Een
Episode
uit
Platland,
of hoe een platte burger
de derde dimensie
ontdekt
Door Charles Howard Hinton
1907
[Uittreksel van An Episode of Flatland
(1907) en
tevens gedeelten uit de Inleiding, "The History of Astria," en de
hoofdstukken 6, 7, 8, 9, 10, en 20. Pagina 163-204,
uit Speculations
on the Fourth Dimension, Selected Writings of Charles H. Hinton,
Copyright 1980, Dover Publications, Inc., ISBN 0-486-23916-0]
Inleiding
Op
een dag legde ik wat munten op tafel (fig. 60), en vermaakte mezelf
door ze wat
rond te schuiven. Het trof me dat het op een of andere manier echt op een
soort
planetenstelsel leek. De grote munt in het midden stelt dan de zon voor
en de
andere haar planeten, die er omheen reizen. En toen ik me daarbij
voorstelde
dat de planeten bewoonde werelden waren, die alleen maar rond hun eigen
zon
konden bewegen en over de tafel konden schuiven, zag ik dat we wezens
die deze
werelden bewonen moeten zien op een manier, waarbij ze op de
buitenranden van
die werelden staan en niet over hun platte oppervlak lopen. Net zoals
de
aantrekkingskracht, in het geval van onze aarde, naar het middelpunt
toe werkt
en dat middelpunt onbereikbaar is, vanwege de ondoordringbaarheid van
het lichaam
waarop wij staan, zouden de bewoners van mijn muntenwerelden over een aantrekkingskracht
beschikken, die
zich, vanaf het midden van de munt, in alle richtingen over het
oppervlak van
de tafel uitstrekt. “Omhoog” zou dan voor hen van het centrum uit naar
buiten
tot over de rand zijn, terwijl “omlaag” vanaf de rand naar binnen, naar
het
centrum toe zou betekenen. Het zou dus juist zijn om te zeggen, dat
wezens die in
die positie verkeren, op het randje staan. (fig. 61).

En
toen zag ik, dat als ik aannam de het oppervlak van de tafel volmaakt
glad was,
zodat daarop niets de beweging zou kunnen belemmeren, deze wezens er
helemaal
geen benul van zouden hebben, dat er een oppervlak was, waar zij
overheen
schoven. Aangezien het oppervlak steeds contact maakt met elk bewegend
ding, zouden
zij daar geen bewust idee van hebben. In dat opzicht zou er geen
verschil
bestaan. En toen zag ik dat ik een afbeelding had van een
twee-dimensionale
wereld, een wereld waarin haar schepsels zouden denken dat de ruimte
zelf
twee-dimensionaal was.
We
zien dat de schijven, waar deze werelden uit bestaan, op een of andere
manier
ondersteund moeten worden, maar wezens van een dergelijk universum
zouden een
dergelijke vraag niet stellen – ze zouden denken dat de hele aanwezige
ruimte
uit de omvang bestond van de bewegingen die zij maakten. Ze zouden
nooit op de
gedachte komen van een beweging van de tafel af of erin, omdat ze daar
altijd
contact mee maakten.
Maar
het
zou
heel
moeilijk
zijn
om
te
beseffen hoe “uit” een schijf, zoals bij
een
van mijn munten, als “omhoog” gevoeld zou kunnen worden en naar binnen,
naar
het middelpunt, als “omlaag.” Om mijn geest op dit punt wat gerust te
stellen,
stelde ik mij voor dat ik op de evenaar van onze aarde stond, en daar
langs
keek, en dat er toen een grote stalen plaat naar beneden kwam en de
aarde
precies langs de evenaar doorsneed en vervolgens opnieuw naar beneden
kwam en
een plak evenwijdig aan de eerste afsneed. En toen bedacht ik dat die
plak
aarde en ikzelf tegen de plaat bleven plakken, zoals een plakje wortel
aan een
mes blijft hangen. Op die manier kreeg ik het gevoel dat ik me op een
schijf
bevond, met een “omhoog en omlaag” en een “vanaf en naar” het
middelpunt van de
schijf.
Maar
ik
had
nog
steeds
niet
het
besef
van een andere richting dan dat “vanaf en
naar” – langs de rand van de schijf – en het “omhoog en omlaag” van het
middelpunt af en er naartoe. Ik kon het niet helpen dat ik mijzelf het
gevoel
van links en rechts toekende – van de stalen plaat af en erin. Om dat
gevoel
kwijt te raken, moest ik duidelijk mijn besef van mijn hele lichaam
veranderen.
Zonder het snijden zover door te drijven dat ik mijzelf als plakje zag,
stelde
ik mij voor dat ikzelf van een heel dun materiaal was gemaakt, precies
even dik
als de plak aarde, en veronderstelde dat ikzelf en de hele plak even
dik waren,
en precies even dicht tegen de plaat aanlagen.
"Als
ik
nu”,
zei
ik
toen,
“geen
besef
had van die dikte, als de plaat volmaakt
glad
was en ikzelf en alles wat ik kende daar volmaakt vrij overheen bewoog,
zou ik
een twee-dimensionale ervaring hebben. Het bewegen van mijn arm of het
wijzen
van mijn vinger, waren bewegingen die alleen in contact met de plaat
konden
plaatsvinden, en ik zou nooit naar een derde dimensie kunnen wijzen. Ik
zou dat
niet eens kunnen bedenken, want alle bewegingen van alle dingen vinden
dan langs
het oppervlak van de plaat plaats.”
Zo
werd dus duidelijk dat ik me, zonder te bedenken dat ik slechts een
lijn of
driehoek was, of een andere meetkundige figuur, mijzelf kon voorstellen
als een
twee-dimensionaal wezen. Als mijn dikte heel gering zou zijn en ik mij
daar
niet bewust van was en als ik nooit van het contact met een oppervlak
zou
afkomen, zou ik dat ervaren als een twee-dimensionaal wezen. Het leek
dus
uiteindelijk toch mogelijk dat er echte twee-dimensionale wezens waren.
Maar
als iets echt bestaat, is de enige reden om het niet te zien, dat het
óf te
klein óf te ver weg is – of misschien een andere reden. Dus ging ik
proberen om
deze twee-dimensionale wezens te ontdekken en alles over ze te weten te
komen.
Ten slotte slaagde ik daarin en als ik je niet vertel hoe, ben ik bang
dat het
niet om een erg belangrijke reden gaat. Want als ik zou vertellen hoe
iemand
iets over hen te weten kan komen, ben ik bang dat Mr. Wells of Mr.
Gelett
Burges, of misschien een andere briljante schrijver over hen zouden
gaan
schrijven en die wezens zouden opdienen op een manier om geestig en
humoristisch over te komen. Dan zou niemand naar mij luisteren. Omdat
het nu
eenmaal zo is, heb ik mij voorgenomen om mijzelf maar het plezier te
doen om
over hen te vertellen.
Een
ding wat mij steeds heeft beziggehouden, vanaf het begin waarop ik over
deze
platte wezens ging nadenken, waren hun ogen.
Het
is duidelijk dat zij niet, zoals wij, twee ogen naast elkaar zouden
kunnen
hebben, want hun lichamen hebben geen dikte om ze zo te plaatsen. Als
zij dus
twee ogen hadden, vroeg ik mij af of het ene boven het andere zat, of
dat ze
een oog aan de voorkant en het andere aan de achterkant van hun hoofd
hadden. Over
deze en andere vragen kreeg ik achtereenvolgens alle informatie, die
men zich
maar kan wensen. Door wat ik heb ontdekt, ben ik van deze schepsels
gaan
denken, dat ze erg op onszelf lijken, weliswaar onder verschillende
fysieke
omstandigheden – maar hun drijfveren, doelen en karakter zijn maar
weinig
anders, hoewel de omstandigheden verschillend zijn. Het enige globale
kenmerk
van het verschil dat ik zou willen schetsen, is dat ze niet zo massief
zijn als
wij. Ze kunnen gemakkelijker tot actie worden aangezet, en politieke en
andere
veranderingen kunnen soepeler worden doorgevoerd dan bij ons. Zij nemen
ook
meer bekrompen standpunten in dan wij en bekijken de dingen niet op
zo’n ruime
en verdraagzame manier als wij.
Om
alles dat ik heb te zeggen op een systematische manier aan de lezer
voor te
leggen, zal ik beginnen met een beknopte geschiedenis van Astria,
waarbij ik de
gebeurtenissen zal samenvatten, die op die planeet plaats hebben
gevonden vanaf
de vroegste tijden, totdat ik bij het tijdperk kom, waarover ik
uitvoeriger heb
geschreven. Door een selectie te maken uit het materiaal, dat tot mijn
beschikking stond, heb ik uit die periode wat uitgesproken en
persoonlijke
informatie gegeven over personen, die in latere gebeurtenissen een
belangrijke
rol hebben gespeeld.
De
Geschiedenis van Astria
Astria is
een
vlakke wereld
en haar bewoners lopen langs de rand ervan. “Omhoog” is van het
middelpunt van
de schijf af, en “omlaag” naar het middelpunt toe. Om mijzelf de moeite
te
besparen om op anatomische bijzonderheden in te gaan, zal ik een
Astriaan
schematisch weergeven door middel van een driehoek. En het zal
bijdragen aan de
duidelijkheid van de verbeelding van de lezer, als hij zich een groot
vel van
een of andere stof voorstelt, waar Astria, haar zon, en alle
stoffelijke
lichamen van dat reepje universum, verticaal op gerangschikt worden.
Hij zal
dan een meer waarheidsgetrouw beeld krijgen van de ideeën over beweging
en
voortgang in deze wereld.

De
rand van de vlakke wereld van Astria wordt door twee oceanen – de
Zwarte Zee en
de Witte Zee – in twee vrijwel gelijke delen verdeeld (fig. 62). Omdat
de
dagelijkse rotatiebeweging van Astria plaatsvindt in de richting die
wordt
aangegeven door een pijl, lijkt de zon op te gaan boven de Witte Zee.
De
richting vanaf de bewoonde streken naar de Witte Zee wordt dan het
“Oosten”
genoemd.
In
de vroegste tijden was het bewoonde gebied verdeeld tussen twee
volkeren, de
Unaeërs en de Scythen. Van deze beiden waren de Unaeërs verreweg het
meest
beschaafd. In feite werd alles dat in Astria de hoop wekte dat zij het
juweel
van haar planetenstelsel zou worden, bij de Unaeërs aangetroffen,
terwijl de
Scythen een roofzuchtig nomadisch bestaan leidden. Bedreven als zij
waren in
alle levenskunsten, werden de Unaeërs geleidelijk door de Scythen
teruggedreven
en overwonnen.
Toen
Caesar
in
zijn
geschiedenis
van
de
Gallische
oorlogen het over de
plattelanders
had, zei hij dat het door hun cultuur kwam, dat ze door de barbaarse en
gestaalde moed van de Germanen vielen. Hij doet alsof beschaving en
cultuur op
zichzelf al iets slopends en verzwakkends voor de strenge deugden met
zich
meebrachten. Maar er moet een andere reden worden gezocht voor de
doorlopende
nederlagen van de Unaeërs, de onophoudelijke roof van hun territorium,
het
doorlopend opslorpen door de Scythische horden van een lichtende streek
in hun
duisternis, die daarbij ouderdom noch geslacht ontzagen, en het land
dat zij
ooit hadden veroverd nooit meer prijsgaven.

Ik
zal de oorzaak van de ellende van de Unaeërs verduidelijken. Mijn
globale en
vlotte weergave van de bewoners van Astria, door middel van een
driehoek (fig.
63), is voldoende om mij in staat te stellen om de hoofdkenmerken te
beschrijven van hun lichamelijke uiterlijk. Ik maak op de gangbare
manier
gebruik van deze figuur van een driehoek, als een model of symbool, dat
eenvoudig en gemakkelijk is te tekenen, en wat mij, zonder enig
overbodig en
onvoorzien probleem, in staat stelt om iets duidelijk te maken. Het
laat iets
zien waar ik mij vaak over heb verbaasd, namelijk dat er een zekere
aanwijzing voor
bestaat, dat het Astriase geheel van bestaan eerder is gemodelleerd
naar het
patroon van een hoger bestaan, dan dat
het een
volledige aanpassing is aan de eisen van haar bekrompen wereld.
Als
we naar de driehoek kijken die een Astriaan voorstelt, zien we dat er
aan een
rand twee armen en één oog zitten, terwijl aan de andere rand geen
zintuig- of
grijporganen aanwezig zijn. Als de Astriaan dus naar het Oosten loopt,
zou hij
zijn weg duidelijk zien en als hij met iets bezig is, dat ten Oosten
van hem
was geplaatst, zou hij daar gemakkelijk aan kunnen werken; voorwerpen
echter,
die zich ten Westen van hem bevinden, zou hij alleen maar kunnen zien
als hij
zich om zou draaien en een lichaamshouding zou aannemen waar hij,
ondanks de
soepelheid van zijn lijf, moeite mee zou hebben en maar moeizaam enige
tijd zou
kunnen volhouden. Voorwerpen ten Westen van hem zouden dus alleen maar
op een
zeer onhandige en ondoeltreffende manier kunnen worden bereikt.
Voor
ons
lijkt
het
alsof
het
voor
een
Astriaan gemakkelijk zou zijn om zich om
te
draaien, zodat hij in westelijke richting zou kunnen kijken. Maar om
dat te
doen zouden wij het dunne lijf van de man op moeten tillen van het vel
waarop
het voortglijdt. Een dergelijke handeling is natuurlijk onbegrijpelijk
voor de
bewoners van een platte wereld, en hun lichamen zouden een dergelijke
handeling
niet verdragen, omdat ze veel te dun zijn om zonder gevaar omgedraaid
te worden
en zelfs maar even zonder ondersteuning te zijn van het vel waar zij
overheenglijden.
Iedereen in Astria was geboren met het gezicht naar het Oosten, en met
de blik
op het Oosten gericht ging hij dan verder, tot hij doodging.
Ik
denk dat het nu duidelijk is waarom de Scythen een dergelijk overwicht
bleken
te hebben op de Unaeërs bij het oorlog voeren. Het gestel van het
Astriase
lichaam was van dien aard, dat een Scythische man zo’n overwicht had op
een
Unaeische man, dat daar geen behendigheid of discipline tegenop kon.

De
Scythiër,
die ik weergeef als een gearceerde figuur, (fig. 64) kon de Unaeër
duidelijk
zien en hem doeltreffende slagen uitdelen, terwijl de Unaeër, die ik
weergeef
als een niet-gearceerde figuur, zich in bochten moest wringen om de
Scyth te
zien, en kon hem alleen indirect en naar achteren aanvallen of slaan.
Daarom
werden
de
Unaeërs
jaar
na
jaar
binnen
steeds nauwer wordende grenzen gedreven,
tot er uiteindelijk, met de Witte Zee aan de ene kant en hun
onbedwingbare
dwazen aan de andere kant, geen andere afloop leek te zijn dan een
definitieve
en absolute uitroeiing.
Ondanks
dit
hopeloze
vooruitzicht
was
er
geen
sprake
van een demoralisatie van de
nationale identiteit: litteratuur en kunst veranderden in drijfveren
van een
ingrijpender aard dan in tijden toen het gevaar minder dichtbij was, en
de
grootste geesten wijdden zich aan het inprenten van een onverschrokken
en stoïcijnse
dapperheid, en aan een religie die de dood van zijn verschrikkingen
beroofde.
In
het licht van latere gebeurtenissen is het gemakkelijk om te zeggen,
dat de
intellectuele energie van het ras beter ingezet had kunnen worden voor
de
bestudering van de natuur en om haar de geheimen te ontfutselen voor
een meer efficiënte
manier van oorlogvoeren. Maar het voor de hand liggende wordt altijd
ontdekt via
een niet voor de hand liggende weg. De geschiedenis van Unaea maakt
geen
uitzondering op die regel, zoals het volgende verslag van hun
ontdekking van de
manier waarop ze de Scythen het hoofd konden bieden, zal laten zien.
Onder
de
mensen
van
dit
langzaam
uitstervende
ras,
waren er een aantal die hun
geest
aan alle angsten van hun tijd onttrokken en, onbaatzuchtig en zonder
enig
eigenbelang, de bewegingen van verre sterren bestudeerden. En zo werd
bij de
Unaeërs, net als bij ons, de Wetenschap van de Astronomie geboren.
Wetenschap,
die belangstelling, die waardering van de dingen, in en voor hun eigen
belang,
waar wij gewoonlijk over denken als het product van een welvarende en
bevoorrechte maatschappij, dook plotseling op in Unaea, toen het
bolwerk van hun
nationaal bestaan afbrokkelde onder de woeste en aanhoudende slagen van
hun aartsvijand.
En
net zoals bij ons de Astronomische Wetenschap haar eerste gave aan de
mens
schonk, door ons de kunst van het navigeren te schenken, gaf in Unaea
de
Wetenschap door de Astronomie haar eerste gave aan deze stervelingen.
Maar de
gave bestond niet louter uit het vereenvoudigen van een kunst. Het was
van een
ongehoorde grootsheid, niets minder dan de redding van hun ras. Want
door het
bestuderen van de veranderingen van de hemellichamen, die
verantwoordelijk
waren voor hun wisselvalligheid, eclipsen en verstoringen, stuitten de
astronomen op de gedachte van de bolvorm van hun aarde. En toen het
nieuws
rondging, toen het nieuws van de een op de ander werd overgebracht, dat
hun
aarde zonder twijfel rond was, werden de harten van dit intelligente
volk
zondermeer met een grote vreugde vervuld. Want iedereen begreep
onvoorwaardelijk,
dat als hun wereld rond was, een Unaeër die om hun schijf zou heen
lopen, in
een positie terecht zou komen, waarbij hij evenveel overwicht op een
Scyth zou
hebben, als die Scyth nu over hem had.

Aan
de rechterkant van de tekening (fig. 65) zien we dus een Scyth en een
Unaeër in
hun gewone vechtpositie; maar aan de linkerkant zien we een Unaeër die
rond
zijn aardbol is gelopen en ten opzichte van de Scyth in een gunstige
positie is
aangeland.
Het
vooruitzicht om hun erfvijanden tegen te komen onder zulke omgekeerde
omstandigheden, bezielde het volk met de grootste hartstocht, en een
tijdperk
van astronomische ontdekkingen, vergelijkbaar met de tijd die er tussen
de
inspanningen van Ptolemeus en Newton ligt, werd in een paar jaar
overspannen.
De Unaeërs overwonnen de problemen van de astronomische observatie, die
in
feite aanzienlijk waren.
In
Astria kan bijvoorbeeld een buis niet gebruikt worden – er bestaat geen
manier waarop
de tegenover elkaar liggende zijden bij elkaar kunnen worden gehouden.
Om het
passeren van hemellichamen te observeren, moesten er gaten in de aarde
worden gegraven.
Het schema hieronder (fig. 66) laat een Unaea-telescoop zien – een
opening in
de grond, bedekt met een lens. Het is duidelijk dat de astronoom door
hetzelfde
gat naar zijn observatieplaats moet afdalen waardoor hij zijn
observaties doet.
Als er nog een opening zou worden gemaakt, zoals te zien is in de
tweede tekening,
zou de aarde boven de kamer naar beneden vallen, omdat er geen
ondersteuning is
die het op zijn plaats kan houden.

Om
de problemen te overwinnen, die zowel met hun mijnbouw als met hun
astronomische observaties gepaard gingen, boorden de Unaeërs alle
bronnen van
hun daadkrachtige intelligentie aan. En voor er vele decennia voorbij
waren
gegaan, na de ontdekking van de cirkelvorm van de aarde, hadden ze
genoeg
informatie gekregen over het verschijnsel van de getijden, om het
bestaan van
een continent van tegenvoeters te voorspellen. Ze hadden ondekt dat het
stijgen
en dalen van de zee aan hun kust geringer was dan wat er zou gebeuren
als de
Witte en Zwarte Zee de grenzen van dezelfde oceaan waren.
Het
bestaan van dat continent leverde een expeditie op, om het in de rug
aanvallen
van de Scythen uitvoerbaar te maken. Hoewel het mogelijk was,
verschilde het in
details van elke andere militaire operatie die ooit was uitgevoerd.
De
problemen bij het doorkruisen van een nog niet ontdekt continent waren
voor
Astria bijna onoverkomelijk. In de onbewoonde streken waren alle wouden
geveld
en ’s zomers was de bodem bedekt met een veerkrachtig en elastisch
graangewas,
dat de graankorrels in een opgerold geveerd blad droeg. Over de
veerkrachtige
oppervlakte, die dit soort vegetatie bood, kon je snel en gemakkelijk
reizen.
Maar in het ongerepte woud was het anders.
Het
is duidelijk dat als twee Astrianen elkaar tegenkwamen, de een
gedwongen was om
over de ander heen te klimmen, om hem te passeren. Wij kunnen een beeld
van hun
toestand vormen door te denken aan twee koorddansers die, omdat zij
noch naar
links, noch naar rechts kunnen uitwijken, over elkaar heen of onder
elkaar door
moeten. Zij zouden wel een idee van rechts en links hebben, maar zouden
daar
toch geen gebruik van kunnen maken. Maar de Astrianen hadden er en geen
idee
van, en zij hadden er, ook als zij het gekund hadden, geen gebruik van
kunnen
maken, omdat al hun bewegingen zodanig waren beperkt dat zij alleen
maar konden
worden uitgevoerd, binnen de voorwaarden van hun materiële bestaan, dat
wil
zeggen, dat ze het vel waartegen zij rondschoven niet konden verlaten.
Als het
passeren van iemand anders al zoveel problemen opleverde, kun je
bedenken wat
voor een obstakel een enkele boom zou bieden bij het vooruitlopen. Als
hij nog
stond moest hij beklommen worden, of als hij was omgezaagd en daar dan
lag met
die hele warboel van takken, moesten ze daar over heen.
Gezien
de
problemen
met
de
navigatie,
het
betreden
van een onbekend continent en
de
terugkeer daaruit en het bouwen van schepen om de Zwarte Zee te
doorkruisen,
werd de kortste periode die er kon verstrijken tussen het vertrek van
de
expeditie en de aankomst van de mensen die het hadden overleefd,
geschat op
honderdvijftig jaar. Van de mensen die vertrokken zou geen enkele het
doel
kunnen bereiken. Een deel van het volk moest zich afscheiden. Voor die
onderneming moest een groep vastberaden dappere kerels worden
uitgekozen, onversaagd,
stoutmoedig en getrouw.
Een
uitgelezen groep moest zich toegang verschaffen tot de onvoorstelbare
woestenij
van de eenzame tegenvoeters. Voor hun eigen leven en dat van hun
kinders
kinderen moesten zij de doolhofachtige streken met ongerepte wouden
doorkruisen, waarbij niets van wat heel Unaea als goedgezind, oprecht
en
eerzaam beschouwden het voor hen gemakkelijker zou maken. En toch
moesten zij
hun liefde voor Unaea bewaren; in de harten van toekomstige generaties
moest de
ster van de vaderlandsliefde rijzen, die ervoor moest zorgen dat zij
tijdens de
vermoeiende tocht trouw zouden blijven, terwijl zij stap na stap de
last
droegen van de laatste en enige hoop van hun land.
De
expeditie vertrok en heel Unaea boog zichzelf met een nieuwe geestdrift
over de
opdracht om hun ongelijke strijd voort te zetten. Zij dachten er zelfs
aan om
vrouwelijke strijders in te zetten, iets dat in die tijd onvoorstelbaar
was.

Toen
ik
het
over
de
Astrianen
had,
heb
ik eerst alleen maar mannenfiguurtjes
getekend, die allemaal, zoals je kunt zien, onvermijdelijk naar het
Oosten zijn
gekeerd. Om een vrouw weer te geven moet een figuurtje worden getekend
dat de
andere kant op kijkt, dus naar het Westen (fig. 67).
Een
vrouw
uit Unaea zou dus, als haar zwakte en angst door training overwonnen
zou zijn,
goed toegerust zijn om weerstand te bieden aan een aanval uit het
Westen. De
natuurlijke ontvankelijkheid van mannen voor vrouwen en van vrouwen
voor
mannen, die wij in onze wereld zien, is in Astria tot een zeer
uitgesproken
hoogte opgevoerd. Een man kan het gezicht van zijn vriend niet zien,
maar hij
kan wel naar het gezicht van een vrouw kijken en de verandering van
gelaatsuitdrukking opmerken, die zijn woorden teweegbrengen. De Unaeërs
toonden
een grote ridderlijkheid in de manier waarop zij vrouwen bejegenden, en
het
werd doorverteld als een van de ergste verschrikkingen van het laatste
stadium
van hun oorlog, dat er zelfs een serieus voorstel van vrouwen was
overwogen, die
hun vrouw-zijn opofferden, door vrouwen in de strijd tegen de
Scythische
onderdrukkers te gooien.
Hoe
goed de opdracht, die de zwervers over land en zee was toevertrouwd,
werd
uitgevoerd, is een thema waar Unaeïsche schrijvers graag bij verwijlen.
Uit de
mensen die de woestenij binnenvielen, rees een wendbaar, ondernemend en
dapper
ras op, met maar een enkele gedachte, de gedachte aan een mooi Unaea.
Op de
rustplaatsen, waar met de wapenen werd geoefend, op de halteplaatsen
waar
overhangende rotspartijen hen tartten, werd steeds maar weer het oude
verhaal
verteld, van dat mooie en verre Unaea dat op hen wachtte, en toch was
hun
verhaal prachtig en helder, omdat zij steeds minder woorden gebruikten;
het
dialect van deze woudlopers was op een merkwaardige manier anders dan
de zoete
toonval van de taal van Unaea.
Het
uitzicht op de kristalheldere wateren van de zee, aan het einde van hun
honderd
jaar durende mars, kwam voor hen als de vervulling van een profetie. Ze
bouwden
hun schepen, staken de oceaan over en vielen hun erfvijanden aan met
een kracht
waarin, in een enkele vlaag van vernietiging, alle energie, gratie,
denken en
streven van hun ras was samengebald.
Hun
felle aanval was onweerstaanbaar. Toen ze de grenzen van hun vaderland
bereikten, had Scythia als natie, opgehouden te bestaan.
Door
de
komst
van
hen,
de
lang
van
haar afgesneden kinderen, werd de
verschrikkelijke onderdrukking opgeheven, die altijd zwaar op Unaea had
gewogen.
Al haar meest vurige zonen hadden zich op de oorlog toegelegd; nu
legden zij
zich toe op de vredeskunst. En met het definitieve en absolute
verdwijnen van
elke overheersing, die hun macht zou kunnen aanvechten, vond er een
merkwaardige verandering van mening plaats. Juist door de volmaaktheid
van zijn
succes had het leger de weg bereid voor een onttakeling van de
waardering, die
het in haar greep had gehad.
De
overlevers van de avontuurlijke groep, de oude helden die de Scythen in
het
nauw hadden gedreven, werden beloond door het schenken van stukken
land. Toen kreeg
Unaea de rust om over andere dingen dan oorlog te denken. Het ging niet
goed
met het merendeel van de oud-strijders. Zij waren slecht toegerust voor
zaken,
en aan de aanlokkelijke listen en behendige intriges van spitsvondige
mensen, gingen
velen van hen ten onder. Dat het leger zich gewonnen had gegeven en een
onbeduidende factor was geworden, dus van de uitoefenaar van de
absolute
heerschappij minder dan een nul was geworden, was te wijten aan twee
factoren.
De generaal die door zijn aangeboren talent om te bevelen het
leiderschap van
de binnendringers van Scythia had verworven, was iemand die Wall
heette, en die
getypeerd werd door absolute en onopgesmukte toewijding aan zijn land.
De
uitspraak van Wall, "Soldaat en dienaar", werd het wachtwoord van de
meer gedegen leden van de militaire klasse, net zoals voor zichzelf. De
andere
reden voor de geruisloze verdwijning van het militarisme was de
verstandige
verordening van de kapitalistische klasse, die als onderdeel van de
grondwettelijke instellingen van het land een permanent leger instelde,
omdat
ze de tijd voorzagen waarin onverhoeds gevechten met de arbeidersklasse
zouden
kunnen uitbreken. De functie van dat leger was in wezen slechts die van
een
goedgeorganiseerde en zeer efficiënte politiemacht, maar door een hoog
salaris
vast te stellen – gezien het soort werk – en door de voorzorg om mensen
uit te
sluiten die uit klassen kwamen die afwijzend stonden tegen de heersende
orde,
stelde de heersende klasse dus een zeer daadkrachtige waarborg in tegen
gezagsondermijning.
De
wijsheid die door de stichters van de huidige instellingen van Unaea
aan de dag
werd gelegd, werd ruimschoots ten toon gespreid door de daaropvolgende
loop der
gebeurtenissen.
Nadat
de
eerste
periode
van
groei
voorbij
was,
bewees het veelzijdige en
ondernemende
volkskarakter zich door een snelle ontwikkeling van de organisatie, en
het
aanwenden van elk mogelijk bron om de gevormde organisaties te
begunstigen.
De
arbeiders beschikten over organisaties die zich uitstrekten over alle
geschoolde arbeid in elke tak. De kapitalisten waren verenigd in
organisaties
die de bevoorrading beheersten van alle soorten goederen. Temidden van
deze
twee elkaar vijandig gezinde groeperingen, verdwenen de kleinere
werkgevers van
het toneel. Arbeid en Kapitaal bleven over, tegenover elkaar, en aan de
zijde
van het Kapitaal, met zijn tradities van eigen rechten, zijn bestuur
door de
besten en zijn beheersing en leiding van de gemeenschappelijke
krachten, stond
het leger, een algehele bescherming tegen elke poging om met geweld de
grondwet
buiten werking te stellen.
Klassenverschillen
werden
gewoon
op
bezit
gebaseerd.
De
bekoring
van vroegere tijden, toen het
behoud van het land nog van het leger afhing, was daar volledig van
gescheiden
– behalve in tradities die in het leger zelf voortleefden.
Het
merendeel van het volk beschouwden de soldaten als huurlingen in dienst
van de
kapitalisten, terwijl de kapitalisten de soldaten beschouwden als een
van de
verschillende klassen van mensen die voor hen wilden werken tegen een
bescheiden geldbedrag. Dat is een kort overzicht van de geschiedenis
van Unaea,
die voorafging aan de periode, die ik tot onderwerp van een aparte
studie heb
gemaakt.
[In
de
eerste
paar
hoofdstukken
ontmoeten
we
de
geliefden, Laura Cartwright en
Harold Wall, die het lot niet gunstig gezind is. Laura’s vader is een
machtige
en gewetenloze zakenman, die in Unaea de baas is gaan spelen. Harold is
een
dappere jonge soldaat, de zoon van de man die de geslaagde expeditie
tegen de
Scythen had geleid. Om een stokje te steken voor het huwelijk van
Harold en
Laura, heeft Cartwright Harold overgehaald om een kolonie overzee te
vestigen.
Overmand door verdriet, besluit Laura om bij haar excentrieke oom, Hugh
Farmer,
te gaan wonen en zich samen met hem in de natuurwetenschap te bekwamen.]
Op
de Eenzame Berg
Kort
na
het
bloemenfeest,
ging
Laura
op
weg
om een lang bezoek te brengen aan
haar
oom in Scythia. Maar voor ik ga vertellen over de gebeurtenissen die in
Eenzame
Berg plaatsvonden, zijn eerst een paar woorden over het karakter en
leven van
Hugh Farmer op zijn plaats. Hij was de enige persoon in Unaea die in de
derde
dimensie geloofde. De gebeurtenissen die ertoe hadden geleid dat Farmer
daarin
ging geloven, vormen een episode die een van de meest merkwaardige was
in Platland
of waar ook in de ruimte, die je maar kunt bedenken. In Unaea was het,
net als
bij ons, de gewoonte om een getal weer te geven door een lijn, en een
vierkant
door een kwadraat. Als het getal 2 werd weergegeven door een lijn, werd
4, het
kwadraat van dat getal voorgesteld door het vierkant op die lijn. Het
was ook
geheel vanzelfsprekend voor de Unaeërs dat de derde macht van 2, dus 8,
weergegeven kon worden door een figuur met een dimensie meer dan een
vierkant. Zij
hadden een formeel begrip van een kubus. Maar bedenken dat een
dergelijke
figuur werkelijk bestond, was in tegenspraak met elk principe van hun
wetenschap. Wetenschap houdt, als basis, observatie in – iets dat door
de
zintuigen wordt verstrekt en waarmee het denken aan de gang gaat. Aan
de andere
kant betekende de voorstelling van een ruimte van drie dimensies, dat
het
denken een onjuiste rol werd toebedeeld, een onjuiste taak laten
uitvoeren. Het
denken zou niet iets in leven kunnen roepen, het kon alleen maar te
werk gaan
met bestaande dingen. De denkers uit Unaea zouden dan dus net zo
gemakkelijk in
monsters en draken kunnen geloven als in een drie-dimensionale ruimte.
Begrippen zoals een drie-dimensionale ruimte werden namelijk ontleend
aan het
denken, en waren niet gebaseerd op bewijsmateriaal van de zintuigen.
Farmer was
het geheel eens met die hartstochtelijke overtuiging van het primaat
van de
zintuigen, die het denken het materiaal verschaften om mee te werken.
Maar in
zijn tijd was er een sekte die beweerde dat de ziel afzonderlijk en
gescheiden
van het lichaam bestond. Zij beweerden dat het mogelijk was om contact
te maken
met zielen van doden, en stelden dat deze geestelijke wezens zichzelf
zichtbaar
en tastbaar konden maken. Welnu, Farmer beschouwde alles wat gezien en
gevoeld
kon worden als een rechtmatig voorwerp voor wetenschappelijk onderzoek
en dus
nam hij de bestudering van deze spirituele verschijnselen ter hand. Hij
voelde
zich een slachtoffer van goochelarij. Er werden hem kunstjes geflikt en
in zijn
bijzijn werden er merkwaardige en onverklaarbare verschijnselen
opgeroepen. En
zo gebeurde het, door een wonderlijke samenloop van omstandigheden, dat
de
fantastische voorvallen die hem werden aangesmeerd, van dien aard waren
dat ze
werkelijk teweeggebracht zouden kunnen worden als er een derde dimensie
zou bestaan.
In zijn ruimte waren ze wonderbaarlijk genoeg. Maar in de
drie-dimensonale
ruimte zouden ze helemaal wonderbaarlijk zijn. In Platland is
bijvoorbeeld een
doos een aan vier kanten afgescheiden gedeelte, net zoals een leeg
vierkant.
Farmer zag nu eerst voorwerpen buiten een dergelijk aan vier kanten
afgescheiden gedeelte, en vervolgens daarbinnen, zonder dat er iets met
de
zijden was gebeurd. Als een drie-dimensionaal gebeuren zou het
natuurlijk geen
probleem zijn om een voorwerp van buiten een vierkant, naar binnen te
verplaatsen. Het zou gewoon inhouden dat het opgetild zou worden en op
een
andere plaats weer zou worden neergelegd. Farmer was getuige van
dergelijke en
andere gebeurtenissen. Hij geloofde dat ze werkelijk gebeurden.
Daardoor ging
hij geloven in een drie-dimensionale ruimte. Zijn zintuigen riepen in
hem dat
schokeffect op, wat de enige manier was waarop een vakkundige en
bedachtzame
Unaeër ertoe kon worden gebracht om iets te geloven. En dit schokeffect
dat
zijn zintuigen teweegbrachten, dit op een merkwaardige en indirecte
manier zien
en voelen, leidde ertoe dat hij in de derde dimensie ging geloven. Toen
de
eerste stap was genomen en hij mentaal aan drie-dimensionale vormen gewend en mee vertrouwd raakte, leverden
zij geen
probleem meer voor hem op. Ze waren duidelijk vanzelfsprekend en hij
zag dat
het absurd was om het bestaan tot een vlak te beperken. Maar zijn
enthousiasme
over zijn nieuwe opvattingen zorgden ervoor dat hij ruzies en
onenigheden kreeg
met zijn tijdgenoten. Hij vond het verstandig om zich terug te trekken
op een
klein landgoed in Scythia, waar hij eigenaar van was. Daar schudde hij
de last
van de afwijzing door andere mensen van zich af en verbleef daar in de
eenzame
gelukzaligheid van de kennis van de drie dimensies.
Er
was niets dat Hugh Farmers verrassing en ergernis zou hebben kunnen
evenaren,
toen zijn prachtige nicht verscheen en aankondigde dat zij van plan was
om
samen met hem de natuurwetenschap te bestuderen. Hij vertelde haar dat
hij
absoluut geen tijd had en trok zich diep in zijn woning terug.
Maar
zij
was
druk
bezig
in
zijn
kamers,
zette bloemen op zijn boekenplanken, en
als
hij van de honger naar buiten kwam, vond hij het niet erg onaangenaam
om
tegenover een frisse jongedame te gaan zitten.
Zoals
vaak
het
geval
is
met
mensen
die
echt iets weten, was hij voor een jong
iemand
de laatste bij wie zij op zoek kon gaan naar informatie. Hij begon
hardop te
denken.
"Heb
je
het
nooit
gek
gevonden,”
zei
hij,
“dat er twee vormen kunnen bestaan,
die
allebei in de rangschikking van hun onderdelen precies hetzelfde zijn,
maar zó
dat wij de ene niet in de andere kunnen veranderen?”
"Zulke
vormen
bestaan
niet,”
zei
ze.”
"Ja,
ze
bestaan
wel,”
en
hij
liet
haar
twee driehoeken zien en wees aan dat ze
allebei dezelfde hoeken hadden en dezelfde lengten, maar dat de een
niet in de
andere kon veranderen, hoe zij ze ook zou schuiven.

[Het
is
niet
eenvoudig
om
het
bewijs
van
de oude man te volgen, maar als je een
tweetal driehoeken uitsnijdt, zoals 1 en 2, kun je gemakkelijk zien dat
ze, als
je ze tegen het oppervlak van het papier houdt, niet samen kunnen
vallen.]
Laura
keek
ernaar.
Ze
deden
haar
denken
aan
de kleine fantasiefiguurtjes, de
poppen
waar ze als kind mee speelde, want die poppen waren uitgeknipt in de
vorm van
driehoeken, en de driehoek die de ene kant op keek gebruikte ze altijd
als jongenspop
en de driehoek die de andere kant op keek als meisjespop.
"Ze
lijken precies op de poppen die ik altijd zelf maakte,” zei ze, “de ene
is net
een jongenspop en de andere een meisjespop.”
"Ja,"
zei
hij,
en kon je de ene ooit in de andere veranderen?”
"Nee,"
zei
ze.
"Waarom
niet?”
"Waarom
zou
je
dat
dan
willen?"
Hij
bromde, “Ik zei niet dat ik dat wilde, maar als twee dingen precies
hetzelfde
zijn zouden ze op dezelfde plaats neergezet kunnen worden.”
"Natuurlijk
zou
dat
moeten
kunnen,”
zei
ze
om
hem een plezier te doen.”
"Nou,"
zei
hij,
"als je een derde dimensie bedenkt, zou je
de een
in de ander kunnen veranderen.”
"O,
ik heb iets over de derde dimensie gehoord,” zei ze.
"Ja?,
wat
weet
je er dan van?"
"Dat
is
waar
onze
ziel
naar
toe
gaat,
onze geest, bedoel ik; natuurlijk zou je
daar
de ene in de andere kunnen veranderen. Dat is wat ze bedoelen met dat
er in de
wereld hierboven geen verschil tussen mannen en vrouwen bestaat – het
is voor
poppen precies hetzelfde al voor ons.”
"Ik
wist niet dat jouw vader een domme dochter had,” zei de oude man, en
ging weer
naar zijn kamer.
Laura
hield
daar
wel
van.
Het
was
zo
anders dan de manier waarop er altijd met haar
was gepraat. Eigenlijk maakte haar oom een enorme indruk op haar. En
dat hij niet
van haar hield, gaf haar de kracht om het gevecht aan te gaan om hem
voor zich
te winnen. Zijn boeken slingerden overal rond. Ze nam er een mee naar
haar
slaapkamer en omdat ze geen wijs kon worden uit de tekeningen, begon ze
die
over te schrijven en te ontdekken hoe ze van die nieuwsgierige
opmerkingen kon maken.
In de stilte van de nacht hoorde ze steeds weer voetstappen – op en
neer, op en
neer – en toen ze in slaap viel ging dat nog steeds door – rusteloze,
zenuwachtige stappen, als die van een gekooid en pijn lijdend schepsel.
Angstig
keek ze de volgende ochtend naar haar oom. Hij zag er helemaal niet
anders uit,
maar ze was er zeker van dat hij nauwelijks had geslapen.”
"Oom,"
zei
ze,
“waarom zie je er zo ongelukkig uit?”
"Waarom
denk
je
dat
ik
niet
gelukkig
ben?”
"Ik
weet dat je dat niet bent.”
"Ik
ben een oude man en zal wel gauw doodgaan.”
"Maar
niet
alle
oude
mensen
zijn
ongelukkig.”
"Ach,
maar
zij
zullen de wereld jong en fris verlaten. Nog voor
ik ga zal
een koudegolf ons allemaal treffen, en zullen de meren en zeeën
bevriezen. Niets
groens zal meer bloeien, slechts een paar dingen in diepe spelonken, en
de
mensen zullen zich met spoedig uitdovende vuren een weg banen in een
ellendig
bestaan, dat het einde zal betekenen van de grootsheid van onze aarde.”
"Kind,
jouw
vader
heeft zijn kennis gelukkig voor jou verborgen
gehouden.”
"O,
Oom, zag hij er daarom zo afgemat en verdrietig uit?”
"Ja.
Een
uitzichtloos
geheim meedragen, zoals dat, is
voldoende om moe
en verdrietig te worden.
Alleen
de
volstrekte
zekerheid
ervan,
zou
hem
kunnen
dwingen om dat toe te geven.
Hij
stuurde mij het werk dat hij had verricht en ik ontdekte dat zijn
rekenaars in
elk twijfelachtig geval de meest gunstige hypothese hadden aangenomen.
Ik neem
ze dat niet kwalijk. Het alternatief is te gruwelijk.
In de meest gunstige veronderstelling zal onze aarde, na de volgende
ontmoeting
met de grote planeet Ardaea, in een nieuwe baan worden geslingerd – we
zullen
dan ver de koude ruimte in gaan totdat de aarde bevroren is en
vervolgens
zullen wij terugsnellen en zo dicht bij de zon terechtkomen, dat het
aardoppervlak elke dag kokend heet zal worden. Misschien zullen een
paar van
ons in diepe grotten en spelonken overleven.”
"Als
u
daar
zeker
van
bent,
Oom,
zou
u dat moeten vertellen, zodat wij ons
daar
allemaal op kunnen voorbereiden.”
"Voorbereiden
waarop?”
"Waarom?
beste
Oom,
ons
lichaam
is
niet
alles.
Als u of ik doodgaan, weten we dat onze
zielen blijven leven, en geoordeeld worden naar alle goed en kwaad in
ons
leven. U zou het iedereen moeten vertellen.”
"En
hen alle normen en waarden laten vernietigen in één kortdurende
slemppartij?
Nee Laura, jij kent de wereld niet. Er zit meer gezond verstand bij
gewone
mensen dan bij al jouw kleinzielige idealisten. Wij zijn hier voor een
opdracht
en niet voor een theatraal toneelspel om al onze goede eigenschappen
ten toon
te spreiden, en als mensen weten dat die opdracht ten einde loopt,
zullen de dwalingen
van hun predikers geen enkele invloed meer op hen hebben.”
"Dat
zijn
geen
dwalingen,
Oom.”
"Het
is
nog
erger,
Laura.
Het
is
egoïstische
zwendel. Mijn hart draait om in
mijn
lijf, kind, als ik hoor hoe die welbespraakte predikers zo
zelfverzekerd de weg
wijzen op grond van iets waarop geen enkele gewone zakenman, zelfs voor
de meest
eenvoudige transactie, zou vertrouwen. Als we hebben geleerd dat iets
zekerder
is dan al het andere, is het dat we iets alleen bij benadering kunnen
weten.
Maar het enige wat zij doen is uitgaan van het ultieme. Zij weten, vast en zeker, wat
er is, en van
daaruit leiden ze af wat er moet zijn.”
"Maar
gelooft
u
dan
in
God,
Oom?”
"Ik
weet niet wat zij met God bedoelen. Die hele theologie is één
groot
verzinsel, dat aan de verkeerde kant begint en dat voorkomt dat wij dat
nabije hogere ontdekken, dat wij anders misschien wel zouden
kunnen leren
kennen.
De
dwazen, “ mompelde hij, “met de instrumenten in hun handen en ogen die
naar de
hemel staren – en die dan weigeren te gebruiken. Weigeren tot het te
laat is.”
Met
een huivering in haar hart bij zijn hartstochtelijke blik, worstelde
Laura met
het raadsel van zijn ontroering. Het was geen hulpeloze treurigheid,
die op hem
drukte – geen wanhoop; er was iets anders dan de ondergang van de
wereld dat
zijn geest vervulde, iets dat hij haar niet wilde vertellen. Opeens zei
ze,
terwijl ze naar zijn geheime gedachte raadde, “Oom, zou u de wereld
kunnen
redden?”
"Wat
heeft
je
vader je verteld?”
"Niets.
Maar
ik
weet
dat
u
zich
niet
zo zou voelen als u dat niet zou kunnen.”
"Maar
niemand
zal
naar
me
luisteren."
"Kijk,
wat
voor
zin
heeft
het
om
iedereen
te haten? Ze bedoelen het echt allemaal
goed. Het komt alleen maar omdat zij u niet begrijpen. Ga het die
geleerde
mensen vertellen die onderzoek doen naar de aarde en de sterren.”
"Je
begrijpt het niet, Laura. Wetenschappers zijn nog dogmatischer dan
theologen,
omdat zij kunnen bewijzen dat ze gelijk hebben. Zij kunnen zich
beroepen op het
bewijsmateriaal van hun zintuigen.”
"Ik
was net als zij, en dacht dat ikzelf, mijn denkvermogen en alle
talenten waar
ik over beschikte, werden voortgebracht door de dingen om mij heen; dat
het
gebeuren dat ik kende mij zou maken, als ik het maar voldoende zou
begrijpen.
Ik lachte me te pletter bij het idee van een spiritueel bestaan, naast
de
materie. En wat een derde dimensie betreft, leek het me belachelijk om
iets aan
te nemen waar we geen bewijs voor hadden. Maar ik leerde een volstrekt
oprecht
en waarheidsgetrouw iemand kennen, die over buitengewone vermogens
beschikte.
Hij beweerde dat hij in contact stond met de geestenwereld, en liet mij
een
heleboel zien, wat mensen voor wonderbaarlijk houden. Wat ik merkte is
dat deze
wonderen iets was wat drie-dimensionale wezens heel gemakkelijk zouden
kunnen
doen. Wetenschappers noemden hem een bedrieger en oplichter. Maar ik
kende hem
te goed om mij bij dat koor te voegen. Hij zorgde ervoor dat ik in de
derde
dimensie ging geloven door het enige bewijs dat ik zou aanvaarden – het
bewijs
van mijn eigen zintuigen. En, Laura, ik ben er trots op dat ik kan
zeggen dat
ik mijn weldoener altijd trouw ben gebleven. Dat was de enige daad in
mijn hele
leven die ik een mens waardig beschouw. Maar het stelt niks voor, zou
jij
misschien kunnen zeggen, om alleen maar te verkondigen dat er in kleine
materiedeeltjes bepaalde dingen gebeuren. Maar het heeft me alle
vrienden
gekost die ik had. Ik kon zelfs mijn armzalige en onbeduidende positie
niet
handhaven. Het leek erop dat ieders beroepsreputatie belangrijker was,
dan dat
ze iets met mij te maken wilden hebben. Als ik dan een experiment deed
dat
glashelder was, schreven zij het toe aan bedrog. En, Laura, het klopt
dat het
ons zou redden als iedereen het maar zou geloven.”
"Maar”,
zei
Laura,
"als
u
in
geesten
gelooft,
zouden de geestelijken wel naar u
luisteren.”
"Dat
zou
me
wat
zijn.
Ik
zeg
je,
Laura, dat die mensen zo bedreven zijn in
dingen
die niet bestaan, dat zij iedereen die hen zou vertellen hoe de dingen,
waar
zij het over hebben, misschien echt in elkaar zitten, graag levend
zouden willen
verbranden, als zij daardoor zouden kunnen doorgaan met hun keuze voor
dat
soort dingen. Nee, zij beschikken zelf over een gesloten systeem, en
hun idee
over het denken is dat het bestaat uit het precies ontcijferen van wat
er in
oude boeken is geschreven en uit te zoeken of deze of gene man echt
heeft
geleefd, als er wordt vermeld dat hij heeft geleefd. Dat is het soort
troep
waar zij een ondergaande wereld mee opzadelen.”
"Maar
als
zij
mensen
beter
maken?”
"Ja,
ja,
dat
is
een
idee
van
hen,
wat ze echt begrijpen, als ik daarover nadenk.
Ik
heb het bij jouw vader geprobeerd. Ik probeer het steeds bij
wetenschappers,
maar zij sturen mijn werk altijd beleefd terug. Ik weet wat ze erover
denken.”
"Oom,
ik
ken
iemand
die
u
zou
willen
helpen.”
"Je
bent een schat,” zei hij, terwijl hij haar naar zich toe trok, “er is
iemand
die heel veel van je houdt.”
"Waarom
zegt
u
dat?”
"Mijn
liefje,
ik
weet
het."
"Oom,
ik
zal
eerlijk
tegen
u
zijn;
ik
voel op een of andere manier dat ik het u
kan
vertellen. Ik hou heel veel van iemand. Hij heeft nog nooit iets tegen
me
gezegd, maar ik hoop, ik ben er bijna zeker van, dat hij ook van mij
houdt. Zo
voel ik dat. Er bestaat een grote bron van liefde waar wij allemaal uit
drinken. Ik hou dan wel van veel mensen en denk vaak aan ze, maar er is
er maar
een die kleur aan al mijn gedachten geeft. Alles wat ik denk, zeg of
doe heeft
op een of andere manier met hem te maken; en elke mooie gedachte die in
mij
opkomt, verwijst naar hem. Nou, Oom, lach me niet uit. Ik zeg echt niet
dat hij
de allerbeste is, maar ik voel gewoon wat ik
u
over
hem
verteld.
En
als
ik
aan
al die dingen denk en hoeveel van zijn
persoonlijkheid
mijn beste deel is geworden, kan ik niet anders dan geloven dat hij op
een of
andere manier iets van mij heeft overgenomen.”
Farmer
pakte
haar
hand vast. “Ik dank je, mijn liefje, omdat je
in je
hart hebt laten kijken, Ja, ik denk dat hij ook vast van jou houdt. Ken
ik
hem?”
"Het is Harold Wall," zei Laura.
"Ik
heb zijn vader gekend, Na de grote oorlog kon hij nauwelijks onze taal
spreken.
Hij gebruikte een dialect dat tijdens de lange reis was ontstaan. Aan
het eind
van zijn leven was hij nog steeds dezelfde – ruig, onbeschaafd en niet
in staat
om zich aan te passen. De mensen vereerden hem vanwege de manier waarop
hij
zijn mensen door de woestijn heen had geleid, maar ze hielden niet van
hem. Zijn
leven was opgebruikt door die krachtsinspanning, zoals het mijne door
de mijne.
Misschien zal zijn zoon begrijpen dat ook ik heb gewaagd en gewonnen,
terwijl
ik voor ieder ander een leuterende oude kindse man ben, die een
nauwelijks
begrijpelijke taal spreekt.” “Ik denk”, voegde hij daaraan toe, “dat
jouw vader
niet erg met hem ingenomen is.”
"Hij
heeft
daar
nooit
wat
over
gezegd,
daar
is hij te trots voor. Als hij iets om
mij geeft, zou hij nooit iets zeggen.”
"Dat
is
goed.
Laura,
er
is
iets
dat
me zegt dat de band die jullie beiden met
elkaar
verbindt, heel innig en echt is. Jullie moeten niet, zoals andere
geliefden
vaak doen, alleen maar aan elkaar denken; maar uit de grote tederheid
en
oprechtheid van jullie genegenheid, moeten jullie jezelf veranderen en
opofferen – voor elkaar – om ons allemaal te helpen en te redden.
Schrijf hem
maar en stuur hem een boodschap van mij. Zeg hem dat hij zijn land kan
redden.”
Laura
's
Brief
Eenzame Berg
Lieve
Harold,
Ik
ben bij mijn oom. Voordat ik de stad uitging heb ik een heleboel meer
van mijn
vader gezien dan gewoonlijk. En ik heb gemerkt dat hij iets op zijn
hart had,
iets dat hij voor zichzelf hield. Hij was wel heel boos omdat hij dacht
dat ik
hem door had.
Wij
zijn ons niet bewust geweest van een vreselijk gevaar dat boven ons
hoofd en
boven de hele wereld hangt. Mijn vader weet het, mijn oom weet het. Als
je naar
de Directeur van de Staatssterrenwacht gaat en hem zegt dat je van mijn
oom
komt zal hij je niet teleurstellen, hoewel het gevaar geheim moet
worden
gehouden. Het gaat om het volgende. De zomers zijn warmer geworden en
de
winters kouder, omdat we door Ardaea uit onze omloopbaan worden
getrokken.
Over
een
tijdje
zullen
we
doodvriezen
of
levend
verbranden. Mijn oom weet een
manier
om ons te redden. Kom alsjeblieft en laat hem jou vertellen wat dat is.
Zelf
kan hij niets doen, maar met jouw hulp kan hij ons weer in veiligheid
brengen,
Je
oprecht toegenegen,
LAURA
CARTWRIGHT
Als
een van ons de weg had genomen die Wall in antwoord op onze brief was
ingeslagen, waarbij wij dan door de drukke steden heen waren gelopen en
langs
de verspreid liggende dorpen en eenzame huizen die op onze weg lagen,
zouden
wij een vreemd gevoel van isolement hebben ervaren – alsof onze niet
gedeelde
kennis hersenschimmig was en al die onbewuste mensen wel in het bezit
van de
waarheid waren en wij niet.
Hoe
zou aan de eeuwenlange dagelijkse gang van zakendoen, ruilhandel en
commercie –
de dringende en noodzakelijke zorg van iedereen voor zijn eigen zaken –
hoe zou
aan het opgaan van iedereen in zijn eigen microscopische kleine hoekje
een eind
gemaakt kunnen worden! Door hun volledig in beslag genomen zijn door
hun eigen
zaken, had het ras ongetwijfeld het recht verkregen om een basis te
hebben,
waar alles ongestoord op rustte. Het firmament, het hemelgewelf, de
veranderingen van de seizoenen, de constructie van de aarde, moesten op
zijn
minst betrouwbaar zijn. Maar Wall had het staatsgeheim uit de
tegenstribbelende
astronoom gewrongen en aanvaard. Hij geloofde in de interplanetaire
veranderlijkheid en was bereid om na te denken over de middelen om dat
af te
wenden. Er was geen gebrek aan gebeurtenissen, die hij zou kunnen zien
als
onheilspellend en tekenend. Hevige stormen hadden op de kust gebeukt.
En
getijdengolf met een weergaloze hoogte had ernstige schade toegebracht
aan de
schepen die voor zijn expeditie waren uitgerust. De geschrokken
kolonisten
weigerden uit te zeilen totdat de zee weer tot haar gebruikelijke
kalmte was
teruggekeerd. Maar zijn houding, zijn bereidheid om te geloven in een
theorie
en daarnaar te handelen, kan alleen maar worden verklaard uit de
geschiedenis
van zijn volk. We moeten bedenken dat Unaea haar bestaan aan de zee
dankte –
het was het idee van de cirkelvorm van de aarde dat Unaea had gered van
vernietiging door de hand van de Scythen – en daarom hadden de Unaeërs
een
andere houding ten opzicht van ideeën dan wij, omdat wij tot de
barbaarse horden
behoren die in feite de mensen die ideeën hadden – de Grieken en
Romeinen – van
de aarde hebben geveegd. Ideeën zijn voor ons af en toe van nut, maar
wij
voelen dat wij in wezen heel goed zonder kunnen. De Unaeërs waren
anders, zij
bezaten het vermogen om ideeën te verwezenlijken en daarnaar te
handelen, iets
wat ons vreemd is. Als onze geschiedenis net zo was verlopen als de
geschiedenis van Astria, dan hadden de Scythen Unaea overweldigd en de
rijzende
ster van de beschaving in vele eeuwen van duisternis hebben gedompeld.
In
die periode van zijn leven was Wall vrij van dat soort aanvallen van
ongebreidelde
en egoïstische eerzucht, die zich later tegen hemzelf richtten. Zijn
leven was,
zij het onopvallend, eenvoudig en recht door zee geweest. Voor iemand
die nog
zo jong was, oefende hij een opmerkelijke invloed uit op zijn
kameraden,
misschien dankzij zijn kracht, die zovaak tijdens een crisis tot een
onverwacht
maar onweerstaanbaar scherpzinnig besluit bleek te leiden, waarbij hij
de
gemoederen van iedereen met zich meesleepte – een invloed die tot op
zekere
hoogte te danken was aan de verborgen hartstocht die achter heel zijn
openhartige
kameraadschap school en een trekje aan zijn innige verbondenheid gaf
van dat enthousiasme
voor het onbereikbare, dat reiken voorbij de kennelijke grenzen van het
lot,
dat in iedereen sluimert.
Sommigen
zouden
kunnen
denken
dat
hij
tijdens
zijn
reis vervuld was van een gewetenloze
eerzucht, bereid om voor een goede afloop, toe te slaan met het meest
subtiele
instinct. En dat is ongetwijfeld juist. Strikt genomen valt zijn koers
niet te
verdedigen. Maar er is ook nog een andere kant. We zullen kijken naar
de
laatste nacht van zijn tocht, toen hij haast maakte.
Langzaam
rees
Ardaea
omhoog,
de
door
de
stervelingen
geprezene, het goddelijke
hemellichaam,
de legendarische geliefde van de aarde, waarop dichters ooit overdadig
hun
aanbidding richtten. Zij rees langzaam, zonderling vurig, en helder
brandend,
want eindelijk was dat koude hart geraakt: de kuise en eenzame, de
jageres van
de hemelen, was van haar eenzame pad afgeraakt, en als een antwoord,
zwenkte ze
al af in een ogenblik van duizelingwekkende werveling van hartstocht om
haar
aardse geliefde te verlokken tot een eindeloze dood. Maar argeloos!
Altijd die
fabeltjes die een schijn van doelgerichtheid toekennen aan de loop van
de
dingen. In de van tevoren bepaalde veranderingen van de hemellichamen,
in die
grootse profane afwisselingen, bestaat slechts een enkele wet, en het
kille
ritme van de kosmos, de warme polsslag van het hart, het plan van de
geest, en
alle gefantaseerde legenden van de ziel der dingen, zijn slechts als
een
onbeduidende plons van een kiezelsteen in de oceaan.
Maar
vanwaar
dit
bonzen?
deze
hartstocht
voor
het
leven, die hij in zich op voelde
rijzen, toen hij het einde van zijn tocht naderde? In de waas waarin
zijn hele
bestaan zich in het bestaan van iemand anders verloor, zat daar niet
iets in
dat even groots was als de onvermijdelijke gang van de wereld?
Met
de gedachte aan haar en wat zij voor hem betekende, sloeg hij een
andere weg
in, een andere weg naar die weidse beschouwing van de onmetelijkheid,
maar in
dit innige, uiterst geheime en werkelijke zich één voelen, bereikte hij
iets
dat even waar en krachtig was als alle wezenlijke verre droombeelden
over hemel
en aarde.
Had
zij hem niet verteld dat er nog hoop was? Hijzelf en zij stonden, oog
in oog
met deze grote catastrofe, niet alleen. Liefde, hoop en vertrouwen
waren er
altijd geweest, waren altijd het uitgestrekte mechanische universum
onverschrokken tegemoet getreden. Wat van die eeuwenlange omwentelingen
van de
planeten, was niet de eeuwenlange inspanning geweest van waarachtige
mensen?
Onmetelijke reusachtige krachten droegen bij aan het rondwentelen van
de
hemellichamen, eeuw na eeuw en generatie na generatie, in de kloppende
mensenharten, die ook zwoegden, hun bouwwerken optrokken en hun
krachten gereed
maakten. In het leger dat Unaea had gered en dat nu, nadat het zijn
inzet had
laten varen, een zieltogend bestaan leidde, en ondanks zijn wanhoop
toch nog in
staat was tot een absoluut overwicht, zou dat leger nu misschien, door
alle
krachten van het land te bundelen, bijeen te garen uit machteloze
handen, de
aarde kunnen redden – wat zou haar brief anders bedoelen dan die
boodschap?
Harold
stond
tegenover
een oude man, gebogen en uitgemergeld,
maar met
een ernstig gezicht en een doordringend starende blik, en zijn geliefde
stond
er zwijgend bij. De oude man vroeg hem: “Heb je de astronomen
uitgehoord?”
"Ja,
ze
hebben
alle
twijfels
bij
mij
weggenomen.”
"In
de grootsheid van het gevaar dat ons bedreigt,” zei
Farmer, “heeft
alles wat het menselijk vernuft heeft bedacht niets te betekenen. Geen
enkele
bekende kracht kan de baan van onze aarde veranderen. Voor zover onze
wetenschap het weet, is de afloop hopeloos.”
"Dat
is
de
mening
van
de
mensen
die
het probleem hebben bestudeerd.”
"Maar
het
is
moeilijk
om
een
grens
aan
te geven aan wat mogelijk is. Wat mensen
denken dat mogelijk is, hangt van twee factoren af, niet van een. Het
hangt af
van feiten en van ideeën. Welnu, de wetenschap heeft zich bezig
gehouden met
het ontwikkelen van een bepaald en beperkt scala van ideeën – dat zijn
maar een
paar van de vele ideeën uit het verleden – net die paar die wij door
observatie
en experiment staven. Maar er zijn veel meer ideeën dan deze en ik denk
dat
onze richting meer ligt in het verwerven van nieuwe ideeën, dan in die
ene
richting die wij in de afgelopen paar eeuwen zijn gegaan – het
uitwerken van de
gevolgen van de ideeën die we hebben.”
"Er
bestaat één idee waar ik mijn hele leven lang naar heb geprobeerd te
leven en
dat een volmaakt nieuwe reeks van gedachten en fysieke mogelijkheden
verschaft.
Het is het idee van een derde dimensie. Volgens dat idee ben je, als je
denkt
dat je je in een lege ruimte bevindt, daar in werkelijkheid niet in. Er
moet
een of andere fysieke reden zijn, een bron van weerstand, die je
verhindert om
naar de derde dimensie te gaan. Dat is iets dat zich naast je bevindt,
een
substantie waarmee je in contact staat telkens als je beweegt, dat je
nooit
kunt zien omdat het je daar nooit van loskomt en je dus op een deeltje
lijkt
dat over een gladde rand glijdt – de rand voorkomt dat het deeltje
anders
beweegt dan in een lijn.”
"Welnu,
over
dat
iets
dat
zich
naast
je
bevindt, zijn alle bewegingsrichtingen
mogelijk, die wij kunnen aanwijzen, en door een werking uit te oefenen
op die
naastgelegen substantie, kunnen wij onze bewegingen tegenhouden en
veranderen.
De manier, en de enige manier waardoor wij aan de catastrofe kunnen
ontkomen,
is door een werking uit te oefenen op die naastgelegen substantie,
zodat we de
baan van onze wereld af kunnen buigen. Dat kan. Ik zal je uitleggen
hoe.”
Harold
antwoordde,
“Zeggen
dat er iets naast de ruimte bestaat
dat zich
oneindig ver uitstrekt om ons heen, klinkt mij absurd in de oren. U
hebt een
wetenschappelijke theorie, leg het voor aan geleerden, en als het waar
is kun
je ze overtuigen.”
Farmer
maakte
een
gebaar van berusting, maar Laura pakte zijn
hand in
haar warme greep, glimlachte bemoedigend, en fluisterde, “Hij wil
alleen maar
weten wat u al hebt gedaan.”
De
Bolbewoner
Wall
merkte
dat
het gemakkelijker was dan hij had verwacht om
met
Farmer een gesprek te voeren. Er bestond een alomheersend vaag gevoel
van
onbehagen en verwachting. Een aantal enorme uitgravingen die de
regering had
laten verrichten in streken, waar niemand tot dan toe had gedacht om
naar kolen
of erts te zoeken, had aanleiding gegeven tot een gevoel van
geheimzinnigheid
en geheimhouding.
Zelf
zei
hij
niets
over
de
dreigende
ramp,
maar hij zocht toehoorders uit, van
wie
hij zeker was over hun oordeel, kiesheid en stilzwijgen, als zij de
boodschap
van Farmer zouden horen.
Het
meest onverwachte van al zijn successen was het gemak, waarmee hij voor
Farmer
een onderhoud kon regelen met het hoofd van de kerk van de Bolbewoners.
Het is
de moeite waard om verslag te doen van de incidenten die zich tijdens
die
bijeenkomst afspeelden, omdat zij een beeld geven van de problemen
waarop de
bekendmaking van Farmer theorie stuitte, en van de argumenten waarmee
hij die
probeerde te overwinnen.
De
Opperpaus van Unaea, de leider van de oudste staatsgodsdienst, waarin
de drang
naar een efficiënte organisatie en het afzonderen van de clerus van het
gewone
mensenleven, hand in hand was gegaan, zat in de gehoorzaal.
Rond
hem
zaten
priesters
die
van
alle
takken
van menselijke inspanningen of
onderwijs
hun levenslange opdracht hadden gemaakt en allemaal waren ingetoomd tot
het
maximum van absolute gehoorzaamheid, zodat als het fiat was uitgegaan
van de
broze man, de vice-regent van God, geen enkele twijfel of aarzeling hun
geest
dwarsboomde, maar alleen dat feit werd aanvaard, waarover zij uiterst
vrijmoedig en subtiel hadden gediscussieerd.
Farmer
stond
voor
hem
en
zag
in
hem
de verpersoonlijking van alles wat hij haatte,
de
overmacht van iets anders dan de rede, de hooghartige aanspraak om
anders te
oordelen dan bij benadering – de eerste oorzaak van elke dwaling, de
reden
waarom de onjuist gerichte inspanningen van de mensen bitter en
tevergeefs
bleven, en de ware weg naar het begrijpen van de wereld uit hun hoofd
werd
gepraat en zij daarvan werden afgehouden.
Farmer
stond
trots
voor
de
broze
man
–
die hem, weggezonken in de grote troon en het
staatsiekleed, ontving met een onnatuurlijk stilzwijgen en vervreemding
– en
begon te vertellen over de astronomische situatie en de op handen
zijnde
vernietiging van de wereld.
Voor
het
eerst
bliksemden
de
pauselijke
ogen.
“Je
zou kunnen weten dat dat al
bekend
is,” zei hij. “De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig
(Luc. 10:2)
Ik vraag u, hou het kort.”
Deze
rustige
aanvaarding
van
de
situatie
in
het
centrum van de kerk, van waaruit zij
de wereld liet zien dat zich niet meer dan een rimpeling over het
oppervlak had
verspreid, maakte indruk op Farmer. Zij wisten dus alles en toonden
geen enkel
teken van bezorgdheid! Hoe anders dan zijn eigen opwinding, deze
houding van
die mensen, die in het einde van alles slechts een dringendere roep
voor hun eigen
werk zagen!
"Heilige
vader!”
zei
hij,
terwijl
hij
de
aanspreekwijze
van dat geloof gebruikte, “ik zal net
zo kort zijn als het strookt met
het
verschil van onze manier van denken. Ik ben naar u toegekomen omdat u
de
inspanningen van de halve wereld beheerst en als u ermee instemt om die
een
bepaalde richting op te sturen, kunt u deze ramp afwenden.”
"Ga
verder, mijn zoon."
"Het
begin
van
mijn
idee
was
dat
alles
zich in de ruimte bevindt.”
“Iedereen
met
wie
wij
in
contact
komen
kennen
wij als een wezen in de ruimte; elke
handeling in ons dagelijkse leven, elke gedachte die wij hebben wordt
ontleend
aan dingen of personen in de ruimte; zelfs de openbaring, waarin u
gelooft
heeft, dezelfde oorsprong. Die komt van iemand die is gezien en
aangeraakt.”
"En
als al het werkelijke dat we kennen zich in de ruimte bevindt, is
datgene wat
zich niet in de ruimte bevindt onwerkelijk. Een onstoffelijk bestaan is
niets.
Daarom dacht ik dat de enige manier om meer te weten te komen – echt te
weten,
en niet te bedenken – was om steeds meer kennis te verwerven over
dingen in de
ruimte.”
"Ik
geef toe dat er in de ruimte veel wezens aanwezig zijn, personages
zoals u volgens
de overleveringen van uw kerk beweert; maar de enige manier om ze te
kennen is het
begrijpen dat het ruimtewezens zijn.”
"En
als je het zo bekijkt, leek het mij belangrijk om te veronderstellen
dat de
ruimte meer dan twee dimensies heeft. Mogelijk zijn uw wonderverhalen
vertekend
en zouden we rationeel achter fantastische inzichten over echte dingen
en
wezens in deze ruimte kunnen komen.”
"Misschien
is
ook
veel
dat
in
de
wetenschap
onverklaarbaar is alleen maar duister om
dezelfde reden, namelijk dat de ruimte driedimensionaal is.”
"Ik
ben daar namelijk zelf geweest.”
"Stel
je
iemand
voor
in
een
maatschappij
waar
rechtvaardigheid heerst. Als hij
niet
zou weten wat rechtvaardigheid is, hoe zou hij dan kunnen weten welke
rol dat
in de instellingen van de maatschappij speelt? Er zijn ongetwijfeld
allerlei
dingen die hij niet begrijpt maar het zou onzinnig zijn als hij zegt
dat alles
wat onverklaarbaar is, veroorzaakt wordt door rechtvaardigheid.”
"De
enige manier waarop hij dan iets over die maatschappij te weten kan
komen is zijn
eigen gevoel van rechtvaardigheid en pas als hij dat ontwikkelt kan hij
begrijpen wat rechtvaardigheid in zijn omgeving doet.”
"Ik
had zelf geen idee van de vormen en bewegingen die in een
drie-dimensionale
ruimte zouden kunnen bestaan. De enige manier om te weten of er echt
drie
dimensies waren, was dus het idee van drie dimensies in mijzelf te
ontwikkelen.”
"Dus
maakte
ik,
hoewel
ik
zelf
slechts
een
2D-mens ben, een opsomming van de meest
eenvoudige dingen waar een 3D-mens mee te maken zou hebben. Ik
maakte schetsen
die een
beeld
gaven van wat een 2D-mens door zien en voelen zou kunnen weten over
voorwerpen
van een 3D-mens.”
"En
ik merkte dat er een gevoel voor drie-dimensionale vormen en bewegingen
in mij
ontwaakte. Het leek alsof ze heel vanzelfsprekend werden. Het was alsof
ikzelf
echt een 3D-mens was en dat ik alleen maar als een 2D-mens kon denken,
door de
manier waarop ik mijn eigen lichaam ervaarde.”
"Vanuit
die
hypothese,
die
mij
het
nodige
werk
verschafte bij het ontwikkelen van
mijn
gevoel voor drie dimensies, is het mij gelukt om duidelijk te zien dat
ik eigenlijk
een hoger wezen ben, dat oog in oog staat met een hogere werkelijkheid,
en dat
ik iets kan ontwaren van de onvoorstelbare reikwijdte van krachten en
mogelijkheden die voor ons liggen.”
"Wat
is
dan
de
relatie
tussen
een
3D-mens
en onze lichaamsstructuur? Wij weten
dat wij
uiterlijke dingen niet rechtstreeks gewaarworden. Als we bekijken wat
er
gebeurt als wij door middel van onze zintuigen kijken of enige kennis
verwerven, merken we dat er bepaalde veranderingen in ons plaats
vinden. Het
zijn die veranderingen die ons bewustzijn beïnvloeden. De uitwendige
voorwerpen
kunnen dat niet rechtstreeks doen. De invloed van de dingenwereld in
datgene
wat eigenlijk gewaarwordt, vindt plaats in uiterst kleine stapjes.”
Een
van de professoren van de Heilige Raad onderbrak Farmer op dit punt en
zei:
"U
komt dus nu op het mysterie van het denken. Het denken, de
persoonlijkheid, is
zelf onstoffelijk en kan met geen enkele natuurkundige theorie worden
verklaard.”
"Nee,"
antwoordde
Farmer,
"ik
zeg
alleen
maar
dat
er, voordat je aan het mysterie
van het zelf en de persoonlijkheid toekomt, een tussengebied bestaat
dat
verkend moet worden. Je kunt de processen in dat gebied onderzoeken,
zonder aan
het mysterie van het denken toe te komen.”
"Als
je
terechtkomt
bij
de
minieme
werkingen
van
de natuur, kom je bij acties
in een
drievoudige ruimte, en datgene wat daadwerkelijk ons hele lichaam
bezielt en stuurt,
heeft precies dezelfde soort activiteit.”
"De
3D-mens is klein vergeleken met onze lichamen, maar grootte alleen is
geen
belemmering voor enige complexiteit van structuur. Wij zijn 3D-mensen,
die het
doen en laten sturen van lichaamsstructuren die zijn beperkt tot
bewegingen in
twee richtingen.”
"Maar
dan
rijst
de
vraag:
als
de
ruimte
echt drie dimensies heeft, waarom nemen
wij
dan slechts een twee-dimensionale wereld waar?”
"Daar
kan
maar
één
antwoord
op
zijn.
Omdat
wij begrensd zijn. Onze lichamen wordt
in
hun bewegingsvrijheid belemmerd. Wij kunnen ons met onze
lichaamsstructuren slechts
in twee dimensies bewegen omdat iets ons verhindert, alle dingen, deze
planeten,
werelden en zonnen verhindert om vrij te bewegen.”
"Wat
ons
tegenhoudt
noem
ik
het
naastgelegen
iets
of wezen. Welke richting wij
ook
uit wijzen en kijken, wij kiezen alleen maar een richting langs zijn
grens,
nooit een richting daarin of daar vandaan. En met dat erkennen van dat
naastgelegen
iets, opent zich opeens een nieuw terrein van mogelijkheden.”
"Als
wij
onszelf
vrij
in
de
ruimte
zouden
bevinden, zou er geen manier zijn om
de
baan van onze planeet te beïnvloeden.”
"Maar
omdat
wij
altijd
contact
met
dat
naastgelegen
iets maken, zouden we, als we
daar een spijker in zouden kunnen slaan, onze beweging kunnen
vertragen. Je zou
ook, als je de drie dimensies bestudeert, intuïtief begrijpen dat je
daar een groef
in kunt duwen, zodat de beweging van iemands lichaam afgebogen zou
kunnen
worden, door de groef op een juiste manier tegen het naastgelegen iets
te drukken.”
Op
dat punt hield Farmer op, omdat hij een tegenwerping verwachtte, want
deze
mogelijkheid, die wijzelf heel eenvoudig kunnen uitdrukken door het
woord
“schaatsen,” was een woord dat grote problemen opleverde voor het
begrip van de
Unaeërs. Wij weten dat een lichaam dat over een glad oppervlak glijdt
gemakkelijk van koers kan worden veranderd. Een ijsboot, bijvoorbeeld,
op het
oppervlak van bevroren meer, kan van koers worden veranderd door het
wijzigen
van de hoek die de rand van het zwaard, die op het ijs rust, maakt.
Maar voor
de Unaeërs was een dergelijke werkwijze totaal onbegrijpelijk.
"We
kunnen dus aannemen,” zei de professor van de Heilige Raad, “dat er in
die
ruimte die u heeft bedacht, allerlei mogelijkheden zouden bestaan, waar
die ene
die u oppert er een van is.
Farmer vervolgde:
"Ik
kan u verzekeren dat die mogelijkheid bestaat, en ik zie een verband
met de
steeds weer opduikende overgeleverde getuigenissen, over mensen die in
de lucht
zijn opgestegen en over een kracht die boven de invloed van de aardse
zwaartekracht uitstijgt.”
"De
oorsprong van deze verslagen is volgens mij een raadselachtig gevoel
over het
bestaan van een naastgelegen iets en een heimelijk gevoel van een
mogelijkheid
om onszelf op een andere manier te sturen, dan via het contact met
iets, dat we
met onze eigen ogen kunnen zien of met onze handen kunnen aanraken.”
"Een
dergelijke
kracht,
waarmee
wij
de
bewegingen
van
onze lichamen omhoog en omlaag
kunnen richten, is triviaal en onbelangrijk. Maar het betekent iets dat
enorm
belangrijk is en grote consequenties heeft. Wij bevinden ons op de
aarde, onze
lichamen maken deel uit van haar massa en elke richting die wij aan de
beweging
van ons lichaam kunnen geven, zouden we, als we de krachtsinspanningen
van alle
mensen zouden samenbundelen, op de aarde kunnen overbrengen.”
“Het
is
duidelijk
dat
wij,
als
wij
de
baan van onze planeet zouden kunnen
sturen, de
gevaren zouden kunnen keren, die onze te korte afstand tot Ardaea met
zich zal
meebrengen.”
"Wij
beschikken
niet
over
uitwendige
middelen
om
invloed
op dat naastgelegen iets
uit te oefenen. Wij 2D-mensen beschikken niet over dat vermogen. Maar
3D-mensen, ons eigen zelf, deze 3D-mensen zijn machtig.”
"Door
te
denken
aan
opstijgen
en
door
de
lucht zweven, schakelt de 3D-mens, dus
mijn
echte zelf, activiteiten van zichzelf in.”
"Het
zelf
oefent
een
werking
uit
op
het
naastgelegen iets, drukt daar een groef
in,
zodat de beweging die mijn lichaam gemeenschappelijk heeft met de hele
aarde,
wordt afgebogen en ik de neiging vertoon om omhoog te gaan. Ik heb de
proef op
de som genomen. Ik heb gemerkt dat mijn gewicht afneemt, als ik de
gedachten
denk die ik heb beschreven.”
"Welnu,
als
alle
mensen
zich
toegewijd
bij
elkaar
zouden aansluiten en zouden
denken
dat ze opstegen en als engelen door de lucht zweefden, zouden ze een
kracht uitoefenen,
voldoende om een zekere afwijking van de baan van onze planeet teweeg
te
brengen, weliswaar een hele geringe, maar er is maar een hele kleine
nodig. Zo
zouden we veilig langs Ardaea kunnen scheren.”
Farmer’s theorie
was tweeledig.
Ten eerste, dat door het samenbundelen en reorganiseren van de
moleculaire
hersenstructuur, zodanige veranderingen in de materie teweeggebracht
zouden
kunnen worden, dat het resultaat zou zijn dat een lichaam, dat
voortglijdtt over
het oppervlak, waarop alle Astriaanse dingen zich bewegen, in zijn baan
zou
worden afgebogen; en ten tweede, dat door aan bepaalde gedachten te
denken, in
het brein van de denkers ook moleculaire veranderen zouden
plaatsvinden. Hij
poneerde dat er een overeenstemming bestond tussen de bewuste gedachte
aan
opstijgen en zweven en de minieme veranderingen die door het denken aan
opstijgen en zweven bij de denker, door een totaal onbekend procédé,
teweeg
zouden worden gebracht.
Mensen
van
dat
idee
te
overtuigen
was
een
taak die vrijwel onoverkomelijke
problemen
opleverde. Hij had de bekende hulpmiddelen van de taal van de Unaeërs
opgebruikt en alles verteld wat daarover gezegd kon worden, aan mensen
die kennelijk
zijn gedachtegang niet konden volgen. Daarom richtte hij zich tot de
opperpaus
en besloot met de volgende woorden:
"Ik
ben naar u toegekomen, omdat u de leiding heeft over de godsdienstige
praktijken
van de helft van het mensdom. Als u een bepaalde spiritualiteit zou
gelasten,
waarbij specifieke gedachten op vastgestelde tijden zou worden
uitgeoefend en alle
bezieling van uw gelovigen samengebundeld zou worden, zou u het proces
in gang
zetten waarmee de 3D-mensen, ons wezenlijke zelf, de wereld zouden
kunnen
redden van de op handen zijnde ramp.
"Heilige
vader,
hebt
u
mij
nog
wat
te
vragen?”
"Nee,
mijn
zoon,
aanvaard de
zegen van een oude man die, net als uzelf, zijn uiterste best heeft
gedaan om
trouw te blijven aan de opdracht die hem is toebedeeld.”
En
zo eindigde de bijeenkomst.
Laura
merkte
dat
haar vader zich in haar afwezigheid
onbeschrijfelijk
had opgewonden.
"Mijn
dochter,”
zei
hij,
“ik
ben
al
lang
van plan geweest om met jou over een heel
belangrijk onderwerp te praten, maar ik heb daar steeds van afgezien.
Deze
gelegenheid moet ik niet voorbij laten gaan.”
Laura
vertelde
hem
dat ze alles al wist.
"Dat
maakt
mijn
taak
des
te
korter,”
antwoordde
hij, “ik heb bedacht dat het voor
jou tijd is om een echtgenoot te nemen.”
"Niet
nu!”
riep
ze
uit.
"Jawel,
mijn
kind,
we kunnen verwachten dat maar een paar van
ons zullen
overleven. Ik heb onderaardse ruimten ingericht, die met alle benodigde
proviand volgestouwd zullen worden; daar kunnen aan aantal van jullie
de
overgangsperiode doorbrengen en weer tevoorschijn komen als de nieuwe
orde der
dingen is aangebroken.”
"Papa,
ik
ga
liever
dood
dan
zo
te
worden opgesloten.”
"Dat
is
niet
wat
je
wilt.
Wij
moeten
ernaar streven dat een aantal van onze
beste
mensen, mensen die het meest geschikt zijn om de bestemming van ons ras
voort
te zetten, zullen overleven. Het is niet aan jou om dat in twijfel te
trekken –
het besluit ligt geheel buiten jouw vermogen om te veranderen. Elke
aarzeling
die je voelt kan ik eenvoudig wegnemen. Ik weet dat je je aangetrokken
voelde
tot die Harold Wall. Wat je ook voor hem hebt gevoeld, dat is meteen
over, als
ik je vertel dat hij gebruik maakt van deze naderende ramp om een
oproer te
ontketenen. Hij wordt verteerd door een roekeloze en gewetenloze
eerzucht. Hij
is gegrepen door de irreële romantische hunkering van jouw arme oom en
dat gebruikt
hij nu als pressiemiddel. Hij heeft geprobeerd om daarmee een aantal
zwakbegaafde romantici ervan te overtuigen dat er een of andere manier
bestaat om
het gevaar te voorkomen. Hij probeert nu van dit gevaar dat de wereld
bedreigt,
een aanleiding te maken om wanorde te stichten en zijn eigen eerzucht
bot te
vieren. Hij is onophoudelijk bezig geweest om zijn banden met zijn
mede-officieren aan te halen, om hen verraders van hun eigen woord van
eer te
maken.”
"Papa?"
"Ja.
Hij
heeft
zijn vertrouwelingen zo goed uitgekozen, dat
wij niet
over een rechtstreeks bewijs beschikten, maar het leger is
geïnfiltreerd met de
wetenschap van wat ik geheim heb proberen te houden. Door de heersende
paniek hebben
wij speciale maatregelen door kunnen voeren. Voor het vallen van de
avond zal
hij gearresteerd worden en als hij zich verzet, ter plekke geëxecuteerd
worden.
Ze zullen hem geen genade tonen – hij zal naar Sepentraea worden
gestuurd –
niet als leider, wat hij misschien is geweest – maar als gevangene. Je
kunt
je
een
beeld
vormen
van de slechtheid van die man, als ik je vertel dat
wij
besloten hebben om een compagnie Scythische soldaten in te zetten. Wij
kunnen
niet zeggen in hoeverre zijn intriges de gewone troepen hebben
doordrongen.”
Haar
vader
wierp
het
hele
gewicht
van
zijn
onverzoenlijke blik op haar. Zij voelde
de stalen vastberadenheid en het onvermurwbare voornemen waarmee hij
zijn weg
had bevochten en elke tegenstander had neergeslagen. In haar
machteloosheid was
haar enige gedachte dat zij op een of andere manier Harold moest
waarschuwen.
Hij
beschouwde haar stilzwijgen als overgave. “Iemand die jou lang heeft
liefgehad
en die, volgens mij, niet zonder bezieling is, is vandaag hier om je
ten
huwelijk te vragen. Je moet luisteren naar de ingevingen van je hart en
naar
mijn wens om daarin toe te stemmen.”
"Maar, Papa,
ik
heb al zoveel
mensen moed ingesproken, zoals u dat noemt.”
"Je
weet vast wie ik bedoel, Edward Forest.”
"Ik
hou heel erg veel van Edward.”
"De
een zaait, de ander maait, mijn kind, maar laten we het daar niet over
hebben.
Ben je het eens dat het Edward Forest wordt?”
"Hoe
kan
ik
dat
nou
zeggen,
voordat
hij
me heeft gevraagd?”
"Geen
gekheid,
meisje.”
Laura
deinsde
terug,
ze
was
wanhopig,
ze
moest
meteen Harold iets laten horen. Wat
zou
er gebeuren als zij zichzelf voor haar hele leven zou binden, nu zij
Harold zou
kunnen redden!
"Ja,
vader,”
zei
ze.
"Je
moet me goed begrijpen, Laura, ze hebben je vandaag met die Wall zien
praten.
Ik wil niet dat je erin betrokken wordt. Je mag niet onder mijn ogen
vandaan, totdat je mijn huis voorgoed
verlaat.”
"U
hebt niet veel vertrouwen in me, Vader.”
"Hoe
zou
ik
dat
kunnen
met
zo’n
veelbetekenende
uitdrukking op je gezicht – nee,
Laura, eens zul je me dankbaar zijn.” En hij liet haar alleen.
Toen
ze
opkeek,
stond
Edward
Forest
voor
haar.
“Omdat je erin hebt toegestemd
me te
zien, krijg ik hoop. Je hebt gezien dat mijn liefde de jouwe is,
aanvaard je
mijn levenslange toewijding?”
Haar
zwijgen
gaf
hem
moed.
Hij
kuste
haar
bleke koele lippen. Het was teveel – wat
stelde haar instemming, haar toegeven voor, als zij Harold niet zou
kunnen
redden. Ze was razend, vooral omdat haar vader zo stiekem
voorzorgsmaatregelen
had genomen om te voorkomen dat zij hem zou verraden.
Ze
duwde hem weg en zei, “Ik wou dat ik dood was.”
"Laura,
hoezo,
heb
ik je dan gekwetst? Je vader heeft me verteld
dat je
geen hekel aan me had.”
Eén
moment bood ze weerstand – hij keek zo triest, en een enkel woord van
haar zou
zo’n blijdschap op zijn gezicht toveren, dat hij alles voor haar zou
willen
doen. Ze wist zeker dat ze hem kon ompraten om haar boodschap over te
brengen.
Maar zij herinnerde zich de woorden van Farmer, “Waarheid en
oprechtheid komen
pas aan bod als alle andere middelen falen.”
Ze
lachte
opgewekt. “Kijk niet zo beteuterd, Edward,” zei ze, “Papa heeft me voor
de gek
gehouden.”
Ik
heb alleen maar gezegd dat ik met je wilde trouwen, om de kans te
krijgen om je
alleen te spreken.
Ik
denk dat je me kunt krijgen, als je erop aandringt, maar er is iets dat veel belangrijker is.”
"Iets
voor
mij?”
zei
hij,
“als
de
wereld
er morgen niet meer is?”
"Maar
daar
komt
geen
einde
aan;
wij
gaan
allemaal lang en gelukkig leven en jij
kunt
daarmee helpen, meer dan wie dan ook – jij bent vast niet op de hoogte
van de
gunstige berichten en hoop, of wel?”
"Nee, Laura, ik heb gehoord dat het allemaal tevergeefs
is.”
"Denk
je
dan,
Edward,
dat
God
deze
prachtige
wereld alleen maar heeft geschapen
om
haar op die manier te vernietigen?”
"Het
zorgt
er
niet
voor
dat
ik
in
God geloof.”
"Edward,
ik
zal
je er alles over vertellen. Je weet dat in
vroegere tijden
mensen boodschappen van God kregen, die vertelden wat zijn wil was.”
"Ja,
dat
heb
ik gehoord.”
"En
heb je je ooit afgevraagd waarom dat altijd door mensen gebeurde en
niet door
een of ander reusachtig wezen?”
"Nee,
ik
heb
die dingen altijd op gezag van anderen
aangenomen.”
"Welnu,
ik
zal
je zeggen waarom. Denk je echt dat jijzelf je
ziel bent?
Denk je niet dat het zoiets als je lichaam is, alleen heel dun en
schimmig,
niet precies echt, maar net zo gevormd als ons lichaam?”
"Ja,
ik
vermoed
dat
ik
daar
zo
over
denk, als ik er al aan denk.”
"Maar
dat
is
helemaal
verkeerd.
Ik
zal
je
vertellen wat mijn oom zegt. Hij heeft
ontdekt
dat wat wij de hele ruimte noemen, daar maar een klein stukje van is.
En we
worden op een merkwaardige manier beperkt in alle bewegingen die ons
lichaam
maakt. Er bestaan echt drie dimensies en niet maar twee. De echte
wereld is een
wereld van een hogere ruimte. Als we over onszelf in een hogere ruimte
willen
denken, moeten we eerst de andere kant op en denken over een wezen in
een
wereld van een lagere ruimte. Denk maar aan een wezentje dat beperkt is
tot een
leven in een rechte lijn. Een dergelijk wezen zou helemaal niet
bedenken dat
het ergens tegen leunde, maar zou denken dat wat voor en achter hem is,
de hele
ruimte uitmaakt, en het zou niet ontdekken dat het zich bovenop iets
anders bevond.
Dus wij, in de drievoudige wereld, worden ondersteund in een richting
die wij
niet kennen. En net zoals het lijnwezentje in werkelijkheid een
bepaalde dikte
moet hebben, moeten wij een dikte hebben in een richting die wij niet
kunnen
aanwijzen.”
"Je
weet dus dat ze ons hebben verteld dat onze zielen in de wereld zijn
gekomen en
de beperkingen daarvan op zich hebben genomen. In werkelijkheid is de
zaak als
volgt: onze zielen, deze hogere wezens, zijn in een gedeelte van het
universum
terecht gekomen, waar het werk dat gedaan moet worden, zich in onze
tweevoudige
ruimte bevindt. Het is alsof iemand van ons een heel nauwe tunnel zit,
waar hij
maar één kant op kan.”
"Wat
dat
werk
is
weten
we
nog
niet,
maar het begint met het overwinnen van de
wereldproblemen en allemaal eendrachtig samen te leven, zodat we samen
kunnen
werken, als we weten wat er de doen staat. De zielen die in deze wereld
terechtkomen
vormen hechte groepen, en een heel groot aantal van allerlei soorten,
sluit
zich aaneen en bezielt een lichaam, maar ze staan allemaal onder een
enkele
ziel, iemands ware zelf. En die ware-zelf-ziel stuurt alle andere in
het
lichaam, zoals een kapitein op een schip een heleboel mensen stuurt,
waarbij
iedereen zijn eigen werk heeft. En de sturende ziel die tot
taak
heeft
onze
handelingen
te
sturen,
deze
ziel
vergeet vrijwel helemaal haar ware bestaan; zij is zeer trouw aan haar
werk en
wordt daardoor opgeslorpt. Zij denkt dat zij maar twee dimensies heeft
en niets
wat ze ziet, herinnert
haar aan haar ware
bestaan. Wij zijn verborgen voor alle andere zielen van het universum,
zoals
iemand in een nauwe tunnel dat voor ons zou zijn. Als de andere zielen
tot ons
willen spreken, moeten zij zich verplaatsen naar onze omstandigheden;
zij
moeten een van onze beperkte lichamen aannemen – daarom heeft de stem
van God
altijd via mensen gesproken. En nu weet God dat er een groot gevaar
dreigt, dat
zijn hele werk gaat verknoeien. Daarom heeft hij ons gestuurd. Hij
heeft een
ziel met een boodschap gestuurd, zodat wij weten wat er echt met ons
aan de
hand is, zodat wij, door onze eigen ware manier van handelen te
begrijpen, niet
die van het lichaam maar die van de ziel, een volledig nieuwe manier
van werken
leren en onszelf zullen redden.”
"Maar, Laura," zei Edward Forest, "wat heb jij een
merkwaardig
idee over de ziel; de taak van de ziel is het goede te doen, goed te
worden en
zichzelf te verbeteren.”
"Nee,
het
is
een heel armzalige ziel die dat denkt,’ zei
Laura, “alle
mensen met een grote ziel proberen iets tot stand te brengen in de
wereld –
zoals mijn vader. Hij heeft een grote ziel, maar een heel verkeerde;
goede
zielen verlagen zichzelf natuurlijk niet door verkeerde dingen te doen;
als zij
niet kunnen krijgen wat ze oprecht willen, zouden zij het liever
opgeven en het
een ander laten proberen. Er zijn er veel meer. Maar, Edward, zeg dat
je me
gelooft, je ziel moet voelen dat wat ik zeg waar is.”
"Ik
zie niet dat dat iets te maken heeft met de botsing met Ardaea,” zei ze.
"Ah,
dat
is
nou juist wat het wel heeft, want we hebben nooit
gedacht
aan dat steunvlak waar wij ons tegenaan bevinden. We zitten tegen iets
aan en
er bestaat een manier waarop wij ons daaraan vast kunnen houden, zodat
wij de
manier waarop de aarde voortbeweegt kunnen veranderen.”
"Ben
je
daar
zeker
van,
Laura?"
"Ja,
ik
ben
er zo zeker van, Edward, en ik wil iets doen om
mee te
helpen.”
"Hoe
bedoel
je?”
"O, Edward, begrijp je dan niet dat mijn vader dat
allemaal gaat
stoppen en dat ik je dat toevertrouw?”
Op
het gezicht van Forest verscheen een uitdrukking die zo raadselachtig
was, dat
Laura ophield –
“Wat
is
er,
Edward,
ben
je
bang?”
"Nee,"
zei
hij,
“er waren wat tegenstrijdige gevoelens,
waardoor ik mijn
voorhoofd fronste. Ik weet niet zo goed waar ik aan toe ben.”
"Je
bent nu hier en wil me helpen,” zei ze.
"Ja,
natuurlijk,
Laura,”
zei
hij,
“maar
er
is
nog iets anders.”
"Denk
je
niet,”
ging
hij
verder,
“dat
jij
jouw talenten in het huishouden zult
vergooien? Er steekt een uiterst welbespraakte professor in jou.”
"O,
zeg dat niet,” antwoordde ze.
"Als
ik
weer
thuis
ben,
zal
ik
mijn
hele kennis van wiskunde, geesten,
astronomie en
ook theologie weer op moeten halen, Laura. Ik denk dat het heel
vermoeiend zal
zijn.”
Ze
keek hem geschrokken aan.
"Ik
heb je nu een voorstel gedaan,” ging hij verder, “maar ik wist niets af
van je
talenten. Ik vraag me af of je overgehaald zou kunnen worden om mij
mijn
voorstel in te laten trekken.”
Ze
keek hem peinzend aan, een vreemde mengeling van opluchting en
ontsteltenis beving
haar. Geen enkele invloed op hem hebben! Zijn hele lange toewijding
door maar
een paar woorden verdampt! Ze kon het niet aan – en toch, op geen
enkele manier
gebonden!
"Ik
wacht op je antwoord, Laura, mag ik het intrekken?”
"Onder
voorwaarden”,
antwoordde
ze.
"Goed,"
zei
hij,
“onder voorwaarden – ik zal je zeggen welke –
dat ik je
beste vriend mag zijn en dat ik je op elke mogelijke manier mag helpen.
Wat wil
je dat ik nu doe, meteen?”
"O, Edward," zei ze, met tranen van dankbaarheid, “ik zal
nooit
vergeten hoe goed je me hebt begrepen.”
"Laura,"
zei
hij,
“je bent fantastisch, je doet me denken aan de
profetessen
en sybillen van vroeger. Je hebt een grootse loopbaan voor je.”
"Vertel
me
nou
eens,”
ging
hij
verder
op
zakelijke toon, “ik denk dat er iets heel
dringends is – iets wat je me meteen wilt laten doen.”
"Ja, Edward," zei ze, “het hangt allemaal van jou af. Mijn
oom weet
hoe hij de wereld kan redden, maar gaf de hoop op, toen het niet lukte
dat
anderen zich bij hem aansloten, totdat Harold bij hem kwam en hij hem
kon
vertellen wat er moest gebeuren. Harold heeft dus een onderhoud met hem
gehad.
Nou gelooft mijn vader daar helemaal niets van. Hij denkt dat Harold
gebruik
maakt van de angst van de mensen om een revolutie voor te bereiden. Hij
beschikt over een bevel om hem te arresteren en gaat een compagnie
Scythen op
hem af sturen om hem te arresteren. Je moet Harold nu waarschuwen.”
Edward Forest fronste zijn voorhoofd. “Ondanks zijn hele
inschattingsvermogen,
maakt jouw vader een fatale vergissing. Ik heb hem gezegd dat dat
werven van
die barbaren, als een speciaal regiment, een vergissing was. Er bestaat
geen
twijfel over de loyaliteit van het leger, en als dat wel zo was, zou
zo’n teken
van wantrouwen uiterst dom zijn. Ik zal Wall gaan vertellen wat jij
zegt, maar
je vader is niet iemand die eerst dreigt voor hij toeslaat; de klap is
waarschijnlijk al gevallen.”
"Nee, Edward," zei ze, “nog niet; ik weet dat het nog niet
is
gebeurd, want hij houdt mij hier vast.”
"Ik
ga meteen,” antwoordde hij, “je moet niet zo bang zijn.”
In
het paleis van de Bolbewoners, stond Farmer voor de machtige plenaire
vergadering van prelaten, priesters en geestelijken van elke
denominatie. De
invloed en kracht van hun karakters, die hem zo vreemd waren, leken
geen indruk
op hem te maken. In een paar simpele woorden legde hij zijn gedachten
voor hen
op tafel, op een manier waarvan hij dacht dat ze dat het beste zouden
begrijpen.
"Wie
zal
vertellen
wat
in
de
geschiedenis
van
ons ras de opdracht en het plan is
geweest, waardoor wij op deze grote waarheden zijn gestuit, kennis die
ons
onthult wat we zijn en waardoor wij invloed en greep op ons lot
krijgen?”
"Ik
kan geen opdracht of plan ontdekken, behalve dat wij, als het zover is,
alles
zullen aangrijpen wat van belang is om te weten.”
"Dus
lang
geleden,
toen
onze
mechanische
krachten
nog
niets voorstelden en onze
rationele kennis van de natuur belachelijk pover was, hebt u – met de
mensen
die zich door uw bemoeienissen bij u hebben aangesloten – hebt u dus de
ziel
ontdekt. Er bevindt zich iets binnenin ons, dat boven het lichaam
uitstijgt en
daar los van staat en dat een hoger doel dient dan louter zelfbehoud.
Maar deze
ontdekking, groots en in alle opzichten belangrijk, was niet volledig
en
afgerond; het hing af en hangt nog steeds af van een innerlijke
intuïtie van de
menselijke natuur, en was en is niet gerelateerd aan het rationele
systeem van
dingen, zoals wij dat kennen.”
"En
toen het onderzoek naar de aard van de materiele wereld om ons heen
geleidelijk
vooruitgang boekte, viel deze ontdekking van de ziel, die nabije en
vertrouwde
kennis, niet langer samen met wat onze zintuigen registreerden.”
"We
vonden namelijk geen echte plek waar de ziel naartoe kon, zoals in de
vroegste
tijden stilzwijgend werd geloofd. Wij dachten dat het lichaam niets
anders was
dan een dierlijk organisme. En daarom moet je tot op de dag van
vandaag, als je
je boodschap aan de wereld verkondigt, op een ander bewijs vertrouwen,
op
andere principes, dan die, die de normale gang van zaken regeren.”
"Maar
ik
heb
de
ziel
opnieuw
ontdekt.
Ik
heb haar niet ontdekt via een
innerlijke
overtuiging, niet door de overweldigende energie van haar oordeel over
ons
geweten en onze daden. Ik heb haar ontdekt als een echt wezen, dat
evenveel bijdraagt
aan de visie op deze fysieke wereld, als ze heeft gedaan om onze
verwachting
als menselijke wezens te vergroten. Net zoals de intuïtieve kennis van
de ziel
ons zedelijk bestaan boven het instinctieve van het dier heeft
verheven, zo
verheft de verstandelijke kennis van de ziel ons intellectuele bestaan
boven de
gewone gang van zaken.”
"Want
in
ons
denken
hebben
we
een
leven
geleefd, waarin wij berustten in de
onderdrukking van het lichaam, terwijl wij – ons wezenlijke zelf, onze
ziel - ,
als wij ons ware bestaan kennen, daar vrij van zullen zijn. En deze
kennis komt
tot ons, juist nu het nodig is, juist op het moment dat wij boven onze
toestand
van onderwerping uit moeten stijgen, om onszelf te redden.”
"Dat
zou
ons
naar
de
grotere
en
hogere
wereld leiden. En keer u niet van mij af,
als
u denkt dat ik het over onbeduidende dingen heb. U verhaalt ons over
het summum
van liefde, tot uitdrukking gebracht in alledaagse plichten. Wij
bereiken de
vrijheid van ons intellectueel bestaan door het denken over alledaagse
en
onbeduidende dingen.”
"Ik
zeg u dat het idee van vroeger dat de ziel iets werkelijk bestaands is,
juist
is, niet ontdaan van de franjes van ons leven, ja eerder nog steeds
meer omhuld
met een onbeschrijfelijke volheid van bestaan – dat zou u moeten weten
– volg
me en u zult de ziel rationeel en welbewust leren kennen, terwijl u
haar nu
kent als iets dat boven de trage passen van het verstand uitspringt.”
"De
te volgen weg is de volgende. Bedenk een wezen dat tot een lijn is
beperkt. U
zult misschien denken aan een insect, dat niet zonder zijn houvast kan,
maar
dat beeld is onjuist, want voor zover het insect de plek voelt waar het
op zit,
heeft het weet van twee dimensies. Een
wezen
dat
beperkt
is
tot
een
lijn,
zou
geen flauw benul van iets anders hebben,
dan wat
zich in diezelfde lijn voor of achter hem bevindt. En het is juist door
dat
soort beperking van zijn bestaan dat hij bepaalde handelingen als
onmogelijk
beschouwt.”
"Het
lijnschepsel
heeft
twee
uiteinden,
dat
wij
het
kopeinde en staarteinde zouden
kunnen noemen. De kop wijst de ene en de staart de andere kant op. Met
geen
mogelijkheid kan het lijnwezen deze richtingen onderling verwisselen.
Stel nu dat
er twee lijnwezens zijn, waarbij de kop van het ene de ene kant opwijst
en de
kop van het andere de andere kant. Voor hen zou het onmogelijk lijken
dat ze zo
zouden worden neergezet dat hun koppen dezelfde kant uit zouden wijzen.”
"Wij
zien
echter
dat
het
eenvoudig
is
om
ze zo neer te zetten dat ze dezelfde
richting uit wijzen. We kunnen ze gewoon omdraaien zodat ze dezelfde
kant op
kijken. Dat kunnen wij doen omdat wij gebruik kunnen maken van twee
dimensies.
Omdat zij niet in staat zijn om zich in twee dimensies te bewegen,
denken zij
dat het niet kan. Zij denken dat het bij de aard van de ruimte hoort
dat dat
niet mogelijk is. Maar wij zien dat het feit dat het voor hen niet
mogelijk is
om zich zo te verplaatsen dat ze dezelfde kant op wijzen, gewoon laat
zien dat
ze beperkt zijn, dat zij bij het bewegen van hun lichaam niet over
mogelijkheden
beschikken, die in feite wel bestaan.”
"Als
wij
nu
naar
onszelf
kijken,
ontdekken
we
ook iets wat niet kan. Stel je
twee
rechthoekige driehoeken voor, die symmetrisch op een rechte lijn zijn
geplaatst. We kunnen deze driehoeken blijven verschuiven, maar we
kunnen de ene
nooit de plaats van de andere in laten nemen – er blijft altijd enige
incongruentie bestaan.”
Ik
zeg dus dat die onmogelijkheid geen echte onmogelijkheid is – het is
gewoon een
gevolg van onze beperktheid. Als wij ons in de derde dimensie zouden
kunnen
bewegen, zouden we heel eenvoudig een van die driehoeken zo kunnen
plaatsen,
dat die precies in ruimte van de andere zou passen. Het is dezelfde
onmogelijkheid die wij als teken van onze eigen beperking beschouwen.
Neem
nou
het
lijnwezen.
Het
ontdekken
van
de
tweede dimensie zou hem er bewust
van
maken, dat hij altijd met iets in contact staat – zijn wereld is niet
een
wereld van een lege ruimte, maar een die op iets anders steunt – er is
iets aanwezig,
waar hij zou denken dat een lege ruimte bestond, iets dat tegen hem aan
ligt.
"Dat
geldt
ook
voor
ons.
Als
wij
rechtop
staan en onze handen bewegen, denken we
dat
wij ons in een lege ruimte bevinden, afgezien van de rand van de aarde
waar we
op staan. Maar dat is niet zo. Voor ons bestaat er ook iets dat zich
naast ons
bevindt, en hoe wij onszelf ook bewegen, wij maken daar altijd contact
mee en
wij bewegen daar langs, welke kant wij ook met onze armen uit wijzen.”
"Het
bestaan
zelf
strekt
zich
grenzeloos
uit,
ondoorgrondelijk,
aan beide zijden van
dat naastgelegen iets. Als u dat beseft, dan kan niemand meer twijfelen
aan wat
ik heb gezegd; als u dat eenmaal tot u door laat dringen, zult u nooit
meer
naar het blauwe hemelgewelf staren zonder een bijkomend mysterieus
gevoel.
Hoever u uw blik ook in die peilloze diepten zult werpen, die glijdt
dan
slechts langs iets bestaands, dat zich onpeilbaar uitstrekt in een
richting,
waar u niets over weet.”
"En
als wij dat weten, valt ons iets van dat oude gevoel van het hemelse
wonder te
beurt, want dan vullen niet langer gesternten de hele ruimte met een
eindeloze
herhaling van hetzelfde, maar bestaat er de mogelijkheid van een
onverhoeds en
wonderbaarlijk begrijpen van wezens, waar de mensen van weleer over
droomden. En
als wij alleen maar over dat hele gevoel heen konden kijken, zouden we
weten
wat er aan beide zijden van al het zichtbare ligt.”
"Dat
begrijpen
ligt
in
de
toekomst
–
maar
wat betekent het nu voor ons?”
"Als
u
het
mysterie
van
ons
bestaan
wilt
verklaren, onze relatie met het
omvangrijkere universum wilt ontdekken, ga dan terug en vraag u af hoe
een
lijnwezen zou kunnen bestaan. In een lijn kan geen enkel werkelijk
wezen
bestaan. Alle werkelijke dingen of wezens moeten over alle bestaande
dimensies
beschikken. Maar een werkelijk wezen zoals wijzelf, onmiskenbaar in het
bezit
van twee dimensies, kan in omstandigheden verkeren, die het slechts als
een-dimensionaal ervaart. Het kan deel uitmaken van een structuur die
tot een
een-dimensionale beweging is beperkt.”
"Denk
bijvoorbeeld
aan
een
schip,
dat
op
het
water vaart. Het kan maar in een lijn
bewegen. Stel dat de kapitein die het bestuurt, zich niet bewust is van
zijn
eigen bewegingen en gewoon bij al zijn gedachten de beweging van het
schip betrekt
en zichzelf daarmee identificeert, dan zou hij zichzelf als een
lijnwezen kunnen
zien. Maar als op een of andere manier het idee in hem zou opkomen, dat
er twee
dimensies zijn, als hij bij zijn eigen lichaamsbesef te rade zou gaan,
en zou
beseffen dat hij op zichzelf staat en los staat van wat hij bestuurt,
dan zou
hij over een overvloed aan ervaringen beschikken van twee-dimensionale
bewegingen. Het enige wat hij zou hoeven doen is zichzelf wakker
schudden en
zich bewust worden van zijn eigen wezenlijke manier van bestaan.”
"Zo
is dat ook bij ons.”
"In
wezen zijn wij hogere wezens, in bezit van een hogere manier van
handelen, dan
wij bij onze lichaamsbewegingen beseffen. Dat wezen, dat wij in wezen
zelf zijn
(ons zelf is), is de ziel, en op het moment dat het zich in zijn doen
en laten bewust
is geworden van zichzelf, als het heeft begrepen dat het meester van
zijn eigen
lichaam is en los van en boven een louter dierlijk leven staat, is het
klaar om
wakker te worden en te begrijpen dat het meer is dan de bewegingen van
de
dingen. De lichaamsbewegingen zijn ondergeschikt, veel ruimer, dan onze
eigen bewegingen.
De mechanismen en bewegingen, die met de ziel te maken hebben, zijn
superieur
aan diegene, die het kan vatten door middel van het gevoel, superieur
aan
diegene die het ziet door middel van het lichamelijke zien.”
"Je
kunt dat bewijzen door het zelf te proberen. Ik heb mijn eigen ziel
gewekt en
kan nu denken aan drie-dimensionale dingen, hoe ze werken en elkaar
beïnvloeden.”
"En
ik heb ontdekt wat voorbij alles ligt wat ik u heb verteld, dat, net
zoals de kapitein
van een schip, een activiteit ontplooit die onafhankelijk van het schip
is. Zo
ontplooit onze ziel een activiteit die onafhankelijk is van het
lichaam. Onze
ziel kan een werking uitoefenen op het naastgelegen iets. Wijzelf, de
aarde en
al het andere, glijdt in de baan waarin onze planeet beweegt, in een
snel tempo
over dat naastgelegen iets. Bij elke beweging die wij met ons lichaam
maken,
oefenen wij alleen maar een werking uit op dingen, die allemaal op
dezelfde
manier deel uitmaken van deze beweging. Maar onze zielen kunnen
rechtstreeks invloed
uitoefenen op het naastgelegen iets. En door die werking beschikken wij
over de
mogelijkheid om de richting van onze bewegingen te beïnvloeden, anders
dan door
tegen iets dat we kunnen zien aan te drukken of te trekken.”
"Op
dit moment is het nog duister hoe dit moet worden gedaan. De organen in
het
lichaam, waarmee de ziel dit resultaat teweegbrengt, zijn voor ons te
klein om
ze te kunnen onderscheiden. Het enige wat we weten is dat we rationeel
hun
bestaan kunnen voorspellen. En die oude legenden over mensen die de
lucht in
stegen of door de lucht vlogen, zijn juist gebaseerd op het feit dat er
een
relatie bestaat met dat naastliggende iets, dat iemand in staat stelt
om door
de activiteit van zijn ziel, niet gestuurd op de manier van al onze
andere
gewone lichamelijke uitingen, de richting van zijn beweging ten
opzichte van de
beweging van de aarde te veranderen.”
"Als
ik
mijn
geest
met
bezieling
vul,
en
mij voorstel dat ik als een engel
opstijg
en door de lucht zweef, komt dat omdat mijn ziel iets doet waardoor ik
omhoogstijg, namelijk door mijn richting te veranderen door in te
werken op het
naastgelegen iets.”
"Als
alle
mensen
dezelfde
gedachten
zouden
hebben,
zouden
ze allemaal de neiging
vertonen om op te stijgen en zou de samengebalde kracht enorm zijn,
genoeg om
de koers van de aarde in haar omloopbaan te beïnvloeden. De kracht zou
groot
genoeg zijn maar, tenzij die gereguleerd zou worden, zou het effect van
de
kracht die op het ene moment werd uitgeoefend, teniet worden gedaan
door een
die op een ander moment zou aangrijpen.”
"Als
we
echter
geschikte
momenten
uitkiezen,
kunnen
we,
door spirituele
oefeningen,
door het hele mensdom verenigd in de gedachte aan een verheerlijkt
opstijgen en
zweven boven de aarde, de koers van onze planeet wijzigen. We kunnen
net die
minieme afwijking bewerkstelligen, die ons in staat zal stellen om
Ardaea veilig
te passeren.”
"U
staat nu oog in oog met het probleem. Het gevaar bestaat echt. Het
dwingt ons
om te stoppen met het verklaren van de wereld met onze ideeën en in
plaats
daarvan moeten wij proberen om de werkelijkheid te begrijpen.”
Nou
waren er in Astria een soort filosofen, die het Al als een reusachtig
wezen
beschouwden, dat gericht was op zijn eigen ontwikkeling. Ze zeiden dat
er
verschillende mensen waren, die
bedenkingen
hadden over het feit dat dat wezen zijn eigen gedachten gebrekkig en
onvolledig
begreep. Sommige denominaties vonden dat deze filosofen een waardevolle
bijdrage hadden geleverd aan het verdedigen van de godsdienst en werden
voor
zeer diepzinnig gehouden. Een van hen rees overeind en sprak:
“Wij
kunnen
nooit
buiten
onze
eigen
ideeën
geraken;
het is absurd om te spreken
over
de werkelijkheid, alsof dat iets anders zou zijn dan een idee.”
"Ik
blijf niet,” zei Farmer, “om over dit probleem te discussiëren. Dat is
alleen
maar een kwestie van woorden. Ik heb voor mijzelf ontdekt, dat woorden
nooit
een doorslaggevende betekenis hebben als je ze nauw bekijkt, maar van
een
afstand kunnen ze heel goed dienen om een algemene tendens of een
onderscheid
aan te duiden. En het onderscheid waar ik op heb gezinspeeld is
duidelijk. Van
onze twee-dimensionale lichamen hebben wij, of krijgen wij door
abstraheren,
het idee dat zij door een rand worden begrensd. En vanuit deze rand of
lijn,
kunnen wij de verdere abstractie van een punt maken. Wij kunnen
proberen om,
door van deze abstracties, deze ideeën, gebruik te maken, de wereld te
verklaren. Aan de andere kant kunnen we proberen te begrijpen dat wat
wij over
de dingen denken louter abstracties zijn. Wij moeten ideeën vormen, die
wij
niet hebben gekregen. En met het oog op die noodzaak, die al eerder aan
de orde
is geweest, denk ik dat de globale en kant-en-klare manier die wij
hebben om
onze ideeën tegenover de werkelijkheid te stellen, blijkt geeft van en
wijst op
een verschil in onze manier van te werk gaan. Om Ardaea aan te kunnen,
moeten
we nieuwe ideeën ontwikkelen, want met onze huidige ideeën, zoals u
best weet,
is er geen mogelijkheid om vernietiging te voorkomen.
Ik
heb ontdekt dat ik, door bepaalde gedachten te denken, de activiteit
van dat
echte wezen, mijn ziel dus, willekeurig kan sturen. Ik kan mijn eigen
gewicht
veranderen. Iedereen heeft de kracht in zich om dat te doen. Een
gewichtsverandering kan echter alleen plaats vinden door ons inwerken
op het
naastgelegen iets, en dat is nou juist de handeling die nodig is om de
koers
van onze planeet te veranderen. Onze zielen hebben dat vermogen. Door
de
gedachten die deze werking teweegbrengen in te voeren in uw vormen van
aanbidding en uw gelovigen te bewegen, die met een vurige toewijding te
volgen,
kunt u de koers van de aarde veranderen en veilig langs Ardaea scheren.
Elke
wezen moet soms rekening houden met de onherroepelijke feitelijkheden
van zijn
bestaan of anders te gronde gaan. Dat is bij ons nu het geval. Hoewel
wij, voor
zover het onze lichamelijke lotgevallen betreft, in een
twee-dimensionale
toestand verkeren, moeten wij handelen naar de drie-dimensionale
werkelijkheid.
"En
als uw gelovigen door deze aanbidding de wereld geleidelijk in
veiligheid
brengen, kunt u met de waarheid voor de dag komen, waar zij
aanvankelijk
ondoordacht en blind op zullen reageren; u kunt ze dan vertellen over
echte
ziel. Zelf zullen jullie niet langer blind in de traditie rondtasten,
maar meer
te weten komen over de ziel. Jullie zullen het bestuderen van de ziel
niet
alleen benaderen vanuit het bewustzijn, maar als een objectieve
werkelijkheid.
En als jullie aarzelen om mijn visie over te nemen, omdat jullie denken
dat
jullie de ziel verlagen door haar als iets kleins te beschouwen, moeten
jullie
bedenken dat jullie haar, hoewel ze klein is, in ieder geval wel kunnen
meten, ze
heeft immers een dikte in één richting,
die
jullie
niet
kunnen
aangeven.
Er
bevindt
zich
meer in een vierkant, zij
het
weinig, dan in een oneindige lijn. En dus bevindt zich genoeg materie
in een
ziel om eindeloze universa te vormen, zoals wij die opvatten.”
Tijdens
deze
hele
toespraak
bleef
de
paus
van
de Bolbewoners onbeweeglijk zitten;
zijn
gelaat, bleek en mager, was als van een dode, die niet door woorden
bereikt kan
worden, en zijn blik was alsof hij in een diepgelegen gewest was
weggezonken,
waaruit hij nooit zou weerkeren.
De
eerste die het woord nam was een bisschop van de Letterlijke Kerk. Zijn
leer
hield zich getrouw aan de heilige schriften.
"Broeders,”
sprak
hij,
“als
wij
beginnen
met
het
zorgvuldige overwegen van wat wij hebben
gehoord, moet onze eerste gedachte zijn, ‘Hoe komt het overeen met de
boodschap, waarvan wij plechtig hebben beloofd, dat wij die de wereld
zullen
verkondigen?” Die van ons is een boodschap van verlossing, niet alleen
van
aards geluk, en wij moeten geen enkele belofte toestaan, hoe oprecht
ook, die
het licht dooft, waar wij over beschikken, of ons mogelijk kan
verzwakken in de
verkondiging van de waarheid.”
Farmer
viel
hem
in
de
rede:
"Juist,
u
ziet dat het alle sporen vernietigt van wat
u leert en waar u rekening mee houdt. Bij gebrek aan iets anders
feitelijks om
over te denken, identificeert u zich met deze lichamen en al uw ideeën
over
goed en kwaad concentreren zich op fysieke betrekkingen. U gelooft dat
de aarde
een plek is om deugden ten toon te spreiden. Wat u eet, hoe u trouwt,
weer scheidt,
hoe u zich richt tot uw eigen lichaam en dat van uw buurman – dat is
het enige
wat u denkt. U werpt niet eens een vluchtige blik op het echte werk van
de
mens, het is alleen maar een onbarmhartig bezig zijn met uiterst
onbelangrijke
zaken.”
Wall
zag
niet
dat
er
een
teken
werd
gegeven vanuit de zetel van de Bolbewoner,
maar
er moest een wenk zijn gegeven, want een prelaat die vlakbij de paus
zat rees
overeind.
"Wij
zijn
Mr.
Farmer
dank
verschuldigd,”
sprak
hij,
“omdat hij de echte kwestie
zo
duidelijk voor ons uit de doeken heeft gedaan, zodat wij daarover
kunnen
beraadslagen. Mr. Farmer is met een nieuwe opvatting over het lichaam
gekomen
en, als hij gelijk heeft, zal het nodig zijn dat wij onze ideeën over
de ziel
heroverwegen. Deze twee aspecten kunnen nooit door elkaar gehaald
worden, en
zijn kritiek op ons, in het licht van zijn nieuwe opvatting over het
lichaam,
is uiterst welkom. Maar die kwestie heeft niets te maken met onze
huidige
overwegingen. Zij zijn, als ik het goed begrijp, bedoeld voor ons doen
en laten
in de praktijk.”
Deze
paar
woorden
waren
voldoende
om
de
discussie
op inhoudelijke onderwerpen te
brengen. Er brak een tijd aan van een serieus debat, en de breinen van
de
deelnemers waren daar zo door in beslag genomen dat zij nauwelijks
aandacht
besteedden aan het schudden van de muren toen de aardbeving kwam. Ze
besteedden
geen enkele aandacht aan de tijdingen die hen vertelden over de
chaotische
toestand van de bevolking. De ene na de andere spreker leverde zijn
argumenten
voor of tegen de inzichten van Farmer, en langzamerhand bereikte de
stemming
van de vergadering het punt waarop zij verklaarde dat zij ervóór was om
een
openbare verklaring uit te doen gaan over de hele wereld, en alle
mogelijk druk
uit te oefenen op de regering om een onderzoekscommissie in te stellen.
Maar
Wall trad naar voren, terwijl zijn lange zwaard zijn stappen
begeleidde, tot
waar hij naar hun midden afdaalde.
"Er
is een stem,” sprak hij, “die binnenin iedereen spreekt en hem
uiteindelijk
vertelt wat hij moet doen. Dat is de stem van God. En in u bevindt zich
de stem
van God voor de mensen. U hebt dat al vele malen eerder verklaard. Dit
is niet
het moment om het zus of zo te draaien. Of dit is een goddelijk persoon
en
geloven wij hem, of hij is duivels en dan keren wij hem de rug toe. Ik
leg nu
een staf voor u neer – en hij maakte een gebaar alsof hij iets voor
zich neer
smeet – het is een ijzeren staf, die alles verbrijzelt wat hij raakt.
Dat is
het leger. Zijn eer ligt in gehoorzaamheid; als u het beveelt in naam
van God,
in wiens naam de gelofte bij elke taak staat, verdwijnt elke loyaliteit
aan
iets anders. Als één man, in afwachting van het horen van Gods stem,
staat het
leger dan voor u.”
De
plechtigheid van dat moment werd hen duidelijk, toen de
onbeschrijfelijke
invloed, die uitging van de man die had gesproken, de stilte doordrong.
Het
leek bijna alsof elk ademen was gestokt. Een enkel woord kon de afgrond
ontketenen. Door het vrijkomen van die onberekenbare kracht, belichaamd
in die
ene man, schrompelden de vredelievende mensen ineen, ontzet door zijn
eenvoudige woorden…..De paus van Bolbewoners en al zijn priesters,
prelaten en
monniken waren opgestaan. En van de lippen van de broze oude man, kwam
een
stem, helder en plechtig:
"God
heeft
gesproken,”
sprak hij, “met de stem van de dienaar
die hij heeft
uitverkoren. Hij heeft de wereld gered.” Toen legde hij zijn hand op
Wall en
sprak, “ik onthef u van uw gelofte. Verkondig de wereld de tijding van
de
Verlossing.”
[Wall
neemt
het
bestuur
van
het
land
over
en de Unaeërs beginnen een manier van
leven
met een dagelijks gebed volgens een schema dat door Hugh Farmer was
ontworpen.
Het gebed bestond uit het denken dat je een engel bent die omhoog naar
God
zweeft. Intussen maakt Cartwright zich meester van het wapenarsenaal en
probeert een tegenrevolutie in het leven te roepen, maar hij wordt door
Wall
overmeesterd. Een tijd lang denken Laura en Harold allebei dat de ander
niet
van haar of hem houdt, maar dat komt op zijn pootjes terecht. Tot slot
is het
tijd om te kijken of Farmer’s plan heeft gewerkt.]
Conclusie
Uiterst
nauwkeurige
observaties
die
dagelijks
gedurende
twee
jaar
werden uitgevoerd,
werden aan een uiterst minutieus onderzoek onderworpen en met de
uiterste
zorgvuldigheid uitgewerkt door deskundige rekenaars. En daaruit bleek
dat de
baan van de planeet een aanwijsbare fractie van een graad was
afgeweken. Aangetoond,
zichtbaar gemaakt, duidelijk gemerkt alsof er met een vinger op was
gewezen,
onthuld door hun gewijzigde koers in de ruimte, werden zij zich
allemaal bewust
van hun gemeenschappelijke wil. Het was alsof een ziel zich bewust werd
van
haar belichaming in een lichamelijk geheel. Opgewonden vreugde, de
wonderbaarlijke, de onverklaarbare kracht van het bewegen – dat was
over Unaea
heen gedaald. De bewoners van Astria wisten dat in hun met elkaar
samenwerken,
een wezen dat het oversteeg, zijn eigenmachtige koers was ingeslagen.
De
rijen van het gezonde verstand schrompelden ineen, het platform van
geschoolde
mening werd weggevaagd.
"Eppur si muove,(Galileo, En toch beweegt ze)" de grootse woorden, die het begin van het
begrijpen
van het leven markeerden, hetzij intellectueel, hetzij fysiek, hadden
geklonken
en deze planeet en alles wat zich daarop bevond, zwenkte naar haar
nieuwe baan.
Cartwright's
journalistieke
campagne,
zo omstandig voorbereid,
was
verslagen voor ze begon. De verplaatsingen en bewegingen waar de
astronomen
zich mee bezig hielden, waren echter zo gering dat sommige deskundige
critici
staande hielden dat het hele resultaat dubieus was, en aan fouten bij
het
observeren te wijten waren. Maar dergelijke muggenziftende stemmen
kregen geen
gehoor, om twee redenen:
In
de eerste plaats begon de winter, die anders inviel met een enorme
koudegolf,
mild en aangenaam en in de tweede plaats vond er bij de mensen een
verandering
van denken plaats.
Deze
uiterst
reële
en
levende
ruimte,
die
wij
kennen, kan worden beschouwd als een
voorbeeld van de wetten van samenwerking en verandering, en haar
eigenschappen
kunnen worden afgeleid uit de algebra, of ze kan gewoon als ruimte
worden
gezien en er kan van worden gehouden ter wille van de ruimte zelf. De
geest kan
haar steeds vollediger begrijpen in haar directe complexiteit, met een
weten
uit de eerste hand dat ze werkelijk bestaat, zelfs als daar de zin aan
wordt
ontnomen door haar uitgestrektheid in alle richtingen.
Maar
wie
zal
zeggen
wat
het
beste
is?
De magie van de algebra of de liefde voor
de
ruimte?
Maar
hoe
dan
ook,
in
Astria
gebeurde
het dat alle
beoefenaars van
de combinaties van een, twee en drie, en alle ontwerpers van alle
mogelijke
configuraties die vanuit abstracte principes in deze hogere ruimte
konden
optreden, er niet in slaagden om in de theorie van Farmer enig houvast
voor de
werkelijkheid te vinden.
Maar
onder
de
mensen
die
hadden
geleerd
om
met behulp van modellen de aspecten en
zienswijzen van de hogere werkelijkheid zichtbaar en tastbaar te maken,
waren
een aantal die, door een soort innerlijk ontwaken, opeens wisten wat de
derde
dimensie was.
En
deze mensen, die liever voelden, dan dat ze over die hogere ruimte
redeneerden,
beseften in het diepst van hun hart wat deze arme zwervers in een land
van twee
dimensies nooit konden zien of aanraken – de eigenlijke aard van
bewegende en
werkende drie-dimensionale dingen – zaken die zij in hun platte
voorstellingsvermogen niet anders konden begrijpen dan dingen die op
elkaar
volgden. En met dat weten van hun diepste gevoel, zagen zij bij het
onderzoek
van de minutieuze en verborgen processen, die zich in de natuur
afspeelden, een
patroon en voorbeeld, dat hun geheimen ontsloot.
Ze
ontdekten dat vele merkwaardige en onverklaarbare resultaten,
sfinx-achtige
wetenschappelijke raadsels, de meeste eenvoudige en te verwachte
gevolgen waren
van de bewegingen die zij innerlijk teweegbrachten. We zien heel
duidelijk dat
als de desbetreffende deeltjes klein genoeg zijn, de bewegingen, zelfs
in
Astria, drie-dimensionaal moeten zijn, want de dingen bestaan echt, en
al zijn ze
in de derde dimensie klein, ze zijn niet zo klein dat ze helemaal
verdwijnen. Zo
was de grondige kennis van de derde dimensie de sleutel die het
mysterie van
het hele kleine ontsloot. En zo, magnifiek gegidst tussen wat sommigen
als
gigantische waandenkbeelden zouden noemen en grote vergissingen door,
gleed het
gedegen schip van Het Denken veilig de haven binnen.
Farmer
volgde
het
werk van de jongere generatie met
belangstelling, maar
ook met een steeds intenser gevoel van zijn eigen onmacht. Voor hem
leek het
alsof de mens de gezegende vonk van de rede loochende, want alle dingen
die hij
in zijn lange jaren had kunnen ontdekken waren ontdekt door anderen,
die in
jaren voor hem nog kinderen waren. Hij verliet de drukke stad en
de
mensenmenigten en, deels gekwetst, deels met plezier, maar helemaal
verheugd
omdat het gevaar voor de dierbare wereld nu geweken was, wijdde hij
zich aan
zijn tuin in het verre Scythia. Die rebelse en vijandige geest vergat
haar
worstelingen en wisselvalligheden bij het kijken naar de kleine groene
parels
die uit de donkere aarde opsproten.
URL: www.tiac.net/users/eldred/chh/h9.html
Eric Eldred - eldred@tiac.net -
1996-11-08
|