”

 

Op dat punt hield Farmer op, omdat hij een tegenwerping verwachtte, want deze mogelijkheid, die wijzelf heel eenvoudig kunnen uitdrukken door het woord “schaatsen,” was een woord dat grote problemen opleverde voor het begrip van de Unaeërs. Wij weten dat een lichaam dat over een glad oppervlak glijdt gemakkelijk van koers kan worden veranderd. Een ijsboot, bijvoorbeeld, op het oppervlak van bevroren meer, kan van koers worden veranderd door het wijzigen van de hoek die de rand van het zwaard, die op het ijs rust, maakt. Maar voor de Unaeërs was een dergelijke werkwijze totaal onbegrijpelijk.

 

"We kunnen dus aannemen,” zei de professor van de Heilige Raad, “dat er in die ruimte die u heeft bedacht, allerlei mogelijkheden zouden bestaan, waar die ene die u oppert er een van is.

Farmer vervolgde: "Ik kan u verzekeren dat die mogelijkheid bestaat, en ik zie een verband met de steeds weer opduikende overgeleverde getuigenissen, over mensen die in de lucht zijn opgestegen en over een kracht die boven de invloed van de aardse zwaartekracht uitstijgt.”

 

"De oorsprong van deze verslagen is volgens mij een raadselachtig gevoel over het bestaan van een naastgelegen iets en een heimelijk gevoel van een mogelijkheid om onszelf op een andere manier te sturen, dan via het contact met iets, dat we met onze eigen ogen kunnen zien of met onze handen kunnen aanraken.”

 

"Een dergelijke kracht, waarmee wij de bewegingen van onze lichamen omhoog en omlaag kunnen richten, is triviaal en onbelangrijk. Maar het betekent iets dat enorm belangrijk is en grote consequenties heeft. Wij bevinden ons op de aarde, onze lichamen maken deel uit van haar massa en elke richting die wij aan de beweging van ons lichaam kunnen geven, zouden we, als we de krachtsinspanningen van alle mensen zouden samenbundelen, op de aarde kunnen overbrengen.”

 

“Het is duidelijk dat wij, als wij de baan van onze planeet zouden kunnen sturen, de gevaren zouden kunnen keren, die onze te korte afstand tot Ardaea met zich zal meebrengen.”

 

"Wij beschikken niet over uitwendige middelen om invloed op dat naastgelegen iets uit te oefenen. Wij 2D-mensen beschikken niet over dat vermogen. Maar 3D-mensen, ons eigen zelf, deze 3D-mensen zijn machtig.”

 

"Door te denken aan opstijgen en door de lucht zweven, schakelt de 3D-mens, dus mijn echte zelf, activiteiten van zichzelf in.”

 

"Het zelf oefent een werking uit op het naastgelegen iets, drukt daar een groef in, zodat de beweging die mijn lichaam gemeenschappelijk heeft met de hele aarde, wordt afgebogen en ik de neiging vertoon om omhoog te gaan. Ik heb de proef op de som genomen. Ik heb gemerkt dat mijn gewicht afneemt, als ik de gedachten denk die ik heb beschreven.”

 

"Welnu, als alle mensen zich toegewijd bij elkaar zouden aansluiten en zouden denken dat ze opstegen en als engelen door de lucht zweefden, zouden ze een kracht uitoefenen, voldoende om een zekere afwijking van de baan van onze planeet teweeg te brengen, weliswaar een hele geringe, maar er is maar een hele kleine nodig. Zo zouden we veilig langs Ardaea kunnen scheren.”

 

Farmer’s theorie was tweeledig. Ten eerste, dat door het samenbundelen en reorganiseren van de moleculaire hersenstructuur, zodanige veranderingen in de materie teweeggebracht zouden kunnen worden, dat het resultaat zou zijn dat een lichaam, dat voortglijdtt over het oppervlak, waarop alle Astriaanse dingen zich bewegen, in zijn baan zou worden afgebogen; en ten tweede, dat door aan bepaalde gedachten te denken, in het brein van de denkers ook moleculaire veranderen zouden plaatsvinden. Hij poneerde dat er een overeenstemming bestond tussen de bewuste gedachte aan opstijgen en zweven en de minieme veranderingen die door het denken aan opstijgen en zweven bij de denker, door een totaal onbekend procédé, teweeg zouden worden gebracht.

 

Mensen van dat idee te overtuigen was een taak die vrijwel onoverkomelijke problemen opleverde. Hij had de bekende hulpmiddelen van de taal van de Unaeërs opgebruikt en alles verteld wat daarover gezegd kon worden, aan mensen die kennelijk zijn gedachtegang niet konden volgen. Daarom richtte hij zich tot de opperpaus en besloot met de volgende woorden:

 

"Ik ben naar u toegekomen, omdat u de leiding heeft over de godsdienstige praktijken van de helft van het mensdom. Als u een bepaalde spiritualiteit zou gelasten, waarbij specifieke gedachten op vastgestelde tijden zou worden uitgeoefend en alle bezieling van uw gelovigen samengebundeld zou worden, zou u het proces in gang zetten waarmee de 3D-mensen, ons wezenlijke zelf, de wereld zouden kunnen redden van de op handen zijnde ramp.

 

"Heilige vader, hebt u mij nog wat te vragen?”

 

"Nee, mijn zoon, aanvaard de zegen van een oude man die, net als uzelf, zijn uiterste best heeft gedaan om trouw te blijven aan de opdracht die hem is toebedeeld.”

 

En zo eindigde de bijeenkomst.

 

Laura merkte dat haar vader zich in haar afwezigheid onbeschrijfelijk had opgewonden.

 

"Mijn dochter,” zei hij, “ik ben al lang van plan geweest om met jou over een heel belangrijk onderwerp te praten, maar ik heb daar steeds van afgezien. Deze gelegenheid moet ik niet voorbij laten gaan.”

 

Laura vertelde hem dat ze alles al wist.

 

"Dat maakt mijn taak des te korter,” antwoordde hij, “ik heb bedacht dat het voor jou tijd is om een echtgenoot te nemen.”

 

"Niet nu!” riep ze uit.

 

"Jawel, mijn kind, we kunnen verwachten dat maar een paar van ons zullen overleven. Ik heb onderaardse ruimten ingericht, die met alle benodigde proviand volgestouwd zullen worden; daar kunnen aan aantal van jullie de overgangsperiode doorbrengen en weer tevoorschijn komen als de nieuwe orde der dingen is aangebroken.”

 

"Papa, ik ga liever dood dan zo te worden opgesloten.”

 

"Dat is niet wat je wilt. Wij moeten ernaar streven dat een aantal van onze beste mensen, mensen die het meest geschikt zijn om de bestemming van ons ras voort te zetten, zullen overleven. Het is niet aan jou om dat in twijfel te trekken – het besluit ligt geheel buiten jouw vermogen om te veranderen. Elke aarzeling die je voelt kan ik eenvoudig wegnemen. Ik weet dat je je aangetrokken voelde tot die Harold Wall. Wat je ook voor hem hebt gevoeld, dat is meteen over, als ik je vertel dat hij gebruik maakt van deze naderende ramp om een oproer te ontketenen. Hij wordt verteerd door een roekeloze en gewetenloze eerzucht. Hij is gegrepen door de irreële romantische hunkering van jouw arme oom en dat gebruikt hij nu als pressiemiddel. Hij heeft geprobeerd om daarmee een aantal zwakbegaafde romantici ervan te overtuigen dat er een of andere manier bestaat om het gevaar te voorkomen. Hij probeert nu van dit gevaar dat de wereld bedreigt, een aanleiding te maken om wanorde te stichten en zijn eigen eerzucht bot te vieren. Hij is onophoudelijk bezig geweest om zijn banden met zijn mede-officieren aan te halen, om hen verraders van hun eigen woord van eer te maken.”

 

"Papa?"

 

"Ja. Hij heeft zijn vertrouwelingen zo goed uitgekozen, dat wij niet over een rechtstreeks bewijs beschikten, maar het leger is geïnfiltreerd met de wetenschap van wat ik geheim heb proberen te houden. Door de heersende paniek hebben wij speciale maatregelen door kunnen voeren. Voor het vallen van de avond zal hij gearresteerd worden en als hij zich verzet, ter plekke geëxecuteerd worden. Ze zullen hem geen genade tonen – hij zal naar Sepentraea worden gestuurd – niet als leider, wat hij misschien is geweest – maar als gevangene. Je kunt je een beeld vormen van de slechtheid van die man, als ik je vertel dat wij besloten hebben om een compagnie Scythische soldaten in te zetten. Wij kunnen niet zeggen in hoeverre zijn intriges de gewone troepen hebben doordrongen.”

 

Haar vader wierp het hele gewicht van zijn onverzoenlijke blik op haar. Zij voelde de stalen vastberadenheid en het onvermurwbare voornemen waarmee hij zijn weg had bevochten en elke tegenstander had neergeslagen. In haar machteloosheid was haar enige gedachte dat zij op een of andere manier Harold moest waarschuwen.

 

Hij beschouwde haar stilzwijgen als overgave. “Iemand die jou lang heeft liefgehad en die, volgens mij, niet zonder bezieling is, is vandaag hier om je ten huwelijk te vragen. Je moet luisteren naar de ingevingen van je hart en naar mijn wens om daarin toe te stemmen.”

 

"Maar, Papa, ik heb al zoveel mensen moed ingesproken, zoals u dat noemt.”

 

"Je weet vast wie ik bedoel, Edward Forest.”

 

"Ik hou heel erg veel van Edward.”

 

"De een zaait, de ander maait, mijn kind, maar laten we het daar niet over hebben. Ben je het eens dat het Edward Forest wordt?”

 

"Hoe kan ik dat nou zeggen, voordat hij me heeft gevraagd?”

 

"Geen gekheid, meisje.”

 

Laura deinsde terug, ze was wanhopig, ze moest meteen Harold iets laten horen. Wat zou er gebeuren als zij zichzelf voor haar hele leven zou binden, nu zij Harold zou kunnen redden!

 

"Ja, vader,” zei ze.

 

"Je moet me goed begrijpen, Laura, ze hebben je vandaag met die Wall zien praten. Ik wil niet dat je erin betrokken wordt. Je mag niet onder mijn ogen vandaan, totdat je mijn huis voorgoed verlaat.”

 

"U hebt niet veel vertrouwen in me, Vader.”

 

"Hoe zou ik dat kunnen met zo’n veelbetekenende uitdrukking op je gezicht – nee, Laura, eens zul je me dankbaar zijn.” En hij liet haar alleen.

 

Toen ze opkeek, stond Edward Forest voor haar. “Omdat je erin hebt toegestemd me te zien, krijg ik hoop. Je hebt gezien dat mijn liefde de jouwe is, aanvaard je mijn levenslange toewijding?”

 

Haar zwijgen gaf hem moed. Hij kuste haar bleke koele lippen. Het was teveel – wat stelde haar instemming, haar toegeven voor, als zij Harold niet zou kunnen redden. Ze was razend, vooral omdat haar vader zo stiekem voorzorgsmaatregelen had genomen om te voorkomen dat zij hem zou verraden.

 

Ze duwde hem weg en zei, “Ik wou dat ik dood was.”

 

"Laura, hoezo, heb ik je dan gekwetst? Je vader heeft me verteld dat je geen hekel aan me had.”

 

Eén moment bood ze weerstand – hij keek zo triest, en een enkel woord van haar zou zo’n blijdschap op zijn gezicht toveren, dat hij alles voor haar zou willen doen. Ze wist zeker dat ze hem kon ompraten om haar boodschap over te brengen. Maar zij herinnerde zich de woorden van Farmer, “Waarheid en oprechtheid komen pas aan bod als alle andere middelen falen.”

 

Ze lachte opgewekt. “Kijk niet zo beteuterd, Edward,” zei ze, “Papa heeft me voor de gek gehouden.”

 

Ik heb alleen maar gezegd dat ik met je wilde trouwen, om de kans te krijgen om je alleen te spreken.

Ik denk dat je me kunt krijgen, als je erop aandringt, maar er is iets dat veel belangrijker is.”

 

"Iets voor mij?” zei hij, “als de wereld er morgen niet meer is?”

 

"Maar daar komt geen einde aan; wij gaan allemaal lang en gelukkig leven en jij kunt daarmee helpen, meer dan wie dan ook – jij bent vast niet op de hoogte van de gunstige berichten en hoop, of wel?”

 

"Nee, Laura, ik heb gehoord dat het allemaal tevergeefs is.”

 

"Denk je dan, Edward, dat God deze prachtige wereld alleen maar heeft geschapen om haar op die manier te vernietigen?”

 

"Het zorgt er niet voor dat ik in God geloof.”

 

"Edward, ik zal je er alles over vertellen. Je weet dat in vroegere tijden mensen boodschappen van God kregen, die vertelden wat zijn wil was.”

 

"Ja, dat heb ik gehoord.”

 

"En heb je je ooit afgevraagd waarom dat altijd door mensen gebeurde en niet door een of ander reusachtig wezen?”

 

"Nee, ik heb die dingen altijd op gezag van anderen aangenomen.”

 

"Welnu, ik zal je zeggen waarom. Denk je echt dat jijzelf je ziel bent? Denk je niet dat het zoiets als je lichaam is, alleen heel dun en schimmig, niet precies echt, maar net zo gevormd als ons lichaam?”

 

"Ja, ik vermoed dat ik daar zo over denk, als ik er al aan denk.”

 

"Maar dat is helemaal verkeerd. Ik zal je vertellen wat mijn oom zegt. Hij heeft ontdekt dat wat wij de hele ruimte noemen, daar maar een klein stukje van is. En we worden op een merkwaardige manier beperkt in alle bewegingen die ons lichaam maakt. Er bestaan echt drie dimensies en niet maar twee. De echte wereld is een wereld van een hogere ruimte. Als we over onszelf in een hogere ruimte willen denken, moeten we eerst de andere kant op en denken over een wezen in een wereld van een lagere ruimte. Denk maar aan een wezentje dat beperkt is tot een leven in een rechte lijn. Een dergelijk wezen zou helemaal niet bedenken dat het ergens tegen leunde, maar zou denken dat wat voor en achter hem is, de hele ruimte uitmaakt, en het zou niet ontdekken dat het zich bovenop iets anders bevond. Dus wij, in de drievoudige wereld, worden ondersteund in een richting die wij niet kennen. En net zoals het lijnwezentje in werkelijkheid een bepaalde dikte moet hebben, moeten wij een dikte hebben in een richting die wij niet kunnen aanwijzen.”

 

"Je weet dus dat ze ons hebben verteld dat onze zielen in de wereld zijn gekomen en de beperkingen daarvan op zich hebben genomen. In werkelijkheid is de zaak als volgt: onze zielen, deze hogere wezens, zijn in een gedeelte van het universum terecht gekomen, waar het werk dat gedaan moet worden, zich in onze tweevoudige ruimte bevindt. Het is alsof iemand van ons een heel nauwe tunnel zit, waar hij maar één kant op kan.”

 

"Wat dat werk is weten we nog niet, maar het begint met het overwinnen van de wereldproblemen en allemaal eendrachtig samen te leven, zodat we samen kunnen werken, als we weten wat er de doen staat. De zielen die in deze wereld terechtkomen vormen hechte groepen, en een heel groot aantal van allerlei soorten, sluit zich aaneen en bezielt een lichaam, maar ze staan allemaal onder een enkele ziel, iemands ware zelf. En die ware-zelf-ziel stuurt alle andere in het lichaam, zoals een kapitein op een schip een heleboel mensen stuurt, waarbij iedereen zijn eigen werk heeft. En de sturende ziel die tot taak heeft onze handelingen te sturen, deze ziel vergeet vrijwel helemaal haar ware bestaan; zij is zeer trouw aan haar werk en wordt daardoor opgeslorpt. Zij denkt dat zij maar twee dimensies heeft en niets wat ze ziet, herinnert haar aan haar ware bestaan. Wij zijn verborgen voor alle andere zielen van het universum, zoals iemand in een nauwe tunnel dat voor ons zou zijn. Als de andere zielen tot ons willen spreken, moeten zij zich verplaatsen naar onze omstandigheden; zij moeten een van onze beperkte lichamen aannemen – daarom heeft de stem van God altijd via mensen gesproken. En nu weet God dat er een groot gevaar dreigt, dat zijn hele werk gaat verknoeien. Daarom heeft hij ons gestuurd. Hij heeft een ziel met een boodschap gestuurd, zodat wij weten wat er echt met ons aan de hand is, zodat wij, door onze eigen ware manier van handelen te begrijpen, niet die van het lichaam maar die van de ziel, een volledig nieuwe manier van werken leren en onszelf zullen redden.”

 

"Maar, Laura," zei Edward Forest, "wat heb jij een merkwaardig idee over de ziel; de taak van de ziel is het goede te doen, goed te worden en zichzelf te verbeteren.”

 

"Nee, het is een heel armzalige ziel die dat denkt,’ zei Laura, “alle mensen met een grote ziel proberen iets tot stand te brengen in de wereld – zoals mijn vader. Hij heeft een grote ziel, maar een heel verkeerde; goede zielen verlagen zichzelf natuurlijk niet door verkeerde dingen te doen; als zij niet kunnen krijgen wat ze oprecht willen, zouden zij het liever opgeven en het een ander laten proberen. Er zijn er veel meer. Maar, Edward, zeg dat je me gelooft, je ziel moet voelen dat wat ik zeg waar is.”

 

"Ik zie niet dat dat iets te maken heeft met de botsing met Ardaea,” zei ze.

 

"Ah, dat is nou juist wat het wel heeft, want we hebben nooit gedacht aan dat steunvlak waar wij ons tegenaan bevinden. We zitten tegen iets aan en er bestaat een manier waarop wij ons daaraan vast kunnen houden, zodat wij de manier waarop de aarde voortbeweegt kunnen veranderen.”

 

"Ben je daar zeker van, Laura?"

 

"Ja, ik ben er zo zeker van, Edward, en ik wil iets doen om mee te helpen.”

 

"Hoe bedoel je?”

 

"O, Edward, begrijp je dan niet dat mijn vader dat allemaal gaat stoppen en dat ik je dat toevertrouw?”

 

Op het gezicht van Forest verscheen een uitdrukking die zo raadselachtig was, dat Laura ophield –

 

“Wat is er, Edward, ben je bang?”

 

"Nee," zei hij, “er waren wat tegenstrijdige gevoelens, waardoor ik mijn voorhoofd fronste. Ik weet niet zo goed waar ik aan toe ben.”

 

"Je bent nu hier en wil me helpen,” zei ze.

 

"Ja, natuurlijk, Laura,” zei hij, “maar er is nog iets anders.”

 

"Denk je niet,” ging hij verder, “dat jij jouw talenten in het huishouden zult vergooien? Er steekt een uiterst welbespraakte professor in jou.”

 

"O, zeg dat niet,” antwoordde ze.

 

"Als ik weer thuis ben, zal ik mijn hele kennis van wiskunde, geesten, astronomie en ook theologie weer op moeten halen, Laura. Ik denk dat het heel vermoeiend zal zijn.”

Ze keek hem geschrokken aan.

 

"Ik heb je nu een voorstel gedaan,” ging hij verder, “maar ik wist niets af van je talenten. Ik vraag me af of je overgehaald zou kunnen worden om mij mijn voorstel in te laten trekken.”

Ze keek hem peinzend aan, een vreemde mengeling van opluchting en ontsteltenis beving haar. Geen enkele invloed op hem hebben! Zijn hele lange toewijding door maar een paar woorden verdampt! Ze kon het niet aan – en toch, op geen enkele manier gebonden!

 

"Ik wacht op je antwoord, Laura, mag ik het intrekken?”

 

"Onder voorwaarden”, antwoordde ze.

 

"Goed," zei hij, “onder voorwaarden – ik zal je zeggen welke – dat ik je beste vriend mag zijn en dat ik je op elke mogelijke manier mag helpen. Wat wil je dat ik nu doe, meteen?”

 

"O, Edward," zei ze, met tranen van dankbaarheid, “ik zal nooit vergeten hoe goed je me hebt begrepen.”

 

"Laura," zei hij, “je bent fantastisch, je doet me denken aan de profetessen en sybillen van vroeger. Je hebt een grootse loopbaan voor je.”

 

 

"Vertel me nou eens,” ging hij verder op zakelijke toon, “ik denk dat er iets heel dringends is – iets wat je me meteen wilt laten doen.”

 

"Ja, Edward," zei ze, “het hangt allemaal van jou af. Mijn oom weet hoe hij de wereld kan redden, maar gaf de hoop op, toen het niet lukte dat anderen zich bij hem aansloten, totdat Harold bij hem kwam en hij hem kon vertellen wat er moest gebeuren. Harold heeft dus een onderhoud met hem gehad. Nou gelooft mijn vader daar helemaal niets van. Hij denkt dat Harold gebruik maakt van de angst van de mensen om een revolutie voor te bereiden. Hij beschikt over een bevel om hem te arresteren en gaat een compagnie Scythen op hem af sturen om hem te arresteren. Je moet Harold nu waarschuwen.”

 

Edward Forest fronste zijn voorhoofd. “Ondanks zijn hele inschattingsvermogen, maakt jouw vader een fatale vergissing. Ik heb hem gezegd dat dat werven van die barbaren, als een speciaal regiment, een vergissing was. Er bestaat geen twijfel over de loyaliteit van het leger, en als dat wel zo was, zou zo’n teken van wantrouwen uiterst dom zijn. Ik zal Wall gaan vertellen wat jij zegt, maar je vader is niet iemand die eerst dreigt voor hij toeslaat; de klap is waarschijnlijk al gevallen.”

 

"Nee, Edward," zei ze, “nog niet; ik weet dat het nog niet is gebeurd, want hij houdt mij hier vast.”

 

"Ik ga meteen,” antwoordde hij, “je moet niet zo bang zijn.”

 

In het paleis van de Bolbewoners, stond Farmer voor de machtige plenaire vergadering van prelaten, priesters en geestelijken van elke denominatie. De invloed en kracht van hun karakters, die hem zo vreemd waren, leken geen indruk op hem te maken. In een paar simpele woorden legde hij zijn gedachten voor hen op tafel, op een manier waarvan hij dacht dat ze dat het beste zouden begrijpen.

 

"Wie zal vertellen wat in de geschiedenis van ons ras de opdracht en het plan is geweest, waardoor wij op deze grote waarheden zijn gestuit, kennis die ons onthult wat we zijn en waardoor wij invloed en greep op ons lot krijgen?”

 

"Ik kan geen opdracht of plan ontdekken, behalve dat wij, als het zover is, alles zullen aangrijpen wat van belang is om te weten.”

 

"Dus lang geleden, toen onze mechanische krachten nog niets voorstelden en onze rationele kennis van de natuur belachelijk pover was, hebt u – met de mensen die zich door uw bemoeienissen bij u hebben aangesloten – hebt u dus de ziel ontdekt. Er bevindt zich iets binnenin ons, dat boven het lichaam uitstijgt en daar los van staat en dat een hoger doel dient dan louter zelfbehoud. Maar deze ontdekking, groots en in alle opzichten belangrijk, was niet volledig en afgerond; het hing af en hangt nog steeds af van een innerlijke intuïtie van de menselijke natuur, en was en is niet gerelateerd aan het rationele systeem van dingen, zoals wij dat kennen.”

 

"En toen het onderzoek naar de aard van de materiele wereld om ons heen geleidelijk vooruitgang boekte, viel deze ontdekking van de ziel, die nabije en vertrouwde kennis, niet langer samen met wat onze zintuigen registreerden.”

 

"We vonden namelijk geen echte plek waar de ziel naartoe kon, zoals in de vroegste tijden stilzwijgend werd geloofd. Wij dachten dat het lichaam niets anders was dan een dierlijk organisme. En daarom moet je tot op de dag van vandaag, als je je boodschap aan de wereld verkondigt, op een ander bewijs vertrouwen, op andere principes, dan die, die de normale gang van zaken regeren.”

 

"Maar ik heb de ziel opnieuw ontdekt. Ik heb haar niet ontdekt via een innerlijke overtuiging, niet door de overweldigende energie van haar oordeel over ons geweten en onze daden. Ik heb haar ontdekt als een echt wezen, dat evenveel bijdraagt aan de visie op deze fysieke wereld, als ze heeft gedaan om onze verwachting als menselijke wezens te vergroten. Net zoals de intuïtieve kennis van de ziel ons zedelijk bestaan boven het instinctieve van het dier heeft verheven, zo verheft de verstandelijke kennis van de ziel ons intellectuele bestaan boven de gewone gang van zaken.”

 

"Want in ons denken hebben we een leven geleefd, waarin wij berustten in de onderdrukking van het lichaam, terwijl wij – ons wezenlijke zelf, onze ziel - , als wij ons ware bestaan kennen, daar vrij van zullen zijn. En deze kennis komt tot ons, juist nu het nodig is, juist op het moment dat wij boven onze toestand van onderwerping uit moeten stijgen, om onszelf te redden.”

 

"Dat zou ons naar de grotere en hogere wereld leiden. En keer u niet van mij af, als u denkt dat ik het over onbeduidende dingen heb. U verhaalt ons over het summum van liefde, tot uitdrukking gebracht in alledaagse plichten. Wij bereiken de vrijheid van ons intellectueel bestaan door het denken over alledaagse en onbeduidende dingen.”

 

"Ik zeg u dat het idee van vroeger dat de ziel iets werkelijk bestaands is, juist is, niet ontdaan van de franjes van ons leven, ja eerder nog steeds meer omhuld met een onbeschrijfelijke volheid van bestaan – dat zou u moeten weten – volg me en u zult de ziel rationeel en welbewust leren kennen, terwijl u haar nu kent als iets dat boven de trage passen van het verstand uitspringt.”

 

"De te volgen weg is de volgende. Bedenk een wezen dat tot een lijn is beperkt. U zult misschien denken aan een insect, dat niet zonder zijn houvast kan, maar dat beeld is onjuist, want voor zover het insect de plek voelt waar het op zit, heeft het weet van twee dimensies. Een wezen dat beperkt is tot een lijn, zou geen flauw benul van iets anders hebben, dan wat zich in diezelfde lijn voor of achter hem bevindt. En het is juist door dat soort beperking van zijn bestaan dat hij bepaalde handelingen als onmogelijk beschouwt.”

 

"Het lijnschepsel heeft twee uiteinden, dat wij het kopeinde en staarteinde zouden kunnen noemen. De kop wijst de ene en de staart de andere kant op. Met geen mogelijkheid kan het lijnwezen deze richtingen onderling verwisselen. Stel nu dat er twee lijnwezens zijn, waarbij de kop van het ene de ene kant opwijst en de kop van het andere de andere kant. Voor hen zou het onmogelijk lijken dat ze zo zouden worden neergezet dat hun koppen dezelfde kant uit zouden wijzen.”

 

"Wij zien echter dat het eenvoudig is om ze zo neer te zetten dat ze dezelfde richting uit wijzen. We kunnen ze gewoon omdraaien zodat ze dezelfde kant op kijken. Dat kunnen wij doen omdat wij gebruik kunnen maken van twee dimensies. Omdat zij niet in staat zijn om zich in twee dimensies te bewegen, denken zij dat het niet kan. Zij denken dat het bij de aard van de ruimte hoort dat dat niet mogelijk is. Maar wij zien dat het feit dat het voor hen niet mogelijk is om zich zo te verplaatsen dat ze dezelfde kant op wijzen, gewoon laat zien dat ze beperkt zijn, dat zij bij het bewegen van hun lichaam niet over mogelijkheden beschikken, die in feite wel bestaan.”

 

"Als wij nu naar onszelf kijken, ontdekken we ook iets wat niet kan. Stel je twee rechthoekige driehoeken voor, die symmetrisch op een rechte lijn zijn geplaatst. We kunnen deze driehoeken blijven verschuiven, maar we kunnen de ene nooit de plaats van de andere in laten nemen – er blijft altijd enige incongruentie bestaan.”

 

Ik zeg dus dat die onmogelijkheid geen echte onmogelijkheid is – het is gewoon een gevolg van onze beperktheid. Als wij ons in de derde dimensie zouden kunnen bewegen, zouden we heel eenvoudig een van die driehoeken zo kunnen plaatsen, dat die precies in ruimte van de andere zou passen. Het is dezelfde onmogelijkheid die wij als teken van onze eigen beperking beschouwen.

Neem nou het lijnwezen. Het ontdekken van de tweede dimensie zou hem er bewust van maken, dat hij altijd met iets in contact staat – zijn wereld is niet een wereld van een lege ruimte, maar een die op iets anders steunt – er is iets aanwezig, waar hij zou denken dat een lege ruimte bestond, iets dat tegen hem aan ligt.

 

"Dat geldt ook voor ons. Als wij rechtop staan en onze handen bewegen, denken we dat wij ons in een lege ruimte bevinden, afgezien van de rand van de aarde waar we op staan. Maar dat is niet zo. Voor ons bestaat er ook iets dat zich naast ons bevindt, en hoe wij onszelf ook bewegen, wij maken daar altijd contact mee en wij bewegen daar langs, welke kant wij ook met onze armen uit wijzen.”

 

"Het bestaan zelf strekt zich grenzeloos uit, ondoorgrondelijk, aan beide zijden van dat naastgelegen iets. Als u dat beseft, dan kan niemand meer twijfelen aan wat ik heb gezegd; als u dat eenmaal tot u door laat dringen, zult u nooit meer naar het blauwe hemelgewelf staren zonder een bijkomend mysterieus gevoel. Hoever u uw blik ook in die peilloze diepten zult werpen, die glijdt dan slechts langs iets bestaands, dat zich onpeilbaar uitstrekt in een richting, waar u niets over weet.”

 

"En als wij dat weten, valt ons iets van dat oude gevoel van het hemelse wonder te beurt, want dan vullen niet langer gesternten de hele ruimte met een eindeloze herhaling van hetzelfde, maar bestaat er de mogelijkheid van een onverhoeds en wonderbaarlijk begrijpen van wezens, waar de mensen van weleer over droomden. En als wij alleen maar over dat hele gevoel heen konden kijken, zouden we weten wat er aan beide zijden van al het zichtbare ligt.”

 

"Dat begrijpen ligt in de toekomst – maar wat betekent het nu voor ons?”

 

"Als u het mysterie van ons bestaan wilt verklaren, onze relatie met het omvangrijkere universum wilt ontdekken, ga dan terug en vraag u af hoe een lijnwezen zou kunnen bestaan. In een lijn kan geen enkel werkelijk wezen bestaan. Alle werkelijke dingen of wezens moeten over alle bestaande dimensies beschikken. Maar een werkelijk wezen zoals wijzelf, onmiskenbaar in het bezit van twee dimensies, kan in omstandigheden verkeren, die het slechts als een-dimensionaal ervaart. Het kan deel uitmaken van een structuur die tot een een-dimensionale beweging is beperkt.”

 

"Denk bijvoorbeeld aan een schip, dat op het water vaart. Het kan maar in een lijn bewegen. Stel dat de kapitein die het bestuurt, zich niet bewust is van zijn eigen bewegingen en gewoon bij al zijn gedachten de beweging van het schip betrekt en zichzelf daarmee identificeert, dan zou hij zichzelf als een lijnwezen kunnen zien. Maar als op een of andere manier het idee in hem zou opkomen, dat er twee dimensies zijn, als hij bij zijn eigen lichaamsbesef te rade zou gaan, en zou beseffen dat hij op zichzelf staat en los staat van wat hij bestuurt, dan zou hij over een overvloed aan ervaringen beschikken van twee-dimensionale bewegingen. Het enige wat hij zou hoeven doen is zichzelf wakker schudden en zich bewust worden van zijn eigen wezenlijke manier van bestaan.”

 

"Zo is dat ook bij ons.”

 

"In wezen zijn wij hogere wezens, in bezit van een hogere manier van handelen, dan wij bij onze lichaamsbewegingen beseffen. Dat wezen, dat wij in wezen zelf zijn (ons zelf is), is de ziel, en op het moment dat het zich in zijn doen en laten bewust is geworden van zichzelf, als het heeft begrepen dat het meester van zijn eigen lichaam is en los van en boven een louter dierlijk leven staat, is het klaar om wakker te worden en te begrijpen dat het meer is dan de bewegingen van de dingen. De lichaamsbewegingen zijn ondergeschikt, veel ruimer, dan onze eigen bewegingen. De mechanismen en bewegingen, die met de ziel te maken hebben, zijn superieur aan diegene, die het kan vatten door middel van het gevoel, superieur aan diegene die het ziet door middel van het lichamelijke zien.”

 

"Je kunt dat bewijzen door het zelf te proberen. Ik heb mijn eigen ziel gewekt en kan nu denken aan drie-dimensionale dingen, hoe ze werken en elkaar beïnvloeden.”

 

"En ik heb ontdekt wat voorbij alles ligt wat ik u heb verteld, dat, net zoals de kapitein van een schip, een activiteit ontplooit die onafhankelijk van het schip is. Zo ontplooit onze ziel een activiteit die onafhankelijk is van het lichaam. Onze ziel kan een werking uitoefenen op het naastgelegen iets. Wijzelf, de aarde en al het andere, glijdt in de baan waarin onze planeet beweegt, in een snel tempo over dat naastgelegen iets. Bij elke beweging die wij met ons lichaam maken, oefenen wij alleen maar een werking uit op dingen, die allemaal op dezelfde manier deel uitmaken van deze beweging. Maar onze zielen kunnen rechtstreeks invloed uitoefenen op het naastgelegen iets. En door die werking beschikken wij over de mogelijkheid om de richting van onze bewegingen te beïnvloeden, anders dan door tegen iets dat we kunnen zien aan te drukken of te trekken.”

 

"Op dit moment is het nog duister hoe dit moet worden gedaan. De organen in het lichaam, waarmee de ziel dit resultaat teweegbrengt, zijn voor ons te klein om ze te kunnen onderscheiden. Het enige wat we weten is dat we rationeel hun bestaan kunnen voorspellen. En die oude legenden over mensen die de lucht in stegen of door de lucht vlogen, zijn juist gebaseerd op het feit dat er een relatie bestaat met dat naastliggende iets, dat iemand in staat stelt om door de activiteit van zijn ziel, niet gestuurd op de manier van al onze andere gewone lichamelijke uitingen, de richting van zijn beweging ten opzichte van de beweging van de aarde te veranderen.”

 

"Als ik mijn geest met bezieling vul, en mij voorstel dat ik als een engel opstijg en door de lucht zweef, komt dat omdat mijn ziel iets doet waardoor ik omhoogstijg, namelijk door mijn richting te veranderen door in te werken op het naastgelegen iets.”

 

"Als alle mensen dezelfde gedachten zouden hebben, zouden ze allemaal de neiging vertonen om op te stijgen en zou de samengebalde kracht enorm zijn, genoeg om de koers van de aarde in haar omloopbaan te beïnvloeden. De kracht zou groot genoeg zijn maar, tenzij die gereguleerd zou worden, zou het effect van de kracht die op het ene moment werd uitgeoefend, teniet worden gedaan door een die op een ander moment zou aangrijpen.”

 

"Als we echter geschikte momenten uitkiezen, kunnen we, door spirituele oefeningen, door het hele mensdom verenigd in de gedachte aan een verheerlijkt opstijgen en zweven boven de aarde, de koers van onze planeet wijzigen. We kunnen net die minieme afwijking bewerkstelligen, die ons in staat zal stellen om Ardaea veilig te passeren.”

 

"U staat nu oog in oog met het probleem. Het gevaar bestaat echt. Het dwingt ons om te stoppen met het verklaren van de wereld met onze ideeën en in plaats daarvan moeten wij proberen om de werkelijkheid te begrijpen.”

 

Nou waren er in Astria een soort filosofen, die het Al als een reusachtig wezen beschouwden, dat gericht was op zijn eigen ontwikkeling. Ze zeiden dat er verschillende mensen waren, die bedenkingen hadden over het feit dat dat wezen zijn eigen gedachten gebrekkig en onvolledig begreep. Sommige denominaties vonden dat deze filosofen een waardevolle bijdrage hadden geleverd aan het verdedigen van de godsdienst en werden voor zeer diepzinnig gehouden. Een van hen rees overeind en sprak:

 

“Wij kunnen nooit buiten onze eigen ideeën geraken; het is absurd om te spreken over de werkelijkheid, alsof dat iets anders zou zijn dan een idee.”

 

"Ik blijf niet,” zei Farmer, “om over dit probleem te discussiëren. Dat is alleen maar een kwestie van woorden. Ik heb voor mijzelf ontdekt, dat woorden nooit een doorslaggevende betekenis hebben als je ze nauw bekijkt, maar van een afstand kunnen ze heel goed dienen om een algemene tendens of een onderscheid aan te duiden. En het onderscheid waar ik op heb gezinspeeld is duidelijk. Van onze twee-dimensionale lichamen hebben wij, of krijgen wij door abstraheren, het idee dat zij door een rand worden begrensd. En vanuit deze rand of lijn, kunnen wij de verdere abstractie van een punt maken. Wij kunnen proberen om, door van deze abstracties, deze ideeën, gebruik te maken, de wereld te verklaren. Aan de andere kant kunnen we proberen te begrijpen dat wat wij over de dingen denken louter abstracties zijn. Wij moeten ideeën vormen, die wij niet hebben gekregen. En met het oog op die noodzaak, die al eerder aan de orde is geweest, denk ik dat de globale en kant-en-klare manier die wij hebben om onze ideeën tegenover de werkelijkheid te stellen, blijkt geeft van en wijst op een verschil in onze manier van te werk gaan. Om Ardaea aan te kunnen, moeten we nieuwe ideeën ontwikkelen, want met onze huidige ideeën, zoals u best weet, is er geen mogelijkheid om vernietiging te voorkomen.

 

Ik heb ontdekt dat ik, door bepaalde gedachten te denken, de activiteit van dat echte wezen, mijn ziel dus, willekeurig kan sturen. Ik kan mijn eigen gewicht veranderen. Iedereen heeft de kracht in zich om dat te doen. Een gewichtsverandering kan echter alleen plaats vinden door ons inwerken op het naastgelegen iets, en dat is nou juist de handeling die nodig is om de koers van onze planeet te veranderen. Onze zielen hebben dat vermogen. Door de gedachten die deze werking teweegbrengen in te voeren in uw vormen van aanbidding en uw gelovigen te bewegen, die met een vurige toewijding te volgen, kunt u de koers van de aarde veranderen en veilig langs Ardaea scheren. Elke wezen moet soms rekening houden met de onherroepelijke feitelijkheden van zijn bestaan of anders te gronde gaan. Dat is bij ons nu het geval. Hoewel wij, voor zover het onze lichamelijke lotgevallen betreft, in een twee-dimensionale toestand verkeren, moeten wij handelen naar de drie-dimensionale werkelijkheid.

 

"En als uw gelovigen door deze aanbidding de wereld geleidelijk in veiligheid brengen, kunt u met de waarheid voor de dag komen, waar zij aanvankelijk ondoordacht en blind op zullen reageren; u kunt ze dan vertellen over echte ziel. Zelf zullen jullie niet langer blind in de traditie rondtasten, maar meer te weten komen over de ziel. Jullie zullen het bestuderen van de ziel niet alleen benaderen vanuit het bewustzijn, maar als een objectieve werkelijkheid. En als jullie aarzelen om mijn visie over te nemen, omdat jullie denken dat jullie de ziel verlagen door haar als iets kleins te beschouwen, moeten jullie bedenken dat jullie haar, hoewel ze klein is, in ieder geval wel kunnen meten, ze heeft immers een dikte in één richting, die jullie niet kunnen aangeven. Er bevindt zich meer in een vierkant, zij het weinig, dan in een oneindige lijn. En dus bevindt zich genoeg materie in een ziel om eindeloze universa te vormen, zoals wij die opvatten.”

 

Tijdens deze hele toespraak bleef de paus van de Bolbewoners onbeweeglijk zitten; zijn gelaat, bleek en mager, was als van een dode, die niet door woorden bereikt kan worden, en zijn blik was alsof hij in een diepgelegen gewest was weggezonken, waaruit hij nooit zou weerkeren.

 

De eerste die het woord nam was een bisschop van de Letterlijke Kerk. Zijn leer hield zich getrouw aan de heilige schriften.

 

"Broeders,” sprak hij, “als wij beginnen met het zorgvuldige overwegen van wat wij hebben gehoord, moet onze eerste gedachte zijn, ‘Hoe komt het overeen met de boodschap, waarvan wij plechtig hebben beloofd, dat wij die de wereld zullen verkondigen?” Die van ons is een boodschap van verlossing, niet alleen van aards geluk, en wij moeten geen enkele belofte toestaan, hoe oprecht ook, die het licht dooft, waar wij over beschikken, of ons mogelijk kan verzwakken in de verkondiging van de waarheid.”

 

Farmer viel hem in de rede: "Juist, u ziet dat het alle sporen vernietigt van wat u leert en waar u rekening mee houdt. Bij gebrek aan iets anders feitelijks om over te denken, identificeert u zich met deze lichamen en al uw ideeën over goed en kwaad concentreren zich op fysieke betrekkingen. U gelooft dat de aarde een plek is om deugden ten toon te spreiden. Wat u eet, hoe u trouwt, weer scheidt, hoe u zich richt tot uw eigen lichaam en dat van uw buurman – dat is het enige wat u denkt. U werpt niet eens een vluchtige blik op het echte werk van de mens, het is alleen maar een onbarmhartig bezig zijn met uiterst onbelangrijke zaken.”

 

Wall zag niet dat er een teken werd gegeven vanuit de zetel van de Bolbewoner, maar er moest een wenk zijn gegeven, want een prelaat die vlakbij de paus zat rees overeind.

 

"Wij zijn Mr. Farmer dank verschuldigd,” sprak hij, “omdat hij de echte kwestie zo duidelijk voor ons uit de doeken heeft gedaan, zodat wij daarover kunnen beraadslagen. Mr. Farmer is met een nieuwe opvatting over het lichaam gekomen en, als hij gelijk heeft, zal het nodig zijn dat wij onze ideeën over de ziel heroverwegen. Deze twee aspecten kunnen nooit door elkaar gehaald worden, en zijn kritiek op ons, in het licht van zijn nieuwe opvatting over het lichaam, is uiterst welkom. Maar die kwestie heeft niets te maken met onze huidige overwegingen. Zij zijn, als ik het goed begrijp, bedoeld voor ons doen en laten in de praktijk.”

 

Deze paar woorden waren voldoende om de discussie op inhoudelijke onderwerpen te brengen. Er brak een tijd aan van een serieus debat, en de breinen van de deelnemers waren daar zo door in beslag genomen dat zij nauwelijks aandacht besteedden aan het schudden van de muren toen de aardbeving kwam. Ze besteedden geen enkele aandacht aan de tijdingen die hen vertelden over de chaotische toestand van de bevolking. De ene na de andere spreker leverde zijn argumenten voor of tegen de inzichten van Farmer, en langzamerhand bereikte de stemming van de vergadering het punt waarop zij verklaarde dat zij ervóór was om een openbare verklaring uit te doen gaan over de hele wereld, en alle mogelijk druk uit te oefenen op de regering om een onderzoekscommissie in te stellen. Maar Wall trad naar voren, terwijl zijn lange zwaard zijn stappen begeleidde, tot waar hij naar hun midden afdaalde.

 

"Er is een stem,” sprak hij, “die binnenin iedereen spreekt en hem uiteindelijk vertelt wat hij moet doen. Dat is de stem van God. En in u bevindt zich de stem van God voor de mensen. U hebt dat al vele malen eerder verklaard. Dit is niet het moment om het zus of zo te draaien. Of dit is een goddelijk persoon en geloven wij hem, of hij is duivels en dan keren wij hem de rug toe. Ik leg nu een staf voor u neer – en hij maakte een gebaar alsof hij iets voor zich neer smeet – het is een ijzeren staf, die alles verbrijzelt wat hij raakt. Dat is het leger. Zijn eer ligt in gehoorzaamheid; als u het beveelt in naam van God, in wiens naam de gelofte bij elke taak staat, verdwijnt elke loyaliteit aan iets anders. Als één man, in afwachting van het horen van Gods stem, staat het leger dan voor u.”

 

De plechtigheid van dat moment werd hen duidelijk, toen de onbeschrijfelijke invloed, die uitging van de man die had gesproken, de stilte doordrong. Het leek bijna alsof elk ademen was gestokt. Een enkel woord kon de afgrond ontketenen. Door het vrijkomen van die onberekenbare kracht, belichaamd in die ene man, schrompelden de vredelievende mensen ineen, ontzet door zijn eenvoudige woorden…..De paus van Bolbewoners en al zijn priesters, prelaten en monniken waren opgestaan. En van de lippen van de broze oude man, kwam een stem, helder en plechtig:

 

"God heeft gesproken,” sprak hij, “met de stem van de dienaar die hij heeft uitverkoren. Hij heeft de wereld gered.” Toen legde hij zijn hand op Wall en sprak, “ik onthef u van uw gelofte. Verkondig de wereld de tijding van de Verlossing.”

 

[Wall neemt het bestuur van het land over en de Unaeërs beginnen een manier van leven met een dagelijks gebed volgens een schema dat door Hugh Farmer was ontworpen. Het gebed bestond uit het denken dat je een engel bent die omhoog naar God zweeft. Intussen maakt Cartwright zich meester van het wapenarsenaal en probeert een tegenrevolutie in het leven te roepen, maar hij wordt door Wall overmeesterd. Een tijd lang denken Laura en Harold allebei dat de ander niet van haar of hem houdt, maar dat komt op zijn pootjes terecht. Tot slot is het tijd om te kijken of Farmer’s plan heeft gewerkt.]

 

Conclusie

 

Uiterst nauwkeurige observaties die dagelijks gedurende twee jaar werden uitgevoerd, werden aan een uiterst minutieus onderzoek onderworpen en met de uiterste zorgvuldigheid uitgewerkt door deskundige rekenaars. En daaruit bleek dat de baan van de planeet een aanwijsbare fractie van een graad was afgeweken. Aangetoond, zichtbaar gemaakt, duidelijk gemerkt alsof er met een vinger op was gewezen, onthuld door hun gewijzigde koers in de ruimte, werden zij zich allemaal bewust van hun gemeenschappelijke wil. Het was alsof een ziel zich bewust werd van haar belichaming in een lichamelijk geheel. Opgewonden vreugde, de wonderbaarlijke, de onverklaarbare kracht van het bewegen – dat was over Unaea heen gedaald. De bewoners van Astria wisten dat in hun met elkaar samenwerken, een wezen dat het oversteeg, zijn eigenmachtige koers was ingeslagen.

 

De rijen van het gezonde verstand schrompelden ineen, het platform van geschoolde mening werd weggevaagd.

 

"Eppur si muove,(Galileo, En toch beweegt ze)" de grootse woorden, die het begin van het begrijpen van het leven markeerden, hetzij intellectueel, hetzij fysiek, hadden geklonken en deze planeet en alles wat zich daarop bevond, zwenkte naar haar nieuwe baan.

 

Cartwright's journalistieke campagne, zo omstandig voorbereid, was verslagen voor ze begon. De verplaatsingen en bewegingen waar de astronomen zich mee bezig hielden, waren echter zo gering dat sommige deskundige critici staande hielden dat het hele resultaat dubieus was, en aan fouten bij het observeren te wijten waren. Maar dergelijke muggenziftende stemmen kregen geen gehoor, om twee redenen:

 

In de eerste plaats begon de winter, die anders inviel met een enorme koudegolf, mild en aangenaam en in de tweede plaats vond er bij de mensen een verandering van denken plaats.

 

Deze uiterst reële en levende ruimte, die wij kennen, kan worden beschouwd als een voorbeeld van de wetten van samenwerking en verandering, en haar eigenschappen kunnen worden afgeleid uit de algebra, of ze kan gewoon als ruimte worden gezien en er kan van worden gehouden ter wille van de ruimte zelf. De geest kan haar steeds vollediger begrijpen in haar directe complexiteit, met een weten uit de eerste hand dat ze werkelijk bestaat, zelfs als daar de zin aan wordt ontnomen door haar uitgestrektheid in alle richtingen.

 

Maar wie zal zeggen wat het beste is? De magie van de algebra of de liefde voor de ruimte?

 

Maar hoe dan ook, in Astria gebeurde het dat alle beoefenaars van de combinaties van een, twee en drie, en alle ontwerpers van alle mogelijke configuraties die vanuit abstracte principes in deze hogere ruimte konden optreden, er niet in slaagden om in de theorie van Farmer enig houvast voor de werkelijkheid te vinden.

 

Maar onder de mensen die hadden geleerd om met behulp van modellen de aspecten en zienswijzen van de hogere werkelijkheid zichtbaar en tastbaar te maken, waren een aantal die, door een soort innerlijk ontwaken, opeens wisten wat de derde dimensie was.

 

En deze mensen, die liever voelden, dan dat ze over die hogere ruimte redeneerden, beseften in het diepst van hun hart wat deze arme zwervers in een land van twee dimensies nooit konden zien of aanraken – de eigenlijke aard van bewegende en werkende drie-dimensionale dingen – zaken die zij in hun platte voorstellingsvermogen niet anders konden begrijpen dan dingen die op elkaar volgden. En met dat weten van hun diepste gevoel, zagen zij bij het onderzoek van de minutieuze en verborgen processen, die zich in de natuur afspeelden, een patroon en voorbeeld, dat hun geheimen ontsloot.

 

Ze ontdekten dat vele merkwaardige en onverklaarbare resultaten, sfinx-achtige wetenschappelijke raadsels, de meeste eenvoudige en te verwachte gevolgen waren van de bewegingen die zij innerlijk teweegbrachten. We zien heel duidelijk dat als de desbetreffende deeltjes klein genoeg zijn, de bewegingen, zelfs in Astria, drie-dimensionaal moeten zijn, want de dingen bestaan echt, en al zijn ze in de derde dimensie klein, ze zijn niet zo klein dat ze helemaal verdwijnen. Zo was de grondige kennis van de derde dimensie de sleutel die het mysterie van het hele kleine ontsloot. En zo, magnifiek gegidst tussen wat sommigen als gigantische waandenkbeelden zouden noemen en grote vergissingen door, gleed het gedegen schip van Het Denken veilig de haven binnen.

 

Farmer volgde het werk van de jongere generatie met belangstelling, maar ook met een steeds intenser gevoel van zijn eigen onmacht. Voor hem leek het alsof de mens de gezegende vonk van de rede loochende, want alle dingen die hij in zijn lange jaren had kunnen ontdekken waren ontdekt door anderen, die in jaren voor hem nog kinderen waren. Hij verliet de drukke stad en de mensenmenigten en, deels gekwetst, deels met plezier, maar helemaal verheugd omdat het gevaar voor de dierbare wereld nu geweken was, wijdde hij zich aan zijn tuin in het verre Scythia. Die rebelse en vijandige geest vergat haar worstelingen en wisselvalligheden bij het kijken naar de kleine groene parels die uit de donkere aarde opsproten.

 


URL: www.tiac.net/users/eldred/chh/h9.html
Eric Eldred - eldred@tiac.net - 1996-11-08