| www.verbodengeschriften.nl
EEN BIOGRAFISCH
ONDERZOEK WAARIN NA TWAALF, VOOR INLEIDENDE HOOFDSTUKKEN, DE LEVENSGESCHIEDENIS BEHANDELD WORDT VAN DE TYFUS dit boek is in hartelijke genegenheid opgedragen aan
Chales Nicolle,
wetenschapper, schrijver en filosoof (en Nobelprijswinnaar)
In de verschillende stadia van haar Avontuurlijke Loopbaan ook bekend als Morbus pulicaris (Cardanus, 1545); Tabardiglio y puntos (De Toro, 1574); Pintas; febris purpurea epidemica (Coyttarus, 1578); Febris quam lenticulas vel puncticulas vocant (Fracastorius, 1546); Morbus hungaricus; La Pourpre; Pipercorn; Febris petechialis vera; Febris maligna pestilens; Febris putrida et maligna; Tyfus carcerorum; Jayl Fever Fièvre des Hopitaux; Pestis bellica; Morbus castrensis; Famine Fever; Irish Ague; Tyfus exanthematicus; Faulfieber; Hauptkrankheit; Pestartige Bräune; Exanthematisches Nervenfieber, enzovoort, enzovoort. INLEIDING
Hans Zinsser heeft niet alleen een zeer onderhoudend en vaak geestig verhaal geschreven of de Tyfus, maar durft daarnaast verbanden te leggen. Het enige nadeel is dat hij een evolutionist is, maar als je de evolutionistische saus uit zijn boek wegfiltert, resteert er een relaas waarin hij duidelijk weet te maken hoezeer de loop van de geschiedenis bepaald is door epidemieën en hoe onbelangrijk generaals daarin geweest zijn, zoals hij dat stelt. Hij laat zien hoe nauw het verband is tussen epidemieën en maatschappelijke ontreddering, opkomende industrialisatie, oorlogen, godsdiensttwisten, werkeloosheid, armoede en uitzichtloosheid. Voorwoord Deze hoofdstukken — wij aarzelen een zo onsamenhangend geheel een boek te noemen —zijn geschreven tijdens terloopse momenten, als ontspanning tijdens het onderzoek naar de tyfeuze koorts in het laboratorium en in het veld. Als je de besmettelijke ziekten over de wereld volgt, ga je ze uiteindelijk als biologische individuen zien, die door de eeuwen heen geleefd hebben, vele mensengeneraties hebben overspannen en een leven hebben geleid, dat biografisch benaderd kan worden. De tyfus leent zich — meer dan de meeste andere ziekten — voor een dergelijke benadering vanwege haar buitengewone parasitaire cycli in de insecten- en zoogdierwereld en de saillante feiten, die de afgelopen tien jaar allemaal verhelderd zijn. De bacterioloog vindt in geen enkele andere infectie een zo gunstige gelegenheid om de ontwikkeling van het parasitisme te bestuderen. Bovendien vindt deze ziekte, in haar tragische verhouding tot de mensheid, haar weerga niet — zelfs niet in pest en cholera. In de loop van al die jaren, waarin wij in beslag waren genomen door besmettelijke ziekten en waarbij wij afwisselend plaats namen op de stoel van de biologische oorlogsvoering en in het laboratorium, zijn wij steeds meer onder de indruk geraakt van het belang — vrijwel geheel veronachtzaamd door historici en sociologen — van de invloed van die rampen op het lot der volkeren, dus op opkomst en ondergang van beschavingen. De hoofdstukken, die dit aspect van ons onderwerp behandelen, bieden weinig meer dan inleidende opmerkingen. Zij zouden kunnen dienen om historici, die over kennis beschikken die wij missen, te stimuleren die factoren de aandacht te geven die zij verdienen en hun invloed te verwerken in de interpretaties van de afgelopen geschiedenis van de mensheid. Wij willen er geenszins aanspraak op maken dat wij enige oorspronkelijke bijdrage hebben geleverd aan de geschiedenis van de geneeskunde. Wij hebben informatie verzameld waar wij maar konden en hebben vrijelijk gebruik gemaakt van het werk van scherpzinnige geleerden zoals Schnurrer, Hecker, Ozanam, Hirsch, Murchison, en anderen. Bij het raadplegen van teksten uit oudheid en Middeleeuwen werd onze armzalige kennis van de klassieken aangevuld door de welwillende en vriendelijke hulp van onze collegae, de hoogleraren Gulick en Rand, van onze vriend Dr. Fred B. Lund, en door de enthousiaste belangstelling van Mr. C. T. Murphy van de Oudheidkunde-faculteit van Harvard. Gesprekken en correspondentie met Professor Sigerist van de John Hopkins Universiteit, Professor Merriman van Harvard, Majoor Hume van de Krijgsmacht van de Verenigde Staten, en vele anderen zijn ons op essentiële plaatsen tot onschatbare hulp geweest. In het bijzonder zijn wij dank verschuldigd aan onze wijze en beminnelijke vriend Professor W. Morton Wheeler, die vrijgevig met zijn advies en aanmoediging is geweest. Omdat dit op geen enkele manier een wetenschappelijke verhandeling is, hebben wij verwijzingen naar recente publicaties achterwege gelaten en om niemand tekort te doen vrijwel geen namen genoemd. Voor onze hoofdstukken en opmerkingen over zaken van literair belang, maken wij geen verontschuldigingen. Hoewel wij ze relevant vinden voor het algemene schema van onze uiteenzetting, zullen velen dat niet relevant vinden. In zekere zin is dit boek echter een protest tegen de Amerikaanse houding, die de neiging vertoont te benadrukken dat een specialist geen belangstelling dient te hebben buiten zijn eigen gekozen terrein — tenzij dat golfen, vissen of bridgen is. Een specialist moet zich — in onze nationale visie— bij zijn eigen vak houden, zoals “een schoenmaker bij zijn leest.” Wij lopen de kans — vanwege dit werkstuk — als minder dan een bacterioloog aangeslagen te worden. Het is de moeite waard. Een dag heeft echter vierentwintig uur; je kunt maar tien uur werken en acht uur slapen. Wij zijn de mening toegedaan dat het allesbehalve uitzonderlijk is dat een gerichte intellectuele bezigheid in het algemeen het bevattingsvermogen kan vergroten; dat het een vergissing is om de menselijke geest te verdelen in subspecialisaties; en dat kunst en wetenschap veel gemeen en voordeel van elkaar kunnen hebben door wederzijdse evaluatie. Europeanen hebben dat lang gekoesterd. Wij zijn niet zo onbezonnen dat wij durven te beweren dat ons boek daaraan heeft bijgedragen. Wij hebben het in ieder geval opgeschreven zoals het in ons opkwam en ons daarmee vermaakt en op vertrouwd. H. Z.
INHOUD HOOFDSTUK II. Een bespreking van de verhouding tussen wetenschap en kunst — een onderwerp, dat niets met tyfus te maken heeft, maar ons opgedrongen werd door de letterkundige heer uit het vorige hoofdstuk.
HOOFDSTUK IV. Over parasitisme in het algemeen, en over de noodzaak bij het historische onderzoek van epidemieën rekening te houden met de verandering in de aard van infectieziekten; een korte beschouwing over syfilis ter illustratie van die bewering. Dat houdt rechtstreeks verband met onze biografie, omdat wij, voor lezers die van het bestaan van een mensenras niets afweten, te werk moeten gaan alsof wij over een mens schrijven.
HOOFDSTUK
V.
Vervolg
van
Hoofdstuk
IV,
maar
meer
in
het
bijzonder
over
zogenaamde
nieuwe
ziekten
en
enkele,
die
verdwenen
zijn HOOFDSTUK
VI.
Ziekten
uit
de
Oudheid;
beschouwing
over
de
epidemieën,
die
in
de
Oudheid
woedden
en
een
poging
diagnoses
te stellen, wat duizend jaar later niet
eenvoudig is,
maar om diezelfde reden even lastig te weerleggen. Al moge dit weer een
onnodig
uitstel van onze biografie schijnen, het is een blijk van onze poging
de
ouderdom van tyfus te bepalen. HOOFDSTUK
VII.
Vervolg
van
onze
beschouwing
van
de
ziekten
van
de
Ouden,
met
bijzondere
aandacht
voor
epidemieën
en
de
val van Rome. Wij zijn nog steeds op
zoek naar
bewijzen voor het voorkomen van tyfus in de Oudheid. HOOFDSTUK VIII. Over de invloed van epidemische ziekten op de politieke en militaire geschiedenis en hoe onbelangrijk generaals zijn. Wij beloven dat dit de laatste uitweiding is, buiten ons hoofdthema.
HOOFDSTUK
IX.
Over
de
luis:
wij
zijn
nu
genaderd
tot
het
bekijken
van
de
omgeving,
die
de
aard
van
ons onderwerp heeft helpen vormen.. HOOFDSTUK X. Nog meer over de luis: de noodzaak van dit hoofdstuk zal duidelijk zijn voor mensen die gegrepen zijn door de strekking van deze biografie.
HOOFDSTUK
XI.
Veel
over
ratten
—
weinig
over
muizen HOOFDSTUK
XII.
Eindelijk
zijn
we
zover
dat
wij
het
onderwerp
van
onze
biografie
rechtstreeks
kunnen
aanpakken.
Wij
bekijken
de intieme familierelaties,
rechtstreekse
voorouders en incubatietijd van tyfus. HOOFDSTUK XIII. Waarin we de geboorte, prille jeugd en vlegeljaren van de tyfus onder de loep nemen.
HOOFDSTUK
XIV.
Waarin
wij
de
eerste
epidemische
heldendaden
van
onze
ziekte
volgen HOOFDSTUK
XV.
Vroege
volwassenheid:
de
periode
van
jeugdig
vuur
en
wilde
haren. HOOFDSTUK XVI. Beoordeling van de tegenwoordige opvoeding en vooruitzichten voor de toekomstige opvoeding en discipline
Hoofdstuk I
Bij wijze van verklaring en verontschuldiging
Als
dit boek ooit geschreven wordt — en als het geschreven wordt — een
uitgever
vindt — en als het uitgegeven wordt —door iemand gelezen wordt, zal het
met
enige moeite, als een levensbeschrijving herkend worden. We leven in de
eeuw van
de biografie. Wij kunnen niet langer met Carlyle zeggen, dat een
goedbeschreven
leven even zeldzaam is als een goedbesteed leven. Onze boekwinkels
liggen vol
met de geschiedenissen van de groten en bijna-groten van alle tijden en
iedere
maand kondigen de uitgeverscatalogi een nieuwe oogst aan. De biografie
heeft de
roman grotendeels verdrongen, is het terrein binnengedrongen, van wat
ooit het kritische
essay heette, is een succesvolle strijd aangegaan met detectiveverhaal
en erotische
memoires en heeft zelfs het terrein betreden van het
krankzinnigengesticht. Men
vraagt zich af wat die stortvloed heeft teweeggebracht. Veel
antwoorden
zijn
mogelijk.
Het
is
niet
onwaarschijnlijk
dat
de
literatuur,
samen
met
andere
huidige
levensfasen,
op
de
wetenschappelijke toer is gegaan.
Evenals
in de wetenschap werken een paar originele mensen de formule uit voor
het
ontdekken van een bepaald onderwerp, waarna een groot aantal navolgers
die formule
toepassen op overeenkomstige problemen en daar dan gunstige resultaten
mee bereiken.
In een tijd van armzalige literaire oorspronkelijkheid bestaat er bij
de
werkende mens een natuurlijke neiging om de grootheid van geniale
meesters te
verklaren. En tegenover iedere romanschrijver, dichter of uitvinder,
van welke aard
dan ook, staat een dozijn uitleggers, commentatoren en critici. Ooit was het schrijven van een biografie een serieuze bezigheid en een taak voor een geleerde. Toen Plutarchus zijn Parallelle Levens schreef, werd zijn geest — zoals Clough terecht opmerkt — gedreven door de ethica van Aristoteles en theorieën van Plato, de godsdienst van de ontwikkelde mensen van zijn tijd. Hij hield zich minder bezig met hun daden dan hun motieven en de reactie van hun bekwaamheid en karakter op de omstandigheden van de grote beschavingen van Griekenland en Rome. Wetenschappelijke biografieën van latere tijd volgden een soortgelijke methode, zelfs in zo intens persoonlijke verhandelingen als Boswell’s Johnson of de Gespräche mit Goethe, waardoor een saaie piet als Eckermann zich naar de eeuwige roem wist te schrijven. De kleinere details van het intieme leven werden in het verleden alleen belangrijk gevonden, voorzover ze invloed hadden op de geestesgesteldheid, die leidde tot grote prestaties. Men begreep dat “les petitesses de la vie privée peuvent s’allier avec l’héroïsme de la vie publique”. Maar zij werden slechts gebruikt, als zij belangrijk of onderhoudend waren. De nieuwe school ziet de sleutel naar een persoonlijkheid in de petitesses. De biografie is neurose-bewust geworden. Freud is een groot man. Maar het is gevaarlijk, als
een groot man al te gemakkelijk halfbegrepen wordt. Van de Freudiaanse
explosieven zijn voetzoekers gemaakt, waaraan de dwaas zijn vingers
brandt. Het
is eenvoudig geworden om lawaai en stank te verwekken met stoffen, die
door de
grote uitvinder werden samengesteld om rotsen te laten springen. De
biografie
is duidelijk de beste speelplaats voor de beginneling in de
psychoanalyse. De
oudere biografen misten dit kijkgaatje naar het onbewuste. Zij
beoordeelden hun
helden slechts via het bewuste. Het onbewuste onttroont het bewuste.
Grote
mannen worden tegenwoordig gewogen naar hun endocriene evenwicht in
plaats van
hun daden. Arme
Shelley! Arme
Byron! Arme Wagner! Arme Chopin! Arme Heine! Arme Mark Twain! Arme Henry James!
Arme Melville! Arme
Dostojewski! Arme Tolstoi! En
zelfs arme
Jezus! Er zijn er nog een heleboel over — dit rijke terrein is
nauwelijks
ontgonnen, maar zelfs nu alle groten nog niet eens bezweken zijn,
worden de
“aangetasten” uitbundig gelezen: P. T. Barnum, Brigham Young — tot Al
Capone en
Pancho Villa toe. Bij
de onderhavige biografie zijn wij gedwongen door de aard van het
onderwerp tot
de oudere methode terug te keren. Wij zullen geen steun ontlenen aan de
psychoanalyse.
Geen prenatale invloeden; geen Oedipus- of moedercomplexen; geen
jeugdige
liefdesgeschiedenissen of latere ontrouw; geen perversies, driften of
aanpassingsproblemen;
geen fatsoensbelemmeringen en geen frustraties door onderdrukte wensen.
Geen roddel
zal ons helpen; geen persoonlijke brieven, die niet bijtijds verbrand
konden
worden. Wij kunnen niet rekenen op publiciteit door een aanklacht
wegens smaad,
wat nauwelijks kan worden afgewend, noch op handige toespelingen op
schandalen.
Zelfs hebben wij niet het gemak van vroegere biografen en essayisten,
die wij
kunnen overschrijven, parafraseren of weerleggen. Wij zijn dus geheel
gespeend
van de sauzen en kruiden, waarmee door biografen van dichters en
wetenschappers
hele gewone en vaak bedenkelijke lieden worden gemaakt; waardoor zij de
aandacht van het werk van die mensen kunnen afleiden en op hun
onbetekenende of
verkeerde gewoonten kunnen richten, waarmee zij een held kunnen maken
van een
succesvolle commerciële oplichter, gemeenschappelijke
verantwoordelijkheid
kunnen smoren in huiselijke deugd of de aandacht voor het belang van de
beste
en blijvende prestaties van hun slachtoffer kunnen richten op de
volslagen
onbelangrijke persoonlijke zaken, waarvoor hij zich zelf schaamde. De
verslinder
van biografieën zal zich nu afvragen, hoe wij dit veld durven te
betreden,
zonder de onmisbare hulpmiddelen van de biografische handelsreiziger.
Het
antwoord is eenvoudig: het onderwerp van onze biografie is een ziekte. Wij
zullen proberen zo min mogelijk technisch te schrijven, voor zover de
nauwkeurigheid dat toelaat. Wij moeten echter onvolledig blijven, want
het
leven van ons slachtoffer, waaruit wij slechts de belangrijkste
episoden kunnen
kiezen, was lang en veelbewogen. Veel van zijn alledaagse huis tuin en
keukenverhaal is even gewoon en eentonig geweest als van welk menselijk
wezen dan
ook: krijger, dichter of winkelier. Bovendien is ons verhaal geen
“populaire
wetenschap”. Als het hier en daar dramatisch is, komt dat door het
verhaal en
niet door ons. Opvoedende waarde zit er niet in. Wij hebben ervoor
gekozen de
biografie van onze ziekte te schrijven, omdat wij haar platonisch
liefhebben — zoals
Amy Lowell Keats liefhad — en hebben geprobeerd daarmee vertrouwd te
raken,
waar wij maar konden. En hoe vertrouwder wij daarmee werden, hoe meer
wij onder
de indruk raakten van de invloed die deze en andere besmettelijke
ziekten, die —
in hun protoplasmatische continuïteit —de hele mensengeschiedenis
overspannen, op
het lot van het mensdom gehad hebben Bij
de
benadering van ons onderwerp veroorloven wij ons echter een aantal
uitweidingen,
waartoe onze onderneming ons onvermijdelijk dwingt. 2
De
besmettelijke
ziekte is een van de grote tragedies van levende wezens — de strijd om
het
bestaan tussen verschillende levensvormen. De mens ziet het vanuit zijn
eigen
vooringenomen standpunt, maar mosselen, oesters, insecten, vissen,
bloemen,
tabak, aardappelen, tomaten, heesters en bomen hebben hun eigen
variëteiten van
pokken, mazelen, kanker of tuberculose. Onophoudelijk gaat de
genadeloze oorlog
door, zonder pauze of wapenstilstand — nationalisme van soort tegen
soort.
Gewoonlijk bestaat er echter onder de zogenaamde “lagere” levensvormen
een
zekere klassensolidariteit, waardoor zij hun eigen soortgenoten niet
met die
buitengewone wreedheid als prooi beschouwen, die slechts lijkt te
heersen onder
menselijke wezens, ratten en sommige wilde vissoorten. We moeten
toegeven, dat er
in het dierenrijk een aantal geïsoleerde voorbeelden bestaan van een
bloeddorstigheid
tegenover de eigen soort, zoals de mens die nog niet bereikt heeft. Het
opeten
van echtgenoot is onder de spinnen een bekende gewoonte en bij de
Alacra of schorpioenen
is het heel normaal dat de moeder de vader opeet, om vervolgens op haar
beurt
door haar eigen jonkies verslonden te worden. Als mannelijke leden van
de grote
kattenfamilie, — dat wil zeggen, de bergpoema — hun eigen jongen
belagen en
opeten, is dat geen duidelijk bewijs van wreedheid. Het is eigenlijk
een
indirecte crime passionel; het resultaat van ongeduldige
tederheid jegens
het wijfje, dat te zeer uitsluitend moeder is geworden. Het motief is liefde en zoals La Rochefoucauld al zei “Si on juge l’amour par la
plupart de ses
effets, il ressemble plus à la haine qu’à l’amitié.” Het
schijnt de bedoeling van de natuur geweest te zijn, dat haar schepselen
elkaar
voeden. In ieder geval heeft zij het zo ingericht, dat de enige
levensvormen,
die rechtstreeks op Moeder Aarde parasiteren, deel uitmaken van het
plantenrijk, dat zijn wortels in de aarde boort om daar
stikstofhoudende sappen
uit te halen en zijn brede chlorofylhoudende bladen uitspreidt naar zon
en
licht. Maar deze — tenzij ze te onsmakelijk of vergiftig zijn — worden
door mens
en dier gegeten, en de laatste op zijn beurt door andere dieren en
bacteriën.
In het Paradijs waren de dingen misschien zo georganiseerd, dat dit
elkaar
opeten werd uitgesteld tot na de dood, tengevolge van de natuurlijke
gang van
zaken bij het oude worden, waardoor de voedselvoorraad van elk schepsel
weer
bij de gemeenschappelijke voorraad werd gevoegd. Chemisch zou dit
mogelijk
geweest zijn en zou het leven zich op die wijze gehandhaafd kunnen
hebben. Maar
tijdens de onvolmaakte ontwikkeling bij het samenwonen op een overvolle
planeet,
is het een algemene gewoonte geworden om elkaar — dood of levend — op
te eten,
een gewoonte, waaraan instinctief en zonder hartstocht gehoor wordt
gegeven.
Waarschijnlijk schuilt er evenmin bewuste wreedheid in een leeuw die
een zendeling
verslindt, als in een goedhartige oude heer, die kippenpastei bij zijn
avondeten heeft, of in de stafylokok op die oude heer. In het algemeen
gezegd
parasiteert de leeuw op de zendeling, de oude heer op de kippenpastei
en de
stafylokok op de oude heer. Wij zullen hier echter niet over uitweiden,
omdat
dit tot die overmaat aan technische details zou voeren, die we juist
willen
vermijden. Het gaat erom dat de besmettelijke ziekte slechts een onaangenaam voorbeeld is van de algemeen voorkomende neiging van alle levende wezens om zich de moeite te sparen om door hun eigen inspanningen zelf de dingen te verbouwen, die zij nodig hebben. Waar zij maar de mogelijkheid vinden het constructieve werk van anderen tot eigen voordeel aan te wenden, volgen zij die weg van de minste weerstand. De plant doet het werk met zijn wortels en bladeren. De koe eet de plant. De mens eet ze allebei; en de bacteriën (of de effectenmakelaars) eten de mens. Om dit volkomen duidelijk te maken zou een uitgebreide technische uiteenzetting nodig zijn, maar het principe is duidelijk. Het leven op aarde is een eindeloze keten van parasitismen, die binnen korte tijd tot totale vernietiging van alle levende wezens zou leiden, als niet de onomkoopbare werkers van het plantenrijk voortdurend de voorraad geschikte stikstof- en koolstofverbindingen zouden aanvullen, die vervolgens weer door andere levende wezens worden gejat. Dit is een onderwerp, dat tot eindeloze en afgezaagde zedenpreken zou kunnen voeren. Uiteindelijk zou de mens gedefinieerd kunnen worden als een plantenparasiet.
De
vorm van parasitisme, die we infectie noemen, is zo oud als het
dierlijke en
plantaardige leven. In
Nadat
wij
het
voorafgaande
geschreven
hadden,
lazen
wij
het
over
en
kwamen
tot
de
conclusie,
dat
er
weinig
in stond, wat de moeite waard was. We zijn
misschien
wat te streng geweest in ons oordeel over de huidige biografen. Je
wordt tot
dit soort discussies verleid door je ergernissen. Je kunt het oneens
zijn, met
veel van wat Eckermann Goethe laat zeggen of wat beweerd wordt door
Renan,
Sainte Beuve, Babbitt of Whitehead — als je tenminste begrijpt waar die
laatste
het over heeft — en voelt je voldaan, als de belangrijkheid van degene,
met wie
je het oneens is, je tot een tegenovergestelde mening heeft gebracht.
Maar je
voelt zich alleen maar geïrriteerd door de zelfgenoegzaamheid, waarmee
de
jongere school van Amerikaanse biografische critici e superiore loco
kunst en wetenschap bejegent. Zij zitten tussen verstand en het schone
in — zoals
Voltaire tussen Madame de Staël en een lichtzinnige Marquise — “zonder
een van
beide te bezitten.” Je zou willen uitroepen, zoals een eveneens
geërgerde
Fransman deed: “Goeie God, red ons uit de handen van de connaisseurs,
qui
n’ont
pas
de
connaissance en de amateurs, qui n’ont pas d’amour!”
Een
deel van ons eerste hoofdstuk is daarom niet meer dan wat gerommel.
Toch
dient het om ons onderwerp in te leiden en wij zijn geneigd het laten
staan om
de volgende redenen. Wij zijn ergens mee bezig, dat door filosofen,
wiskundigen, natuurkundigen, fysich-chemici, biochemici en zelfs
fysiologen
(die in veel gevallen minder voor de wetenschap hebben betekend dan een
van
Pawlow’s honden) niet als een wetenschap beschouwd wordt en door
dichters,
romanschrijvers, critici, biografen, toneelschrijvers, schilders,
beeldhouwers
en zelfs journalisten, categorisch uitgesloten wordt van de kunsten.
Wij verkeren
daardoor in een positie om naar beide kanten te kijken, met een uit
nederigheid
geboren onbevangenheid. Maar steeds als wij onze denkbeelden bespraken
met
vertegenwoordigers van bovengenoemde beroepsgroepen, vonden we een
gemeenschappelijk wanbegrip — het enige punt misschien, waarin ze het
met
elkaar eens ware — namelijk dat mensen het onderzoek van besmettelijke
ziekten
als beroep kiezen, uit het edele verlangen het mensdom te dienen,
levens te
redden en lijden te verzachten. Een vriend van ons is schrijver van beroep. Wij bedoelen daarmee iemand die door schrijven in zijn levensonderhoud voorziet, zoals een metselaar metselt voor de kost en een loodgieter verbindingen soldeert. Natuurlijk is schrijven evenals spreken een manier om denkbeelden uit te drukken of verhalen te vertellen. Het is ook een middel om aan anderen emoties over te brengen, opvattingen of oorspronkelijke inzichten, die zouden kunnen vermaken, onderrichten, verheffen of genot verschaffen. Dit soort schrijven wordt doorgaans kunst genoemd. En ooit — toen slechts de intelligenten konden lezen — moest het geschrevene ook nog intelligent en artistiek zijn.
Tegenwoordig
echter
leest
iedereen:
professoren
en
schoonmaaksters,
doktoren
en
advocaten,
kroegbazen,
bedienaren
van
Gods
woord
en
gediplomeerde
verpleegsters.
Zij
hebben
allemaal het zelfde ideaal over een aangenaam besluit van een
saaie dag
— een zachte divan, een leeslampje en iets om te lezen. En daarom
moeten er schrijvers
zijn om aan die behoefte te voldoen — literatuur voor zowel de
intelligente als
voor de stommerik — een boek voor ieder stel hersens, zoals een auto
voor
iedere beurs. Die schrijver, over wie wij het hebben, is buitengewoon gelukkig geweest in het leveren aan beide markten — de ene keer schreef hij voor de redelijk intelligenten, dan weer kreeg hij een dikke check voor verhalen over de arme jongen en de dochter van de baas. In die laatste gemoedstoestand rook hij de rijke mogelijkheden om de sensationele kant van de wetenschap uit te buiten — een bron van inkomsten, die ook door een aantal van zijn litteraire tijdgenoten met succes was aangeboord. Maar omdat hij nooit enig nauw contact had gehad met onderzoekers op het gebied van de besmettelijke ziekten, deelde hij ook de misvattingen omtrent de nobele motieven, waardoor dit zonderlinge volk bezeten was. En omdat hij niet helemaal begreep, hoe iemand door een nobel motief bezeten kan zijn, vroeg hij ons: ”Hoe worden die bacteriologen zo?” Wij beantwoordden zijn vraag ongeveer als volgt.
Er
is een heleboel sentimentele onzin geschreven, naar aanleiding van die
totaal
onjuiste voorstelling. Als een bacterioloog overlijdt — net als andere
mensen —
ten gevolge van toevallige losbandigheid, een ongeluk of de oude dag,
dan zijn zijn
toewijding en zelfopoffering het thema van de lofrede van de dominee.
Als hij
tengevolge van zijn werk sterft — zoals een ingenieur in een kuil valt
of een
advocaat door een cliënt wordt doodgeschoten — wordt hij als een
martelaar
geëerd. Hij wordt door romanschrijvers gebruikt, zoals zij dat al
eerder deden
met cavalerieofficieren, Poolse patriotten en vliegeniers. Als een
epidemioloog,
tijdens het bestuderen van de pest, zich zou gedragen en zou spreken
als de
held uit Sinclair Lewis’ Arrowsmith zou hij niet alleen
nutteloos zijn, maar
ook door zijn collega’s beschouwd worden als een rare dwaas, een
lastpost. En
de Kruif is een veel te intelligente man, om niet te hebben geweten
dat, toen
hij de thriller Strijders tegen de Dood schreef, de reactie in
de laboratoria
en het veld waar het werk verricht wordt dat hij beschrijft, hol gelach
zou zijn. De waarheid is, dat mensen dit soort werk kiezen uit een aantal motieven, waarvan een bewust verlangen om goed te doen wel in de laatste plaats komt. Het blijft een van de weinige sportieve bezigheden voor lieden, die een bepaalde behoefte aan sensatie hebben. De besmettelijke ziekte is een van de laatste echte avonturen, die er nog over zijn in de wereld. Alle draken zijn dood en de lans roest in het hoekje bij de haard. Oorlogen zijn ballistische oefeningen, chemisch vernuft, organisatie, zwaar lichamelijk werk en massamoord op grote afstand. Schepen zijn met radio uitgerust. Het Amerikaanse continent is een lange weg met benzinepompen en de Indianen bezitten oliebronnen. Afrika is de speelplaats voor wilde-beestenfotografen en museumconservators met hun vrouwen, die daar onder anderen naar toe gaan om zich te laten fotograferen met een voet op een dode leeuw of olifant en verveeld kijkende zwarten, die kisten champagne en biscuits op hun geduldige hoofden dragen. Vliegen biedt genoeg avontuur, maar is niet veel meer dan een soort acrobatiek voor mecaniciens, net als autoracen. Hoe veilig en goedgeregeld het beschaafde leven echter ook geworden mag zijn, steeds liggen bacteriën, protozoën, geïnfecteerde vlooien, luizen, teken, muggen en wantsen in de schaduw op de loer, gereed om toe te springen, als de waakzaamheid vermindert door onachtzaamheid, armoe, hongersnood of oorlog. En zelfs in normale tijden belagen zij, levend te midden van ons, de zwakken, de piepjonge en stokoude, en wachten in een geheimzinnig duister hun kans. De oorlog tegen deze gevaarlijke medeschepseltjes is ongeveer het enige sportieve bedrijf, dat niet beïnvloed wordt door de onweerstaanbaar voortschrijdende beschaving van het de vrij levende mensheid. Zij liggen in donkere hoeken op de loer en besluipen ons in de lijven van ratten, muizen en allerlei soorten huisdieren. Zij vliegen en kruipen met de insecten en gebruiken ons eten en drinken en zelfs onze liefde als hinderlaag.
HOOFDSTUK II
Een bespreking van verhouding tussen wetenschap en kunst — een onderwerp, dat niets met tyfus te maken heeft, maar ons opgedrongen werd door de letterkundige heer uit het vorige hoofdstuk.
Dit
hoofdstuk zal door de beroepsletterkundigen met verachtelijk
schouderophalen
ontvangen worden. Het is in Amerika een algemeen verbreid vooroordeel,
dat
deskundigen hun eigen terrein niet mogen overschrijden, hoe
belangstellend zij
ook over de omheining kijken. Maar literaire critici vertellen ons
doorlopend dat
wetenschap dit of dat is — “de wetenschap dient niet boven haar stand
te leven”
enzovoort; en omdat wij onmogelijk minder van kunst kunnen weten dan de
meeste van
die heren van de wetenschap, wagen wij het om verder te gaan in de
hoop, dat de
heren Edmund Wilson, Van Wijck Brooks, Mumford, Max Eastman en anderen
die de
“Nieuwe School” vormden, tot zij de middelbare leeftijd bereikten, dit
deel van
ons boek zullen overslaan. De bioloog verkeert in een bijzonder moeilijke positie. Hij kan niet, zoals de scheikundige zo vaak doet, individuele reacties isoleren en afzonderlijk bestuderen. Hem ontbreken de wiskundige voorspellingen, waardoor de natuurkundige zich zo vaak laat leiden bij zijn proeven. De natuur bepaalt de voorwaarden, waaronder de bioloog werkt en hij moet die aanvaarden of zijn taak helemaal opgeven.
Hij
weet dat de fysisch-chemische analyse nooit de definitieve oplossing
van het
levensproces zal geven; toch weet hij, dat het “vitalisme” en
“neo-vitalisme”
niet veel meer zijn dan een soort vormloze theologie, voortvloeiend uit
een gevoel
van hulpeloosheid of dat het slechts een “mechanisme” is 1) Zo zwoegt
de
geduldige bioloog voort, verzamelt zo eerlijk mogelijk zijn empirische
waarnemingen— en vindt wat voldoening in het feit, dat hij meehelpt de
vitalistische vaagheid binnen steeds nauwere grenzen terug te dringen.
Zoals
Bergson zegt: “Een zeer klein gedeelte van een kromme is bijna een
rechte lijn
en hoe kleiner het is, hoe meer het de rechte lijn nadert. . . Het
‘vitalisme’
is ook zo’n raaklijn, aan ieder willekeurig punt, aan chemische en
fysische
krachten. . . In werkelijkheid [echter] is het leven evenmin
samengesteld uit
fysisch-chemische elementen, dan dat een boog bestaat uit rechte
lijnen.” De
bioloog is steeds bezig de boog van het vitalisme te differentiëren,
maar beseft
heel goed dat de mensheid de ‘grenswaarde’ van het volledige begrip wel
kan
benaderen, maar nooit kan bereiken. Ook weet hij, — als hij een
onderwerp gaat
behandelen, — dat hij eerst terug moet naar een analyse van de
afzonderlijke
elementen, waaruit de complexe systemen, die hij onderzoekt, bestaan,
voor hij tot
zijn eigenlijke onderwerp kan komen. Die moeilijkheden brengen een routinematig denken teweeg, dat ons heeft gehinderd in het hier ondernomen werk. Wij benaderden het schrijven van de biografie van de tyfus met het zorgeloze vertrouwen, dat altijd gepaard gaat met het eerste idee over een experimenteel onderzoek. Aanvankelijk werden wij afgeleid door een beschouwing van de algemene manier van het schrijven van een biografie; daarna kwam pas de vraag, waarom mensen zich bezighielden met de bestudering van ziekten. We dachten dat we nu van de voorbereidingen af waren, maar toen kwam onze letterkundige vriend weer binnenvallen om zout op ons enthousiasme te strooien.
“Hoe,” zo sprak zei, “kan iemand zijn leven doorbrengen met het kweken van bacteriën; marmotjes, konijnen, muizen, paarden en apen inenten; rondscharrelen in alle smerige uithoeken van de wereld om epidemieën te bestuderen; ratten vangen in andermans kelder; desinfecteren, ontluizen, uitroken; kijken naar huiduitslagen, in kelen gluren en in andere openingen van mens en dier; luizen, wantsen, vlooien en teken kweken; sputum, bloed, urine, ontlasting, melk, water en afvalwater onderzoeken — hoe,” herhaalde hij, “kan zo iemand, die helemaal geen wetenschapper is en niets van een kunstenaar heeft, de brutaliteit hebben een taak op zich te nemen, die niemand die geen kunstenaar is met succes zou kunnen voltooien? Je hebt misschien wel gelijk met die sleutelgat-biografen en de gepasteuriseerde school van Rabelaisiaanse school van Freudiaanse critici, maar is dat dan minder erg dan de literair-wetenschappelijke ouwe-wijven-beweging? Wil je net zo doen als Dr. Collins uit New York, met dat “de-dokter-kijkt-eens-zus en “de-dokter-kijkt-eens-zo?”
“Maar!” antwoordden wij….
“Kijk naar al die andere wetenschappers van middelbare leeftijd, die zichzelf voor de gek houden door wat in kunst rond te scharrelen. Lees de Atlantic Monthly.”
“Lieve hemel,” zei ik, “je hoeft toch niet de bacteriologie op te geven, omdat je een zinnige belangstelling hebt voor iets anders? We schijnen in Amerika van een specialist te verwachten, dat hij een soort gemechaniseerde fabrieksarbeider wordt. Waarom zou iemand maar door één sleutelgat tegelijk naar de wereld mogen kijken?” —
“Voor
mijn
part
kijk
je
door
een
dozijn,
of
klim
je
over
de
schutting,
als
je
daar
zin
in
hebt. Maar hou je koest over dingen, waar je geen verstand van hebt.
Een biografie
schrijven is iets voor een kunstenaar. Steek je hoofd uit het raam van
je laboratorium
en zie de wereld voorbijtrekken. Maar als je dan toch wilt schrijven,
moet je je
hoofd weer terugtrekken en voor het Journal of Experimental Medecine
gaan schrijven. Als je zo doorgaat, zul je niets anders bereiken dan
dat je het
kleine beetje reputatie, wat je hebt, kwijtraakt.” “Maar,”
pruttelden
we
tegen,
“mag
iemand
dan
ontzegd
worden
kunst
niet
op
een
intelligente
manier
te
appreciëren,
omdat
hij een beetje wetenschappelijk ingesteld
is? Moet
literatuur dan alleen genoten worden door mensen, die na het ontbijt
tijd hebben
om te lezen? Wat is eigenlijk dat fundamentele verschil tussen kunst en
wetenschap?” “Dat
is
een
moeilijke
vraag,”
zei
hij,
“Goethe
had
daar
misschien
een
antwoord
op
gehad,
maar
hij
vond
het
niet de moeite waard. De recente oorlog tussen
humanisten en anti-humanisten zou misschien tot een antwoord geleid
hebben —
maar beide partijen waren zo boos op elkaar en wisten zo weinig van
wetenschap,
dat zij de hoofdzaak verwaarloosden. Als Babbitt nog zou leven, zou
hij, met zijn
enorme eruditie, misschien een antwoord hebben kunnen geven. Maar jij
of ik
komen hier niet uit.” Wij hebben steeds zeer veel waarde gehecht aan de opvattingen van onze vriend over dit soort zaken en in dit geval hebben zij ervoor gezorgd, dat wij aarzelden om met ons plan te beginnen — dat, zoals hij zei, onze wetenschappelijke kundigheid oversteeg — totdat wij aandacht hadden geschonken aan de wezenlijke verschillen, zo die er zijn, tussen wetenschap en kunst.
Bescheiden
benaderde
wij
het
probleem
door
de
opvattingen
van
anderen
te
bestuderen,
en
ontdekten,
dat
zelfs
mannen,
die
ons
verre in wijsheid overtroffen, het niet met
elkaar
eens konden worden. Eddington en Jeans willen de wetenschap beperken
tot het “metrisch
of wiskundig beschrijven van verschijnselen”, een opvatting, die zelfs
de
biologische wetenschapstakken wil uitsluiten. Maar, nadat zij tot deze
kille
hoogten gestegen zijn, langs de moeizame paden der rede, klimmen zij in
hun
metafysisch sleetje en suizen terug naar de warme en gezellige dalen
van de
theologie. Dingle probeert een liberaler standpunt en definieert
wetenschap als
een methode “die op een rationele manier ervaringen behandelt, die een
bepaalde
eigenschap hebben, nl. dat alle normale mensen die gemeen hebben”. Dat
is taalkundig
een gruwel, maar omgekeerd volgt hieruit, dat het gebied van de kunst
ervaringen
omvat, die “een bepaald individu eigen zijn of althans door een kleine
groep gedeeld
worden”. Dit is een opvatting, die veel lijkt op de manier, waarop de
dieren
vóór Darwin werden ingedeeld aan de hand van oppervlakkige
overeenkomsten,
zodat de walvis een vis werd en de vleermuis een vogel. Whitehead
dringt dieper
door, tot onder louter de morfologie van het probleem, tot in de
vergelijkende anatomie
en fysiologie. In de categorie wetenschap sluit hij de biologische
takken en de
geologie in en gaat zelfs zover dat hij naturalistische kunst
(Leonardo) als
nauw verwant aan de wetenschap beschouwt. Hij vindt in de grote
literatuur —
bij voorbeeld in de “wetenschappelijke verbeelding” van Aischylos,
Sofocles en
Eurypides, in hun visie van het Noodlot, dat “een tragisch gebeuren tot
zijn onvermijdelijke
einde brengt” — hetzelfde beginsel terug van “orde,” “de visie, die de
wetenschap beheerst.” Als Aristoteles lang genoeg terug kon komen om
vertrouwd
te raken met het moderne wetenschappelijke denken, denken wij dat hij
het
aardig eens zou kunnen worden met Whitehead. Tussen haakjes, wat zou
Aristoteles opgewonden raken van Harvard! Dat
een scherpe scheiding tussen wetenschap en kunst onmogelijk is, stond
ook
Havelock Ellis voor de geest, toen hij de volgende passage schreef:
“Doordringen,
ontdekken, bezitten, leiden en veredelen, dát is de plicht en het
verlangen,
zowel van minnaar als echte onderzoeker; iedere Ross of Franklin is
daarom een
Werther van de Pool, en iedere minnaar een Mungo Park van de geest.”
Wij zouden
meer plezier van dit citaat hebben gehad, als de voornaam van de heer
Park een
andere dan “Mungo” was geweest. Toch drukt het, zoals het er staat, de
kern van
de gedachte uit, die zich bij ons ontwikkelde. 2 De
zogenaamde wetenschapper is voor het merendeel van de huidige literaire
critici
— waarschijnlijk ten gevolge van hun vrijwel ongelooflijke onwetendheid
ten
opzichte van het wetenschappelijke denken — “slechts een rationalist”,
en de
verhouding tussen wetenschap en kunst is voor hen hetzelfde als die
tussen fotograferen
en schilderen. Die scheiding op basis van nauwkeurigheid en is
volstrekt
onhoudbaar. Wetenschap is geen greintje fotografischer dan kunst.
Metingen en
formuleringen zijn, zelfs in de zogenaamde exacte — de fysica —
wetenschappen, niet
meer dan redelijk nauwkeurige benaderingen. De wetenschappelijke
methode wordt
steeds weer gedwongen met abstracte begrippen te werken, irrationele
getallen zoals
√2 en √3, de lijn zonder breedte, het punt zonder volume, nul,
negatieve eigenschappen, of de idee van het oneindige. En steeds zeilt
het
wetenschappelijke denken uit vanuit de havens van hypothese en
fantasie, 2)
vooruitgeschoven posten van het onderzoekende intellect. Stof wordt
moleculen,
moleculen worden atomen, atomen worden ionen, ionen worden elektronen,
die op
hun beurt onbegrijpelijke energiebronnen worden — geen grijpbaardere
werkelijkheid
dan de dichterlijke opvatting van de “ziel”, die hij ook alleen door
haar “energie”
kent, — van verlangens, verrukkingen en droefheid, die hij voelt. De
geschiedenis van de wetenschap is vol voorbeelden van wat, in de kunst,
inspiratie genoemd zou worden, maar waarvoor Whitehead’s definitie
“speculatieve
rede” veel geschikter lijkt. Bovendien
is
het
maar
al
te
duidelijk,
dat
kunstenaar
noch
wetenschapper
ooit
“schepper”
is.
Het
woord
“scheppend,”
dat
voortdurend
zo misbruikt wordt door de
jongere kritische
scholen, is een fantasie van het optimisme over de menselijke
vooruitgang, die
— naar wel eens gezegd is — het weligst tiert in het
krankzinnigengesticht. Zoals
Goethe het uitdrukt, gaat de natuur haar gang volgens zulke eeuwige en
noodzakelijke wetten, dat zelfs de Goden die niet kunnen veranderen.
Het beste
wat wetenschapper en kunstenaar kunnen bereiken is een nieuwe opvatting
over de
dingen, die er altijd geweest zijn. Zij “scheppen” een helderder
inzicht. In
die zin zijn zij beiden waarnemers, met dit verschil, dat de
wetenschapper op een
onpersoonlijke manier de buitenwereld beschrijft, terwijl de kunstenaar
de
invloeden weergeeft, die de uitwendige dingen uitoefenen op zijn eigen
geest en
hart. In beide gevallen is kunst of wetenschap groter naarmate de
waarnemingen
algemener toepasbaar zijn. 3) Zou
het niet eerlijk zijn om gewoon te zeggen, dat den handeling van het
waarnemen
kunst of wetenschap is, voor zover het begrijpen daarvan in het eerste
geval beroep
doet op de emoties, en in het tweede op de rede? De mogelijkheden van
het
intellect vormen een soort spectrum, dat zich uitstrekt van wat wij het
infra-emotionele zouden kunnen noemen tot het ultra-redelijke. Aan het
infra-emotionele uiterste liggen de gewaarwordingen, in beweging gezet
door
muziek en lyrische poëzie. Aan het andere uiteinde — dat van de zuivere
rede — ligt
het vermogen om wiskunde te begrijpen. Tussen die twee ligt een grot
overlap,
waar kunst wetenschappelijk is en wetenschap kunstzinnig. Literatuur in
de zin
van proza staat ongeveer in het midden, naar de ene kant overgaand in
de epische
en verhalende poëzie en naar de andere kant via psychologie, biologie
enzovoort,
in wiskunde. “Wat
zou
er
gebeuren,
als
je
van
een
van
die
uiteinden
afglijdt,”
vroeg
mijn
vriend. “Welnu,
als
je
onder
de
10-10 komt, schijnt het dat de eindorganen het
niet
meer bijbenen en de natuurkundigen de kerk omarmen; terwijl aan de
andere kant
het ruggenmerg zich gaat bemoeien met de hersenen; tenminste te
oordelen naar
Joyce, Gertrud Stein en hun na-apers. Het houdt dan in ieder geval op
kunst of
wetenschap te zijn.” 3
Bij
onze volgende ontmoeting zette ik mijn discussie met mijn vriend voort.
“Op
die manier,” zei hij, “zou het eenvoudig zijn om alles met een soort
intellectuele spectroscopische analyse te classificeren.” “De oudere vormen konden gewoonlijk vrij eenvoudig op hun juiste plaats in het spectrum worden gepast. Critici zoals Coleridge en Sainte-Beuve hoefden zich slechts bezig te houden met stijl, schoonheid van uitdrukking, helderheid van denken, intensiteit, oprechtheid, diepzinnigheid en de kwaliteit van smaak en gevoeligheid, die hoewel vaag en subtiel, toch nog binnen het bereik liggen van de ongestoorde geest. Kunst kon worden beoordeeld door iedere intelligente en ontwikkelde criticus zonder zijn toevlucht te hoeven zoeken in de grensgebieden van de psychiatrie. De Franse symbolisten brachten hierin verandering — de volgelingen van Baudelaire, Rimbaud, Verlaine, Mallarmé en Laforgue. Af en toe kwamen die grote mannen dicht bij de scheidslijn van het onbegrijpelijke. Maar in het algemeen bereikten zij, juist door nevel en mist, een grote schoonheid, waarin zij hun gedachten, lijden en vreugden mysterieus, grotesk, vaag, maar toch onmiskenbaar ondergingen. Men kan hen, zoals Lasserre doet, hun terechte plaats niet ontzeggen, alleen omdat zij hun grote talenten gebruikten voor tristesse en laideur. Wij pleiten niet voor een terugkeer van het tijdperk van Longfellowisme of Tennysonisme, maar als Sainte-Beuve sommige passages van T. S. Eliot had moeten beoordelen, het latere werk van Joyce of van Gertrude Stein, zou hij zeker raad gevraagd hebben aan Charcot of Bernheim, een dilemma, dat onze huidige critici schijnen toe te geven, —als zij modern werk moeten beoordelen, — gezien hun voortdurend een beroep doen op Sigmund Freud. Zelfs in de medische praktijk is het vanzelfsprekend moeilijk de lijn tussen gezondheid en gestoordheid scherp in de gaten te houden. Maar als de criticus van een kunstwerk een psychiatrische opleiding nodig heeft, doet alleen al dit feit ons twijfelen aan de artistieke waarde van dat voorwerp. Het echte probleem bij het toepassen van onze spectroscopische analyse op een groot gedeelte van het moderne spul is, dat een groot gedeelte daarvan de rationaliteit van de wetenschap mist, zonder het emotionele aspect van de kunst te bezitten.
“Laten wij eens iets daarvan wat nader bekijken. Neem T. S. Eliot — die in zijn proza laat zien dat hij heel helder kan denken en wie niemand talent, oorspronkelijkheid en soms grote schoonheid kan ontzeggen. Maar in veel van zijn poëzie geeft hij raadseltjes op aan zijn lezers, die hij kennelijk terecht als imbecielen beschouwt. “Raadt eens, op welk herinneringsbeeld van mijn klaarblijkelijk eenzijdige ontwikkeling ik nu zinspeel?” Dan, na een paar regels majestueuze poëzie vervalt hij plotseling in een volstrekt niet ter zake doend gebazel.
In de kamer lopen vrouwen af en aan En spreken over Titiaan
Je krijgt de neiging om daaraan toe te voegen, “iene miene mutte” of neem het volgende:
Madame Sosostris, beroemde
helderziende,
Waarom dat “toch?” Was ze wijs, omdat ze erg verkouden was? Of nog een (je kunt kiezen uit ontelbare passages):
Nu komt Albert terug,
knap je een beetje op. “Is
dat poëzie? Het klinkt als triviaal proza. Wetenschap is het in ieder
geval
niet.” “Het
is
natuurlijk
niet
eerlijk
om
de
dingen
zo
uit
hun
verband
te
rukken.
Het
geheel
is
symbolisch
voor de woestenij van de huidige ontgoocheling.
Een man
der wetenschap kan dat natuurlijk moeilijk begrijpen.” “Het gaat er niet om, of iets moeilijk te begrijpen is, maar of het, eenmaal begrepen, zinvol is. Af en toe breken mijn apen los in het laboratorium en bereiken schitterende en bizarre effecten door het kapot gooien van flessen met gekleurde vloeistoffen tegen microscopen en Bunsenbranders. Het resultaat is dan een geanimeerde chaos van licht, geluid en opwinding. Maar als ze klaar zijn, blijft er niets anders over dan wanorde en rommel, die opgeruimd moet worden, voordat het ordelijke wetenschappelijke werk hervat kan worden. Hetzelfde kan in de werkplaatsen der kunst gebeuren. Maar wat ik niet kan begrijpen is waarom iemand, die klaarblijkelijk talent heeft, zoiets zal doen.”
“Je wilt zeker hetzelfde over Baudelaire zeggen?” zei hij.
“Ojee,
dat
is
weer
dat
oude
nieuws,
dat
die
mensen
iets
opgestoken
hebben
van
Baudelaire,
van
Rimbaud
en
Laforgue. Maar die mensen deden
ontdekkingen.
Baudelaire was organisch chemicus. Hij stelde buitengewoon
weerzinwekkende,
maar nieuwe dingen samen. Maar onsamenhangendheid en stank maken nog
geen
Baudelaire.” “Welnu, laten we dan eens iets anders proberen. Herken je dit misschien?”
of: “Eten is schapenvlees.
Waarom is lamsvlees goedkoper? Het is goedkoper, omdat zo weinig meer
is.” Dat is Gertrude Stein,” zei ik, “maar luister hier eens naar:
“Ballonnen — gekleurde ballonnen
— mijn gekleurde ballonnen — Wie maakte mijn ballonnen kapot?
Onzinballonnen;
zij hebben mijn categorische imperatief kapotgeprikt.” “Dat kan ik me niet herinneren uit haar boeken,” antwoordde hij.
“Nee,
dat
is
ook
niet
van
Gertrude
Stein.
Dat
is
van
Alice
Gray,
die
ik
mij
uit
het
krankzinnigengesticht
herinner. Zij was vijftig, maar dacht dat ze een
baby was
en luister hier eens naar: “Tien pond kaas
“Je
probeert alleen maar grappig te zijn,” onderbrak hij me. “Gertrude
Stein kan eigenlijk
heel gevoelig schrijven, als ze wil.” “Waarom
doet
ze
dat
dan
niet?”
vroeg
ik. “Zij houdt zich met automatisch schrift bezig.” 4)
“Dan
is
het
wetenschappelijk.” “O,
nee, — ze schept sfeer met behulp van afwisselende bewuste en onbewuste
explosies.” “Dan
is
het
kunst
—
in
de
zin
van
vuurwerk.” “Maar
ze
heeft
een
enorme
invloed
gehad
op
jongere
schrijvers,”
zei
hij. “Dat hebben Mrs. Eddy en P. T. Barnum ook gehad,” antwoordde ik. “Zonder Baudelaire zou er geen Rimbaud of Verlaine geweest zijn. Zonder Buffalo Bill, P. T. Barnum of Mrs. Eddy geen Gertrude Stein en zou Joyce waarschijnlijk niet anders dan keurig proza geschreven hebben.”
“Over
Joyce
gesproken,
heb
je
al
eens
“Tam
and
Shem”
geprobeerd?
of
hoe
ze
dan
ook
heten.
Luister: “Ooit in een ruimte en
een wilde wijde ruimte was het, zijn Wohnde een Mookse. De eenzijnheid
was al
te alleen, contunscheiterig, breed-ovaal en die Mookse ging aan het
kuieren (te
droes! roept Antoni Romeo). Dus op een daverende zomeravond na een
geweldige
ochtend en zijn goed maal van spek en spuug, na zijn ogen gekitteld te
hebben en
in zijn neus geboord en zijn oren geprikt….” “Hou
op!”
riep
ik.
“Als
jongen
kreeg
ik
voor
dat
soort
dingen
voor
mijn
broek.” “Is
dit wetenschap of kunst?” vroeg hij. “Geen
van
tweeën
natuurlijk,”
zei
ik.
“Maar
wat
ik
niet
begrijp
is,
waarom
ze
dat
doen.
Het
zou
al te gemakkelijk zijn om te zeggen, dat het
ongevaarlijke gekken
zijn. Bovendien wordt dit uitgesloten door het feit dat de mensen die
we daar
net noemden, als zij dat wilden weer terug konden keren tot het
rationele.” “Je
vergeet,” zei hij, “het idee van de Zuivere Poëzie — Hoe minder
het betekent,
hoe beter. Het benaderen door Walter Pater en Moore van muziek door
middel van
de poëzie.” “Het
verband
tussen
poëzie
en
muziek
is
ook
al
onderwerp
geweest
van
geleerd
geklets.
Valéry
zegt
dat
de
dichter
niets anders is dan een soort musicus.
Wyndham Lewis
noemt het kritische mystiek. Zij (Brémond) hebben het over ‘de drang
van
binnen,’ de ‘druk van de onsterfelijkheid op het hart,’ dichtkunst, die
‘verder
gaat dan woorden kunnen uitdrukken,’ enzovoort. Soms gaat de criticus
veel
verder in zijn mystiek dan de dichters, over wie hij schrijft.” Het is overigens een merkwaardig verschijnsel dat sommige grote wetenschappers, als zij criticus worden en hun eigen esthetische reactie op poëzie proberen te verduidelijken, bijna net zo mystiek worden als de literaire ontleders. Soms heeft iemand zo’n enorm gezag — en over het algemeen terecht — dat kritiek op hem uitoefenen in de ogen van de ontwikkelde wereld gelijk staat met het schrijven van God met een kleine g. Ik denk hierbij aan Whitehead en omdat ik het niet met hem eens ben, voel ik mij net een Neanderthaler, die een Mastodont met een katapult aanvalt. Als hij het heeft over het toepassen van de vergelijking van Clerk Maxwell op het inwendige van het atoom, ga ik helemaal met hem mee. Maar als hij verband gaat leggen tussen een bepaalde vorm van Kantiaans, Berkeleyaans of Platoons idealisme en het gedicht van Shelley over de Mont-Blanc, of Wordsworth’s natuurverheerlijking afleidt van zijn wetenschapskritiek, onthult hij alleen maar zijn eigen onvermogen om zijn voet van de rem van de rede af te halen en te freewheelen met zijn emoties.
Als
Shelley echter over een wolk of over de Mont-Blanc schrijft, denkt hij
niet aan
de “verborgen eindeloze verandering der dingen”, noch weigert hij
bewust “het
abstracte materialisme van de wetenschap te aanvaarden”. Hij drukt in
prachtige
beelden de, in hem door de natuur die hij aanschouwt, opgewekte
gedachten en
emoties uit; en geen enkele filosofische analyse kan precies hetzelfde
doen met
de lezer, als wat Shelley doet. De zuivere schoonheid van de
afwisselende
gevoelens en gedachten en de muzikale schoonheid — niet alleen muzikaal
in
geluid, maar ook in de harmonie van de beelden — moeten in de lezer
dezelfde
door de dichter overgebrachte reactie opwekken, die de natuur in de
dichter
teweegbracht. Het is de oude vraag, die Shelley zelf beantwoordde door
te
zeggen: “Het terugbrengen van een kunstwerk tot zijn elementen is even
zinloos
als het werpen van een viooltje in een smeltkroes”. Natuurlijk benadert
poëzie
de muziek, maar anders dan muziek, heeft zij de kracht van concreetheid
in
denken en verbeelding. De grootste poëzie is communicatie en helder.
Zij kan
voortschrijden, via pure lyriek, naar de symboliek van Mallarmé en zijn
tijdgenoten, waarbij zij dan geleidelijk haar intellectuele helderheid
verliest
en steeds afhankelijk wordt van fantasie en suggestie. Gaat zij nog
verder, dan
wordt het stadium bereikt waarin zij zuiver saxofonisch probeert te
zijn, zoals
in het “jug, jug, jug” of het “bam, boe, bim, bam, boom”-gebrabbel in
sommige
passages van de heer Eliot. Dit stond Baudelaire voor de geest, toen
hij in l’Art
Romantique zei “dat sommige onderwerpen tot de schilderkunst
behoren,
andere tot de muziek, weer andere tot de literatuur” en “of het niet
het noodlot
van de huidige decadenten is, dat iedere kunst zich op het terrein van
een
naburige probeert te dringen.” 5) Als in een literair werk, zelfs als
het bondig
is geschreven, met zinnen die met hoofdletters zijn geschreven,
onbegrijpelijk
wordt voor een gezond en gevoelig mens, is het zijn doel
voorbijgeschoten. Wij
moetenen
ons afvragen, waarom ongetwijfeld getalenteerde mensen met hun geest
moeten
spelen, zoals apen in gevangenschap met hun geslachtsdelen. Het zou
alleen maar
tragisch zijn, als ze niet een soort fanatieke school volgelingen
hadden gecreëerd,
onder de doorlopend intellectualistische studenten. Windham Lewis komt
dicht bij
een definitie, als hij het de “idiote kind”-cultus noemt — het door de
idioot
overschaduwde kind. Zoals wij al zeiden, denkt Skinner, in het geval
van
Gertrude Stein, dat da het bewust experimenteren met automatisch
schrift is. Men
zou ook kunnen stellen: 1. Ze
nemen bewust het grote neo-intellectuele
publiek in
de maling, uit winstbejag of omdat zij het grappig vinden. 3) Dat zij serieuze psychologische experimenten met zich zelf uitvoeren — wat zij gewoon thuis hadden moeten doen, alsof ze bedwelmende middelen gebruikten. Of, maar dat lijkt me nauwelijks mogelijk, 4)
Dat
zij zwichten voor de onweerstaanbare neiging hun eigen ziekten tentoon
te
spreiden, zoals een lichamelijke zieke graag spreekt over zijn
operaties of
zijn chronische colitis. Als
zij gewone mensen waren, zou dit alleen maar meelevende belangstelling
wekken.
Maar het zijn geweldige machines en je zou willen, dat de isolatie niet
doorgebrand was. 6) Hoe
men het ook bekijkt, voor de medische onderlegden lijkt het alsof die
mensen
hun hersenen voor hun ruggenmerg inruilen, of in elk geval
voorhoofdskwabben
vervangen door basale ganglia.” “Je
hebt een heleboel gezegd,” zei mijn vriend, “maar het komt ten slotte
neer op de
definitie van schoonheid — of niet soms?” “Hier is de laatste,” zei hij. “Schoonheid is de wederzijdse aanpassing van de verschillende factoren in een ervaring. In haar belangrijkste betekenis is schoonheid iets, wat uit de gebeurtenis zelf verklaard wordt, of, omgekeerd, het is iets, wat bij een bepaald gebeuren door verschillende anderen kan worden gedeeld.”
“Gegroet,
verlichte
geest,”
zei
ik,
“een
vogel
zult
gij
nooit
worden.” “Laten
we
verder
gaan,”
zei
hij.
“Om
deze
definitie
van
schoonheid
te
kunnen
begrijpen,
moet
je
drie
leerstellingen
voor ogen te houden, die tot het
metafysische
systeem behoren, waarmee de wereld in deze hoofdstukken wordt
geïnterpreteerd.
Deze drie leerstellingen hebben betrekking op onderlinge verhoudingen:
(a) tussen
de objectieve inhoud van een opvatting en de subjectieve vorm van die
opvatting
en (b) tussen de subjectieve vormen van verschillende opvattingen van
hetzelfde
object en (c) tussen de subjectieve vorm van een opvatting en de
spontaniteit die
te maken heeft met het subjectieve doel van de desbetreffende
omstandigheid.” “Hou op,” zei ik, “is dat ook Gertrude Stein?”
“Neen,”
zei
hij,
“dat
is
Whitehead.” “Wel
verdomd”
zei
ik,
“ik
denk,
dat
ik
gewoon
rustig
door
kan
gaan
met
mijn
biografie
van
de
tyfus.” Toen
mijn
vriend
vertrokken
was,
bedacht
ik
dus,
dat
ik
dankbaar
mag
zijn
voor
die
goede,
eerlijke
ziekten
zoals
tyfus, syfilis en nog een paar, telkens
als ik maar
even over die dingen nadenk. Daar weet je tenminste, wat je er aan
hebt. En als
je je laat verleiden tot “welles, nietes”, terwijl je met ze bezig
bent, draaien
ze je ongetwijfeld een loer door je koud te maken. Je moet er afblijven
of ze
met een voorzichtige vakkundigheid benaderen. Stel je eens voor, wat er
met
onze huidige critici zou gebeuren, als de grote doden, die zij zo
onvakkundig
ontleden, hen zouden besmetten met psychische puisten en karbonkels; of
als Mr.
Joyce’s belangstelling voor het darmkanaal, Mr. Eliot’s schijngevechten
met de hartstocht,
of de wellustigheden en seksuele afwijkingen van onze al te moderne
schrijvers
stilletjes de hersenen binnen zouden kunnen dringen en daar
verlammingen en
andere bewegingsstoornissen teweeg zouden brengen? Voor zover ik weet,
zou dat
best mogelijk zijn. En er bestaat geen geneesmiddel tegen dit soort
psychische
micro-organismen. Tyfus is heel wat minder gevaarlijk.
Noten
1) Zij stuiten inderdaad beiden op hetzelfde raadsel, want zoals Foley betoogt, ziet de mechanistische opvatting God als een werktuigkundige. Alle moderne astronomen en fysici worden met dit probleem geconfronteerd. 2) Dat is duidelijk uiteengezet in Hans Vaihingers Die Philosophie des Als Ob. 3)
I. A. Richards beschrijft nauwkeurig de functie van de kunstenaar, als waarnemer van de feiten
van de menselijke
emoties, als hij zegt: “In de kunst vinden wij een verslag, in de enige
vorm waarin
dat weergegeven kan worden, van de ervaringen, die de moeite waard
leken voor
de meest gevoelige en fijnzinnige personen.” In die zin waren Leonardo,
Shakespeare,
Cervantes, Goethe, Dostojewski en ontelbare andere kunstenaars even
getrouwe en
nauwkeurige waarnemers van de menselijke ervaringen als Newton en
Pascal dat waren
in de buitenwereld. 4) Zie B. F. Skinner in de Atlantic Monthly van januari 1934 5)
In
dit verband is het interessant ons af te vragen, wat het resultaat
geweest zou
zijn, als D. H. Lawrence een
beroepsschilder was geweest in plaats van auteur. Een geschilderde Lady
Chatterley — zelfs met de meest perfecte techniek — zou ongetwijfeld
totaal misvormd
zijn geweest, en het onderlijf zoveel groter dan het bovenstuk, dat het
als een
menselijke figuur vrijwel onherkenbaar geweest zou zijn. Men had het
schilderij
nergens kunnen ophangen, zelfs niet in een clandestiene kroeg. 6) Je zou die voorbeelden natuurlijk aan kunnen vullen met “mindere goden,” Ezra Pound, enzovoort. Met opzet noemen wij niet Hart Crane, die wij toevallig leerden kennen, tijdens ons werk aan de tyfus in Mexico. Hij was een zeer begaafd iemand, aantrekkelijk en tragisch, hij was namelijk geestelijk heel ziek.
HOOFDSTUK III Inleiding
tot
de
definitie
van
bacteriën
en
andere
parasieten
en
een
korte
uitweiding
over
de
vraag
naar
de
oorsprong van het leven — zonder dat te
behandelen zou de
lezer volkomen onvoorbereid zijn op wat volgt. 1 In
de geschiedenis van het heelal is de geschiedenis van onze kleine
planeet een
geïsoleerde en waarschijnlijk onbelangrijke episode. Op een ander
eiland in de
onmetelijke ruimten heeft misschien een andere evolutie wezens
voortgebracht, zoveel
wijzer dan wij, dat zij de oorsprong van het leven wel kunnen
begrijpen. Er is namelijk
geen duidelijke reden om te geloven, dat wij — voorbijgaande schepsels
in de
opwaartse gang van de evolutie — de hoogste mogelijkheden bereikt
hebben. De
tragedie van de mens is, dat zijn verstand zich zó heeft ontwikkeld,
dat het
mysteries wil onthullen, maar niet groot genoeg is om ze te
doorgronden.
Begaafd met een geest, die maar net uitgegroeid is boven die van onze
dierlijke
verwanten, worden wij gekweld door een vroegrijp verlangen om vragen te
stellen, die wij soms wel kunnen formuleren, maar slechts zelden in
staat zijn
te beantwoorden. Wij hebben geleerd te dromen over het veroveren van de
krachten rond ons; wij onderzoeken de materie en de energie, die haar
beweegt,
de orde, die de werelden, de zon en de sterren beheerst; wij oefenen
onze geest
om zich op zichzelf te richten en ontdekken gevoelens, ethische
verlangens en morele
drijfveren — liefde, rechtvaardigheid, mededogen — die geen duidelijk
verband
hebben met het louter dierlijke bestaan. Hoe meer wij ontdekken, des te
groter
onze wanhoop om oorsprong en doel te ontdekken. Naarmate ons vernuft de
orde in
de natuur om en binnen in ons onthult, groeien ons ontzag en onze
bewondering
voor de grootse harmonie, die wij steeds duidelijker kunnen ontwaren
bij elk
nieuwe verworvenheid in kunst of wetenschap, waarvan ons echter — in
laatste
instantie — oorzaak en bedoeling ontgaan. Het besef van die bewondering
en het
verlangen dat in te passen in de natuurlijke harmonie, met een beeld
van het
geheel, is blijkbaar een uitgesproken verschijnsel van de menselijke
psychologie; het is de kracht, die religies heeft doen ontstaan, net
zoals het
instinct om de stoffelijke omgeving te willen begrijpen, wetenschap
heeft
voortgebracht en de drijfveer om esthetische reacties uit te drukken,
kunst
heeft verwekt. Het is duidelijk, dat religie begint waar de filosofie
de vaste
grond van de exacte wetenschappen verlaat, naar de onzekere wateren van
de
speculatie, waarin de metafysica de zandbanken vormt. In de huidige
tijd is het
echter niet erg verstandig te spreken over conflicten tussen godsdienst
en
wetenschap, die voor echt beschaafde mensen al heel lang niet meer
bestaan. Als
verontruste dominees als Dr. Fosdick een dergelijk conflict
hartstochtelijk ontkennen,
slaan zij met de vuist op de tafel en verzekeren, dat de aarde rond is.
Zij willen
de weldadige maatschappelijke en morele invloed van een georganiseerde
kerk bewaren
in een wereld, die nog niet rijp is voor een zuiver ethische
gedragslijn. En als
befaamde geesten als Milhikan en anderen, vanaf de toppen van de exacte
wetenschap, hun vlucht nemen naar de stratosfeer van een ouderwetse
hemel, laten
zij de biologische waarheid zien, dat de menselijke geest ethische
verlangens
bezit, die de hoogst ontwikkelde wetenschappelijke kennis niet kan
bevredigen —
duidelijk nooit zal kunnen bevredigen. Het
is niet helemaal toevallig, dat astronomen, fysici en mathematici meer
dan de
biologen geneigd zijn terecht te komen in de schoot der Kerk, of
tenminste in
die van een haar nuchtere metafysische zusters. De bioloog wordt in
zijn werk
voortdurend geconfronteerd met het mysterie van het leven. Hij leert
het
eerbiedigen, wat hem, uit een samengeweven bewondering en ontzag,
bescheiden
houdt en bereid maakt om zonder te wanhopen aan te nemen, dat er iets
wonderlijks
bestaat, dat voortdurend bestudering waard is, maar wat voor het
ogenblik nog
buiten zijn bevattingsvermogen valt. De scherpzinnige fysici, op wie ik
heb
gezinspeeld, nemen weer hun toevlucht tot God. Zij denken namelijk, dat
zij een
nieuw begrip gevormd en een nieuwe en eigentijdse Jehovah ontdekt
hebben,
terwijl het enige wat zij gedaan hebben, niets anders geweest is dan
zijn baard
wegnemen en de donder in energie-eenheden uitdrukken. In hun hart en
verstand
blijft hij nog steeds dezelfde oude “Almachtige”. Wat nu en dan bereikt
zou
kunnen worden, is, wat de Grieken een tijd lang volbrachten, toen de
filosofie
van Plato de godsdienst van de ontwikkelden was, en wat zich in de vorm
van het
Confucianisme in China verbreidde. Dit
is echter in onze tegenwoordige, overbevolkte wereld een te grote
verwachting,
want zogauw als dominees als Dr. Fosdick hun mystieke ballast overboord
gooien
om de zandbanken te kunnen passeren en veilig te landen in een haven
van
redelijkheid, vissen Millikan en andere fysisch-metafysici die er weer
uit, om zichzelf
vastigheid te geven bij hun tocht over de open speculatiezee. Het
vooruitzicht
is hopeloos, tenzij er iemand opstaat, die even stellig is als Christus
in het
onderscheiden van geest en stof en tegelijkertijd volmaakt vertrouwd is
met de
mogelijkheden en grenzen van de moderne wetenschap. De
wetenschapper, intellectueel en emotioneel gerijpt, kan zonder zijn
onderzoekslust
en -moed te verliezen — dat wil zeggen, zonder zich aan de metafysica
over te
geven — filosofische rust vinden, met de erkenning, dat wetenschap, ook
al is
zij hoog ontwikkeld, nooit de laatste vragen zal kunnen beantwoorden;
maar dat
er geluk kan schuilen in het beschouwen van de geordende samenwerking
in de
natuur, en vrede in een bescheiden kameraadschap met de rationele en
menselijke
geesten, die door alle wreedheden in de geschiedenis heen, hebben
vastgehouden
aan het doel van de rede. Volkomen begrip zou daar heel weinig aan toe
kunnen
voegen. Bergson
veronderstelt,
dat
op
een
andere
planeet
leven
tot
ontwikkeling
gekomen
zou
kunnen
zijn
door
systemen,
die
volkomen
anders zijn dan de onze. Het
element,
dat kenmerkend is voor de energieleverende stoffen, zou een ander
hebben kunnen
zijn dan koolstof, en het karakteristieke element voor de levende
materie had
een ander kunnen zijn dan stikstof, wat ons dan geleid zou hebben tot
in
chemie, anatomie en fysiologie, radicaal anders dan de onze, levende
lichamen,.
Dit mag misschien waar zijn; om het te geloven worden echter
onderstellingen
vereist, waarvoor aardse waarnemingen geen aanknopingspunt geven. Voor
zover
wij het op aarde kunnen analyseren, is de oorsprong van leven mogelijk
gemaakt
door de unieke eigenschappen van de combinatie van de krachten van drie
elementen 1) en de oneindige verscheidenheid van stadia en systemen,
mogelijk
gemaakt door de eigenschappen van water. Door die verhoudingen, zegt
Henderson,
“bestaat er een rechtstreekse overgang van de eenvoudige bestanddelen
van atmosfeer
naar samengestelde organische lichamen.” Uit
die
combinaties en dissociaties, samen met de andere elementen, onder
oneindig veranderlijke
voorwaarden van druk en concentratie, met de stralende energie
ontrokken aan de
zon, ontstond er — ergens en op een gegeven ogenblik — leven. In die
overgang
van dode, organische verbindingen naar de gelijksoortige levende, ligt
het grote,
onbegrijpelijke mysterie. Wat daarvóór bestond, kunnen we
redelijkerwijze
naspeuren; wat daarna kwam, ligt in ieder geval open voor onderzoek, in
de
beschrijving van bestaande levende vormen. In die sprong van dood naar
leven
ligt de geheimzinnige onderbreking van de continuïteit, die ons begrip
te boven
gaat. Tussen het chemisch te bepalen eiwitmolecuul en de levende cel
van een bacterie
gaapt een afstand, die veel moeilijker te begrijpen is dan die tussen
de eerste
levende cel en de mens. Het
is niet eenvoudig het leven te definiëren. Een enzym, dat energie kan
leveren
en weer nieuwe energie kan opbouwen, in de plaats van die het in
automatisch
geregelde cycli heeft afgegeven, zou een levende stof zijn — maar dan
oplosbaar
en niet georganiseerd in een celvorm. Er bestaan onzichtbare wezens,
parasiterend
op planten en dieren, die wij alleen kennen door hun werking. De
ultramicroscopische virusvormige ziektekiemen van de mozaïekziekte, die
tabak
en aardappelen infecteert, de kiemen, die mond- en klauwzeer
veroorzaken,
hondsdolheid, gele koorts, kinderverlamming, pokken en vele andere
verwoestende
ziekten, gedijen in de levende cellen van hogere wezens en
vermenigvuldigen
zich in oneindige generaties, terwijl zij hun soort trouw blijven, wat
betreft
hun gewoonte van het specifiek parasiteren. Toch zijn zij zo klein, dat
zij
niet interfereren met de trillingen van zichtbaar licht, 2) maar toch
groot
genoeg om honderd of meer van de kleinste eiwitmoleculen te bevatten.
Het is
waarschijnlijk, dat sommige van de grootste met de sterkste
vergrotingen als
zichtbare punten net gezien zijn; velen zijn echter nooit gezien. Er
wordt
aangenomen, dat het in celvorm georganiseerde levende wezens zijn, maar
daar zijn
we niet zeker van; en de gedachte, dat sommigen van hen overgangsvormen
zijn tussen
echte enzymen en celvormige individuen, is op zijn minst een redelijke
veronderstelling. De evolutie van het dode organische complex tot de
cel zal
vast een langzame overgang geweest zijn, met een oneindig aantal
tussenstadia,
die misschien nog ontdekt worden. Recente waarnemingen over het
verschijnsel bacteriofagie
hebben ons in ieder geval materiaal verschaft voor een hoopvol
onderzoek. Ontstond het leven spontaan door dergelijke steeds meer samengestelde verbindingen van stof door middel van enzymen — ongevormde, gereguleerde bemiddelaars, in staat om op te bouwen en energie af te geven? Of kwam het elders vandaan naar onze aarde, — kosmisch, — in welk geval het het vermogen
had
moeten
bezitten
om,
zonder
uiteen
te
vallen,
bestand
te
zijn
tegen
temperaturen,
oplopend
van
het
absolute
nulpunt tot gloeihitte. Wij
kunnen die mogelijkheden
niet ontkennen, maar wij hebben geen aanknopingspunt voor een van
beiden. Wij
beginnen te weten, dat alle in levende wezens plaatsvindende processen,
bestuurd
worden door dezelfde fysisch-chemische wetten, die de reacties in dode
chemische systemen beheersen — al zijn zij wel gecompliceerder. Toch is
deze
zuiver mechanische benaderingswijze onvoldoende voor het uiteindelijke
antwoord, en steeds weer duikt het vitalisme op teneinde die kloof te
overbruggen. Naast
ons,
in
dezelfde
tegenwoordige
wereld,
waarin
wij,
wat
we
kunst
en
wetenschap
noemen,
trachten
te
bevorderen,
zijn
onze
vrijwel alleroudste
voorouders, de
Protozoën en bacteriën, in leven gebleven. De bacteriën in het
bijzonder (die van
alle herkenbare cellen het dichtst bij de stam van de levende dingen
staan)
zijn nog belangrijker dan wij. Alomtegenwoordig in oneindige variaties,
brengen
zij gistings- en rottingsprocessen teweeg, waardoor zij koolstof en
stikstof
vrijmaken uit de dode lichamen van planten en dieren, die anders —
zonder
bacteriën en gistcellen — voor altijd besloten zouden blijven in
nutteloze
verbindingen, voorgoed uitgeschakeld als verdere bronnen voor energie
en
opbouw. Voortdurend werkzaam in moeras en veld, bevrijden die minuscule
weldoeners de gebonden elementen en voeren die terug naar de
voorraadstapel, zodat
zij als delen van andere levende lichamen in nieuwe cycli opgenomen
kunnen
worden. Sommigen daarvan remmen het uitbundige enthousiasme van hun al
te
grondige broeders, die stikstofhoudende stoffen afbreken tot vrije
stikstof. In
de bodem en in de wortelknolletjes van klaver, erwten en andere
peulvruchten
zijn bacteriën bezig om stikstof vast te leggen in verbindingen, die
gereed
zijn om weer in de levensketen te worden opgenomen. Zonder bacteriën,
die de continuïteit
van de cycli van de koolstof- en stikstofverbindingen tussen plant en
dier
handhaven, zou alle leven uiteindelijk ophouden; planten zouden geen
nitraten en
geen kooldioxideverbindingen meer hebben, waardoor zij moeten groeien,
koeien
zouden geen klaver meer hebben om te eten, de mens geen vlees en
groenten.
Zonder de bacteriën zou de wereld een pakhuis worden van goedbewaarde
dode voorbeelden
van haar vroegere flora en fauna — even nutteloos voor het voeden van
een
nakomelingschap, als een dwaze en domme gedachtegang, versteend in
boeken,
nutteloos is voor het voeden van zijn geest. 2 Onder
de
gezegden
en
spreekwoorden,
die
de
neiging
vertonen
de
filosofie
der
onnadenkenden
te
worden,
is
een
van
de meest gevaarlijke: “Zien is
geloven.”
Duizenden jaren geleden geloofden wijze mensen, dat de aarde plat was
en de zon
om de aarde heen draaide — omdat zij met hun eigen ogen konden zien,
dat die dingen
zo waren. Gedeeltelijk was het ditzelfde geloof in de zuivere
waarneming, dat zoveel
eeuwen een verstandige benadering van de vraag naar de oorsprong van
het leven
vertraagde. Maden kwamen voort uit rottend paardenvlees, luizen en
vlooien uit
zweet van mensen; een paardenhaar in een emmer water werd een
draadworm. Die dingen
konden waargenomen worden en waren daarom juist. In 300 voor Christus
werd
zelfs de succesvolle vervaardiging van de homunculus (ανθρωπάριον) aangekondigd
door de alchimist Zosimos, met hetzelfde
vertrouwen en
bijna
evenveel gezag, waarmee sommige van onze moderne biologen op een even
zwakke
bewijsgronden melding maken van de omvorming van een
ultra-microscopisch virus
in bacteriën. Ondanks
de
enorm
uitgebreide
literatuur
aan
dwalingen,
die
wij
aanstonds
zullen
beschouwen,
waren
de
oude
middeleeuwse
speculanten
minder
gevaarlijk
voor het
begrip, dan
hun tegenwoordige vertegenwoordigers. Valse leerstellingen werden toen
in veel
minder wijde kring bekend, omdat maar weinig mensen konden lezen en
weinig
persoonlijke winst in bekendheid viel te behalen; het publiek was zich
nog niet
van wetenschap bewust en nog niet intellectueel ontwikkeld;
wetenschappelijke
vraagstukken werden alleen gewaardeerd door de intelligente en
goedingelichte
minderheid, in plaats van onmiddellijk voorgelegd te worden aan het
intellectuele proletariaat. Als wij ons verbazen over de betrekkelijk
geringe vooruitgang,
die er in het oplossen van de vraag betreffende de oorsprong van het
leven
gemaakt is gedurende de vele duizenden jaren, waarin de mens daarover
nagedacht
heeft, moeten wij bedenken, dat het standpunt van de Grieken, 300 jaar
na
Christus, gezonder was dan enig ander, tot zeer onlangs, toen na een
eeuw van biologisch
ruimen van het kreupelhout, de Griekse denkmethode nieuw leven werd
ingeblazen
door de ontwikkeling van de biochemische en biofysische werkwijzen. Het
is
interessant zich af te vragen, wat de Grieken in een volgende drie of
vier
honderd jaar bereikt hadden kunnen hebben, als de opbouw van het
Romeinse wereldrijk
en de evolutie van het christelijke Europa uit het barbarendom, hen
niet hadden
onderbroken. Het enige wat de Grieken misten om zich snel de
grondslagen van
natuur- en scheikunde eigen te kunnen maken, was een
proefondervindelijke
methode. En die had, naar het scheen, onvermijdelijk moeten volgen uit
hun meetkunde,
zoals dat inderdaad al enigszins begon bij Archimedes en een paar
anderen. Het
was de invloed van het wiskundige denken, dat in latere eeuwen de
methode in
het leven riep van het proefondervindelijk afzonderen van afzonderlijke
verschijnselen of hun onderdelen. De Grieken stonden 300 jaar na
Christus hier
zeker dichter bij, dan de Europeanen tot 1500 na Christus. Omdat
de
wereld
nu
eenmaal
zo
groot
is
als
zij
is,
is
het
waarschijnlijk
nodig
af
en
toe,
voor
een jaar of duizend, aan de tijd een cultureel stempel te
geven. En
dit schijnt gebeurd te zijn in die enige cyclus, waarvan wij
historische kennis
hebben. Het talent van de Romeinen voor organisatie en de invloed van
een langs
bovennatuurlijke weg opgelegd — en daarom gemakkelijker te begrijpen —
christelijk
systeem, waren nodig om de wilde horden van sans-culottes uit
de Europese
wouden geleidelijk te brengen op een punt, waar zij zouden kunnen
verdergaan, waar
de Grieken twee duizend jaar geleden ophielden. Terwijl de Europese
beschaving,
vanaf 1600, wat ontdekkingen betreft, de Grieken in feite verre
overtrof, is
het inderdaad zeer de vraag, of wij wat betreft de geestelijke en
morele
ontwikkeling al het peil bereikt hebben van de filosofie van Plato, die
vrij
was van kaders en dogmatiek en niet hoefde te steunen op
bovennatuurlijke
speculaties. En alle vooruitgang ten spijt, hebben onze onderwijzers de
geschiedenis van klassieken en taalwetenschap, vervangen door
“huishoudeconomie”
en “seksuele hygiëne” en verdraagt de beschaafde wereld nog steeds een
soort aalmoezensysteem
van de protestante geestelijkheid. Het is nog te vroeg om uit te maken,
hoezeer
de beschaving door de wereldoorlog geschaad is. Op het ogenblik dat wij
dit
schrijven lijkt het alsof het Fascisme in Italië, hoewel het economisch
succesvol is, wetenschap en kunst tot stilstand heeft gebracht. In
Rusland zijn
tot dusver wetenschap en kunst niet veel meer geweest dan zwakke
propagandamiddelen; en van de tegenwoordige staat van het
wetenschappelijke
idealisme van het Duitsland van 1890 krijg je tranen in je ogen. 3
Het
is veelbetekenend voor onze hulpeloosheid, dat de inzichten, die wij
thans
huldigen wat betreft de oorsprong van het leven, alleen maar
rechtevenredig met
de verfijning van de door de wetenschap ontwikkelde methodologie,
dichter bij
het punt van onthulling zijn gekomen. Onze voorvaderen baseerden hun
oordeel op
hun vijf zintuigen. Wij baseren het onze daarnaast op chemisch
onderzoek,
microscoop, potentiometer en de thermodynamische wetten. In het
voetspoor van
Pasteur, Darwin, Emil Fischer, Willard Gibbs en talloze anderen,
proberen wij
het probleem uiteen te rafelen. Een van de grote charmes van
wetenschappelijk
werk is de trots een soldaat te zijn in het grote leger van de
uitpluizers —
waarvan de generaals voor hun volgelingen nooit dood zijn. Elk bereikt
doel, iedere
gegraven loopgraaf, elk veroverd bolwerk, vormt een duurzame
vooruitgang in de
organisatie van het nieuwe terrein voor de toekomstige integreerder. Op
een dag
zal hij komen en een dode verbinding tot leven brengen. Hij kan de zoon
zijn
van een Engelse lord, een boer in Tsjecho-Slowakije, een Russische
Jood, een
Franse kapper, of — het meest onwaarschijnlijk — van een Amerikaanse
makelaar. Wetenschap
is dus het grote democratische avontuur. Maar als hij komt, zal hij
bejubeld
worden als een koning. Het
grote mysterie van het leven zal onthuld worden als een
fysisch-chemisch
proces. Wij weten echter al dat dit zo is, — al zijn wij er nog niet in
geslaagd om het na te bootsen. En als wij dat zullen doen, zullen wij —
filosofisch
gesproken — precies even ver zijn als nu. De
zoektocht is bij voorbaat tot mislukken gedoemd, maar onpraktische
intellectuelen
uit alle tijden hebben zich erop uitgeleefd. Het is echter een
merkwaardig
feit, dat juist die onpraktische mensen niet uit de herinnering
verdwijnen.
Waarom? Vanwege de eigenschap die, meer dan enige andere, waarde aan
het leven
verleent: het instinct voor het geluk, dat in begrijpen schuilt, — of
dit nu
bereikt wordt langs de weg van gevoel of verstand — het is de minst
begrijpelijke van de menselijke eigenschappen en noch de wreedheden van
individuele noch de gewelddaden van nationale wedijver zijn er ooit in
geslaagd
haar teniet te doen. Onder
de
onpraktische
vragen,
die
de
mens
zich
stelde,
was
geen
enkele
zo
aanlokkelijk
als
die
naar
de
oorsprong van het leven. 2) In
het oude China kwamen insecten bij zwoel weer voort vochtig bamboe. De
oude Indiërs (de Wetten van Manu) verdeelden het dierenrijk in wezens,
die uit
eieren geboren werden en de “uit zweet onstane,” of muggen, torren,
wormen
enzovoort. Uit
de modder van de Nijl ontstonden door de zonnewarmte kikkers, padden,
slangen
en muizen, want kon men ze in de warme maanden daar uit zien kruipen. De heilige, vleesetende scarabee zou op een geheimzinnige manier gevormd worden uit mestkluiten, en bijen zouden voortkomen uit de rottende kadavers van vee.
Thales,
één
der
zeven
Griekse
wijzen
(een
oude
vrouw
spotte
met
hem,
omdat
hij
eens,
toen
hij
buiten
wandelde
om naar de sterren te kijken, in een sloot
viel; en
zijn moeder weerhield hem van een huwelijk, omdat zij, toen hij jong
was, zei: “Het
is te gauw” en toen hij ouder werd: “Het is te laat”) dacht, dat water
de bron
was van alle levende dingen en dat leven ontstond in warme modder en
het slijk
van de bodem der oceanen. In die gedachtegang werd hij nagevolgd door
Anaximander en Xenophanes. Regenwater werd daar nog, als drager van
vruchtbare
zaden uit de oneindige ruimten, door Anaxagoras aan toegevoegd. Men
schijnt in het
algemeen over modder wel eens geweest te zijn. Dat
nieuwe schepselen geboren werden uit de vereniging van hun
gelijksoortige
voorouders, werd niet Parmenides,
Empedocles,
en
Diogenes
van
Apollonia
verkozen
modder
en
vochtige
aarde
als
de
bronnen,
waaruit
leven
ontsproot. Democritus,
Epicurus
en
hun
verslaggever
Lucretius
begonnen
iets
nieuws.
Alles
op
aarde
bevat
leven.
De
aarde
is
de
moeder, die in haar jeugd leven schonk aan
alle
levende dingen — wonderen van vruchtbaarheid volbrengend, waaruit
planten en
dieren en zelfs de mens ontstonden. Toen zij echter ouder werd, ging
veel van
haar kracht verloren en alleen onbeduidende wezens zoals insecten,
reptielen en
andere lagere wezens ontsproten uit rottende organische stof, met
behulp van
warme regen en zonlicht. Plato
was
redelijk
agnostisch
in
deze
kwestie,
evenals
Socrates,
hoewel
de
laatste
de
“Entelechie”
bedacht,
de
kracht
van
de
geest, die, als zij de stof
doordrenkt,
haar tot leven wekt. Archelaus
geloofde
dat
het
ruggenmerg
van
dieren
en
mensen
door
rotting
veranderd
wordt
in
slangen. Omstreeks
30
jaar
na
Christus
blies
Diodorus
de
oude
geschiedenis
van
de
luis
opnieuw
leven
in
—
hoe
zij
ontstaat uit huid en zweet van de mens; en hij
beweerde
opnieuw, dat muizen voortkwamen uit de modder van de Nijl, want hij kon
ze eruit
zien kruipen — van voren volkomen gevormd maar nog niet afgewerkt aan
de
achterkant. Vergilius
schijnt
het
oude
verhaal
over
de
herkomst
van
bijen
uit
de
kadavers
van
runderen
geloofd
te
hebben.
In dit verband is het verwonderlijk, dat
Homerus —
in het negentiende boek van de Ilias — Achilles laat spreken
over het
gevaar, dat vliegen in de open wonden van Patroklos zouden kruipen en
daar
maden zouden voortbrengen — misschien de eerste exacte waarneming wat
dat
betreft. 3) Ovidius heeft dezelfde ideeën als Vergilius, alleen denkt hij dat wespen voortkomen uit paardenkadavers en kevers uit die van ezels.
Met de invloed van het Christendom, kwam er natuurlijk aanzienlijk verandering in sommige inzichten. In de vierde eeuw hield Gregorius van Nyssa zich aan de Bijbel toen hij beweerde dat planten en dieren plotseling geboren werden uit de aarde, door Gods wil; daarentegen vroeg Augustinus, gehinderd door zijn logische geest, zich met verwondering af, of, als de aarde zelfs na de zondvloed haar vermogen behield om dieren voort te brengen door generatio spontanea, de Ark dan wel nodig geweest zou zijn; en hij kon zijn geloof in Gods goedheid niet rijmen met de schepping van onaangename wezens als muizen.
De
hele Middeleeuwen door bleef dezelfde manier van redeneren bestaan. In
sommige
theorieën school iets minder naïviteit, maar veel andere waren
fantastischer
dan de oudheid ooit had kunnen voortbrengen. De grote geneesheer
Avicenna
geloofde dat alle darmparasieten voortkwamen uit rottende stof en
vocht, en hij
aanvaardde volkomen het ontstaan van dieren uit een juiste combinatie
van
elementen. Lippmann schrijft aan hem het verhaal toe, dat er, als
gevolg van
een donderslag, een incompleet kalf uit de hemel kwam vallen. Zelfs
de
grote
Albertus
Magnus
houdt
in
zijn
beschrijving De Animalibus vast
aan
de oude voorstelling, dat vele lagere dieren ontspruiten uit de stof,
waarop en waarin zij werden aangetroffen, — wormen uit rottend hout en
afval en
bijen en kevers uit vergane vruchten en bladeren, — en hij schijnt
zelfs het
verhaal geloofd te hebben over de gedaanteverwisseling van een
paardenhaar in
een spoelworm — een veronderstelling, die onder heel wat intelligente
mensen
nog steeds heerst. De vrome Willem van Auvergne, bisschop van Parijs,
wilde wel
geloven, dat wormen en kikkers op die manier geboren werden, maar ten
opzichte
van paarden trok hij de zaak toch in twijfel. Een
merkwaardig verhaal dat nu en dan weer opdook, tot in betrekkelijk
recente
tijden, was het geloof in het ontstaan van wilde eenden en ganzen uit
alikruiken. Die vogels kwamen en verdwenen en nooit zag men dat zij
broedden, zodat
hun herkomst het voorwerp werd van allerlei veronderstellingen. Een van
de
verhalen, dat te herleiden is tot Saxo Grammaticus, beschrijft, hoe
kleine
ganzen uit schelpen kwamen, die aan bomen groeiden op de
Orkneyeilanden. Het
verhaal bleef bestaan tot het eind van de zestiende eeuw, toen een
Hollandse
zeeman doordrong tot in de Noordelijke IJszee, waar hij het nestelen en
broeden
van de vogels waarnam. Dit
relaas over de alikruik-ganzen lijkt op de mededeling van de
Mandeville, die,
in zijn Reis- verhalen, spreekt over een boom, die
reusachtige,
meloenvormige vruchten droeg, waarvan hij zelf had gegeten en waarin
hij, toen
hij ze opende, een lam ontdekte. Als de vrucht rijp wordt en afvalt,
raken de
poten van het lam vast aan de grond en eet het al het gras binnen zijn
bereik
op. Het is tegenwoordig bekend, dat de Mandeville een van de meest
talentvolle
leugenaars uit de geschiedenis was. De beschrijvingen van reizigers,
die in de
late Middeleeuwen en in de vroegste moderne tijden, in alle hoeken der
aarde
begonnen door te dringen, zijn verantwoordelijk voor talloze
gelijksoortige verhalen.
De geschiedenis van het plantaardige lam werd pas helemaal losgelaten,
toen
Linnaeus in de achttiende eeuw exemplaren van verschillende planten
onderzocht,
waarvan verondersteld werd dat zij zich ontwikkelden tot lammeren. De
ideeën
van Paracelsus over de oorsprong van het leven verschilden in feite
niet van
die van zijn tijdgenoten. De φυσις van
Hippocrates werd echter in verband gebracht met het Christelijk geloof
in de
ziel, waarin verklaard wordt hoe God leven in een aantal van Zijn
schepsels
blies. Bacon
geloofde
vast
in
generatio
spontanea
en
Harvey
moet
beschouwd
worden
als
de
eerste,
die
in
1651,
met
zijn vermaarde Omnia ex Ovo, in
verzet is
gekomen tegen de oude opvattingen. Kepler,
verstandig
als
hij
was,
geloofde
dat
planten
konden
groeien
uit
de
aarde
zonder
voorgeslacht
en
dat
vissen
door generatio spontanea ontstonden in zout
water,
net zoals kometen aan de hemel verschenen. 4) In feite is er in die hele periode van de kant van de grootste geleerden geen enkele poging gedaan het probleem te benaderen langs experimentele weg, tot de tweede helft van de zeventiende eeuw. In die tijd publiceerde een Toscaanse arts, Francesco Redi, proeven over de ontwikkeling van insecten waarin hij aantoonde, dat rottende stof niet meer is dan een geschikte plaats om eieren te leggen. Hij verklaarde ook, dat verschillende huidziekten door parasieten veroorzaakt worden, en niet omgekeerd. En Swammerdam komt uit vrome overtuiging tot dezelfde conclusie, omdat hij het voor onmogelijk houdt, dat vliegen, waaraan de Almachtige God zoveel wijsheid en kunstvaardigheid heeft besteed, zo maar toevallig uit afval ontstaan zouden zijn. Aan Redi komt de eer toe, al zijn de conclusies dezelfde. Descartes,
die
vertrouwd
was
met
het
werk
van
Leeuwenhoek
en
alle
andere
belangrijke
natuuronderzoekers
van
zijn
tijd,
wijdde
niet veel aandacht aan de
vraag naar
de oorsprong van levende dingen, maar sloeg in zijn overwegingen de
spijker op
de kop door het als een uitgemaakte zaak aan te nemen, dat er een
wereld van uiterst
kleine levende wezens bestaat, waaruit zich door een bepaald
evolutieproces
andere soorten kunnen ontwikkelen. Tussen
het
einde
van
de
achttiende
en
het
begin
van
de
negentiende
eeuw
begon
een
verzameling
nauwkeurige
waarnemingen
het terrein van de speculatie in
te perken
en, als je de gedachtegang van de mensheid over dit onderwerp probeert
te
overzien, is het inderdaad duidelijk, dat — zoals in alle wetenschappen
—de
speculatie aan de ene en de toename van waarnemingen aan de andere kant
omgekeerd
evenredig met elkaar zijn. De ontdekking van de manier van
voortplanting bij
zwammen en mossen in 1719, door de experimenten van de Florentijnen
Michele en
Spallanzani op insecten, leidde tot een groei van de overtuiging, dat
zoiets
als generatio spontanea niet kan gebeuren. Lippmann vermeldt het
vermakelijke
feit, dat een belangrijke waarneming op dit gebied in 1804 gedaan werd
door de
chefkok in een Parijs restaurant, Appert genaamd, die levensmiddelen
bewaarde
door ze te verhitten en in hermetisch gesloten potten te doen — een
waarneming,
die op één lijn stond met een dergelijke gedaan door Scheele, nl. over
het
bewaren van azijn door die te koken en te verzegelen in vaten. Er was
nu en dan
een terugval, zoals bij Needham, maar een nieuw tijdperk was ingeluid
en
spoedig nam de experimentele methode de leiding bij de ontwikkeling van
het
biologische denken. 4 Met
de geleidelijke ontwikkeling van de experimentele methode werden de
mensen, die
nieuwsgierig waren naar het leven als verschijnsel, juist door de
nauwkeurigheid van hun waarnemingen, bescheidener wat hun theorie
betreft. De
moderne biologie werd geboren, toen haar leerlingen hun hele aandacht
richtten
op het bestuderen van de manier, waarop het leven zich openbaarde, en
hun
theorieën volkomen beperkten tot het construeren van een raamwerk,
waarlangs
nieuwe proefnemingen konden groeien. Ten slotte maakte Pasteur een eind
aan de biologische
Middeleeuwen door aan te tonen, dat de aangedragen waarnemingen over
generatio
spontanea, toegeschreven moesten worden aan proefondervindelijke
dwalingen.
Lang hiervoor echter had de chemie, voortgekomen uit alchemie en
natuurkunde en
zich afkerend van het firmament naar geringere aardse zaken, de weg
gebaand
voor de moderne biologie. De biologie begon dus zoals zij zal eindigen
— als
toegepaste chemie en natuurkunde. Om
die
stelling te handhaven, zullen wij er goed aan doen ons de structuur van
de
biologie, zoals zij tot ons gekomen is, in haar naakte waarheid voor
ogen te
stellen. De lezer met fantasie zal met bewondering en medegevoel
terugdenken
aan de naamloze menigte geduldige zwoegers, de onbekende soldaten van
de grote
worsteling om de waarheid, die hielpen de werktuigen te smeden voor de
handen
van het genie. Iedereen,
die
over
die
dingen
nadenkt,
kan
voor
zichzelf
een
lijst
belangrijke
prestaties
samenstellen,
en
geen
twee
zullen
hetzelfde
zijn. Omdat wij dit boek
echter geschreven
hebben, meer voor ons eigen plezier dan voor iemand, die het misschien
zou
willen kopen, zetten wij hier in chronologische volgorde de
veroveringen van
het verstand uiteen, die naar onze mening het meest rechtstreeks hebben
bijgedragen aan de moderne inzichten in het mechanisme van de levende
dingen.
Wij geven ze hier zonder verklaringen, omdat mensen, die met die dingen
niet
vertrouwd zijn, ze zelf wel kunnen opzoeken in elke moderne
geschiedenis der
wetenschap. 1974
Priestly
ontdekt,
dat
“bedorven”
lucht
(bedorven
door
muizen)
“goed”-gemaakt
werd
door
de
aanwezigheid
van
groene
planten. 1780 Ingenhousz toont aan, dat dit proces was toe te schrijven aan de aanwezigheid van groene planten, die alleen onder invloed van licht reageerden; in datzelfde jaar maakte Senebier duidelijk, dat er een omzetting plaatsvond van kooldioxide naar zuurstof en in 1804 bewijst de Saussure de kwantitatieve aard van die omzetting.
1784. Lavoisier
toont de
onverwoestbaarheid van
de materie aan. De kwantitatieve chemie begint; er wordt onderkend, dat
de
ademhaling te maken heeft met verbranding. 1812.
Kirchhoff
ontdekt
dat
zetmeel
omgezet
kan
worden
in
glucose
door
de
werking
van
verdund
zwavelzuur,
dat
daarbij
zelf onveranderd blijft. Dit mag
beschouwd worden
als een eerste schrede op de weg naar inzicht in katalytische
processen,
leidend naar Berzelius’ opvatting van een “nieuwe kracht”, waarin hij
een
machtige factor zag ter verklaring van de chemische processen in het
levende
lichaam. 1821. Cuvier
legt de grondslag
van de
paleontologie. 1824. Synthese
van een organische
verbinding
(ureum) door Wöhler. 1828. Ontdekking
van het
zoogdierenei
door von
Baer. Het ontstaan van de moderne embryologie en de eerste grote stap
voorwaarts in die richting sinds Harvey. 1838—1839
Schleiden toont de opbouw uit cellen
aan voor
planten, en Schwann voor dieren. 1838. Cagniard
de la Tour
bewijst, dat
gisting afhankelijk is van gistcellen. 1838. Von
Mohl beschrijft
protoplasma. 1840. Max
Schultze vat dit op als
de
fysische
grondslag van het leven. 1842. Mayer
oppert voor het eerst
het
idee van
het behoud van kracht, later systematisch ontwikkeld door von Helmholtz
in 1847 (Abhandlung über die Erhaltung der Kraft), waarvan ten
slotte
de
thermodynamische wetten het gevolg waren. 1842. Met
Liebig’s werk “Die
Tierchemie” begint
de biochemie; het handelt over de toepassing van chemische methoden op
dierlijk
weefsel en behelst ook de belangrijke opvatting van dierlijke warmte
ten
gevolge van verbranding. 1857. Claude
Bernard legt de
grondslag
voor de
moderne fysiologie en ontdekt de vorming van glycogeen door de lever.
Het begin
van de toepassing van biochemische en fysiologische methoden op het
levende
dier. 1859.
Darwin
en
Wallace
bevorderen
de
ideeën
over
een
organische
evolutie,
waaronder
de
krachtige
ontwikkeling
van
de
vergelijkende
anatomie, embryologie en
rationele
systematologie. 1860.
Laatste weerlegging van de proeven over
generatio
spontanea door Pasteur. 1861. Herkenning
van het
onderscheid in
de
wetten, waaraan de zogenaamde “kristalloïden” gehoorzamen en
stofdeeltjes, groter
dan moleculen. Het ontstaan van de kolloid-chemie door de
onderzoekingen van
Graham. 1862. Pasteur
beschrijft, hoe
gisting
en
rotting afhankelijk zijn van levende organismen. 1865
Het
werk
van
Mendel
over
de
kruising
van
erwten.
Dit
werk,
dat
waarschijnlijk
de
oorspronkelijke
hypotheses
van
Darwin
fundamenteel veranderd zou
hebben, lag
volkomen begraven in een plaatselijk wetenschappelijk blad tot 1900,
toen het
ontdekt, bevestigd en uitgebreid werd door de Vries en anderen. Het
werd het
fundament van de erfelijkheidsleer. 1867.
Het
werk
van
Traube
over
semi-permeabele
membranen. 1877. De
ontdekking van osmose
door
Pfeffer. 1880—1900. De ontwikkeling van de moderne bacteriologie en immunologie, met de groei van de techniek voor het onderzoek van het leven in zijn meest eenvoudige vorm.
1885.
De
correlatie
tussen
osmotische
druk
en
de
chemische
en
fysische
eigenschappen
van
oplossingen,
door
van
‘t
Hoff. 1885
Rubner
past
de
kwantitatieve
methoden
toe
bij
het
onderzoek
naar
de
caloriewaarde
van
voedingsmiddelen. 1887 Begin
van het onderzoek
naar de
samenstelling van organische stof door Emil Fischer — glucose, fructose
en
tenslotte polypeptide, een van de hoogste splitsingsproducten van
eiwit. Met
Fischer begint het tijdperk van de ware kennis over de bouw van de
eiwitten. 1888. Hellriegel
en Wilfarth
verhelderen de
koolstof-stikstofcyclus. 1889. Voor
het eerst wordt een
ultra-virus
ontdekt (mozaiekziekte bij planten) door Beijerinck. 1893.
Een
ultra-virus,
dat
ziekte
veroorzaakt
bij
dieren
(mond
en
klauwzeer),
wordt
ontdekt
door
Löffler
en
Forsch. 1900. Begin
van de kennis van het
effect van
stralingsenergie (X-stralen, ultra-violet licht) op levensprocessen. 1902. Voor
het eerst toont Sutton
aan,
dat het
delen van chromosomen inzicht in het mechanisme verschafte, waardoor de
wetten
van Mendel verklaard konden worden. 1904. Ontdekking
van de hormonen
of
fysiologische
boodschappers; het proces van de interne secretie beschreven door
Bayliss en
Starling. 1910. Het
belangrijke begin van
de
toepassing van
de fysisch-chemische methoden op eiwitten en levende weefsels; het
zuur-base
evenwicht; waterstofionenconcentratie; polarisatie van membranen;
Donnan’s
evenwicht; oxydatiereductieverschijnselen; oppervlakteverschijnselen en
elektrofysische eigenschappen van cellen en vloeistoffen uit levende
complexen.
Sörensen, Loeb, Henderson, Clark en vele anderen hebben dat allemaal op
hun
naam staan. 1912. De
vitaminen worden ontdekt
door
Hopkins en
Funk. 1915. Het
verschijnsel van de
bacteriofagie
ontdekt door Twort en d’Herelle, die tevens de veronderstelling
opperen, dat
het tussenstadia zouden kunnen zijn tussen enzymen en gevormde cellen,
omdat
zij het vermogen zich te vermeerderen alleen hebben in de aanwezigheid
van
specifieke levende cellen, waarop zij reageren. Of die stoffen levend
of dood
zijn, is op het ogenblik bijna een academische vraag. 1925. Ontdekking
van de
verwantschap
tussen
stralingsenergie en bijkomstige factoren in de voeding; activering van
vetten
door bestraling met ultra-violet licht, totdat zij de werkzaamheid van
vitaminen verkrijgen. Grondslagen in de proeven van Steenboek en Hess. 1930. Uitkristallisering van enzymen. Sumner bereidde urease in een kristallijne vorm in 1926. In 1930 en 1932 publiceerde Northrop over de kristallisatie van pepsine en trypsine.
Dit alles mag ver verwijderd lijken van de geschiedenis van de tyfus, maar alleen voor hen, die ongeduldig uitkijken naar sensationele gebeurtenissen in een stormachtig verhaal. Zonder de hier vermeldde ontwikkelingsgang, zouden we nu maar weinig weten over de ware aard van het onderwerp van onze biografie.
Noten
1) Lawrence J. Henderson, The Order of Nature. 2) Von Lippmann gaf een buitengewoon volledige en wetenschappelijke samenvatting over dit onderwerp, waaruit wij vrijelijk hebben geciteerd. 3) Maar ik ben vreselijk bang dat, terwijl vliegen zullen neerstrijken op de gapende wonden van Menoitios’ dappere zoon en daarin wormen zullen voortbrengen, zij zijn lijk — want het leven is in hem vernietigd — zullen bezoedelen en heel zijn lichaam zal gaan rotten. 1) Het strekt Kepler tot eer, dat hij — hoewel hij een van de eminentste fysici aller tijden was — nooit een boek schreef over God en het Heelal.
HOOFDSTUK IV Over
parasitisme
in
het
algemeen,
en
over
de
noodzaak
bij
het
historische
onderzoek
van
epidemieën
rekening
te
houden
met de verandering in de aard van
infectieziekten; een korte beschouwing over syfilis ter illustratie van
die
bewering. Dat houdt rechtstreeks verband met onze biografie, omdat wij,
voor
lezers die van het bestaan van een mensenras niets afweten, te werk
moeten gaan
alsof wij over een mens schrijven. 1 Niets in de wereld van de levende dingen staat voor eeuwig vast. De evolutie gaat steeds door, hoewel haar vooruitgang zo langzaam is, dat de veranderingen, die zij met zich meebrengt, alleen waargenomen kunnen worden in het vaststelbare verband met bestaande vormen en hun paleontologische en embryologische geschiedenissen. Hoewel de processen, die de verandering door evolutie bepalen, tegenwoordig niet zo eenvoudig blijken te zijn als zij leken, toen “Het ontstaan der soorten” werd gepubliceerd, zou het toch bij geen enkele bioloog kunnen opkomen aan te nemen, dat een levende vorm voor eeuwig zou zijn vastgelegd. Het is daarom op zuiver biologische grond volkomen logisch te veronderstellen, dat infectieziekten zich aanhoudend wijzigen; nieuwe komen op, en oude veranderen of verdwijnen.
Parasitisme
ontstond
oorspronkelijk
in
de
schemering
van
een
prehistorisch
tijdperk
als
gevolg
van
Parasitisme
vertegenwoordigt
het
stadium
in
de
evolutie,
dat
zich
zeer
goed
leent
voor
analytisch
onderzoek.
Er
zijn
maar
weinig parasieten, waarvan niet met
een vrij
grote mate van zekerheid enige vrij levende voorouders kunnen worden
opgespoord, of nog bestaand of in fossiele vorm. Vanuit dit standpunt
is het
bestuderen van de parasitaire aanpassing een van de belangrijkste
steunpilaren
van de evolutietheorie. Elk voorbeeld vertegenwoordigt een
miniatuursysteem,
waarin de gastheer de buitenwereld voorstelt, waardoor de parasiet
gevormd
wordt. Het parasitisme, dat infectieziekte heet, betekent dat meer of
minder
samengestelde planten of dieren worden aangetast door eenvoudigere,
meestal
eencellige wezens — zoals bacteriën, Protozoen, Rickettsiae en de
merkwaardige,
nog niet te definiëren ziekteverwekkers, die we “ultramicroscopische”
of “filtreerbare”
virussen noemen. Hoewel zij feitelijk gecompliceerd zijn in functie en
stofwisseling, vertonen die dingen, die we ons als iets eenvoudigs
voorstellen,
iets verbazingwekkends buigzaams, biologisch en chemisch; en omdat bij
hen de
generaties elkaar zeer snel opvolgen (minstens twee per uur, onder
gunstige
omstandigheden) vormen infectieverschijnselen een versneld
evolutieproces, dat buitengewoon
geschikt is voor het waarnemen van veranderingen in aanpassing. Het zou
daarom
verwonderlijk zijn, als zich niet voortdurend nieuwe vormen van
parasitisme —
dat wil zeggen, infectie — zouden voordoen en er in de loop der eeuwen
onder de
bestaande vormen geen wijzigingen hadden plaatsgevonden in de
wederzijdse
aanpassing van parasiet en gastheer, voor zover wij weten. De resultaten van de moderne bacteriologie maken inderdaad het standpunt zeer waarschijnlijk, dat de epidemische ziekten voortdurend veranderen; misschien niet voldoende snel om de diagnostische problemen van een bepaalde periode te ontrafelen, maar toch snel genoeg om bij de bestudering van de geschiedenis van de epidemieën, het rekening houden met die factor aan te moedigen. Het is zeker dat het — tot dusver — niet mogelijk geweest in het laboratorium een zuivere saprofyt te veranderen in een gewone parasiet. Het is echter betrekkelijk eenvoudig om met een organisme, dat gewoonlijk weinig neiging tot parasiteren vertoont, een dodelijke infectie toe te brengen, door de afweer van de individuele gastheer te verlagen. Sinds de tijd van Pasteur is dat herhaaldelijk gedaan. Bovendien hebben de jongste successen, in wat met een technische term “bacteriële dissociatie” genoemd wordt, eenvoudige methoden mogelijk gemaakt, waardoor het merendeel van de zeer infectieuze bacteriën van hun virulentie beroofd kan worden en vervolgens weer tot hun volledige pathogene toestand teruggebracht kunnen worden. Dergelijke veranderingen in beide richtingen vinden plaats in de lichamen van geïnfecteerde dieren; zij kunnen naar willekeur in de reageerbuis teweeggebracht worden en met morfologische en chemische veranderingen in de bacteriën zelf gecorreleerd worden. Dat onderwerp is een van de belangrijkste gebieden van het tegenwoordige onderzoek en de bereikte resultaten hebben de opvattingen over infectie grondig gewijzigd. Verder hierop ingaan zou ons voeren tot technische besprekingen, die beter passen in een handboek over bacteriologie. De zaak is in dit verband alleen genoemd om onze bewering te staven, dat het historische onderzoek van de infectieziekten hierna rekening zal moeten houden met het feit, dat de aanpassing aan parasitisme niet iets statisch is en dat buitengewoon geringe veranderingen in de wederkerige aanpassing tussen parasiet en gastheer diepgaande wijzigingen kunnen veroorzaken in de klinische en epidemiologische verschijnselen.
Er
bestaat een uitgebreide reeks fijne schakeringen tussen saprofytisme en
parasitisme; de biologische en chemische eigenschappen, volgens welke
de
veranderingen in aanpassing voortgaan, zijn — tot op zekere hoogte
—afhankelijk
van of het organisme, dat ziekte veroorzaakt bij mens of dier, nog het
vermogen
om te leven in de natuur bewaard heeft, of het via tussengastheren
passeert, of
het zo nauw verbonden is met een individuele gastheer, dat het niet los
van hem
kan bestaan en omkomt, als de gastheer sterft, tenzij het wordt
overgedragen op
een andere. De
laatste omstandigheid is die waarbij, met de grootste mate van
waarschijnlijkheid, noemenswaardige veranderingen verwacht kunnen
worden binnen
de korte periode, waarvan de mensheid op de hoogte is. In dergelijke
gevallen
is er sprake van een ononderbroken overdracht van de ene gastheer op de
andere,
de parasiet wordt nooit blootgesteld aan een andere omgeving dan die,
waaraan
hij het beste is aangepast en daarom schrijdt de evolutie steeds voort
in één
enkele richting — naar een volmaakter, wederkerig elkaar verdragen van
binnendringer en slachtoffer. Het is te begrijpen, dat, als een
dergelijke
parasitaire verhouding begint, de gastheer heftig reageert en dat óf
gastheer óf
indringer het aflegt, volgens ingewikkelde criteria, die bij elk
afzonderlijk
geval anders zijn. Naarmate de aanpassing meer volmaakt wordt, neemt de
reactie
in hevigheid af; de ziekte wordt minder ernstig en krijgt een meer
chronisch
karakter; ten slotte kan een stadium bereikt worden, waarin de
wederkerige
aanpassing de volmaaktheid zo nadert, dat de gastheer helemaal geen
tekenen van
schade vertoont. Die verhouding bestaat bij voorbeeld bij bepaalde door
trypanosomen verwekte ziekten bij ratten, bij de spirochetose, de door
sarcospiridiën veroorzaakte infecties bij muizen en in allerlei andere
ziektetoestanden bij dieren en planten. Bij die ziekten vertoont het
aangetaste
dier praktisch geen tekenen van ongemak of pathologische veranderingen,
als
reactie op de parasiet. Theobald Smith heeft die principes uitgebreid
behandeld. In dierenpopulaties vindt de eerste aanval van een nieuw
virus
plaats op individuen van alle leeftijden. Of sommigen van hen
overleven, is een
kwestie van toeval, die berust op genetische verschillen of op een
toevallige “overlapping”
van immuniteit, afkomstig van andere — misschien verwante — ziekten.
Het
uitsterven van menige diersoort uit vroegere eeuwen kan het best
verklaard
worden door het optreden van nieuwe parasieten. Volgende aanvallen zijn
gericht
tegen de zeer jonge individuen en leidt tot het opruimen van de zwakken
en een populatie,
die geleidelijk meer weerstand krijgt tegen die bepaalde infectievorm. Voor
de
mens
is
syfilis
een
ziekte,
die
deze
principes
illustreert.
Het
is
vrijwel
zeker
dat
syfilis,
toen
zij
in het begin van de zestiende eeuw voor het
eerst
in epidemische vorm optrad, veel meer dan nu een virulente, acute en
dodelijke
ziekte was. Onafgebroken overdracht van het ene levende wezen op het
andere,
zonder tussenpozen van een bestaan in de buitenwereld, heeft in de loop
van
bijna vijf eeuwen, langzamerhand geleid tot een wederzijdse
verdraagzaamheid,
waarvan een toenemende mildheid van de ziekte het gevolg is. Als de
mensheid in
de toekomst even sterk syfilitisch geïnfecteerd gehouden zou kunnen
worden, als
zij in het verleden geweest is, zou dat misschien voor een volgende
periode van
duizend jaar een toestand teweeg kunnen brengen, die ongeveer gelijk is
aan de
muizenspirochetose, waarbij een punctie in het peritoneum van vrijwel
elke bon
vivant, de aanwezigheid van een infectie met treponema pallidum aan
het
licht zou brengen, waarvan de gastheer zich allesbehalve onbewust is.
Arsphenamine heeft waarschijnlijk dit vooruitzicht tenietgedaan. 2) Bij
de vormen van parasitisme, waarbij het binnendringende organisme
ondanks zijn
vermogen te infecteren, tegelijkertijd saprofytische eigenschappen
heeft behouden,
is het minder eenvoudig de veranderingen te bepalen binnen het
historische
tijdperk. Anthrax en tetanus — dodelijk voor mens en dier — kunnen in
sporenvorm jarenlang in de bodem bewaard blijven, zonder hun pathogene
vermogen
te verliezen, zodat zij, — als zij toevallig opnieuw op iemand geënt
worden, — weer
een dodelijke ziekte teweeg kunnen brengen. Tyfus- en
dysenteriebacillen,
choleraspirillen, streptokokken en stafylokokken, die wondinfectie
veroorzaken,
en vele andere micro-organismen kunnen, gescheiden van de gastheer,
langere of
kortere perioden overleven; en de omstandigheden, waaronder dit
mogelijk is, de
duur van de periode, die zij kunnen overleven en de veranderingen, die
in die tijd
plaatsvinden, zijn allemaal uiterst belangrijke factoren, voor iemand
die
epidemieën bestudeert. Bij een dergelijke infectie met half-parasieten,
worden
— als de infectie zich wijd verspreidt — de net genoemde factoren
echter juist van
kracht en streven de volgende generaties naar vergroting van hun
weerstand. Wat
de infecties bij de mens betreft, zouden daarvan vele voorbeelden
gegeven
kunnen worden — een van de sprekendste is dat van de tuberculose; de
sterke vatbaarheid
van primitieve volksstammen daarvoor, vergeleken met de weerstand van
de al
door en door met tuberculose geïnfecteerde bevolking van Europese
afkomst, is
een welbekend feit. Het
idee, dat wij logischerwijze veranderingen mogen verwachten in de
klinische en
epidemiologische ziekteverschijnselen binnen de korte periode van de
menselijke
geschiedenis, wordt vooral aangemoedigd door het onderzoek van de
zogenaamde “filtreerbare”
virussen. Een niet onbelangrijk aantal van de belangrijke epidemische
ziekten
wordt veroorzaakt door die geheimzinnige “ietsen” — bijvoorbeeld
pokken, waterpokken,
mazelen, bof, kinderverlamming, encefalitis, gele koorts,
dengue-koorts,
hondsdolheid en influenza, om nog maar te zwijgen van een groot aantal
van de
allerbelangrijkste rampen in het dierenrijk. Evenals bij de door
bacteriën
veroorzaakte ziekten, bestaat daar een levendige uitwisseling van
parasieten tussen
mens en dier. Omdat we die infectieuze stoffen kunnen zien noch kweken,
behalve
samen met levende weefsels, is in feite de enige gelegenheid om ze aan
een
systematische bestudering te onderwerpen het opsporen van een dier,
waarin de
ziekte kan worden teweeggebracht. Het is, als resultaat van zulk een
studie,
gebleken, dat die agentia van een buitengewoon grote biologische
plasticiteit
zijn, zelfs meer dan bacteriën en vaak kunnen zij door een eenvoudige
bewerking
in het laboratorium veranderd worden. De omvorming van het pokkenvirus
in een
vaccin door middel van passage door vee is een veel grondigere
verandering dan
de wijziging, die de plaag van Athene onderscheidt van de pokken, zoals
wij die
nu kennen. Het loutere passeren van het virus door een andere diersoort
heeft
haar — in dit geval — zo gewijzigd, dat zij niet langer méér dan een te
verwaarlozen
locale reactie bij de mens teweeg kan brengen; maar ondanks dat behoudt
zij
toch de fundamentele biologische eigenschappen, waardoor zij hem immuun
maakt.
Op dezelfde manier verhoogt passage door konijnen binnen korte tijd de
virulentie van het hondsdolheidvirus voor die dieren, waarbij het
tegelijkertijd
licht afzwakt voor apen en mensen. Het gele-koortsvirus brengt, als het
ingespoten wordt in de hersenen van muizen, geen typische gele koorts
meer
voort, maar een soort encefalitis, die daarna in reeksen van muis op
muis kan
worden overgedragen. Teruggebracht op apen behoudt het, zelfs als het
gepasseerd is door muskieten, haar affiniteit voor het zenuwstelsel. In
feite
kan een groot aantal van die virussen, waaronder het herpesvirus, dat
koude
zweren veroorzaakt, pokkenvirus en vele andere, door een geschikte
bewerking
aangepast worden aan wat “neurotropie” genoemd wordt, — dat wil zeggen:
zij
kunnen zo veranderd worden, dat zij bij voorkeur het zenuwstelsel
aantasten en encefalitis
veroorzaken. Daarom
hoeft,
wat
wij
een
“nieuwe”
ziekte
noemen,
niet
opgevat
te
worden
als
het
ontstaan
— de novo — van nieuwe parasitaire vormen, die eerder
niet
bestonden. Terwijl dit proces waarschijnlijk voortgaat, is het te
geleidelijk
en te langzaam om het spoor van een bestaande ziekte terug te kunnen
volgen naar
haar allereerste begin. Binnen het historische tijdperk blijven er twee
hoofdbronnen over voor nieuwe ziekten; namelijk de wijzigingen in al
bestaande
parasitismen bij de mens door geleidelijke verandering in hun
wederkerige
verhoudingen; en doordat nieuw contact met diersoorten en insecten,
waaraan de mens
tot dusver niet was blootgesteld, bij de mens parasieten binnendringen,
die wel
al vaste voet hadden in het dierenrijk. Dat er in de natuur al menige
ziekte
bestond, die de mens nog niet had opgelopen bij gebrek aan gelegenheid
daartoe,
blijkt duidelijk uit de recente ervaringen met de papegaaienziekte en
een bepaalde
schapenziekte, die een soort encefalitis veroorzaakt. Hoewel van beide
ziekten
wel hier en daar gevallen waren waargenomen, bleek bij proeven in het
laboratorium hoe buitengewoon besmettelijk dit virus was voor de
onderzoekers.
De Australische ziekte, een poliomyelitisachtig beeld — kreeg de mens
waarschijnlijk van het schaap en een ander ziekteproces, dat tot 1904
niet
herkend werd en zich op dit ogenblik over de Verenigde Staten
verspreidt, wordt
door verschillende dieren overgebracht. Een
van
de interessantste verschijnselen van het infectieuze parasitisme is de
uitwisseling van ziekteverwekkers tussen insecten en hogere dieren. Dit
is een uitgebreid
gebied, dat wij niet van plan zijn te bespreken, behalve in zoverre het
te
maken heeft met het onderwerp van onze biografie — de tyfus. Volkomen
los van
de medische en hygiënische aspecten van het tyfusvraagstuk, zijn de
omstandigheden
waaronder het wordt overgebracht, van buitengewoon biologisch belang,
omdat zij
ons — meer dan enige andere cyclus bij een infectieziekte — de
gelegenheid
geven de evolutie te bestuderen van een parasitisme, dat in
verschillende delen
van de wereld andere kanalen heeft gevonden, door zich aan te passen
aan de
plaatselijk uiteenlopende verspreiding van insecten en knaagdieren.
Tyfus is
een van de door Rickettsiae veroorzaakte ziekten, die een nauw verwante
groep
vormen. De zeer kleine, staafvormige organismen, die deze ziekten
veroorzaken
(Rickettsiae — zo genoemd naar Ricketts, een Amerikaan, die stierf,
terwijl hij
in Mexico een onderzoek naar tyfus deed) zijn nauw verwant aan een
aantal gelijksoortige
en onschadelijke micro-organismen, die gewoonlijk worden aangetroffen
in de
lichamen van veel insecten. Het is daarom niet onwaarschijnlijk, dat
die organismen
oorspronkelijk als parasieten terechtkwamen bij insecten en van daaruit
overgingen op sommige lagere dieren (knaagdieren) en vervolgens op de
mens. Die
zaken worden uitvoeriger in een volgend hoofdstuk besproken. 2 Als de omstandigheden zodanig zijn, dat een infectie bijna de gehele bevolking van een dichtbevolkte streek kan aantasten, is het resultaat wat de Duitsers Durchseuchung noemen. De toevallig minder vatbaren blijven in leven en pas na generaties komt er geleidelijk een verandering tot stand in de verhouding tussen parasiet en gastheer. Hoe groter de verzadiging is, des te duidelijker de resultaten. De eenvoudigste uiting van dergelijke veranderingen zijn de snelheid van de verspreiding en de virulentie van een ziekte, als zij voor het eerst optreedt in het gebied van een primitieve — dat wil zeggen, volkomen vatbare — bevolking. Toen de mazelen voor het eerst, in 1875, de Fiji Eilanden bereikten, als gevolg van het bezoek van de koning van de Fidji’s en zijn zoon aan Sydney in Nieuw Zuid-Wales, veroorzaakten zij de dood van 40.000 mensen op een bevolking van ongeveer 150.000 zielen. Een ander voorbeeld is het vreselijke geweld van de pokken, toen die voor het eerst werden overgebracht op de Mexicaanse Indianen, door een neger op het schip van Narvaez. De virulentie van tuberculose voor Negers, Eskimo’s en Amerikaanse Indianen, toen zij in contact kwamen met blanken, is daar nog een voorbeeld van. Nog veel van dergelijke voorbeelden zouden aangehaald kunnen worden. Juist onder een dichte, door en door geïnfecteerde bevolking, is de ziekte echter binnen betrekkelijk korte tijd van karakter veranderd. Sinds ongeveer 1880 is roodvonk ongetwijfeld minder heftig geworden in heel West-Europa, Engeland en Amerika. Hetzelfde geldt voor mazelen en difterie, zowel wat voorkomen, verspreiding, als sterfte betreft. De verandering begon al voordat de huidige preventieve methoden een noemenswaardige invloed hadden uitgeoefend. Misschien is het echter geen toeval, dat wij bij de difterie — in het onderdrukken waarvan de moderne bacteriologische methoden sinds de negentiger jaren uiterst doeltreffend zijn geweest, en op die manier de normale evolutie in de wielen liep — juist de terugkeer beginnen waar te nemen van buitengewoon toxische en dodelijke gevallen, die in groeiende aantallen uit Centraal Europa gemeld worden. Het is helemaal niet onwaarschijnlijk, dat een succesvolle onderdrukking van een epidemische ziekte, gedurende meerdere generaties, verstorend werkt op de duurzamere, maar veel meer offers kostende invloed, waardoor de natuur geleidelijk zelf een ras immuniseert.
Syfilis
levert
het
beste
voorbeeld
van
de
veranderingen,
die
een
ziekte
binnen
een
korte
periode
kan
ondergaan,
als
de bevolking daar eerst door en door
mee “verzadigd”
is. De daarmee gepaarde problemen, zijn zo interessant, dat zij wel
enige paragrafen
waard lijken te zijn. Van vóór het laatste decennium van de vijftiende
eeuw,
bestaan er maar weinig betrouwbare gegevens over de syfilis in Europa.
Over het
onderwerp is uitgebreid geredetwist en veel passages — vooral uit oude
Hindoe-handschriften
— zijn geïnterpreteerd, alsof venerische zweren, overeenkomend met
zweren, die kenmerkend
zijn voor syfilis, in de oude wereld al bekend waren. Er zijn echter
vormen van
niet-syfilitische venerische zweren, de zogenaamde “zachte sjankers” of
“chancroïden”,
die op grond van bestaande beschrijvingen niet te onderscheiden zijn
van echte syfilis;
en geen van de artsen, van wie geschriften uit de oude of middeleeuwse
literatuur
ons zijn overgeleverd, beschrijft een ziekte, die gekenmerkt wordt door
het
achtereenvolgens voorkomen van zweren aan geslachtsorganen,
huiduitslagen en de
verschillende secundaire en tertiaire aandoeningen, waarvan de artsen
uit de
Renaissance duidelijk genoeg inzagen, dat zij opeenvolgende stadia
waren terug
te voeren van een en dezelfde ziekte. Medische
historici
hebben
vele
waarnemingen
geciteerd,
die
volgens
hen
wezen
op
het
bestaan
van
syfilis
in
de
oudheid;
de meesten hiervan blijken bij nader
inzien toch
niet overtuigend te zijn. Wat de Talmud leert, is niet nauwkeurig
genoeg om conclusies
te mogen trekken en de toespelingen van Celsus, in het zesde boek van
zijn Medicina, de voorschriften voor prostituees uitgevaardigd
door de
hertogin
van Avignon
in 1347 en dergelijke, leveren geen betrouwbaar bewijs. Ozanam haalt
twee sonnetten
aan van een Florentijnse dichter — het ene getiteld “de Matrona” en het
andere “Ad
Priapum” — die hij als een onomstotelijk bewijs beschouwt voor het
bestaan van syfilis
in 1480, toen de gedichten geschreven werden. Een nauwkeurige vertaling
van die
sonnetten en een zorgvuldig afwegen van de uitdrukkingen die
diagnostische betekenis
hebben, leidt tot de conclusie, dat het alleen maar heel smerige
gedichten zijn,
zonder een bepaalde betrekking tot de ziekte. Het
is natuurlijk niet mogelijk met zekerheid het bestaan in de oudheid uit
te sluiten,
van een vorm van syfilis, milder dan die, waardoor Europa geteisterd
werd in
het begin van 16de eeuw; en Haeser — die de Amerikaanse herkomst niet
onderschrijft — gelooft, dat syfilis wel in beperkte mate en in een
minder
virulente vorm geheerst kan hebben vanaf de oudste tijden. Seksuele
immoraliteit was algemeen en volkomen openlijk in menige periode van de
oude
geschiedenis, in Rome, in de Middeleeuwen, in verband met de grote
epidemieën
en — een vreemde en veel voorkomende strijdigheid tussen idealisme en
losbandigheid — gedurende de Kruistochten. Gonorroe was ongetwijfeld
sedert de
oudste tijden over de hele wereld een gewoon verschijnsel 2) en werd
nauwkeurig
beschreven als de running sore in Engeland en onder de namen clap
en chaudepisse in Frankrijk. Er zijn onmiskenbare
beschrijvingen over
chancroïde en fagedenische zweren, die zich soms ver uitbreidden en de
geslachtsorganen vernietigden; en bij die ziekte komen, evenals nu,
zwellingen
van de liesklieren en bubonen voor. Er zijn echter maar weinig
beschrijvingen,
waarbij het mogelijk is het verband tussen een venerische infectie en
secundaire of tertiaire gevolgen elders in het lichaam aan te wijzen.
Haeser is
geneigd te geloven, dat dit te wijten is aan de onwil van dokters en
patiënten
om verschijnselen, die enige weken na de infectie optreden, nog toe te
schrijven aan diezelfde venerische infectie en is ook van mening, dat
de latere
en gewoonlijk minder hevige uitingen over het hoofd gezien werden of
beschreven
kunnen zijn in een onherkenbare vorm. Hij citeert enige mededelingen,
die zijn
inzichten krachtig ondersteunen. Eén daarvan, ontleend aan Littré,
heeft betrekking
op de waarnemingen van de Franse arts de Berry (dertiende eeuw) die een
ziekteproces beschrijft, dat, verkregen na geslachtsverkeer, begon aan
de
genitaliën en zich uitbreidde over het hele lichaam: “Nam virgo
inficitur,
et alquando alterat totum corpus.” Een ander geval is dat van
Nicolaas,
Bisschop van Posen, die stierf in 1382, ten gevolge van een “morbus
cancri”
aan zijn genitaliën, gevolgd door zweren op de tong en in de keel. Een
soortgelijk
geval is dat van koning Ladislaus van Polen en van Wenzel van Bohemen.
3) Het
is dus volkomen onmogelijk met zekerheid te beweren, dat syfilis niet
bestond
in het Europa van vóór Columbus. Maar als dat wel zo was, moet zij
betrekkelijk
zeldzaam geweest zijn en zeker zoveel minder virulent dan de latere
ziekte, dat
de epidemie van 1500 het begin aangeeft van een nieuwe fase in het
parasitaire
bestaan van treponema pallidum. De Amerikaanse oorsprong van syfilis
vormt de basis
van een theorie, die in wijde kring gangbaar is geworden en hoewel er
geen overtuigend
bewijs te leveren valt, dat Amerika de bron was, vanwaar de ziekte
Europa
bereikte, is het toch meer dan waarschijnlijk, dat zij al bestond op
het
Westelijk Halfrond en dat de eerste ontdekkingsreizigers zich
geïnfecteerd
hebben door hun omgang met Indiaanse kustbewoners. Veel waarde is in
dit
verband gehecht aan de veranderingen aan botten, gevonden in de graven
van de
grafbouwers in Ohio en andere streken — met name Nieuw Mexico, Peru,
Centraal-Amerika en Mexico. Professor Herbert U. Williams heeft kort
geleden die
vondsten nauwkeurig onderzocht, waarbij hij zowel aandacht heeft
geschonken aan
de ouderdom van de onderzochte botten, als aan de vraag naar de
betrouwbaarheid
bij het onderzoek van pathologisch materiaal en hij denkt, dat veel
afwijkingen
een onmiskenbaar bewijs voor syfilis leveren. 4) Williams heeft ook het
een en
ander uit de vroege Spaanse literatuur doorzocht in verband met
dezelfde vraag.
In “Het Leven van Christoffel Columbus,” geschreven door
Columbus’ zoon
Ferdinand, zijn passages ingelast van de hand van een kluizenaar,
behorend tot
de orde van de Heiligen Hiëronimus, — Pane genaamd, — geschreven ten
tijde van
Columbus’ tweede reis. De passage, aangehaald door Williams, luidt als
volgt: Men zegt
dat
Guagagiona,
teruggekeerd
in
het
land
waaruit
hij
vertrokken
was,
een
vrouw
zag,
die
hij
had
verlaten,
toen hij
scheep ging,
en die hem zeer had behaagd; onmiddellijk trachtte hij zich te
reinigen, omdat
hij aangetast was door de ziekte, die wij de Franse ziekte noemen; en
later
begaf hij zich naar Guanaram, waarmee een plaats aangeduid wordt, en
daar
herstelde hij van zijn zweren. Oviedo y Valdés vertelt onder anderen, dat de ziekte van Buas (waarschijnlijk syfilis) de eerste christelijke kolonisten in West-Indië teisterde en hij voegt daaraan toe: “In Italië moest ik menigmaal lachen, als ik de Italianen hoorde praten over de Franse ziekte, terwijl de Fransen haar de ziekte van Napels noemen; en inderdaad zouden beide partijen het bij het rechte eind gehad hebben, als zij haar de ziekte uit India genoemd hadden.” Hij spreekt ook over een zekere ridder, Don Pedro Margarite, die bij de tweede reis aanwezig was, terwijl hij aan de ziekte leed en hem beschouwt hij mogelijk als een van de infectiehaarden, van waaruit het zich over het hof verspreidde. Hij zegt dat het “iets nieuws was, de dokters begrepen het nog niet”. Een gelijkluidend verhaal is afkomstig van Las Casas, Sahagun en De Isla. Uit het handschrift van de laatste schrijver haalt Williams een paragraaf aan, die niet voorkomt in de gedrukte uitgaven — weggelaten om een onbekende reden — die van buitengewoon groot belang is, “…zoals gebleken is door een lange en welbeproefde ervaring, en dit eiland ontdekt werd door Admiraal Dom Cristobal Colon, die op het ogenblik de verbinding met Indië onderhoudt. Omdat de ziekte zeer besmettelijk van aard is, liepen zij haar gemakkelijk op; en plotseling werd zij op de Armada zelf waargenomen, bij een loods van Palos, Pincon genaamd en bij anderen, die ook door de al genoemde ziekte werden getroffen. En omdat het een geheime ziekte is, die nooit gezien werd.. .“ enzovoort.
Of
syfilis
nu oorspronkelijk in Europa ontstond of vanuit Amerika kwam, zal
waarschijnlijk
nooit duidelijk worden. Tegenover de overigens goed gefundeerde theorie
over de
Amerikaanse herkomst staat echter één bezwaar, waartegen niet veel in
te
brengen valt, nl. de korte periode, die verliep tussen de terugkeer van
Columbus en de syfilisepidemie, die uitbrak in Napels, in 1495.
Bovendien heeft
Julien, een Franse marinedokter, meegedeeld, dat syfilis meer algemeen
was
onder de stammen, die aan de kust woonden en contact hadden met de
Europeanen,
dan onder de Indianen uit het binnenland, zelfs in de lang vervlogen
dagen van
de ontdekking van het Westelijk Halfrond. Het is helemaal niet
onwaarschijnlijk,
dat een milde vorm van syfilis lang voor de vijftiende eeuw voorkwam
over de hele
wereld, met inbegrip van China (volgens Dudgeon) en Japan (volgens
Scheube). Dat
is het standpunt, dat ingenomen wordt door Haeser, Hirsch en andere
geleerden. Terwijl
er
dus
terechte
meningsverschillen
omtrent
het
probleem
van
de
herkomst
overblijven,
valt
er
helemaal
niet
aan
te
twijfelen, dat er een
plotselinge,
hevige en wijdverspreide vlaag van syfilis opvlamde kort na de tijd,
toen Karel
VIII van Frankrijk zijn leger door Zuid-Italië tegen Napels aanvoerde.
De stad
werd door de Fransen ingenomen in februari 1495, en de ziekte dook
onmiddellijk
op onder de troepen en de burgers. Toen het leger uiteenviel,
verspreidden
deserteurs, marketentsters en afgezwaaide soldaten de infectie her en
der en vanwege
de kwaadaardigheid en het weerzinwekkende karakter van de ziekte was
het de
gewoonte de vijand daar de schuld van te geven. Daarom werd zij
afwisselend
bekend als de Franse of de Napolitaanse ziekte. Benvenuto zei dat hij
“de Franse
ziekte” had. Zoals
de
infectie
zich
in
Napels
voordeed,
was
zij
in
alle
opzichten
een nieuwe
ziekte, die een volkomen veranderde relatie tussen parasiet en
gastheer
vertegenwoordigde, met daardoor grondige veranderingen van de
symptomen. In die
tijd moet er iets gebeurd zijn, afgezien van de oorlog en de
promiscuïteit —
want beide waren ook vele malen eerder in dezelfde mate voorgekomen —
iets dat
een betrekkelijk goedaardige infectie in een hoogst virulente
veranderde. De
geschiedenis van de volgende vijftig jaar geeft een treffend beeld van
de
snelheid, waarmee veranderingen in aanpassing plaats kunnen vinden. Het
is
waarschijnlijk, dat bij alle parasitismen die veranderingen in
wederkerige
aanpassing aanvankelijk zeer snel optreden, terwijl de curve steeds
meer
afvlakt, naarmate het aantal passages van de parasiet door dezelfde
soort
gastheer toeneemt. 5) Toen
de
ziekte
echter
voor
het
eerst
uitbrak
in
Napels
in
het
leger
van
Karel
VIII,
woedde
zij
met
een hevigheid, die ongekend is bij de tegenwoordige
syfilis.
Volgens Scharfenberg was het een ziekte, die zonder koorts verliep en
gekenmerkt werd door puisten en een blaasvormige huiduitslag met
uitgebreide
zweren. Hoewel de eerste zweren gewoonlijk op de geslachtsdelen
verschenen, was
dit niet altijd het geval. Primaire contactinfecties hadden op vele
andere
plaatsen van de huid plaats, en de ziekte werd dikwijls overgebracht
van moeders
op kinderen door gewone omgang. De verzweringen, die vaak het gevolg
van de
huiduitslag waren, bedekten het lichaam van hoofd tot knieën. Er
vormden zich korsten
en de zieken leverden zo’n verschrikkelijke aanblik, dat hun
metgezellen hen in
de steek lieten en zelfs de melaatsen hen vermeden. Uitgebreid
weefselverlies
in neus, keel en mond volgden op de huidverschijnselen, en als nasleep
ontstonden
er pijnlijke zwellingen aan de botten, vaak ook de schedel. Velen
stierven aan
de ziekte zelf of aan secundaire infecties. Bij de overlevenden duurden
de
vermagering en uitputting vele jaren. Frascatorius zegt, dat sommige
zweren
zich verplaatsten, net als die, die “fagedenisch” genoemd werden en
zich
uitbreidden tot in het bot zelf, waar zich “gummositates” of gummata zo
groot
als eieren ontwikkelden aan de ledematen; als zij geopend werden,
bevatten zij wit,
kleverig slijm. Binnen
een
periode
van
ruim
vijftig
jaar
was
het
ziektebeeld
al
veranderd.
Frascatorius’ “De Contagione” werd uitgegeven in 1564, zestien
jaar na
zijn gedicht over de syfilis. 6) Zijn beschrijving van de ziekte, de
manier van
overbrenging en haar beloop, is zo volledig en precies, dat wij niet
kunnen
twijfelen aan de nauwkeurigheid van zijn waarnemingen omtrent de
veranderingen,
die plaats gevonden hadden tussen zijn eigen tijd en de epidemie van
1495. De
passage in het Tweede Boek van de “De Contagione” luidt als
volgt: Ik gebruik de verleden tijd bij de beschrijving van die symptomen, omdat het, hoewel de besmetting tegenwoordig nog steeds heerst, toch lijkt, alsof het karakter veranderd is sedert de vroegste tijden van haar eerste verschijning. Ik denk dat er in de laatste twintig jaar of zo, minder puisten voorkomen, maar meer gummata, terwijl het tegenovergestelde het geval was in die vroegere tijd... Bovendien heeft er in de loop der tijden, binnen ongeveer zes jaar van de huidige generatie, nog een grote verandering plaatsgevonden. Ik denk dat er nu maar in weinig gevallen puisten worden waargenomen en nauwelijks enige pijn — of veel minder ernstig — maar wel veel gummata.
Noten
1) Dit zou een verlies voor de beschaving kunnen betekenen: er is vaak gezegd, dat, waar zoveel grote figuren syfilis gehad hebben, veel van de grootste prestaties ter wereld blijkbaar bedacht zijn in hersenen, die gestimuleerd werden door de cerebrale prikkeling van een vroege paralyse. Wij onthouden ons van een verwijzing naar bepaalde voorbeelden hiervan onder onze tijdgenoten, alleen om onze uitgevers een procedure wegens laster te besparen. De moderne behandeling en de spitsvondigheden in de getuigenissen van deskundigen maken het leveren van een wettig bewijs hopeloos moeilijk. 2) Geen bordeelhouder mag in zijn huis een vrouw houden, die de gevaarlijke “brandende” ziekte heeft. (Beckit, Philosophical Transaction XXXI 47 14de eeuw, geciteerd door Haeser). 3) Wan er
Faulen pegan 4) Men moet altijd bedenken, dat sommige van de afwijkingen, die op het Westelijk Halfrond werden waargenomen en toegeschreven werden aan syfilis, afkomstig kunnen zijn van een ziekte, die meer dan een neef, of eerder een halfbroer van syfilis is, nl. framboesia. 5) In oude tijden hield men er fantastische theorieën op na over de oorsprong van de syfilis. Van Helmont —vertelt Ozanam, — geloofde, dat zij ontstond uit de omgang van een man met een merrie, die aan droes leed. Linder dacht, dat zij begon door een soortgelijke verhouding met een aap, en Manard veronderstelde, dat zij kwam door het huwelijk met een melaatse. 6)
Het vermaarde gedicht van Fracastorius werd geschreven in 1530
en hierin
kreeg de ziekte de naam, die zij nog heeft, namelijk die van de herder
Syphilus.
Het dichtwerk werd in zijn oorspronkelijke vorm voltooid in 1525 en
aangeboden
aan de Sainte-Beuve van die tijd, Bembo. Binnen de volgende vijf jaar
werd het
opnieuw geschreven en uitgebreid en werd er een derde boek aan
toegevoegd, dat
hoofdzakelijk handelt over de behandeling van syfilis met guajac. Zowel
in de
eerste als in de latere versie wijst Fracastorius echter, in de vorm
van een
allegorie, op kwik als het beste geneesmiddel. HOOFDSTUK V Vervolg
van
Hoofdstuk
IV,
maar
meer
in
het
bijzonder
over
zogenaamde
nieuwe
ziekten
en
over
enkele,
die
verdwenen
zijn. 1 Het is duidelijk, dat iemand die de oude en middeleeuwse literatuur doorzoekt naar het voorkomen van ziekten, waarvan zelfs tegenwoordig de differentiaaldiagnose nog steeds moeilijk is, waarschijnlijk veel vergissingen zal begaan. Nauwkeurige beschrijvingen zijn zeldzaam en, zelfs als details van symptomen en het beloop even precies zijn aangegeven zoals bij Hippocrates, is er toch een totaal ontbreken van de uitslag van laboratoriumonderzoek, die vaak onmisbaar is om zekerheid te kunnen krijgen. Het probleem is vooral verwarrend in verband met epidemische infecties van het zenuwstelsel, waarvan velen tegenwoordig worden beschouwd als nieuwe ziekten. Wij zijn geneigd te geloven, dat slechts enkele van die toestanden nieuw zijn in die zin, dat hierbij een virus betrokken is, dat nooit eerder een mens geïnfecteerd heeft. Het lijkt meer dan waarschijnlijk dat in veel gevallen de ziekten alleen nieuw zijn, doordat zij een tevoren onbekende biologische verhouding tussen parasiet en gastheer vertegenwoordigen. Wat wij in het vorige hoofdstuk gezegd hebben over de veranderingen, die langs proefondervindelijke weg in sommige van de, door een filtreerbaar virus veroorzaakte, infecties teweeggebracht kunnen worden, op dit punt betrekking hebben.
Wij
beschikken
niet over een betrouwbaar bewijs voor het bestaan van kinderverlamming
in
epidemische vorm vóór 1840, en het lijkt aannemelijk, dat, als een
ziekte met
zulke opvallende kenmerken had plaatsgevonden, zij haar weg gevonden
zou hebben
naar de zeventiende- en achttiende-eeuwse literatuur. Het is even
moeilijk om
vóór de achttiende eeuw (vulgo dictu slaapziekte) betrouwbare
gegevens
over de encefalitis te vinden. In 1712 bestudeerde Biermer een epidemie
in Tübingen,
algemeen bekend als “slaapziekte”, omdat zij vergezeld ging van
slaperigheid en
hersenverschijnselen. Het “coma somnolentium,” in 1769
waargenomen door
le Pecque de la Cloture, was iets dergelijks en werd, evenals de
ziekte in 1917,
in verband gebracht met influenza. Ozanam vermeldt een soortgelijk
ziektebeeld in
Duitsland, in het laatste decennium van de achttiende eeuw, in Lyon in
1800 en
in Milaan in 1802. Na die tijd is er geen enkel betrouwbaar gegeven te
vinden over
enige ziekte van soortgelijk karakter tot 1917. In dat jaar kwamen er,
gelijktijdig met de eerste grote uitbraak van influenza, een aantal
gevallen
van encefalitis voor in Wenen. Kort daarna traden er meer op, in
Frankrijk, Groot-Brittannië,
en Algiers; daarna werden er in de tweede helft van 1918 gevallen
waargenomen
in Noord Amerika en tegen mei 1919 werden zij gemeld uit twintig staten
— het
grootste aantal uit Illinois, New York, Louisiana en Tennessee. Voor
onze
generatie was dit in alle opzichten een nieuwe ziekte en tot op heden
kon het
virus van deze vorm (encefalitis lethargica) nooit met succes op dieren
worden
overgebracht. In 1914 deed zich in Japan een klinisch overeenkomstige,
maar
veel ernstigere ziekte voor, die zich alleen in hevigheid van het
vorige
ziektebeeld onderscheidde, maar toch de mogelijkheid kenmerkte van
overbrenging
van het virus van de Japanse ziekte op konijnen, tot een nieuw en ander
type. Gedurende
de zomer van 1932 was er een uitbraak van encefalitis in Cincinnati en
op
enkele plaatsen in Ohio en Illinois, die op dit ogenblik nog niet
geclassificeerd
kan worden. In de zomer van 1933 dook er opnieuw een soortgelijke
ziekte op in
de buurt van St. Louis, die binnen een paar maanden meer dan duizend
mensen
aantastte, met een mortaliteit van 20%. En dat virus van die ziekte
kon, anders
dan enig ander virus, wel overgebracht worden op muizen. Het schijnt
dus alsof
binnen nog geen twintig jaar drie nieuwe typen van ernstige infecties
van het
centrale zenuwstelsel onder ons hun intree hebben gedaan. Sinds
de
dagen
van
Jenner
is
vaccinatie
op
miljoenen
mensen
toegepast
en
nooit
is
vóór
onze
generatie
die
toepassing
gepaard gegaan met enige zenuwstoornis.
Binnen de
afgelopen twintig jaar heeft zich hier en daar in de wereld een
ernstige vorm
van post-vaccinale encefalitis voorgedaan en nu wij door experimenteel
manipuleren weten, dat het vaccinia-virus bij dieren “neurotroop”
gemaakt kan
worden, is het niet onmogelijk, maar nog niet zeker, dat in die weinige
gevallen bijzondere omstandigheden het binnendringen in het centrale
zenuwstelsel van het vaccinia-virus hebben toegelaten. Die toestand
ontwikkelt
zich in zo’n niet noemenswaardig klein percentage van de
gevaccineerden, dat
het niet van praktisch belang is en zeker geen argument vormt tegen de
toepassing van de inenting. Aan de andere kant schijnt het een nieuwe
ziekte te
zijn en daarom is zij hier genoemd. Onder omstandigheden, die wij niet
nog begrijpen,
kan inderdaad een groot aantal van, door een filtreerbaar virus
veroorzaakte,
infecties, stoornissen geven in het centrale zenuwstelsel. Zo kan
encefalitis
voorkomen in het beloop van mazelen, pokken, rode hond en influenza; de
infecties, die het gevolg zijn geweest van onderzoekingen in het
laboratorium
over de papegaaienziekte en een soort schapenziekte, hebben beide het
karakter
van encefalitisachtige toestanden. Bij het doorzoeken van de literatuur naar oude vormen van infectieziekten van het centrale zenuwstelsel, kan men een merkwaardig hoofdstuk in de geschiedenis van het menselijk lijden niet over het hoofd zien — namelijk wat gaat over de danswoede, die in de uit de Middeleeuwen daterende mededelingen ook wel “St. Jansdans,” “St. Vitusdans” of “Tarantisme” genoemd wordt. Die vreemde aanvallen, waarvan men in vroeger tijden ook al van gehoord had, kwamen algemeen voor, tijdens en onmiddellijk na de verschrikkelijke ellende van de “Zwarte Dood”. De gevallen van danswoede vertonen voor het merendeel geen van de kenmerkende eigenschappen, die wij in verband brengen met de epidemische infectieziekten van het centrale zenuwstelsel. Zij schijnen eerder, net als massahysterie, teweeggebracht te worden door verschrikking en wanhoop bij een bevolking, die onderdrukt, uitgehongerd en uitgemergeld is in een mate, die wij ons nu bijna niet meer kunnen voorstellen. Bij de rampen van voortdurende oorlog en politieke en sociale ontbinding kwam nog het verschrikkelijke lijden van een onontkoombare, geheimzinnige en dodelijke ziekte. De mensheid stond hulpeloos, alsof zij verstrikt was geraakt in een wereld van ontzetting en gevaar, waartegen zij zich niet kon verdedigen. God en duivel waren levende begrippen voor de mensen uit die dagen, die ineenkrompen onder de rampen, die hen, naar zij geloofden, door bovennatuurlijke krachten werden opgelegd. Voor hen, die de druk niet langer verdragen konden, was er geen andere uitweg of vlucht mogelijk dan naar binnen, in de geestesziekte, die, onder de gegeven omstandigheden, de richting insloeg van de godsdienstfanatisme. Vroeger, ten tijde van de Zwarte Dood, kwam de massapsychose voor bij de sekte der flagellanten, die broederschappen vormden en bij duizenden van stad tot stad trokken. Later nam het de vorm aan van vervolging van de Joden, die ervan werden beschuldigd dat ze de ziekte verspreidden. De gerechtelijke vervolgingen, ingesteld tegen de Joden van Chillon, werden gevolgd door zulk een barbaarsheid door heel centraal Europa, dat het alleen maar beschouwd kan worden als een deel van de massapsychose, waarvan ook de danswoede een uiting was. Deze manieën zijn in vele opzichten analoog aan sommige politieke en economische massahysterieën, die in de huidige tijd het evenwicht van de beschaafde wereld verstoord hebben. In sommige gedeelten van Europa werd de Wereldoorlog gevolgd door hongersnood, ziekte en wanhoop, vergelijkbaar met toestanden, die in de Middeleeuwen heersten. Het is duidelijk, dat in de reacties van onze tijd economische en politieke hysterieën de plaats ingenomen hebben van de godsdienstige van vroeger. Alleen de Jodenvervolging schijnt bij beiden te horen.
Hoewel het waarschijnlijk is, dat de overgrote meerderheid van die uitbraken zuiver functionele nerveuze stoornissen waren, kan een bepaald aantal daarvan het vroegst naspeurbare begin vertegenwoordigen van de groep epidemische infectieziekten van het centrale zenuwstelsel, waaronder wij tegenwoordig ook kinderverlamming en de verschillende vormen van encefalitis rekenen. In 1027 vertoonden de boeren in het Duitse dorp Kolbig plotseling een manische aanval, die begon met overmatige vrolijkheid, danslust en de neiging tot ruziezoeken, een beeld dat echter overging in een stupor, die in veel gevallen tot de dood leidde; de overlevenden vertoonden aanhoudende tremoren, mogelijk overeenkomend met het “syndroom van Parkinson”, dat volgt op de encefalitis lethargica. Hecker heeft gedetailleerde mededelingen gedaan over de meeste betrouwbare historische gegevens. In Erfurt werd in 1237 een groep van meer dan honderd kinderen overvallen door razernij en danswoede, ook hier in veel gevallen met dodelijke afloop, terwijl de overlevenden tremoren kregen. De ernstigste dansmanie begon in 1374, in aansluiting aan de pest, eerst in Aix-la-Chapelle, en kort daarop in de Nederlanden, Luik, Utrecht, Tongeren en Keulen. Mannen, vrouwen en kinderen verloren alle zelfbeheersing, grepen elkaar bij de hand en dansten urenlang op straat tot zij van volkomen uitputting ineenzegen. Ze gilden, zagen visioenen en riepen God aan. De beweging kreeg een grote omvang, en ongetwijfeld werd het aantal van de echt aangetasten aanmerkelijk vergroot door massa’s gemakkelijk mee te slepen mensen, zoals dat tegenwoordig ook wordt gezien bij politieke en religieuze bijeenkomsten. Toch moet er in veel van die gevallen sprake geweest zijn van een lichamelijke aandoening, omdat er in de mededelingen dikwijls zwelling van de buik en pijn vermeld wordt, een reden waarom de dansers hun buik met banden opbonden. Velen waren misselijk en braakten en raakten in een stuportoestand van langere duur. Het ziektebeeld was wijdverspreid en belangrijk genoeg om een lange beschrijving door Paracelsus te rechtvaardigen, die trachtte de ziekte in drie onderverdelingen te classificeren met behulp van een systeem, dat voor de huidige tijd niet voldoende waarde bezit om daar een samenvatting van te geven.
Het
Tarantisme
in Italië waarvan veel kroniekschrijvers veronderstelden, dat het
veroorzaakt
werd door de beet van de tarantula, behoort tot dezelfde categorie.
Waarschijnlijk had dat weinig te maken met een spinnenbeet. De door
Perotte nagelaten
beschrijvingen, uit het midden van de vijftiende eeuw en door Matthiolo
en Ferdinando
in de zestiende en zeventiende eeuw, zijn volkomen duidelijk in hun
aanwijzing,
dat veel gevallen van het tarantisme een zenuwziekte van een
waarschijnlijk infectieuze
oorsprong was. Enkele gevallen leken veel op hondsdolheid. Melancholie,
gevolgd
door maniakale opgewektheid en verhoogde bewegingsdrang, eindigde met
de dood,
of, bij een gunstiger verloop, met een toestand van halfbewustzijn en
afwisselend lachen en huilen. Ferdinando voegt er in zijn
beschrijvingen nog
aan toe, slapeloosheid, zwelling van de buik, diarree, braken,
geleidelijk
verval van krachten en geelzucht. Tegen het midden van de zeventiende
eeuw was
de ziekte als epidemische dreiging praktisch verdwenen. Schenck von
Graffenberg
zegt in een geschrift uit 1643, dat de St. Vitusdans hoofdzakelijk
mensen met
een zittend leven aantastte — kleermakers en handwerkslieden. Velen
renden
doelloos rond, als de ziekte hen had getroffen, en velen liepen zich te
pletter
of verdronken zichzelf. Bij anderen volgden telkens nieuwe aanvallen op
perioden van uitputting. Velen herstelden nooit helemaal. Het
boek
van Hecker, de bron van de meeste van de hier aangehaalde feiten, bevat
ook
uitgebreide uittreksels uit de Middeleeuwse literatuur, die een
aanwijzing
vormen, dat bij de danswoede meer dingen in het spel waren.
Ongetwijfeld waren de
uitbraken merendeels hysterische reacties van een doodsbange en
ellendige
bevolking, ingestort onder de druk van een bijna ongelooflijke
rampspoed en
gevaar. Het lijkt echter waarschijnlijk, dat in samenhang hiermee
zenuwziekten
van infectieuze aard voorkwamen, volgend op de epidemieën van pest,
pokken enzovoort,
op dezelfde manier als waarop ziekten, veroorzaakt door een neurotroop
virus
gevolgd zijn op de wijdverspreide en ernstige epidemieën, die de
afgelopen
oorlog vergezelden. 2 Ziekten,
die
nieuw
waren
voor
de
bevolking
van
een
bepaald
deel
van
de
wereld,
waren
alleen
maar
“nieuw”
in
hun territoriale uitbreiding, als gevolg van een
totstandgekomen
contact door ontdekking of verovering. Gele koorts en dengue-koorts,
die
overgebracht worden door dezelfde soort muskiet (Aedes aegypti),
kunnen best
eeuwenlang bestaan hebben in West-Indië en op het vasteland van
Zuid-Amerika.
Er bestaat echter geen betrouwbare mededeling over in de Westerse
medische
geschiedenis, tot dat Dutertre de uitbraak in Guadeloupe en St. Kitts
van 1635 beschreef
en Moseley verslag uitbracht van de epidemie op Jamaica in 1655.
Sindsdien is
de ziekte op veel — zo niet alle — plaatsen in de wereld voorgekomen,
waar de
verantwoordelijke muskiet voorkomt of kan overleven. Audouard maakt
duidelijk
dat het waarschijnlijk is, dat de pokken uitgebreid verspreid zijn door
de
slavenhandel, en wat betreft de ontdekking van de gele-koortshaarden in
West-Afrika, zullen we waarschijnlijk nooit te weten komen, of die
ziekte
vandaar naar Amerika kwam of omgekeerd. Een ernstig tegenwoordig
probleem is
bezig te ontstaan door het automobiel- en luchtverkeer, dat zich nu
ontwikkelt
dwars door de Sahara tussen het Noord-Afrika aan de Middellandse Zee,
waar de
geschikte muskieten zeer veel voorkomen, maar dat nog niet geïnfecteerd
is, en
de West-Afrikaanse kust, waar de gele koorts stevig genesteld is. Wat de dengue-koorts (knokkelkoorts) betreft, is er tot aan de laatste twintig jaar van de achttiende eeuw nergens sprake van een enigszins overeenkomstige ziekte. Volgens de onderzoekingen van Hirsch, trad zij toen snel achter elkaar op verschillende plaatsen: in 1779 in Cairo, in 1780 in Batavia (meegedeeld door Boylon); in hetzelfde jaar in Philadelphia (beschreven door Rush); in 1784 in Spanje. Van 1824 tot 1817 werden de eerste grote epidemieën gemeld, respectievelijk uit Indië, uit West-Indië en de kust van de Caribische eilanden. Sindsdien is zij in wisselende hevigheid, blijven heersen in de meeste tropische en subtropische streken van de aarde. Het is volstrekt niet onmogelijk, dat de dengue-koorts in de achttiende eeuw helemaal geen nieuwe ziekte was, maar al veel eerder bestond, hoewel zij door de vroege Spaanse schrijvers niet als zodanig herkend werd en onjuist werd aangezien voor een milde vorm van gele koorts.
Bij
de zogenaamde “nieuwe” ziekte, de tularaemia, stuiten wij op een
andersoortig
probleem. Kan de mens op een dichtbevolkte planeet zo laat, in de
twintigste
eeuw, nog wel een nieuw soort infectie opdoen, door contact met al lang
bij
insecten en wilde dieren voorkomende ziekteverwekkers? In 1911 werd
door McCoy
en Chapin een op pest lijkende infectie waargenomen bij grondeekhoorns.
Na heel
veel moeite slaagden zij erin een bacil af te zonderen, die een ruwe
gelijkenis
vertoonde met de pestbacil, maar daarvan toch nog gemakkelijk te
onderscheiden was
met behulp van een geschikte methode. In 1914 werd echter voor het
eerst
gemeld, dat een mens ermee geïnfecteerd was. Francis noemt de ziekte
“tularaemia”
omdat de grondeekhoorn, waarbij de ziekte het eerst werd waargenomen,
uit Tulare
in Californië kwam. Toen hij door en door vertrouwd was geraakt met de
verschijnselen bij de mens, ontdekte hij, dat er in 1907 gevallen waren
gemeld
in Arizona en in 1911 in Utah. Sindsdien kwam de ziekte in alle staten
voor,
behalve in Maine, Vermont en Connecticut. Van nature is het een
infectie van grondeekhoorns
in de staten van de Rocky-Mountains; van wilde konijnen en hazen; wilde
ratten
in Los Angeles; wilde muizen in Californië; kwartels, prairiehoenders
en
korhoenders in Minnesota; van schapen in Idaho; wilde konijnen in
Japan,
Noorwegen en Canada; waterratten in Rusland en prairiehoenders,
korhoenders en
wilde eenden in Californië en Montana. Veel dieren, die niet in de
natuur
geïnfecteerd zijn, kunnen in het laboratorium vatbaar gemaakt worden.
De mens
krijgt de infectie door het rechtstreeks aanraken van weefsel van het
geïnfecteerde dier — vooral jagers, slagers en iedereen, die omgaat met
huiden
en geïnfecteerde dieren opzet. De infectie dringt binnen door kleine
wondjes in
de huid en kan in het oog gewreven worden door een geïnfecteerde hand.
Bijna alle
onderzoekers, die zich bezighielden met de tularaemie, kregen de
ziekte. Onder
de dieren wordt de infectie overgebracht door bloedzuigende insecten,
hoofdzakelijk teken en vliegen. Op de mens kan zij overgedragen worden
door de
paardenvlieg en de beet van de houtteek. Bij de teek kan de ziekte
erfelijk
zijn, zodat het bijten van een geïnfecteerd dier voor een teek niet
noodzakelijk is om gevaarlijk te worden voor de mens. Hier hebben we
dus opnieuw
een voorbeeld van een ziekte bij dieren, die gedurende lange tijd op
kleine
schaal bij de mens infecties teweeggebracht kan hebben en
waarschijnlijk eeuwenlang
bij het dier is voorgekomen, maar pas in de twintigste eeuw een
bedreiging werd
voor de mens. In
het geval van de zogenaamde “abortus bang” een vorm van de febris
undulans (brucellose)
— nauw verwant met de Malta-koorts — is het meer dan waarschijnlijk dat
het aan
niets anders te wijten is dan aan de onvermijdelijke diagnostische
onnauwkeurigheid van vroegere tijden. Hippocrates kende dergelijke
klinische
beelden al en in het begin der achttiende eeuw werd de Malta-koorts
zelf
beschreven als een ziekte, diagnostisch te onderscheiden van gewone
koortsen,
waarschijnlijk al lang bestaand en ook verschillend van overeenkomstige
ziektebeelden als malaria en echte ingewandskoortsen. Pas in de laatste
tijd (1918)
werd echter de overeenkomst herkend tussen de Brucella melitensis, de
bacil,
die
abortus
bij
vee
veroorzaakt
(bacillus
Bang)
en
een
bacil,
die
bij
varkens
gevonden
werd.
En
pas
in 1922 stelden de bacteriologische
methoden de
onderzoekers in staat vast te stellen, dat de melk van geïnfecteerd vee
en het omgaan
met varkens of hun verse vlees een ziekte kan veroorzaken, die veel
lijkt op de
ziekte, die met de melk van geiten overgebracht werd naar de landen van
het
Middellandse Zee-bekken. Sindsdien zijn die ziekten problematisch
geworden voor
de openbare volksgezondheid in Amerika en op veel plaatsen in Europa.
Waarschijnlijk zijn zij alleen in die zin nieuw, dat wij er door een
fijnere
diagnostiek in geslaagd zijn, een nieuwe onderafdeling af te zonderen
van een
oude groep ziekten. 3 Wij
hebben gezien, dat het beoordelen van het optreden van een zogenaamde
“nieuwe”
ziekte een terrein vol voetangels en klemmen is — in het algemeen
gezegd: door de
onzekerheid van de historische gegevens en de betrekkelijk primitieve
diagnostische methode van vroegere tijden. Desondanks moge onze zeer
oppervlakkige bespreking van die problemen toch onze stelling
ondersteund
hebben, dat infectieziekten geen statische beelden zijn, maar afhangen
van de
voortdurende verandering in de verhouding tussen parasiet en aangetaste
soort, die
zich noodzakelijkerwijze moeten uiten, zowel in klinische als in
epidemiologische
verschijnselen. Het principe wordt met een veel grotere nauwkeurigheid
verduidelijkt door een overzicht van infectieziekten, die, toen zij
eenmaal op
grote schaal voorkwamen, goed beschreven werden en die óf van karakter
veranderd óf verdwenen zijn; plaatselijk of helemaal. In dat soort
voorbeelden beschikken
wij over premissen voor vrij nauwkeurige overwegingen. Een
interessant voorbeeld hiervan is het verdwijnen van de builen- en
longenpest
uit West-Europa. 1) In
Turkije vond een uitbraak plaats in 166, die zich eerst uitstrekte tot
de
Griekse kust en de Griekse eilanden, vervolgens snel westwaarts trok en
langzamer in oostelijke richting. In 1663 bereikte zij Amsterdam, waar
zij
10.000 slachtoffers eiste op een totale bevolking van nog geen 200.000
zielen.
In het daaropvolgende jaar greep zij sneller om zich heen; in Amsterdam
stierven 24.000 mensen, zij bereikte Brussel en Vlaanderen en stak
vandaar over
naar Londen. In de eerste week van december 1664 stierven twee Fransen
in een
huis in Drury Lane. In zes weken tijds deden zich geen andere gevallen
voor. Op
twintig februari 1665 openbaarde er zich een nieuw geval; daarna weer
een pauze
tot april. Tegen het midden van mei was de epidemie in volle gang.
Pepys zegt
er het volgende over: Vandaag (7 Juni 1665) zag
ik, zeer tegen mijn wil, op Drury Lane twee of drie huizen met een rood
kruis
op de deur, waarop de volgende woorden waren geschreven: “God erbarme
zich
onzer”; ik vond het een droevig gezicht en in mijn herinnering was dat
voor het
eerst, dat ik ooit zoiets zag. Ik ging mij onaangename dingen
verbeelden over
mijzelf en over mijn geur, zodat ik wel een rol tabak moest gaan kopen
om te
snuiven en te pruimen, wat mij weer van mijn angsten bevrijdde. Koning
Karel,
zich
verheugend
over
de
overwinning
op
de
Hollandse
vloot,
zag
steeds
meer
huizen
gemerkt
met
het
afschrikwekkende teken en verliet met het
hof de
stad. Tweederde van de inwoners ontvluchtte Londen, de ziekte met zich
meedragend, eerst naar andere steden langs de Theems en ten slotte door
heel
Engeland. De
epidemie bleef verscheidene jaren rondhangen in Vlaanderen, ging
vandaar over
naar Westfalen, langs de Rijn, naar Normandië, Zwitserland en
Oostenrijk, dat
bereikt werd in 1668. Gedurende het laatste deel van de zeventiende
eeuw bleef
er nog een nasleep van de ziekte, die aanhield tot in de achttiende
eeuw. Er
waren gelokaliseerde epidemieën in Hongarije, Silezië, Pruisen, de
Baltische
provincies en Scandinavië. In 1711 stierven in Brandenburg 215.000
mensen aan de
ziekte en 300.000 in Oostenrijk. Weer een andere golf verspreidde zich
in 1720 en
1721vanuit Marseille naar de Provence. Daarna bleef de ziekte, in
ernstige maar
plaatselijke uitbraken, gedurende de tweede helft van de achttiende
eeuw
voortbestaan, maar verschoof langzamerhand in oostelijke richting,
zodat de
geweldige epidemie, die tussen 1770 en 1772 in Rusland en op de Balkan
woedde, niet
verder naar het Westen voortschreed. Rusland en de Kaukasus bleven er
nog onder
lijden tot 1820, maar sindsdien heeft geen grote pestepidemie Rusland
meer
geteisterd en hebben zich geen uitbraken op grotere schaal meer
voorgedaan,
waar dan ook in de Westerse wereld. Dit
verdwijnen van de epidemisch verlopende pest uit Europa,
vertegenwoordigt een van
de onopgeloste mysteries van de epidemiologie. In de tussenliggende
jaren is de
ziekte telkens weer naar verschillende plaatsen in Europa en Amerika
overgebracht,
maar heeft nooit meer enige neiging vertoond zich te verspreiden in een
epidemische vorm. In 1899 deden zich afzonderlijke gevallen voor in
Triëst,
Hamburg, Glasgow, Marseille en Napels — in de meeste gevallen duidelijk
het
gevolg van de aankomst van passagiers en zeelieden van uit pesthaarden
afkomstige
schepen. Een aantal van soortgelijke infecties, in kleine groepen,
heeft
plaatsgevonden in de havensteden van Zuid-Amerika. Infecties zoals die
in Sydney,
Australië plaatsvonden in 1903, maken de situatie nog veel
geheimzinniger. In januari
stierf een dokwerker aan pest en op 14 februari werden dode ratten op
de kaden
gevonden. Op 15 februari werd weer een havenarbeider ziek, na duidelijk
contact
met ratten, en weer een op 26 februari. Binnen de volgende paar weken
werd pest
geconstateerd bij een hotelhouder in de buurt van de haven, en tegen
het eind
van juni openbaarden zich enkele afzonderlijke gevallen in de
buitenwijken van
de stad. Een gelijksoortige toestand deed zich voor in Melbourne in
april van
hetzelfde jaar. Hetzelfde gebeurde in Adelaide, en met pest
geïnfecteerde
ratten werden gevonden zowel in de voorsteden als in de stad zelf. Toch
trad er
geen epidemie op. In 1900 werd de ziekte overgebracht naar New York,
ook weer
zonder ernstige gevolgen. Dat er onder de Chinezen van San Francisco
pest voorkwam
werd ontdekt in 1900 en vanaf dat moment, tot aan het einde van het
eerste decennium
van de twintigste eeuw, deden zich in verschillende, ver van elkaar
verwijderde
gedeelten van Californië gevallen voor. Nog in 1907 werden er
vierentwintig
Chinezen in San Francisco ziek, waarvan er dertien stierven, en nog een
paar
gevallen in Oakland en Berkeley. Op dezelfde manier hebben zich nu en
dan gevallen
geopenbaard in de Engelse havens en grote steden van Centraal Europa en
nog in 1923
werden er met pest besmette ratten ontdekt in een van de grootste
Europese
hoofdsteden. Toch hebben zij geen epidemieën meer tot gevolg gehad. Bij
een poging dat te verklaren is de eerste gedachte, dat de bevolking in
Europa
buitengewoon veel weerstand heeft gekregen. Dat dit niet het geval is,
blijkt
duidelijk uit de vatbaarheid van de Europeanen, die in India leven en
in andere
pestcentra van het Oosten. Daarnaast kunnen wij de verandering niet
toeschrijven aan enig succes bij de verdelging van ratten. Wat de
vlooien betreft
— iedereen, die wel eens in de vlooienmaand — september — op een niet
te luxe
manier gereisd heeft in Centraal- en Zuid-Europa weet wel, dat daar
geen gebrek
is aan vlooien. Met dat alles hebben wij toch geen bevredigende
verklaring voor
de verdwijning van de pestepidemieën uit de westerse landen; ondanks
het feit
dat de pestbacil besmettelijk is, ratten veelvuldig voorkomen en nu en
dan
geïnfecteerd zijn met pest, terwijl zij zonder uitzondering krioelen
van de
vlooien, moeten wij toch aannemen, dat de ontwikkeling van een epidemie
een
nauwkeurig in elkaar passen van vele omstandigheden vereist, wat zich
gelukkig
gedurende de laatste eeuw in West-Europa en Amerika niet heeft
voorgedaan. De
best begrijpelijke reden ligt in het steeds tammer en gedomesticeerder
worden van
de ratten. Gewoonlijk worden pestepidemieën bij de mens voorafgegaan
door
uitgebreide parasitaire ziekten onder de ratten; bij het
ontwikkelingspeil van
huisvesting, voedselbewaring en kelderbouw, waartoe de beschaafde
landen zich
langzamerhand ontwikkeld hebben, zwerven geen ratten meer door steden
en
dorpen, zoals zij vroeger deden. Dat velen gespaard worden, zal wel
rechtstreeks
samenhangen met de grotere domesticatie van ratten, die tevreden thuis
blijven;
daardoor blijven pesthaarden onder hen beperkt tot afzonderlijke
families en
kolonies. De
biologie van de pest staat in nauw verband met die van melaatsheid. Die
ziekte,
die zeer bekend was in de oudheid, nam enorm toe tijdens de
Middeleeuwen. Men
neemt aan, dat zij zich wijd verspreidde door Europa met de
terugkerende
kruisvaarders, hoewel er aanwijzingen zijn, dat zij in Frankrijk al
voorkwam in
de zesde eeuw. Tegen het einde van de elfde eeuw waren inrichtingen
voor
melaatsen — leprosaria — iets gewoons; het eerste leprozenhuis werd in
1067 in
Spanje gesticht door Ruy Diaz de Bivar, algemeen bekend als El Cid.
Onder auspiciën
van de kerk groeiden dergelijke instellingen in aantal en omvang, zodat
er ten
tijde van Lodewijk VIII, zoals Haeser ons meedeelt, alleen al in het
diocees Troyes
negentien leproserieën bestonden. De
geschiedenis van de melaatsheid is een even uitgebreid onderwerp als
die van de
pest en zou een boekdeel voor zich zelf vragen. Het punt, dat ons hier
in deze
bespreking interesseert, is, dat na het midden van de vijftiende eeuw
de
melaatsheid begon af te nemen en de leproserieën langzamerhand
overbodig
begonnen te worden. Tegen het midden van de zestiende eeuw bleven er
slechts
enkele centra van de ziekte over. In de zeventiende eeuw was zij
praktisch
verdwenen. De geschiedenis van de medische wetenschap heeft die afname
toegeschreven aan allerlei vage ideeën, gebaseerd op de toename van
verbeterde
hygiënische omstandigheden enzovoort, maar geen daarvan is juist. De
meest
waarschijnlijke oplossing van het probleem werd ons aan de hand gedaan
tijdens
een gesprek met Prof. Sigerist, die het verdwijnen van de melaatsheid
in
verband brengt met de enorme sterfte, die er plaats had ten tijde van
de Zwarte
Dood en haar nasleep. Toen de pest Europa teisterde, met zijn
verschrikkelijk
verlies aan mensenlevens, moesten enorme aantallen — misschien het
merendeel — van
de melaatsen afgezonderd worden in inrichtingen, die op die manier een
opeenhoping
van betrekkelijk vatbare en zwakke groepen vormden. Het is niet
onmogelijk, dat,
zoals Dr. Sigerist veronderstelt, de meeste melaatsen in Europa door de
pest
werden uitgeroeid, en dat de enkelen, die in leven bleven, te verspreid
en niet
bij machte waren om de ziekte opnieuw te doen opvlammen. Dit lijkt
vooral
waarschijnlijk met het oog op de betrekkelijk geringe besmettelijkheid
van
melaatsheid, waarvan wij de manier van overbrenging nog niet begrijpen,
maar
waarover wij wel weten, dat een langdurig en intiem contact aanleiding
geeft
tot nieuwe gevallen. 4 De
zogenaamde “Engelse zweetziekte” is waarschijnlijk de belangrijkste van
de ernstige
epidemieën, die de mensheid teisterden met korte en verschrikkelijke
bezoekingen, om vervolgens op onverklaarbare wijze volkomen te
verdwijnen. De “zweetziekte”
kwam met een stormachtige snelheid opzetten en verdween met even grote
spoed,
als zij verscheen. Vóór 1485 of na 1552 wordt er geen melding gemaakt
van een soortgelijke
koorts. Na
de slag bij Bosworth, waarin Hendrik VII zich van de troonopvolging
verzekerde,
brak er in de gelederen van het overwinnende leger een ziekte uit, die
meteen
een eind maakte aan het verder oprukken van de zegevierende troepen.
Met de
afgezwaaide soldaten werd de ziekte naar Londen overgebracht. De
snelheid,
waarmee zij om zich greep, kan afgemeten worden aan het feit, dat de
ziekte in
Londen haar hoogtepunt bereikte omstreeks 21 september, terwijl het
gevecht bij
Bosworth op 22 augustus plaatsvond. De ziekte verspreidde zich snel
over
Engeland van Oost naar West, wijd en zijd overgedragen, door
rondzwervende soldaten.
Binnen de eerste week stierven daaraan in Londen twee Lord Mayors en
zes Aldermen.
Vooral jonge en sterke mensen werden getroffen en dat was een van de
punten,
waarin de ziekte overeenkwam met de Picardische zweetziekte, waarover
we nog
het een en ander moeten vertellen. De sterfte aan deze Engelse
zweetziekte was
zo hevig, dat, volgens Holinshed, “nauwelijks één op de honderd zieken
het er levend
van afbracht, want allemaal gaven ze de geest, zodra de ziekte hen
overviel of
spoedig daarna”. De kroning van Hendrik werd uitgesteld. In Oxford,
waar Thomas
Linacre — die later een medische school stichtte — destijds student
was, woedde
de ziekte zo hevig, dat professoren en studenten de universiteit
ontvluchtten,
die voor zes weken gesloten werd. Die eerste uitbraak van de ziekte
bleef geheel
beperkt tot Engeland en strekte zich niet eens uit tot Schotland of
Ierland. De
symptomen van de ziekte zijn opgetekend door vele schrijvers en op
kleine
verschillen na zijn de beschrijvingen hoofdzakelijk gelijkluidend.
Bijzonder
belangrijk is de mededeling van John Kaye, wiens vermaarde geschrift: “the
Sweate” in 1552 gepubliceerd werd. De ziekte dook op zonder
waarschuwing,
gewoonlijk ‘s nachts of tegen de ochtend met koude rillingen en beven.
Spoedig
trad er koorts op en een gevoel van zwakte; hiermee gepaard gingen pijn
in de
hartstreek en hartkloppingen, in sommige gevallen braken, zware
hoofdpijn en
verstijving, maar zelden een delier. Hoewel enkele schrijvers een
huiduitslag
niet noemen, wordt er toch in sommige beschrijvingen wel melding van
gemaakt —
vooral in die van Tyengius, wiens notities tot ons kwamen via Forest;
hij
verhaalt, dat er, na de periode van zweten, op de ledematen kleine
blaasjes
verschenen “die niet samenvloeiden maar de huid oneffen maakten”. Het
overvloedige zweten, het merkwaardigste kenmerk, begon kort na de
koortsaanval.
De dood trad in met verbluffende snelheid. Het is vastgesteld, dat
velen binnen
een dag stierven en sommigen zelfs in een paar uur tijds. Een enkele
aanval
maakte niet onvatbaar, omdat een aantal mensen twee of drie aanvallen
kort na
elkaar kregen. Na
een korte en heftige loopbaan verdween de ziekte volkomen en van 1486
tot 1507 vinden
we er geen melding meer van gemaakt. De
tweede epidemie leek ogenschijnlijk veel op de eerste, maar er zijn
niet veel
betrouwbare gegevens over te verkrijgen. Zij begon ook weer in de zomer
—
ditmaal in Londen — en het is, zoals Senf veronderstelt, niet
onwaarschijnlijk,
dat de ziekte gedurende de rustperiode in die stad endemisch gebleven
is. In
1518
verscheen de ziekte voor de derde keer, en met een nog grotere
hevigheid. Weer
verspreidde zij zich over Engeland en ook deze keer werden Schotland en
Ierland
gespaard. Ditmaal echter bereikte zij wel het vasteland, maar alleen
Calais,
waar — vreemd genoeg — alleen de Engelse inwoners werden getroffen. Ook
nu
bezweken veel patiënten binnen twee of drie uur en kostte aan menig
belangrijke
geleerde in Oxford en Cambridge het leven; in sommige steden werd
eenderde tot
de helft der bevolking weggemaaid. 2) De
zweetziekte schijnt aan kracht gewonnen te hebben tussen de epidemieën
in, want
de ernstigste uitbraak was die van 1529. 3) Die epidemie begon in mei,
ook weer
in Londen, en de angst, die zij inboezemde, was zo groot, dat de
maatschappij
erdoor ontwricht werd, de landbouw werd stopgezet De
vijfde en laatste epidemie van de zweetziekte had plaats in 1551. Ook
nu begon
zij weer in Engeland, ditmaal in Shrewsbury, in april, waar 900 zieken
stierven
binnen een paar dagen. Zij verspreidde zich over het hele land,
“meegedreven
met wolken giftige mist”, zoals Haeser het uitdrukt. Een vreemde
waarneming uit
die tijd, overeenkomend met wat vroeger opgemerkt werd in Calais, waar
de
ziekte beperkt bleef tot de Engelse inwoners, was het blijkbaar
gespaard worden
van de vreemdelingen in Engeland. Toch scheen de vijfde epidemie de
Engelsen naar
andere landen te volgen, zodat velen in Frankrijk en de Nederlanden
stierven. Die
uitbraak van 1551 is die, welke John Kaye in zijn beroemd geschrift
beschreef. Slechts
eenmaal
na
die
datum
is
er
(wij
ontlenen
dit
aan
Senf)
een
ziekte
voorgekomen,
die
leek
op
de Engelse zweetziekte, tenzij wij haar identificeren als
de Picardische
ziekte, — zoals velen hebben gedaan. Ongeveer tweehonderdvijftig jaar
na die vijfde
epidemie, dat wil zeggen in 1802, deed zich in Rottingen een
soortgelijke
ziekte voor, die echter tot de streek beperkt bleef. Het
is onmogelijk de zweetziekte te identificeren met een van de
tegenwoordig
voorkomende epidemische ziekten. Zuiver op grond van het gelijktijdig
voorkomen
geloven Schnurrer en anderen, dat het een gewijzigde vorm van tyfus was
en het
is juist, dat zij zich — zoals Senf aangeeft —niet uitbreidde naar de
landen,
waar destijds tyfus heerste. Die opvatting is echter niet overtuigend.
Het
lijden blijft een volkomen op zich zelf staand ziektebeeld, dat we
eigenlijk
niet zouden kunnen onderbrengen bij een bekende infectieziekte, gesteld
dat het
nog eens zou terugkeren. Het plotselinge begin en de snelle dood waren
heftigere
verschijnselen dan bij één van de tegenwoordige ziektebeelden
voorkomen, met
uitzondering van de nu en dan optredende gevallen van
hersenvliesontsteking en
kinderverlamming. Terwijl de snelheid en de manier van verspreiding ons
herinneren aan influenza, zijn klaarblijkelijk de afwezigheid van op de
voorgrond tredende catarrale verschijnselen, het ontbreken van een
secundaire
pneumonie met dodelijke afloop en het niet voorkomen van opeenvolgende
golven
binnen een kort tijdsverloop, voldoende om haar te onderscheiden van de
influenza, zoals wij die nu kennen. Door haar algemene kenmerken zouden
wij
geneigd kunnen zijn de oorzaak te zien in een filtreerbaar virus of een
variatie daarvan, dat op dit ogenblik nog onbekend is. Het is een
redelijke
veronderstelling, dat de zweetziekte te wijten was aan een virus, dat
eeuwenlang
in een goedaardigere vorm op het vasteland voorkwam en zich in Engeland
in een geheel
vatbare gemeenschap verspreidde. Dit
is
de enige basis, waarop men kan hopen een verklaring te vinden voor de
herhaaldelijk bevestigde ervaring, dat alleen de Engelsen werden
aangetast, ook
in het buitenland. Met onze kennis over de algemene verspreiding van
het kinderverlammingvirus,
waarmee waarschijnlijk een groot deel van de bevolking zonder manifeste
ziekteverschijnselen geïnfecteerd is vóór de volwassen leeftijd, is het
raar om
aan te nemen, dat een infectie zo algemeen verbreid kan zijn, dat bij
tijd en
wijlen een hele bevolking geïmmuniseerd kan worden, en dat een ziekte,
die aanvankelijk
een epidemisch en ernstig karakter droeg, endemisch kan worden, zich
kan wijzigen,
een goedaardigere vorm kan aannemen en ten slotte — kan uitsterven. Die
gang
van zaken is ongetwijfelde op dit moment gaande met ziekten als
mazelen,
kinderverlamming en influenza, die — endemisch bij ons — verwoestende
en hevige
epidemieën veroorzaken, als zij op primitieve volkeren worden
overgebracht. Nog
een andere ziekte, die plotseling uit de lucht schijnt gevallen te zijn
en binnen
minder dan tweehonderd jaar bijna volkomen verdwenen is, is de
zogenaamde “Suette
des Picards”. Er bestaat enige verwarring over de verwantschap tussen
die ziekte,
de Engelse zweetziekte en de zogenaamde “soldatenkoorts”. Onder die
laatste
term werd waarschijnlijk een groot aantal van de welbekende
exantheemziekten,
zoals mazelen, roodvonk, waterpokken enz. begrepen. Het is onmogelijk
de
omvangrijke en tegenstrijdige literatuur hieromtrent te behandelen,
maar er
zijn nauwkeurige gegevens, die aantonen, dat een speciale ziekte,
volmaakt
anders dan een van de tegenwoordig voorkomende huiduitslagen, in 1718
plotseling
in Normandië opdook en zich binnen een paar jaar uitbreidde tot in
Poitou,
Bourgondië, en andere streken van Noord-Frankrijk. De meningen van de
vooraanstaande
medische geschiedschrijvers (Hirsch, Haeser en Ozanam) lopen uiteen,
waar het
gaat om het voorkomen van een dergelijke ziekte in andere delen van
Europa vóór
1718. Haeser gelooft, dat er voor die tijd al haarden bestonden in de
Elzas en
in Turijn. Tot 1718 ontbreekt het dergelijke beschrijvingen echter aan
nauwkeurigheid. De meeste onderzoekers zijn het er over eens, dat,
afgezien van
de lokalisatie, de “Suette des Picards” zeer goed te onderscheiden is
van de
Engelse zweetziekte, op grond van de huiduitslag en de heftige
psychische
verschijnselen, die met de Picardische ziekte gepaard gingen. Veel
uitstekende
beschrijvingen
van
de
verschijningsvormen
op
verschillende
plaatsen,
uit
verschillende
afzonderlijke
jaren,
bevestigen
haar
karakter
als
een
bepaalde
klinische
eenheid. De eerste hiervan is het nauwkeurige
verslag
van de uitbraak in 1718 door Dr. Belot, die vrijwel geheel overeenkomt
met die
van Dr. Vandermonde over de epidemie in Guise in 1759. De ziekte zette
plotseling
in, vaak met een koude rilling, buikpijn en een belemmerde ademhaling.
Dan
volgden zware hoofdpijn, hoge koorts en slapeloosheid, en vaak heftige
opwinding.
Binnen twaalf tot vierentwintig uur begon het overvloedige zweten,
gewoonlijk
gepaard met hevige jeuk. Een huiduitslag, afwisselend beschreven als
lijkend op
mazelen (rougeole) of erysipelas (wat waarschijnlijk een gelijkmatig
rood
worden als bij roodvonk betekent) werd waargenomen binnen de eerste
achtenveertig uur. Neusbloedingen kwamen dikwijls in hevige mate voor.
In de
gevallen met dodelijke afloop trad een delirium op en dikwijls ging het
sterven
gepaard met trekkingen. Velen stierven binnen een of twee dagen. Na
1718
kwamen in Frankrijk, tot in het midden van de negentiende eeuw, — eerst
met
korte tussenpozen, later minder frequent — plaatselijke epidemieën
voor. In het
laatste deel van die periode vonden dergelijke uitbraken plaats in
Noord-Italië
en in Zuid-Duitsland. Volgens Hirsch kwamen, alles bij elkaar genomen,
tussen 1718
en 1804 in Frankrijk 194 epidemieën voor. Er is niets bekend over de
manier van
overbrenging, de oorzaken, die tot de uitbraken leidden, of de redenen
voor hun
afname. Boyer verklaarde in zijn geschrift van 1751, dat de ziekte niet
besmettelijk was, — dat wil zeggen, het overgaan van de een op de ander
was
niet duidelijk — en die opvatting wordt door de meeste waarnemers
gedeeld. In tegenstelling tot de meeste andere even ernstige ziekten, bleven de afzonderlijke epidemieën van de Picardische ziekte steeds nauw begrensd. De meeste uitbraken bleven beperkt tot afzonderlijke dorpen of steden. Slechts in een paar voorbeelden overschreden zij bepaalde plaatselijke grenzen, hoewel bij een of twee gelegenheden ver van elkaar verwijderde districten van Frankrijk werden aangetast. Afzonderlijke epidemieën duurden zelden langer dan een paar maanden.
Het
is onmogelijk zich een betrouwbare voorstelling te vormen omtrent de
aard van die
ziekte. Zij past in geen enkele groep van het tegenwoordige
indelingssysteem.
Terwijl zij in sommige opzichten lijkt op roodvonk met een snelle
dodelijke afloop,
maakt de afwezigheid van enig verschijnsel van een ernstige
keelinfectie een
identificatie als zodanig onwaarschijnlijk. Het was zeker geen mazelen
of
pokken. De enige infectie, waarvan de dodelijk verlopende en hevige
gevallen
ons aan de Picardische zweetziekte herinneren, zijn de foudroyante
meningokokkeninfecties,
die nu en dan gezien worden bij meningitisepidemieën. Bij dergelijke
infecties
— die tijdens de oorlog van 14-18 veel in kampen gezien werden —
vertegenwoordigen
het plotselinge begin, uitgebreide exantheem, zweten, hoge koorts en
snelle
dood, vaak gepaard met delier en trekkingen, een klinisch beeld, dat de
beschrijvingen van de ernstigste gevallen van de Picardische
zweetziekte dicht
benadert. Andere punten van overeenkomst zijn het ontbreken van een
aantoonbaar
verband tussen de gevallen (verborgen besmettelijkheid) en de beperkte
verspreiding. De goedaardige gevallen — die klaarblijkelijk in de
meerderheid
waren — vertonen echter weinig overeenkomst met meningokokkeninfecties.
Wij
kunnen slechts de conclusie trekken, dat wij hier te maken hebben met
een
ziekte, die óf enig in haar soort is óf een nu nog onbekende vorm van
een nog
bestaand ziektebeeld vertegenwoordigt, dat in de loop der tijden
gewijzigd is. Tyfus
kunnen we met gerust hart uitsluiten vanwege het plotselinge begin met
koude
rillingen en de snelheid, waarmee het exantheem zich ontwikkelt (een of
twee dagen).
De heftige jeuk, die zo vaak werd waargenomen, is ook niet
karakteristiek voor tyfus.
Bovendien trad de eerste epidemie van de Picardische zweetziekte op in
een
tijd, toen de tyfus in zijn tegenwoordige vorm al verschillende eeuwen
bekend
was. Nu en dan worden er tegenwoordig, door Franse artsen, enkele gevallen vermeld van een ziektebeeld, dat gelijkenis vertoont met de Picardische zweetziekte, maar zelfs als die dat echt zijn, heeft er zich toch sinds de zeventiger jaren van de vorige eeuw geen uitbraak — ook niet op kleine schaal — voorgedaan.
Noten
1) De geschiedenis van de pest is door vele geschiedschrijvers goed vastgelegd. Een van de meest gedetailleerde beschrijvingen is die van Sticker. 1)
Het staat vast, dat in enkele plaatsen
80
tot
90
percent
van
de
bevolking
stierf.
HOOFDSTUK VI Ziekten
uit
de
Oudheid;
beschouwing
over
de
epidemieën,
die
in
de
Oudheid
woedden
en
een
poging
diagnoses
te
stellen,
wat duizend jaar later niet eenvoudig
is, maar
om diezelfde reden even lastig te weerleggen. Al moge dit weer een
onnodig
uitstel van onze biografie schijnen, het is een blijk van onze poging
de
ouderdom van tyfus te bepalen. 1 Er
valt niet aan te twijfelen, dat infectieziekten vanaf den beginne de
hogere
levensvormen aangetast hebben. In
het Museum in Wenen worden resten van prehistorische beren bewaard, die
onmiskenbare tekenen van grote tand- en kaakabcessen vertonen. Reasoner
heeft
uit de paleontologische literatuur een aantal beschrijvingen verzameld
over bij
prehistorische dierlijke overblijfselen voorkomende afwijkingen van
bacteriële
oorsprong. Hij noemt de resten van een reptiel, de Dimetrodon, uit het
laatste
meozoische tijdperk (21.000.000 jaar geleden), die beschreven zijn door
Gilmore
en waaraan tekenen aangetroffen werden van een chronische
beenmergontsteking
van de wervelkolom; zo werd door Auer ook een krokodil uit het
Juratijdperk (14.000.000
jaar geleden) beschreven; bij dit dier werden sporen van infectie
aangetroffen
in het bekken, met uitzaaiingen in dijbeen, staartbeenwervels en
verhemelte.
Aanduidingen van een carieus gebit en mogelijk reumatische zwellingen
aan de
gewrichten zijn door Renault, Moody en anderen gevonden bij talloze
fossielen.
Tekenen van botnecrose en botwoekeringen ten gevolge daarvan zijn niet
zeldzaam
bij fossiele resten. Wat
de primitieve mens aangaat, is daar niet veel over bekend — hoewel
Raymond een
geval beschreef van spondylitis deformans en een van
gewrichtsontsteking in de
knie bij in Frankrijk gevonden botten uit het neolithische tijdperk. Er
wordt
echter zeer getwijfeld aan de oudheid van sommige van die fossielen. De
paleontologische literatuur over de mens is schaars en werpt weinig
licht op
dit vraagstuk. Het is echter voldoende duidelijk gebleken, dat
bacteriën miljoenen
jaren geleden het vermogen kregen infecties teweeg te brengen en er is
geen
reden om te betwijfelen, dat de mens van begin af aan leed aan
infectieziekten;
en toen de mensheid het tijdperk bereikt had, waaruit onze vroegste
historische
gegevens stammen, bestond er al een grote verscheidenheid aan
infectieziekten.
En hoewel de diagnose vaak moeilijk is, is het zeker, dat er duizenden
jaren
voor Christus al epidemieën heersten. De
poging op grond van de medische literatuur uit de oudheid de
verschillende
infectieziekten van een diagnostisch etiket te voorzien, stuit op grote
moeilijkheden door de onzekere betekenis van de termen, tenzij die
vaker
gebruikt worden in verschillende verbanden. Zo is het vaak onmogelijk
een
juiste indruk te krijgen over de aard van een huiduitslag, omdat het
vaak
lastig is uit te maken of het gebruikte woord betrekking heeft op een
gezwollen
huid, blaasjes, puistjes of zweren. In
de Chinese literatuur is zeer weinig beschrijvend materiaal
toegankelijk voor
de Westerse onderzoeker, waaruit een mening te vormen zou zijn over de
aard van
de heersende ziekten. Het is niet onmogelijk, dat pokken en enkele van
de
exantheemziekten hun oorsprong hadden in China en via Perzië en
Noord-Afrika
Europa bereikten. Opvattingen echter, zoals die worden weergegeven door
Wise en
Moore, berusten op zeer weinig bewijsmateriaal. Moore ontleent zijn
gegevens
aan de oudste toegankelijke Chinese medische kronieken en denkt, dat er
pokken
voorkwamen in China ten tijde van de Tsche-u-dynastie, — een periode
tussen 1122
en 249 voor Christus, — en Smith denkt in een artikel in de Medical
Times
and Gazette uit 1871, te kunnen bewijzen, dat de ziekte voorkwam
ten tijde
van de Han-dynastie, omstreeks 200 voor Christus, en dat zij ingevoerd
werd vanuit
India. 1) In
de oude Indiase geschriften, de Ayur-Veda (waarvan het jaartal onbekend
is,
maar die zeker van voor 200 voor Christus dateren, misschien gedeelten
ervan
zelfs van 900 voor Christus) en de geschriften van Susruta komen
mededelingen
voor, die betrekking kunnen hebben op tetanus en chorea. Verschillende
soorten
koortsen waren bekend — waaronder sommige zeer zeker malaria waren en
enkele
mogelijk acuut reuma en misschien lepra waren, dat bekend was als
“Kushta”. Een
ingewandsziekte, die met een redelijke zekerheid als cholera aangeduid
kan
worden, was eveneens bekend. Haeser, die de vertalingen van Wise
bestudeerde,
vindt er ook bewijsmateriaal in voor catarrale icterus, voor gonorroe
en
mogelijk voor tuberculose. Het is bijzonder belangrijk, dat er in
Susruta’s
geschriften beschrijvingen voorkomen over zweren aan de
geslachtsorganen, waarvan
Haeser denkt dat ze syfilitisch zijn geweest. Wat
de ziekten in het oude Egypte betreft, beschikken wij over veel
informatie uit
de Papyrus Ebers, die werd opgetekend tijdens de regering van
koning
Re-Ser-Ka, rond 1700 jaar voor Christus. De daarin genoemde
infectieziekten, vertoonden
een erysipelasachtig beeld dat “Hmaou” genoemd werd en doorgaans met de
uitwerpselen
van ezels behandeld werd, en ingewandswormen en verschillende
oogziekten.
Onderzoekingen op mummies door Sir Marc Ruffer, Dr. Elliot Smith en Dr.
Wood
Jones brachten tekenen van “de ziekte van Pott” aan het licht en bij
een mummie
uit de twintigste dynastie (ongeveer 1200 voor Christus) bevonden zich
plekken
op de huid, die pokken geweest zouden kunnen zijn. Een soortgelijke
uitslag
werd aangetroffen op het lichaam en het gelaat van Ramses II. Op Ramses
V werd
een driehoekige zweer gevonden boven het ligament van Poupart, in de
liesstreek;
dit zou een pestbuil geweest kunnen zijn of een venerisch infect (de
ziekte van
koningen). Bij enkele van de oudere mummies, waaruit de ingewanden niet
verwijderd waren, nam Ruffer een grote milt waar, wat op malaria zou
kunnen
wijzen. 2) De ziekten, waarvan in het Oude Testament melding wordt
gemaakt,
werden door Garrison in zijn History of Medicine opgesomd,
waaronder
gonorroe, lepra en mogelijk psoriasis; in Samuel worden vergrote
liesklieren
vermeld, duidend op de waarschijnlijkheid van pest. In de Talmud wordt
melding
gemaakt van aandoeningen van de long, die redelijkerwijs als
tuberculose
beschouwd kunnen worden; verder van een nierabces en infecties van de
vrouwelijke
geslachtsorganen. Jehova
schijnt
de
arme
Filistijnen
nogal
hard
aangepakt
te
hebben.
In
I
Samuel
IV,
wordt
verslag
gedaan
over
een gevecht, waarin de Filistijnen de Joden
overwonnen en waarbij 30.000 Joden gesneuveld zouden zijn in, naar het
schijnt,
een eerlijk gevecht. De overwinning van de Filistijnen werd
vergemakkelijkt
door het feit, dat het Hebreeuwse leger op de vlucht sloeg en de
soldaten zich
in hun tenten probeerden te verbergen. De overwinnaars namen toen Gods
Ark (I
Sam. V, ) mee naar het huis van hun eigen god, Dagon; hij was een soort
halve
vis en daardoor min of meer hulpeloos. De God van de Hebreeërs wierp
Dagon terneer,
hieuw hem zijn handen af en stiet hem van zijn voetstuk, zodat hij met
zijn
aangezicht ter aarde viel. Dit boezemde de Filistijnen van Ashdod een
hevige
angst in, zodat zij de Ark naar Gath zonden. Daarop “was de hand des
Heren
tegen die stad met een zeer grote kwelling, want Hij sloeg de lieden
dier stad
van de kleinen tot de groten en zij hadden ‘emerods’ op de verborgen
plaatsen,”
en “en de hand Gods was daar zeer zwaar. En de mensen, die niet
stierven,
werden geslagen met ‘emerods’.” Dit is natuurlijk, wat — door de eeuwen
heen
—geleid heeft tot wat wij met een modern woord “Nazi-praktijken”
noemen. Alleen
de Heer weet wat “emerods” zijn. Letterlijk zijn het aambeien; het
etymologische verband tussen die twee woorden is duidelijk, maar het is
niet erg
waarschijnlijk, dat bij de Filistijnen een epidemie van hemorroïden met
dodelijke afloop zou zijn voorgekomen. De woorden, die vertaald zijn
met emerods
zijn “ophalim” en “teharim”, wat zwelling of afgeronde verhevenheid
betekent. Volgens
onze wetenschappelijke zegsman berust de vertaling “emerods” op een
vergelijking met Psalm LXXVIII, 66, waar over God gezegd wordt: “Hij
sloeg
zijne vijanden aan het achterste.” Dit verband is al heel oud, en
dateert uit
Talmoedische bronnen en Aramese vertalingen. “Ophalim” betekent volgens
andere
vertalers alleen een verheven, afgeronde plek. Hastings hecht in zijn “Dictionary
of
the
Bible” geen geloof hechten aan de veronderstelling, dat
“emerods”
aambeien zouden zijn: hij legt verband tussen die beschrijving en
builenpest.
Aangenomen dus dat die woorden betrekking hebben op zwellingen rond de
intieme delen,
dan komt de tegenstelling er dus alleen maar op neer, of het de
achterkant of
voorkant was, die werd aangetast. Hoewel het beschikbare materiaal
onvoldoende is
voor een nauwkeurige diagnose, zijn ronde zwellingen op die plaats,
gezien de epidemische
verspreiding en het hoge sterftecijfer, toch verdacht voor pest. 3) Ten tijde van David heerste er, als straf voor een verboden volkstelling, een hevige epidemie, waaraan 70.000 mensen een plotselinge dood stierven. Men veronderstelt dat het merendeel van die mensen op één dag stierf. Er bestaat geen enkele aanwijzing over de aard van die ziekte.
In
de bijbelse geschiedenis is herhaaldelijk gebleken, dat een eerlijke
strijd van
andere volkeren met de Joden altijd uitdraaide op een triomf voor de
Hebreeërs
door tussenkomst van wat voor de anderen een bevooroordeelde en
meedogenloze
God geleken moet hebben. Wij vragen ons af, of dit niet voor een groot
deel
recht doet aan de mening van Houston Stewart Chamberlain, die het
antisemitisme
geheel verklaart op basis van een botsing tussen godsdiensten. De
Joodse
leerstellingen waren wijdverspreid in de oude wereld en als de
verschrikkelijke
wraak van God geloofd werd, waarmee God iedereen bedreigde, die opstond
tegen
de Joden — die duidelijk in hun verhouding tot anderen geen engelen
waren — zijn
haat en wrok gemakkelijk te begrijpen. 2
Een
interpretatie van de in de tijd, vóór de Grieken, voorgekomen
infectieziekten, is
grotendeels giswerk. Van de Grieken zijn echter heel wat nauwkeurige
beschrijvingen bewaard gebleven, die ons in staat stellen een
gefundeerde
mening te vormen over symptomen, klinische beelden en vaak over de
epidemiologie van de aandoeningen, die bij hen voorkwamen. Hoewel er
veel
medische gegevens zijn van vóór Hippocrates, hebben die slechts af en
toe
betrekking op de epidemische ziekten, waar wij belangstelling voor
hebben.
Asclepius, een koning in Thessalië, zoon van Apollo, was voornamelijk
een
mythische figuur, maar dat er toch bij zijn opvolgers een zekere mate
van
kennis over besmetting aanwezig was, blijkt uit de afgelegen plaatsen
waar zijn
tempels werden gebouwd en uit de wetten, die — bijvoorbeeld in Delos —
het
begraven van doden in de buurt van de tempel verboden. Democrites noemt
ziekten, die waarschijnlijk epidemisch waren, en van Empedocles wordt
verondersteld, dat hij, — door een spleet in een berg af te sluiten, —
de
uitwasemingen van een rivier tegenhield. Democrites geloofde dat de
epidemische
ziekten, die onder de mensheid verwoestingen aanrichtten, te wijten
waren aan
het uiteenvallen van hemellichamen, waarvan de as op aarde viel.
Alcmaeon
bracht een epidemie tot staan door vuren te ontsteken. Tot de tijd van
Hippocrates is er echter ook onder de Grieken geen materiaal aanwezig
voor een
diagnostische uitspraak. Hippocrates
was
waarschijnlijk
niet
de
eerste
grote
geneesheer
in
de
oudheid.
Het
is
eigenlijk
vrij
zeker,
dat
veel
kundige
en scherpzinnige artsen praktijk hebben
uitgeoefend in het oude Egypte waar — naar Herodotus ons vertelt, — de
artsen
veel sterker gespecialiseerd waren dan tegenwoordig, omdat zij zich
dikwijls
beperkten tot één enkel orgaan van het lichaam. Er waren zowel
tandartsen, als
internisten en chirurgen. Hippocrates is echter de eerste grote
geneesheer, van
wie wij verslagen en geschriften hebben, die blijk geven van een
benaderingswijze van de medische problemen, die volkomen overeenkomen
met de
onze. Zijn beschrijvingen van gevallen in zijn “Epidemion” zijn
zo
precies,
dat
uit
zijn
ziektegeschiedenissen
nauwkeurigere
diagnoses
kunnen
worden
afgeleid,
dan
hij
zelf
stelde. De
Grieken leden aan een grote verscheidenheid aan infectieziekten. Omdat
zij,
door het goede klimaat, een volk waren, dat buitenshuis leefde zonder —
aanvankelijk — grote bevolkingsconcentraties, kregen de eerste
uitbraken van
besmettelijke ziekten onder hen niet zulk een omvang, dat zij
opgetekend werden
door de geschiedschrijvers. De medische lezer wordt getroffen door de
afwezigheid van enige mededeling van betekenis over epidemieën in de
Griekse
legers ten tijde van Homerus, gedurende de vroegste gevechten tussen
Spartanen
en Atheners, en in de Perzische oorlogen. De legers waren groot, werden
vaak
snel gemobiliseerd en moeten ziekten gekend hebben; maar noch
Herodotus, noch
anderen, die zich met die periode bezig houden, spreken ook maar ergens
over
sterfte door een uitgebreide epidemie, die men toch terecht zou
verwachten.
Mogelijk is dat toe te schrijven aan het feit, dat dergelijke
gebeurtenissen
dan eerder geïnterpreteerd zouden zijn als de gramschap van vertoornde
goden,
dan als een bezoeking met een besmettelijke ziekte. In
de tijd, waarover Hippocrates schrijft, vinden we vermeldingen
epidemieën van
ontstoken ogen op Thasos — zeer waarschijnlijk conjunctivitis. Er
kwamen
diarreeën voor, met koorts en krampen, waterige ontlasting, braken en
zweten —
waarschijnlijk vormen van bacillaire dysenterie. Aanhoudende
koortsaanvallen,
die in hoofdzaak in de herfst en het begin van de winter voorkwamen,
waren duidelijk
gedeeltelijk te wijten aan malaria van het type quartana, dubbele
tertiana en de
aestivo-autumnalis vormen. Er was sprake van koortsperioden, die
vierentwintig
uur of verscheiden dagen duurden, — af en toe — gepaard met niet
etterende
zwellingen van de parotis, die wij redelijkerwijs kunnen interpreteren
als
tyfus; een andere zal, vanwege het niet continue karakter en de
geitencultus in
het oude Griekenland, best Maltakoorts geweest kunnen zijn. Er bestaat
één
beschrijving, die ongetwijfeld betrekking heeft op een bofepidemie —
een milde
koorts, zonder sterfte, met dubbelzijdige zwelling van de parotis,
droge hoest
en soms ook zwelling van de testikels. Keelpijn met hoesten, koorts,
vaak
gepaard met ijlen, zou roodvonk of difterie geweest kunnen zijn. In
de “Epidemion” staat een groot aantal ziektegeschiedenissen,
even nauwkeurig
van dag tot dag opgetekend als veel uit onze tijd, waarop een
diagnostisch
oordeel gebaseerd kan worden. In veel gevallen zijn Hippocrates’
waarnemingen zo
nauwkeurig, dat wij, vanuit onze kennis, vaak het soort infectie kunnen
vaststellen, — vaak zelfs welk micro-organisme aansprakelijk geweest
moet zijn
voor de afzonderlijke ziektebeelden. Wat betreft veel niet-chirurgische
aandoeningen deed Hippocrates even goed werk, veronderstellen wij, de
huidige
huisarts of “gezinsarts” kan doen, die veel van onze reactionaire
tijdgenoten zo
na aan het hart ligt en door terug te keren tot de echte geneeskunst
ons vak
weer moeten bevrijden van alle nieuwerwetse laboratoriumflauwekul. 1) Herophontos
kreeg
acuut
koorts,
met
dunne
en
galkleurige
ontlasting,
krampen
en
een
gevoelige
buik.
Op
de
vijfde
dag
begon hij te ijlen en te zweten,
terwijl de
diarree aanhield. Op de negende dag was er een crisis, met sterk zweten
en
zeven dagen later begon het opnieuw. Herophontos moet óf acute
bacillaire
dysenterie, óf tyfus óf paratyfus óf cholera gehad hebben; cholera was
echter
niet waarschijnlijk, omdat het een geïsoleerd geval was. De
hemolytische
streptokokken waren toen even geducht als tegenwoordig. De echtgenotes
van Philinus
en Domadeos stierven ongetwijfeld aan wat wij nu puerperale sepsis
zouden
noemen. De
vrouw van Epicrates ontwikkelde twee dagen voor de bevalling keelpijn,
met aanhoudende
koorts, die zonder te zakken eenentwintig dagen aanhield en pas na
tachtig
dagen volkomen verdwenen was. Mogelijk heeft zij tyfus gehad of een
subacute
streptokokkeninfectie. Criton
van
Thasos
kreeg
plotseling
pijn
in
zijn
grote
teen,
gevolgd
door
koorts
en
delier
in
dezelfde
nacht.
De volgende dag was zijn voet rood en
gezwollen, met
kleine zwarte plekjes en begon zijn been op te zetten. Na twee dagen
was hij
dood. Ongetwijfeld stierf hij aan een virulente streptokokkeninfectie,
misschien uitgaande van een ingegroeide nagel. Een
Clasomeniër had ongetwijfeld tyfus. Een
vrouw, die in de derde maand van haar zwangerschap was (het dertiende
geval uit
het Eerste Boek) kreeg plotseling pijn in de rug, kort daarop gevolgd
door
koorts, hoofdpijn, pijn in de nek en de rechter hand, terwijl zij ook
niet meer
kon spreken. Op de vijfde dag werd zij delirant en bestond er een
verlamming
van de rechterarm en -hand. Er is niet vermeld, of er na haar herstel
op de veertiende
dag, een verlamming overbleef, maar de hele geschiedenis klinkt als een
acute
poliomyelitis anterior of misschien encefalitis lethargica, waarvan wij
gedacht
hebben, dat het een nieuwe ziekte was. Een
man, wiens naam niet genoemd wordt, stierf aan een aandoening, die naar
alle
waarschijnlijkheid óf een aanval van een acute appendicitis óf een
galblaasontsteking
geweest moet zijn. Midden in de nacht werd hij, na een uitgebreid
diner,
overvallen door plotseling braken, koorts en pijn in de rechter
bovenbuik. De
verschijnselen hielden aan; de pijn verspreidde zich over de hele buik
en op de
elfde dag stierf hij. Wij denken het meest aan een acute appendicitis,
omdat er
geen enkel teken van geelzucht was. Het is interessant op te merken met
welk
een zorg door Hippocrates lichamelijk onderzoek verricht werd. Hij
verklaart,
dat hij bij het eerste onderzoek van de patiënt geen gespannen buik
vond. Die moet
zich dan later ontwikkeld hebben of wij moeten aannemen, dat zelfs
Hippocrates
een vergissing gemaakt kan hebben. Onder
de
overige
gevallen
waren
karbonkels,
erysipelas,
mogelijk
difterie,
verschillende
vormen
van
verlamming
en,
niet
onmogelijk,
gevallen
van
pest,
5) omdat
er beschrijvingen zijn van bubonen in de lies. 6) Er kwamen
longontstekingen
voor en pleuritis en langdurige, op longtuberculose lijkende,
longziekten.
Reumatische koorts schijnt niet onbekend geweest te zijn, maar de
beschrijvingen zijn vaag. Het
doel, dat ons in de eerste plaats voor ogen stond bij het onderzoek van
de
ziektegeschiedenissen van Hippocrates, was een bewijs te vinden voor
het destijds
voorkomen van tyfus. Ozanam en anderen hebben verklaard, dat
Hippocrates tyfus
beschreef, en het geval, dat vaak aangehaald is als bewijs voor die
veronderstelling,
is dat van de tweede patiënt uit het Eerste Boek van de “Epidemion”.
Die
man,
Silenus,
“zoon
van
Eualcides,
die
dicht
bij
de
Akropolis
woonde,
werd
overvallen
door
een
koortsaanval,
als
gevolg
van vermoeidheid,
buitensporig
drinken en inspanning. Meteen bij het begin kreeg hij pijn in de rug,
hoofdpijn
en pijn in de nek.” Een aantal dagen had hij koorts met
darmverschijnselen, een
gevoel van druk in de buik, slapeloosheid en delier — die allemaal
verenigbaar
zouden kunnen zijn met een aantal verschillende soorten
infectieziekten, maar zeer
zeker passen bij het begin van tyfus. Op de zevende en achtste dag
zweette hij hevig
en op de achtste dag ontwikkelde zich een huiduitslag van rode, ronde
vlekjes,
die aanhielden zonder te veretteren. Hij stierf op de elfde dag. De
hoofdpijn,
het zweten, het delier en de huiduitslag, het begin en de duur van de
ziekte
zijn allemaal zoals men in een ernstig geval van tyfus zou verwachten.
De
kwestie van de diagnose komt hoofdzakelijk neer op de aard van de
huiduitslag
en dat hangt natuurlijk helemaal af van de juiste betekenis van de in
de
beschrijving gebezigde termen. De uitdrukking, waar het om gaat, luidt
εξανθήματα
μετα ίδρωτος
ερυθρα
σπογγυλα
σμικρα οίον
`Ιονθοι. Het οίον
`Ιονθοι is door Farr vertaald als: “als blaasjes”
en door Mercy als “semblables aux varices”. Professor Gulick, die zo
vriendelijk
was zich te bemoeien met ons geliefhebber in de klassieken, gaf de
volgende
raad: Ik kan bij Hippocrates geen andere plaats vinden, waar het woord
`Ιονθοι
voorkomt, zodat toetsing aan zijn eigen gebruik van het woord
onmogelijk
is. Uit Aristoteles (Hist. Animal. V, 31) blijkt duidelijk,
dat `Ιονθοι
(oorspronkelijk haarwortel) met of zonder etter konden voorkomen. In Geval
XXXVI,
3 vraagt hij zich af, waarom zij meestal op het gelaat voorkomen; en in
XXXVIV,
4 zegt hij, dat de “excrescenties” — letterlijk “hagel” of bultjes op
de tong —
overeenkomen met `Ιονθοι (precies dezelfde
uitdrukking als Hippocrates gebruikt). Galenus (XII, 824, ed. Kühn)
zegt dat builen,
evenals `Ιονθοι, voortkomen uit de vochten van de
huid (hij noemt ze sappen) en dat zij óf hard en ruw óf ontstoken zijn;
in het
laatste geval komt er koorts bij; en vervolgens geeft hij verschillende
voorschriften voor hun behandeling.” Het is dus louter gissen dit voor
een
geval van tyfus te houden. Wij achten dat dus onwaarschijnlijk, gezien
het feit
dat geen andere soortgelijke gevallen zijn vermeld. Het tiende geval in de reeks, de Clasomeniër, die Ozanam beslist voor een geval van tyfus houdt, schijnt — bij een nauwkeurige lezing van de oorspronkelijke tekst — meer op een tyfeuze koorts te wijzen. 3 Als
de oudste mededeling van een epidemie wordt vaak beschouwd de, door
Thucydides
in het Tweede Boek van zijn “Historia,” opgetekende
beschrijving van de
plaag, die tijdens de Peloponnesische Oorlogen in Athene heerste. Als
men probeert de diagnose te stellen van epidemieën, op grond van
beschrijvingen
uit de oudheid, toen het onderscheiden van gelijktijdig voorkomende
ziekten
onmogelijk was, is het van belang te bedenken, dat bij elke grote
uitbraak,
terwijl de grote meerderheid van de gevallen één enkel type van
infectie vertegenwoordigt,
gewoonlijk een daar mee gepaard gaande toename van andere vormen van
infectieziekten optreedt; want de omstandigheden, die de verspreiding
van één
infectieuze ziekteverwekker begunstigen, scheppen vaak de gelegenheid
voor de
overbrenging van andere. Zeer zelden is er sprake van een zuivere
epidemie van
één enkele ziekte. Het is niet onwaarschijnlijk, dat de beschrijving
van
Thucydides verward is door het feit, dat in Athene een aantal ziekten
epidemisch
waren ten tijde van de grote plaag. De omstandigheden waren er rijp
voor. Vroeg
in de zomer van 430 voor Christus hadden grote legers hun kampementen
opgeslagen in Attica. De plattelandsbevolking drong samen in Athene,
dat zeer
overbevolkt raakte. De ziekte schijnt begonnen te zijn in Ethiopië (εξ
Αιθιοπιας της
ύπερ Αιγυπτου) en
heeft vandaar, via Egypte en Libië, ten slotte de zeehaven Piraeus
bereikt. Zij
greep snel om zich heen. De patiënten werden er plotseling door
overvallen, als
een donderslag bij heldere hemel. De eerste verschijnselen waren
heftige
hoofdpijn en roodheid van de ogen. Zij werden gevolgd door een
ontsteking van
tong en keel, vergezeld door niezen, heesheid en hoesten. Kort daarop
werden
ook de ingewanden aangetast, met braken, diarree en buitengewone dorst.
IJlen
kwam algemeen voor. De patiënten, die eraan bezweken, stierven
gewoonlijk
tussen de zevende en de negende dag. Velen, die het acute stadium
overleefden, leden
aan een hevige zwakte en voortdurende diarree, die voor geen enkele
behandeling
wilde wijken. Op het hoogtepunt van de koorts werd het lichaam bedekt
met
roodachtige vlekjes (υπερυτρον,
πελιτνον,
φλυκταιναις
μικραις και
ελκεσιν
εξηθηκος) , waarvan er enkele
veretterden. 7) Als een van de zeer ernstige gevallen herstelde, ging
het
herstel vaak gepaard van necrose vingers, tenen en genitaliën. Sommigen
verloren hun gezichtsvermogen. In veel gevallen vertoonden ze een
volledig
geheugenverlies. De zieken, die herstelden, waren immuun, zodat zij
zonder
verder gevaar de andere zieken konden verplegen. Geen van degenen, die
nog niet
voldoende geïmmuniseerd, de ziekte voor de tweede maal kregen, stierven
eraan.
Thucydides zelf kreeg de ziekte ook. Nadat de ziekte een tijd was
afgenomen,
verscheen zij, toen de winter intrad, weer opnieuw en verminderde de
kracht van
de Atheense staat aanzienlijk. De
plaag in Athene had, wat het ook geweest moge zijn, een diepgaande
uitwerking op
de historische gebeurtenissen. Het was een van de belangrijkste
redenen, waarom
de legers van de Atheners, op aanraden van Pericles, niet probeerden de
Lacedaemoniërs te verdrijven uit Attica, wat zij bezig waren te
verwoesten. Het
leven in Athene was volledig gedemoraliseerd, en een geest van de
uiterste wetteloosheid
was daarvan het gevolg. De mensen bekommerden zich niet langer om wat
als
eergevoel werd beschouwd. Zoals Thucydides het uitdrukt: “Zij zagen hoe
plotseling de kansen van het lot keerden zowel voor hen, die welvarend
waren en
plotseling stierven, als voor degenen, die tevoren niets bezaten en in
een
ogenblik in het bezit raakten van de eigendommen van anderen.” Er was
geen
vrees meer voor God of gebod. Vroomheid en goddeloosheid kwamen op
hetzelfde
neer en niemand verwachtte, dat hij leefde om ter verantwoording
geroepen te
worden. Tenslotte verlieten de Peleponnesiërs Attica in allerijl, niet
uit angst
voor de Atheners, die in hun steden opgesloten zaten, maar uit angst
voor de
ziekte. Tegelijkertijd volgde de plaag de Attische vloot, die de kust
van de
Peleponnesus zou aanvallen, en verhinderde haar de plannen uit te
voeren,
waarvoor de tocht was uitgerust. Het is dus waarschijnlijk, dat de
strijd
tussen de twee concurrerende machten in duur en de heen en weer kerende
kansen
van de oorlogsfortuin, evenzeer beïnvloed werden door de epidemieën als
door
enig bevelhebberschap of wapengeweld. De
plaag
van Thucydides kan met geen enkele van de ons tegenwoordig bekende
epidemisch
verlopende infectieziekten gelijkgesteld worden. Haeser gelooft dat zij
meer op
tyfus leek dan op enige van de ons vertrouwde ziektebeelden, en Hecker
neemt
het standpunt in, dat het tyfus was in een vorm, die in de
daaropvolgende
eeuwen van karakter veranderd is. De uitbraak leek zeker niet op de
tyfus uit
de tegenwoordige tijd, maar vertoont meer overeenkomsten met pokken. Nu
dit
allemaal gezegd is, moeten we tot de conclusie komen, dat de aard van
de
epidemie in Athene niet met zekerheid is vast te stellen. De snelheid
van
verspreiding in een dichtbevolkte stad met 10.000 betrekkelijk kleine
huizen,
met een enorme toevloed van volk, komt overeen met veel epidemische
ziektevormen.
Het begin, de onmiddellijk optredende ademhalingsverschijnselen, de
aard van de
huiduitslag en de gevolgen, kunnen redelijkerwijs geduid worden als
pokken. Als
wij proberen een diagnose te stellen bij de plaag in Athene, moeten wij
de door
Hecker gedane suggestie serieus nemen, namelijk dat epidemische ziekten
in de
loop van eeuwen, waarin zij afwisselend heersten en sluimerden, een
aanzienlijke
verandering ondergaan kunnen hebben. Een van de belangrijkste
resultaten, die
de medische wetenschappen bereikt hebben in de oorlog tegen de
epidemische
ziekten, is de ontdekking dat, tijdens de tussen de epidemieën
voorkomende
rustperioden, de mogelijk ziekteverwekkende stoffen kunnen smeulen in
menselijke dragers, huisdieren — vooral knaagdieren — en insecten. En
de huidige
bacteriologie heeft een belangrijk vooruitgang geboekt in de onthulling
van de
veranderingen, die er plaatsvinden in de eigenschappen van bacteriën en
virussen,
in de loop van hun aanpassing aan verschillende milieus. Voor de groep
van de
tyfeuze koorts zijn die omstandigheden juist in het bijzonder
bestudeerd en wij
kennen al een aantal varianten van tyfus en tyfusachtige koortsen, die
zich
binnen het historische tijdperk ontwikkeld hebben, waarschijnlijk
vanwege de
passage via verschillende soorten knaagdieren en insecten en via
mensen. Dit
zijn dingen, die wij elders al nauwkeuriger besproken hebben. Bij
onze poging de plaag van Athene, uit de vijfde eeuw voor Christus, te
classificeren,
moeten we dus kiezen tussen tyfus, builen- en longenpest en pokken. Naar
onze
mening
bestaat
er
in
feite
geen
reden
om
aan
te
nemen,
dat
de
ziekte
in
kwestie
een tyfusvariant was. Wat ook het meningsverschil omtrent de
woorden φλυκταιναι
en ελκεα ook moge zijn, het lijkt vrij zeker, dat de huiduitslag,
anders dan die bij tyfus, verheven en later blaasvormig was; en het
plotselinge
begin, zeer duidelijk gekenmerkt door ontstekingsverschijnselen van de
bovenste
luchtwegen en zware hoestbuien, is ook niet verenigbaar met epidemische
tyfus,
zoals wij die kennen. De necrose van de extremiteiten doet wel aan
tyfus
denken, maar gewoonlijk treedt dit verschijnsel niet op de voorgrond,
behalve
bij epidemieën in de winter bij het leger, terwijl de ziekte in Athene
vroeg in
een warme zomer begon. Deze seizoensfactor pleit ook tegen tyfus.
Bovendien
geeft een nauwkeurig kritisch onderzoek van ander bewijsmateriaal uit
de
oudheid, ons geen reden te geloven, dat tyfus bekend was of betrouwbaar
werd beschreven,
tot lang na die periode. Builenpest
bestond
waarschijnlijk
al.
Het
is
heel
zeker
dat
zij
minstens
driehonderd
jaar
voor
Christus
al
voorkwam
in
Klein-Azië en aan de noordkust van Afrika
en elders
hebben wij aangetoond, dat de vorm met builen of een nauw verwante
aandoening, ernstige
epidemieën in Bijbelse tijden veroorzaakt heeft. Er staat echter
helemaal niets
in Thucydides’ beschrijving van de Atheense epidemie beschrijving van
de plaag
in Athene, dat een aanwijzing zou kunnen zijn, dat de Bacillus
pestis of
een soortgelijk organisme, óf in de vormen van builen óf in de
longenvorm, die epidemie
veroorzaakt zou kunnen hebben. Wij
moeten wel pokken of een pokkenvariant als de meest waarschijnlijke
classificatie beschouwen. Er is veel over geredetwist, of in die tijden
pokken al
dan niet voorkwamen. Littré geloofde, dat er in de oude literatuur geen
bevestigend
bewijs voor te vinden was. Anderzijds haalt Haeser passages aan uit
Susruta,
die betrekking schijnen te hebben op een ziekte, die al heerste in het
oude
India en bedrieglijk veel leek op pokken, en Paschen aanvaardt dat
bewijs, om
aan te tonen dat pokken al voorkwamen in het China van omstreeks 1700
voor
Christus. In het algemeen schijnen de geleerde schrijvers het er met
elkaar
niet eens te zijn, dat in Europa pokken niet voorkwamen ten tijde van
de
Griekse en Romeinse klassieke beschaving. 8) Desondanks
schijnt
de
beschrijving
van
Thucydides
rechtstreeks
te
wijzen
op
een
ziekte
van
dit
algemene
type.
Die
veronderstelling
wordt bekrachtigd door het
voorkomen
van nog een andere, door Diodorus Siculus beschreven, epidemie die een
aanval
deed op het leger van de Carthagers tijdens het beleg van Syracuse, in
596 voor
Christus, nog geen veertig jaar na de uitbraken in Attica. Diodorus
beschrijft
het als volgt: “Eerst, voor zonsopgang, hadden zij door de koude bries
vanaf de
zeekant, koude rillingen; midden op de dag voelden zij een brandende
hitte. Tijdens
het eerste stadium van de ziekte was er een catarre (καταρους) gevolgd
door zwelling van de keel (σραχηλος); kort daarop kwam de
koorts op, pijn in de rug en een zwaar
gevoel
in de ledematen;
vervolgens buikloop en blaren (φλυκταινα) over het hele
lichaamsoppervlak.” Daarna werden sommigen
delirant.
In de meeste
gevallen trad de vijfde of zesde dag de dood in. Diodorus schrijft de
ziekte
toe aan een te grote opeenhoping van mensen op één plaats, de droogte
van de
zomer en het “lage en moerassige” karakter van de plaats. Er was een
enorm sterftecijfer;
het beleg moest opgegeven en het leger ontbonden worden. Vanuit
historisch
standpunt was die epidemie van het grootste belang, omdat het
betekende, dat
nog geen honderd jaar vóór het uitbreken van de Punische oorlogen,
waarin veel
van de eerste gevechten juist op Sicilië plaats hadden, door die
epidemie
Carthago verhinderd werd Sicilië volledig te overheersen met een
machtig
bezettingsleger en goed georganiseerde vlootbasissen. Rome had de
grootste moeite
om Carthago te veroveren en een beslissende overmacht van de Carthagers
in de
eerste veldtochten zou tot gevolg gehad kunnen hebben, dat de militaire
en
administratieve cultuur van Rome verdrongen zou worden door de
commerciële, Semitische
cultuur van Carthago — een gebeurtenis, die de hele latere geschiedenis
volkomen
veranderd zou hebben. 9) Zoals Diodorus de ziekte beschrijft, komt zij
— opnieuw,
net als de epidemie in Athene — zo nauwkeurig als van oude
beschrijvingen
verwacht mag worden, overeen met het ernstige confluerende pokkentype,
waarbij
de dood op de vijfde of zesde dag geen uitzondering is. Het
is van belang op te merken, dat een soortgelijke epidemie, in 212 voor
Christus,
zowel het Romeinse als het Carthaagse leger trof, toen zij een veldslag
leverden bij Syracuse, maar de beschrijving van die uitbraak is niet
duidelijk
genoeg om een diagnose te kunnen stellen. Noten
1) Die mededeling is grotendeels overgenomen van Hirsch. De herkomst van de pokken is echter een zeer omstreden vraag, die het onderwerp is geweest van wetenschappelijke verhandelingen van Krause, Hahn, Werlhof en veel anderen. Haeser betwijfelt de geldigheid van het bewijs, dat naar voren werd gebracht voor het bestaan van pokken in het oude India en China, al aanvaardt hij de mogelijkheid. Hij houdt niet alles voor pokken, wat als zodanig in veel beschrijvingen van Hippocrates werd geïnterpreteerd. Onmiskenbaar juiste beschrijvingen van de ziekte zijn aangetroffen in geschriften, daterend van voor en na 40 na Christus. 2) Veel van die waarnemingen hebben wij te danken aan de Amerikaanse Kolonel Reasoner, die daar in een interessant essay naar verwees. 3) Preuss (Medizin im Talmud) is de grootste autoriteit op het gebied van ziekten ten tijde van de Bijbelse geschiedenis. 4) Zie Frothingham. 5) Als de door Hippocrates beschreven gevallen inderdaad echt pest waren, is het natuurlijk vreemd, dat er niet gesproken wordt over epidemische verspreiding. Dat hij de pest kende in op zichzelf staande gevallen, lijkt waarschijnlijk uit enkele passages in zijn Aforismen, geciteerd door Littré, waarin hij zegt, dat koortsaanvallen met bubonen allemaal gevaarlijk zijn behalve de zeer kortdurende. Dezelfde schrijver haalt ook een zin aan uit het Tweede Boek van de “Epidemion”, die een aanwijzing is voor de kennis van echte pest. Hippocrates werd geboren op het eiland Kos, in het eerste jaar van de achttiende Olympiade, — dat wil zeggen, 460 jaar voor Christus. De grote epidemie in Athene vond plaats in 430 voor Christus en als dit een epidemie van builenpest geweest was, zou Hippocrates haar als zodanig herkend hebben. Zoals we elders zullen zien kan, ondanks de mening van Ozanam en enige anderen, die plaag in Athene, gezien de beschrijvingen, niet als pest worden beschouwd. Tijdens het leven van Hippocrates heerste er ook een ernstige besmettelijke ziekte in Perzië. Artaxerxes zond boodschappers naar de grote geneesheer, die hem een grote schat aanboden, als hij de verslagen Perzen te hulp zou willen komen. Hoewel Hippocrates dat aanbod afwees (zo is het verklaard, maar ook tegengesproken) uit vaderlandsliefde, moet de aard van de Perzische ziekte voor hem toch zeer nauwkeurig beschreven zijn. Het is dus waarschijnlijk dat, als er gedurende de vijfde eeuw voor Christus in Griekenland pest in haar typische uitingsvormen was voorgekomen, Hippocrates daar een herkenbare beschrijving van gegeven zou hebben. De vraag is grondig onderzocht door alle vooraanstaande medische historici. Als Griekenland gespaard gebleven was voor pestepidemieën in een tijd, waarin zij elders wel heerste, kan dit wel toe te schrijven geweest zijn aan het weinig voorkomen of mogelijke afwezigheid van huisratten. In ons hoofdstuk over de geschiedenis van de rat bespreken wij de gegevens, waarop die veronderstelling berust. Er kunnen echter wel andere, geheimzinnigere redenen geweest zijn. Wij worden geconfronteerd met een soortgelijk probleem door het feit dat er in het huidige Engeland en West-Europa geen pest voorkomt. In enkele grote Europese steden zijn in de laatste vijfentwintig jaar op zichzelf staande gevallen waargenomen, maar geen plaatselijke uitbraken. Pestepidemieën heeft men in West-Europa niet meer meegemaakt sinds 1721. In de negentiende eeuw kwamen er praktisch geen gevallen voor in het Westen van Rusland, maar wel overal in groten getale door vlooien geteisterde ratten. 6) Hippocrates schijnt een methode van ausculteren gebruikt te hebben. Laennec, de vader van de moderne auscultatie, zegt: “Ippocrate avait tenté l’auscultation immédiate.” 7) φλυκταιναις, een “opkomend” puistje, dus iets anders dan een “vlekje” als bij tyfus. 8) Door
sommige schrijvers is aangenomen, dat de
pokken
zich over Europa verspreidden met de trekkende horden van Gothen en
Germanen,
maar dit is min of meer giswerk. Wel staat vast, dat het een algemeen
voorkomend ziektebeeld was in heel Noord-Afrika in de zesde eeuw na
Christus,
en ongeveer in dezelfde periode heerste er een epidemie in Frankrijk,
beschreven door de bisschop van Avranches en Gregorius van Tours, die
heel
zeker een pokkenepidemie was. Rhazes, die schreef in het eerste deel
van de tiende
eeuw, geeft een nauwkeurige beschrijving van de ziekte; gedurende zijn
tijd was
zij wijdverspreid over heel het Nabije Oosten, waar zij tijdens de
“Olifanten
Oorlog” in de vierde eeuw na Christus, vanuit Abessinië heel Arabië
bereikt zou
hebben. Later werd zij door de Saracenen overgebracht naar Spanje, van
waaruit
zij natuurlijk Europa binnendrong. 9) Het
zou de ontwikkeling van een van
handelsgeest
doortrokken beschaving, zoals de onze is, met een paar duizend jaar
vervroegd
hebben.
HOOFDSTUK VII Vervolg
van
onze
beschouwing
van
de
ziekten
van
de
Ouden,
met
bijzondere
aandacht
voor
epidemieën
en
de
val
van
Rome. Wij zijn nog steeds op zoek naar
bewijzen voor
het voorkomen van tyfus in de Oudheid. 1 Welke
invloed
opeenvolgende
epidemieën
op
een
staat
hebben,
is
niet
alleen
af
te
meten
aan
het
sterftecijfer.
Telkens
als pestilenties een bijzonder
angstaanjagende omvang bereikt hadden, zijn de secundaire gevolgen nog
veel
verreikender en ontregelender geweest dan alles, wat alleen uit de
getalsmatige
bevolkingsafname had kunnen voortvloeien. In de huidige tijd worden die
secundaire
gevolgen — tot op zekere hoogte — gematigd door onze kennis, die veel
heeft
weggenomen van de verschrikking, die altijd het gevoel vergezelt van
volkomen
hulpeloosheid tegenover geheimzinnige gevaren. In
dit opzicht heeft de moderne bacteriologie een situatie teweeggebracht,
die in
de toekomst een diepgaande invloed zal kunnen uitoefenen op de
economische en
politieke wereldgeschiedenis. Sommige epidemische ziekten heeft zij
veranderd
van teugelloze wreedheid naar een toestand van betrekkelijke tamheid.
Anderen
kan zij beperken tot begrensde gebieden of reservaten. Weer anderen kan
zij,
hoewel zij nog op grote schaal voorkomen, beletten een vlucht te nemen,
die —
eenmaal in volle gang — niet meer te stuiten is. Maar zelfs in de
gevallen,
waarvoor tot nu toe geen doelmatige verdedigingsmiddelen ontdekt zijn,
— zoals
bijvoorbeeld influenza, kinderverlamming en encefalitis — kan de vijand
toch
stelselmatig tegemoet getreden worden, vastberaden en met enige kennis
van zijn
mogelijke tactiek, maar ongetwijfeld toch met ontzetting, maar
tenminste niet met
de paniek en ontregeling, die in de oudheid en in de Middeleeuwen even
vernietigend op de maatschappij werkten als het dodental. Vroeger
waren
pestilenties
geheimzinnige
bezoekingen,
uitingen
van
de
toorn
van
hogere
machten,
opkomend
uit
een
duister
nergens,
meedogenloos,
angstaanjagend
en
onontkoombaar.
In hun ontzetting en onwetendheid deden de mensen juist
die
dingen, die de sterfte vergrootten en de ramp verergerden. Zij
ontvluchtten steden
en dorpen, maar de dood reisde op een geheimzinnige manier met hen mee.
De paniek
veroorzaakte sociale en morele ontreddering; boerderijen werden in de
steek
gelaten en er heerste voedselgebrek; hongersnood leidde tot trek van de
bevolking, revolutie, en burgeroorlog, en, in sommige voorbeelden, tot
fanatieke godsdienstige bewegingen, die bijdroegen tot diepgaande
geestelijke
en politieke veranderingen. Het
uiteenvallen van de macht van het Romeinse rijk was een door
gecompliceerde
oorzaken teweeggebracht geleidelijk proces. Hoewel ten tijde van de
dood van
Honorius, in 423 na Christus, alleen Brittannië zich formeel had
losgemaakt van
de Romeinse overheersing, begonnen er al scheuren te op te treden, waar
de
komende breuk zich zou voltrekken. Lang hiervoor had het edict van
Caracalla de
inwoners van de provinciën al verheven tot de waardigheid van het
Romeinse
burgerschap, maar in werkelijkheid hadden de ridders in Rome niet meer
gemeen
met de burgers van Nicomedia of Augusta Trevirorum, dan tegenwoordig
een
Republikeins bankier uit Boston of New York met een democratische boer
uit
Oklahama. Gigantische bureaucratieën verslonden het bestuur,
begrotingen waren
bijna hedendaags onevenwichtig en de barbaren, die zich al in het Rijk
gevestigd hadden, —immigranten in de moderne betekenis van het woord,
1) — drukten,
telkens als het landbouwbedrijf hun niets meer opbracht, hun streven
naar
politieke macht uit door op te trekken naar de hoofdstad. De
Visigothen, aan
wie door Theodosius een plaats aangewezen was ten Zuiden van de Donau,
begonnen
in 396 een boerenstaking onder leiding van Alaric en alleen de
uitbetaling van
een grote boerenlening, toen losgeld genoemd, kon hen ervan af brengen
Rome te
bezetten. De Vandalen en Suebi namen in 405 bezit van Spanje, staken
over naar
Afrika en vestigden daar een soort van “Midden Westen”, dat zijn wensen
kracht
kon bij zetten, door de graanvoorziening te beheersen. Het
probleem is benaderd vanuit elke denkbare gezichtshoek, want er bestaat
geen
groter historisch raadsel dan de verdwijning van de oude beschaving —
een
verdwijning die zo volkomen is dat geen enkele vonk uit haar as, de
barbaarse
duisternis van honderden jaren meer kon verlichten. 2) Historici hebben
geprobeerd
de oorzaken te analyseren volgens de vooroordelen van hun eigen vormen
van
scherpzinnigheid. Mommsen, Gibbon en Ferrero leiden het uiteenvallen
van de
staat af uit een combinatie van politieke, religieuze (morele) en
sociologische
factoren, waarbij ieder de nadruk anders legt. Ferrero hecht de meeste
waarde
aan “de eindeloze burgeroorlogen, die voortkwamen uit de pogingen van
het
latere Rome om de twee wezenlijk verschillende principes van Monarchie
en
Republikeinse instellingen met elkaar te verzoenen”. Enkelen hebben
geprobeerd
de ineenstorting te verklaren op grond van een agrarische mislukking
(Simkhovitch, Hay and History); enkelen legden een verband
tussen de
invloed van een geweldige toename van malaria, en een versneld in de
steek
laten van het landbouwgebied (Ross). Pareto (Traité de Sociologie
Générale, Deel
II Hfdst. XIII — “L’Equilibre Social dans l’Histoire”) heeft, volgens
ons, de
redelijkste analyse gegeven, waarin hij, in een buitengewoon kort
bestek,
verband legt tussen de vele gecompliceerde factoren, die allemaal
actief samenwerkten.
Ook hij heeft echter vergeten in zijn beschouwing de rampzalige
epidemieën te
betrekken, die — telkens weer het Romeinse Rijk teisterend gedurende
zijn
onstuimigste politieke perioden —een belangrijke, zo niet beslissende
invloed
uitgeoefend moeten hebben op het uiteindelijke resultaat. Het
is ver van ons te wensen de vergissing te begaan, waartegen Pareto
waarschuwt,
“d’envisager comme simples des faits extrêmement compliqués”; en
het is
niet onze bedoeling aan andere eenzijdige opvattingen een nieuwe, op
epidemieën
gegronde, theorie over het verval van het Romeinse rijk toe te voegen.
Wij
geloven echter, dat een eenvoudig overzicht van frequentie, uitbreiding
en
hevigheid van de plagen, waarvan Romeins Europa en Azië het slachtoffer
waren, de
onbevooroordeelden ervan zal overtuigen, dat die rampen meegeteld
moeten worden
bij een beoordeling van de oorzaken die de grootste staat, die de
wereld ooit
gekend heeft, uitgeput hebben. Wij zijn dus geneigd te geloven, op
grond van
een beoordeling van de destijds heersende omstandigheden, dat het
onmogelijk is
een politieke en maatschappelijke organisatie van de aard en omvang als
Rome, blijvend
in stand te houden bij een volkomen ontbreken van moderne hygiënische
kennis.
Een concentratie van grote volksmassa’s in steden, vrij contact met
alle andere
delen van de wereld, — vooral Afrika en het Oosten — voortdurende en
uitgebreide militaire activiteiten, waaronder gemobiliseerde legers in
kampen
en het heen en weer trekken van grote strijdmachten vanuit alle hoeken
van de
wereld — alleen dat al zijn omstandigheden, die onvermijdelijk het
uitbreken van
epidemische ziekten bepalen. 3) En tegen dergelijke uitbraken was in
die tijd
geen enkel verdedigingsmiddel voorhanden. De pestilenties ontmoetten
geen tegenstand.
Zij konden vrij over de hele wereld razen, als vlammen door droog gras,
overal brandstof
vindend, overal waar ook maar mensen leefden, over land de
handelsroutes
volgend, en over zee vervoerd door schepen. Hun vaart verminderde
alleen als
zij zichzelf hadden opgebrand — en zelfs dan, als zij een tijdje zo
langzaam
waren voortgeschreden zoals de plagen ten tijde van Cyprianus en
Justinianus, verdubbelden
zij daarna hun snelheid als zij, in een nieuwe generatie of in een
gemeenschap
met een verminderende immuniteit, materiaal vonden, waarop zij opnieuw
konden
opvlammen tot een nieuwe periode van verschrikking. Zodra een staat
ophoudt voornamelijk
agrarisch te zijn, wordt kennis van hygiëne onmisbaar voor haar
handhaving. Justinianus
stierf
in
565.
Karel
de
Grote
werd
gekroond
in
800.
Tussen
600
en
800
was
Italië
het
strijdperk van de barbaarse immigranten, die met elkaar
vochten om de
buit. Rome, in de oude betekenis, had opgehouden te bestaan. De
uiteindelijke
ineenstorting van zijn weerstand valt in tijd samen met de ramp van de
grote
pestilentie, die Justinianus’ naam draagt. En al zou het niet zinnig
zijn die plaag
alleen aansprakelijk te stellen, dan valt nauwelijks te betwisten, dat
zij een
van de factoren was, — misschien de machtigste afzonderlijke invloed —
die het
oude wereldrijk de coupe de grâce gaf. Bovendien
levert
de
geschiedenis
van
de
voorafgaande
zeshonderd
jaar
een
aantal
voorbeelden,
die
laten
zien,
dat
de
opmars
van de Romeinse macht en
wereldorganisatie telkens weer onderbroken werd door de enige macht,
waartegen
politiek genie en militaire moed totaal hulpeloos stonden — de
epidemische
ziekte. In de recente geschiedenis bestaat geen parallel, waarnaar de
toen
heersende toestanden beoordeeld kunnen worden, behalve de situatie in
Rusland
tussen 1917 en 1923. Ook daar oefende het ontketende geweld van tyfus,
cholera,
dysenterie, tuberculose, malaria en hun broeders en zusters een
diepgaande
invloed uit op de politieke gebeurtenissen. Daar valt echter op dit
moment wel
meer over te zeggen. Alleen het hoogontwikkelde systeem van hygiënische
beschermingsmaatregelen
aan de Poolse en zuidelijke grenzen voorkwam in die jaren dat de inval
— eerst
van ziekte, ellende en hongersnood, en vervolgens van politieke
ontreddering —
zich verder over Europa verspreidde. Die bewering kan misschien
aanvechtbaar
zijn. Zij is echter minstens een redelijke waarschijnlijkheid. In
ieder geval ontmoetten ziekten, in de eerste eeuwen na Christus,
nergens belemmeringen.
En als zij toch aankwamen, als door een stormwind gedragen, weken alle
andere
dingen en krompen de mensen in ontzetting ineen, terwijl zij al hun
twisten,
ondernemingen en streven lieten varen, totdat de storm overgedreven
was. Vergeefs
hebben
wij
gezocht
naar
bewijsmateriaal
voor
tyfus
in
die
periode
—
maar
de
betekenis
van
epidemieën
voor
het verval van Rome is zo belangrijk, dat
men ons
nog een korte uitwijding moge vergeven. 2 In
de literatuur uit de eerste eeuw na Christus komen betrekkelijk weinig
gegevens
voor, die betrekking hebben op epidemieën. Tijdens de regering van Nero
(na 54 voor
Christus) heerste een plaag, die door Tacitus beschreven werd als
“buitengewoon
vernietigend” — hoewel zijn tekst verder geen aanknopingspunten geeft
voor een
diagnose. In de steden van Italië woedde een ziekte, die zo ernstig
was, dat er
in alle huizen lijken lagen en de straten wemelden van
begrafenisstoeten.
“Slaven zowel als burgers stierven” (wij citeren Schnurrer) “en velen,
die een
dierbaar slachtoffer betreurd hadden, vonden zelf zo spoedig de dood,
dat zij
naar dezelfde brandstapel gebracht werden als van hen, die zij betreurd
hadden.” Of die bijzondere ziekte al dan niet beperkt was tot Italië,
kunnen
wij niet zeggen. In diezelfde periode kwamen echter in de provincies
een aantal
andere epidemische ziekten voor, waaronder één beschreven werd als
“anthrax” en
waarschijnlijk was dit een soortgelijke of dezelfde infectie, die wij
tegenwoordig ook zo noemen, omdat zij zowel vee en paarden als mensen
trof.
Volgens sommige schrijvers was het die ziekte die, omstreeks 80 na
Christus, bij
de Hunnen voorkwam tijdens hun trektocht naar het Westen en 30.000
mensen onder
hen aantastte samen met 40.000 paarden en 100.000 stuks vee, (Johannes
von
Müller). Gedurende
de
eerste
eeuw
waren
er
aardbevingen,
perioden
van
hongersnood,
vulkanische
uitbarstingen
en
vage
mededelingen
over
epidemieën.
De
eerste
pestilentie
echter,
waarover we wel betrouwbare gegevens bezitten, is die, waarover
gesproken werd als “de plaag van Antonius” (of van Galenus). Deze
ziekte begon
in het leger van Verus, dat in 165 na Christus op veldtocht in het
Oosten was.
Volgens Ammianus Marcellinus was de bron van de infectie een kist in
een
tempel, die de soldaten geplunderd hadden. Toen het leger huiswaarts
keerde,
verspreidde het de ziekte wijd en zijd, en bracht haar tenslotte naar
Rome.
Intussen was de infectie uitgestraald naar alle hoeken van de wereld,
en had zich
binnen korte tijd uitgebreid “van Perzië tot de oevers van de Rijn” en
verspreidde zich zelfs onder de stammen van Galliërs en Germanen. In
veel steden
was de sterfte zodanig, dat, zoals Marcus Aurelius zegt, “lijken werden
vervoerd op wagens en karren”. Orosius verklaart dat zoveel mensen
stierven,
dat steden en dorpen in Italië en in de provincies verlaten werden en
in puin
vielen. De nood en ontreddering waren zo groot, dat een veldtocht tegen
de
Marcomanni werd uitgesteld. Toen, in 169, de oorlog eindelijk werd
hervat, werden,
zoals Haeser meedeelt, veel van de Germaanse strijders — zowel mannen
als
vrouwen — dood aangetroffen op het veld, maar zonder wonden, omdat zij
aan de
epidemie gestorven waren. Marcus Aurelius werd zelf door de ziekte
aangetast en
weigerde, omdat hij de besmettelijkheid van de ziekte besefte, zijn
zoon te
zien. 4) Hij stierf op de zevende dag, nadat zijn ziekte door het
weigeren van
voedsel zeer was verergerd. Omdat dit in 180 na Christus gebeurde, rond
de tijd
waarin Galenus’ “Methodus Medendi” werd geschreven, is het
duidelijk,
dat de plaag in Europa minstens veertien jaar duurde. Er bestaat geen
betrouwbare
opgave over hoe groot aantal doden bij benadering was, maar geen
twijfel over
het feit, dat de sterfte zo groot was, dat zij het sociale, politieke
en
militaire leven volkomen demoraliseerde en zo’n angst teweegbracht, dat
er
niemand was, die de zieken durfde verplegen. Wij zeggen dit op gezag
van
Ammianus Marcellinus. De tijdelijke stilstand in de epidemie in 180
duurde
slechts negen jaar. Dio Cassius vertelt ons, dat zij opnieuw uitbrak
onder
Commodus in 189. “Toen kwam de grootste plaag, waarvan ik ooit heb
gehoord. Vaak
waren er in Rome 2000 doden op één dag.” Het schijnt, dat de sterfte in
latere stadia
zelfs nog hoger was dan in de eerste. De aard van die ziekte is onzeker. Zoals meestal is het meer dan waarschijnlijk, dat niet één enkele infectie daarvoor verantwoordelijk was, maar dat een aantal verschillende tegelijkertijd woedden. De noodlottigste hieronder, de ziekte die aan de epidemie haar belangrijkste kenmerken gaf, was een aandoening die, als het geen pokken was, daar wel nauw mee verwant was. De epidemie van Antonius lijkt zeer veel gelijkenis vertoond te hebben met de plaag van Athene. Galenus vertelt ons dat de meerderheid van de gevallen begon met een keelontsteking, koorts en diarree. Op de negende dag trad — in de meeste gevallen — een huiduitslag op, die soms veretterde en soms droog bleef. Wij worden opnieuw geconfronteerd met de moeilijkheid van een nauwkeurige interpretatie van de woorden, die betrekking hebben op de aard van de exanthemen, maar er bestaat minder onzekerheid met betrekking tot die ziekte dan over de beschrijvingen van de plaag in Athene, wat betreft het verheven, vaak blaasvormig en zwerende karakter van de huiduitslag. Haeser, wiens mening wij in deze zaak delen, is na het lezen van het bewijsmateriaal geneigd te geloven, dat het een pokkenepidemie was, of een epidemie van een ziekte, die nauw verwant is met de tegenwoordige vorm van die ziekte. Dat wordt vooral waarschijnlijk door de snelheid en de omvang, waarin de ziekte zich over de hele bekende wereld, verspreidde.
Er
bestaat weinig ruimte voor twijfel aan het feit dat een dergelijke
ramp, die
meer dan tien jaar duurde, tijdens een periode, die in politiek opzicht
kritiek
was door binnenlandse verdeeldheid en voortdurende oorlogen tegen
omsingelende
vijandige barbaren, een diepgaande invloed gehad moet hebben op de
handhaving
van het Romeinse gezag. Militaire campagnes werden gestaakt, steden
raakten
ontvolkt, de landbouw was bijna geheel vernietigd en de handel
lamgeslagen. Afgezien
van
de
ziekten
in
leger
en
kampen,
die
met
korte
tussenpozen
de
legers
aan
de
grenzen
5)
trof,
bleef het Romeinse rijk betrekkelijk vrij van grote
plagen,
van de tijd van Commodus tot het jaar 250, het tijdstip, waarna voor
het rijk
een periode inzette van verwoede, steeds toenemende strijd tegen de
invallen
van de barbaren. De bedreiging werd vooral ernstig na de overwinning
van de
Gothen over Decimus bij Forum Trebonii. Daar begon een pandemie, die
onder
anderen beschreven is door de Heilige Cyprianus — en daarom vaak de
epidemie
van Cyprianus genoemd wordt. Men zei dat die ziekte, evenals de plaag
van
Athene, oorspronkelijk uit Ethiopië kwam en vandaar via Egypte Europa
bereikte.
Zij hield niet minder dan vijftien of zestien jaar aan, waarbij zij
zich over
de hele bekende wereld verspreidde, “van Egypte tot Schotland.” Met
tussenpozen
van verscheidene jaren verspreidde zij zich over dezelfde gebieden. Zij
was
buitengewoon besmettelijk en volgens Cedrenus werd zij niet alleen door
rechtstreeks
contact overgebracht, maar ook indirect — door kleren. Gregorius van
Nyssa 6) en
Eusebius hebben mededelingen nagelaten over het plotselinge verschijnen
en de
ontzettende hevigheid. In 256 dook zij op in een stad in Pontus, na de
samenkomst van een grote menigte in een theater, als straf voor de
vermetelheid
van de toeschouwers om Jupiter te tarten, ter ere van wie de
voorstelling opgevoerd
werd. In Alexandrië was de sterfte enorm. De snelheid van de
uitbreiding werd
bevorderd doordat in veel provincies oorlog werd gevoerd. Germaanse
stammen
waren bezig Gallië en het Nabije Oosten binnen te vallen. De provincies
in het
Verre Oosten werden aangevallen door de Gothen en de Parthen waren
bezig
Mesopotamië te veroveren. De ontzetting steeg ten top, men dacht spoken
te zien
zweven boven de huizen van de mensen, die aan de ziekte ten prooi
zouden
vallen. Door het uitdrijven van die kwade geesten bekeerde de heilige
Cyprianus
velen tot het christendom. Gedurende de hele periode van het vroege
christendom
leidde elke grote ramp — hongersnood, aardbeving en epidemie — tot
massale bekeringen,
nog een indirecte invloed, waardoor epidemische ziekten bijdroegen aan
de vernietiging
van de klassieke beschaving. Het christendom is ongelofelijk veel meer
verschuldigd aan builenpest en pokken, dan aan aardbevingen en
vulkanische
uitbarstingen. De
aard van de epidemie van Cyprianus is nog moeilijker vast te stellen,
dan die
van de plaag in Athene. Haeser gelooft dat builenpest daar een
overheersende
rol speelde, en baseert dat hoofdzakelijk op de seizoensfactor — dat
wil zeggen
op de mededelingen, dat de achtereenvolgende uitbraken in Egypte in de
herfst
begonnen en tot de heetste tijd in juli voortduurden. Omdat echter elk
betrouwbaar
gegeven ontbreekt over klierzwellingen of bubonen, is dat idee een
zuivere
veronderstelling. Cyprianus schrijft over de ziekte, dat zij begint met
roodheid van de ogen, een ontstoken keel, heftige diarree en braken. 7)
Hij
noemt gangreen van de voeten, verlamming van de onderste ledematen,
doofheid en
blindheid. Een huiduitslag wordt niet beschreven. Men moet weer een
gelijktijdig heersen van veel ziekten aannemen, waarbij vormen van
hersenvliesontsteking en acute bacillaire dysenterie waarschijnlijk
veel
voorkwamen, maar er is geen specifieke diagnose mogelijk op grond van
de door
de schrijvers uit die tijd waargenomen verschijnselen. Hoe de omstandigheden ook geweest mogen zijn, zij waren zo uitzonderlijk hevig, dat niemand haar ernstige uitwerking op de politieke en sociale ontwikkeling kan betwijfelen. Een beeld van de extreme noodtoestand
kan
verkregen
worden
uit
het
volgende
letterlijke
citaat
van
Haeser:
“De
mensen
drongen
samen
in
de
grootste
steden;
alleen de dichtstbij gelegen
velden werden
bebouwd; die verder verwijderd waren, raakten overwoekerd en werden
gebruikt als
jachtterrein; akkerland had geen waarde, omdat de bevolking in aantal
zo was
achteruitgegaan, dat om hen te voeden voldoende graan verbouwd kon
worden op
het beperkte gecultiveerde gebied.” Zelfs midden in Italië kwamen
uitgestrekte
landerijen braak te liggen; er vormden zich moerassen en daardoor
werden de
tevoren gezonde kuststreek van Etrurië en Latium ongezond. Hieronymus
schrijft,
dat de mensheid “bijna geheel vernietigd was” en de aarde bezig was
terug te keren
naar een toestand van woestenij en wouden. 8) Volgens
Baronius
ontstond
de
christelijke
gewoonte
om
ten
teken
van
rouw
zwart
te
dragen,
ten
tijde
van
de
plaag van Cyprianus. Eerder was die kleur al
gebruikt
door Hadrianus, die, volgens Schnurrer, na de dood van Plotina negen
dagen
zwart droeg. Tussen
de
plaag
van
Cyprianus
en
de
volgende
grote
pandemie,
die
de
plaag
van
Justinianus
genoemd
wordt,
vond
er een reeks van rampen plaats —
aardbevingen,
hongersnood en ernstige, maar betrekkelijk gelokaliseerde epidemische
ziekten,
zoals men ook zou verwachten in een rijk, waarin een voortdurende
verplaatsing
van grote legers en ononderbroken contact is met het Oosten en de
noordkust van
Afrika. Tegelijkertijd had de migratie van een deel van de
landbouwbevolking
naar de steden al een opeenhoping van grote mensenmenigten op kleine
gebieden teweeggebracht,
zonder ook maar iets van de onmisbare voorzorgsmaatregelen, die de
huidige
medische wetenschap kan verschaffen. Cedrenus
beschreef
een
epidemie,
zonder
speciale
symptomen,
tijdens
het
bewind
van
Diocletianus
en
Maximianus.
Eusebius
plaatst
die
uitbraak
wat later en
ook hij
spreekt over een nieuwe ziekte — mogelijk miltvuur — die duizenden
mensen trof,
verscheen in de vorm van acute verzweringen en zwellingen aan
verschillende
lichaamsdelen en waardoor velen blind werden. In diezelfde tijd
stierven grote
aantallen huisdieren. Ziekte en hongersnood duurden voort, tot het jaar
313. Daarop
volgde
een
periode,
waarover
wij
betrekkelijk
weinig
gegevens
bezitten,
hoewel
de
ziekte
waarschijnlijk
in
dezelfde
mate
als
gewoonlijk
voorkwam. Het is
het
tijdperk, waarin de Völkerwanderung haar actiefste stadium
beleefde. Dit
verschijnsel was als het voortrollen van menselijke golven van Oost
naar West. Het
is mogelijk dat de beweging in gang gezet werd, toen de Hunnen, of
Hiong-nus,
uit China verdreven werden en naar de Kaspische Zee trokken. Gedwongen
zich te
verplaatsen, mogelijk door ziekte 9), begonnen zij in westelijke
richting te
trekken. Het eerst kwamen zij in botsing met de Alani, die zij
uiteendreven of
met zich meevoerden in een aanval op de Gothen. De laatsten waren langs
de
rivierbeddingen uit het Noorden naar de Zwarte Zee getrokken.
Verdrongen door Hunnen
en Alani, vluchtten de Gothen naar Romeins grondgebied en vestigden
zich
tijdelijk langs de Donau. Omstreeks
406
was
er
een
algemene
trek
van
barbaarse
horden
—
Suebi,
Alani,
Bourgondiërs
en
Vandalen
—
naar
Italië,
Gallië en over de Pyreneeën naar Spanje.
Volgens
Idatius was het een tijdperk van oorlog, hongersnood en epidemieën. In
444 heerste
een vreselijke epidemie in Brittannië, die gedeeltelijk
verantwoordelijk
schijnt te zijn voor de historisch belangrijke verovering van
Brittannië door
de Saksen. Baeda verklaart in zijn “Historia Ecclesiastica Gentis
Anglorum” 10),
dat Voltiger, onder de druk en in nood, een beroep deed op de leiders
van de
Saksen: “Een verschrikkelijke plaag kwam over hen, die zovelen
vernietigde, dat
de levenden de doden nauwelijks konden begraven. Zij beraadslaagden,
wat hen te
doen stond en moesten hulp zoeken tegen de herhaalde invallen van de
noordelijke
volkeren (blijkbaar was hun strijdmacht zeer uitgedund door de plaag)
en zij
kwamen overeen, dat zij het volk van de Saksen van overzee te hulp
moesten
roepen. De Saksen arriveerden in 449 en traden op als huurtroepen voor
de
Britten.” Het vraagt niet veel verbeeldingskracht om daaruit te
conclusie te
trekken, dat de geschiedenis van de Britse Eilanden in de hele verdere
ontwikkeling van volk, gewoonten, architectuur enzovoort, voor een
groot deel
bepaald werd door een epidemische ziekte. Eusebius
vertelt
over
een
epidemie,
die
in
455
en
456
heerste
in
de
Romeinse
provincies
en
in
de
buurt van Wenen (toen bekend als Orae Favianae). Het begon met
ontstoken ogen, zwelling en roodheid van de huid over het hele lichaam,
en eindigde
— soms met dodelijke afloop — op de derde of vierde dag, met ernstige
longsymptomen.
Het is onmogelijk te zeggen, wat voor ziekte dat geweest kan zijn —
misschien
een algemene streptokokkeninfectie, of een vorm van roodvonk met een
secundaire
streptokokkenlongonsteking. 11) In
467 had Rome zelf te lijden van een ziekte, waarover we, van Baronius,
alleen
weten, dat een groot aantal mensen daaraan stierf. In de daar
onmiddellijk op
volgende jaren kwamen er verspreid — maar wel gelokaliseerd —
epidemieën voor in
de Gallische provincies en in 477, toen de Saksische koning Odoacer
onderweg
naar Italië Anjou bereikte, brak er een zware epidemie uit zowel onder
de
burgers als onder de indringers. Kort daarna decimeerden hongersnood en
epidemie de Vandalen in Noord-Afrika, ter voorbereiding op hun
nederlaag tegen
de Mohammedanen. Er
bestaan geen mededelingen over grote ziekten in de eerst volgende
vijftig jaar,
maar in 526 vond in Antiochië een ernstige aardbeving plaats, die
verantwoordelijk
was voor de dood van ettelijke honderdduizenden mensen. Dat brengt ons bij de grootste van alle pandemieën, die meehielpen de oude beschaving te ondermijnen — namelijk die van Justinianus, waarvan wij uitgebreid de details kennen uit de geschriften van Procopius.
De
zesde eeuw was een grote rampenperiode, die nauwelijks haar weerga
vindt in de
geschiedenis. In zijn “Die Grosse Pest zur Zeit Justinians” heeft
Seibel
een
volledige
samenvatting
gegeven
van
alle
beschikbare
gegevens.
Hij
is
de
autoriteit,
die
door
alle
latere
schrijvers
geciteerd
wordt. Volgens
hem ging
er een reeks aardbevingen, vulkanische uitbarstingen — die van de
Vesuvius was
er één van — en perioden van hongersnood aan vooraf en begeleid door
een reeks
epidemieën, die meer dan zestig jaar lang ontzetting en vernietiging
brachten over
heel Europa, Klein-Azië en Azië. Van natuurlijke uitbarstingen was de
verwoestendste een, door een enorme brand gevolgde, aardbeving die 526
Antiochië
vernietigde, tussen de 200.000 en 300.000 mensen doodde en het
merendeel van de
overigen van angst op de vlucht joeg. Er vonden ook aardbevingen plaats
in Constantinopel
en in andere steden in het Oosten, en daarnaast in veel plaatsen in
Europa
zelf. Onder anderen was er een hevige in Clermont, dat toen Civitas
Averna heette.
Een opeenvolging van overstromingen en hongersnood vergrootte de
ellende. De
verarming, de ontheemde bevolking, de chaos in de landbouw en de
hongersnood,
die met die rampen gepaard gingen, moeten wezenlijk bijgedragen hebben
aan ontstaan
en verspreiding van de pestilenties. Huidige ervaringen hebben dit een
aantal malen
aangetoond, toen vloedgolven, aardbevingen en overstromingen een
soortgelijke
verwoesting hebben aangericht. De
grote epidemie van Justinianus begon in Egypte, in de buurt van
Pelusium. De geopperde
Ethiopische oorsprong is vaag; er heerste een soort oude en
traditionele
verdenking, dat ziekten gewoonlijk uit Ethiopië kwamen. Procopius
schrijft
hierover: In die tijd (540) verscheen
er een epidemie. Zij openbaarde zich niet in een enkel deel van de
wereld, niet
bij een enkel mensenras, en niet in een bepaald jaargetijde, maar
breidde zich
uit over de hele aarde en tastte allen aan, genadeloos voor beide
geslachten en
elke leeftijd. Zij begon in Egypte, in Pelusium; vandaar verspreidde
zij zich naar
Alexandrië en over de rest van Egypte; vervolgens trok zij naar
Palestina en
vandaar breidde zij zich verder uit over de hele wereld, waar zij in
elke
plaats seizoensgewijze optrad. En geen enkele menselijke woonplaats
werd
gespaard, hoe ver afgelegen zij ook mocht zijn. En als het soms leek,
alsof zij
een tijdlang een streek gespaard had, verscheen zij daar vast en zeker
later,
en dan werden diegenen, die al eerder de ziekte hadden doorgemaakt,
niet
aangetast; en zij bleef steeds zolang ergens hangen, totdat zij haar
gewone aantal
slachtoffers had opgeëist. Steeds leek zij zich vanuit de kuststreken
landinwaarts uit te breiden en drong dan vandaar diep in het binnenland
door. Omdat
Procopius
die
dingen
zelf
geloofde,
weerspiegelt
zijn
getuigenis
de
verschrikkelijke
hulpeloosheid
en
paniek,
die
met
die
epidemie
gepaard
ging. Vier
maanden
bleef
de
plaag
in
Byzantium
hangen.
Aanvankelijk
waren
er
weinig
sterfgevallen
—
daarna
waren
er
5.000,
later 10.000 doden per dag. “Ten
slotte,
toen er een tekort was aan doodgravers, werden de daken van de
vestingtorens afgehaald,
het binnenste met lijken opgevuld en de daken weer op hun plaats
gebracht.”
Lijken werden op schepen geladen, die men liet afdrijven naar zee. “En
toen de
plaag over was, heerste er zoveel verdorvenheid en algemene
losbandigheid, dat
het leek, alsof de ziekte alleen de meest zedelozen in leven had
gelaten.” Procopius
wijdt
een
aantal
paragrafen
aan
een
beschrijving,
die
ons
enige
aanknopingspunt
is
voor
een
diagnose: Plotseling kregen zij een
koortsaanval: sommigen werden daardoor plotseling uit hun slaap gewekt,
anderen
tijdens hun dagelijkse bezigheden. De koorts bleef van de ochtend tot
de avond en
was zo mild, dat dokter noch patiënt gevaar vreesde en niemand dacht
dat hij
zou sterven. Bij velen verscheen echter al op de eerste dag, bij
anderen op de tweede
en bij weer anderen nog later, een buil zowel in de liesstreek als in
de oksel;
bij sommigen achter de oren en overal elders op het lichaam. Agathius
beschrijft,
als
hij
spreekt
over
het
jaar
558,
dezelfde
ziekte
in
Byzantium
en
vermeldt
ook
weer
builen
en een plotselinge dood, doorgaans op de
vijfde dag.
De ziekte trof alle leeftijden, maar doodde meer mannen dan vrouwen. Het
is interessant op te merken, dat die epidemie een van de kenmerken
vertoonde,
waarop in de moderne epidemiologie zo vaak gewezen wordt — namelijk,
dat toen
de ziekte uitbrak het aantal patiënten en de sterfte betrekkelijk
gering waren,
maar dat beiden met verbijsterend geweld toenamen naarmate de epidemie
sneller
om zich heen greep. Er
valt nauwelijks aan te twijfelen, dat de epidemie van Justinianus in
hoofdzaak
builenpest was, maar Gibbon zegt, als hij spreekt over deze epidemie:
Procopius
was
ooggetuige
bij
de
meeste
gebeurtenissen,
die
hij
beschrijft.
Op
zijn
reizen
stond
hij
in
nauw
contact
met
Belisarius, en de positie, die hij
bekleedde, was
belangrijk genoeg om hem een “inkijk” te gunnen op wat er omging aan
het hof in
Constantinopel. Men mag daarom aannemen, dat zijn mededelingen over de
beroeringen in die tijd — oorlogen, politieke corruptie en pestilentie,
— niet erg
overdreven zijn. En omdat wij zelf nog niet lang geleden een grotere,
meer
verbreide en vernietigendere oorlog hebben meegemaakt dan de meeste
andere in
de geschiedenis, en politieke corruptie tegenwoordig waarschijnlijk
even sterk
ontwikkeld en algemeen voorkomend is dan op enig ander tijdstip, is het
een
redelijke veronderstelling, dat onze betrekkelijke kundigheid om
epidemieën te
beheersen de huidige wereld, althans tijdelijk, wellicht voorkomen
heeft om net
als het rijk van Justinianus ineen te storten. Als
je, door de ogen van Procopius, de regering van Justinianus bestudeert,
krijg je
een buitengewoon levendig beeld van de manier, waarop de drie grote
krachten
samenwerkten om het keizerrijk op de knieën te brengen. Justinianus
deed een
laatste poging om de wereldmacht van het imperium te herstellen.
Oorlogen met
Perzië, oorlogen tegen de Vandalen in Afrika en tegen de Gothen in
Italië, het
instandhouden van legers op alle fronten, in ver van elkaar gelegen
werelddelen,
eiste het uiterste van de middelen van de regering. Overal werd de
verdedigingsgordel teruggedreven door de steeds aangroeiende horden
barbaren,
die tegen die tijd veel geleerd hadden van krijgskunst en
organisatievermogen
van hun voormalige heren. Binnenlandse oproeren, zoals in Byzantium in
532, bedreigden
de achterhoede. Verraad en omkoperij verzwakten de administratieve
macht aan
het hof. En bovenop die bijna, misschien geheel onoverkomelijke
moeilijkheden
kwam de pest, — voortrazend van Oost naar West, van Noord naar Zuid,
steeds
weer, bijna zestig jaar lang, — dood, ontzetting en chaos
teweegbrengend. De pest duurde tot 590, of nog wat later. Tussen 568 en 570, werd het grootste deel van Italië veroverd door de Lombarden, die, zoals Cunimund, zelf een barbaar, zei, “in postuur en geur veel lijken op de merries uit de vlakten van Sarmatië.” De macht, luister en administratieve logica, die eens Rome vormden, waren dood.
Noten
1) Ter
ondersteuning hiervan wijzen wij op het
feit, dat
de uiteindelijke strijd om de oppermacht in Italië zelf ging tussen
Genseric,
de Vandaal en Ricimer de Suebiër, een verhouding, die veel lijkt op de
politieke tegenstelling in New York tussen Mr. O’Brien en Mr. La Guardia. 4) Het enige, waaraan eeuwen en wijzigingen in cultuur, godsdiensten en gewoonten niets hebben kunnen veranderen, is de biologische wet van de liefde. 5) Een aanwijzing voor het feit, dat er vaak ziekten in de kampen van de Romeinse legers voorkwamen, vindt men in Vegetius’ “De Re Militari”, opgedragen aan Valentianus, omstreeks 375 na Christus. “Een leger moet geen bedorven water of water uit moerassen gebruiken; want het drinken van slecht water is als vergif en brengt ziekten onder hen, die het drinken.” En, aan het slot van het hoofdstuk: “Als gedurende de zomer of de herfst een grote groep te lang op één plaats blijft, raakt het water bedorven en vanwege dat bederf is drinken ongezond, de lucht bederft en zo ontstaan dan boosaardige ziekten, die alleen kunnen worden tegengehouden door herhaaldelijk wisselen van kampplaats.” 6) Bij Gregorius van Nyssa wordt van die epidemie melding gemaakt alsof zij plaats had tijdens het leven van Gregorius Thaumaturgus. Er komt ook een beschrijving voor in Patrologia Graeca, Gregorius III, waar de verschijnselen als volgt beschreven zijn: “Als iemand eenmaal door de ziekte wordt aangetast, breidt zij zich snel over zijn hele lichaam uit. Een brandende koorts en dorst dreven de mensen naar de bronnen en wellen, maar water baatte niet, als iemand eenmaal door de ziekte was getroffen. De ziekte was zeer dodelijk. Meer mensen stierven eraan dan dat zij haar overleefden, en er waren niet genoeg mensen over om de doden te begraven.” 7) Cyprianus’ beschrijving in “De Mortalitate” luidt als volgt: “De ingewanden, verslapt door de aanhoudende buikloop, verteren de lichaamskracht. Een vuur, ontbrand in het merg, gist in wonden in de kaak (fauces). De ingewanden worden geschud door het voortdurende braken. De ogen zijn bloeddoorlopen. Soms worden de voeten of andere lichaamsdelen afgestoten, omdat de infectie ettering (“morbida putredo”) veroorzaakt. 8) Als
men lange cycli van de geschiedenis
bestudeert,
leert men, dat het oordeel over politieke, maatschappelijke en andere
veranderingen in de bestemming van de mensheid gebaseerd moet worden op
perioden van niet minder dan twee of drie eeuwen. Volgens onze eigen
ervaring
kunnen wij slechts een fractie overzien van de curve in de cyclus,
waarvan wij
deel uitmaken en kunnen niet helder in de toekomst kijken, tenzij wij
geoefend
en ook in staat zijn minstens twee- of driehonderd jaar in het verleden
terug
te blikken naar het begin van de curve. Beseffen Mr. Roosevelt en zijn
“vertrouwelingen”
dat wel? 10) Beda Venerabilis, Opera Omnia, Giles Edition of 1843, Deel II, Boek 1, Hfdst. XIV en XV. 11) Een epidemisch voorkomende longontsteking, verwekt door de streptococcus haemolyticus, kwam in 1917 voor in een van de Amerikaanse legerkampen. 12) De Bello Persico, Hfdst. XXII.
HOOFDSTUK VIII Over
de
invloed
van
epidemische
ziekten
op
de
politieke
en
militaire
geschiedenis
en
hoe
onbelangrijk
generaals
zijn.
Wij
beloven
dat dit de laatste
uitweiding is,
buiten ons hoofdthema. Oorlogen
zouden
niet
zo
serieus
worden
genomen,
als
daarbij
niet
zoveel
mensen,
die
daar
helemaal
geen
belangstelling
voor
hebben,
aan een ziekte sterven of
gedood
worden. Het is natuurlijk waar, dat zucht naar gebiedsuitbreiding,
concurrentie
in de handel en alle andere uitingen van die hebzucht, die even
instinctief is
bij de mens, als het functioneren van zijn geslachtsorganen en darmen,
er
altijd geweest zijn als de onderliggende oorzaken van oorlog. Het is
echter
twijfelachtig, of die min of meer realistische redenen net zo vaak tot
een
uitbraak zouden leiden, als de mensheid niet, ondanks herhaalde
voorbeelden,
hardnekkig een totaal onjuist beeld zou koesteren, van wat werkelijk
het
ervaren van een oorlog betekent. Het is natuurlijk niet het reclame
maken voor
roem, het “dulce est pro patria mori” enzovoort, wat `zo’n
grote invloed
op de mensen uitoefent. Deze en dergelijke “overblijfselen” zijn
slechts matig doeltreffende
rationalisaties van wezenlijkere drijfveren. Van veel grotere betekenis
is de
verveling, waarmee de meeste mensen hun onuitsprekelijk saaie
dagelijkse
bezigheden in vredestijd verrichten en het kinderlijke, maar toch
algemeen
voorkomende, plezier waarmee mannen soldaatje spelen. Totdat zij
werkelijk te
lijden hadden van vuil, luizen, vermoeidheid, angst, ziekte of
verwondingen, vermaakten
de mensen zich met de Grote Oorlog van 14-18. Denk maar aan iemand, die
een
mager bestaantje heeft gehad in een houten huisje aan de rand van
Somerville of
Weehawken en tien jaar lang — behalve twee weken in augustus — elke
ochtend de
trein van kwart over acht pakte, de rest van de dag doorbracht met
afdelingschefje
spelen in een warenhuis, dan de trein van zes uur twintig terug nam
naar waar
hij ‘s ochtends vandaan kwam! Denk aan de gevoelens van bevrijding en
van
zelfingenomenheid, als hij achter de muziek aan Broadway opmarcheert,
tussen
rijen juichende confectiearbeiders door. Denk aan de trots op zijn
hernieuwde
mannelijkheid, als hij bij het aanbreken van de dag wacht staat of
liggend in
hinderlaag achter een berg zandzakken op zijn medemensen schiet alsof
het
kleiduiven zijn, of als hij bier drinkt met zijn kameraden, in het
besef, dat
de wereld hem als een held beschouwt en de overheid voor zijn gezin
zorgt, voor
altijd. Behalve
de
bevrijding
uit
de
verveling
is
echter
ook
het
genieten
van
uniformen,
dat
tot
oorlog
prikkelt.
Het
instinct
voor maskeradepakjes is moeilijk uit
te
roeien, zoals iedereen weet, die wel eens in een stad geweest is, waar
de
Mystic Knights, de Shriners of de Red Indians een bijeenkomst hielden;
of zelfs
in Boston, als de “Ancient and Honorables” het verkeer blokkeren op
Beacon Hill.
En verder de toejuichingen van de vrouwen, — niet van vrouwen in het
algemeen,
maar voor iedere man van zijn eigen vrouw —, die, even instinctief als
de man
ervan houdt om soldaatje te spelen, het aangeboren verlangen hebben om
de
dapperheden te verheerlijken, waarover hun helden naar huis schrijven:
“Ik
gooide een handgranaat in een loopgraaf en heb zes Duitsers opgeblazen.
De
generaal zal me kussen.” “Is ie niet fantastisch? Echt een flinke
jongen!” Je
kunt de grootmoeder van de duivel bewonderend naar hem zien kijken,
terwijl hij
een schreeuwende zondaar aan het spit rijgt en haar horen zeggen: “O,
Beelzebub,
— wat ben je toch een grote jongen!” Wij zouden op een grondigere en overtuigendere manier op de minder belangrijke oorzaken van oorlog in kunnen gaan, als wij een verhandeling voor een Vereniging ter Bevordering van de Vrede schreven in plaats van de biografie van een ziekte. Omdat wij ons echter in de eerste plaats interesseren voor het onderwerp tyfus, kunnen wij niet te veel ruimte aan die dingen besteden. De kwestie is, dat de oorlog — zelfs door de militaire deskundigen — beschouwd wordt als een serieus soort soldaatje spelen. In feite vormen de kunstjes marcheren, schieten en het spel, dat krijgskunst genoemd wordt, slechts een deel — het kleinste, hoewel het schilderachtigst aandoende deel — van de oorlogstragedie. Het zijn slechts de laatste bezigheden van de restanten van het leger, die de kampepidemieën hebben overleefd. Die hebben vaak al beslist over overwinning of nederlaag, nog voordat de generaals weten, waar zij in het hoofdkwartier de mess zullen inrichten.
Voor
de
gemiddelde
beroepsofficier
is
de
militaire
dokter
een
ongaarne
gedulde
niet-medestrijder,
die
ziekenrapport
houdt,
laxeerpillen
voorschrijft,
problemen
maakt
bij
transporten, tactische plannen ingewikkeld maakt en het water naar laat
ruiken.
Natuurlijk is hij nuttig om na een gevecht de resten op te ruimen, maar
verder
is hij bijna, zo niet helemaal, tot last. In het Tweede Amerikaanse
Leger
woedde tegen het einde van de oorlog een storm van luchtweginfecties en
dreigde
een aanval van tyfeuze koorts. De Inspecteur Generaal, Kolonel O., wist
dat
niet en sloeg er geen acht op. Hij gaf een vermoeide hoofdofficier van
gezondheid
een standje, omdat hij voor hem salueerde met een hand in zijn zak. Wij
kregen
medelijden met die arme man, toen we dachten aan al die knopen, die
eraf waren
en al die puttees, die verkeerd zaten bij honderdduizend man. Wat een
leed en wat
een gesloof! Dezelfde officier van gezondheid was bezig waterputten te
slaan
voor de oprukkende troepen, die optrokken in september 1918. “U bestaat
niet
voor mij,” zei Kolonel H. van de Genie. “U staat niet op de lijst.” Af
en toe
is er een groot soldaat, die wel op de hoogte is, zoals Generaal
Bullard. Hij
valt op door de tegenstelling. Dit kan wel wat zwartgallig lijken, maar
is dat helemaal
niet; het leidt naar onze stelling, dat soldaten zelden oorlogen
gewonnen
hebben. Gewoonlijk ruimen zij alleen maar de boel op na het spervuur
van de
epidemie. De tyfus heeft met haar broeders en zusters — pest, cholera,
tyfoïd,
dysenterie —meer veldtochten beslist dan Caesar, Hannibal of Napoleon
en alle Inspecteurs
Generaal uit de geschiedenis. Epidemieën krijgen de schuld van de
nederlaag,
generaals oogsten lof voor de overwinning. Het zou net andersom moeten
zijn —
misschien wordt nog ooit op zekere dag de organisatie van de legers
veranderd,
zodat de infanterieofficier moet doen, wat de legerarts hem laat doen.
Dat plan
zou onder anderen ongeveer 90% van de uitgaven voor het pensioensysteem
schelen. Voor
we
overgaan
tot
de
speciale
militaire
heldendaden
van
de
tyfus,
kan
het
van
belang
zijn
de
beslissende
invloed
van ziekte op een veldslag meer in
het
algemeen te bespreken en zo met een paar feiten onze beweringen te
rechtvaardigen. Het
probleem is niet om bewijzen te vinden, maar om te kiezen uit de
verschrikkelijke overvloed. Von Linstow, een legerarts uit het
Pruisische
leger, die dezelfde gedachtegang volgde, heeft uit de literatuur een
aantal van
de leerzaamste voorbeelden verzameld, uit gewone historische verslagen.
Wij
citeren vrij uit zijn onderzoek en uit de geschriften van
geschiedschrijvers en
legerartsen, die deelgenomen hebben aan grote veldtochten. In
het Achtste Boek van zijn Historiën vertelt Herodotus ons hoe
de Grieken
gered werden door λοιμος (waarschijnlijk
pest en dysenterie), toen Xerxes Thessalië binnenviel met een leger,
dat naar
schatting uit 800.000 man bestond. Kort nadat Grieks grondgebied was
betreden,
begon de voedselvoorziening tekort te schieten en volgde onmiddellijk
ziekten, in
het kielzog van ondervoeding en ontberingen. De veldtocht werd gestaakt
en de
Perzische koning vluchtte terug naar Azië met minder dan een half
miljoen
volgelingen. Het
was de plaag van Athene, die de macht van de Atheners te land een tijd
lang lam
legde. In het tweede jaar van de ziekte stierven 300 ridders, 45.000
burgers,
en 10.000 vrije mannen en slaven. Pericles zelf bezweek eraan, en de
Lacedaemoniërs konden vrij over het schiereiland rondzwerven. Het
is aannemelijk, dat het beleg van Syracuse door de Carthagers zowel in
414 als
in 396 voor Tijdens
de
burgeroorlogen
in
Rome,
in
88
voor
Christus,
werd
de
overwinning
van
Marius
beslist
door
een
epidemie,
die
in het leger van Octavius 17.000 man
doodde. In
425
na Christus gaven de Hunnen hun, overigens onbelemmerde, opmars naar
Constantinopel
op, omdat een epidemie van onbekend karakter hun horden decimeerde. Niemand
kan
zeggen,
wat
de
toekomst
van
de
macht
van
het
rijk
van
de
Saracenen
geweest
zou
zijn,
als
de koning van Abessinië niet teruggeslagen was voor Mekka
door
“het heilige vuur”. Dit was, wat gewoonlijk “de Olifantenoorlog”
genoemd wordt.
Het Abessijnse leger, 60.000 man sterk, werd volkomen ontregeld door de
veel verwoestingen,
die een ziekte aanrichtte, die volgens de beschrijving óf een ernstige
vorm van
pokken óf een combinatie van erysipelas en een algemene
stafylokokkeninfectie
geweest moet zijn. Dat
de Kruisvaarders veel doeltreffender werden teruggeslagen door
epidemieën dan
de strijdmacht van de Saracenen, kan nauwelijks in twijfel getrokken
worden. De
geschiedenis van de Kruistochten is het relaas van een reeks ziekten,
waaronder
scheurbuik een even belangrijke plaats innam als de infectie. In 1908
belegerde
een christelijk leger van 300.000 man Antiochië. Ziekte en hongersnood
doodden zo
velen en in zulke korte tijd, dat de doden niet begraven konden worden.
De
cavalerie was binnen een paar maanden niet inzetbaar geworden door de
dood van 5000
van hun 7000 paarden. Desondanks werd de stad ingenomen na een beleg
van negen
maanden. Bij hun opmars naar Jeruzalem, werden de troepen vergezeld
door een veel
machtigere vijand dan de heidenen. Toen Jeruzalem in 1099 werd genomen,
waren
er van de oorspronkelijke 300.000 man slechts 60.000 over, en tegen het
jaar 1101
waren die geslonken tot 20.000. De
geschiedenis van de tweede Kruistocht onder leiding van Lodewijk VII
van
Frankrijk is even tragisch. Van de half miljoen mensen slaagde er
slechts een
handvol in weer Antiochië te bereiken — de meesten zonder paard — en
keerden maar
weinigen terug naar Europa. Antiochië
schijnt
de
plek
geweest
te
zijn,
waar
alle
Christelijke
legers
in
de
hinderlaag
van
de
pestilentie
liepen.
Het inslaan van een verkeerde weg voorbij
die stad,
door het verraad van een Turkse gids, voerde het leger van de
Kruisvaarders in 1190
naar de woestijn. Hongersnood, epidemie en desertie brachten een leger
van 100.000
man terug tot slechts 5.000. De
vierde Kruistocht, aangevoerd door de Doge van Venetië en Boudewijn van
Vlaanderen, bereikte Jeruzalem nooit, door een verschrikkelijke
uitbraak van
builenpest, die begon gedurende het heetste deel van de zomer, kort
nadat de
Kruisvaarders Constantinopel verlieten. Toen
Frederik
II
van
Duitsland
zich
in
1227
te
Brindisi
inscheepte,
kwam
met
zijn
leger
dysenterie
aan
boord;
de vloot keerde terug, toen de Keizer zelf
ziek
werd, en de tocht was een volkomen mislukking. Scheurbuik
is
geen
infectieziekte
en
heeft
daarom
geen
eigen
plaats
onder
de
verwanten
van
tyfus,
waarvan
wij
de
invloed
op de geschiedenis bezig zijn te
bespreken. Het vormde
echter een vrijwel voortdurende bedreiging voor legers, als de
voedselvoorziening schaars of beperkt werd. Onder dergelijke
omstandigheden,
die gewoon waren in belegerde steden en gedurende lange marsen door
verwoeste
streken, werd scheurbuik vaak alleen al beslissend, of zij verzwakte
grote groepen
manschappen zozeer, dat zij weerloos stonden tegenover een dan
optredende
infectieziekte. In dit opzicht was scheurbuik vaak een machtige
bondgenoot van
onze ziekte. Het is niet onze bedoeling verder van ons onderwerp af te
dwalen en
in te gaan op de interessante rol, die scheurbuik in de militaire
geschiedenis
gespeeld heeft, maar zullen alleen een enkele episode aanhalen, om de
enorme
invloed te verduidelijken, die scheurbuik heeft gehad bij het beslissen
van de
afloop van veldtochten. Bij
de tweede poging kwam Lodewijk niet verder dan Tunis, waar hij en zijn
zoon, de
hertog van Nevers, op 3 en 25 augustus 1270 stierven aan dysenterie. Een
merkwaardige ziekte, waarvan de aard niet precies thuis te brengen is,
vernietigde in 1157 het leger van Frederik Barbarossa in Rome. Zij is
beschreven door Kerner en ook door Lersch. Het kan tyfus geweest zijn,
want het
begon met zware hoofdpijn, pijn in ledematen en buik, hittegevoel,
koude
rillingen en ijlen. Velen gingen er binnen een paar dagen aan dood. De
sterfte
liep zo hoog op en de angst was zo groot, dat op 6 augustus 1167, vier
dagen na
het begin van de plaag, het leger de tenten verbrandde en in
noordelijke
richting trok. Rome werd verlaten en het grootste deel van het leger
kwam tijdens
mars om. De
eeuwenlange strubbelingen tussen Spanje en Frankrijk werden telkens
weer door
ziekten beslist. Philip III van Frankrijk moest in 1285 van zijn
veldtocht naar
Aragon terugkeren vanwege een epidemie, waarvan de aard onduidelijk is,
maar die
grote aantallen van de soldaten doodde, het meest officieren, en ten
slotte de
koning zelf. In de daarop volgende Spaanse militaire geschiedenis
speelde de
tyfus zelf een verwoestende rol, waarop we in een later hoofdstuk nog
zullen
terugkomen. In
1439,
op 1 oktober, bereikte de Duitse keizer Albrecht de muren van Bagdad.
Op de dertiende
van dezelfde maand was de keizer dood en het leger op de terugtocht,
verslagen
door de dysenterie. De
rol, die de zweetziekte in Engeland speelde tijdens de regering van
Hendrik II,
hebben we al elders beschreven. We hebben ook de invloeden besproken,
die de syfilisepidemie
had op de veldtocht van Karel VIII van Frankrijk tegen Napels, en
elders zullen
we het nog hebben over de tyfusepidemie, die in 1528 besliste, of
Frankrijk dan
wel Spanje het vasteland van Europa zou beheersen. In
de zestiende eeuw is het verhaal in principe hetzelfde en hoewel tyfus
en pest
dan de leidende rollen beginnen te verdelen, dragen dysenterie, typhoid
en
ongetwijfeld ook pokken hun deel bij. De belegering van Metz door Karel
V werd
opgeheven vanwege scheurbuik, dysenterie en tyfus en het leger trok
zich terug
van de stad, nadat 30.000 man waren gestorven. Een
van de eerste, werkelijk beslissende tyfusepidemieën was die, die het
leger van
Maximiliaan II van Duitsland uiteendreef, die zich met 80.000 man
opmaakte om tegen
Sultan Soliman in Hongarije op te trekken. In het kamp in Komorn brak
in 1566
een ziekte uit, die ongetwijfeld tyfus was. Zij woedde zo hevig en was
zo dodelijk,
dat de veldtocht tegen de Turken werd opgegeven. De betekenis van deze
episode
voor de blijvende vestiging van die ziekte in het zuidoosten van
Europa, is in
een ander hoofdstuk besproken. De
Dertigjarige
Oorlog werd in alle stadia beheerst door dodelijke epidemieën. Om die
allemaal
tot in detail te volgen zou de geschiedenis van die oorlog nog een keer
schrijven betekenen, want de besmettelijke ziekten zwierven over het
vasteland
van Europa in het spoor van de strijdmachten. Er is echter één episode,
die
bijzondere vermelding vraagt, omdat hier de tyfus in haar eentje beide
legers
vernietigde, voor zij tot een veldslag konden komen. In 1631 ontmoetten
Gustaaf
Adolf en Wallenstein elkaar voor Neurenberg, wat voor beide legers het
einde
betekende. Tyfus en scheurbuik veroorzaakten de dood van 18.000
soldaten,
waarna de twee vijandige legers wegtrokken in de hoop te ontkomen aan
verdere
verwoestingen door de plaag. Het
is niet onmogelijk, dat het lot van Karel I door tyfus werd bezegeld.
In 1643 vond
Karel bij Oxford het leger van de Parlementaristen onder Essex
tegenover zich; beide
generaals stond aan het hoofd van 20.000 man. De koning werd
genoodzaakt af te
zien van zijn plan naar Londen op te trekken vanwege een tyfusepidemie,
die
beide legers vernietigde. In
1708
verloren de Zweden, die hun weg gevonden hadden naar Zuid-Rusland, de
vruchten
van hun met moeite bevochten overwinningen volkomen en werden
machteloos
gemaakt door het uitbreken van een epidemie. In
november 1741 gaf Praag zich over aan het Franse leger, omdat 30.000
van de
Oostenrijkers tegenover hen aan tyfus stierven. Frederik
de
Grote
werd,
na
zijn
zege
op
de
troepen
van
Maria
Theresia,
gedwongen
Bohemen
te
verlaten,
toen
een
hevige dysenterie zijn troepen aanviel. De
afloop van de Franse Revolutie werd in zekere zin bepaald door
dysenterie. In 1792
trok Frederik Willem II van Pruisen, samen met Oostenrijkse
bondgenoten, in
totaal een strijdmacht van 41.000 man, op tegen de legers van de
Revolutie. Dysenterie,
“de Rode”, besliste ten gunste van Liberté, Egalité et Fraternité
en met
nog maar slechts 30.000 inzetbare manschappen trokken de Pruisen zich
terug
over de Rijn. Hoewel de stichting van de republiek op Haïti gewoonlijk wordt toegeschreven aan het genie van Toussaint l’Ouverture, had zij haar vestiging in feite te danken aan de gele koorts. In 1801 zond Napoleon Generaal Leclerc met 25.000 man naar Haïti om de Negeropstand te onderdrukken. De Franse troepen landden bij Kaap Français, versloegen Toussaint en dreven hem naar het binnenland. Het Negerleger werd weer verzameld en gereorganiseerd door Dessalines, maar het zou niet opgewassen geweest zijn tegen de goed gedisciplineerde en goed toegeruste Franse troepen, als niet een epidemie van gele koorts het vijandelijke leger ontredderd had. Van de 25.000 Fransen stierven er 22.000. Er bleven slechts 3 .000 manschappen over, die het eiland in 1803 verlieten.
Zelfs
de
grootste
generaal
van
allen,
Napoleon,
was
hulpeloos,
als
hij
zijn
krachten
moest
meten
met
de
tactiek
van
een epidemische ziekte. Wij beschikken
over
verslagen van Larrey over de tocht naar Rusland. Van nog grotere
specifieke
belang voor ons onderwerp zijn de aantekeningen van de Chevalier J. R.
L. de
Kerckhove (dit de Kirckhoff), officier van gezondheid in het
invasieleger,
die zich — op de titelpagina van zijn boek — “Membre de la plupart
des
Académies savantes de l’Europe” noemt. Het leger van meer dan een
half
miljoen mensen was gemobiliseerd en ondergebracht in kantonnementen,
die zich
uitstrekten van Noord-Duitsland tot Italië. Tot het moment de
hoofdtroepen verenigd
waren, was er weinig ziekte en hadden de hospitalen, die gevestigd
waren in
Maagdenburg, Erfurt, Posen en Berlijn, maar weinig patiënten. Kerckhove
beschrijft de rampzalige toestanden, na het binnentrekken in Polen. Hij
werd daar
getroffen door de armoede, ellende en slaafsheid van de bevolking en
door de
tegenstelling tussen de omstandigheden, die hier aangetroffen werden en
die in
andere Europese landen. De dorpen bestonden uit hutten, wemelend van
insecten;
het leger was gedwongen te bivakkeren. De voeding was slecht; overdag
was het
heet en ‘s nachts koud. Nieuwe lazaretten werden vervolgens opgezet in
Dantzig,
Koningsbergen en Thorn, om het snel toenemende percentage zieken te
kunnen
herbergen, in die tijd hoofdzakelijk bestaande uit luchtweginfecties
met
inbegrip van longontsteking en keelinfectie — waarschijnlijk difterie.
Tyfusgevallen begonnen te verschijnen rond de tijd, dat op 24 juni de
Njemen
werd overgestoken,. In Litouwen stiet men op reusachtige wouden en
miserabele wegen;
steden en dorpen waren platgebrand door de Russen; er was weinig
beschutting en
nog minder voedsel. Het water was slecht, de hitte hevig, en het
ziekental — nu
voornamelijk dysenterie, ingewandskoortsen en tyfus — werd enorm. Na de
slag
bij Ostrowo, eind juli, waren er meer dan 80.000 zieken. Het
legerkorps,
waaraan Kerckhove was toegevoegd, was tegen de tijd, dat begin
september de
rivier de Moskwa werd bereikt, teruggebracht tot minder dan de helft
van zijn
oorspronkelijke 42.000 man. Een enorm aantal gewonden — meer dan 30.000
—
gevolg van de veldslag bij de rivier, maakte de taak van de militaire
artsen
bijna onmogelijk. Rond 12 september werden tyfus en dysenterie steeds
heviger.
Op 14 september werd Moskou binnengetrokken. In die dagen was het een
stad van 300.000
zielen, maar het merendeel van de bevolking was vóór de komst van het
Franse
leger de stad ontvlucht. Op de 15e braken er branden uit, eerst in de
Beurs,
toen overal in de stad — vermoedelijk op bevel van Gouverneur
Rostoptchin
aangestoken door vrijgelaten misdadigers, die voorzien waren van
zwaveltoortsen. Moskou bezat een aantal goeduitgeruste ziekenhuizen,
maar die waren
spoedig gevuld met de zieken en gewonden en, omdat zulk een groot deel
van de
stad in as gelegd of door de bombardementen verwoest was, hokten de
volledig
geïnfecteerde troepen samen in gebrekkige schuilplaatsen en kampeerden
buiten
de stad. De voedselvoorraden waren bijna volkomen vernietigd door de
Russen. Van nu af waren tyfus en dysenterie Napoleons grootste vijanden. Toen de terugtocht van Moskou was begonnen, op 19 oktober, waren er niet meer dan 80.000 manschappen inzetbaar. De mars huiswaarts
werd
een
wanordelijke
aftocht
en
de
uitgeputte
en
zieke
troepen
werden
voortdurend
opgejaagd
door
de
achtervolgende
vijand.
Het werd
ontzettend koud
en zeer velen, uitgeput door ziekte en vermoeidheid, — bevroren. Begin
november,
toen Smolensk opnieuw werd ingenomen, waren er nog maar 2.000
cavaleristen over
en lagen ongeveer 20.000 patiënten in de ziekenhuizen van de stad. Veel
tyfuspatiënten
werden achtergelaten in Smolensk, dat op 13 november ontruimd werd. De
rampzalige
overtocht over de Beresina, waarbij Larrey alleen gered werd door de
dankbare
toegenegenheid van de soldaten, die hem boven hun hoofden over de brug
droegen,
kostte het leger een enorm verlies, — niet precies vastgelegd, maar
geschat op
40.000 man. Terwijl tyfus toch de overhand hield, namen ook dysenterie
en
longontsteking toe. Naar men zegt, zouden er op de weg naar Wilna
15.000 man
doodgevroren zijn; toen die stad op 8 december werd bereikt, was het
prachtige
leger geslonken tot 20.000 zieke en ontmoedigde mannen. Van het Derde
Legerkorps,
aangevoerd door Maarschalk Ney, restten maar 20! man. In Wilna waren de
ziekenhuizen overvol; de mannen lagen op rottend stro in hun eigen
vuil,
hongerig en koud en zonder verzorging. Zij waren genoodzaakt leer te
eten en
zelfs mensenvlees. De ziekten, vooral tyfus, verspreidden zich over
alle steden
en dorpen in het omliggende land. Op een bepaald moment in december was
het
aantal zieken, dat geëvacueerd was naar Wilna, gestegen tot 25.000.
Tegen het einde
van juni 1813 waren hiervan nog maar 3.000 in leven. De restanten van
het
leger, die uit Rusland ontkwamen, waren bijna zonder uitzondering
geïnfecteerd
met tyfus. De
Kerckhove, wiens boek getuigt van een levendige belangstelling voor de
strategie van zijn grote leider, heeft geopperd dat, als Napoleon
tevreden was
geweest met de bezetting van Polen en eerst een reorganisatie tot stand
had gebracht
met inbegrip van betere hygienische toestanden, zijn veldtocht een
succes had
kunnen zijn en zijn macht voor altijd gevestigd had kunnen worden. Het
is misschien het sterkste bewijs voor het genie van Napoleon, dat hij,
na die rampzalige
mislukking — in 1813 —, opnieuw in staat was een nieuw leger van
500.000 manschappen
bijeen te brengen. Bij gebrek aan beschikbare volwassen mankracht,
waren dit in
hoofdzaak jonge rekruten, bijzonder vatbaar materiaal voor epidemische
infecties. Tegen de tijd, dat zijn nieuwe leger de bondgenoten bij
Leipzig zou treffen,
hadden voorafgaande gevechten bij Bautzen, Dresden en Karlsbad, samen
met het
verlies door ziekten, zijn strijdmacht teruggebracht tot niet veel meer
dan 170.000
man, die het moesten opnemen tegen 200.000 bondgenoten. 1) Het is
nauwelijks betwistbaar,
dat de macht van Napoleon in Europa meer gebroken is door ziekte dan
door
militaire tegenstand of zelfs de nederlaag bij Trafalgar. Wat de Krimoorlog betreft, is het niet mogelijk de gevolgen van de oorlog te scheiden van die van ziekten, omdat de vijandige legers beide vrijwel evenzeer en even rampzalig te lijden hadden onder de cholera, tyfus, dysenterie en de minder ernstige epidemische legerinfecties. Desondanks is die oorlog van buitengewoon belang voor ons onderwerp, omdat er buitengewoon nauwkeurige gegevens beschikbaar zijn, die aantonen, dat de invloed van ziekte veel destructiever was dan het wapengeweld. Wij bezitten betrouwbare aantekeningen over de legerepidemieën in die oorlog uit “Du Typhus de l’Armée d’Orient” van Jacquot en uit “Histoire Medico-Chirurgicale de la Guerre de la Crimée” van Armand. Er waren twee afzonderlijke tyfusuitbraken — de een begon in december 1854, de andere in december van het jaar daarop. De ziekte begon onder de Russen, tastte toen de Engelsen en Fransen aan, drong door tot Constantinopel, sprong ook over op de oorlogs- en koopvaardijschepen en verbreidde zich in alle richtingen over heel Rusland en Turkije. In 1855 begon, na de slag bij Alma, een ernstige cholera-epidemie, die voortduurde tot april 1856. Toen de verschillende ziekten op hun hevigst waren werden er binnen vier maanden 48.000 man vanwege ziekte uit de gelederen verwijderd — dat is 12.000 per maand. Volgens Armand zonden de Fransen iets meer dan 309.000 man naar het Oosten. Hiervan kwamen er 200.000 in een hospitaal terecht — 50.000 door verwondingen, en 150.000 vanwege ziekte. De volgende tabel, die wij overnemen van Von Linstow, geeft een samenvatting van de toestanden, die van 1854 tot 1856 heersten.
* Waaronder mannen gestorven op het slagveld, enz.
Noten
1
)Von
Linstow
heeft
vastgesteld,
dat
105.000
man
voor
de
dienst
verloren
gingen
door
verwondingen
in
het gevecht, en 219.000 door ziekten.
HOOFDSTUK IX Over
de
luis:
wij
zijn
nu
genaderd
tot
het
bekijken
van
de
omgeving,
die
de
aard
van
ons
onderwerp
heeft helpen vormen. Het
recept voor het schrijven van biografieën van mannen en vrouwen is,
zoals we
gezien hebben, meer dan afgezaagd. Het is sinds Plutarchus min of meer
hetzelfde gebleven, afgezien van de invoering van wat psychoanalytische
methodiek en een beetje libido. Voor het schrijven van de biografie van
een protoplasmatische
continuïteit moet een nieuw schema ontwikkeld worden. Terwijl wij aan
de ene
kant veel kunnen vermijden van de sleutelgat-onbescheidenheid uit de
school van
Strachey, Ludwig en Maurois, zijn wij aan de andere kant — in dit geval
— toch
gedwongen heel wat ruimte en aandacht te besteden aan andere
onplezierige
onderwerpen, die waarschijnlijk meer zullen afstoten dan aantrekken.
Tyfus
brengt namelijk langdurige en, voor haar overleven, wezenlijke stadia
van haar
bestaan door in het lichaam van luizen, vlooien en ratten. Misschien
zijn er
nog andere gastheren, die nog niet met zekerheid bekend zijn. Maar deze
kennen
wij; en daarom moeten wij ons virus door die stadia heen volgen en
proberen het
standpunt te begrijpen van de medeschepselen, die, al worden ze door
oppervlakkige beschouwers met afkeer aangezien, evenzeer slachtoffers
zijn als
wij en even onschuldig zijn aan doelbewuste kwaadaardigheid. Want al
krijgen
wij de ziekte van hen, zij krijgen haar van elkaar en van ons. Er zou
dus
evenveel te zeggen zijn voor de ene als voor de andere kant. Het
is duidelijk veel moeilijker het standpunt van de luis te laten zien in
haar
verhouding tot de mens, dan de invloed te verduidelijken, die, laten we
zeggen,
op Chopin is uitgeoefend door George Sand, of op Mark Twain door zijn
eerbiedwaardige
relatie met Elmira uit New York. We kunnen daarom de zaak afdoen met
een korte
wetenschappelijke beschrijving van het verblijf van tyfus in de luis.
Om ons
doel te bereiken moeten wij, hoewel de eigenlijke beschouwing over de
tyfus dan
wel weer naar een volgend hoofdstuk zal moeten worden verschoven,
proberen ons
het geval van de luis voor te stellen in een menselijke geest, wat wij
door een
langdurig, intiem contact heel goed kunnen. Want je kunt niet
pillendozen vol
van die schepseltjes weken lang in je sok dragen zonder wat wij, zonder
overdrijving,
een gevoel van medeleven en toegenegenheid zouden willen noemen; vooral
als je
voor wetenschappelijke doeleinden je voordeel met hen gedaan hebt en er
iedere
morgen een paar dood aantreft, terwijl anderen duidelijk lijden —
langzaam
kruipend, zonder eetlust, en nauwelijks in staat zich om te draaien,
als zij op
hun rug gelegd zijn. De
lezer, die ongeduldig wil doordringen tot de tyfus, raden wij aan dit
hoofdstuk
over te slaan, omdat het zich in hoofdzaak met de luis zal bezighouden.
En tot
hen, die kritiek hebben op onze buitengewone wijdlopigheid, richten wij
ons met
de opmerking, dat wij het uitstekende voorbeeld volgen van Pierre
Beyle, bij
wie de voetnoten vier maal uitvoeriger zijn dan zijn tekst. De
luis loopt voorop onder de veel belangrijke en eerbiedwaardige zaken,
die het
onderwerp van schunnige grappen geworden zijn. Ondanks de geweldige
invloed,
die dit niet onaantrekkelijke insect op de mensheid heeft uitgeoefend,
heeft zij
in de “Encyclopedia Brittannica” slechts tweederde kolom
gekregen — de
helft van de ruimte, die werd ingeruimd voor “Louth, een kuststreek in
de
provincie Leinster”, en eenvijfde van wat er besteed werd aan
“Louisville,
Kentucky”. Dit schepsel, dat de pest heeft rondgedragen, steden heeft
verwoest,
volkeren in ballingschap heeft gedreven, zegevierende legers heeft
veranderd in
door panische angst bevangen ordeloze benden, wordt kortweg afgedaan
als een “een
vleugelloos insect, parasiterend op vogels en zoogdieren en strikt
genomen behorend
tot de orde van de Anoplura”. De
luis deelt met ons het ongeluk aan het tyfusvirus ten prooi te vallen.
Als een
luis bang kan zijn, moet de nachtmerrie van haar leven zijn, ooit op
een dag
terecht te komen op een geïnfecteerde rat of mens. De gastheer heeft
namelijk nog
een kans te overleven, maar de ongelukkige luis, die haar haustellum
door een
geïnfecteerde huid heenprikt en met haar voedsel het noodlottige virus
opzuigt,
is reddeloos verloren. Binnen acht dagen wordt zij ziek, na tien dagen
is zij in
extremis en op de elfde of twaalfde dag wordt haar tengere lijfje
rood van
het uit haar ingewanden doorsijpelende bloed en geeft zij het geestje.
De mens
is te zeer geneigd de hele natuur door zijn egocentrische ogen te
bekijken.
Voor de luis, zijn wij de gevreesde gezanten des doods. Zij
leidt een
betrekkelijk onschuldig leven — het resultaat van eeuwenlange
aanpassing; dan
komt er, als donderslag bij heldere hemel, een epidemie; haar gastheer
wordt
ziek en de enige wereld, die zij ooit heeft gekend, wordt verpestend en
dodelijk;
en als, door omstandigheden, waar zij geen vat op heeft, haar
aangetaste
lichaampje overgebracht wordt op een andere gastheer en die zij op haar
beurt
infecteert, dan doet zij dat argeloos, door haar onbedwingbare behoefte
aan
voedsel, met de dood al op de hielen. Al was het alleen maar als onze
bondgenote in ons lijden, zij zou toch een zekere mate meelevende
toegeeflijkheid
moeten kunnen afdwingen. De
luis was niet altijd dat afhankelijke parasiterende schepseltje, dat
niet zonder
haar gastheer kan leven. Ooit bestonden er vrije en vrijheidlievende
luizen,
die met hun veelfacettige ogen naar andere insecten konden kijken en
hen een
glimlach kon ontlokken als zij haar “luis” noemden. Dat was echter lang
voor de
Onafhankelijkheidsverklaring, want het kostte de luis veel eeuwen om
haar
individualiteit op te geven. Het
is zo lang geleden, dat wij nog geen enkel archiefstuk hadden, over
geen enkele
Neolithische of Neanderthaalse waarmee wij een duidelijke lijn in haar
afstamming kunnen nasporen. Het vraagstuk van haar voorouders is dus
buitengewoon
moeilijk gebleven. Veel scherpzinnige onderzoekers — vooral Enderlein —
zijn
geneigd geweest de Siphunculata of zuigende luis af te leiden van de
Rhyncota
of echte wandluis, hoofdzakelijk op grond van overeenkomsten in de
monddelen.
Dat idee is echter van tafel geveegd door Professor Handlirsch 2) en
zijn handlangers,
die denken dat onze luizen afstammen van de bont- en verenetende
Mallophaga
(vogelluis) om redenen, die ongetwijfeld degelijk gebaseerd zijn op
overwegingen,
die veel te ingewikkeld en technisch zijn voor een oppervlakkige
bespreking.
Wij zouden aan zo’n fundamenteel onderwerp geen recht doen, zonder
uitvoerig te
citeren uit de werken van specialisten. Wij willen er alleen op te
wijzen, dat
dit probleem van de afstamming af en toe, niet helemaal zonder
hartstocht, geleid
heeft tot meningsverschil tussen luizendeskundigen, hoewel er, anders
dan bij
de kwestie van de afstamming van de mens, geen godsdienstige gevoelens
bij
betrokken zijn. De
opvatting van Prof. Handlirsch schijnt de meeste aanhang te hebben
onder de luizengeleerden.
De huidige luizen bestaan uit twee nauw verwante variëteiten: de
bijtende luis,
of Mallophaga en de zuigende luis of Anoplura. Die geslachten zijn
waarschijnlijk parasitaire ontwikkelingsvormen van de pre-kakkerlakken,
waarvan
ook onze tegenwoordige kakkerlakken en termieten afstammen. De
pre-kakkerlakken
of Protoblattoidea, zijn fossiele vormen uit het late Carboon en staan
te ver weg
om ons daarmee te hoeven bemoeien. Onze eigen metgezellen, deze
bloedzuigers,
zijn waarschijnlijk afkomstig van de bont-smikkelende insecten via de
Psocidae
of Corrodentia — kleinvleugelige of vleugelloze schepseltjes, waarvan
de best
bekende vertegenwoordigers onze gewone boekenluizen zijn. De laatste
groep is
niet het rechtstreekse voorgeslacht van de luis, maar komt samen met
hen voort
uit een gemeenschappelijke stam. De komt overeen met de verhouding
tussen de
hogere apen en de mens — een verwantschap, die al te vaak onjuist wordt
opgevat
als een directe afstamming of ascendentie (hoe je dat ook wil zien),
als de
sporten van een ladder, of juister als de takken van dezelfde struik. Afstammen
van
dezelfden
voorouders
kan
op-
en
neerwaarts.
In
het
geval
van
de
luis
weten
wij
daar
betrekkelijk
weinig
van, omdat wij alleen op anatomische
gegevens kunnen
afgaan; en de ontwikkeling van vrij-levende, tot zuivere parasitaire
vormen zou
eerder een neerwaartse dan een opwaartse ontwikkeling betekenen. Bij de
mens is
de verwantschap met de apen ongetwijfeld veel nauwer dan die tussen
luis en Psocidae.
De anatomische en bloedchemische overeenkomsten zijn buitengewoon hecht
— als
scheidsrechters bij de beoordeling — en wij nemen aan, dat wij de
hoogste vorm
zijn, omdat wij mede rekening houden met psychische en geestelijke
eigenschappen, zonder dat we eigenlijk veel weten over die
eigenschappen bij apen.
Onlangs heeft een bekende bioloog op grond van anatomisch en
fysiologisch
onderzoek beweerd, dat er een veel nauwere overeenkomst bestaat tussen
de mens
en de jonge zich snel ontwikkelende antropoïde, dan tussen mens en
volwassen
aap. Volgens dat idee kunnen wij beschouwd worden als in hun
ontwikkeling
gestopte of slechtaangepaste apen, terwijl de apen, als zij dit stadium
gepasseerd zijn, een volwassenheid bereiken, waarin zij niet langer
moeite doen
voor dingen, die zij toch niet kunnen bereiken en zich daar redelijk
tevreden
bij neerleggen. Dit komt overeen met Goethe’s standpunt, dat de mens
een
eeuwige puber is. Hoe
dit ook zij, het lijkt waarschijnlijk, dat ooit in het legendarische
verleden
van de luizengeschiedenis, een nazaat van een vrijlevende vorm, niet
veel anders
dan onze boekenluis, op het idee kwam, dat het leven oneindig
eenvoudiger kon
worden, als hij, in plaats van om wat eten te ploeteren in stro, onder
boomschors, in mos, rottend graan of groente, zich vast kon hechten aan
een
voedselleverende gastheer en daar kon blijven zitten. Het is een van de
weinige
voorbeelden, waarin de natuur buitengewoon logisch schijnt in haar
processen.
De luis offert een vrijheid op, die in hoofdzaak de noodzaak tot
ploeteren betekent,
onzekerheid van voedsel en beschutting, blootstelling aan gevaren door
vogels,
hagedissen en kikkers; misschien verliest zij het plezier van het bezit
van
vleugels, maar in plaats daarvan krijgt zij een veilig bestaan zonder
inspanning op een levend eiland van overvloed. Door zich aan te passen
aan een
parasitair bestaan, heeft de luis in zekere zin het ideaal van de
bourgeois
bereikt, hoewel haar methoden directer zijn dan die van zakenlui en
bankiers,
bij wie de voedselbron niet bij zijn soort past. Zo
ontstond
dus de parasitaire luis, — het eerst misschien de bijtende, de
Mallophaga, — en
daarna ontwikkelden zich, als een toonbeeld van de oneindige
plooibaarheid in
de natuur: De kippenluis, om
er slechts enkele te noemen. Hieruit, of parallel daarmee, ontwikkelden
zich de
diertjes, waarmee wij mensen hoofdzakelijk te maken hebben. Niet
tevreden met
een dieet van veren, haren en roos, ontdekten die varianten — door een
goedgezinde
Voorzienigheid terechtgekomen op warmbloedige en dunhuidige dieren, —
door een
onbegrijpelijk vernuft (of misschien door een toevallig schrammetje,
vergelijkbaar met de ontdekking van gebraden varkens door de Chinezen),
dat
onder hun voeten een oneindige bron van rijk, rood voedsel stroomde.
Zij
ontwikkelden organen om te boren en te zuigen, en zo ontstonden: De varkensluis, en de klerenluis van de
mens 2 Wij hebben vooral met de laatste twee te maken en die zijn zo nauw aan elkaar verwant, dat zelfs nu nog, door een toevallige mesaillance als gevolg van afspraakjes onder jonge mensen ter hoogte van het nekhaar, een klerenluis zich afgeeft en kruist met een hoofdluis. Het platje (de schaamluis) kunnen we vergeten. Dat heeft waarschijnlijk een andere afstamming en is een schepseltje, dat respect noch sympathie verdient, zelfs geen angst.
Hoewel
de
menselijke
hoofdluis
het
eerst
in
het
haar
van
primitieve
wilden
terechtkwam
vanaf
vachtdragende
dieren,
schijnt
zelfs
in
dit opzicht het
voor-wat-hoort-wat
niet helemaal van één kant gekomen te zijn. Ewing veronderstelt, dat de
Ateles-apen hun luizen van de inboorlingen gekregen hebben; en de
overeenkomst
tussen de verschillende soorten apen- en mensenluizen is zo groot, dat
zij
ongestoord afwisselend op de ene en andere gastheer kunnen leven. Zelf
hebben
wij een keer wekenlang tweehonderd Arabische hoofdluizen gevoed op een
Oost-Indische
aap, met een betrekkelijk lage sterfte. Dat wisselen van gastheer is
doorgaans
niet mogelijk. Waarschijnlijk zal een luis, die zich op een vreemde
gastheer voedt,
meestal last hebben van een pijnlijke en noodlottige maagdarmstoornis. Ewing
veronderstelt
verder,
dat
de
slingerapen
hun
luizen
van
de
mens
kregen,
toen
die
laatste
zich
vanuit
de
Oude Wereld over tropisch Amerika
verspreidde. De
vacht van de Ateles-apen lijkt in ruigheid en dichtheid heel veel op
het
behaarde mensenhoofd en het bloed van die aap staat fysiologisch
dichter bij
dat van de mens dan bij dat van enige andere aap in de Nieuwe Wereld.
Die overwegingen
van Ewing zijn van groot belang voor onze biografie, omdat vaak de
vraag rijst,
of tyfus in al Amerika voorkwam vóór de verovering van Mexico. Als,
zoals Ewing
zegt, de fylogenetische ontwikkeling van de, op de Ateles-apen
parasiterende,
luizen, die van hun gastheren gevolgd is, is het waarschijnlijk, dat
luizen al gedurende
een lange geologische periode in Amerika aanwezig geweest zijn. Het
geslacht
Ateles- of slingeraap — wij citeren Elliott bij Ewing — heeft een
uitgebreid verspreidingsgebied,
dat zich uitstrekt van Zuid-Centraal Brazilië tot in het Noorden, in de
streek
van Vera Cruz in Mexico, en van de Stille-Zuidzee-kust in Ecuador tot
de kust
van de Atlantische Oceaan in Brazilië. Op grond van onze eigen
onderzoek bestaan
er in Amerika twee soorten pediculi — het ene soort is beperkt
tot de
mens en het andere tot de aap. “De luizen, die het allermeest op de
mens
voorkomen, zijn voornamelijk bastaardhoofdluizen, waarvan de zuivere
stammen
oorspronkelijk voorkwamen bij de blanke, zwarte, rode en gele volkeren,
die in
hun eigen, oorspronkelijke gebieden leefden. Voor zover bekend, kunnen
de aap-parasiterende
luizen in Amerika in bepaalde soorten onderscheiden worden naar de
gastheren,
waarop zij huizen, in zekere zin een aanwijzing van een op zijn minst
een
parallelle ontwikkeling van gastheer en parasiet. Als de apen-gastheren
dan al hun
luizen van de mens kregen, was dat niet van de huidige mens, maar van
de mens,
die tienduizenden jaren geleden leefde — lang genoeg voor hun
differentiatie in
verschillende soorten.” Eenmaal
thuis
op
het
hoofd
van
een
wilde,
ging
de
luis
over
van
volk
op
volk,
waarbij
zij
kleine veranderingen onderging in vorm en gedaante, zodat het nu
lijkt,
alsof wij uit de eigenschappen van de luizen in verschillende streken
van de
wereld, gegevens zouden kunnen afleiden over de verhouding tussen de
mensenrassen. De Pediculus humanus nigritarum, of de hoofdluis
van de Afrikaanse
Neger, is iets anders dan de hoofdluis, die op de tegenwoordige
Europese en
Amerikaanse behaarde hoofden wordt aangetroffen. De laatste lijkt een
bastaard
te zijn, met sterke trekken van de Nigritarum. De Pediculus humanus
Americanus, die gevonden wordt op de prehistorische schedels van
Amerikaanse
Indianenmummies, is ook weer anders, en die oude parasiet is op de
schedels van
levende Indianen aangetroffen samen met de Europese hoofdluis — een van
de veel
aanwinsten van de beschaving. Onze
voortreffelijke
zegsman,
Ewing,
heeft,
bij
zijn
uitgebreid
onderzoek
van
hele
reeksen
luizen,
afkomstig
van
levende
Amerikanen,
opgemerkt,
dat er
geen
correlatie was tussen de luizentypen en de rastypen van de menselijke
gastheren.
Het schijnt dat Amerika, de smeltkroes voor mensenrassen, ook de
smeltkroes
geworden is voor luizen. Ewing raakte ervan overtuigd, dat hij bij het
Amerikaanse
ras voornamelijk te maken had met bastaarden van verschillende rastypen
en zijn
overtuiging werd gesterkt door de recente ontdekking van Bacot, dat de
hoofdluis van de mens zou paren met de klerenluis en talrijke
nakomelingen op
zou kunnen leveren. Dat leidde Ewing ertoe, — in het besef dat het
zoeken naar
gegevens over de oorspronkelijke Amerikaanse luis, door hoofden van
onze
huidige intelligentsia te onderzoek, nutteloos waren — die insecten te
zoeken
op de schedels van Amerikaanse mummies. Aanvankelijk was zijn zoeken
tevergeefs,
omdat hij, hoewel hij een overvloed aan neten aantrof op de schedels
van
pre-Columbiaanse Peruviaanse mummies, geen exemplaren van
gemummificeerde
volwassen luizen kon vinden. Later kon hij zich echter, door
bemiddeling van
Dr. Lutz van het Amerikaanse Museum voor Natuurlijke Historie,
verzekeren van
scalpen of haarmateriaal van twintig prehistorische Amerikaanse
Indianenmummies.
In drie daarvan zaten niet alleen neten, maar ook luizen in alle stadia
van
ontwikkeling. Ontdekt werd dat de insecten van de Peruviaanse mummies
iets
anders waren dan die uit het zuidwesten van de Verenigde Staten en dat
alle luizen
van de prehistorische mummieschedels anders waren dan enkele van de
luizen, die
verkregen waren van een levende Indiaan. Volgens Ewing is het
waarschijnlijk,
dat onze levende Indianen de Kaukasische en de Ethiopische hoofdluis
gekregen
hebben en nu genieten van de bastaarden van die twee en de Amerikaanse
typen. Verder
dient opgemerkt te worden, dat het Amerikaanse mummietype verschilt van
Fahrenholz’ Pediculus humanus marginatus of de Japanse
variant. Shipley
vertelt
ons,
dat
de
luis
haar
kleur
aanpast
aan
die
van
de
gastheer,
zodat
we
de
Afrikaanse
zwarte luis hebben, de grijze van de Hindoe, de
geelbruine van de
Japanner, de donkerbruine van de Noord-Amerikaanse Indiaan, de
lichtbruine van
de Eskimo en de vuilgrijze van de Europeaan. Hoewel
het
bewijsmateriaal
onduidelijk
is,
is
ook
beschreven
dat
die
prehistorische
Amerikaanse
luis
geheel
overeenkomt
met
de
Chinese
hoofdluis
en met de luis, die
gevonden
wordt op de Eskimo’s van de Aleoeten — een nieuw argument voor de Völkerwanderung
via de Beringstraat. Uit
de verschillende hoofdluissoorten ontstond de klerenluis, toen de
naakte mens
kleren ging dragen. Als regel hebben de primitieve rassen geen
klerenluizen. Terwijl
de gastheer zijn beschaafde gewoonten ontwikkelde ging de luis mee en
begon
zijn poppen of neten, in plaats van aan lichaamsharen, aan de vezels
van de
kleren te hechten — en won daarmee een zekere mate van bescherming
tegen
rechtstreekse bedreigingen en een grotere bewegelijkheid. In
de ontwikkeling van hoofdluis naar klerenluis, vinden er veel
interessante
veranderingen plaats in haar gewoonten. Vrije luizen worden niet vaak
op de
huid aangetroffen. De insecten blijven in het ondergoed, dat met de
huid in
aanraking is, behalve als ze zich voeden en dan nog kunnen zij met de
poten vast
blijven zitten aan de vezels van het weefsel. Kort na de bevruchting
begint de
moederluis eieren te leggen, vijf of meer per dag, wat ongeveer dertig
dagen
voortgezet wordt. De eieren zitten dan vast aan de weefselvezels van de
kleren
met een door de neet zelf gevormde cementachtige stof. De broedtijd
hangt af
van de temperatuur. Bij een normale lichaamstemperatuur kunnen zij na
een week
uitkomen, maar als zij herhaaldelijk worden blootgesteld aan kou of
voortdurend
op een lage temperatuur gehouden worden, kan dit proces tot langer dan
een
maand gerekt worden. Om uit het ei te komen toont de jonge nimf zich
buitengewoon ondernemend. Eerst opent zij met kracht het dekseltje of
operculum. Dat verschaft haar de eerste fascinerende glimp van
vrijheid, maar de
opening is te klein om haar te laten ontsnappen. Met groot vernuft
begint het
diertje van voren lucht te happen en van achter weer uit te stoten,
waardoor de
druk toeneemt, totdat zij eindelijk de grote wereld inschiet. Het is
dan een
volgroeid luisje, het evenbeeld van de ouders; maar als zij niet gevoed
wordt,
sterft zij binnen een of twee dagen. Als zij daarentegen goed verzorgd
wordt,
vervelt zij en gaat in vier tot zeven dagen over in wat het tweede
nimfenstadium
genoemd wordt en van daaruit via een soortgelijk proces in het derde
nimfenstadium,
en die hele tijd geniet zij alle voorrechten van het luizenbestaan,
behalve de
seksuele. Pas twee of drie weken na het verlaten van het ei wordt ze
een
geslachtsrijpe luis, en dan. . . man, man! Noten
1)
Met inbegrip van de vermisten, enzovoort.
HOOFDSTUK X Nog meer over de luis: de noodzaak van dit hoofdstuk zal duidelijk zijn voor mensen die gegrepen zijn door de strekking van deze biografie..
Al
betreuren wij dit samen met de heer Babbitt,— het spijt ons te moeten
zeggen — dat
wij, als wij vooruitkijken geen enkele verandering ten goede in de
naaste
toekomst zien. Er dreigt bij ons een geestelijke verdieping aan te
komen, met
de volledige uitbuiting van onze wereld en het opraken van de eenvoudig
bereikbare spulletjes, die ons twee honderd jaar lang even onbeheerst
als de
luis hebben laten leven. 2) Het lijkt echter dat de luis op een vage
manier
gebonden is aan een materialistisch bestaan, zo lang er luizige mensen
bestaan.
Elk pasgeboren kind kan een maagdelijk terrein zijn, waardoor de luis
een
pionier blijft — altijd doof voor de aansporingen van de Van Wijck
Brooksen en
Mumfords om “eigen kracht te gelde te maken.” Voor
zover
wij
kunnen
nagaan,
is
de
luis,
zolang
de
mens
heeft
bestaan,
zijn
onafscheidelijke
metgezel
geweest.
Anders
dan andere parasieten,
verlaat zij
nooit haar gastheer behalve ten gevolge van ongeluk of rampspoed. Als
zij wordt
verbannen of als de gastheer sterft, is zij ten dode opgeschreven,
tenzij zij
onmiddellijk een andere kan vinden. Dit feit heeft veel
luizenonderzoekers met
religieuze neigingen ertoe gebracht te speculeren over de vraag, of
Adam en Eva
luizen hadden. Cowan citeert iemand uit “the Gentleman’s Magazine” van
1746,
die
in
verband
met
dit
fascinerende
probleem
zei:
“Wij
kunnen
nauwelijks
veronderstellen,
dat
zij
(de
luis)
op
Adam
en zijn gezellin huisde, —
het keurigste
paar (als we John Milton moeten geloven), dat ooit elkaars hand
vasthield. En
toch, als zij het beneden haar waardigheid achtte voor haar voedsel de
velden
af te grazen en in het stof te likken, waar had zij dan anders voedsel
kunnen
vinden?” De vraag kan nooit worden opgelost. Wij weten echter,
— zoals
we al elders hebben opgemerkt — dat er luizen voorkomen op de meeste
oude
mummies uit alle streken van de wereld, en dat die insecten beschreven
werden
bij alle wilde stammen, die door reizigers in vroegere tijden bezocht
werden.
Cowan haalt in zijn “Curious Facts in the History of Insects” het
verhaal
aan
van
Wanley
over
het
eten
van
luizen
door
de
Budini,
een
Scytische
volksstam
en
een
soortgelijke
gewoonte — die nog steeds voorkomt bij
apen —
wordt vermeld van Hottentotten en Amerikaanse Indianen. Sommige
volksstammen
dachten, net als de Engelsen in de Middeleeuwen, dat het een
geneeskrachtige werking
had — vooral tegen geelzucht. In hetzelfde merkwaardige boek treffen we
citaten
aan uit “Purchas’s Pilgrims” over de vreemde gewoonten van de
inboorlingen van Malabar, die, “als ze veel last hebben van luizen”
bepaalde
godsdienstige en heilige mannen te hulp riepen, die “alle luizen tot
zich
namen, die de anderen konden vinden en ze op hun (eigen) hoofd zetten
om ze
daar te voeden” — een daad van weldadige zelfopoffering, die alleen al
voldoende
was geweest om hen heilig te verklaren. Illustratief voor de inmiddels zeer waarschijnlijke veronderstelling over het voorkomen van tyfus onder de Azteken, vóór de komst van Cortez, is het volgende door Torquemada geciteerde verhaal:
“Tijdens het verblijf van Montezuma bij de Spanjaarden in het paleis van zijn vader, ontdekte Alonzo de Ojeda op zekere dag….een aantal kleine dichtgebonden zakjes. Hij dacht dat ze gevuld waren met goudstof, maar toen hij er een openmaakte zag hij tot zijn verbazing dat het vol luizen zat!”
Ojeda
sprak
hierover
met
Cortez,
die
toen
Marina
en
Anguilar
om
een
verklaring
vroeg.
Men
vertelde
hem
dat
de
Mexicanen zulk een plichtsgevoel hebben voor
het
betalen van hun belasting aan hun heer, dat de armsten, als zij niets
anders te
bieden hadden, dagelijks hun lichaam reinigden en de luizen opspaarden.
En als
zij er genoeg hadden om een zakje te vullen, legden zij dat aan de
voeten van
hun koning. Weizl deelt mee dat, toen hij korte tijd verbleef bij de
inboorlingen
van Noord-Siberië, jonge vrouwen die zijn hut bezochten voor de grap
luizen
naar hem gooiden. Toen hij vroeg naar de betekenis van dat
verontrustende
gedrag hoorde hij tot zijn bevreemding, dat het de gebruikelijke manier
was om verliefdheid
te tonen en een blijk van serieuze bedoelingen. Een soort van “Mijn
luis is
jouw luis”-ceremonie. Het
is echter niet nodig onszelf te beperken tot de primitieve of oude
rassen, om
de belangrijke en intieme rol te illustreren, die door de luizen in het
sociale
leven van de mensheid is gespeeld. Onder onze tegenwoordige misdeelden
komen die
kleine wezentjes in de beschaafdste centra nog zeer veel voor, hoewel
het in
een decadente plaats als, volgens Upton Sinclair, Boston, soms lastig
kan zijn
de benodigde hoeveelheid insecten te vinden, tenzij men de weg kent.
Wij hebben
zelf meegemaakt — toen een voorraad niet-geïnfecteerde luizen, om te
kweken op
een verdacht geval van tyfus, meteen nodig was —met een beroep op het
wetenschappelijke enthousiasme van een politieagent, een neger
tijdelijk in arrest
gehouden moest worden, omdat hij het enige eenvoudig ontdekte individu
was, dat
de gelukkige bezitter was van de vurig verlangde insecten. Onnodig te
zeggen,
dat hij natuurlijk meteen werd vrijgelaten, toen hij ons edelmoedig uit
zijn
ruime voorraad had voorzien. Iedereen
die
echt
in
de
oorlog
heeft
meegevochten
weet
dat
de
luis,
zodra
de
watervoorziening
uitvalt
en
zeep
schaars wordt, of als het verwisselen
van kleren
uitgesteld moet worden, meteen weer van haar eigen territorium bezit
neemt. Het
is nog niet zo heel lang geleden, dat luizen tot in de hoogste kringen
van de
samenleving voorkwamen en als een onvermijdelijk deel van het bestaan
aanvaard
werden, — zoals de doop of pokken. Luizen
hebben
zelfs
een
rol
gespeeld
in
de
politiek.
Cowan
vertelt
een
verhaal
over
een
gebruik,
dat
in
Hurdenburg in Zweden in zwang was: in de
Middeleeuwen werd
daar de burgemeester op de volgende manier gekozen. De verkiesbare
personen
zaten met voorovergebogen hoofd rond de tafel, zodat hun baard op de
tafel
rustte. Vervolgens werd er een luis midden op de tafel gezet. Bij wie
de luis
het eerst in de baard terecht kwam, werd burgemeester in het volgende
jaar. De
manier van leven tijdens van de Middeleeuwen, maakte het
onvermijdelijk, dat
iedereen luizen had. In het Engeland van de twaalfde en dertiende eeuw
waren de
huizen van de armen maar hutjes, met alleen een gat in het dak waardoor
de rook,
van het in het midden brandende vuur, naar buiten kon; en bij koud weer
kropen de
gezinnen ‘s nachts bij elkaar, zonder hun eenvoudige kleren, —
gewoonlijk een
enkel hemd, — die zij overdag droegen, te wisselen. Van wassen was
praktisch
geen sprake en de beter gesitueerden — die het in hun slecht verwarmde
woningen
niet veel behagelijker hadden, — droegen een groot aantal
kledingstukken, die
zij slechts zelden verwisselden. MacArthur’s verhaal over de begrafenis
van
Thomas Becket illustreert dat als volgt: “Op de avond van de negenentwintigste
december werd de Aartsbisschop in de Kathedraal van Canterburry
vermoord. Zijn
lijk lag de hele nacht in de Kathedraal en werd de volgende dag voor de
begrafenis gereedgemaakt. De Aartsbisschop was gekleed in een
buitengewone verzameling
kledingstukken. Hij had een wijde, bruine mantel aan; daaronder een
witte
stola; daaronder een jas van schapenwol; dan nog een lamswollen kleed
en
daaronder nog een derde wollen japon; daaronder de zwarte monnikspij
met kap
van de Benedictijnerorde; en daar weer onder droeg hij een hemd en
vervolgens
op de huid een merkwaardig haren kleed bedekt met linnen. Toen het
lichaam koud
werd, begon het ongedierte, dat in die veellagige kledij huisde, naar
buiten te
kruipen en, zoals MacArthur de kroniekschrijver aanhaalt: “Het
ongedierte
kookte over als water in een pruttelende ketel, en de toeschouwers
barstten beurtelings
uit in lachen en wenen.” De
gewoonte om het hoofd kaal te scheren en een pruik te dragen, was
ongetwijfeld deels
toe te schrijven aan een poging om het ongedierte in bedwang te houden.
In heel
Europa namen de heren en dames daar hun toevlucht toe, maar hun pruiken
zaten
vaak vol neten. Pepys heeft het daar op verschillende plaatsen over en
beklaagt
zich erover dat zijn nieuwe pruik, die hij gekocht had vol neten zat.
“Vandaar
naar Westminster, naar mijn barbier, om mijn pruik, die hij onlangs
voor mij
maakte, te laten reinigen van de neten; het ergerde mij zeer, dat hij
mij zulk
een ding in de handen had gestopt.” Zelfs in de hoogste kringen was de kwestie luizen en krabben een groot probleem; en ook in de deftigste families hoorde bij de opvoeding van de kinderen het leren omgaan met ongedierte. Als Reboux spreekt over de opvoeding van een Franse prinses uit het midden van de zeventiende eeuw, vertelt hij: “Men had de prinses zorgvuldig bijgebracht, dat het ongemanierd was, om uit gewoonte en niet uit noodzaak te krabben en het niet netjes was luizen of vlooien of ander ongedierte te vangen en te doden in gezelschap, tenzij in zeer intieme kring.”
Hij
geeft nog een ander treffend staaltje van het, zelfs onder de
aristocratie,
algemeen voorkomen van luizen. De jonge graaf de Guiche was bij de
Koning in
ongenade gevallen, omdat hij verliefde blikken had laten vallen op
Madame, de
schoonzuster van de koning. Deze ontbood de vader van de graaf om hem
de
verbanning van zijn zoon mee te delen. Die was nog niet uit bed, toen
zijn
vader terugkwam. Toen de oude Maarschalk voor het bed stond, kroop er
een luis
onder zijn pruik vandaan, die langs de diepe groeven in het voorhoofd
van de
oude heer kroop, langs de rand van zijn borstelige wenkbrauwen struinde
en weer
terug onder het haar van de pruik. De hele preek ging verloren, omdat
de Graaf
de Guiche de avonturen van het insect gadesloeg. Zelfs
tot
ver
in
de
achttiende
eeuw
werden
luizen
als
iets
onontkoombaars
gezien.
Een
generatie
lang
hebben
de
bacteriologen
zich afgevraagd, of de
aanwezigheid van
colibacillen in het darmkanaal niet een fysiologische bedoeling had,
omdat zij zo
algemeen voorkwamen. Om soortgelijke redenen veronderstelde die anders
zo
verstandige Linnaeus, dat kinderen door hun luizen voor een aantal
ziekten
behoed werden. In
het verhaal over George Washington van Rupert Hughes, treffen we de
volgende
passage aan over “De Regels van Wellevendheid”, die door Washington op
zijn
veertiende jaar werden overgeschreven: “Dood geen ongedierte als
vlooien,
luizen, teken, enzovoort, onder de ogen van anderen; wanneer gij enig
vuil of
Speeksel Ziet, plaats er dan Behendig uw voet op; wanneer het zich
bevindt op
de Kleren van uw Gezelschap, verwijder het dan Onopgemerkt en als het
op uw
eigen kleren Zit, bedank hen, die het voor u wegnemen.” Sinds de Koloniale tijd is dat allemaal veranderd. De luis is totaal verbannen uit beschaafde kringen, en ook al staat er — bij de middenstand — geen auto in elke garage, er staat bijna wel overal een badkuip in elk buitenhuis en in elke flat. En steeds meer verdwijnt de gewoonte om de badkuip als kolenbergplaats te gebruiken. De luis is daardoor in beschaafde landen beperkt tot steeds in aantal afnemende bevolkingsgroepen, die in ellende en armoede leven. Maar zijn er toch nog steeds velen onder ons en nog streken op aarde, waar het leven nog primitief is, waar badkuipen een luxe blijven en baden een contrarevolutie betekent. De luis zal nooit volkomen uitgeroeid worden en altijd zullen er gelegenheden zijn, waarbij zij zich op grote schaal zal verspreiden, zelfs onder grote delen van de meest hygiënische volkeren.
En zolang zij bestaat, blijft de mogelijkheid bestaan van tyfusepidemieën.
Noten
1) Professor L. J. Henderson’s lezing over Pareto zou ongetwijfeld een onschatbare hulp blijken te zijn bij de verbreiding van die gedachte. 2) In
één belangrijk opzicht is de beschuldiging
van
Rousseau-achtige neigingen niet helemaal rechtvaardig tegenover de
luis. Hoewel
zij bij haar andere lusten een ogenschijnlijk moeiteloos en losbandig
bestaan
leidt, is haar seksuele leven ongeëvenaard verstandig ingericht. De
natuur
heeft het zo beschikt dat de nimf — dat wil zeggen, in wat de
middelbare school
of “vrijgevochten” leeftijd van de luis genoemd zou kunnen worden — nog
niet
beschikt over geslachtsorganen. Die verschijnen niet vóór de volwassen
leeftijd
en de voortplanting is dus verdaagd tot een verantwoordelijke leeftijd
wordt
bereikt. Een puberend bohémienachtig bestaan, “zich uitleven”,
“zelfexpressie”
enzovoort, gaan bij de jongere generatie het D. H. Lawrence-stadium
nooit te
boven. Hoeveel lichamelijk lijden en morele verwarring zouden vermeden
kunnen
worden, als een dergelijke regeling bij ons de seksuele rijpheid kon
uitstellen, totdat die door interne secretie vanuit de volledig
ontwikkelde
intellectuele en morele hersenwindingen gestimuleerd zou worden. Het
daarmee
gepaard gaande wegvallen van inspiratiebronnen voor mensen als Theodore
Dreiser, William Faulkner, Ernest Hemingway en anderen, zou ruimschoots
gecompenseerd worden door nieuwe bronnen.
HOOFDSTUK XI Veel
over
ratten — weinig over
muizen. 1 Het
staat nu inmiddels wel duidelijk vast, dat het onderwerp van onze
biografie
tijdens enkele stadia van haar avontuurlijke bestaan, nauw verband
houdt met
ratten. Omdat het onze bedoeling is een evenwichtig relaas te
schrijven, niet
verstoord door overdreven nadruk of weglatingen, wordt het nodig enige
aandacht
te schenken aan de knaagdieren, die een even belangrijke rol in de
geschiedenis
van de mensheid spelen als de andere gastheren van de tyfus. Als wij de
ratten
behandelen, moeten wij evengoed aandacht schenken aan hun kleinere
broeders, de
muizen, — niet alleen omdat wat ratten kunnen, muizen ook, hoewel in
mindere
mate, kunnen, maar omdat het tyfusvirus in sommige muizen goed in leven
kan
worden gehouden, wat wil zeggen, dat ook zij het onderwerp worden van
verdere
epidemiologische studie. Een nauwe verwant van onze tyfus, de Japanse
Tsutsugamushi-koorts,
wordt inderdaad door de hooimijt van veldmuis op mens overgebracht. 1) Wat
betreft het verband tussen ratten en tyfus zijn de inmiddels bekende
feiten in
zekere zin nog rudimentair. Het enige wat we met zekerheid weten is dat
het
virus van de tyfus uit de Nieuwe Wereld aangetroffen in de rattenvlo en
in de
hersenen van ratten, die gevangen werden in een epidemische haard in
Mexico
City. Het is mogelijk dat op de genoemde plaatsen de ziekte door de vlo
van de
geïnfecteerde rat op de mens is overgebracht. Wij weten ook, dat ratten
in het
Middellandse Zee-bekken op dezelfde manier geïnfecteerd zijn.
Onderzoekingen
van de laatste paar jaar lijken aan te tonen, dat het virus van het
Mexicaans-Amerikaanse
type van tyfeuze koorts, evenals de endemische variant in het
Middellandse
Zee-bekken, zich uitstekend heeft aangepast aan knaagdieren; dat die
dieren —
de ratten — dragers van het virus zijn in de perioden tussen de
epidemieën bij
de mensen; en dat het van rat op rat wordt overgebracht door rattenluis
(polyplax)
en rattenvlo (Xenopsylla) en van rat op mens door de rattenvlo. Daarom
spreekt
Nicolle hierover als het “murine”-virus. Het virus, dat verkregen wordt
van de,
in de klassieke tyfushaarden van Oost-Europa en Afrika voorkomende
gevallen, is
minder virulent voor knaagdieren en op grond van waarnemingen, die te
specialistisch zijn om hier te beschrijven, zijn er redenen om te
geloven, dat dit
virus zich eeuwenlang heeft voortgeplant, niet alleen in ratten, maar
ook in
menselijke dragers. Met geïnfecteerde menselijke individuen is de
Europese
infectie als “ziekte van Brill” in Amerika geïmporteerd, zodat we ons
tegenwoordig
in Amerika over het bezit van beide varianten kunnen verheugen. Het is
meer dan
waarschijnlijk, dat het virus in beide gevallen afkomstig is van een
gemeenschappelijke stam, die oorspronkelijk de knaagdieren infecteerde.
Vandaar
onze speciale belangstelling voor die diertjes. Ze worden belangrijke
objecten
als wij de epidemiologie naspeuren niet alleen van tyfus, maar ook van
de pest
— twee rampen die samen met de wreedheid van de mens het meest
verantwoordelijk
zijn voor zoveel verdriet, lijden en dood door de eeuwen heen. Het
is een merkwaardig feit, dat de mensheid, lang voordat er enige kennis
mogelijk
was omtrent het gevaarlijke karakter van knaagdieren als ziektedragers,
die dieren
vreesde en vervolgde. Sticker heeft een groot aantal gegevens verzameld
over
dit onderwerp uit de oude en middeleeuwse literatuur en heeft in de
folklore
van het Europa van de Middeleeuwen veel bewijsmateriaal gevonden, dat
wijst op
een vaag herkennen van het verband tussen epidemie en ratten. In het
oude
Palestina beschouwden de Joden alle zeven variëteiten van de muis
(akbar) als
onrein en ongeschikt als voedsel voor de mens, evenals het varken. De
aanbidders van Zoroaster hadden een afkeer van waterratten, en
geloofden dat
het doden van ratten een dienst aan de godheid was. Het ook
veelzeggend, dat
Apollo Smintheus, de god die geacht werd tegen ziekte te beschermen,
ook de
muizendoder genoemd werd en de bisschoppen van de vroege Katholieke
kerk
smeekten de Heilige Geertruida bescherming af tegen pest en muizen. Het
jaar 1498
was, vertelt Sticker ons, een ernstig pestjaar in Duitsland; in
Frankfort waren
zoveel ratten, dat er op een brug in de stad dagelijks enige uren lang
een
wachter werd geposteerd, die de opdracht had voor elke rat, die hem
gebracht
werd, een pfennig te betalen. De man sneed de staart af van de rat —
waarschijnlijk als een primitieve methode om ze te tellen — en gooide
de kadavers
in de rivier. Volgens Sticker spreekt Heine over een belasting, die in
de
vijftiende eeuw van de Joden in Frankfort geheven werd en bestond uit
het
jaarlijks inleveren van vijfduizend rattenstaarten. De folklore, die in
een
aantal verschillende delen van Europa gedurende de grote pestepidemieën
ontstond,
noemt katten en honden de erfvijanden van ratten en muizen en
beschermers tegen
de pest. De
meeste geleerden zijn het er over eens, dat er in de klassieke
literatuur geen
betrouwbare vermelding voorkomt over ratten — als zodanig. De Grieken
hadden
het woord μυς,. Herodotus noemt de veldmuis αρουραιος,. De
uitdrukking μυςενπιττη (muis in een fles zuur) betekende: “in
de knoei of in
moeilijkheden
zitten”. De Grieken kenden ook de υραξ, — de
Romeinen noemden hem later “Sorex” — die, hoewel hij helemaal geen
knaagdier
was (de waterspitsmuis) er genoeg op leek om samen met de muizen in de
literatuur
terecht te komen. Onze geleerde vriend Professor Rand maakt ons
opmerkzaam op
een verhaal, aangehaald door Keller (Die Antike Thierwelt), over
Heliogabalus,
die
“een
gevecht
ensceneerde
tussen
tienduizend
muizen,
duizend
spitsmuizen
en
duizend
wezels”.
Onnodig
te
vertellen,
dat
de
spitsmuizen
met de
muizen afrekenden en de wezels beide partijen te pakken kregen. 2) De Romeinen kenden de muis goed. Zij werd als een plaag beschouwd, en musculus (muisje) werd zelfs door Martianus als koosnaampje gebruikt. De stam van het woord (muishi in het Perzisch; musa, musi, in het Hindi; musiko, in het Pali) toont wel aan, dat in de Oudheid muizen wijd en zijd bekend waren.
Er is echter vroeger geen onderscheid gemaakt tussen ratten en muizen en de deskundigen schijnen het er algemeen helemaal over eens te zijn, dat niets in verwijzingen naar de muis, althans bij Grieken en Romeinen, de aanname rechtvaardigt, dat daarmee ratten bedoeld zouden zijn. Toch valt nauwelijks te geloven, dat in de hele Europese literatuur uit de oudheid geen vermelding is gemaakt van de rat, gezien in die tijd in de Oosterse landen waarschijnlijk wel ratten voorkwamen, en er een levendig verkeer over zee bestond tussen de Grieken en de havensteden om de Middellandse Zee en een geregelde graanhandel tussen Egypte en Rome. Het
is volstrekt onmogelijk vol te houden, dat er in klassieke tijd echte
ratten in
Europa voorkwamen, hoezeer dit ook de epidemiologische situatie zou
verhelderen.
Het valt te begrijpen, dat de manier van overbrengen van pest en tyfus
sinds de
Peloponnesische Oorlogen een verandering heeft ondergaan, door de
veranderde
aanpassing aan de gastheren, zowel insecten als knaagdieren. Maar het
komt ons
veel waarschijnlijker voor, dat de zoologisch verschillen tussen
knaagdieren
die zo op elkaar lijken en zou nauw aan elkaar verwant zijn als muizen
en
ratten, in oude optekeningen heel onnauwkeurig zijn, en dat er wel
ratten wel voorgekomen
zijn — maar nog niet gedomesticeerd waren. Dit zou ons meer ruimte
geven voor
veronderstellingen wat betreft de aard van epidemieën, die ongetwijfeld
zeldzaam waren onder de omstandigheden van het leven in de oudheid, zo
uitgebreid en dodelijk als zij later werden bij de latere
volksconcentraties en
stadsgewoonten. In ieder geval zouden wij, als er in die tijd ratten
voorgekomen waren in zulk aantallen als tegenwoordig, daar
waarschijnlijk
betrouwbare gegevens over gevonden hebben. Het kan best dat de
zuinigheid en
goedgeordende huishoudens, als dat van Penelope, ratten weinig
aanmoedigde om
op de mens te gaan parasiteren in een mate, waarin zij dat sindsdien
gedaan
hebben. Dat
is allemaal giswerk. Volgens de verstandigste onderzoekers van die
materie is het
niet zeker dat er, in de historische tijd tot kort voor de
Kruistochten, ratten
in Europa voorkwamen. In de prehistorie waren zij daar zeker aanwezig,
— maar
later verdwenen zij. Fossiele resten van ratten uit het Plioceen zijn
aangetroffen in Lombardije (het Mastodontentijdperk van Europa) en het
latere
Pleistoceen van Kreta. Zij waren er in de IJstijd, samen met de
bewoners van de
paaldorpen, die zij kwelden in Mecklenburg en West-Duitsland. Vanaf die
tijd
waren er weinig of geen ratten, tot duizenden jaren later. Over
het
weer
verschijnen
van
ratten
in
Europa
hebben
onze
ijverige
collega’s,
de
zoölogen,
een
enorme
hoeveelheid
gegevens
verzameld,
waarvan veel op
een interessante
manier is samengevat door Barrett, Hamilton en Hinton in hun History
of
British
Mammals en door Donaldson in zijn Memoir on the Rat. Het
zal
echter nuttig zijn om, voor we met het onderwerp verder gaan, de
treffende overeenkomst
te bekijken tussen ratten en mensen. Meer dan enig andere diersoort
zijn rat en
muis afhankelijk geworden van de mens en hebben daardoor eigenschappen
ontwikkeld, die verbazingwekkend menselijk zijn. In
de eerste plaats is de rat, evenals de mens, praktisch omnivoor
geworden. Zij
eet alles wat eetbaar is en — evenals de mens — vreet zij in geval van
nood haar
eigen soortgenoten op. Zij brengt jongen voort in alle seizoenen en is
— ook al
weer als de mens — in het voorjaar het meeste verliefd. 4) Zij
verbastert
gemakkelijk en, te oordelen naar de gespannen verhouding tussen de
zwarte en de
bruine rat, koestert zij wat dat betreft sociale- en
rassenvooroordelen. De seksen
verhouden zich tot elkaar zoals bij ons. Inteelt heeft gemakkelijk
plaats. De
mannetjes zijn groter, de vrouwtjes dikker. Zij past zich aan aan
allerlei klimaten.
Zij bestrijdt verwoed haar eigen soort, maar er hebben zich tot dusver
geen
naties gevormd. Tot nu toe heeft zij zich beperkt tot stammenoorlogen,
zoals de
mensen dat ook deden, voordat naties waren uitgevonden. Als zij
doorgaat de
mens na te apen zoals voorheen, zullen we over een paar eeuwen Franse
ratten de
Duitse zien verslinden of Nazi-ratten Communistische of Joodse ratten
zien
aanvallen; maar zo’n “beschavingspeil” ligt waarschijnlijk niet binnen
de
vermogens van enig dier. De rat is ook — net als de mens — een
individualist,
totdat zij hulp nodig heeft. Dat wil zeggen, zij vecht in haar eentje
dapper
tegen zwakkere concurrenten, of het nou om voedsel gaat of om liefde;
maar zij
weet, hoe zij legers moet organiseren en in horden moet vechten, als
het nodig
is. Donaldson,
die
zijn
berekening
voornamelijk
baseert
op
ontwikkelingsstadia
van
het
zenuwstelsel,
rekent
drie
jaar
van
een
rattenleven
als
negentig
mensenjaren.
Volgens die schaal bereikt de rat de puberteit rond zestien jaar en
staat het
moment waarop de menopauze intreedt gelijk met vijfenveertig. Als
volger van de
mens over de hele aarde, is de rat — meer dan enig ander levend
schepsel
behalve de mens — in staat geweest zich aan te passen aan alle
omstandigheden
van seizoenswisseling of klimaat. 2 De
eerste rat, die Europa bereikte, was Mus rattus — de zwarte
rat, huisrat
of scheepsrat. Zij kan binnengetrokken zijn tussen 400 en 1100 na
Christus, samen
met de horden, die in dat tijdperk van grote onrust — de Völkerwanderung
—
vanuit het Oosten Europa binnenvielen. Misschien is zij ook pas wat
later
gearriveerd, toen de eerste Kruisvaarders terugkeerden. Zij wordt niet
genoemd
in het glossarium van Epinal van 700 na Christus, maar kan bedoeld zijn
met het
woord “raet” in het Engelse woordenboek van aartsbisschop Ælfric uit
het jaar 1000
na Christus. Maar de door ons geciteerde deskundigen, vragen aandacht
voor het
feit, dat het woord “rata” de Provençaalse uitdrukking was voor de
huismuis uit
die tijd en het kan zijn dat dat woord Engeland ingang gevonden heeft.
5) Hamilton
en Hinton zeggen, dat het eerste duidelijke onderscheid tussen ratten
en muizen
aangetroffen wordt in de geschriften van Giraldus Cambrensis
(1147—1223). Daarna
wordt daar vaak naar verwezen. Er
schijnt onder de deskundigen geen meningsverschil te bestaan over de
oosterse
herkomst van de zwarte rat, hoewel er veel onzekerheid bestaat over de
vraag,
uit welk deel van de Orient zij precies kwam. De L’Isle gelooft, dat de
Mus
Alexandrinus de oorspronkelijke stam vertegenwoordigt van
de Europese Mus Rattus. Volgens hem ging die — de
Alexandrijnse rat —
niet
voor de
zevende eeuw parasiteren op de mensengemeenschap — en leidde voor die
tijd een
wild bestaan, mogelijk in de Arabische woestijn, een feit, dat zou
kunnen verklaren,
waarom zij niet met het handelsverkeer mee het klassieke Europa
binnendrong of
later, in de vroege Middeleeuwen, met de invallen van de Saracenen.
Tegen de
tijd van de Kruistochten begon zij te domesticeren en dus de mens op
zijn
reizen te volgen. Omdat zij een klimster is en daarom een scheepsrat,
verspreidde zij zich snel over de havens rond de Middellandse Zee. Haar
binnendringen
van over zee wordt volgens Hamilton en Hinton aangetoond door het woord
ποντικος, waarmee de tegenwoordige Grieken haar aanduiden; en
het
“pantagena”
van de
Venetianen. De Genuezen hielden haar abusievelijk voor een mol en
noemden haar
“Talpa,” nog een teken, dat zij nieuw voor hen was. Vanaf
het
ogenblik
van
haar
aankomst
verspreidde
de
rat
zich
over
Europa
met
een
snelheid,
die
zelfs
die
van de blanken in beide Amerika’s overtreft.
Voor het
einde van de dertiende eeuw waren zij een plaag geworden. De legende
van de Rattenfänger
von Hameln, die de kinderen de holle berg Koppenberg infloot,
omdat de stad
weigerde hem zijn loon uit te betalen, nadat hij de ratten met zijn
fluiten de
Weser ingeleid had, wordt gedateerd in of omstreeks 1284. Tegen die
tijd was de
rat Engeland binnengedrongen. Kort daarvoor had zij Ierland bereikt,
waar zij
de “vreemde” of “Franse” muis, “ean francach” werd genoemd. Onze
zegslieden
vertellen dat, zelfs tot zeer recent, in Ierland alles wat vreemd was,
“francach” of Frans heette. Nog wat later kwam de rat ook voor in
Denemarken,
Noorwegen en de aangrenzende eilanden. Rond de tijd van Shakespeare was
de
zwarte rat zo’n ontzettende plaag geworden, dat er aparte bidstonden
gehouden
werden om bescherming te vragen tegen de door haar aangerichte
verwoestingen, (zie Romeo en Julia 3e acte) en
rattenvangers
belangrijke
ambtenaren waren, die zichzelf waarschijnlijk tegenwoordig geleerden of
kunstenaars zouden noemen. Tweemaal
zo
lang
als
de
Vandalen
glorieerden
in
Noord-Afrika,
de
Saracenen
in
Spanje
of
de
Noormannen
in
Italië,
gingen
de zwarte ratten hun gang in Europa.
Hun heerschappij
viel samen met de perioden van de verwoestende pestepidemieën, die over
de slagvelden
joegen van de Dertigjarige Oorlog en over de latere uit de zeventiende
eeuw. En
gedurende de eeuwen van haar overheersing vonden de verschrikkelijkste
oorlogen
en hongersnood vergezellende tyfusepidemieën plaats, die ooit zijn
voorgekomen,
tot in onze tijd. Of de zwarte ratten van het middeleeuwse Europa
hierin een
rol speelden, blijft onzeker. Dat zij de belangrijkste plaats innamen
in de pestepidemieën
van die tijd, lijkt buiten kijf. Maar
net
zoals
de
gevestigde
beschavingen
van
Noord-Europa
weggevaagd
werden
door
de
massale
invallen
van
barbaren
uit
het
Oosten,
werd de gevestigde
overheersing
van de zwarte rat uiteindelijk teniet gedaan door de inval van horden
van de
bruine rat, of Mus Decumanus — de wilde kortneuzige en
kortstaartige Aziatische
rat, die in het begin van de achttiende eeuw over het vasteland zwierf.
Tot op
heden is de langneuzige, langstaartige en klimmende Mus Rattus allesbehalve
uitgeroeid
in
zijn
vroegere
bolwerken
en
gedijt
nog
steeds
in
slechts
betrekkelijk
kleine
groepen
langs
de
kust,
in
zeehavens, op eilanden of
in
landen als Zuid-Amerika en andere tropische streken, waar zij niet
beperkt is
tot een leven als parasiet en moet wedijveren met haar grotere en
barbaarsere rivaal,
of waar de bruine conquistadores nog niet zijn gearriveerd.
Zij
handhaaft haar vroegere superioriteit alleen nog op schepen, waar zij
zich door
haar grotere vaardigheid in het klimmen, nog steeds staande kan houden.
6) De
bruine rat kwam ook uit het Oosten. Zij staat nu bekend als de “gewone”
rat en
door een misvatting over haar herkomst, als Mus Norvegicus. De
ware
plaats van herkomst is, volgens Hamilton en Hinton, waarschijnlijk
Chinees Mongolië
of de streek oostelijk van het Baikalmeer, in welke beide streken
overeenkomstige inheemse vormen gevonden zijn. Dezelfde schrijvers
halen ook
Blasius aan, die gelooft, dat de Ouden in de buurt van de Kaspische Zee
die rat
gekend moeten hebben. Claudius Ælianus, een Romeinse retoricus uit de
tweede
eeuw, spreekt in zijn “De Animalium Natura” over dieren “wat
kleiner dan
Ichneumenons, die in oneindige aantallen van tijd tot tijd
strooptochten
ondernemen” in de landen rond de Kaspische Zee, en “rivieren
overzwemmen,
terwijl zij elkaar bij de staart vasthouden”. Hoe het ook zij, het
lijkt vast
te staan dat die rat tot de achttiende eeuw in West-Europa onbekend
was. Pallas
(1831)
vermeldt
in
zijn Zoögraphica Rosso-Asiatica dat in 1727 — een
muizenjaar — grote aantallen van die ratten na een aardbeving de Wolga
overzwommen.
Zij drongen Astrakan binnen en verspreidden zich vandaar snel in
westelijke
richting. In 1728 bereikten zij Engeland, waarschijnlijk per schip, en
werden daar
ten onrechte “Hannoverse rat” genoemd, omdat het Huis Hannover zo
weinig
populair was, hoewel zij waarschijnlijk in die tijd nog niet in
Duitsland waren
aangekomen. In Pruisen werden zij waargenomen in 1750 en in 1780 kwamen
zij daar
algemeen voor. Die rat was nog onbekend voor Buffon in 1753 en voor
Linnaeus in
1758 — maar die beide heren waren toen al “vermaarde” geleerden en
hoogstwaarschijnlijk
namen zij nog alleen maar deel aan vergaderingen. De bruine rat
arriveerde in
Noorwegen in 1762, wat later in Spanje en rond 1770 in Schotland. Tegen
1775
was zij van Engeland naar Amerika overgestoken. Zij schijnt het alleen
moeilijk
gehad te hebben in landen, waar de bevolking “spaarzaam” is. In
Schotland duurde
het van 1776 tot 1834 om van Selkirk Morayshire te bereiken;
Zwitserland durfde
zij niet eerder dan in 1869 binnen te komen, maar heeft het bij de
Zwitsers
nooit erg goed gedaan. Over Amerika verspreidde zij zich langzaam
vanwege de
woestijnen en rivieren en de lange afstanden tussen nederzettingen.
Daardoor
kwam zij pas kort na 1851 in Californië aan. Nu zij daar eenmaal is,
gedijt zij
in dat heerlijke klimaat beter dan waar ook. Tegenwoordig komt de rat
in heel
Noord-Amerika voor, van Panama tot Alaska, is doorgedrongen tot alle
minder
tropische streken van Zuid-Amerika, tot de Zuidzee-eilanden,
Nieuw-Zeeland en
Australië toe. In feite heeft zij de wereld veroverd. Alleen de
buitengewone
kou van Groenland schijnt haar niet aan te trekken. Anders dan de
Eskimo, is
zij zo verstandig geweest om, telkens als zij naar de poolstreken
gebracht was,
bij de eerste de beste gelegenheid weer naar het Zuiden te trekken. Waar
zij
ook
naartoe
is
gegaan,
overal
heeft
zij
de
zwarte
rat
en
alle
andere
knaagdieren,
die
met
haar wedijveren, verdreven. Vanuit het standpunt
van alle
andere levende wezens is de rat een uitgesproken lastpost en plaag. Er
kan
niets ten gunste van haar gezegd worden. 7) Zij kan overal leven en
alles eten.
Zij graaft een hol voor zichzelf, als het moet, maar als zij kans ziet,
betrekt
zij de woonplaatsen van andere dieren, bijvoorbeeld konijnen, en doodt
hen samen
met hun jongen. Zij klimt en zwemt. Zij is draagster van ziekten voor mens en dier — pest, tyfus, trichinella spiralis, rattenbeetziekte (ziekte van Weil), infectieuze icterus, mogelijk ook van loopgravenkoorts, waarschijnlijk van mond- en klauwzeer en een vorm van paarden-”influenza”. Haar verwoestende kracht is vrijwel onbegrensd. Lantz, van het Departement voor de Landbouw in de Verenigde Staten, heeft als volgt bij benadering een schatting gemaakt, (wij verkorten):
Zij
eten maïs, zowel gedurende de groei op het veld als in de schuren en
gaan er,
zoals bekend, soms met de helft van de oogst vandoor. Eén enkele rat
kan per jaar
veertig tot vijftig pond opeten. Zij
vernielen koopwaar, zowel in pakhuizen als tijdens transport, boeken,
leer,
paardentuig, handschoenen, stof, fruit, groenten, pinda’s, enzovoort. De
rat is de grootste vijand van pluimvee, doodt kuikens, jonge kalkoenen,
eenden,
duiven; ook eet zij enorme hoeveelheden eieren. Ratten
doden
wilde
vogels,
eenden,
houtsnippen
en
zangvogels. Zij
vernielen bloembollen, zaden, en jonge planten of bloemen. Zij
veroorzaken enorme schade aan gebouwen, door te knagen aan hout,
buizen, muren
en fundamenten. Hagenbeck
moest
drie
olifanten
afmaken,
omdat
de
ratten
aan
hun
poten
hadden
geknaagd.
Ratten
hebben
jonge
lammeren
gedood
en
gaten geknaagd in de buik van vette
varkens. Zij
hebben holen gegraven in dijken en overstromingen veroorzaakt; branden
gesticht
door aan lucifers te knagen; gaten gemaakt in postzakken en de
poststukken
opgegeten; zij hebben daadwerkelijk in India hongersnood veroorzaakt
door de hele
oogst te vernietigen in magere jaren. Zij hebben geknabbeld aan oren en neuzen van zuigelingen in de wieg; hongerige ratten hebben ooit in een verlaten kolenmijn een man verslonden.
3
Het is duidelijk, dat een volkstelling bij de rat niet mogelijk is. Het staat echter vast, dat zij zich op veel plaatsen in de wereld sneller voortplanten, dan ze uitgeroeid kunnen worden. Wij kunnen de rattenpopulatie alleen schatten naar de aantallen, die gedood worden bij georganiseerde rattencampagnes en naar de omvang van de door hen aangerichte schade. Omstreeks 1860, vertelt Shipley, was er een paardenslachterij bij Montfaucon, die men over wilde brengen naar een plaats verder van Parijs. Het aantal paardenkarkassen steeg soms tot vijfendertig op een dag en regelmatig werden die de volgende nacht helemaal schoongegeten. Dusaussois kwam op het idee om te proberen uit te vinden, hoeveel ratten bij dat gruwelijke karwei betrokken waren. Hij legde paardenvlees als aas binnen omheiningen, waar de ratten niet meer uit konden en in de loop van de eerste nacht doodde hij er 2.650. Aan het eind van de maand had hij er meer dan 16.000 gedood. Shipley schat op zeker moment het aantal ratten in Engeland op veertig miljoen. In 1881 was er een rattenplaag in enkele Indiase districten. De oogst in de voorafgaande twee jaren was beneden het gemiddelde geweest en een groot deel daarvan was door ratten vernield. Uitgeloofde beloningen voor het verdelgen van ratten, leidden tot het doden van meer dan 12.000.000 ratten. Shipley schat dat één enkele rat per jaar voor ongeveer 7,6 shilling schade aanricht, wat voor Groot Brittannië en Ierland een belasting betekent van 15.000.000 pond per jaar. Het kost ongeveer 60 cent tot 2 dollar per jaar om een rat op graan te laten leven. Elke rat op een boerderij kost jaarlijks ongeveer 50 cent. Lantz voegt daaraan toe dat hotelmanagers vijf dollar per jaar als een lage schatting beschouwen voor de schade die een rat veroorzaakt. Hij denkt, dat een schatting van een rat per acre in dichtbevolkte streken niet overdreven is en dat er in onze meeste steden evenveel ratten als mensen leven. In 1909 deed hij een onderzoek naar de totale schade, die door de ratten in Washington en Baltimore bij benadering was aangericht. Uit de verkregen gegevens, berekende hij dat de schade in de twee steden respectievelijk 100.000 en 175.000 pond beliep — wat, gezien de omvang van de bevolking, een gemiddeld verlies opleverde van 1,27 dollar per persoon per jaar. Op dezelfde basis leed de stadsbevolking in de Verenigde Staten, toentertijd 28.000.000 zielen, een rechtstreekse schade van 35.000.000 dollar per jaar. In Denemarken kost een rat naar schatting ongeveer 1.20 dollar per persoon; in Duitsland 85 cent; in Frankrijk iets meer dan 1 dollar. Voeg hierbij nog het onschatbare waardeverlies van eigendommen en de kosten van bescherming.
Dit
heeft allemaal niets te maken met ons eigenlijke onderwerp, maar wij
gingen uit
van ratten en het is even terecht aandacht te schenken aan het
probleem, wat
het uitroeien van ratten voor hygiënische doeleinden in andere
opzichten
waarschijnlijk zou betekenen. De
enorme
snelheid, waarmee ratten zich over de werelddelen verspreidden, valt
gemakkelijk te begrijpen, als men de waarnemingen leest over,
daadwerkelijk in
de huidige tijd plaatsgevonden, rattenverhuizingen. De seizoenstrek van
ratten uit
gebouwen naar het open veld vindt plaats als het weer begint warm te
worden en
het gewas op de akkers groeit en met het invallen van de kou keren zij
weer
terug naar hun schuilplaatsen. Dr. Lantz deelt ons mee, dat in 1903
horden
ratten door verschillende provincies in het Westen van Illinois
trokken. Ze
doken plotseling op, terwijl zij verschillende jaren niet in bijzonder
grote
getalen gezien waren. Een ooggetuige vertelde Lantz, dat hij, toen hij
op een met
maanlicht overgoten avond naar zijn woning terugkeerde, vlakbij in een
veld
geritsel hoorde en een groot rattenleger voor zich de weg zag
oversteken. Het
rattenleger strekte zich uit zover hij in het maanlicht vooruit kon
zien. Dit
was ongetwijfeld nog vóór het Achttiende Amendement, maar er moet iets
achter gezeten
hebben, omdat in de hele omliggende streek van boerderijen en dorpen in
de daarop
volgende winter en zomer door de ratten ernstige schade werd
aangericht. In de
maand april werden ongeveer 3.500 ratten in vallen gevangen. Lantz zelf
zag een
soortgelijke trek in 1904 in het dal van de Kanas-rivier; en
Lantz, die
in die tijd officier was en behoorde tot de United States Agricultural
Service,
kan niet onder de verdenking vallen, die gewekt wordt door verhalen
over bij
maanlicht waargenomen rattenlegers. In Engeland heeft elk jaar in
oktober een
algemene rattentrek plaats, vanaf de kust landinwaarts en in verband
staat met
het sluiten van de haringtijd. Tijdens de haringvangst zwerven de
ratten langs
de hele kust, aangetrokken door het visafval als voedselbron; na afloop
van het
seizoen, keren zij terug naar hun gewone verblijfplaatsen. In
Zuid-Amerika komen,
volgens Lantz, met tussenpozen van ongeveer dertig jaar periodiek
rattenplagen
voor in Parana en Brazilië. In Chili is hetzelfde waargenomen met
tussenpozen
van vijftien tot vijfentwintig jaar. Het onderzoek naar die migraties
hebben
aan het licht gebracht, dat de rattenplagen verband houden met het
rijpen en vergaan
van de meest voorkomende bamboesoort in elk land. Het rijpende zaad in
de bossen
verschaft de ratten voor een jaar of twee een geliefd voedsel. Zij
vermenigvuldigen zich enorm en soms, als die voedselvoorziening
onvoldoende is,
gaan zij terug naar bebouwde streken. In 1878 werd in de staat Parami
een
hongersnood veroorzaakt door de volkomen vernietiging van de maïs-,
rijst- en
maniokoogst door ratten. De invasie van ratten op Bermuda in 1615 en
hun
plotselinge verdwijning zijn even dramatisch als de opkomst en het
verval van een
aantal kortstondige Indianenrijken in Centraal- en Zuid-Amerika. Zwarte
ratten verschenen
in datzelfde jaar en in de eerstvolgende jaren namen zij met
ontstellende
snelheid toe. Zij verslonden vruchten, planten en bomen in zo’n omvang,
dat er een
hongersnood op volgde en een wet werd uitgevaardigd die iedereen
verplichtte twaalf
vallen uit te zetten. Niets baatte echter, totdat ten slotte de ratten
zo plotseling
verdwenen, dat men wel moet aannemen, dat zij aan een besmettelijke
ziekte
stierven. Zoals
we
er
in
een
eerdere
passage
al
op
wezen,
lijkt
de
natuurlijke
historie
van
de
rat
vreselijk
veel
op die van de mens. Ontstaan uit wijd uiteenlopende
richtingen binnen de evolutie, bereikten mensen en ratten hun huidige
lichamelijke ontwikkelingsstadia binnen een paar honderdduizend jaar —
omdat we
overblijfselen van beiden onder de fossielen uit de ijstijd gevonden
hebben. Een aantal van de opvallendste eigenschappen, waarin ratten op mensen lijken — wreedheid, omnivoor zijn en aanpassingsvermogen aan alle klimaten — werden hierboven al genoemd. Wij hebben ook gezinspeeld op de onverantwoordelijke vruchtbaarheid, waarmee beide soorten zich in alle jaargetijden vermeerderen zonder te denken aan de gevolgen, wat hen slachtoffer maakt van massale rampspoed door een onvermijdelijk voedseltekort. Wat dat betreft is het alleen maar eerlijk om — ter rechtvaardiging van de mens — te constateren dat, voor zover wij kunnen nagaan, de rat dit alleen doet uit zijn eigen vrijwillige en domme gulzigheid, terwijl de mens naast zijn lagere instincten moet ook nog worstelen met traditie, vroomheid en de plicht om kanonnenvlees te leveren. Maar dit zijn per slot van rekening verschijnselen van de menselijke biologie en de mens kan niet van verantwoordelijkheid voor zijn stompzinnigheid ontheven worden, omdat die meer het resultaat is van eigenwijsheid dan zuiver instinct — en helemaal niet, als het dezelfde rampen oplevert.
Rat
noch de mens heeft sociale, commerciële of economische stabiliteit
bereikt. Die
is wel, volmaakt of tot op zekere hoogte, bereikt door mieren en bijen
en door
sommige vogels en vissen in de zee. Mens en rat zijn tot nu toe slechts
de meest
succesvolle prooidieren. Zij zijn uiterst schadelijk voor andere
levensvormen.
Geen van beiden heeft op aarde ook maar het minste nut voor enig andere
soort
levende wezens. Bacteriën voeden planten, planten voeden mens en dier.
Insecten
zijn in hun goed georganiseerde gemeenschappen, schadelijk voor de ene
vorm van
levende wezens, maar nuttig voor een andere. De meeste andere dieren
nemen er
genoegen mee een geregeld en vredig bestaan te leiden; zij verheugen
zich in
hun kracht, zijn dankbaar voor de gave van het leven en richten zo min
mogelijk
schade aan om te krijgen, wat zij nodig hebben. Mens en de zijn uiterst
schadelijk. Alles, wat de natuur biedt, plant of dier, wenden zij voor
hun
eigen doeleinden aan. Geleidelijk
hebben
die
twee
zich
over
de
aarde
verspreid,
gelijke
tred
met
elkaar
houdend,
niet
in
staat
elkaar
te
vernietigen, hoewel zij voortdurend op vijandige
voet met
elkaar staan. Zij zijn van Oost naar West getrokken, gedreven door hun
lichamelijke behoeften, en — anders dan enige andere soort levende
wezens —
voeren zij strijd tegen hun eigen soortgenoten. De geleidelijke,
meedogenloze,
steeds toenemende verdelging van de zwarte door de bruine rat kent in
de natuur
geen enkele parallel, die zo nauw overeenkomt met de uitroeiing van het
ene
mensenras door het andere. Heeft de Mus Decumanus de Mus Rattus
soms verdreven door andere eigenschappen dan die, waarmee de Denen
Engeland
overwonnen, Noormannen de Saksische Denen, Noormannen de Siciliaanse
Mohammedanen, Moren de Latijnse Iberiërs, Franken de Moren, Spanjaarden
de
Azteken en Inca’s, en de Europeanen in het algemeen de eenvoudige
inboorlingen overal
ter wereld? Bij beide soorten is het gevecht door de sterkste
genadeloos
geweest. En de sterken zijn meedogenloos geweest. De lichamelijk
zwakken werden
door de sterken verdreven — vernietigd of gedwongen tot een slavernij,
waarin
zij het moeten stellen zonder de gaven, die voor allen gelijk waren.
Geïsoleerde
kolonies zwarte ratten overleven, zoals zwakke naties overleven tot de
sterken
het weinige opeisen, dat zij nog bezitten. De
rat heeft een excuus. Voor zover wij weten, schijnt zij geen ziel
ontwikkeld te
hebben, of die ongrijpbare eigenschap van rechtvaardigheid, mededogen
en redelijkheid,
die de psychische evolutie de mens geschonken heeft. Wij moeten niet
teveel
verwachten. Het kost wel honderdduizend jaar om botuitsteeksels te
veranderen
of de richting van een spier; veel langer nog om een kieuw te
ontwikkelen tot
een long of om een staart te laten atrofiëren. Er zijn maar
vijfentwintighonderd jaar verlopen sinds Plato, Boeddha en Confucius;
maar
tweeduizend jaar sedert Christus. Intussen hadden we Homerus, en Sint
Franciscus, Copernicus en Galileï, Shakespeare, Pascal, Newton, Goethe,
Bach en
Beethoven en een groot aantal mannen en vrouwen van kleiner formaat,
die de evolutionaire
mogelijkheden van de menselijke geest hebben laten zien. Al zijn zulke
geesten
zeldzaam en dun gezaaid over een tijdvak van drieduizend jaar, zij
vertegenwoordigen nog steeds de afwijkingen, die wijzen op de grote
mogelijkheden van een gelukkige genetische combinatie. En die moeten
onvermijdelijk
toenemen als de omgeving in haar geheel gunstig blijft. Als er geen
duidelijke tekenen
lijken te zijn van vooruitgang in geest of verstand, laten we zeggen,
tussen de
beste tegenwoordige geesten en Aristoteles, dan moeten we bedenken, dat
in
termen van evolutionaire verandering drieduizend jaar verwaarloosbaar
zijn. Als,
zoals in de grote oorlog van 14-18, met haar daaropvolgende dwaasheden,
de mensheid
weer helemaal terugkeert tot het beschavingspeil van de rat, toont dat
duidelijk aan, hoe rudimentair de vooruitgang van onze beschaving is
vanaf de Neanderthaler,
— hoe gemakkelijk het dunne, geestelijke vernis barst onder enige druk,
waardoor
het Neolithische beest in hem ontwaakt. Desondanks is dat beest
misschien drie-
of vijfduizend jaar geleden begonnen na te denken en tastend zijn weg
te zoeken.
Op zichzelf staande verworvenheden hebben aangetoond, waartoe geest en
verstand
in staat zijn, als er een gelukkige combinatie van genen plaatsvindt
onder
omstandigheden, die het begenadigde individu toestaat te rijpen. En de
onbegrijpelijkste, maar hoopvolste kant van de zaak is het feit, dat
opeenvolgende
generaties altijd een evenredig aantal individuen hebben voortgebracht,
die
voldoende boven de onbeschaafde massa uitreikten om de eerbied levendig
te
houden voor die verheven verworvenheden, waarvan zij een steeds groter
erfgoed maken.
Het is meer dan waarschijnlijk — biologisch gezien — dat door die
toenemende opeenhoping
van het beste, wat de eminentsten van onze soort hebben voortgebracht,
de
evolutie naar iets hogers met verloop van tijd in snelheid zal toenemen
en dat
over nog eens honderdduizend jaar de vergelijking van mensheid met
ratten
minder beschamend duidelijk zal uitvallen. Mens en rat zullen altijd als onverzoenlijke vijanden tegenover elkaar staan. En de machtigste wapens van de rat tegen de mensheid zijn altijd de ziekteverwekkers geweest van pest en tyfeuze koorts, die zich in hem gehandhaafd hebben.
Noten
1) Voor de volgende classificatie van de knaagdieren zijn wij dank verschuldigd aan Professor Paul A. Moody (ontleend aan Rodent Classification, base on List of North American Recent Mammals, 1923, by Gerrit S. Miller, Jr., Bull. 128, U. S. National Museum: ANDERE KNAAGDIEREN: Onderorde Muridae Familie Cricetedae Subfamilie
Cricetidae (Nieuwe Wereld): Genus Sigmodon katoenrat Subfamilie Microtinae: Genus Microtus, veldmuis (Subfamilie bevat o.a. ook de lemming en muskusrat) Familie Muridae (Nieuwe Wereld) Subfamilie Murinae Genus Micromys, Europese dwergmuis Genus Rattus, zwarte rat, vroeger Epimys rattus Rattus norvegicus, Noorse rat of huisrat Genus Mus, huismuis 2) In
verband met dit verhaal over Heliogabalus
is het
bijzonder vreemd, dat er geen ratten betrokken waren bij dit
merkwaardige
vermaak. Volgens Hamilton en Hinton kwam de rat “ongetwijfeld in het
Oosten
voor in tijd van de Kruisvaarders en had vaste voet aan de grond in
Europa kort
na 1095”. 4) Op het eerste gezicht lijkt de vruchtbaarheid van de rat die van de mens verre te overtreffen; want de ratten worden geslachtsrijp zodra zij iets meer dan halfvolgroeid zijn, en werpen een of twee maal per jaar, gemiddeld vijf tot tien jongen. Het verschil met de mens is echter niet zo treffend, als je je de berekening van Donaldson voor ogen houdt, namelijk dat één rattenjaar gelijkstaat met dertig mensenjaren. — Hij trekt ook een vergelijking met de menselijke samenleving van vroeger — met de primitieve gemeenschappen of voordat de humane en gezonde maatregel van de geboortebeperking was begonnen de verboden van de godsdienst in dergelijke aangelegenheden te verzwakken. Er zouden nog veel meer voorbeelden aangehaald kunnen worden van toestanden die niet zo ver afstaan van die bij de ratten, zoals b.v. het verhaal van Samuel Wesley, de vader van John, dat wij ontlenen aan een bespreking van J. C. Minton van de biografie van Laver over Wesley. Samuel had veertien kinderen samen met zijn goede Sukey nog voor 1701, het jaar waarin hij haar verliet, omdat zij weigerde te bidden voor Willem III als de wettige koning van Engeland. Toen Koningin Anna de troon besteeg, verzoende hij zich weer met haar en verwekte bij de gelukkige vrouw nog vijf kinderen. De oudste van dit teken van verzoening was de onsterfelijke John Wesley. 5) Ratten en muizen behoren tot dezelfde soort en de innigheid van hun verwantschap wordt bewezen door de proef van Ivanoff, die een witte muis kunstmatig insemineerde met het zaad van een witte rat, waaruit na een zwangerschap van zevenentwintig dagen twee bastaarden geboren werden. Muizen zouden zich uit ratten ontwikkeld kunnen hebben onder omstandigheden, waarin het verkieselijker was in een klein hol te kunnen kruipen dan groot en woest te zijn — waarvan de voordelen gewaardeerd kunnen worden door de mensen, die in de naoorlogse jaren geleefd hebben 6) Onlangs werden er bij een ratteninspectie in Boston alleen in een klein en omschreven gebied, dicht bij de dokken, zwarte ratten gevonden. 7) Natuurlijk zouden ratten een goedkoop soort voedsel kunnen vormen. Zij zijn in noodgevallen ook zonder schade gegeten — bij het beleg van Parijs in 1871 en daarvoor door het Franse garnizoen op Malta in 1798, toen volgens Lantz voedsel zo schaars was, dat een rattenkadaver een groot geldbedrag opleverde. Dezelfde schrijver vermeldt dat Dr. Kane van het poolschip Advance, de hele winter door ratten at en zo scheurbuik wist te vermijden, — waaraan zijn kieskeuriger metgezellen wel allemaal leden. Voor het volgende verhaal kunnen wij niet instaan. Men heeft ons verteld, dat een geleerde knaagdierenspecialist enige jaren geleden een voordracht hield op een van de belangrijkste universiteiten van de Verenigde Staten. Na de lezing werd hij meegenomen naar een restaurant, dat vermaard was om zijn schildpadgerechten. Het maal smaakte hem uitstekend en hij prees de kwaliteit van het pièce de resistance, maar de botjes op zijn bord herkende hij als rattenbotjes. Men zegt, dat hij later de witte rattenkwekerij bezocht heeft, waar de “schildpad” was gefokt. Je zou dit ook als een commerciële mogelijkheid kunnen zien. Robert Southey heeft een keer geopperd, dat het eerste vereiste voor de uitroeiing van de rat, is er een delicatesse van te maken.
HOOFDSTUK XII Eindelijk
zijn
we
zover
dat
wij
het
onderwerp
van
onze
biografie
rechtstreeks
kunnen
aanpakken.
Wij
bekijken
de
intieme
familierelaties, rechtstreekse
voorouders en
incubatietijd van tyfus.. 1 Een
groot deel van het voorafgaand, was een bijkomstigheid bij het
nauwkeurige
literatuuronderzoek van de infectieziekten — ondernomen met het doel
ons ervan te
vergewissen, hoe vroeg in de beschreven geschiedenis herkenbare
beschrijvingen
van tyfus voorkomen. Het zoeken leverde zoveel bijkomende gegevens op
en gaf
aanleiding tot zoveel veronderstellingen, dat wij het zo leuk vonden
die te
bespreken, dat wij van het ene zijspoor naar het andere afdwaalden. Wij
volgden
daarbij onze speurneus en vergaten helemaal de lezer, die eigenlijk —
door onze
inleiding — ertoe gebracht was aan te nemen, dat hij wat over de
tyfeuze koorts
zou gaan lezen. Tot onze spijt en niet zonder verbazing moeten wij dus
bekennen, dat wij ontdekt hebben dat het grootste stuk van het boek al
ons uit
de pen gevloeid is en het doel, waarvoor het is opgezet, nog oningevuld
is. De
verleiding om uit te weiden is sterk en zelfs nu nog laten wij ons
meetronen
naar herinneringen aan roerige tijden in de epidemische streken van het
naoorlogse Europa, om dan weer de tyfus uit te stellen en te overwegen,
in
hoeverre pestilentie en hongersnood hebben bijgedragen tot de
economische en sociale
omwentelingen van dat ontregelde vasteland. Zullen de historici uit die
periode
wel bedenken, dat Rusland, door al de beroeringen heen, die voerden tot
de
vestiging van de Sovjet Republiek — naast oorlog en gewelddadige
revolutie — in
een onvoorstelbare mate te lijden had van twee cholera-epidemieën, van
een
hongersnood, die sedert de Dertigjarige Oorlog zijn weerga niet kende,
van
tyfus, malaria, typhoid, dysenterie, tuberculose en syfilis, behalve
voor de
hulpeloze ooggetuigen? Tarassewitch schatte het aantal tyfusgevallen
(nauwkeurige statistieken waren onmogelijk) tussen 1917 en 1923 op
30.000.000 met
3.000.000 doden, alleen in Europees Rusland. Tarassewitch — wat een man! Wij denken aan hem op ogenblikken van neerslachtigheid en putten dan moed uit zijn enthousiasme. Alsof wij het voorrecht hebben gehad te mogen dineren met een koning, zo denken wij terug aan het ontbijt van brood, kaas en thee, dat wij aan zijn tafel genoten. “Dit is ten slotte mijn land,” zei hij. “Er zijn er van ons maar weinig over, die opgeleid zijn voor dit werk. Ik ben een Rus en dit is mijn volk.” Hij zei het eenvoudig, merkwaardig schuchter, zonder enig effectbejag, alsof hij bang was, dat wij zouden kunnen denken, dat hij zich als een held wilde voordoen. Hij had talloze kansen om te ontsnappen aan omstandigheden, die hem van alles beroofden, naast de gelegenheid te delen in het lijden van een ongelukkige natie. Hij en anderen als hij — Zabolotny, Korschun en Barykin — wisten, dat zij een achterhoedegevecht streden, maar stonden pal, trots, ongevoelig voor belediging, vernedering en ontbering, omdat zij hoopten in staat te zijn de resten van hun uitdunnende gelederen bij elkaar te houden voor diensten, die niemand anders kon leveren en waarvan zij wisten, dat Rusland ze nodig zou hebben, wat ook haar politieke bestemming zou zijn. Voor
mij
staand,
in
zijn
huis
in
Moskou,
in
een
sobere
linnen
blouse
en
broek,
met
sandalen
in
plaats
van schoenen, straalde hij een fijnzinnige
hooghartigheid en
fierheid uit, toen hij die dingen zei. De meesten van hen zijn dood en
vergeten,
behalve in ons hart en hun mindere kameraden, die hun bedoelingen
begrepen en
die gelukkiger en moediger geworden zijn, door de herinnering aan hun
voorbeeld. Die
dingen
zijn prettig om weer op te halen, maar tot nu toe is wijdlopigheid de
ondergang
van dit boek geweest en wij hebben het gevoel, dat wij nu eindelijk
moeten proberen
voort te maken met de tyfus. Onze
besprekingen
in
de
voorgaande
hoofdstukken
hebben
het
duidelijk
gemaakt,
dat
er
geen
gegevens
over
tyfus
in
herkenbare
vorm voorkomen in de oude
Oosterse,
Chinese en klassieke literatuur en ook niet in de kronieken en verhalen
uit de
vroege Middeleeuwen. Met onze eigen beperkte kennis en de welwillende
hulp van
een aantal bekwamere wetenschappers, hebben wij veel van de
toegankelijke
oorspronkelijke verslagen bestudeerd en de verhandelingen van
vooraanstaande
medische geschiedschrijvers onderzocht. Gelukkig voor de amateur in de
geschiedenis van de epidemiologie, hebben veel grote geleerden — op de
eerste
plaats onder hen Schnurrer, Ozanam, Hecker, Hirsch, Murchison, Haeser
en
Sticker — het hele gebied buitengewoon grondig bestudeerd en in hun
werken
uitgebreide citaten uit de essentiële passages uit oude geschriften
ingelast.
Van hen hebben wij naast veel inlichtingen ook een wegwijzer naar de
bronnen
gekregen, waarvan er veel toegankelijk zijn in de bibliotheek van
Harvard, de
Bibliothèque Nationale, de Surgeon-General’s Library en de medische
bibliotheken van New York en Boston. Wij kunnen dus geen aanspraak
maken op
veel oorspronkelijkheid bij onze litteraire nasporingen. Wij voelen
echter wel
dat er enige waarde geschuild kan hebben in het toepassen van de
criteria van
de hedendaagse kennis op het zorgvuldig onderzoeken van oude
beschrijvingen.
Geen van de door ons vermelde grote historici, hebben, met welke
accuratesse en
diepzinnigheid zij ook hun talen beheersten en hoezeer zij ook op de
hoogte
waren van de geneeskunde van hun tijd, beschikt over de hulp van de
grote hoeveelheid
informatie, die zich in de afgelopen dertig jaar in laboratoria en
ziekenhuizen
heeft opgehoopt. Als
wij het tegenwoordige deskundige oordeel toepassen op de vermeldingen
over
infectieziekten uit andere perioden, kunnen wij voor geen van de
gevallen, die
als voorbeelden van tyfeuze koorts vóór de twaalfde eeuw werden
aangehaald, een
betrouwbaar bewijs vinden, dat de beschreven klinische toestanden de
ziekte
vertegenwoordigen, zoals wij haar tegenwoordig kennen. De aandoening
van de
Clasomeniër, het tiende en nauwkeurig beschreven geval in het Eerste
Boek van
Hippocrates’ Epidemieën, door Ozanam aangehaald als tyfus,
doet ons meer
denken aan een geval van typhoid dan tyfus. De enige beschrijving in de
Epidemieën, die sterk aan tyfus doet denken, is die van
Silenus, die wij
uitvoeriger hebben
besproken in een vorig hoofdstuk. Noch bij Herodotus, Vegetius, Aëtius
of
Galenus, noch bij een van de andere oude schrijvers, die hier en daar
geciteerde werden omdat zij tyfus waargenomen zouden hebben in de
klassieke en
postklassieke tijd, is ook maar één beschrijving te vinden, van waaruit
betrouwbare conclusies getrokken zouden kunnen worden. Wij zouden
daaruit dus
kunnen afleiden, samen met anderen die een gelijksoortige negatieve
ervaring
hebben opgedaan, dat de ziekte tot kort vóór de tijd van Fracastorius
inderdaad
nieuw was voor West-Europa en dat zij met soldaten van Cyprus uit
geïmporteerd
werd, terwijl zij mogelijk te voren in het Oosten ergens rustig
sluimerde. Dit
is echter, zoals we zullen zien, niet een noodzakelijke conclusie. Voor
we
hier
nader
op
ingaan,
zal
het
nuttig
zijn
de,
voor
een
beschrijving
gewenste,
criteria
te
bekijken,
die het recht geven te veronderstellen
dat een
ziekte, waar de geschiedschrijvers naar verwijzen, werkelijk tyfus is. Tyfus is een acute koortsende ziekte, die niet altijd volgens een vast schema verloopt. In haar typische verloop, gebeurt min of meer het volgende: Het begin kan variëren tussen een buitengewoon plotseling of meer geleidelijk optreden. Daardoor lijken de beginstadia heel erg op een hevige influenza. De temperatuur stijgt snel, vaak tot 39 of 40 graden, met koude rillingen, algemene malaise en slapte en pijnen in hoofd en ledematen. De huiduitslag breekt uit op de vierde of vijfde dag, na het begin en behalve tijdens epidemische perioden is de diagnose in het stadium vóór de huiduitslag buitengewoon moeilijk. Zodra de uitslag optreedt, gaat de temperatuur meestal omhoog. Gewoonlijk begint de uitslag op schouders en romp, en breidt zich vandaar uit naar extremiteiten, rugzijde van handen en voeten en soms handpalmen en voetzolen. In de loop van de eerstvolgende dagen neemt de uitslag toe, maar breidt zich zeer zelden uit tot gezicht en voorhoofd. Eerst bestaat zij uit roze vlekjes, die bij druk verdwijnen, maar binnen korte tijd gaat de kleur over in paars, meer donkerbruinachtig-rood en vervaagt ten slotte naar bruin. Dit zijn de “petechiae” en de “peticuli” uit de oude beschrijvingen. Een bijzonder belangrijk, vroeg optredend en zelden ontbrekend, symptoom is de zware hoofdpijn, die bij die ziekte meestal ondragelijker is dan bij andere acute koortsende ziekten; daarom is men geneigd aan te nemen, hoewel men daarover geen zekerheid heeft, dat varianten van de zogenaamde Kopfkrankheit of Hirnententzündung, van de Middeleeuwse schrijvers, tyfeuze koorts geweest zijn. Zonder huiduitslag en in afwezigheid van een epidemie zou de diagnose van tyfeuze koorts echter zelfs tegenwoordig vaak onzeker blijven, behalve door een speciale bloedproef, die echter pas zeer recent beschikbaar is.
Als
de uitslag samen met koorts, hoofdpijn, ijlen en buitengewone zwakte,
duidelijk
beschreven is, is tyfus gemakkelijk te herkennen; men moet echter
bedenken dat,
in de milde op zichzelf staande endemische gevallen, — en vooral bij
kinderen —
de uitslag zo gering en voorbijgaand is, dat het vaak niet eens wordt
opgemerkt
door een arts, die met de ziekte niet vertrouwd is. Daarom blijven
individuele
gevallen, tot het moment dat de tyfus epidemisch wordt, vaak niet
onderkend of worden
zo algemeen beschreven, dat het onmogelijk is ze te onderscheiden van
mazelen,
roodvonk en typhoid, malaria en een aantal andere koortsende
toestanden, die
algemeen voorkwamen in Oudheid en Middeleeuwen. Zekerheid, dat tyfus in
de
vijftiende eeuw en later bestond, is in hoofdzaak mogelijk geworden
door haar
epidemisch voorkomen. Onder dergelijke omstandigheden wordt de
beschrijving van
individuele, ernstige en typische gevallen versterkt door mededelingen
over de
epidemische, seizoens- en andere bijkomende factoren, de manier van
verspreiding en sterfte. Alles bij elkaar verschaft die informatie een
systeem
van onderling verbonden knooppunten, die ons zekerheid geeft over de
aard van
de ziekte. Wij
kunnen dus met enig vertrouwen opmaken, dat tyfus als epidemische
ziekte tot de
vijftiende eeuw in Europa niet voorkwam. Dat Fracastorius en vroege
Spaanse
onderzoekers tyfus als een “nieuwe” ziekte beschouwden, zal blijken uit
de
verslagen van hun waarnemingen, die wij zo meteen zullen behandelen.
Daaruit
volgt echter niet, dat tyfus vroeger niet voorgekomen zou zijn als
endemische
of sporadische ziekte — een smeulende bron, waaruit dan later het
geweld van de
epidemie voortkwam. Het zou niet verwonderlijk zijn, als tyfus in de
niet-epidemische fase ontkomen zou zijn aan een herkenbare
beschrijving. Bij
ons, in de Verenigde Staten, komt tyfus in endemische vorm voortdurend
voor.
Toch bleven die gevallen tot 1926 volkomen onopgemerkt, ondanks
medische en
opvoedkundige hulpmiddelen, die veel beter waren dan die van vroeger.
Hebben
wij dan enige reden, anders dan pure veronderstelling, om aan te nemen,
dat de
ziekte veel ouder is dan haar epidemische geschiedenis? Om
die
vraag te beantwoorden wordt het hoog tijd in grote trekken de
natuurlijke
historie weer te geven van de parasiterende tyfus, waarover de laatste
twintig
jaar ons meer hebben geleerd, dan alle eeuwen daarvoor. En dat brengt
ons
tenslotte tot de intieme familiegeschiedenis, de rechtstreekse
voorouders en het
ontstaan van het onderwerp van deze biografie. 1 Tot
voor kort werd tyfus beschouwd als een op zichzelf staande, individuele
ziekte,
heel anders dan andere koortsende ziekten en enig in zijn soort. Door
onderzoekingen
— waarvan geen enkele ouder is dan twintig jaar en de meeste de laatste
zes
jaar nog steeds worden voortgezet— weten wij nu, dat tyfus het
opmerkelijkste
lid is van een familie, die gegroepeerd worden, om redenen, die zo
meteen
duidelijk zullen worden, onder de naam Rickettsia-ziekten. De
onderlinge
verwantschap binnen de Rickettsiafamilie kan min of meer als volgt
omschreven worden:
In een positie, die wij zouden kunnen vergelijken met een stiefbroer of
een oom
van moederskant, staat de “Loopgravenkoorts” of Wolhynia-koorts, die
tijdens de
oorlog de soldaten zoveel last bezorgde en door luizen op hen
overgebracht werd.
De reden, waarom wij de verwantschap met die aandoening zo betrekkelijk
ver weg
plaatsen, is het feit, dat zij bij de mens niet hetzelfde klinisch
verloop
volgt, dat alle andere leden van de familie in hun kenmerkende
symptomen gemeenschappelijk
hebben. Wij hoeven echter de lotgevallen van de Wolhynische koorts niet
verder te
vervolgen, omdat zij niet veel te maken heeft met onze onderhavige
bespreking. Nauwer
verwant
aan
tyfus
is,
als
het
ware
als
een
neef
in
de
tweede
graad,
de
Japanse
Rivierdal-
of
Tsutsugamushi-koorts. Deze ziekte wordt overgebracht op de mens door
de beet
van de hooimijt, de Trombicula akamushi. Het insect krijgt de
infectie van
veldmuis — en rat, die het natuurlijke reservoir van de ziekte vormen.
Het
virus wordt dus op die manier, in streken, waar de ziekte endemisch is,
in
leven gehouden door een cirkelgang tussen veldmuis en hooimijt; en door
de
laatste wordt zij, bij een geschikte gelegenheid, overgedragen op de
mens. Een
nog nauwere verwantschap, met laten we zeggen een neef van tyfus in de
eerste
graad, vertoont de ziekte — of de groep varianten daarvan —, die de Rocky
Mountains
spotted
fever genoemd wordt. Deze infecties, die eigenlijk
ook tot die familiegroep behoren, worden op de mens overgebracht door
de beet
van teken; en omdat in dit geval het virus zowel via moederteek als
vaderteek door
de jonge teken wordt overgeërfd, is er verder geen dierlijk reservoir
nodig om te
blijven overleven. Toch is het niet onmogelijk dat er, omdat ook
marmotjes,
konijnen en een aantal andere dieren voor de ziekte vatbaar zijn, toch
een tot
dusver niet ontdekt dierlijk reservoir bestaat. Waarschijnlijk
is
de
zogenaamde,
door
teken
overgebrachte,
“tyfus”
van
Sao
Paulo
in
Brazilië,
identiek
met
onze
Amerikaanse
“spotted
fever”.
Een belangrijk bewijs
voor de
wezenlijke overeenkomst tussen die infecties bij de mens, is dat de
“Sao
Paulo-teken-koorts” door ervaren medici als echte tyfus werd beschouwd,
zolang
de klinische waarnemingen niet door laboratoriumonderzoek gesteund
werden en
het enige criterium vormden bij de beoordeling. Nog
een andere variant van de “spotted-fever”-groep is de Fièvre
Boutonneuse of
Escharo-nodulaire, die het eerst beschreven werd vanuit de
Provence, in de omgeving
van Marseille, maar ook in Roemenië werd aangetroffen. Ook die wordt
door teken
overgebracht en het virus gaat, evenals bij de “spotted fever,” over
van de ene
tekengeneratie langs erfelijke weg op de andere, zonder de
noodzakelijke
tussenschakel van een dierlijk reservoir. 1) Eindelijk kennen wij dus nu van de echte tyfus twee te onderscheiden subfamilies en vermoeden, dat er nog meer zijn.
Evenals
bij
de
andere
door
Rickettsiae
veroorzaakte
ziekten,
wordt
het
virus
van
beide
tyfusvarianten
door
insecten
op
de
mens
overgebracht. De kleren- en hoofdluis dragen
de
infectie van de ene op de andere mens over. De luis krijgt het virus
binnen met
geïnfecteerd bloed, de Rickettsiae vermenigvuldigen zich in de cellen
van de
wand van maag en ingewanden en verschijnen in grote getalen in de
feces. De
overbrenging door luizen was de grote ontdekking van Nicolle, die het
eerste
machtige wapen verschafte voor de tegenaanval op de ziekte. Het
verklaarde de manier,
waarop epidemieën zich uitbreidden. Het bevrijdde het door de
geschiedenis gelegde
verband tussen oorlogen, hongersnood en ellende, van alle
geheimzinnigheid. Het
rechtvaardigde de traditionele aanduidingen “kampkoorts”,
gevangeniskoorts” en
“scheepskoorts”. Het liet echter de vraag onbeantwoord, hoe de
smeulende
sintels van het virus in de perioden tussen de epidemieën kon blijven
voortbestaan. De mensenluis, die waarschijnlijk sinds betrekkelijk kort
gastheer is voor de Rickettsiae, is namelijk zelfs vatbaarder dan de
mens.
Gewoonlijk wordt zij binnen twaalf dagen ziek en sterft en altijd
binnen twee
weken. Waar blijft het virus tussen het uitbreken van de epidemieën
dan? Hoe ontstaan
de tussentijdse gevallen? Een
poging om die vragen te beantwoorden werd een paar jaar geleden
ondernomen door
een onderzoek naar de geïsoleerde tyfusgevallen, die hier en daar ieder
jaar voorkomen
in de Verenigde Staten. Die gevallen vonden plaats onder
omstandigheden, waarin
overbrenging door luizen kon worden uitgesloten en daarom werd er een
onderzoek
naar andere infectiebronnen ingezet. Het resultaat was de ontdekking
van het
tyfusvirus in rattenvlooien en vervolgens in de ratten zelf. De
epidemiologische cirkelgang leek compleet. Gedomesticeerde ratten zijn
dragers
van de infectie. Bij hen blijft zij voortdurend bestaan, door het
overbrengen
van rat op rat door rattenvlooien en rattenluizen. Rattenvlooien zullen
zich
gaan voeden op de mens, als zij door de dood van de oude gastheer
gedwongen
worden een nieuwe te zoeken — wat vaak gebeurt, als gedomesticeerde
ratten
sterven of gedood worden. Door de beet van de geïnfecteerde vlooien
loopt de
mens de infectie op. Dat is het sporadische of endemische geval. Als
het
slachtoffer luizen draagt, kan daaruit een groepsgewijze infectie
volgen. Als hij
leeft in een luizendragende gemeenschap, is een epidemie het gevolg. Sinds die feiten voor het eerst op het Westelijk Halfrond werden vastgesteld, zijn er met tyfus geïnfecteerde ratten aangetroffen in het Middellandse Zee-bekken, op ver van elkaar verwijderde plaatsen, als Syrië, Piraeus, Toulon en Noord-Afrika; en daardoor is het volstrekt duidelijk, dat rattenhaarden van de ziekte wijd verspreid zijn over de hele wereld.
Dat
is echter niet het hele verhaal. Mooser vergeleek virusstammen,
verkregen van
tyfusgevallen uit Europese epidemische centra, met die uit de Verenigde
Staten
en Mexico en ontdekte dat zij, hoewel even nauw aan elkaar verwant als
tweelingen, toch niet identiek waren. Die onderscheiding heeft voor nieuwe problemen gezorgd en tot de opvatting, onder sommigen van ons die vertrouwd zijn met de familie, dat de klassieke Europese ziekte zichzelf ten allen tijde in mensen kan handhaven en kan blijven bestaan zonder regelmatig ratten te passeren. Daarover zullen we echter nog meer moeten vertellen.
Voor
de
leek,
voor
wie
dit
boek
in
de
eerste
plaats
is
bedoeld,
kan
onze
opsomming
van
de
Rickettsiaefamilie
niet veel interessants bevatten. Toch zou
het, zonder
een overzicht van de familie als geheel, volkomen onmogelijk zijn, op
een
begrijpelijke manier de oorsprong van tyfus te bespreken. Het
buitengewone aspect
van de situatie is het feit dat de mensheid, in een en hetzelfde
tijdperk, te
lijden heeft van een groep bijna niet te onderscheiden acute koortsende
ziekten, die hem bereiken door de volgende allerlei gecompliceerde
parasitaire cycli:
Het feit blijft dat de familieovereenkomsten van die ziekten van de mens onmiskenbaar zeer dicht bij elkaar staan en bijna niet van elkaar te onderscheiden zijn, zoals in het verband tussen “spotted-fever” en tyfus; en dat zij door bloedonderzoek van patiënten en proefondervindelijke waarnemingen bij geïnfecteerde dieren, aantoonbaar zijn als een diep wortelende biologische verwantschap. Bovendien worden alle ziekten van die groep veroorzaakt, door het in het lichaam van de patiënt binnendringen van minuscule parasieten, Rickettsiae genaamd.
3 Deze
minuscule,
bacilachtige
dingetjes
behoren
tot
een
groep,
die
waarschijnlijk
haar
parasitaire
loopbaan
begon
bij
de
insecten
—
een veronderstelling,
die
wordt gewekt door de frequentie, waarmee soortgelijke organismen, die
niet in
staat zijn ziekte teweeg te brengen bij hogere dieren, bij allerlei
insecten
voorkomen. Zo zijn parasieten van deze orde waargenomen in
schapenluizen,
stofluizen, wandluizen, muskieten, vlooien, mijten en teken. De naam
werd hen gegeven
door da Rocha Lima ter ere van Ricketts, een Amerikaan, die aan tyfus
stierf,
toen hij bezig was met een onderzoek naar deze ziekte in Mexico-City.
De
bijzondere variant, die aansprakelijk is voor de echte tyfus, noemde
hij
“Rickettsiae Prowaceki”, waarbij hij de naam Prowacek toevoegde, een
Oostenrijker, die op dezelfde manier omkwam. De Rickettsiae hadden een
naam
voor zichzelf nodig, omdat zij niet logisch ingedeeld konden worden bij
de
bacteriën en ook niet bij de Protozoën. Uiteindelijk zullen zij
waarschijnlijk
nauw verwant blijken te zijn aan de echte bacteriën. Hoe het ook zij,
op dit moment
staan zij voldoende apart om een poging tot een afzonderlijke
classificatie te
vereenvoudigen. Zij verschillen hoofdzakelijk van echte bacteriën,
doordat zij
zich anders gedragen ten opzichte van de gewone kleurmethoden, door hun
niet
willen groeien op andere kunstmatige voedingsbodems dan die, die
levende cellen
bevatten en door het feit, dat zij zich, zowel in het levende dier als
in de
weefselcultuur, slechts vermenigvuldigen binnen de cellichamen. Het
is natuurlijk volstrekt onmogelijk om zelfs maar een redelijke gissing
te doen
naar de vrijlevende vooroudervormen van de Rickettsiae. Ongetwijfeld
waren zij nauw
verwant aan de echte bacteriën. De kenmerken, waardoor de Rickettsiae
zich
tegenwoordig van de bacteriën onderscheiden, kunnen zich dus heel goed
ontwikkeld hebben, als bij de evolutie van hun parasitair bestaan
behorende veranderingen.
In ieder geval werden ooit, heel lang geleden, minuscule eencellige
organismen parasitair
bij een aanzienlijke verscheidenheid van insecten. In veel gevallen
drongen zij
de cellen binnen en raakten zo aangepast aan het intracellulaire
bestaan, dat
zij tegenwoordig alleen nog maar gekweekt kunnen worden in een levende
weefselcultuur. Wij
beschikken
slechts over weinig criteria, waarmee wij de ouderdom van enige vorm
van
parasiteren kunnen inschatten. Maar in het algemeen zijn pathologische
symptomen,
zoals Theobald Smith verklaart, slechts bijkomstigheden in het zich
ontwikkelende parasiteren. Op grond hiervan moet een
Rickettsia-infectie van de
teek een zeer oude ziekte zijn, maar in die verhouding heeft zich zo’n
volmaakte wederkerige verdraagzaamheid ontwikkeld, dat geen van beide
partijen schade
lijkt te ondervinden en de parasiet overgedragen wordt van de ene
tekengeneratie op de andere, zonder schade voor ouders of kroost. Bij
de
rattenvlo is de aandoening waarschijnlijk van recentere datum, maar
toch nog
eeuwen oud, want —na een maand of twee — raakt de vlo haar parasiet
weer kwijt
en herstelt. In het geval van de mensenluis worden wij, volgens
dezelfde redenering,
ertoe gebracht een betrekkelijk laat ontstaan van de verbintenis aan te
nemen. Er
heeft zich namelijk geen wederzijdse verdraagzaamheid ontwikkeld en de
luis gaat,
als zij geïnfecteerd wordt, zonder uitzondering dood. Het
binnendringen in insecten zouden wij kunnen beschouwen als de eerste
stap in de
gecompliceerde ontwikkeling, die ten slotte leidde naar de menselijke
aandoeningen, die wij behandelen. De volgende stap was de overdracht
van de
parasieten van de insecten naar een aantal hogere dieren. Sommige van
de met
Rickettsiae geïnfecteerde insecten behoorden tot soorten, die zelf
ectoparasitisch
op hogere dieren waren gaan leven en in hun onderhoud voorzagen door
bloed te
zuigen. Op die manier kregen de Rickettsiae toegang tot deze dieren,
waarop hun
insecten-gastheren zich voedden. Het is begrijpelijk dat het van de
toevallige
verdeling van de fauna in verschillende delen van de wereld afhing, wat
de
precieze gastheerkanalen waren waardoor het virus passeerde van insect
naar
hoger dier. In de ene streek koos zij dus mijt-veldmuis-route, in een
andere de
vlo-rat-richting. En omdat in beide gevallen de wederzijdse
verdraagzaamheid
tussen parasiet en gastheer nog onvolmaakt is, zowel in de insecten-
als zoogdier-stadia,
kan het virus alleen blijven voortbestaan door het ononderbroken
circuleren van
de parasiet tussen die twee. Het is waarschijnlijk een juiste gissing,
dat het
door teken overgebrachte virus eeuwen geleden een soortgelijke
zoogdier-insect-circulatie doormaakte. Het is zelfs mogelijk, dat er op
dit
moment een natuurlijke, maar nog onbekende, dierlijke gastheer van
“spotted
fever” bestaat. Maar de volmaakte aanpassing, die de erfelijke
overdracht
mogelijk heeft gemaakt bij de teken, heeft elke noodzaak voor een
dierlijke
tussenschakel opgeheven. Wij
beschikken dus over een redelijke basis voor een poging om de
natuurlijke
historie, van de door Rickettsiae verwekte ziekten, te reconstrueren.
Als er
eenmaal een insect-zoogdier-cyclus tot stand gekomen is, volgt daarop,
—
gegeven een insect, dat zich in noodgevallen op de mens zal voeden — de
overgang van parasiet op mens. De
mens is in biologische zin een recente gastheer en het binnendringen
van Rickettsiae
verwekt bij hem een fysiologische afweer. Tussen indringer en gastheer
volgt
een gevecht, dat zich als ziekte uit. De een of de ander gaat er aan te
gronde.
Voor de parasiet is het echter een Pyrrusoverwinning. Als de mens
sterft,
sterven de Rickettsiae, die hem gedood hebben, samen met hem. Alleen
zij
blijven in leven, die kunnen ontsnappen in een luis, of mogelijk een
vlo, die zich
toevallig, nogal onverstandig, voedde op het menselijke slachtoffer op
een
ogenblik, dat er Rickettsiae in zijn bloed circuleerden. En van de twee
is de
luis verreweg de gevaarlijkste — in verband met de epidemische
verspreiding;
want hoewel zij, anders dan de vlo, niet kan springen en evenmin lang
zonder haar
menselijke gastheer kan leven, vertoont zij een hardnekkig
uithoudingsvermogen
en geduldige ijver, eigenschappen, die een slechts, even door afkeer
gemaskeerde, bewondering wekken, die de mensen op dezelfde manier
voelen voor
concurrerende rassen, die zij vrezen en daarom vervolgen. 2) Voor mensen, die zich bezig houden met de vakstudie van de tyfusgroep, is het duidelijk, dat de feiten, die tot dusver werden ontdekt met betrekking tot het insect-zoogdier-parasiteren van de Rickettsiae slechts een begin vormen. Afgezien van het praktische belang van die relaties bij hun invloed op ziekten, bieden zij de algemene bioloog een rijk veld voor het onderzoek van parasitaire cycli. Het is zeer waarschijnlijk, dat de infecties met Rickettsiae nog veel andere richtingen zijn ingeslagen dan de tot dusver onderzochte. In de Maleisische Staten, Formosa, Sumatra en Annam en misschien ook in Japan, kan het virus van de Tsutsugamushi-koorts zowel ratten als muizen passeren, en in dezelfde streken komt, naast de door vlooien teweeggebrachte echte tyfus, ook een door teken overgebrachte ziekte voor. Over de hele wereld verspreide onderzoekers, zijn bezig die te ontwarren. Experimenteel is aangetoond, dat virulente Rickettsiae door inenting een à twee weken in leven gehouden kunnen worden, in een aantal insecten, die hen in de natuur niet herbergen. Ook kunnen veel diersoorten, — waarvan nog niet bewezen is, dat zij een infectiebron voor de mens kunnen zijn zoals de huismuizen in Europa en Amerika, konijnen, marmotten, apen en zelfs paarden en ezels — geënt worden met Rickettsiae en die zij gedurende wisselende perioden kunnen herbergen. In veel van hen is die instandhouding van het virus bijzonder gevaarlijk, omdat de geïnfecteerde alleen maar “drager” is — dat wil zeggen dat het dier geen tekenen van ziekte vertoont en in zijn lichaam toch het virus draagt, dat overgedragen kan worden op insecten of andere vatbare dieren. Die symptoomloze infectie neemt zo langzamerhand de belangrijkste plaats in bij de beschouwingen over epidemieën, ook op andere terreinen dan dat van tyfus. Bij de problemen betreffende de Rickettsiae, heeft dat echter al praktische consequenties gekregen. Een met tyfusvirus ingeente rat, vertoont geen zichtbare ziekteverschijnselen, behalve soms een beetje koorts. Toch kan men twee of drie weken later typische tyfusreacties teweegbrengen bij marmotten of luizen, door ze te infecteren via een intrarectale enting met de hersenen van de ogenschijnlijk gezonde rat! Maar dit is opnieuw een verleiding om ons in uitweidingen te verliezen. Wij keren naar ons hoofdonderwerp terug.
Noten
1) Wij laten een bespreking van de Hartwater-koorts — een Zuid-Afrikaanse schapenziekte, — die door Rickettsiae veroorzaakt en door teken overgebracht wordt, achterwege, omdat zij geen rechtstreeks verband houdt met ons onderwerp. 2) Wij doelen op het “Blonde Ariër”-complex
HOOFDSTUK XIII Waarin
we
de
geboorte,
prille
jeugd
en
vlegeljaren
van
de
tyfus
onder
de
loep
nemen. 1 Er
bestaan,
zoals we al hebben gezegd, twee verschillende vormen van het echte
tyfusvirus.
De ziekten, die zij bij de mens teweegbrengen, zijn identiek en beide
worden door
kleren- en hoofdluis van het ene individu overgebracht op het andere.
Zowel bij
mens als dier beschermt herstellen van het ene type tegen het andere,
een bewijs
voor hun nauwe en fundamentele verwantschap. Zij kunnen slechts
onderscheiden
worden door betrekkelijk geringe, maar uitgesproken verschillen in
gedrag, als
zij geënt worden op marmotten, ratten en muizen en door zogenaamde
immunologische reacties, die veel te specialistisch zijn om ons nu
daarmee verder
bezig te houden. Voordat die verschillen onderkend werden, werd tyfus
over de
hele wereld beschouwd als één enkele ziekte, in stand gehouden door
overbrenging
van mens op luis en van luis weer op mens. Samen met epidemiologische
waarnemingen van gevallen, die in Australië en Amerika onderzocht
werden,
leidde die observatie tot een intensieve zoektocht naar andere
virusreservoirs
dan de mens. Het resultaat was de ontdekking van de natuurlijke
ratteninfectie
en de rat-op-vlo-overdracht. Toen
er
dus
eenmaal
verband
gelegd
was
tussen
de
oorsprong
van
de
virusstammen
en
hun
gedragswijze
in
marmotten,
werd
spoedig waargenomen, dat alle
virussen, die
verkregen werden óf rechtstreeks van ratten of van rattenvlooien,
evenals van
menselijke slachtoffers in geïsoleerde gebieden in Amerika en Mexico
(streken,
waar de aanwezigheid van geïnfecteerde ratten en epidemiologische
omstandigheden de rat als bron aanwezen), zich op eenzelfde manier
gedroegen,
terwijl de stammen, die verkregen werden van mensen in Zuidoostelijk en
Oostelijk Europa — waar tyfus endemisch was en epidemisch had geheerst
gedurende eeuwen, —zich anders gedroegen. Daarom classificeren de
onderzoekers
tegenwoordig beide variaties als het murine type — waarbij de
rat-vlo-cyclus
voorafgaat aan de infectie van de mens — en het klassieke of humane
type,
waarvoor tot dusver de herkomst van de rat niet bewezen kon worden. De
aandacht
richtte zich vervolgens op de precieze verhouding tussen die nauw
verwante
subvarianten, omdat duidelijk was, dat inzicht daarin een grote stap
voorwaarts
zou zijn voor het ophelderen van de epidemiologie van die klassieke
Europese
ziekte — en daarbij nieuwe manieren zou verschaffen voor beschermende
maatregelen. De snelheid, waarmee ontwikkelingen hebben plaatsgevonden
in de
tyfuswereld, kan afgeleid worden uit het feit, dat terwijl wij deze
passages
schrijven het merendeel van het hier besproken werk verricht is sinds
1928, een
groot gedeelte is heet van de naald en een gedeelte nog niet in druk
verschenen
is. Aan de voltooiing hiervan hebben Franse, Zwitserse, Amerikaanse,
Engelse,
Duitse, Mexicaanse en Poolse onderzoekers meegewerkt in het soort
opwindende,
vriendschappelijke en gretige wedijverende samenwerking of
samenwerkende
wedijver, die aan ons beroep iets extra’s, bekoring en een vrijheid van
nationalistische kleinzielige tegenwerking geeft, zoals bij weinig
andere
gevonden wordt. Het
was in de eerste plaats nodig te bepalen of beide typen in hun van
elkaar onderscheidende
kenmerken constant waren of tijdelijke varianten vertegenwoordigden —
of, zoals
het tegenwoordig genoemd wordt, “dissociaties” waren van een en
hetzelfde
virus, afhankelijk van of teweeggebracht door de verschillende
gastheren, die
zij passeerden. Naar onze mening is die vraag beantwoord — hoewel wij
daaraan,
in het belang van de nauwkeurigheid, die zelfs in een oppervlakkige
bespreking
van die dingen essentieel is, moeten toevoegen, dat er nog steeds een
speculatieve factor in de verklaring schuilt en dat de meningen nog
niet helemaal
gelijkluidend zijn. Bij de benadering van het probleem begonnen de
onderzoekers
beide virussoorten door een aantal verschillende insecten te laten
passeren,
door marmotten, ratten en muizen en verzamelden voor hun proeven alle
stammen, die
zij te pakken konden krijgen, van ratten en menselijke patiënten. Zoals
de
zaken nu staan lijkt het, in ongeveer vijf jaar onderzoek verzamelde
bewijsmateriaal,
aan te tonen dat beide varianten blijvend zijn — ieder in haar eigen
vorm. Zij
hebben — zelfs in het dierexperiment — zoveel overlappende
eigenschappen, dat
het door speciale onderzoekingsmethoden heel eenvoudig mogelijk is, de
een te
oefenen tot een tijdelijk simuleren van de ander. Zodra echter de
experimentele
manipulaties verslappen, slipt elk type terug in zijn oorspronkelijke
toestand.
In Amerikaanse en buitenlandse laboratoria zijn stammen van het murine
en Europese
type aanwezig, die drie, vier en vijf jaar geobserveerd zijn en nog
steeds aan
hun eigen type vasthouden. Wij
kunnen daarom heel gerust aannemen, dat de beide varianten stabiele,
maar zeer
nauw aan elkaar verwante typen zijn. Het gemak echter waarmee, door
middel van
experimentele manipulatie, de een tijdelijk in de richting van de ander
geoefend kan worden, doet vermoeden, dat de differentiatie tot stand
gekomen is
in een, biologisch gesproken, betrekkelijk recent tijdperk. Toevallige
waarnemingen bij in Mexico verkregen stammen, hebben enig licht
geworpen op dit
stadium. Tijdens een en dezelfde Mexicaanse epidemie zijn nu en dan
onder
typische murine stammen enige die teruggekeerd zijn naar hun
oorspronkelijke
toestand en zich nu als de Europese of humane variëteit gedragen.
Sommige
hiervan bewaren, na veel passages door marmotten, de kenmerkende
eigenschappen
van de humane stam. Uiteindelijk zijn ze echter, onder invloed van de
passage
door de rat, allemaal “teruggekeerd” naar de murine-eigenschappen.
Omdat bij de
Mexicaanse epidemieën de overgang van mens op mens — evenals bij de
epidemieën
op het vasteland — een luizenoverdracht is, doet de zojuist genoemde
waarneming
vermoeden, dat de passage door mens en luis de neiging vertoont de
eigenschappen van het murine-virus te veranderen, in een type dat
dichter ligt
bij het Europese humane type. Omdat
jarenlange
onderzoekingen
over
zoogdierpassage
en
selectieve
experimenten,
er
niet
in
geslaagd
zijn
een
terugkeer
teweeg
te
brengen
van het humane
virustype
naar het murine — terwijl de passage van het murine-virus door de mens
snel een
vaak hardnekkige, hoewel tot dusver nog steeds tijdelijke, verandering
in de
richting van het humane type voortbrengt — hebben wij veel redenen om
te vermoeden,
dat het humane type een aftakking is van het murine — en dat dit het
oorspronkelijke tyfusvirus van de mens is dat, na een voldoende aantal
mens-luis-mens-passages,
stabiel wordt als een enigszins andere, maar blijvende en vaststaande
variant.
Onder dergelijke omstandigheden mogen wij ons nog steeds afvragen, of
het
klassieke Europese virus van tijd tot tijd hernieuwd wordt uit
rattenbronnen en
zo wordt voortgezet, of dat het anderzijds voor altijd vaste voet bij
de mens
heeft gekregen en, tussen epidemieën in, druppelenderwijs door
mens-luis-mens-gevallen in gang wordt gehouden of door zogenaamde
dragers, die het
virus gedurende lange tijd herbergen, terwijl zij ogenschijnlijk
volkomen
genezen zijn — precies zoals we al elders beschreven hebben in verband
met het
geval van “symptoomloze” dierinfecties. Een
gedeeltelijk
antwoord — volgens ons standpunt, volledig — op die vraag is gegeven
door het
onderzoek van in Amerika ingevoerde Europese gevallen. Onder de dichte
emigrantenbevolking van onze steden in het Noordoosten komt een
koortsende
ziekte voor, de “ziekte van Brill” genaamd, die in werkelijkheid tyfus
is en
een typisch Europees of humaan virus oplevert. Toen Brill, die de tyfus
niet
kende, voor het eerst in 1898 deze ziekte beschreef onder de Joden in
New York,
dacht hij dat het “een nieuwe ziekte” was. Wij zeggen dit niet om een
buitengewoon scherpzinnige medicus in diskrediet te brengen, maar
eerder omdat
wij, als dit soort vergissingen in het huidige medische tijdperk al
gemakkelijk
gemaakt kan worden, dubbel voorzichtig moeten zijn in de beoordeling
van ver
van ons afstaande historische gegevens, die betrekking hebben op de
ouderdom
van infectieziekten. Brill is heel geloofwaardig, omdat hij die milde
gevallen
afzonderde van destijds heersende soortgelijke koortsende ziekten, en
daar aandacht
op vestigde. Bovendien dat een veelvoorkomende vergissing in de
geschiedenis
van de geneeskunde. Murchison vertelt ons bijvoorbeeld: “De febris
recurrens verdween
na 1828 zo volkomen uit Brittannië dat, toen zij, na een tussenpoos van
veertien jaar, weer optrad in de vorm van een epidemie in 1843, de
jongere
vakgenoten, de ziekte niet herkenden, zodat zij voor iets nieuws werd
aangezien.” Er zouden veel van dergelijke voorbeelden aangehaald kunnen
worden. Maar
laten
wij
terugkeren
naar
“ziekte
van
Brill”.
Zoals
wij
al
zeiden,
dit
is
de
Europese
tyfus,
door
immigranten
uit Zuidoostelijk Europa, naar Amerika
overgebracht.
Zij is niet algemeen voorkomend, maar toch zijn er voldoende gevallen
voor een zinvol
onderzoek. Sinds 1910 zijn er in Boston en New York meer dan
vijfhonderd
gevallen geregistreerd. Epidemiologische analyse heeft aangetoond, dat
meer dan
90% van al die gevallen voorkwam bij mensen, die in den vreemde geboren
waren,
hoewel zij in nauw contact leefden met hun vrienden en verwanten, die
in het
land zelf geboren waren en dezelfde gewoonten hadden. De gevallen waren
zo verspreid
in tijd en plaats, dat overbrenging door luizen of contactinfectie
uitgesloten
kon worden. De omstandigheden van meer dan vijfhonderd nauwkeurig
onderzochte
patiënten lieten zien, dat geen enkele, in de gehele bevolking
gemeenschappelijke, factor zoals ratten of vlooien of een ander dier of
insectendrager — aansprakelijk kon worden gesteld. Om een lang verhaal
kort te
maken, het onderzoek toonde aan, dat bijna al die gevallen het opnieuw
uitbreken waren van infecties, die in de jeugd waren opgelopen in de
klassieke
tyfushaarden in het moederland en dat de klassieke Europese tyfus zich
onbepaald kan handhaven in menselijke reservoirs zonder tussenkomst van
van
buitenaf komende dierlijke virusdragers. 1) Samengevat is de situatie de volgende: Er bestaan twee zeer nauw verwante, maar niettemin verschillende typen van tyfeuze koorts die, naast elkaar, beiden zowel in Amerika als in Europa voorkomen. Op grond van vermoedde, maar toch onvolledige gegevens, is men geneigd aan te nemen, dat de twee typen in veel andere streken van de aarde waarschijnlijk ook voorkomen. Een van die varianten, die wij het murine-virus noemen, wordt in de tussen de epidemieën gelegen perioden in leven gehouden in ratten, mogelijk in muizen, waarbij het via de insecten, die wij al genoemd hebben, van het ene dier op het andere overgaat; nu en dan komt het door de beet van een rattenvlo bij de mens terecht, maar veroorzaakt alleen groepsgewijze infecties of epidemieën, als de omstandigheden zodanig zijn, dat mensenluizen het weer kunnen overbrengen van mens op mens. Het andere type heeft zich stevig genesteld in de mens. Sommige individuen, die van een eerste aanval hersteld zijn, houden het virus in hun lichaam en kunnen vele jaren later een nieuwe aanval krijgen, als hun weerstand verminderd is door redenen, die tot dusver niet geanalyseerd konden worden. Vanuit die weer opflikkerende gevallen kunnen opnieuw epidemieën ontstaan, als op een bepaald moment een hele bevolking sterk met luizen geïnfesteerd is. Waarschijnlijk komen er, naast elkaar in verschillende werelddelen, zowel ratten- als mensenreservoirs voor, maar een volledig overzicht van die situatie zal waarschijnlijk nog heel wat jaren onderzoek vergen.
2 Wij
zijn nu met onze biografie op het punt gekomen, waarop wij kunnen
spreken over
de geboorte van onze held, zonder bang te hoeven zijn gedwongen
te worden tot
verdere verklarende uitweidingen. Als wij tot hiertoe de uitvoerige
methode van
Dr. Sterne in Tristram Shandhy gevolgd hebben, kunnen wij
staande houden,
— en de lezer zal het met ons eens zijn — dat wij daartoe niet, zoals
de
onsterfelijke schrijver van dit grote boek — gedwongen werden door een
verlangen om geestig te zijn, maar juist door de aard van ons
onderwerp. De
geboorte van een infectieziekte is niet zo eenvoudig als die van de
mens. De
dracht is niet enkel een kwestie van een maand of negen, maar betekent
ingewikkelde
biologische onderlinge aanpassingen en wisselwerkingen, die duizenden
jaren bestrijken.
En in dit bijzondere geval zouden wij kunnen zeggen, dat de conceptie
van onze ziekte plaats vond, toen de eerste Rickettsia op insecten ging
parasiteren; en de dracht een onzekere, maar ongetwijfeld
eeuwenlange
periode duurde, waarin het parasiteren voortschreed van insect op
zoogdier en
ten slotte via andere insecten op de mens zelf. Onder
de
beschreven
omstandigheden
lijkt
het
waarschijnlijk
dat
er,
al
eeuwen
voordat
de
ziekte
epidemisch
voorkwam
en
herkend
en
onderscheiden werd,
geïsoleerde
endemische gevallen voorkwamen, overgebracht van rat op mens of van
muis op mens.
Het is vrijwel zeker dat, vroeg in de natuurlijke historie van het
parasiteren op
veel plaatsen overal ter wereld, wilde ratten en mogelijk andere
knaagdieren
geïnfecteerd werden. Tegenwoordig lijkt er in de Maleise Staten een
concentratie van gevallen van endemische tropische tyfus te bestaan
onder de
arbeiders op palmolieplantages, waar het wemelt van de ratten. Hoewel
wij,
met
onze
poging
om
een
pre-epidemisch
bestaan
van
tyfeuze
koorts
aan
te
nemen
vóór
de
vijftiende
eeuw, tot op zekere hoogte in speculatieve
wateren
vissen, is er nog steeds veel materiaal, ter ondersteuning van dit
standpunt,
in de ziektebeelden, die thans wijd en zijd verspreid over de wereld
voorkomen.
In Mexico en de staten van Zuid-Amerika komen nog steeds op kleine
schaal
gevallen voor, die lang niet-herkend bleven en veroorzaakt worden door
huisratten die, in dat eerste land, alleen uitlopen op het uitbreken
van
epidemieën, als de luis een handje helpt. In de Indische Archipel —
waar een
steedse en plattelandse tropische tyfus voorkomt — wordt de ziekte ook
weer
sporadisch aangetroffen en geeft daar zelden aanleiding tot de
groepsgewijze
infectie. De variant op het platte land, die de arbeiders op de
palmolieplantages treft, lijkt hoofdzakelijk een gevaar te vormen voor
arbeiders,
die zich bezig houden met het wieden van het alang-alang-gewas en
onkruid aan
de voet van de stammen. Zij worden blootgesteld aan de een of andere
ziektedrager
— misschien wilde ratten en hun vlooien, of een nog onbekende, die in
het
struikgewas op de loer ligt. In ieder geval is het virus hier in de
natuur wijd
verspreid, geheel ontwikkeld tot een punt, waarop het gereed is de mens
binnen
te dringen — en heeft waarschijnlijk zo al een onbepaald lange tijd
bestaan.
Een gelijksoortige situatie geldt met betrekking tot de Tsutsugamushi.
Dat uitbraken
van tyfusepidemieën in Maleisië in feite ontbreken is, volgens Dr. Enid
Robertson, toe te schrijven aan het feit, dat de klerenluis daar
vrijwel niet
voorkomt, maar de hoofdluis wel. In warme landen, waar de mensen geheel
naakt lopen
of maar weinig kleren dragen, en mensen in kleine groepen verspreid in
landelijke
nederzettingen leven, is de kans groot, dat de tyfus vrijwel
voortdurend
endemisch zal blijven en alleen epidemisch zal worden, als de
levensomstandigheden zich wijzigen. Wat
betreft de problemen met de ver weg gelegen ziekteoorzaken, bestaat er
weinig
kans op het bewijzen of weerleggen van de hypothese. Wij geloven echter
dat de
biologische waarnemingen, waaraan wij veel tijd hebben gewijd, een
sterk
vermoeden leveren voor de volgende aarzelende theorie over de
pre-epidemische
geschiedenis van tyfus. Tyfus
ontstond,
toen
de
eerste
geïnfecteerde
rattenvlo
zich
op
de
mens
ging
voeden.
Die
gebeurtenis
vond
waarschijnlijk
plaats
— hoogstwaarschijnlijk ergens in
het
Oosten — eeuwen voor de ziekte de bevolkingscentra en legers van het
middeleeuwse Europa bereikte. Hier en daar voorkomende endemische en
doorgaans goedaardig
verlopende gevallen, met slechts zelden een groepsuitbraak, ontsnapten
aan de
aandacht van de oude geneeskundigen en historici — of werden niet
onderscheiden
van andere koortsende ziekten. Het
murinevirus was dus de oorspronkelijke tyfus. In de loop der
tijden werd
de ziekte, misschien herhaaldelijk, overgebracht naar Westelijke landen
—
hoofdzakelijk door legers, die aanvankelijk beperkte uitbraken
veroorzaakte en
wellicht eindigden met een virus, dat nog grotendeels of geheel van het
murine
type was. Geïnfecteerde ratten vestigden zich in het Middellandse
Zee-bekken.
Dus kunnen de vroege gelokaliseerde epidemieën dus — net als die
tegenwoordig
in Mexico, — best oorspronkelijk een lange tijd van het murine soort
gebleven
zijn. De tyfusuitbraken waren inderdaad, in die vroegere dagen van haar
epidemische geschiedenis, betrekkelijk ver van elkaar verwijderd. In de
zestiende en zeventiende eeuw, vanaf de veldtochten van Maximiliaan
tegen de
Turken en gedurende de Dertigjarige Oorlog, werd die ziekte een bijna
aanhoudende gesel van de legers en raakte wijd en zijd verspreid onder
de
geteisterde bevolking, onder omstandigheden, — ideaal voor tyfus — van
hongersnood,
vreselijke armoede, dakloos rondzwerven en onophoudelijk oorlog voeren.
De
mensenluis was waarschijnlijk de laatste onder de reeks gastheren die
het virus
kreeg — want zij was, lang voordien, onafscheidelijk en afhankelijk van
de mens
geworden. En die veronderstelling komt overeen met het feit, dat
Rickettsiae in
de luis meer roofdier dan parasiet zijn. De geïnfecteerde luis gaat
altijd
dood. Onder de omstandigheden, die wij voor die rampzalige eeuwen hebben beschreven, valt het heel goed te
begrijpen, dat de tyfus in bepaalde delen van Europa bijna
ononderbroken is
voortgezet door de mens-luis-mens-route, terwijl er nu en dan een
vernieuwing
plaats vond uit de rattenvlooienbron (hoewel er tegelijkertijd
endemische, door
ratten overgebrachte gevallen, voorgekomen kunnen zijn). En dat ging zo
verder,
door de hele achttiende eeuw heen, de Tyfus-eeuw bij uitstek. Steeds
weer
passerend door luis en mens, veranderden de stammen dus, — evenals wij,
minder
onafgebroken, dergelijke waarnemingen kunnen doen, na een klein aantal
mens-luis-passages
bij de tegenwoordige Mexicaanse uitbraken. Zo werd de jongste broer
geboren —
het humane virus. Beiden handhaven zich, naast elkaar, in veel landen
van
Europa en ook, zoals het onderzoek van de ziekte van Brill heeft
aangetoond,
bij ons in Amerika — de murine-broeder heeft voorgoed zijn thuis in
ratten en
vlooien; de laatst geboren humane, heeft vaste voet bij de mens
gevonden. De pre-epidemische geschiedenis van onze ziekte, de omstandigheden van haar geboorte en jeugd, zijn en moeten grotendeels hypothetisch blijven. Uit de bekende feiten over de natuurlijke geschiedenis van het virus hebben wij een raamwerk van waarschijnlijkheden samengesteld. Wat wij de volwassen toestand van de ziekte zouden kunnen noemen, — de periode, waarin zij een machtige factor werd in de geschiedenis van de mensheid, — begon toen zij epidemische neigingen kreeg. Toen pas werd zij onderkend als een individu en nauwkeurig beschreven, en nu bevinden wij ons weer op het terra firma van de betrouwbare informatie in het volgende hoofdstuk, dat gaat over de krachtige jonge vlegeljarenstadia van onze held.
Noten
1) De bespreking van het langdurig in leven blijven van een infectieus agens in het lichaam van herstellende en genezen mensen en dieren, zou ons voeren tot een nieuw, lang en gecompliceerd hoofdstuk. En wij hebben ons nu schrap gezet tegen verdere uitweidingen.
HOOFDSTUK XIV Waarin wij de eerste epidemische heldendaden van onze ziekte volgen.
Wij
nemen dus aan, dat het oorspronkelijk parasiteren van Rickettsiae, dat
leidde
tot tyfus bij de mens, een rat-rat-vlo-infectie was, die geleidelijk
van uit
het Oosten naar Westelijk Europa doordrong. Dat parasiteren bestaat
tegenwoordig wijd verspreid in en om het Middellandse Zee-bekken, en er
bestaat
geen bijzondere reden om te geloven, dat zij daar terechtkwam vanuit
Amerikaanse
haarden. Aanvankelijk droeg de ziekte bij de mens waarschijnlijk het
karakter
van milde, sporadische gevallen — verstrooid in tijd en plaats, zoals
zij
tegenwoordig in de staten van Zuid-Amerika voorkomt. Als
wij denken aan de stand van de geneeskunde in de vroege Middeleeuwen
(mogelijk
deden er zich al gevallen voor ten tijde van de Kruistochten) kunnen
wij geen vermeldingen
van enige waarde verwachten. Zoals wij al hebben gezien, werd het
bestaan van
de ziekte bij ons pas onlangs onderkend en zelfs nu vraagt de diagnose
aanzienlijk
vakkundigheid en ervaring bij die betrekkelijk goedaardige infecties,
waarbij
de koorts vaak maar kortdurend is en de huiduitslag zo onbeduidend, dat
zij
over geheel het hoofd gezien kan worden of abusievelijk als
vlooienbeten wordt
geduid. De
eerste groepsgewijze infecties strekten zich, als zij al plaatsvonden,
waarschijnlijk niet uit buiten de beperkte grenzen van gezin of
dorpsgemeenschap.
Er zijn veel redenen om aan te nemen, dat de ziekte, bij haar eerste
epidemisch
verschijnen, toen zij legers en steden aantastte, vergezeld ging van
een aantal
andere infectieziekten — pest, dysenterie, roodvonk, mazelen,
enzovoort, en in
de kronieken overschaduwd werd door de algemene warboel van de
“pestilentie”.
De omstandigheden, die voor één soort infectie de weg versperren, laten
gewoonlijk wel een groot aantal andere toe; en, behalve in een speciale
situatie, bestaan epidemieën doorgaans uit een aantal verschillende
typen van overdraagbare
ziekten. Waarschijnlijk
is
tyfus
in
het
Oosten
eerder
dan
in
Europa
van
de
endemische
toestand
in
de
epidemische
overgegaan
en
is er enige reden om aan te nemen, dat de eerste ernstige
Europese
epidemie, waarover gegevens bestaan, met soldaten vanuit Cyprus naar
Spanje
werd overgebracht. Die epidemie had plaats in 1489 en 1490, toen de
strijdmacht
van Ferdinand en Isabella slaags was geraakt met de Moren om het bezit
van
Granada. Van
aanzienlijke
betekenis voor ons inzicht in de geleidelijke manier waarop tyfus in
Europa een
epidemisch karakter kreeg, is het feit, dat wij over nauwelijks
betwijfelbare gegevens
beschikken, over minstens één voorafgaande groepsgewijze infectie, die
vierhonderd jaar eerder voorgekomen zou zijn in een klooster in de
buurt van
Salerno. Die is beschreven in de “Cronica Cavense”, waarvan
wij niet het
origineel hebben kunnen inzien, maar waaruit Renzi, die vaak door
medische geschiedschrijvers
wordt aangehaald, de belangrijkste passages heeft geciteerd. Door de
vriendelijkheid
van Majoor Hume van de bibliotheek van de Militaire Geneeskundige
Dienst, zijn
wij in staat geweest de volgende passage te ontdekken in de Storia
di Medicina
in Italia (Deel 2, Napoli, 1845): E fra tanti esempi ne
prescegliero uno
abbastanza antico per potere dissipare ogui dubbiezza. Nella Cronica
Cavanse reportata
dal Pratillo (tom. 14, pag. 450) leggesi: Anno 1083 in
Monasterio
Cavensi in mense augusto et septembri crassavit pessima febris cum
Piticulis et
parotibus. Nel che si ravissa chiara la differenza
che si metteva
fra la pesti, la febbre di altro genera, e quella accompagnata da
petecchie.” (“In
het jaar 1083 verspreidde zich in de maanden augustus en september in
het
klooster La Cava een ernstige koortsende ziekte met kleine
vlekjes en
zwelling van de speekselklier, waaruit men duidelijk het verschil kan
zien met
de pest, een koortsende ziekte van een ander soort en — in dit geval —
vergezeld
door kleine huidbloedinkjes.”) Op grond van die passage lijkt een
diagnose
gerechtvaardigd. Het
zou vreemd zijn als er helemaal geen tyfus geweest zou zijn tussen die
uitbraak
en die van 1489. Wij zijn bijna gedwongen aan te nemen, dat gedurende
de
tussenperiode geen nauwkeurige waarnemingen werden vastgelegd of dat
zij, als
ze wel gemaakt zijn, in ieder geval verloren zijn gegaan. De
bron, waaraan wij onze gegevens ontlenen over de eerste epidemieën in
Spanje,
is het boek van Joaquin Villaba, dat de volgende titel draagt. Epidemiologia española o historia cronologica de
las pestes, contagios,
epidemias y epizootias que han acaecido en españa desde la venida de
los cartagineses,
hasta el ano 1801. Con notioia de algunas otras enfermedades de esta
especie,
etc. Madrid, en la
imprenta de Don
Mateo Repulles, 1802. Villaba
leidde
veel
van
zijn
gegevens
af
uit
een
werk,
in
de
titel
waarvan
het
woord
“tabardillo”
voor
het eerst op de ziekte wordt toegepast. Het is De febris epidemicos, et
novos quos latine punticdaris,
vulgo tabardillo et pintas dicitur, natura, conditione ei medela. Het werd door
Nicolas
Antonio en Alberto van Hauer toegeschreven aan een zekere Alonso de
Torres.
Villaba geloofde dat de echte auteur Luis de Toro was, die in opdracht
schreef van
de Markies Don Luis de Astuniga y Avila. Avila, die besefte, dat de
geschiedenis van die ziekte nooit was vastgelegd, wenste haar te boek
gesteld
te zien. De eerste verwijzing naar een tyfusepidemie in het boek van
Villaba is
de volgende: Onder
de
belangrijke
epidemieën,
waarvan
onze
historici
melding
maken,
is
er
één,
die
begon
tijdens
de
burgeroorlogen
in
Granada,
in de jaren 1489 en 1490. Later
verspreidde die ziekte
zich onder de Spanjaarden, zoals we zullen zien bij de bespreking van
de plaag
van 1557. Dit was een kwaadaardige koortsende ziekte met een vlekkerige
uitslag, die volgens sommigen veroorzaakt werd door de onbegraven
lijken;
anderen namen aan, dat zij meegebracht was door soldaten, die kwamen
deelnemen
aan de gevechten om Granada, vanaf het eiland Cyprus — een eiland,
waarop die koorts
heerste. Op Cyprus vochten die soldaten samen met de Venetianen tegen
de Turken
en vandaar vervoerden zij de ziektekiemen niet alleen naar de
Spanjaarden, maar
ook naar de Saracenen. Hoe het echter ook zij, de geneesheren van die
tijd
geloofden, dat de vlekkenkoorts besmettelijk was en hetzelfde was als
de pest. De
ziekte,
waarover
wij
spreken,
werd
vanuit
de
kampementen
bij
Granada
uitgezaaid
naar
het
leger
van
Don
Fernando
de
Katholieke. Of dat de oorzaak was of een andere is niet
bekend,
maar toen het leger in het begin van het jaar 1490 geïnspecteerd werd,
merkten
de generaals, dat er 20.000 man op de lijst ontbraken en van hen waren
er 3.000
gedood door de Moren en 17.000 aan een ziekte gestorven, waaronder zeer
velen
aan een zware verkoudheid — volgens Mariana een zeer ellendige dood. 1) Er
kan
niet veel twijfel over bestaan, dat dit tyfus was en een van de
interessantste
gedeelten uit die passage is die, waarin de oorsprong van de infectie
in
verband wordt gebracht met “zekere soldaten, die naar Granada ten
strijde
trokken, vanaf Cyprus, een eiland waar die ziekte inheems is . . .“ In
de volgende passage, die handelt over de epidemie van 1557, wijst
Villaba
er
nogmaals
op,
dat
de
ziekte
onlangs
geïmporteerd
was
ten
tijde
van
de
burgeroorlogen
rond
Granada.
Rond
die
tijd hadden zich epidemieën verspreid over het
hele Spaanse
schiereiland en woedden ongehinderd gedurende dertien jaar, tot 1570: In het jaar 1557 verscheen er in Spanje een nieuwe ziekte die, tot de periode van de burgeroorlogen, in Granada onbekend, was en het grootste deel van ons schiereiland ontvolkte; pas rond het jaar 1570 begon zij af te nemen. Men geloofde, dat die nieuwe plaag na de oorlog van Granada onder de Saracenen ontstaan was, dat wil zeggen, nadat Koning Don Fernando van Aragon en Doña Isabella, Koningin van Castilië, die stad veroverd hadden en de Moren door het decreet van Don Philips II verdreven waren. Dat die besmetting afkomstig was van de Spaanse Arabieren kan afgeleid worden uit het feit, dat bijna alle mensen, die uit hun woningen verdreven waren, de bewoners van dorpen en steden door omgang en contact infecteerden, zoals door Luis de Torro verteld wordt in zijn verhandeling Over de Vlekkenkoorts; in dit werk kan men zijn beschrijving vinden van de aard van de ziekte, zoals die zich voordeed in 1570 en 1577.
Deze
vlekkenkoorts
—
die,
zoals
wij
zeiden,
het
Spaanse
volk
trof
—
werd
naar
Amerika
overgebracht
door
onze
oorlogsschepen
en handelsvloot en richtte grote verwoestingen aan
in de prachtige
stad Mexico, met zo’n hevigheid dat zij veel ellende veroorzaakte. Dr.
Francisco Bravo, geboortig van Osuna en dokter in die stad, schreef een
uitvoerige verhandeling over die ziekte, die hij de naam Tabardete gaf.
Zijn
zeldzaam
te
verkrijgen
werk
draagt
de
titel Opera Medicinalia in
quibus
quam purima extant scitu medico necessarium, in quatuor libros digesta,
gedrukt
in Mexico door Pedro Ocharte, in het jaar 1570, in octavo. Dit werk,
opgedragen
aan Prins Don Martin Enriques bevatte de beschrijving van die ziekte,
oorzaken,
voortekenen, symptomen en behandeling, — samen met andere overwegingen,
waarnaar wij te zijner tijd zullen verwijzen. 2) Op
dit onderwerp zullen wij later terugkomen. Gedurende
het
laatste
decennium
van
de
vijftiende
eeuw
was
de
ziekte
dus
in
epidemische
vorm
in
Europa
begonnen,
maar
nog niet uitgebreid verspreid over
Amerika. In
1546 publiceerde Fracastorius zijn De Contagione; in het zesde
hoofdstuk
van het tweede boek geeft hij een uitstekende beschrijving van de
klinische symptomen
van de ziekte en zegt veel verstandige dingen over haar aard en de
manier van
verspreiding. De volgende passage uit het begin van dat hoofdstuk wordt
hier geciteerd,
in de in de vertaling van W. C. Wright: Er zijn ook andere
koortsen die, bij wijze van spreken, instaan tussen de echte en de
niet-pestilente, want, hoewel velen eraan sterven, worden ook velen
weer beter.
Ze zijn besmettelijk en daardoor van dezelfde aard als de pestilente
koortsen, maar
worden eerder kwaadaardig dan pestilent genoemd. Dat was de aarde van
de
koortsen, die in 1505 en 1528 voor het eerst in Italië verschenen en
voordien
in onze tijd daar niet bekend waren. Zij komen echter wel gewoon voor
in
bepaalde delen van de wereld, bijvoorbeeld op Cyprus en de naburige
eilanden en
waren ook bekend bij onze voorouders. Gewoonlijk worden zij
“lenticulae”
(linsjes) of “puncticulae” (prikjes) genoemd, omdat zij vlekken
veroorzaken,
die er als linzen of vlooienbeten uitzien. Anderen spellen de namen
anders en
noemen het “peticulae.” Wij moeten ze nauwkeurig bestuderen, omdat zij
tegenwoordig veel worden gezien, niet alleen omdat zij velen
tegelijkertijd
aantasten, maar ook als afzonderlijke gevallen voorkomen. Er zijn
voorbeelden
waargenomen van personen, die van Italië naar andere landen gingen,
waar dat
soort koorts niet bestond en die er daaraan stierven, alsof zij de
infectie met
zich hadden meegedragen. Dat gebeurde enige jaren geleden bij de zeer
beroemde
en geleerde Andrea Navagero, ambassadeur van de illustere Venetiaanse
republiek
bij de koning van Frankrijk. Hij stierf namelijk aan die ziekte in een
streek,
waar die aandoening niet bekend was, zelfs niet van naam. Hij was een
man van zo
grote geleerdheid en talenten, dat de letteren in jaren niet zo’n groot
verlies
geleden hebben. Wij
citeren de schrijvers, die deze vroege epidemische verschijningen van
tyfus in
Europa waargenomen hebben, uitvoerig, omdat wij het feit willen
benadrukken,
dat zij in die vorm als een nieuwe ziekte werd beschouwd, die vanuit
het Oosten
Europa was binnengedrongen. Het is natuurlijk heel goed mogelijk dat
men, wat
dit punt betreft, de opvatting overnam van Luis de Torro, maar zijn
opvatting
omtrent het overbrengen van de ziekte vanaf Cyprus af kan onjuist
geweest zijn.
Besmette ratten komen tegenwoordig voor langs de zuidkust van de
Middellandse
Zee. Het is niet onmogelijk, dat Spanje het eerste land was in Europa,
dat
aangevallen werd, vanwege de drukke verbindingen over de straat van
Gibraltar
en de snelle verspreiding van ratten van het ene werelddeel naar het
andere. Hoe
het ook zij, de tyfus begon vóór het midden van de zestiende eeuw een
actieve
rol te spelen in de Europese politiek. Zij begon haar debuut in de
politiek met
zogezegd een van de meest verstrekkende en zeer doeltreffend aanvallen
uit haar
hele loopbaan, door een beslissende rol te spelen bij het ontzet van
het keizerlijke
leger bij Napels, toen het belegerd werd door de Fransen onder Lautrec
in 1528. Het
enorme historische belang van de kortdurende en gelokaliseerde
tyfusepidemie,
die het Franse leger voor Napels vernietigde, kunnen wij het beste
beoordelen door
de achtergrond van de politieke omstandigheden te bekijken. 3)
Noord-Italië was
het strijdperk, waar Karel V en Frans I elkaar lang de
alleenheerschappij in
Europa hadden betwist. De sleutel voor de situatie was een verdrag met
en macht
over de Paus. Op 24 februari 1525 veranderde de triomfantelijke opmars
van de Fransen
in een totale nederlaag, toen de Spaanse troepen en hun Duitse
bondgenoten onder
aanvoering van Pescara, ternauwernood een overwinning aan de dreigende
nederlaag ontrukten. Italië werd aan de genade van het keizerlijke
leger
overgeleverd en de Franse Koning werd in Spanje gevangen gezet. De
Paus,
Clemens VII, verkeerde in een netelige positie. Hij maakte zich zorgen
over de
onafhankelijkheid van de Heilige Stoel, want omdat Milaan en Napels in
handen
van de Keizer waren, was het Pauselijke gebied geheel ingesloten.
Lannoy, de
meest voortvarende van de keizerlijke generaals, dreigde naar Rome op
te
trekken. De Paus was gedwongen om enorme geldbedragen voor te schieten
en een verdrag
met de Keizer te sluiten. In 1526, na de Vrede van Madrid, werd Frans
vrijgelaten. De voorwaarden, die de Franse Koning werden opgelegd,
waren zo zwaar,
dat geschiedschrijvers nauwelijks kunnen begrijpen hoe een zo geslepen
vorst
als Karel V, ooit heeft kunnen veronderstellen, dat hij zijn beloften
trouw zou
blijven. Opnieuw zat de Paus, — die van nature schuchter was, — in een
moeilijk
dilemma: enerzijds door zijn directe angst voor de keizerlijke macht in
Italië,
anderzijds door de angst voor de gevolgen, als hij zijn bondgenoot
Karel V
trouw bleef en tegenover een terugkerend Frans leger zou komen te
staan.
Daarbij kwamen nog de Europese problemen, de snel toenemende macht van
de
Turken in het Oosten, met een dreigende invasie van Italië via Apulië
en een
samenzwering om de Pauselijke diplomatie in verwarring te brengen. In
1522 was
Rhodos in handen van de Muzelmannen gevallen. Een van de voornaamste
bolwerken
op het oostelijke front was dus verloren gegaan, de Turken stonden in
Belgrado,
en in 1516 hadden zij het Hongaarse leger bij Mohács vernietigd. Hoewel hij een wapenstilstand wilde en neutraal wilde blijven, werd de wanhopige Paus desondanks overgehaald zijn lot in handen van Frans I te leggen, wat resulteerde in het in mei 1526 gesloten Pact van Cognac, tussen Clemens VII, Frans I, Sforza van Milaan en de Republiek Venetië. De strijd, — die in feite nooit helemaal gestaakt was, —vlamde onmiddellijk weer op. Frans I, die van zijn nieuwe vrijheid genoot, aarzelde met het sturen van hulp en de Hertog van Urbino, die het bevel voerde over de noordelijke legers van het nieuwe bondgenootschap, was uitermate weinig doortastend. Het gevolg was dat Milaan en Siena in handen van de Keizer bleven; en terwijl de Paus dringende boodschappen naar Frans I stuurde, viel Colonna Rome aan en dreef met een klein leger van 5.000 man de Paus het Castello Sant-Angelo in, plunderde de stad — waaronder het Vaticaan, waaruit de Pauselijke tiara werd geroofd, — brak de geheime kapellen van de St. Pieter open en richtte, — voor hij zich terugtrok, — een schade aan, die geschat werd op 300.000 dukaten. De keizerlijke legers onder Frundsberg en de Hertog van Bourbon marcheerden kort daarop Italië binnen en naderden Rome. De eerste aanvallen op de stad vonden plaats in mei 1527.
Daarna
volgde
de
plundering
van
Rome
—
een
van
de
verschrikkelijkste
rampen,
die
de
Heilige
Stad
in
haar
lange geschiedenis overviel. De Paus werd gevangen
genomen. De toestand in de stad werd als volgt beschreven door een
Spanjaard
Villa: “In Rome luidt geen klok meer, geen enkele kerk is open, geen
mis wordt
gelezen. Er is geen zondag en zijn geen feestdagen. De rijke winkels
van de
kooplieden worden als stal gebruikt. De prachtigste paleizen zijn
verwoest. De
huizen staan in brand, de straten zijn mesthopen; de stank van de
lijken is
verschrikkelijk en in de kerken heb ik door honden aangevreten lichamen
gezien.
In de straten dobbelen huurlingen om stapels dukaten. Ik kan het met
niets anders
vergelijken dan met de verwoesting van Jeruzalem.” De gevangenschap van
de Paus
was verschrikkelijk, niet alleen vanwege zijn lichamelijke lijden en
angsten, maar
ook omdat het verergerd werd omdat in de zomer de pest uitbrak, die
enorme
aantallen burgers doodde, waaronder velen, die tot onmiddellijke
omgeving van
de Paus behoorden. Twee kardinalen, die zijn gevangenschap deelden,
stierven
aan de ziekte, die waarschijnlijk de builenpest was. Dezelfde
ziekte,
—
opgelopen
in
Rome,
—
doodde
Lannoy,
de
keizerlijke
generaal.
De
dood
van
die
voortvarende
leider
had waarschijnlijk veel te maken met de
aanvankelijk behaalde successen van Lautrec, die het Franse leger
aanvoerde,
dat op dat moment op weg was naar Noord-Italië. In het begin was het
oprukken van
de Fransen een triomftocht. Lautrec, aan wiens Franse legerkorps
huurlingen uit
Lotharingen en het Rijnland waren toegevoegd, kreeg voortdurend
Italiaanse
versterkingen, omdat hij als bevrijder werd beschouwd, heroverde de
Lombardische steden vrijwel zonder tegenstand. Toen hij Bologna
bereikte, werd
hij op de hoogte gebracht van de bevrijding van de Paus en zijn
overbrenging naar
Orvieto. Intussen werden de Spaanse troepen, die opgehouden werden door
de plundering
van Rome, ongerust. Omdat zij begrepen, dat een beslissende slag om
Napels
geleverd zou moeten worden, haastten zij zich met het versterken van de
stad,
voornamelijk op advies van de Prins van Oranje, die de hachelijke
situatie
voorzag en Karel V daarvan in kennis stelde. Het keizerlijke leger, dat Rome ingenomen had, was rond die tijd voornamelijk ten gevolge van de pest tot 11.000 man afgenomen en bandeloos en ongedisciplineerd. Dit restant van het eens zo machtige leger werd door Lautrec bij Troja in de buurt van Napels door 28.000 man omsingeld. Helaas viel Lautrec niet onmiddellijk aan, maar gaf de Prins van Oranje gelegenheid in de nacht te ontsnappen en de positie van Napels te versterken. Men moet bedenken, dat op het moment dat Lautrec’s leger voor Napels aankwam, Karel V al in het hele gebied, dat in zijn bezit was, werd aangevallen — in de Nederlanden, in Catalonië en langs de middellandse zeekust. Op 28 april was de keizerlijke vloot vrijwel geheel vernietigd en op 10 juni blokkeerden tien Genuese galeien de haven van Napels geheel. Op 14 juni 1528, na een beleg van anderhalve maand, schreef de Prins van Oranje aan Karel V: “Sinds tien dagen leven wij op water en brood; wij hebben geen vlees en wijn en de troepen zijn al heel lang niet betaald.” Hij voegde eraan toe: “Zij noch ik kunnen het onmogelijke doen en als er nog een maand verstreken zal zijn, zijn wij het einde nabij.”
Het
is onmogelijk om de gevolgen voor de toekomst van Europa in te
schatten, als op
dat moment Napels gevallen was en Italië en de Paus Frans I als
bevrijder en
verdediger van het geloof hadden erkend, — maar toen kwam de tyfus.
Op
5
juli
dacht
Lautrec,
dat
Napels
niet
langer
weerstand
kon
bieden,
maar
in
de
drassige,
dichtbevolkte
kampementen
van
de Fransen was de besmettelijke
ziekte vernietigend
en verspreidde zich snel. Binnen dertig dagen stierf meer dan de helft
van het
leger; volgens sommige mededelingen bleven er van 25.000 manschappen
slechts 4.000
over. Vaudemont, Navarro en Lautrec werden zelf ziek en bezweken. Hun
opvolger,
de markies van Saluzzo, zag in dat het beleg onmiddellijk moest worden
opgeheven. In de regenachtige nacht van 29 augustus, begon de
terugtocht, van
nabij gevolgd door de doortastende Prins van Oranje met zijn cavalerie.
De restanten
van het Franse leger werden in de pan gehakt. Zij werden vermoord of
ontwapend,
om later onder de handen van de boeren de dood te vinden. Een aantal
benden
slaagde erin Rome te bereiken, halfnaakt en ziek. De zege van de Keizer
was compleet
en Clemens VII deed hem een aanbod. Italië werd afhankelijk van Spanje
en de
enorme Pauselijke macht kwam geheel onder de controle te staan van
Karel V. In 1530
werd Karel V in Bologna tot heerser gekroond over het Romeinse Rijk,
dankzij de
macht van de tyfus. 2 Villalba
oppert,
in
een
door
ons
geciteerde
passage,
dat
de
tyfus
in
de
eerste
helft
van
de
zestiende
eeuw vanuit Spanje naar de Nieuwe Wereld werd
overgebracht. Sinds
de
ontdekking
van
de
Nieuwe
Wereld
door
de
Oude,
heeft
er
tussen
hen
voortdurend
een
uitwisseling
van
velerlei zaken, goede en kwade,
bestaan.
Aanvankelijk was het een zeer onevenredige uitwisseling. De Oude Wereld
bracht
beschaving en pokken, de christelijke godsdienst en mazelen, rum,
Europese twisten,
roodvonk, mussen, paarden en ezels, Angelsaksen, Ieren, Joden, Negers,
broeken,
influenza, tarwe, broederliefde, kruit en tuberculose. Voor al die
zegeningen
ontving zij eerst alleen maar terug goud terug, tabak, syfilis,
aardappelen en
maïs. Toen de Nieuwe Wereld tot bloei kwam, ging zij naar verhouding
meer rente
betalen voor het geïnvesteerde kapitaal. Tegenwoordig staan ze ongeveer
quitte.
Een paar dingen, die Amerika van zijn ouders heeft gekregen, zoals
industrie,
politiek, kapitalisme, communisme, alcoholisme, de leer van de
Methodisten,
Baptisten, vrije poëzie, vrije liefde, psychoanalyse,
opvoedingssystemen, journalistiek,
filantropie, de camera, wetenschap, kunst, literatuur, voetbal, ratten,
emigranten
die leven van het geld dat zij uit zijn vaderland ontvangen, motten,
Russische
prinsen, spreeuwen, macaroni, Wiener Schnitzels, arbeidsperikelen,
bankiers en
makelaars, enzovoort, enzovoort, betalen wij terug met dezelfde munt of
op een
royalere en betere manier. En om de maat vol te maken voegen wij
daaraan nog
toe: hoge tarieven, pinda’s, grammofoons, kauwgom, films, het
Amerikaanse
ontbijt, erfgenamen, Christian Science, cocktailshakers, efficiënte
werkwijzen
en de flauwekul-dollar. Toch zullen we in veel opzichten een kolonie
van Europa
blijven, omdat er in het tweeduizend jaar oude cultuurpakhuis gaven
liggen die
wij op geen enkele manier kunnen betalen. Maar wij wijken weer af van
ons
onderwerp. Wij zijn er in dit verband in geïnteresseerd, of tyfus al op
het
Westelijk Halfrond voorkwam, voordat die streken ontdekt werden door
Europa of
dat ook de tyfus een importartikel was. Tegenwoordig
komt
tyfus
voor,
in
een
iets
andere
vorm
dan
in
Europa
en
Afrika
wordt
aangetroffen,
in
Mexico,
Peru, Brazilië, Bolivia, Chili en in het
Zuiden en
Midden van de Verenigde Staten langs de Oostkust. De met tyfus nauw
verwante
“Rocky Mountain spotted fever”, wordt hoofdzakelijk — zoals we zullen
zien —
gevonden op de centrale hoogvlakte en in de bergstreken van onze
republiek, en
waarschijnlijk nog in veel andere landen. In Mexico heeft tyfus
verschillende
eeuwen bestaan. Werd zij meegebracht door de conquistadores of
stond zij
daar al gereed om hen te ontmoeten? Op dit halfrond wordt de ziekte,
tussen de
epidemieën in, in leven gehouden in rattenreservoirs. Zij gaat over van
rat op
rat door rattenluis en rattenvlo, en van mens op mens door de
mensenluis. Ons
onderzoek gaat dus onder anderen over de vragen: Hadden de Azteken
luizen? Hoe
stond het, in het oude Mexico, met de knaagdierenstand van het genus
rat? In
feite beschikken wij niet over betrouwbare gegevens, waaruit wij
overtuigend
kunnen opmaken, dat er in Mexico vóór de komst van Cortez duidelijk
herkenbare
tyfusepidemieën voorkwamen. Volgens een legende, waar Bernal Diaz en
Nicolas
León geloof aan hechten, zou de vernietiging van de Tolteekse stad
Tollan in 1116
na Christus, 5) te wijten geweest zijn aan een tyfusepidemie. Het is
mogelijk,
— maar de bewijzen daarvoor zijn even twijfelachtig als die over de
aard van de
ziekte in Athene tijdens de Peloponnesische Oorlogen. Fernando Ocaranza
heeft onlangs
een overzicht gemaakt van de betrouwbare kronieken betreffende het
voorkomen
van epidemieën in het Azteekse koninkrijk. De voornaamste bron hiervoor
zijn de
kronieken van de Franciscaner orde. Zijn bewijsmateriaal is bruikbaar. Cortez
zette
voet
aan
land
in
Vera
Cruz
op
4
maart
van
het
jaar
1519.
6)
In
1520,
zoals
we al hebben gezegd, werd een Neger, die van een schip kwam, dat de
strijdmacht
van Panfilo de Narvaez van Cuba aanvoerde, aangetast door de pokken. De
ziekte
verspreidde zich van het ene Indiaanse dorp naar het andere, totdat “er
geen enkel
gezond dorp in Nieuw Spanje meer over was.” De helft van de bevolking
stierf.
De aandoening was onbekend bij de Indianen. De Franciscanen dachten,
dat zij,
als zij maar op tijd gekomen waren, de epidemie hadden kunnen
verhinderen door
een eind te maken aan de inlandse gewoonte te baden als zij ziek waren
“waardoor
het bloed ontstoken raakte.” Velen stierven van honger, omdat er niet
genoeg
gezonden over waren om de zieken te verzorgen. Door de overlevenden
werd de
ziekte “de grote melaatsheid” genoemd. In
1531
brak een tweede epidemie uit, opnieuw binnengebracht door de
overwinnaars, tepitonzahuatl
genaamd — de kleine melaatsheid. De sterfte was groot, maar niet zo
groot als
in 1520. Dit was waarschijnlijk mazelen. In
1545
werden de arme drommels opnieuw bezocht. Volgens broeder Geronimo de
Mendieta
stierven in Tiascala 150.000 Indianen, 100.000 in Cholula en in andere
provincies
aantallen evenredig met de bevolkingsdichtheid. De symptomen waren
verstopping
(pujamiento), koorts, bloederige ontlasting en neusbloedingen.
Het zou
dysenterie of buiktyfus geweest kunnen zijn, maar daar is het
sterftecijfer te
hoog voor. Alleen de pest of tyfus zou een dergelijke sterfte hebben
kunnen veroorzaken.
De pest zou echter nauwelijks hebben kunnen ontkomen aan een herkenbare
beschrijving. Als het tyfus, of tabardillo geweest was, zou
het herkend
zijn, — want die ziekte was bekend in Spanje uit het beleg van Granada,
en die
stad viel op 2 januari 1491. De broeders wisten geen naam voor
de ziekte
van de Indianen van 1545, maar zijn waarschijnlijk even onervaren
geweest, als
veel goede tegenwoordige dokters. Het duurde verschillende jaren
voordat de “ziekte
van Brill”, die in 1906 in New York werd waargenomen, als tyfus
onderkend werd
— het eerst door een Poolse joodse arts, die toevallig over de zalen
van een
ziekenhuis in New York wandelde. De epidemie van 1545 zou tyfus geweest
kunnen
zijn. In
1564 werden de arme Azteken opnieuw gedecimeerd door een ziekte van
onbestemde
aard. In 1576 deed er zich weer een ziekte voor, lijkend op die van 1545 — ook nu met “pujaminto de sangre”. Die werd herkend als de tabardillo. Vanaf die tijd kwamen tyfusepidemieën algemeen voor en werden met zekerheid gediagnosticeerd. Bij de uitbraak van 1588 was er een concentratie van gevallen in het Dal van Toluca. In dit dal had een vermenging plaats gevonden van verschillende inboorlingenstammen, maar alleen de Matlaxinga’s werden zwaar getroffen — een verhaal, dat, als het waar is, erop zou wijzen, dat onder de anderen een zekere mate van immuniteit bestond en dat een dergelijke immuniteit het gevolg is van blootstelling aan de ziekte tijdens de vroege jeugd, met veel goedaardig verlopende gevallen — een aanwijzing voor de mogelijkheid van een al eerder voorkomen van de epidemische vorm van de ziekte onder de twee minder getroffen stammen.
In
1595
waren — volgens deze broeder Mendieta — mazelen, bof en tabardillo algemeen
onder
de
inboorlingen. Mooser,
de
eerste
die
een
nauwkeurig
onderscheid
maakte
tussen
de
Europese
tyfus
en
een
uit
de
Nieuwe
Wereld,
is
geneigd te geloven, dat de ziekte al in Mexico
bestond
vóór de komst van de Spanjaarden, om de volgende redenen. Hij zegt: “De
Indianen van Michoacán noemden vlektyfus ‘cocolixtle meco’ of gevlekte
koorts, waarbij
cocolixtle pijnlijke koorts betekent en meco afgeleid is van
“Chichimecas”, een
stam, waarvan de leden hun lichamen beschilderden met rode strepen en
vlekken.”
Torres verhaalt, dat in sommige delen van de staat Michoacàn, tot een
paar
jaren geleden, de naam “cocolixtle-meco” in de taal van het volk
geleidelijk vervangen
begon te worden door het Spaanse woord “tifo”. De Azteken noemen tyfus
“matlazahuatl”. Matlatl betekent ‘net’ en ahuatl uitslag
of
vlekken,
dus
een
uitslag
in
de
vorm
van
een
net.
7)
Hij
voegt
daar
aan
toe,
dat
er
een hiëroglief bestaat, waarop de tyfus is afgebeeld in de vorm van
een, met
als een netwerk van vlekken bedekte, man die zijn hoofd met beide
handen vasthoudt
en wiens neus bloedt. Mooser merkt eveneens op dat Diaz in zijn
beschrijving
van de epidemie van 1373 zegt, dat “de vreselijke cocolixtl uitbrak in
de
omgeving van de stad Mexico”, wat bewijst, dat de Spanjaarden de
Indiaanse naam
van de ziekte hadden overgenomen, terwijl zij eerder die van henzelf
gebruikten. Dit heeft, volgens ons, grote betekenis, omdat het, bij
afwezigheid
van ervaren medici, erop zou kunnen wijzen, dat de veroveraars dachten,
dat zij
getuige waren van de epidemie van een ziekte, die al lang endemisch was
in het
bezette gebied, en die niet identificeerden als hun eigen tifo of
tabardillo. Onder
de
historische
gegevens
komt
veel
voor,
wat
het
vermoeden
wekt,
dat
er
in
de
tijd
vóór
Columbus
onder
de volkeren van Zuid-Amerika al tyfus
voorkwam. Omdat
er geen ratten waren in Zuid-Amerika vóór de tijd van Blasco Nuñez, de
eerste
Onderkoning van Peru (1544—1546), bestaat er geen beslissend argument
tegen een
dergelijke veronderstelling. Veel andere knaagdieren kunnen immers het
tyfusvirus herbergen in een “symptoomloze” vorm — dat wil zonder dat er
duidelijk
waarneembare symptomen bestaan. 8) Er
zou helemaal geen sprake kunnen zijn van het in die tijd epidemisch
voorkomen
van tyfus, als aangetoond zou kunnen worden, dat de Azteken geen luizen
hadden.
Toen wij de luizen bespraken, hebben wij verwezen naar de
onderzoekingen van
Fahrenholz en vooral naar die van Ewing over de varianten van die op
verschillende mensenrassen aangetroffen insecten. Zoals men zich zal
herinneren, vond Ewing luizen op de schedels van Indiaanse mummies uit
Peru en
Zuid-West-Amerika. Hij vermeldt verder, dat er op de in Zuid-Amerika
zeer
verspreide slingerapen luizenvarianten voorkomen, die voldoende
overeenkomst
vertonen met die op de mens om te doen vermoeden, dat de apen hun
infectie
verkregen zouden kunnen hebben van onze menselijke voorouders —
ettelijke
tienduizenden jaren geleden. Hoe het ook zij, de waarnemingen aan
mummies nemen
alle twijfel weg over de vraag, of de inboorlingen in Amerika er hun
eigen
luizen op na hielden. Wat
betreft het daadwerkelijke voorkomen van luizen bij de Azteken zelf,
kunnen wij
geen gegevens vinden, behalve het verhaal van Ojeda over de zakjes met
luizen,
die Montezuma bij wijze van belasting werden aangeboden door de armen.
Cowan
gelooft echter, dat de zogenaamde luizen in de zakjes
“cochenilleluizen” waren,
die de Spanjaarden toen nog niet kenden. De verkoop van “spoelwormen en
luizen”
als voedsel in Mexico, waarvan in Purchas’s Pilgrims sprake
is, moet ook
met meer dan een korrel zout genomen worden. Er
bestaat nog meer bijkomend bewijs, dat het vrijwel onmogelijk maakt te
betwijfelen,
dat de Azteken luizen hadden. 9) De
Azteken bereikten waarschijnlijk in het begin van de twaalfde eeuw de
Mexicaanse
hoogvlakte. Zij kwamen uit het Noordwesten, uit de legendarische streek
Aztlan.
Dat is ongeveer alles, wat wij weten en bovendien is hun oorsprong even
vaag
als die van enige andere stam, die dit halfrond voor de ontdekking
bewoonden —
Maya’s, Inca’s, Noordelijke Indianen en Eskimo’s. Hoewel die volkeren,
voor zover
wij kunnen vaststellen, niets van elkaar afwisten en evenmin contact
hadden of
elkaars beschaving beïnvloedden, waren zij toch ongetwijfeld afkomstig
van een
en dezelfden stam, en wij — en dat is tegenwoordig meer dan
veronderstelling —
kunnen dat bewijzen op grond van hun bloedgroepen. Wij hoeven niet in
technische details te treden voor ons huidige doel. Een feit is dat
wij, bij eenvoudig
uit te voeren proeven, op grond van de invloed van het bloedserum van
het ene
individu op de rode bloedcellen van het andere, de mensheid kunnen
verdelen in
vier scherp te onderscheiden groepen. In werkelijkheid zijn er meer dan
deze,
maar de vier hoofdgroepen zijn voor het ogenblik genoeg. De
eigenschappen, die
deze indeling bepalen zijn erfelijk en de erfelijkheid volgt bepaalde
genetische wetten. De bestudering van bloedgroepen is van groot
antropologisch-etnologisch
belang, voor het ontdekken van de verwantschap tussen verschillende
mensenrassen. Onder de Europeanen hebben eeuwen van rassenvermenging de
herkomst, voor zover het de bloedgroepen aangaat, uitgewist. Eenzelfde
verwarring bestaat nog onder de Aziaten. Onder de bewoners van het
Westelijk
Halfrond is echter telkens, als een nagenoeg zuivere stam onderzocht
werd,
gevonden dat één enkele bloedgroep, n.l. die, die aangeduid wordt met
“groep O”,
het meest voorkomt. Helaas zijn er geen zuivere-lijn-Inca’s voorhanden
om dat te
onderzoeken; maar het is gebleken dat de Maya’s voor 97.7% en de
Yucatanse
mestiezen voor 8 % tot groep O behoren. Een kleine, blijkbaar niet
zuivere
groep afstammelingen van de Azteken, werd onderzocht door Castaneda en
was voor
80% “O”, en ook de volbloed Amerikaanse Indianen behoren voor 90% of
meer tot die
groep. Baffin-Bay-Eskimo’s zijn, mits volbloedig, geheel “O”. Die
feiten
hebben allerlei interessante betekenissen, waarvan het merendeel niets
te maken
heeft met deze bespreking. Het belangrijke punt voor ons is dat de
overeenkomst
in bloedgroep wijst op een nauwe verwantschap in afstamming onder de
bewoners
van het Westelijk Halfrond. En als dit voor ogen gehouden wordt, samen
met het
feit, dat er luizen zijn gevonden op de prehistorische mummies, bij
minstens
twee onderafdelingen van de oorspronkelijke bewoners van Amerika, lijkt
het
meer dan waarschijnlijk, dat zowel Azteken als Inca’s luizen hadden. Terwijl
de
door
ons
besproken
historische
gegevens,
en
de
waarschijnlijkheid,
dat
de
Azteken
luizen
hadden,
samen
het
voorkomen
van
tyfus op het Westelijk
Halfrond
vóór de verovering door de Spanjaarden aannemelijk maken, is het toch
van
belang te onderzoeken, of er misschien feiten zijn, waaruit wij kunnen
afleiden, of het mogelijk geweest zou kunnen zijn, dat de ziekte uit
Europa
werd geïntroduceerd vóór de eerste duidelijk herkenbare epidemie in
Mexico. Tyfus
breidde
zich
uit
over
Spanje,
voordat
Cortez
landde
in
Mexico.
Als
de
ziekte
door
de
reizigers
werd
geïmporteerd, kon zij daar niet gekomen zijn
door middel
van geïnfecteerde luizen. De Spaanse avonturiers gingen eerst naar Cuba
voor
zij verdertrokken naar de kustplaatsen van Yucatan en Mexico. Die
overtocht zou
nooit volbracht kunnen zijn in minder dan een paar maanden en de met
tyfus
geïnfecteerde luis sterft aan de ziekte uiterlijk twaalf tot veertien
dagen, nadat
zij het geïnfecteerde bloed heeft ingezogen. Het is natuurlijk
mogelijk, dat het
virus tijdens de reis in een reeks tyfusgevallen van de ene zeeman op
de andere
overgegaan zou zijn. Maar als dat al gebeurd was, zou dat toch een
ernstige
zaak geweest zijn en zou een vermelding daarvan waarschijnlijk bewaard
gebleven
zijn. Er bestaat in dit verband een vermakelijke waarneming van Ovideo,
die wij
citeren uit Cowan. Hij merkte op dat toen de schepen tijdens hun reis
naar
Indië in de tropen kwamen, de bemanning onder de luizen zat en op de
terugweg
weer op hetzelfde punt met het ongedierte te kampen kregen. Die
observatie
wordt in twijfel getrokken door een van de toegevoegde schrijvers in
Cuvier’s Geschiedenis
van de Insecten. Cowan denkt dat hierin een kern van waarheid
schuilt, omdat
hitte en overvloedig zweten ongunstig zijn voor de voortplanting van de
klerenluis. Aan de andere kant is het veel waarschijnlijker, dat de
bemanning
zich tijdens de hitte van kleren ontdeed en dat de klerenluis daardoor
zeer ontmoedigd
werd; maar de hoofdluis, die ook de ziekte kan overdragen, zou gebleven
zijn.
Bij de Arabieren in Noord-Afrika hebben wij midden in de zomer massa’s
hoofdluizen gevonden en die, hoewel niet zó overvloedig in een warm
klimaat als
in een koud, bij een grote verscheidenheid van klimaatsomstandigheden
kunnen gedijen.
Het is echter, om genoemde redenen, onwaarschijnlijk, dat geïnfecteerde
luizen
levend overgebracht zouden zijn tijdens de eerste perioden van de
reizen naar
Amerika. Terwijl
een
dergelijke
overdracht
van
de
ziekte
dus
betwijfeld
zou
kunnen
worden,
is
het
niet
onmogelijk,
dat
het
virus
geïmporteerd zou zijn met
scheepsratten en
-muizen. Zoals we hebben gezien, is de zwarte rat sinds de twaalfde
eeuw in
West-Europa zeker aanwezig geweest. Zij kwam in Frankrijk voor en
daarom naar
alle waarschijnlijkheid in het begin van de dertiende eeuw ook in
Spanje; haar
aanwezigheid in Frankrijk is duidelijk vastgelegd in de “Roman du
Renart” en in
de twee gelijksoortige balladen “Renart le Nouvel” en “Renart le
Contrefait”,
die dateren uit het einde van de dertiende en begin van de veertiende
eeuw. Bij
ratten kan de ziekte eindeloos gaande gehouden worden en zou zelfs met
gemak nog
langere reizen dan die van de Spanjaarden overleefd kunnen hebben. Op
die
manier zou de ziekte endemisch geworden kunnen zijn op Cuba, waarmee
veel
Spaanse steden gedurende het begin van de zestiende eeuw een levendig
verkeer
onderhielden. Vanuit Cuba zou zij dus eenvoudig overgebracht kunnen
zijn naar
de kust van Yucatan en Mexico. De eerste echte epidemie in Mexico, die
door de
broeders onmiskenbaar als tyfus herkend werd, vond pas plaats in 1576.
Bernal
Diaz verliet, onder Grijalva, Havanna op 8 februari 1517, op een schip,
dat eenentwintig
dagen nodig had om de kust van Yucatan te bereiken. Die expeditie trok
niet verder
naar het eigenlijke Mexico, maar ging naar Florida, waar de helft van
de
Spanjaarden door de inboorlingen werd gedood. Cortez verliet Havanna op
10
februari 1519 en op 12 maart bereikte hij Tabasco, na Cozumel in
Yucatan te
hebben aangedaan en zette vervolgens koers naar San Juan de Ulia of
Vera Cruz,
waar hij aan land ging op de dag voor Goede Vrijdag. Daarna werden er
herhaaldelijk
reizen gemaakt en het is niet mogelijk de overbrenging uit te sluiten
van geïnfecteerde
ratten en hun verspreiding vanaf de kust naar hogere plateaus. Daar kan
de
eerste rattenvlo de ziekte gemakkelijk op een menselijk wezen
overgebracht en
een epidemie teweeggebracht hebben onder een bevolking met luizen,
zoals dat
tegenwoordig nog steeds gebeurt. Het is volstrekt onmogelijk met zekerheid vast te stellen, of tyfus een van de gaven was, waarmee onder anderen Europa het Westelijk Halfrond heeft verrijkt. Op de weg naar die conclusie hebben wij echter een aantal interessante feiten geleerd.
Noten
1) Entro las epidemias
notables
que
se
refieren
por
nuestros
historiadores
es
le
qu
tuvo
principio
en
tiempo
da
las
guerras
civiles
de Granada, acuecidas por les anos de 1489 y 1490,
cuya enfermedad
se
2) Una nueva enfermedad desconocida
de los siglos antiguos
hasta las guerras
civiles de Granada aparecio en España el ano 1557, la qual despoblo la
mayor
parte de nuestra peninsula, y no empezo a corregirse ni mitigarse sino
hacia e ano
1570. Esta nueva pestilencia se cree que tomo su origen de los
sarracanos despues
de la guerra de Granada; esto es, despues que el rey Don Fernando de
Aragon y
Doña Isabel, reyna da Castilla, conquistaron dicha ciudad, y despues de
haber sido
dispersados los moriscos por decreto de señor Don Felipe II. Qua esta
infeccion
proviniese de los arabes españoles, se colige da que casi todas, los
que fueron
dispersados, inficionaban con su comunicacion y traio a los habitantes
de las aldeas,
villas y ciudades, como refeere Luis de Toro en su tratado “de febri
punticulari”;
a suyo caracter pertenece, y sa hallara su descripcion en la epoca 1570
y 1577. 4) Zie von Pastor, Geschiedenis van de Pausen. 5) Op de datum van de feitelijke aankomst van de Azteken in Mexico. 6) Nadat ik in de haven van Vera Cruz aangekomen was en in een comfortabele trein langs de weg reed, vanwaar Cortez zijn brandende schepen zag, dacht ik na over de uitzonderlijke moed van die man. Misschien is één van de geheimen van zijn successen het feit dat hij, in tegenstelling tot tegenwoordige ontdekkingsreizigers, zijn vrouw thuisliet. Zou hij zijn schepen verbrand hebben, als zij erbij geweest was? Nee! Hij zou niet verder gekomen zijn dan Orozaba, naar Spanje teruggekeerd zijn en een boek geschreven hebben “Hernando en Juana in Mexico”. 7) Ocaranza is het hier niet mee eens en haalt Robelo aan om te bewijzen, dat geen enkel Mexicaans dialect ooit goed schriftelijk werd vastgelegd en dat het zeer wel mogelijk is, dat de Azteekse naam van de ziekte niet matlazahuatl was, maar matlatzalatl, dat “tien gezwellen” betekent en mogelijk op pokken doelde. 8) Marmotjes, konijnen, en verschillende soorten muizen kunnen in het laboratorium geïnfecteerd worden — terwijl geen van die dieren ten gevolge van de infectie sterft. Onlangs is ontdekt dat knaagdieren, die thuis horen in Mexico, gevoelig voor de infectie zijn. 9) Mooser schrijft ons inderdaad, dat de Indianen in een dorp op enige afstand van Mexico-City, waar kort geleden een epidemie plaatsvond, hun eigen woorden hadden voor andere dieren, maar de Spaanse woorden “piojo” en “caballo” gebruikten voor “luis” en “paard”. Dit is zo belangrijk, dat het verder onderzoek onder andere stammen rechtvaardigt.
De
vroege
volwassenheid:
de
periode
van
jeugdig
vuur
en
wilde
haren. 1 Na
de oorlogen om Granada, volgde de verspreiding de tyfus van Spanje naar
Italië,
Frankrijk en vandaar verder naar het Noorden, in een bijna
ononderbroken
opeenvolging van kleine uitbraken en toen die nog nauwelijks waren
uitgewoed,
begon na het beleg van Napels in 1528 een nieuwe golf, van Zuid naar
Noord. Trouw
aan haar strategie voordeel te trekken uit elke zwakheid van de
afweermiddelen
van de mensheid, noodzaakte in 1552 een nieuwe ernstige tyfusepidemie
Karel V
het beleg van Metz op te heffen. De omsingeling van de stad vond plaats
in de
wintermaanden en het keizerlijke leger, dat Spanjaarden, Duitse en
Italiaanse
huurlingen in dienst had, begon tegen begin december, ernstig te lijden
aan een
combinatie van ziekten, waaronder scheurbuik en, zoals gewoonlijk,
ingewandskoortsen; de allergevaarlijkste was echter tyfus. Naar men
zei, zouden
er binnen een maand meer dan 10.000 manschappen gestorven zijn, en voor
het
einde van het jaar sloegen de belegeraars op de vlucht, waarbij zij de
omliggende streek door en door besmet achterlieten. Het is misschien in
die
periode geweest, dat de term “Morbus carcerorum” voor het eerst voor
onze
ziekte gebruikelijk werd, omdat een groot aantal zieken in de militaire
gevangenissen stierf. Pas laat in de daaropvolgende zomer nam de plaag
in de
dorpen op het platteland af. Vanaf
dat
moment
ontbrak
tyfus
nooit
meer
in
de,
door
terugkerende
soldaten
binnengedrongen
streken,
die
de
infectielonten
ontstaken,
die
van dorp tot dorp en van
stad tot
stad heen en weer dreven en waar zij maar konden vonken lieten vallen
op het
ontbrandbare materiaal. Maar over die onregelmatig verspreide en over
het
algemeen kleine uitbraken bezitten wij weinig nauwkeurige gegevens. Het
is niet
onmogelijk dat de ziekte, zonder verdere grote vuurhaarden, in de loop
van de
volgende eeuwen uitgedoofd zou zijn, ware het niet, dat de infectie in
die vroege
stadia van haar bestaan in Europa herhaaldelijk vanuit het Oosten nieuw
voedsel
kreeg. De
belangrijkste episode in de verovering van Europa door de tyfus, had
rond die tijd
plaats in Hongarije. In een vorig hoofdstuk hebben wij gezinspeeld op
de
mening, door de Toto geuit en herhaald door Fracastorius, dat tyfus
vanaf
Cyprus geïmporteerd werd; veel van de historische gegevens doen
vermoeden dat
de ontwikkeling van de Rickettsiae als parasiet in het Oosten, meerdere
honderden jaren vooruitliep op die in het eigenlijke Europa. Het lijkt
nauwelijks redelijk om het feit, dat de eerste twee golven van
epidemische
tyfus die, voortgekomen uit streken, waar Westerse legers de grenzen
verdedigden tegen Oosterse machten, door Europa raasden, te beschouwen
als een
toevallige samenloop van omstandigheden. De eerste epidemie heerste
tijdens de
strijd tussen Spanjaarden en Saracenen; de tweede, waarover wij nu over
zullen
spreken, is het gevolg van de oorlog tegen de Turken aan het Hongaarse
front. Sinds
de
vroege
Middeleeuwen
hadden
Hongarije
en
het
Balkenschiereiland
de
grens
gevormd
tussen
het
Christendom
en
de
Halve
Maan.
In het begin van de vijftiende
eeuw
maakten de Turken enorme vorderingen, versloegen telkens weer de legers
van de
Hongaren, maakten zich meester van Servië, herhaaldelijk van
Hongarije
zelf en omsingelden van tijd tot tijd Wenen. Het Oosten van Hongarije
was meer
dan honderd jaar daarvoor volledig onder de voet gelopen. Soms kon het
geen hulp
krijgen van de Oostenrijkse keizers en verdedigde zich dan zelf zo goed
en
kwaad als het ging met de geringe strijdmacht, die de koning van
Hongarije
onder de bevolking zelf op de been kon brengen. De enige
grensbescherming
bestond uit een keten van ongeveer vijfenvijftig onregelmatig langs de
grens
verspreide en ongeorganiseerde kastelen, die evenzeer elkaar bestreden
als de
Turken. De bevolking was sterk vermengd — de Turkse legers bevatten
christengevangenen
en afvalligen, de zogenaamde “matroloso’s” of “quastotori”, terwijl aan
de
andere kant de Turken zich ook bij de christelijke legers voegden. Wij
zijn
precies op de hoogte van de aard van de epidemie, die Hunyadi’s
machtigste
bondgenoot was, toen hij het beleg van Belgrado wist op te heffen en in
1456 Mohammed
II versloeg. Het kan tyfus geweest zijn — maar zou ook pest geweest
kunnen
zijn. Wat het ook geweest moge zijn, de overwinning was vruchteloos
voor
Hongarije, want ook Hunyadi viel eraan ten offer. Vanaf dat moment
volgden meer
dan honderd jaar lang epidemieën elkaar op de voet, waarschijnlijk
zowel van
pest als tyfus, vergezelden de strijdende legers, en werden gedurende
de korte
wapenstilstanden door de terugkerende troepen over dorpen en steden
verspreid. Pas
vanaf 1543 beschikken wij echter over voldoende nauwkeurige gegevens om
met
enig betrouwbaarheid de diagnose tyfus te kunnen stellen. In dat jaar
bevond
Joachim van Brandenburg zich in Hongarije met een leger, dat
hoofdzakelijk was
samengesteld uit Duitsers en Italianen. De ziekte, die 30.000 van zijn
manschappen doodde en de “Pestartige Bräune” genoemd werd, was zonder
twijfel tyfus.
Als wij proberen de route van die infectie te volgen, is het van
aanzienlijk
belang, of de soldaten van Margrave zelf de ziekte meebrachten of die
van de
Hongaren en de Turken kregen. Wij hebben namelijk gezien, dat de tyfus
in die
tijd vanuit het Westen al Spanje en Italië was binnengedrongen en niet
onbekend
was in Frankrijk en Duitsland. Een aanwijzing om die vraag te
beantwoorden,
wordt gegeven in een zeer belangrijke door Györy verschafte waarneming.
Györy
vermeldt dat de Duitsers zware verliezen leden, terwijl de sterfte
onder Hongaren
en Turken betrekkelijk gering was.1) Volgens waarnemers uit die tijd,
was de
sterfte onder de Duitsers zo groot, dat een groot gedeelte van het
leger nooit
met de vijand slaags raakte, omdat de “Hongaarse ziekte” hen doodde,
voordat de
Turken daartoe de gelegenheid kregen. Om die reden werd Hongarije “het
kerkhof van
de Duitsers”genoemd. Als
dat juist is — en het is niet iets, wat uit zichzelf opkomt, zonder dat
het feitelijk
waargenomen is — kan het slechts één betekenis hebben, namelijk dat de
ziekte
al lang in Hongarije bestond, toen de keizerlijke legers kwamen. Tyfus
veroorzaakt immuniteit die, hoewel niet permanent, jarenlang kan
aanhouden en
het is algemeen bekend dat, in streken, waar de ziekte endemisch is,
nieuwe
bewoners het veel zwaarder te verduren hebben dan mensen, die daar
geboren zijn.
De betrekkelijke immuniteit van Turken en Hongaren zou dus kunnen
wijzen op het
bestaan van een soort collectieve weerstand, een verschijnsel dat
slechts
veroorzaakt kan zijn, doordat zij langdurig en doorlopend aan de ziekte
waren
blootgesteld, aan voortdurend verspreid voorkomende gevallen en kleine
groepsgewijze uitbraken. Toen het leger van de Markgraaf terugkeerde,
werd de
ziekte opnieuw wijd en zijd over Europa verspreid. Die
episode
werd korte tijd later, op een veel grotere schaal, herhaald in 1566,
toen
Maximiliaan II Hongarije binnenviel om zijn opmars naar het Oosten te
dekken.
De eerste wapenfeiten vielen voor de Keizer gunstig uit en hij zou zijn
doel
bereikt hebben, als de tyfus niet opnieuw een beslissende rol had
gespeeld. De
keizerlijke troepen sloegen hun kampementen op langs de Donau, met
grote groepen
op het eiland Komorn, langs de Raab en bij Rabnitz. Er was onvoldoende
voedsel,
slecht water en, voegt Schnurrer er met duidelijk afgrijzen aan toe,
werd het
bier zuur. Slecht en onvoldoende voedsel leidde tot scheurbuik, het
weer was
ontzettend heet en dysenterie en buikloop verzwakten de manschappen en
al die
dingen samen bereidden een ideale voedingsbodem voor tyfus. Thomas
Jordanus,
die als legerarts de troepen vergezelde, heeft een levendige
beschrijving
nagelaten, die de diagnose zeker maakt. Het begon met koude rillingen,
gevolgd
door buikpijn, onlesbare dorst, delirium en een vlekkige huiduitslag,
die in
vrijwel alle gevallen aanwezig was. Vanuit het leger verspreidde de
ziekte zich
over het omliggende land en Maximiliaan werd genoodzaakt zijn kamp op
te breken
en een onvoordelige vrede te sluiten met de Turken. Ten slotte ontbrak
het aan
voldoende discipline en vielen de troepen uiteen in benden, die de
ziekte met
zich droegen naar Italië, Bohemen en Duitsland en vandaar naar
Frankrijk, via
Bourgondië in noordelijke richting naar België. Overal waar deze
infectiestroompjes steden bereikten, volgenden steeds epidemieën. Wenen
kreeg
te lijden van de ernstigste tyfusuitbraak uit haar geschiedenis.
Sindsdien is
tyfus steeds endemisch gebleven in Hongarije, de Balkanstaten en de
aangrenzende gebieden van Polen en Rusland. Dit zijn nog steeds, tot op
de huidige
dag, de haarden van waaruit de tegenwoordige Europese epidemieën
ontspringen. Voor
zover
historische
onderzoeken
ons
daarvoor
een
aanknopingspunt
kunnen
geven,
zijn
wij
geneigd
te
geloven,
dat
de
Hongaarse
oorlogen en hun gevolgen,
de
omstandigheden teweeggebracht hebben, die tyfus de gelegenheid gaven,
via de
luis, over te gaan van mens op mens in ononderbroken cycli, die de
rat-vlo-fase
kortsloten en het parasiteren stabiel aanpasten tot een
mens-luis-mens-overdracht,
zoals wij die tegenwoordig kennen als het “klassieke Europese type” of
“het gehumaniseerde
virus”. 2 Bij het beschrijven van de gebeurtenissen, die de tyfeuze koorts in staat stelde zich gedurende de zeventiende eeuw over het Europese vasteland te verspreiden, beperken wij ons tot de belangrijkste episodes.
Het
zou
veel
meer
ijver
vragen
dan
wij
bezitten
—
het
zou
overigens
verschrikkelijk
vervelend
worden
—
als wij de vrijwel ononderbroken
reeks
kleinere uitbraken, die in de tijd tussen de grote epidemieën steden en
dorpen teisterden,
zouden willen opsommen. Toen de tyfus eenmaal door de, in de door ons
in de
vorige paragraaf beschreven, omstandigheden, ten Westen van de Balkan
vaste
voet had gekregen, begon zij zich in alle richtingen te verspreiden,
ongeveer zoals
een bosbrand, nu eens laag en smeulend en misschien op sommige plaatsen
bijna
uitgedoofd, dan weer langzaam voortkruipend naar nieuwe streken, altijd
gereed
om op te laaien tot een vernietigend vuur, zodra brandstof beschikbaar
is.
Hierin stond zij niet alleen in een eeuw, die van alle perioden van de
zogenaamde
christelijke beschaving, voor de mens de meeste ellende bracht. De
pest, destijds
de onafscheidelijke, woeste metgezel van de tyfus, was sinds de
veertiende eeuw
nooit helmaal uitgedoofd; pokken, difterie, ingewandskoortsen en alle
mindere
plagen lagen voortdurend op de loer; en de kronieken uit die jaren zijn
deerniswekkende verslagen van hongersnood, pestilentie en ongelooflijk
wrede
oorlogen. De
ellende van die periode wordt levendig weergegeven in een verslag,
waarin
Lammert jaar voor jaar, van 1600 tot het einde van de Dertigjarige
Oorlog, de
verschrikkelijke kameraadschap van ziekte en oorlog heeft verzameld.
Lammert
was Bezirksarzt (districtsgeneesheer) te Regensburg, die de
plaatselijke
kronieken bestudeerde van verschillende streken in Duitsland. Hij had
de
zonderlinge gewoonte om de hoofdstukken, die achtereenvolgens de
verschillende
jaren behandelen, van een kop te voorzien met vermelding van de
weersgesteldheid, oogstverslagen en zonder uitzondering een oordeel
over de kwaliteit
van de wijn. 2) Zo
vinden
wij, in 1602: “De winter was streng, een koude maand april, hagelbui in
de
zomer. De wijn was schaars en van slechte kwaliteit. In dit jaar kwam
er pest
voor in de Palts, Saksen en Pruisen. In Danzig stierven 12.000 mensen
in één
week. Er was een pokkenepidemie in Bohemen; ook een in Silezië. In
Zuid-Duitsland
woedde de verschrikkelijke Bauchkrankheit (waarschijnlijk
dysenterie of
typhoid). Er was hongersnood in Rusland, vergezeld van pest- en
tyfusepidemieën
en in Moskou alleen (waarschijnlijk een grove overdrijving) zouden,
naar men
zegt, 127.000 mensen aan de pestilentie gestorven zijn.” Ieder
jaar
herhaalt
zich
het
onverbiddelijke
relaas.
We
kiezen
er
nog
een
willekeurig
uit,
het
volgende:
“In
1613,
toen
de wijn overvloedig was, maar zuur,
raasde de
Hongaarse ziekte (tyfus) door Wurtemberg en Tirol. Hauptweh (tyfus)
heerste
in
Maagdenburg.
Er
was
pest
in
Regensburg,
Leipzig,
Bohemen,
en
Oostenrijk,
vanwaar
zij
zich
in
oostelijke
richting
uitbreidde.” Zo
luidt het
verhaal jaar na jaar, tot 1618, toen de Dertigjarige Oorlog begon. De
Dertigjarige Oorlog is het reusachtigste natuurlijke experiment op
epidemiologisch gebied, waaraan de mensheid ooit heeft blootgestaan. 3)
Europa
was, zoals wij hebben gezien, een staalkaart van voortdurend kleine
uitbraken
van elk denkbare infectieziekte; en door dit gebied marcheerden, iets
meer dan
negenentwintig jaar lang, legers heen en weer; afgezwaaide soldaten,
voortvluchtigen en deserteurs zwierven her- en derwaarts. Hongersnood
was het
gevolg en volksstammen trokken rond in vluchtende horden op zoek naar
voedsel
en bescherming. Waar mensen ook heentrokken, ziekte volgde hen op de
voet. De
geschiedenis van die epidemieën kan alleen helemaal begrepen worden,
tegen de
achtergrond van de omstandigheden, die hen teweegbrachten en een beeld
van die omstandigheden
kan het beste weergegeven worden met behulp van fragmenten, zoals
Lammert die
aan de verslagen van ooggetuigen ontleent. Er is een overvloed om uit
te kiezen.
Het volgende willekeurige voorbeeld is de woordelijke vertaling van een
passage, die Lammert genoemd heeft in zijn verslag van het jaar 1632.
Wij
zouden bijna elk ander jaar gekozen kunnen hebben, met hetzelfde
illustrerende
effect: “Toen Gustaaf Adolf zich, nadat hij Memmingen had ingenomen,
gereed maakte
Zuid-Duitsland te veroveren, werd hij tegengehouden door Wallensteins
triomftocht
in Saksen. Memmingen werd kort daarop heroverd door het keizerlijke
leger. De
voormalige “Reichsstadt” Kempten viel in de handen van de Zweden en de
kroniek,
geschreven door de ooggetuige Dr. Ph. Jak. Karrer, vermeldt de
weerzinwekkende
gebeurtenissen, die in die stad plaatsvonden.” De goede Lammert
schrijft “Die Feder straübt sich”, de pen
verzet zich tegen het
opschrijven van
“dergelijke beestachtigheden van de mens.” Als vrouwen gevangen werden
genomen,
werden hun borsten afgesneden; moeders werden samen met hun kinderen en
bedienden,
in de rivier geworpen. Soldaten vermoordden de plaatselijke dokter,
verkrachtten zijn dochter, staken haar de ogen uit, en gooiden haar
samen met
haar dode vader het raam uit. In tegenwoordigheid van echtgenoten en
ouders,
die daarna vermoord zouden worden, werden vrouwen en dochters
verkracht. Toen
de Zweden een huisvrouw aantroffen staande voor een ketel kokend water,
sneden
zij haar handen af, doopten haar hoofd meermalen in de ketel en
onthoofdden
haar. Zes kleine kinderen werden vermoord in een kelder aangetroffen.
Op de dertiende
januari viel de stad opnieuw in handen van de keizerlijke troepen. De
wreedheden, die de veroveraars nu aanrichtten bij wat er nog van de
bevolking
restte, opgetekend door Dr. Gabriel Furtenbach in wat hij terecht zijn Jammerchronik
noemt, tarten elke verbeelding. Dat gebeurde allemaal kort voor
de mars
van Gustaaf Adolf op Neurenberg, waar tyfus een gepaste wraak nam op
beide
legers. Prinzing
verdeelt
de
epidemiologische
geschiedenis
van
de
Dertigjarige
Oorlog
in
twee
hoofdperioden:
de
eerste,
van
1618
tot
1630,
toen tyfus de
belangrijkste gesel
was; en de laatste, van 1630 tot 1648, toen de pest de overhand kreeg.
Men moet
echter niet vergeten, dat gedurende de hele tijd beide ziekten samen
woedden en
op hun beurt krachtig versterkt werden door dysenterie, typhoid,
difterie,
pokken, roodvonk en allerlei minder dodelijke bondgenoten. Het
allereerste begin van de oorlog werd vergezeld door een ernstige
tyfusepidemie.
Het leger van Mansfeld marcheerde, na de slag bij Weissenburg, door de
Palts
naar de Elzas, en liet overal tyfus achter. Dit vormde het begin van
een reeks
epidemieën door Bohemen en het Zuiden van Duitsland heen. Van daar werd
de
ziekte met de troepen van Wallenstein en Tilly naar het Noorden
overgebracht,
waar in 1625 tyfus en pest hun hoogtepunt bereikten. De verwoesting van
hun
landerijen dreef de boeren naar de steden, en de pestilentie
verspreidde zich
naar Straatsburg, Mannheim, Frankfort, Mainz, Neurenberg en alle
kleinere
steden. In Metz dook de tyfus weer op in 1625 en van daar breidde zij
zich via
Verdun naar Frankrijk uit. Saksen had ernstig van tyfus en pest te
lijden na de
slag bij Breitenfeld in 1631. De pest kreeg nu de overhand en de beide
ziekten
trokken samen op met de zich snel verplaatsende legers, bleven achter,
als de
soldaten weer vertrokken, en verspreidde zich uit talloze haarden over
het
omringende land. Beieren was in die tijd vrijwel ontvolkt. In
juni
1632 belegerde Gustaaf Adolf Neurenberg. Een enorm aantal vluchtelingen
en
troepen had zich in de stad verzameld. Na elf weken hardnekkig verzet
begonnen
voedsel en voorraden op te raken. De Hongaarse ziekte (tyfus) en
scheurbuik
verspreidden zich zowel onder belegeraars als belegerden. In de stad
werden ongeveer
vijfduizend slachtoffers in de kerkregisters ingeschreven en dat is
slechts een
fractie van het aantal doden. De non Maria Anna Junius van Bamberg
schrijft in
haar kroniek onder november van dat jaar: “War damals grosse
Theurung and
Sterb zu Nürnberg, dass in 7 Wochen 29.000 Mensen
gestorben.” Het
Zweedse leger leed niet minder. Honger en ziekte maakten een eind aan
elke
discipline en de verarmde boeren uit het omliggende land vielen ten
prooi aan
de wreedheid van de soldaten. Na een laatste mislukte poging om de stad
te
bestormen op 3 september, werd de Zweedse koning gedwongen zich terug
te
trekken. Hij liet verwoesting achter; de akkers waren vernield; dorpen
waren
ashopen, de straten bezoedeld door stinkende kadavers; in één district
bleef
slechts een kwart van de oorspronkelijke bevolking in leven; velen van
de
weinige overlevenden, burgers, boeren en zwervende soldaten, liepen de
ziekte op
bij het binnendringen van de verlaten kampementen, zowel van de Zweedse
als van
de keizerlijke troepen, op zoek naar voedsel en buit. Tyfus en pest
werden opnieuw
wijd en zijd verspreid. Tyfus had het beleg opgeheven en beide legers
gedwongen
zich zonder gevecht terug te trekken. De
epidemische rampen uit de Dertigjarige Oorlog waren echter niet beperkt
tot het
eigenlijke gevechtsterrein. Voortdurend werd de infectie tot buiten de
nationale grenzen gebracht. In 1624 stierven in Amsterdam meer dan
tienduizend
mensen. Vrijwel tegelijkertijd drong de tyfus door in Frankrijk. Het
Westen van
Provence was toentertijd het toneel van een verwoede strijd tegen de
Calvinisten. Montpellier werd belegerd in 1613 en daar brak een ziekte
uit, die
door Lazarus Riverius beschreven werd als “febris maligna pestilens”.
Zijn
beschrijving, die door Murchison tot in detail wordt geciteerd, slaat
onmiskenbaar op tyfus. “De huid was getekend door een uitslag van rode,
blauwachtige of zwarte vlekjes, als vlooienbeten, die van de vierde tot
de negende
dag optraden over het hele lichaam, maar het meest op lendenen, borst
en nek.”
De infectie bleef in de streek hangen en werd opnieuw epidemisch in
1641. Vanuit
Montpellier breidde de tyfus zich, samen met builenpest, uit in
Noordelijke
richting. In 1628 (wij ontlenen onze cijfers aan Prinzing) waren er
60.000
sterfgevallen in Lyon, en 25.000 in Limoges. Zij breidde zich uit tot
Parijs en
Avignon, de Pyreneeën en langs de kust van de Middellandse Zee. Toen
de
Dertigjarige
Oorlog
geëindigd
was,
was
er
geen
hoekje
over
op
het
vasteland
van
Europa,
zonder
infectiehaarden.
En
hoewel de verschrikkelijke
periode van die
oorlog alle andere gebeurtenissen van die eeuw overschaduwt, waren de
volgende
jaren toch allesbehalve vredig. De veldtochten van Turenne, de oorlogen
in de
Nederlanden en Rusland en de aanhoudende oorlogvoering tegen de Turken
— vooral
het beleg van Wenen in 1683 — bood aan de tyfus alle gelegenheid, die
zij nodig
had om voortdurende actief te blijven. En in Italië — vooral op Sicilië
— gaven
hongersnoden de ziekte de vrije hand tijdens de ernstigste epidemieën
uit de
geschiedenis van dit land. Intussen werd Frankrijk zelf niet gespaard
en 1651 en
1666 waren rampzalige tyfusjaren voor Poitou en Bourgondië. Op
het oostelijke slagvelden, waar de strijd tussen Rusland, Oostenrijk en
Hongarije onverdroten voortging tot in de achttiende eeuw, kreeg de
ziekte steeds
meer vaste voet, wat leidde tot het ontstaan van de blijvende haarden,
waarover
wij al gesproken hebben. 3 In de vroege epidemiologische mededelingen in Engeland wijst niets erop, dat tyfus daar ooit had bestaan, voordat zij zich stevig genesteld had op het vasteland. Er waren natuurlijk veel verschrikkelijke epidemieën — zoals de “Drif” of “hongerkoorts” van 1087, waarvan melding wordt gemaakt in de Angelsaksische kronieken: “A. D. 1087 na de geboorte van onze Heer en Heiland Jezus Christus, duizend en zevenentachtig winters; in het eenentwintigste jaar nadat Willem Engeland begon te regeren en te leiden, waartoe God hem uitverkoos, was een hevig en pestilent seizoen in dit land. Er kwam een ziekte over de mensen, die zo hevig was dat bijna de helft van hen plotseling werd overvallen door de vreselijkste aandoening, dat wil zeggen door diarree; en zo erg, dat velen eraan stierven.”
Dit
was
heel duidelijk geen tyfus — mogelijk dysenterie en enteritis in
combinatie met
bij hongersnood voorkomende gebreksziekten. Wij tasten evenzeer in het
duister over
de aard van de “hongerkoortsen” van 1196 (beschreven door William van
Newburgh), van 1258 en van 1315. Luitenant-kolonel W. P. MacArthur, die
een
wetenschappelijk overzicht heeft geschreven over tyfus in het oude
Engeland, is
geneigd te geloven, dat die epidemieën, evenals de ziekten, die in
verband gebracht
worden met de gevangenissen in Londen in 1414, deels tyfus waren. Maar
hij
veronderstelt dit alleen gezien de omstandigheden, waaronder de
uitbraken
plaatsvonden en geeft toe, dat in de zeer vage beschrijvingen een basis
voor
een specifieke diagnose volkomen ontbreekt. Gezien het duidelijk
ontbreken van epidemische
tyfus in Europa vóór de vijftiende eeuw, lijkt het veel
waarschijnlijker, dat
de ziekte, toen zij zich tegen het midden van de zestiende eeuw eenmaal
goed en
wel op het vasteland gevestigd had, pas daarna het Kanaal en de Ierse
Zee is
overgestoken, waar zij een vruchtbare voedingsbodem aantrof in de
dichtbevolkte
en smerige dorpen en steden, waar de mensen krioelden van de luizen. In
Engeland richtte de ziekte haar eerste onmiskenbare verwoestingen aan
in de
gevangenissen, waar zij bekend werd als de gevreesde “goal fever” of
“jail
fever”. MacArthur vertelt ons dat het Engelse gevangenissysteem “door
en door rot
was, van boven tot onder. ... Sommige gevangenissen waren particulier
eigendom,
die gehuurd werden door de cipiers, die zich op hun beurt schadeloos
stelden met
fooien, die zij de gevangenen en hun vrienden afpersten. De gevangenen
gingen
gebukt onder ketenen, zodat de gevangenbewaarders beloningen konden
afdwingen
voor ‘verlichting van de boeien’... De gevangenissen waren schandelijk
overbevolkt en onbeschrijfelijk smerig.” Die toestanden gingen
eeuwenlang zo door,
tot na 1770, toen John Howard, de eerste grote pleiter voor hervorming
van het
gevangeniswezen, (zelf stierf hij aan tyfus als gevolg van zijn
inspectiereizen),
zijn vlugschrift schreef over de Toestand van de Gevangenissen in
Engeland
en Wales. De tyfus floreerde in de gevangenissen en af en toe
ontsnapte zij
en bracht dan beroering teweeg in het omliggende land. Dit deed zij op
een
bijzonder dramatische wijze in wat bekend staat als de “Zwarte
Assizen”. Er
waren hiervan een aantal; in Oxford in 1577; twaalf jaar later een in
Exeter;
en de laatste belangrijke in “the Old Bailey” in 1750. De volgende
feiten
werden hoofdzakelijk overgenomen van MacArthur. In 1577 werd een zekere
Rowland Jencks in Oxford gevangen gezet, een Katholieke boekbinder, die
beschuldigd werd van kwaad te spreken over “die regering van nu”, het
ijdel
gebruiken van Gods Woord, schelden op de geestelijken en wegblijven uit
de
kerk. Gezien de tijdgeest, schijnt hij een man van moed en overtuiging
geweest
te zijn. Net voordat zijn proces begon, waren een aantal
gevangenisbewoners in
Oxford gestorven in de boeien. Het proces, waarbij Jencks veroordeeld
werd tot
het afsnijden van zijn oren, had plaats in een overvolle gerechtszaal,
omdat de
zaak van Jencks bij het publiek een levendige belangstelling had
gewekt. Kort
na de zitting begon tyfus uit te breken onder degenen, die aanwezig
waren
geweest. MacArthur vertelt ons, dat Sir Robert Bell, de Opperrechter en
Sir
Nicholas Barham beiden stierven, evenals de sheriff, de ondersheriff en
alle
leden van de jury op een of twee na. Het totale aantal doden beliep
meer dan
vijfhonderd, waaronder tweehonderd tot de Universiteit behoorden. Dit
voorval
bracht zeer veel beroering teweeg, en zelfs Sir Francis Bacon
getroostte zich
de moeite een onderzoek te doen. Hij schreef de ziekte toe aan de
stank, die “enige
overeenkomst met het menselijke lichaam heeft en zich als zodanig
opdringt”. 4)
De theorieën uit die tijd schreven veel van die geheimzinnige infecties
toe aan
bedorven lucht, geen onbegrijpelijke veronderstelling onder de gegeven
omstandigheden. In dit bijzondere geval rustte de verdenking op paapse
boze magie
in de vorm van winden, die in het Katholieke Leuven samengesteld en
heimelijk
in Oxford weer losgelaten zouden zijn, diabolicis et papisticis
flatibus. Jencks
zelf is, volgens MacArthur, hoewel hij beroofd was van zijn oren,
ontsnapt aan de
infectie en heeft zich daarna gevestigd in Douai, waar hij werk vond
als bakker
in een Engelse School van Wereldheren, en nog vijfendertig jaar leefde
na de
noodlottige “Assizen”. Afgaande op de manier, waarop de ziekte zich
onder de
geleerde toehoorders verspreidde, komt MacArthur tot de conclusie — en
de
feiten dwingen ons daarmee, hoewel ongaarne, in te stemmen — dat een
aanzienlijk deel van de faculteitsleden van het Oxford College in die
dagen luizen
had. De
“Assizen”
te Exeter kwamen in het algemeen overeen met die, die kort te voren in
Oxford
hadden plaatsgevonden. Dat de toestanden in de gevangenissen desondanks
ongewijzigd voortbestonden, blijkt uit de tyfusuitbraak in de Old
Bailey, die zich
twee eeuwen later voordeed (1750) en onderzocht en nauwkeurig
beschreven werd
door Sir John Pringle, Hoofdlegerarts van Gezondheid in het leger en
later
voorzitter van de Royal Society. In
Engeland drong tyfus, in het algemeen, door tot in alle hoeken van het
Eiland.
De beschrijving van Thomas Willis, anatoom in Oxford, laat geen ruimte
voor
twijfel, dat de ziekte, die zowel de troepen van de Parlementaristen,
als die
van de Royalisten decimeerde bij het beleg van Reading in 1643, tyfus
was
(Murchison). En in 1643 maakte een gelijksoortige epidemie “van het
hele Eiland
één groot ziekenhuis”. En net als op het vasteland, liepen tyfus en
pest in die
tijd ook hand in hand; de Grote Plaag werd vergezeld door tyfus, die
voorafging
aan de opeenhoping van pestgevallen tijdens de koude winter van 1665. Het juiste tijdstip, waarop de tyfus Ierland bereikte, waar de ziekte later een van haar onneembaarste bolwerken had en hield, is onzeker. Murchison zegt, dat de eerste nauwkeurig vastgelegde epidemie die in Cork werd waargenomen was, in 1708, maar er zijn redenen om te geloven, dat zij als de “Irish Ague” al lang voor die tijd had bestaan.
Noten
1) Geciteerd uit Prinzing 2) Lammert’s preoccupatie met het weer, is heel vanzelfsprekend. Oudere boeken over epidemische ziekten worden beheerst door het idee, dat natuurverschijnselen zoals vulkanische uitbarstingen, aardbevingen, abnormale weersomstandigheden, zonsverduisteringen enzovoort, voor een groot deel aansprakelijk waren voor de epidemieën. De tegenwoordige epidemiologie ziet in dat atmosferische omstandigheden, temperatuur en vochtigheid een bepaalde invloed uitoefenen op optreden en verspreiding van ziekten, een feit, waarvoor een logische verklaring te vinden is. Lammert’s belangstelling voor de wijnoogst is niet zo eenvoudig te verklaren, maar zal wel niet zo onlogisch zijn als het op het eerste gezicht lijkt. De gewoonte om wijn te drinken kan heel goed haar oorsprong hebben in een onbeschaafde opvatting over de volksgezondheid. Overal waar in de Middeleeuwen mensen in groepen bij elkaar leefden, was het water besmet. De mensen wisten uit ervaring, dat het drinken van water gevaarlijk was. Er staat ergens bij Froissart een passage, waarin wordt verhaald hoe een leger, dat tegen Spanje optrok, machteloos gemaakt werd door de uitbraak van dysenterie, wat gebeurde omdat de wijn was opgeraakt en de manschappen water moesten drinken. Dat was een leger van 20.000 man en de conclusie is, dat alle 20.000 zich onthielden van het drinken van water, tot zij geen wijn meer konden krijgen. 3) Er is een betrekkelijk nieuwe methode om infectieziekten te onderzoeken, die “experimentele epidemiologie” genoemd wordt. Zij bestaat uit het opzetten van grote kolonies muizen, ratten, marmotten, konijnen of andere dieren, die vatbaar zijn voor spontane infecties met bepaalde micro-organismen; de bedoeling is dan om onder verschillende gecontroleerde omstandigheden een of meer geïnfecteerde exemplaren in een dergelijke kolonie te introduceren. Op die manier kunnen de omstandigheden, die de verspreiding bevorderen, waargenomen en allerlei gegevens verkregen worden. De methode is nuttig gebleken, maar heeft haar onvermijdelijke beperkingen, omdat een kolonie van muizen of marmotten in een afgesloten ruimte nooit helemaal de gecompliceerde verhoudingen van de menselijke samenleving kan nabootsen. De natuur doet haar epidemiologische proeven in tijden van oorlog en hongersnood en als, zoals tijdens de oorlogen van de negentiende en twintigste eeuw, die verschrikkelijke experimenten kunnen waargenomen worden door deskundige medici, kan daaruit veel lering getrokken worden, die van belang is voor de mensheid. Men mag wel zeggen, dat de oorlog van ‘14 door niemand gewonnen werd, behalve door de medische wetenschap. Het voordeel woog niet op tegen het verlies, maar de vermeerdering van kennis op hygiënisch en medisch gebied, was de enige aanwijsbare winst in een voor de rest uiterst noodlottige ramp. 4) In het tegenwoordige medische jargon zou dat bekend staan als “homologe stank.”
HOOFDSTUK XVI Beoordeling van de tegenwoordige opvoeding en vooruitzichten voor de toekomstige opvoeding en discipline
Als
wij nu bezig zouden zijn een medische historie te schrijven in plaats
van een
biografie, zou het op dit moment onze taak zijn chronologisch en
geografisch de
vrijwel ononderbroken reeks van tyfusepidemieën te beschrijven, die in
de loop
van de achttiende en een groot deel van de negentiende eeuw geen zijweg
en uithoek
van Europa spaarden. Dergelijke mededelingen zouden echter, hoe
onmisbaar ze ook
zijn voor de onderzoeker van de infectieziekten, weinig bijdragen aan
ons huidige
doel, het uiteenzetten van de aard en de gewoonten van het onderwerp
van onze biografie.
Bovendien zijn zij beschikbaar in een veel wetenschappelijkere en
grondigere vorm,
dan wij zouden kunnen bereiken, in de verhandelingen van Ozanam,
Hirsch,
Haeser, Prinzing en anderen, aan wie wij vrijelijk veel hebben
ontleend. Bij de
bestudering van de epidemiologische gegevens van vroeger, vindt de
specialist
vaak waarnemingen en inlichtingen, die in het licht van de huidige
kennis,
waardevolle aanwijzingen kunnen worden voor onopgeloste proplemen.
Vanuit het
biografische standpunt gezien, zou het uitvoerig opsommen van alle
tyfusuitbraken,
waarvan geen enkel decennium uit de periode, waarover wij spreken,
geheel vrij
was, vervelend worden door de voortdurende herhalingen. In principe
waren de omstandigheden,
waaronder de epidemie plaatsvond, de opeenvolging van gebeurtenissen en
de
verspreidingwijze steeds dezelfde. Tyfus was de onvermijdelijke en te
verwachten begeleider geworden van oorlog en revolutie, geen enkel
kampement,
geen enkel te velde trekkend leger, geen enkel belegerde stad ontkwam
eraan. Zij
kwam bovenop de verschrikking van hongersnoden en overstromingen;
steels sloop
zij door de ellendige wijken van de armen in dorp en stad, gedijde in
gevangenissen en bevoer zelfs schepen op zee. En als de omstandigheden
maar gunstig
waren, verspreidde zij zich door het land en overschreed nationale
grenzen. Als
er dan al een verschil was tussen het optreden van de tyfus in de
zeventiende
eeuw en die in daaraan voorafgaande perioden, bestond dat uit het feit
dat er
naast de grote epidemieën, die het menselijke lijden en ongeluk
regelmatig vergezelden,
nu ook veel kleine lokale uitbraken plaatsvonden in streken, die ver
van elkaar
lagen. En aan de oostelijke grenzen, mogelijk ook in Italië, Spanje en
sommige
gedeelten van Duitsland, was de infectie altijd sporadisch aanwezig,
ongeveer
op de manier waarop buiktyfus dat tegenwoordig is. De ziekte was nu
alom
verspreid en, in streken waar de omstandigheden gunstig waren voor
langzame
voortplanting, stevig geworteld. In
feite veranderde, tot het laatste decennium van de negentiende eeuw, de
mensheid zeer weinig wat betreft gebruiken en persoonlijke gewoonten,
die zijn
relatie tot de tyfus bepalen. Het buitengewone politieke, filosofische
en
wetenschappelijke ontwaken, dat zoveel luister aan de achttiende eeuw
verleende, werd niet weerspiegeld in een grotere zorg voor het
lichamelijke
welzijn, het enige waardoor de agressiviteit van onze ziekte geremd kan
worden.
Nooit werd verfijndheid van manieren en kleding ijveriger gecultiveerd
dan tegenwoordig,
maar zindelijkheid heeft daarmee geen gelijke tred gehouden. Zelfs een oppervlakkige overzien van de evolutie van de zindelijkheid bij de mens — een onderwerp, dat een veel uitvoeriger behandeling verdient dan wij het hier kunnen geven — onthult ons, dat de ontwikkeling daarvan ver achtergebleven is bij de intellectuele, esthetische en morele vooruitgang van de mensheid. Reinheid heeft niets te maken met intelligentie en zeker niet met godsvrucht. Wij hebben veel godvruchtige mensen gezien die met hun “die oude gezegden moet je niet te serieus nemen” of de volgende “eerlijkheid is de beste leidraad,” “deugd beloont zichzelf,” “verspil niet, wil niet,” enzovoort, alleen maar uitdrukking geven aan de gekoesterde wens van mensen die dromen over een onbereikbare volmaaktheid. In een volmaakte wereld zou reinheid gelijk staan met intelligentie, en de deugd haar eigen beloning zijn. Die gezegden zijn van dezelfde orde als Keat’s “schoonheid is waarheid,” een stelling waarover — ondanks zijn onervarenheid met de wereld — zijn kortstondige bezigheid als medisch student hem misschien wat meer licht heeft verschaft.
Wij
zijn echter weer van ons onderwerp afgedwaald, namelijk dat de
ontwikkeling van
de reinheid ver achtergebleven is bij de vooruitgang in intellectuele
en
esthetische verworvenheden. Ook het gadeslaan, vooral van sommige van
onze
artistieke tijdgenoten, heeft ons vaaks tot de gedachte verleid, dat er
wel een
zekere tegenstelling moet bestaan tussen kunstzinnigheid en
zindelijkheid. Hoe
het ook zij, ondanks de buitengewone verrijking aan cultuurgoederen,
die de
mensheid gedurende die twee schitterende eeuwen verwierf, maakte
reinheid geen
vorderingen, totdat de geneeskunde het fysieke gevaar van vuilheid op
een wetenschappelijk
aantoonbare basis begon te plaatsen. Zo horen wij over de opvoeding van
een prinses rond 1700, dat“on lui
apprit à se décrotter les pieds . . . pour ne pas polluer sa
couche. .
. . Elle savait que lorsqu’on se presse la narine en soufflant, il
faut
incontinent marcher sut ce qui tombe à terre.” . . . Of “que c’est chose vilaine . . . de prendre au
col les
poux,
puces et
autres vermines pour les tuer devant les gens, à moins qu’on ne soit
dans
l’intimité.” (men haar leerde haar haar voeten te vegen om
haar bed
niet vuil te maken... Zij wist, dat als je je neus snuit, je meteen
dient te
trappen op wat er op de grond valt.... en dat het niet netjes is om
vlooien,
luizen en ander ongedierte in tegenwoordigheid van anderen dood te
maken, als je
tenminste niet onder vrienden bent.”) De nieuwe, door Voltaire en Rousseau gepredikte vrijheid, hield geen vrijheid van ongedierte in.
Met welk doel pruiken op geschoren hoofden werden gedragen, is elders
uiteengezet. Steden en dorpen stonken ‘als de pest.’ De straten waren
de
verzamelplaatsen van afval, menselijk en anderszins De driehoekige
ruimten, die
je kunt zien tussen, nog steeds bewoonde, aangrenzende middeleeuwse
huizen,
dienden om vuil, de inhoud van kamerpotten enzovoort, op een
eenvoudige
manier te lozen vanuit de hogergelegen verdiepingen. De gegoeden
gebruikten de chaise
percée als toppunt van verfijning. Baden waren therapeutische
aangelegenheden,
die na oktober met omzichtigheid dienden te worden voorgeschreven.
Volgens ons
kwamen de eerste badkuipen omstreeks 1840 in Amerika aan. En de
openbare
badhuizen, waarin het badgoed niet hygiënisch behandeld werd, droeg
eerder bij tot
het verspreiden dan tot het tegengaan van besmettelijke ziekten. In
scholen,
gevangenissen en vergaderlokalen ontbrak elke voorziening, die het
overbrengen
van besmettingen zou kunnen verhinderen. MacArthur vertelt dat toen in
1752 in
de Newgate-gevangenis de windmolenventilatie werd geïnstalleerd, het
gerucht ging,
dat twee mannen dood neervielen, toen de eerste luchtstroom uit de
buizen hen
bereikten. Waarschijnlijk is dat overdreven, maar zelfs het valse
gerucht geeft
ons enig idee van de toestanden, die in het gebouw heersten. 2 Gezien die omstandigheden, is het niet verwonderlijk, dat de tyfus in Europa weelderig tierde en af en toe Amerika bereikte, in de periode die wij beschrijven. De woelingen in achttiende eeuw hadden de besmetting tot in de verste uithoeken van de beschaafde wereld gebracht.
Het was niet langer nodig om de bron voor hernieuwde uitbraken in het Oosten te zoeken, hoewel de voortdurende oorlogen met de Turken er ongetwijfeld aan bijdroegen. De Spaanse, Poolse en Oostenrijkse Successieoorlogen, die allemaal in de eerste helft van de achttiende eeuw vielen, waren voor de tyfus evenzoveel gunstige gelegenheden. Steeds begonnen de pestilenties in het leger en verspreidden zich vervolgens door Centraal-Europa. Alleen al tijdens het beleg van Praag stierven 30.000 mensen, waaronder de hele Franse medische staf. Een andere golf raasde in dezelfden tijd, waarschijnlijk via Rusland, door Scandinavië en stak over naar Duitsland. Kort daarop verscheen zij met dodelijk geweld in Parijs en verspreidde zich over de provincies. In Ierland werd zij voor het eerst met zekerheid waargenomen in het begin van de eeuw en in 1718 was de ziekte daar epidemisch verspreid. Zij kwam daar als de “Ierse pest” waarschijnlijk veel eerder voor — maar dit kan niet met zekerheid worden vastgesteld. In 1720 verscheen de tyfus tijdens een hongersnoodperiode in Messina; een vreselijke uitbraak vond in 1735 in Moskou plaats; en in 1740, na een tiental jaren van betrekkelijke rust, verscheen zij opnieuw — bijna gelijktijdig en met hernieuwde kracht — in Midden-Duitsland en Ierland; in dat laatste land ten tijde van de aardappelen-hongersnood van 1740. Het is opmerkelijk, dat in die eeuw met haar industriële ontwikkeling, de teruggang van de handel en werkeloosheid, het voorkomen van tyfus evenzeer bevorderden, als oorlogen en misoogsten. Verschillende ernstige uitbraken hielden verband met problemen in de textielindustrie in Vlaanderen en Oostenrijk, wat de verhouding aantoont tussen tyfus en economische ontberingen.
Vanaf
dat
moment
volgde
tyfus
weer
de
legers.
Zij
streed
samen
met
de
Britten
in
Vlaanderen
na
Dettingen
(1743) en opnieuw in de Spaanse
oorlogen van 1762.
In hetzelfde jaar vlamde zij op in Italië, waar zij, door hongersnood
ondersteund, tot 1769 smeulde en opvlamde. De in 1764 door Fasano
beschreven
epidemie in Napels, was de verschrikkelijkste van dit tijdperk. Over
die uitbraak
maakt Haeser de verhelderende opmerking, namelijk dat de sterfte het
laagst
was, waar een tekort aan dokters bestond, wat heel waarschijnlijk wel
klopte, omdat
de medische gebruiken destijds het uitgebreid aderlaten voorschreef. De
Zevenjarigen
oorlog, Franse Revolutie en Napoleontische oorlogen in Europa en Spanje
waren
allemaal verwoestender voor het leven door de activiteiten van onze
ziekte, dan
door kanon, geweer en bajonet. Tegen het einde van de achttiende eeuw
en het
begin van de negentiende werd Engeland, dat gedurende de continentale
oorlogen
betrekkelijk gespaard gebleven was, ernstig getroffen. Terwijl de
continentale
epidemieën omstreeks 1798 begonnen af te nemen, drong de infectie
Engeland
opnieuw binnen, waarschijnlijk vanuit Ierland, waar de armzalige oogst
en
hongersnood onze ziekte weer een opening hadden geboden. In de daarop
volgende
twintig jaren waren in beide landen tyfusjaren. In de Van 1860—1890
bereikte de
ziekte haar hoogtepunt. Gedurende de grote Ierse epidemie van die tijd
waren er
niet minder dan 700.000 gevallen op zes miljoen inwoners. En bijna
tegelijkertijd
heerste in Italië een nieuwe infectiegolf die van de Alpen zuidwaarts
raasde tot
Sicilië. “Scheepskoorts” was in de achttiende eeuw een van de gewone populaire benamingen voor tyfus. Naast verliezen op het slagveld en scheurbuik, was het de vreselijkste gesel van zeevarenden. Lind was een van die uitzonderlijke groep artsen, die de achttiende eeuw voortbracht in alle Europese landen, die in staat was vanuit bijkomstige gegevens logische door te redeneren en voorspellingen te doen op de basis van zuiver klinische observatie, voorspellingen, die later voor een groot gedeelte door wetenschappelijk onderzoek bevestigd werden. Hij was geneesheer aan Hare Majesteits Hospitaal in Haslar bij Portsmouth en liet twee geschriften na over koorts en infectie, een verhandeling over de doeltreffendste manieren om de gezondheid van zeelieden te beschermen, en een klein boekje over ziekten in warme streken. Hij begreep onder anderen — zoals veel anderen in zijn tijd — het grote belang van fruit en groente om de gezondheid gedurende lange reizen te bewaren en vond vernuftige methodes uit om het sap van sinaasappels en citroenen en groenten goed te houden. De vruchtensappen tegen bederven beschermen, door ze in kleine maatflessen te doen en ze vervolgens te bedekken met een laagje olijfolie alvorens ze stevig te kurken. Prei en andere groenten sneed hij in korte stukken, besprenkelde ze met een dun laagje gedroogd zeezout en verpakte dan het geheel in zout. Zelfs als het zout drie maanden later uitgewassen werd, kon die ingelegde groenten als vers worden bereid en had dan duidelijk hun waardevolle eigenschappen behouden. Zijn opvatting over het effect van wijn en sterke drank, zoals knoflookbrandewijn, was medisch misschien niet geheel verantwoord, maar droeg veel bij tot zijn populariteit bij de marine. In verband met tyfus, bestaat zijn voornaamste bijdrage uit de beschrijving van de ziekte, als een van de invaliderendste gesels van de koninklijke marine, met haar verspreiding vanaf schepen naar hospitalen op het land en vandaar over de omringende streek.
In die tijd bestond er in Engeland een levendige polemiek over het belang van ventileren. Ondanks het populaire geloof in het gevaar in besmette lucht, was Lind er volstrekt zeker van dat ventilatie en toevoer van frisse lucht zeer weinig invloed hadden op de verspreiding van de ziekte. Voor zover tyfus zelf betrof, was hij er helemaal van overtuigd, dat de besmetting niet alleen door het menselijke lichaam werd overgedragen, maar ook door de kleren van allerlei materiaal — wol, katoen, linnen — en dat die zich enige tijd zou kunnen hechten aan houten balken, stoelen, ledikanten en dergelijke. Ter verdediging van zijn standpunt voert hij veel voorbeelden aan, waaronder de dood van zeventien van de drieëntwintig mensen, die oude tenten hadden moeten repareren, waarin patiënten waren verpleegd. Hij heeft het over het geïnfecteerd zijn van de slaapplaatsen in het schip en beveelt uitroken aan. De stoffen, die voor desinfectie werden gebruikt, waren waarschijnlijk niet erg doeltreffend. Zij bestonden uit het branden van tabak, rook van houtskoolvuren, het verstuiven van een oplossing van kamfer in azijn en de rook van koolteer en buskruit. Lind adviseerde echter naast deze weinig doeltreffende maatregelen van uitroken, een grondige schoonmaak en liet alle beddengoed en kleding aan dek brengen voor zon en lucht. Ook beval hij aan, dat dokters en verplegers hun kleren moesten wisselen bij het verlaten van het hospitaal. Alles bij elkaar moeten de door Lind aanbevolen middelen — zonder dat hij enig vermoede koesterde over het overbrengen door insecten —een groot aantal levens gered hebben.
3
De
laatste helft van de negentiende eeuw markeert een keerpunt in de
geschiedenis
van de besmettelijke ziekten van het Westelijk Halfrond. Natuurlijk
waren er
nog talrijke besmettelijke ziekten; en roodvonk, difterie, meningitis
en
mazelen, die eerder min of meer gemaskeerd waren door de ziekten, die
zich
sneller verspreidden en besmettelijker waren, traden meer op de
voorgrond. Ook
cholera was in die periode in Europa binnengedrongen, maar behalve
influenza
waren de ziekten, die gedurende de vorige eeuwen zoveel verwoestingen
hadden aangericht,
duidelijk aan het afnemen en raakten meer beperkt tot lokale
verspreiding. De
pest was praktisch verdwenen. De pokken die, na een bijna volledige
overwinning
door Jenner’s vaccinatie, in de jaren dertig met hernieuwde energie
uitbraken, moesten
door revaccinatie weer redelijk onder controle gebracht worden. Die
gang van
zaken werd in 1813 geïntroduceerd en tot 1850 uitgebreid toegepast.
Tyfus werd
steeds zeldzamer en beperkte zich tot beperkte gebieden in het Oosten
en Ierland,
behalve wat sporadische epidemische opvlammingen, die in het volgen van
oorlogen
en perioden van economische malaise, bewezen dat de kiemen van de
ziekte nog
niet vernietigd waren. De Verenigde Staten werden in het begin van de
eeuw
bereikt, waarschijnlijk in de geïmporteerde vorm, omdat de ziekte
beperkt bleef
tot steden aan de Oostkust. De uitbraak in Philadelphia in 1837, was
degene
waarbij Gerhardt en Pennock hun waardevolle bijdragen leverden aan de
differentiaaldiagnose. De uitbraak in Silezië in 1846 en die in Londen
in 1862
waren het rechtstreekse gevolg van malaise in de nijverheid. In
Silezië, — dat
toch al in voortdurend contact stond met de endemische centra in het
Oosten, — was
de ineenstorting van de textielindustrie verantwoordelijk. In Engeland
was,
volgens Murchison, de epidemie een gevolg van het grote aantal
werkelozen, dat
naar de steden trok. Wij kunnen hier ook aannemen, dat de besmetting
opnieuw
werd ingevoerd door soldaten, die van de Krim terugkeerden. Gedurende
de
Amerikaanse
Burgeroorlog
—
waarin
44.238
man
van
het
Federale
leger
op
het
slagveld
vielen,
49.205
aan
hun
verwondingen stierven en 186.216 aan
ziekten
overleden, — nam tyfus geen belangrijke plaats in. En tijdens de
betrekkelijk
korte Europese oorlogen, de Franse veldtocht in Italië, de
Duits-Oostenrijkse
en Frans-Duitse oorlog, speelde tyfus een te verwaarlozen rol.
Vooruitlopend op
wat wij moeten zeggen over tyfus gedurende de wereldoorlog is het van
vrij
groot belang te vermelden, dat gedurende de Frans-Duitse oorlog van
1878 in
geen van de legers enige tyfus voorkwam, behalve een matig aantal
gevallen
(252) onder de Algerijnse troepen; bovendien is het zeer de vraag, of
de ziekte
in de belegerde steden optrad. In diezelfde tijd waren de Pruisische
troepen
aan de Russische grens nooit geheel vrij van de ziekte. Pokken,
dysenterie en
buiktyfus hebben tegenwoordig de plaats ingenomen van pest en
vlektyfus, als
voornaamste gesel van de legers. Het
is niet eenvoudig om het afnemen van de grote epidemieën in Europa na
1850 te
verklaren. Men zou een onverklaarbare periodieke verandering in de aard
van de
voornaamste ziekten kunnen veronderstellen. Anderzijds is men geneigd
grote
waarde te hechten aan de samenwerkende krachten in de moderne
beschaafde
maatschappij, als men let op de onmiddellijke en fatale gevolgen van de
tijdelijke terugkeer tot ogenschijnlijk middeleeuwse toestanden, zoals
dat in
Rusland en Klein-Azië gedurende en na de laatste oorlog gebeurde. Die
krachten waren
veelsoortig en het is onmogelijk om één daarvan als de voornaamste aan
te
wijzen. Het is ongetwijfeld van aanzienlijk belang, dat de oorlogen in
die periode
van korte duur waren en de oorlogshandelingen in een beperkt gebied
werden
uitgevoerd. Een andere niet te onderschatte factor, is de bescherming
tegen
hongersnood door het ontwikkelen van intensieve landbouw en
spoorwegvervoer,
waardoor de voorheen langdurige niet bereikbare hongersnoodgebieden
konden
worden voorzien van voedsel en hulp. Minstens even belangrijk was de
opkomst
van de nieuwe geneeskunde, de ontwikkeling van diagnostische methoden,
een
rationele benadering van preventie, en de organisatie van stedelijke,
nationale
en militaire gezondheidsdiensten, die zich geleidelijk uitgebreid
hebben tot
alle vertakkingen van het maatschappelijke leven. Om dat allemaal
enigermate volledig
te beschrijven zou een misschien nog een, mogelijk nuttig, maar
uitermate saai
boek nodig zijn. Het
is een merkwaardig en bemoedigend feit, dat de internationale
samenwerking ter
voorkoming van epidemieën rustig doorgaat, hoe vijandig of concurrerend
de andere
verhoudingen ook mogen worden. Op dit moment — terwijl de wereld
gewapend kamp
van achterdocht en haat is en de naties met leugen en bedrog hun best
doen om
elkaar uit de markt te drukken, revoluties aan te wakkeren en elkaars
militaire
of politieke geheimen te stelen — wisselen overheidslichamen informatie
uit over
besmettelijke ziekten, werken hygiënisten, bacteriologen en
epidemiologen
samen, raadplegen elkaar en wisselen vrijelijk hun ideeën met elkaar
uit, van
Rusland tot Zuid-Amerika, van Scandinavië tot de tropen. Het is
misschien niet
algemeen bekend, dat een aantal jaren geleden, in de woeligste periode
van de
Russische Revolutie, de enige officiële band tussen dit ongelukkige
land en de
rest van Europa, bestond uit een uitwisseling van informatie over
besmettelijke
ziekten, ontstaan uit samenwerking tussen de Gezondheidsraad van de
Volkerenbond
en de Sovjetregering. Dat
maakt allemaal deel uit van de merkwaardige tegenstelling tussen
idealisme en
barbarisme, waardoor het merkwaardigste van alle zoogdieren kenmerkt
wordt. Dat
leidt tot van die merkwaardige praktijken als “zuinig met het kleine en
spillen
met het grote.” Dus
tyfus leidde, tijdens de tien jaar voorafgaande aan de wereldoorlog,
het
rustige burgerbestaan van een tamelijk gedomesticeerde ziekte.
Weliswaar
veroorzaakte zij periodieke lokale epidemieën in China en Mexico en
kwam sporadisch
voor in Noord-Afrika en Klein-Azië en ook (in mindere mate) in Ierland,
waar
slechts zeventig doden vielen tussen 1899 en 1913, hoewel het “Groene
Eiland”
beschouwd werd als het enige Westerse land met een belangrijke
tyfusincidentie.
In Amerikaanse steden kwam de ziekte voor in een milde vorm (van 1900
tot 1930,
ongeveer 528 gevallen in New York en Boston). Ongetwijfeld kwam zij op
dezelfde
relatief getemde manier voor op veel andere plaatsen in Zuid-Amerika,
het
Middellandse-Zee-bekken en afgelegen streken in het Oosten, waar —
hoewel dat
destijds onverdacht was, — men de ziekte tegenwoordig ontdekt heeft. Er
waren
echter geen grote epidemieën en de enige landen ter wereld, waar een
voldoende
aantal jaarlijkse sterfgevallen voorkwam, om die als endemische centra
te betitelen,
waren Rusland, Polen en delen van oostelijk Oostenrijk (Galicië). In
die
streken, evenals als in het naburige Hongarije en in het Balkangebied,
bleef de
tyfus haar jaarlijkse tol eisen — hoewel het zelden tot de omvang een
epidemie
kwam, behalve in de aanwezigheid van omstandigheden met hongersnood of
oorlog. Zo
kwamen in Rusland doorgaans gemiddeld 90.000 gevallen per jaar voor,
het
laagste aantal was 36.887 in 1897, het hoogste 184.000 in 1892, toen er
hongersnood heerste. In de Balkanlanden steeg het ziektecijfer tijdens
de
oorlogsjaren 1912—1913, maar ook toen kwam het niet tot een epidemie.
In
West-Europa kwam de ziekte praktisch in het geheel niet meer voor. De
inrichting
van het moderne leven en de krachten, die wij in een vorig hoofdstuk
opnoemden,
hadden de tyfus tot een gewapende vrede gedwongen. En toen ging, voor
het eerst
in de eeuwenoude worsteling tussen de twee vijanden, het strategische
initiatief
in handen van de mens over, met de ontdekking in 1909 door Charles
Nicolle (aan
wie dit boek is opgedragen), dat tyfus door de luis van mens op mens
wordt
overgebracht. Voor de eerste keer in al die eeuwen van eenzijdige
strijd,
waarbij de mens steeds in het open veld stond en de tyfus in de
hinderlaag lag,
kreeg het slachtoffer de gelegenheid een rationele en strategisch
juiste verdediging
tegen zijn historische vijand te voeren. Als
militairen, politici en patriotten en al die andere mensen, die
verantwoordelijk zijn voor oorlogen, de wereld maar 100 jaar met rust
zouden
willen laten, zou die ontdekking zonder hulp van verdere
wetenschappelijke
vooruitgang, de doodsklok hebben kunnen luiden voor de epidemische
tyfus in het
Westen. Maar
toen
werd
er
een
Groothertog
vermoord
in
Sarajevo
en
raakte
iedereen
zijn
hoofd
kwijt,
wijzelf
en
T.
Roosevelt
incluis — behalve Mr. Wilson, die het
zijne twee
jaar later verloor; en de muziek speelde “Die Wacht am Rhein” en de
“Marseillaise”
en “God save the King” en “Gott erhalte Franz de Kaiser” en “Boje
tsaria
Khrani” en “Ustaj, Ustaj, Srbine” en een paar jaar later “The
star-spangled
banner”. En de prikkeldraadkoningen, de dynamiet-, corned beef-, en
fouragebaronnen
en de scheepsbevrachters, schoenfabrikanten, khaki-broekenmakers
enzovoort, enzovoort,
legden het fundament voor een nieuwe Hollywood-adel, die tot 1929
duurde. En
God was met iedereen. En toen we allemaal ten oorlog waren getrokken en
de weg
bereid was, werd de tyfus weer wakker. Niet
iedereen
weet,
dat
tyfus
evenveel
reden
heeft
om
te
beweren,
dat
zij
“de
oorlog
gewonnen”
heeft
als
ieder van de strijdende naties. Heel wat
vechtpartijen in Franse
kroegen zouden vermeden zijn, als dit duidelijk was begrepen. 4 Zij
stak haar akelige kop het eerst op in Servië. Dit dappere landje was
nauwelijks
hersteld van de Balkanoorlog, toen Oostenrijk het in 1914 de oorlog
verklaarde
en onmiddellijk aanviel. Belgrado werd gebombardeerd en de Servische
regering
trok zich terug in Nish. De doodsbange dorpelingen uit de grensstreken
begonnen
naar het Zuiden, te trekken met medeneming van al hun draagbare
bezittingen. De
eerste pogingen van de Oostenrijkers om de Sava bij Belgrado over te
steken,
mislukten. Maar toen zij later vanaf de Bosnische grens aanvielen,
slaagden zij
er in november in (niet zonder tegenslagen, want 20.000 Oostenrijkers
werd
krijgsgevangen gemaakt) Waljewo en Belgrado in te nemen. Op 2 december
deed het
Servische leger een tegenaanval, de Oostenrijkers werden teruggedreven
over de
Drina en Sava en Waljewo en Belgrado werden heroverd. Ten gevolge van
die slagen
veranderde Noord-Servië in een chaos. De dorpen lagen aan puin en de
burgerbevolking trok in drommen naar het Zuiden. De
tyfus liet zich in november voor het eerst zien in het Servische leger.
Waarschijnlijk gebeurde dat tegelijkertijd bij de indringers. Behalve
hun eigen
problemen hadden de Serviërs nu ongeveer 60.000 tot 70.000 gevangenen
op hun
nek, waaronder zieken en gewonden. Zij hadden te weinig onderdak voor
hun eigen
verdreven burgerbevolking en er waren geen behoorlijke barakken voor
hun
gevangenen. De meeste gezonde volwassenen liepen achter de vaandels
aan. Er
waren minder dan 400 dokters in het land, die bijna allemaal vroeg of
laat de
ziekte kregen, bij wie 126 fataal. De paar nog overgebleven
ziekenhuizen
raakten binnen korte tijd overbevolkt, en anderen moesten worden
geïmproviseerd
worden in gebouwen, die slechts de primitiefste hygiënische
voorzieningen
hadden. Er waren praktisch geen verpleegsters. Er waren geen bedden,
geen
geneesmiddelen, geen lakens. Er waren zelfs niet genoeg doodgravers.
Het is
onmogelijk om met enige nauwkeurigheid aan te geven, waar de epidemie
begon. De
eerste cumulatie van gevallen kwam voor onder de Oostenrijkse
gevangenen in
Waljewo. Vrijwel onmiddellijk verspreidde zich de ziekte over het hele
land. De
infectie reisde mee met de trekkende bevolking, gevangenenkonvooien en
de zich
verplaatsende troepen. In februari en maart vlamde de epidemie op met
een snelheid
en heftigheid, die elke tyfusepidemie, waarover wij betrouwbare
gegevens
hebben, overtreft. In april bereikte de epidemie haar hoogtepunt en
waren er
veel duizenden nieuwe gevallen per dag. Een tijd lang werden dagelijks
vijfentwintighonderd gevallen alleen al in de militaire ziekenhuizen
opgenomen.
Het sterftecijfer varieerde tussen ongeveer 20% in het begin, tijdens
de
toename tot 60% en zelfs 70% op het hoogtepunt. In minder dan zes
maanden
stierven meer dan 150.000 mensen aan de tyfus. Niet minder dan de helft
van de
60.000 Oostenrijkse gevangenen bezweek. Gedurende
die
hele
tijd
was
Servië
praktisch
hulpeloos.
Toch
viel
Oostenrijk
niet
aan.
De
militaire
operaties
werden
voornamelijk
beperkt
tot een kort
bombardement van
het spoorwegstation om vier uur ‘s middags, een tijd waarop niemand bij
het
spoor kwam. De Oostenrijkse strategen wisten wel iets beters dan Servië
binnen
te trekken. Het waarschijnlijke gevolg was duidelijk. Terwijl de tyfus
de
Servische bevolking geselde, hield zij zich aan de grens. De Centralen
verloren
zes maanden in de kritiekste periode van de oorlog. Iedereen kan raden,
wat het
gevolg van die vertraging geweest is voor de krijgsverrichtingen in
Rusland en
zelfs in het Westen. Het is zeker niet onwaarschijnlijk om te
veronderstellen,
dat een snelle doorbraak door Servië in die tijd — met de daarbij
behorende
reacties van Bulgarije, Turkije en Griekenland — de afsluiting van
Saloniki en
het formeren van een Zuidwestfront tegen Rusland, de schaal ten
voordele van de
Centralen, die toen nog zeer krachtig waren, zou hebben doen overslaan.
De
tyfus mag dan de oorlog niet gewonnen hebben, zij heeft zeker
meegeholpen. De
tyfus nam haar historische rol weer op langs het hele Oostfront. Zij
tierde zoals
gewoonlijk welig in alle Oostelijke legers, maar werd door zeer
effectieve
hygiënische maatregelen — baden en ontluizen — binnen redelijke perken
gehouden
bij de Oostenrijkers en Duitsers. Zij drong door in de gevangenenkampen
in
Centraal-Europa, maar een verspreiding onder de burgerbevolking werd
met succes
verhinderd. Een van de merkwaardigste verschijnselen van de oorlog was
het
totaal ontbreken van tyfus aan het Westelijke front. Geen enkele geheel
bevredigende
verklaring kan hiervoor gegeven worden. De soldaten in de loopgraven
aan dit
front hadden evenzeer allemaal luizen, iets wat soldaten altijd hebben.
En een
andere door luizen overgebrachte ziekte, loopgravenkoorts, die zeer
nauw aan
tyfus verwant is, kwam wel heel veel voor. We kunnen dat alleen
toeschrijven
aan het feit, dat de legers aan beide zijden meer bevreesd waren voor
tyfus dan
voor granaten. Omdat de Centralen begrepen, dat een tyfusepidemie kon
worden
overgebracht door uit het Oosten aangevoerde troepen en zij daardoor
kans zouden
lopen de oorlog te verliezen, namen zij iedere denkbare voorzorg om dit
te
verhinderen. En de militair-hygiënische organisaties in alle legers
waren, zich
steeds bewust van die dreigende ramp, op hun hoede voor alle verdachte
gevallen
en gingen gewoonlijk snel tot massale ontluizing over. De sterfte onder
de
luizen in deze oorlog moet hoger geweest zijn dan ooit.. Alleen
in
Rusland
bereikte
de
tyfus
middeleeuwse
hoogten.
In
het
eerste
oorlogsjaar
kwamen
slechts
100.000
gevallen
voor
in
Rusland.
Na de terugtocht van
1916 steeg
het aantal tot 154.000 gevallen. Om begrijpelijke redenen waren vanaf
dat
moment de getallen niet meer betrouwbaar, maar ongetwijfeld nam de
ziekte snel
toe. Revolutie, hongersnood, epidemieën van cholera, buiktyfus en
dysenterie
hielpen mee. Woorden schieten tekort om het vreselijke lijden van het
Russische
volk tussen 1917 en 1921 te beschrijven. Wij hebben echter slechts met
tyfus te
maken. En uit nauwkeurige en voorzichtige berekeningen van Tarasswitch
blijkt
dat in die jaren zeker niet minder en waarschijnlijk meer dan
25.000.000
gevallen van tyfus in het door de Sovjetrepubliek gecontroleerde gebied
voorkwamen, met tussen 2.500.00 en 3.000.000 doden. We
hebben niets gezegd over de epidemieën in Polen, Roemenië, Litouwen en
Klein-Azië, maar — en ongetwijfeld ook de lezer — zijn die gruwelen
moe.
Bovendien verdoven cijfers de hersenen, als ze in de buurt komen van de
uitgaven van president Roosevelt, en verliezen dan hun effect. De
rapporten
over de tyfus gedurende de wereldoorlog zijn geruststellend, voor zover
zij
betrekking hebben op het Westelijk front. Maar de Servische en
Russische
epidemieën hebben laten zien, dat de held van onze biografie haar
kracht,
wreedheid en verraderlijkheid geenszins verloren heeft en dat zij
meteen
gebruik maakt van iedere verslapping van de waakzaamheid. Er is geen
hoop, dat
zij zich ooit nog zal beteren. Hoewel
zij
deels
en
tijdelijk
overwinnaar
in
de
laatste
oorlog
was,
trok
zij
hierdoor
hernieuwde
en
vergrote
nieuwsgierigheid
van
hen, die hunkeren naar dit soort
sensatie.
Niet zelden heeft zij zich tegen een achtervolger gekeerd en hem
onderweg doen
sneuvelen. Maar de vervolging gaat door. In alle hoeken van de wereld
is zij
opgespoord en wij weten — bijna, maar nog niet helemaal volledig, —
waar zij
zich ophoudt. Haar schuilplaatsen in ratten, vlooien en luizen zijn
ontdekt, en
als er nog andere zijn, die wij niet kennen, zal de ontdekking spoedig
volgen. Haar
aanvalsmethoden zijn onthuld en geschikte wapens om haar te verdrijven
worden
gesmeed. Hierin — anders dan de meeste andere zaken van internationaal
belang —
heeft de hele wereld samengewerkt tegen de gemeenschappelijke vijand.
Franse,
Zwitserse, Amerikaanse, Engelse, Duitse, Braziliaanse, Japanse,
Chinese,
Russische en Mexicaanse onderzoekers werkten samen, hebben elkaar
bemoedigd en
elkaar geholpen in een vriendschappelijke wedijver. Het beschrijven van
hun
werk hoort in de vakliteratuur thuis. Als wij zouden proberen dat in
dit boek
te doen, zou het “populaire wetenschap” worden, die wij verafschuwen en
hebben geprobeerd
te vermijden. De
tyfus is niet dood. Zij zal nog eeuwen doorleven en steeds opnieuw weer
uitbreken, telkens als menselijke domheid en wreedheid haar een kans
geven, wat
zij hoogst waarschijnlijk af en toe zullen doen. Maar haar
bewegingsvrijheid is
beperkt en steeds meer zal zij gedwongen worden, evenals andere wilde
schepsels,
te leven in de zoölogische dierentuinen van beheersbare ziekten. * * * |