www.verbodengeschriften.nl
Gedachten
over het
bestaan van de
ziel en het bestaan van God
Schrijver
onbekend
Uit:
Nouvelles
libertés de penser,
Amsterdam 1743

De
vooroordelen over de religie, die wij door de opvoeding
tijdens onze jeugd hebben opgedaan, zijn vooroordelen, waar wij ons
heel
moeilijk van los kunnen maken. Er blijft altijd een restje zitten, vaak
zelfs
als wij ze volledig achter ons hebben gelaten en overgeleverd zijn aan
onszelf.
Het is een uiterst krachtige invloed die ons meesleept en ons doet
terugkeren.
Wij veranderen van mode en taal, en er zijn duizenden dingen waar wij
ongemerkt
aan gewend raken om daar anders over te denken dan tijdens onze jeugd.
Ons
verstand is graag geneigd om niet de vormen over te nemen, maar de
ideeën die
het over de godsdienst heeft gevormd, zijn voor het verstand van een
respectabel
soort, dat het zelden durft te onderzoeken, en de indruk die die
vooroordelen
op iemand, tijdens zijn kindertijd, hebben gemaakt, sterven gewoonlijk
pas met
hemzelf. Je moet je er niet over verbazen dat het belang van het
onderwerp
waarover die vooroordelen beslissen en het voorbeeld van alle mensen
waar wij
van zien dat zij daar werkelijk van zijn overtuigd, meer dan voldoende
redenen
zijn om ze in ons hart te griffen op een manier waarop zij moeilijk
zijn uit te
wissen.
Zelfingenomenheid
is
van
alle
tijden.
Zij komt samen met
ons ter wereld. Op elke leeftijd vertrouwt men erop en is men er bang
voor. Men
wil dat in stand houden voordat men zichzelf kent. Het is niet vreemd,
dat
vooroordelen, die verantwoordelijk zijn voor onze angsten en
verwachtingen zo’n
grote indruk maken op een geheel nieuwe ziel, die ontvankelijk is voor
het
eerste dat men haar wil geven. Rusteloos door verwachting en angst,
zijn wij
onvoldoende voorgelicht om die twee hartstochten te sturen, en dragen
dat
vervolgens over aan mensen die wijzer zijn dan wij. Wij beseffen dat
wij de
lessen die zij ons leren moeten toepassen en daarmee hun werk moeten
voltooien.
Bovendien, als wij ons kunnen ontdoen van de ketenen van onze
vooroordelen om
ons over te leveren aan ons eigen verstand, doet de dichte duisternis
die ons
omringt ons terugkeren naar de beginselen die wij in de steek hebben
gelaten.
Het verstand heeft ons daar het belachelijke van laten zien, maar de
mens wil
weten wie hij is en wil niet twijfelen. En in dat verwarde verlangen om
zichzelf te kennen, gaat hij dingen verzinnen in plaats van te
redeneren. De
vooroordelen keren terug, geen enkele tegenstrijdigheid verbaast hem
langer, en
hij denkt dat hij het licht ziet, omdat hij de duisternis heeft
verlaten,
terwijl hij in een andere duisternis terecht is gekomen.
Van
alle bestaande wezens heeft geen enkel een meer innige
verhouding met de mens dan de mens zelf. Als hij zijn oorsprong wil
weten, moet
hij bij zichzelf te rade gaan. Hem is geleerd wie hij was, en alleen
hijzelf
moet leren wie hij is, zonder dat hij bij vreemde bronnen op zoek gaat
naar een
waarheid, terwijl hij weet dat het grondbeginsel daarvan zich slechts
in zijn
eigen hart bevindt. Laten wij vervolgens aannemen dat alles wat ons
bestaan
betreft voor ons altijd een onoplosbaar raadsel zal blijven. De natuur
heeft
ons het vermogen geschonken om te redeneren. Redeneren betekent
consequenties
trekken uit principes. Maar de natuur heeft ons niets geleerd over die
principes. Men heeft dat ondervangen en ze zelf gemaakt en omdat men te
ver
wilde doordringen is men op een dwaalspoor geraakt. De geest, die niet
krachtig
genoeg was voor de denkbeelden die zij wilde bevatten, heeft daar
slechts een
klein gedeelte van begrepen. Toch heeft zij het idee gehad dat ze alles
had
gezien, en wat nog erger is, is dat zij overeenkomstig daarmee verder
heeft
gedacht. Vandaar die tegenstrijdigheden die voortkomen uit al die
veronderstellingen,
die men heeft willen maken, en vandaar die eeuwige twistgesprekken
waarin
iedereen zich om de beurt aan moet onderwerpen, alsof de waarheid niet
behoort
bij dat gedeelte van de mensen die haar ondersteunt.
Wij
moeten niet proberen om teveel te weten, en tevreden
zijn met dat beetje kennis dat de natuur ons heeft geschonken. Wij
moeten niet
verder gaan dan de illusie van alle systemen te zien en daar de
tegenstrijdigheden van te onderkennen. Daarna hoef je, vanuit het enige
principe dat wij kennen, alleen nog maar een aantal heldere en
onmiskenbare
gevolgtrekkingen te maken en uit al die denkbeelden een leidraad voor
het
zedelijke gedrag te vormen. Dat is alles waar, volgens mij, de mens
naar kan
streven. Het is misschien te weinig voor zijn ijdelheid, maar genoeg om
zijn
zelfingenomenheid gerust te stellen.
Alle
godsdiensten gaan van twee principes uit, namelijk het
onderscheid in twee substanties, een stoffelijke en een geestelijke, en
het
bestaan van een God. Ik zal beginnen met een onderzoek naar het eerste
van die
twee principes.
Welk
beeld geeft men ons over de ziel? Men zegt dat het
iets is dat denkt en niets anders. Het lichaam is een hoeveelheid stof
en de
samenvoeging van die twee substanties vormt datgene wat wij een mens
noemen. Op
deze manier verenigt de mens in zichzelf het vermogen van het intellect
en de
eigenschappen van de materie, zoals een deelbare uitgebreidheid, met de
mogelijkheid om alle vormen aan te nemen. Wil dat zeggen dat de ziel
alleen tot
die eigenschappen is beperkt, omdat dat de enige zijn die zij ons laat
waarnemen?
Elke dag onthult zij ons eigenschappen die tot dan toe onbekend waren;
zij
verwerft zogezegd nieuwe eigenschappen, en verschijnt in onze ogen in
gedaanten, waarvan wij denken dat zij daar niet vatbaar voor is. Heeft
het
intellect een afkeer van uitgebreidheid? En als onze inzichten beperkt
zijn,
kunnen wij dan een term bedenken om haar eigenschappen te beperken?
Het
is een gezocht axioma dat je niet onnodig wezens moet
vermeerderen. Als je begrijpt dat de verrichtingen, die aan de geest
worden
toegeschreven, het werk zijn van de materie, die vanuit onbekende
drijfveren
handelt, waarom zou je dan een onnodig wezen bedenken, dat derhalve
geen enkel
probleem oplost? Het is gemakkelijk te zien dat de eigenschappen van de
materie
geen intelligentie uitsluiten. Maar je kunt je niet voorstellen hoe een
wezen
dat geen andere eigenschappen bezit dan intelligentie daar gebruik van
kan
maken. Hoe kun je een substantie, die geen enkele overeenkomst met de
materie
heeft, in feite waarnemen? Om dingen waar te nemen, moeten zij een
indruk op
ons maken en moet er enig verband tussen hen en ons bestaan; welnu, wat
is dat
verband dan? Dat kan dan alleen maar door de intelligentie komen en dat
wil
zeggen dat je, dat wat is, ter discussie wil stellen.
Wat
moet dan bovendien die eenheid van die twee substanties
zijn? Welke knoop verbindt hen met elkaar? Hoe moet het lichaam, dat op
de
hoogte is gesteld van de aandoeningen van de ziel, op zijn beurt met de
indrukken omgaan, die het krijgt? Toch is het niet naar aanleiding van
die
indrukken, dat de ziel van haar intelligentie gebruik maakt. Omdat de
ziel
denkbeelden had, moest het voldoende zijn dat er waarneembare dingen
waren, en
dat zij in staat was die waar te nemen. Waarom moet zij dan door
stoffelijke
organen op de hoogte worden gesteld van hetgeen zichtbaar is?
Wat
is intelligentie? Het is volgens de algemene begrippen,
het vermogen om te begrijpen, dat wil zeggen de dingen waar te nemen,
en ze
waar te nemen zoals ze zijn. Als de intelligentie op die manier wordt
gedefinieerd, lijkt zij niet vatbaar voor gradaties, omdat zij er voor
zorgt
dat wij nauwkeurig de waarheid waarnemen, en dat er maar één waarheid
bestaat.
Daarom moet de waarheid voor alle mensen hetzelfde zijn; maar waarom
zien wij
haar dan zo verschillend? Zij moet niet het onderwerp van dwaling zijn;
maar
waarom vergissen wij ons dan zo vaak?
Onze
vergissingen komen vooral voort uit het verband dat
wij tussen twee ideeën zien, en dat er niet is. Als wij bijvoorbeeld
zeggen die
vrouw is mooi, en zij in werkelijkheid lelijk is, komt onze
vergissing
voort uit het verband dat wij zien tussen het idee over die vrouw en
het idee
over schoonheid. Als dat verband dus een idee is, moet het een
activiteit van
het verstand zijn. Maar het intellect ziet de dingen zoals ze zijn,
omdat het
in de dingen slechts kan zien wat ze zijn. Toch moet het, om dat
verband te
zien, of in het idee over de vrouw, of over het idee van schoonheid,
iets
hebben gezien, dat er niet is, en dat kan niet, omdat het vanaf dat
moment geen
verstand meer is.
Ik
besef dat men mij kan antwoorden dat de ziel, met het
lichaam verenigd, daardoor wordt gehinderd en zich als het ware in een
gevangenis bevindt; dat die belemmering de bron is van haar
vergissingen, die
niet uit haarzelf voortkomen, maar uit stoffelijke organen, en dat die
stoffelijke organen bij alle mensen verschillend zijn. Maar dat het
intellect
dat in werkelijkheid overal het zelfde is, daardoor ook lijkt te
verschillen
bij elk van hen, omdat hun respectievelijke organen feitelijk
verschillend
zijn.
Het
kost mij moeite om te begrijpen hoe een wezen, zoals
wordt aangenomen dat de ziel er een is, gevoelig zou kunnen zijn voor
een
bepaalde plaats en zich respectievelijk op het ene of andere gedeelte
van de
materie zou kunnen bevinden. Nog minder begrijp ik hoe zij daar
gehinderd zou
kunnen worden en hoe die belemmering haar op een dwaalspoor kan
brengen. Al zou
de ziel een onjuist denkbeeld zijn, dan zou de onjuistheid van dat
denkbeeld
zich óf in het waargenomen voorwerp óf in de waarnemende ziel moeten
bevinden.
De organen kunnen die fout echt niet in het waargenomen voorwerp
brengen; dus
hoeven we nog alleen te onderzoeken of zij het voorwerp in de ziel
kunnen
brengen. Zij kunnen dat alleen doen door op haar in te werken. En hoe
zou dat
kunnen plaatsvinden? De werking van de materie is de beweging en de
indruk die
zij op een ander voorwerp kan uitoefenen is het daarop overbrengen van
die
beweging. Welnu, de ziel is ongevoelig voor beweging, en bovendien heb
ik door
de definitie van het verstand al aangetoond dat zij zich niet kan
vergissen en
dat een onjuist denkbeeld niet haar werk kan zijn, omdat zij vanaf dat
moment
niet langer verstand is.
Dus
door een verstandelijke substantie aan te nemen, die
verbonden is met een stoffelijk lichaam, volgt daaruit de vernietiging
van die
verbinding. Daarom moet uitsluitend aan de stof werkingen worden
toegeschreven,
die wij doorgaans aan een geestelijke substantie toeschrijven, omdat
die
substantie daar niet toe in staat is. Laten we het nu hebben over het
bestaan
van een God.
Ik
heb in het begin van deze overwegingen vrij aannemelijke
redenen aangevoerd voor de gehechtheid die mensen hebben voor de
vooroordelen
van de religie. Het bestaan van een God is de belangrijkste en de meest
ingewortelde van die vooroordelen, en ik denk dat ik daar de oorsprong
van heb
ontdekt. De materie is altijd voor onze ogen aanwezig geweest en wij
zijn
altijd veel te nieuwsgierig geweest om haar niet te proberen te kennen.
De
eigendunk zorgt er maar al te zeer voor dat wij onszelf, die wij altijd
bij ons
dragen, negeren en omdat wij elk moment overtuigd zijn van de geringe
diepgang
van onze inzichten, hebben wij een scheppende God bedacht, het beginsel
van al
het bestaande. Het is helemaal waar dat wij zijn oorsprong niet beter
begrijpen
dan wij onze eigen oorsprong begrijpen. Maar omdat hij zover van ons
afstaat,
zijn wij niet verplicht om altijd met hem te verkeren zoals wij dat met
onszelf
doen, en daardoor redt de ijdelheid het.
Alle
mensen zijn het in hoofdzaak met dat denkbeeld eens,
omdat het beginsel daarvan bij alle mensen hetzelfde is. En omdat ze in
de
natuur niets hebben ontdekt dat daarmee overeenkomt, hebben ze bedacht
dat het
een natuurlijk inzicht is en hebben ze er een gewoonte van gemaakt om
te
geloven zonder onderzoek te doen. Maar dat denkbeeld is bij de
verschillende
volkeren afwijkend, alsof de natuur bij de mens verschillend zou zijn.
De
verbeelding is met dat achtenswaardig idee op hol gegaan, zonder dat in
de gaten
te hebben, en elk volk heeft dus gedacht dat het door de natuur was
onderwezen,
toen het aan zijn God eigenschappen toeschreef van de materie, die het
altijd
onder ogen had, en de aandoeningen van zijn hart, die het elk moment
ondervond.
Laten
wij
nu
het overal geldende denkbeeld bekijken dat men
ons van die God heeft gegeven: het is de absolute meester van alle
dingen, hij
is het die uit het niets de hemel en de aarde heeft geschapen; het is
een
oneindig wezen, dat in een oneindige mate alle volmaaktheden in zich
verenigt,
die de mensen heeft gemaakt, hun wetten heeft voorgeschreven en hen
straffen en
beloningen heeft beloofd.
Wat
een tegenstrijdigheden houdt dat denkbeeld al niet in!
Op de eerste plaats: als het waar zou zijn dat hij God was, onze
schepper en
onze meester, waarom zou hij ons dan straffen als wij zijn wetten
overtreden?
Waarom zou hij ze hebben voorgeschreven? Als het in acht nemen van die
wetten
zinnig is, had die redelijke God ons middelen moeten geven om ze na te
komen en
die om ze te overtreden ons af moeten nemen; als het onzinnig is, had
die
rechtvaardige God ze niet moeten voorschrijven.
Zo
zie je dat, volgens dat denkbeeld, een wijs wezen zonder
redenen handelt. Nadat hij, om het zomaar eens te zeggen, een
eeuwigheid lang
in zichzelf was opgesloten, heeft hij bedacht om tevoorschijn te komen,
maar
waarom? Om gedane werken uit te voeren, onwaardig en onnodig voor
hemzelf. Dat
wezen dat de intelligentie en wijsheid zelve is, weet niet wat nuttig
voor hem
is, of beseft niet dat hij zijn macht niet tevergeefs ten toon moet
spreiden.
Maar, zegt men, die werken verricht hij voor zijn eigen eer en glorie.
Men zou
zeer in verlegenheid worden gebracht als men zou zeggen wat de eer van
God
volgens de mensen zou zijn; is het gewoon een hooggeacht wezen, of is
hij dat
doordat hij zijn macht laat blijken door een universum te scheppen?
Iemand die
in staat is geweest om eindeloos de meest volmaakte werken te scheppen
of voort
te brengen. Maar ik wil even aan het volgende onderwerp aandacht
besteden; hij
zou dus van alle tijden zijn geweest, een reden waarom God het
universum heeft
geschapen dat even oud is als hijzelf en waarom het universum van
hetzelfde
tijdstip moet dateren.
Ik
ga
nog verder terug. Scheppen wil zeggen dat je iets
in het leven roept, dat voor die tijd niet bestond; materie scheppen
was dus,
als het ware, het niets vervangen door iets. Omdat God
de materie
heeft geschapen, moet hij daarvan hebben geweten, want hoe kun je van
iets op
de hoogte zijn dat niet bestaat? Iets kennen wil zeggen dat je daar de
eigenschappen van kent; bezit het niets eigenschappen? Het zijn
is de
bron van alle eigenschappen, aangezien er iets moet zijn voordat er
iets is. De
materie, die nog niet bestond, kan dus niet bekend zijn geweest en de
denkbeelden van God zouden zich dus tot hemzelf, de enige zijnde,
moeten
beperken.
Je
kunt uit die overwegingen eenvoudig opmaken dat de mens,
die aan niemand zijn bestaan dankt, onafhankelijk is, maar hij kan niet
in zijn
eentje voortbestaan en door de zwakte van zijn natuur moet hij van die
toestand
van onafhankelijkheid afstand doen. Hij moest dus andere mensen zoeken,
met wie
hij een band aanging door hun hulp aan te nemen, waarbij zich
verplichtte om op
zijn beurt hen te helpen. Door dat soort handel in hulp kan de
maatschappij voortbestaan;
dat is de basis van de wetten, die allemaal alleen maar afzonderlijke
commentaren zijn op het algemene principe. Het in acht nemen van de
wetten hangt
dus alleen af van het principe, dat men zich houdt aan de
verplichtingen die
men op zich heeft genomen, en dat principe heeft zijn oorsprong in ons
hart:
ons gevoel voor eigenwaarde staat ons niet toe iemand te bedriegen. Het
ervaart
een heimelijke schaamte bij het verzuim daarvan, dat wil zeggen dat het
zich
verlaagt ten opzichte van iemand die men bedriegt. Als je nadenkt over
die
principes, zul je zien dat het gevoel voor eigenwaarde er altijd voor
zorgt dat
iemand oprecht is, als hij daar tenminste naar wil luisteren.
Het
is niet zo dat deze moraal over het algemeen gevaarlijk
zou kunnen zijn. Zij valt alleen te slijten aan oprechte mensen, maar
het volk
zal zich niet laten weerhouden door dat broze gevoel van het gevoel
voor
eigenwaarde. Maar is dat de fout van de moraal?
* * *
|