| www.verbodengeschriften.nl
Kurt Gödels
Wiskundige en Wetenschappelijk Visie over het Goddelijke:
Een Rationele Theologie
Door Hector
Rosario,
Universiteit van Porto Rico hrosario@math.uprm.edu Kurt Gödel,
de
uitmuntende
wiskundige logicus van de twintigste eeuw, is het meest bekend door
zijn
befaamde Onvolledigheidsstellingen; toch hield hij er ook een
diepzinnige
rationele theologie op na, die de moeite waard is om aandacht aan te
besteden.
“De wereld is rationeel,” (Wang, 1996: 316) beweerde Gödel, waarbij hij
een
filosofisch theïsme opriep, “waarmee de wereld de orde weerspiegelt van
het
Opperbrein dat haar bestuurt” (Yourgrau, 2005: 104-105). Gödels
Onvolledigheidsstellingen zijn een “uitzonderlijke reactie op het
verband
tussen de opdracht van de wiskunde en de manier waarop zij haar
deducties
formuleert” (Mazur, 2006: 3-4). Zij zijn geïnterpreteerd als een
begrenzing van
de rationaliteit, omdat een mogelijke betekenis voor de resultaten is
dat er,
in elk axiomatisch en consistent systeem dat in staat is om wiskunde te
bedrijven, waarheden bestaan die binnen dat systeem niet kunnen worden
bewezen.
Dit heeft zeer vergaande filosofische implicaties, die de verwachtingen
van
menig wiskundige en filosoof van vroeger, waaronder denkers van het
kaliber van
David Hilbert, Bertrand Russell, en Ludwig Wittgenstein, de grond in
hebben
geboord. Ondanks alle tegenwerking heeft “[Gödels] werk over de grenzen
van de
logica onder wiskundigen en zeker onder theoretische wetenschappers”
(Davis,
2002: 22). Een van de theoretische wetenschappers, die door Gödel werd beïnvloed, was zijn vriend Albert Einstein. Tussen de jaren 1940 en 1955 ontwikkelden zij een innige relatie als collegae aan het Institute for Advanced Study in Princeton. Volgens hun college Oskar Morgenstern, de mede-opsteller van de Speltheorie, ging Einstein, toen de gedrevenheid voor zijn eigen werk verdwenen was, alleen nog maar naar zijn kantoor “om het voorrecht te hebben met Kurt Gödel naar huis te wandelen” (Wang, 1996: 57). Gödel was, volgens zijn collega op het Instituut, de natuurkundige Freeman Dyson (de ontdekker van de combinatorische bewijzen van Ramanajuns beroemde deelindentiteiten), “de enige die op hetzelfde niveau als Einstein sprak en wandelde” (Dyson, 1993: 161). Ik zou echter willen beweren dat het intellect van Gödel in veel opzichten subtieler was dan dat van Einstein, niet alleen wat betreft de filosofie maar misschien zelfs ook de natuurkunde.
God en
Gödel Uit zijn
briefwisseling met
Burke D. Grandjean blijkt dat Gödel een openlijke theïst was, die zover
ging
dat in een poging om het bestaan van God aan te tonen een ontologisch
bewijs
ontwikkelde. Hij koos daarvoor het raamwerk van de modale logica, een
nuttige
formele taal voor de bewijstheorie, die ook belangrijke toepassingen
heeft in
de computerwetenschap (Blackburn, de Rijke & Venema, 2001). Deze
logica
betreft de bestudering van het deductieve gedrag van de uitdrukkingen
‘het is
nodig dat’ en ‘het is mogelijk dat,’ die vaak voorkomen in het gewone
(filosofische)
taalgebruik. Volgens zijn biograaf John Dawson heeft hij echter zijn
ontologische bewijs nooit gepubliceerd uit angst dat hij door zijn
collegae
uitgelachen zou worden. Een
belangrijk
aspect van
Gödels theologie – een aspect dat door mensen die zijn werk bestuderen
grotendeels over het hoofd is gezien – is dat hij niet alleen een
theïst was
maar geloofde in een persoonlijke God en geen pantheïst was, zoals
sommige
apologetische denkers hem graag afschilderen. Om precies te zijn
verwierp hij
het idee dat God onpersoonlijk was, zoals God dat voor Einstein was.
Einstein
geloofde in “Spinoza’s God die zichzelf openbaart in de harmonie van al
het
bestaande, niet in een God die zichzelf bemoeit met de lotgevallen en
daden van
de mensen” (Einstein, 1929). Gödel op zijn beurt dacht dat “Einsteins
religie
abstracter [was], net als Spinoza en de Indische filosofie. Spinoza's
god is
minder dan een persoon; de mijne is meer dan een persoon; God kan
namelijk
spelen of hij een persoon is.” (Wang, 1996: 152). Dat is
veelbetekenend,
aangezien een god die het vermogen mist om “de rol van een persoon te
spelen”
kennelijk de eigenschap almacht mist en dus een alom aanvaarde,
bepaalde
eigenschap die bij God behoort, geweld zou aandoen. Dus als God
bestaat,
redeneerde Gödel, dan moet hij op zijn minst de rol van een persoon
kunnen
spelen. Voor Gödel was de vraag hoe in de voorafgaande bewering het
waarheidsgehalte van de voorgaande term bepaald kon worden. Een
belangrijke
kwestie in de
discussies tussen Gödel en Einstein over het Goddelijke, is zijn
opmerking over
de “Indische filosofie.” Gödel vindt dat Spinoza’s Godsidee en de
“Indische”
opvatting onder dezelfde categorie vallen, wat een juiste opvatting is
van die
begrippen. Spinoza’s houding ten opzichte van God is onpersoonlijk, net
als
Śankarācārya’s monisme (c. 788-820 n.C.). Hoewel hij vertrouwd
was met een dergelijke Indische theologische opvatting, was Gödel
kennelijk
niet op de hoogte van de filosofische conclusies van
Rāmānujācārya (1017-1137 n.C.) en Madhavācārya (1238-1317
n.C.), die eveneens Spinoza’s god zouden verwerpen. Die verwerping komt
niet
voort uit het feit dat zij Gods aanwezigheid in al het bestaande
ontkennen,
maar omdat door hen een dergelijke opvatting als ondergeschikt wordt
beschouwd
aan een, waarbij een persoonlijke verhouding met het Opperwezen
aangegaan en
gevoed kan worden. Door de almacht serieus te nemen, is “het spelen van
de rol
van persoon” een van Gods onbeperkte vermogens, die deze wijzen in hun
theologie niet in diskrediet brengen. Ongetwijfeld
was
Gödel ook
niet op de hoogte van de filosofie van Caitanya Mahāprabhu (1486-1534
n.C.), die op de essentiële punten Ramanujācārya en
Madhavācārya volgt. De gedetailleerde beschrijving en praktijk van de
goddelijke liefde in dienst van de puruṣottama – de
toegewijde
dienst aan het Opperwezen –, gegeven door Caitanya Mahāprabhu en zijn
aanhangers, maken hiervan echter een scherpzinnigere en onthullendere
theologie
dan die van zijn voorgangers. Daarin zou Gödel zijn theologische
conclusies,
vijf eeuwen eerder, volledig verwerkelijkt hebben gezien. Gödels
Filosofie
van de
Natuurkunde In de
natuurkunde
zijn de
bijdragen van Gödel welbekend. Natuurkunde was echter geen omweg die
door Gödel
werd genomen om zichzelf te vermaken, maar juist een wezenlijk deel van
zijn
filosofische systeem. In 1949 verwoordde Gödel zijn inzichten in een
essay dat
in Einsteins eigen woorden “een belangrijk bijdrage vormt aan de
algemene
relativiteitstheorie, vooral voor de analyse van het idee tijd”
(Schilpp, 1949:
687). Ondanks Einsteins hoge achting voor het werk van Gödel, hebben de
huidige
natuurkundigen de neiging om zich van Gödels ideeën te ontdoen, door
(zonder
resultaat) te proberen een fout in zijn fysica te ontdekken (Yourgrau,
2005:
7-8). Gödels onverdachte oplossingen voor de veldvergelijkingen van de
algemene
relativiteit, oplossingen waarbij de tijd een opmerkelijke
transformatie
ondergaat, maakte dat er wetenschappelijke kringen belang werd gehecht
aan de
discussie over tijdreizen. In feite kwam Gödel dus tot de conclusie dat
tijdreizen theoretisch mogelijk was, waarbij tijd, zoals wij weten,
haar
betekenis verliest. Tijd, “dat geheimzinnige en ogenschijnlijke
innerlijk
tegenstrijdig iets,” zoals Gödel het noemt, “dat anderzijds de
grondslag lijkt
te vormen van het bestaan van de wereld en ons eigen bestaan,” bleek
uiteindelijk werelds grootste illusie te zijn (Yourgrau, 2005: 111).
Voor Gödel
was tijd een cruciaal filosofische vraagstuk, maar ik weet niet of
Gödel enig
rechtstreeks verband zou hebben gelegd tussen tijd en God. Zijn geloof
in het
leven na dit leven zou echter enig inzicht kunnen verschaffen in de
manier
waarop hij het verband opvatte tussen die twee. Gödel gaf uitdrukking aan zijn geloof in het hiernamaals met de volgende woorden, “ Ik ben ervan overtuigd dat er leven na dit leven is, onafhankelijk van theologie. (Davis, 2002: 22). “Zijn argumenten waren zoals altijd rationeel gebaseerd op het principe dat de wereld en alles dat zich daarin bevindt, een bedoeling of reden heeft. Dat staat in nauw verband met het causaliteitsprincipe, dat ten grondslag ligt aan de hele wetenschap: alles heeft een oorzaak, en dingen gebeuren niet ‘zomaar’” (Casti & DePauli, 2000: 87).
Wiskunde,
Wetenschap en
Geloof Een
ultra-rationalist als
Gödel was een theïst, een personalist, iemand die geloofde in een
hiernamaals
en zich daarbij, als zijn getuige, beriep op de rede. Atheïsten en
agnostici
beschrijven hun filosofie doorgaans als iets rationeels, waarbij ze de
theïstische conclusie afdoen als slechts een psychologische uitvlucht
van een onwetende
of als zelfbedrog. Desondanks zijn ultra-rationele denkers als Gödel,
Leibniz,
en Descartes tot een theïstische conclusie gekomen. Bestaat er een
duidelijke
scheiding tussen rationele denkers en rationeel denken, of is het zo
dat de theïstisch
opvatting de rationele conclusie is, zelfs als die vaak door fanatici
op
onvoorstelbaar irrationele manieren wordt omhelsd? Iemand zou
daar
bezwaar tegen
kunnen maken door de stellen dat wetenschap en wiskunde buiten het
terrein van
het geloof liggen, waar de theologie in haar element is. Een nadere
blik op de
grondslagen van zowel natuurkunde en wiskunde, als de geschiedenis van
deze
onderwerpen, lijkt echter een andere conclusie op te leveren. Die
nadere blik
onthult een broos membraan dat deze ervaringen verbindt: Geloof. Dat is
de
grootst gemene deler van wetenschap, wiskunde en theologie. Kijk maar
naar de
aard van
axioma’s in elk formeel systeem, waaronder wiskundige systemen. Als de
axioma’s
eenmaal gekozen zijn, is het mogelijk om de deductieregels in een
computer in
te voeren om de geldigheid van elk bewijs te verifiëren, maar de
axioma’s zelf
zijn willekeurig. Het inmiddels onmisbare Keuze-axioma heeft
bijvoorbeeld vele
wiskundigen hoofdbrekens gekost, vanaf het moment dat het in 1904 werd
geformuleerd door Ernst Zermelo. Bovendien heeft het schrappen van de
parallelle-lijnen-hypothese in de weergave van de meetkunde van
Euclides
aanleiding gegeven tot andere meetkunden. Een van deze meetkunden, de
hyperbolische meetkunde, vindt een belangrijke toepassing in de
relativiteitstheorie. Axioma’s
kunnen
best nuttig
zijn, maar ze zijn op zich niet waar. Als ze veranderen, verandert het
systeem
en de ware uitspraken die door een dergelijk systeem worden gedaan. Als
we
bedenken dat tegenwoordig het enige wat wiskundigen hebben
“axiomasystemen
zijn, waarvoor niemand een overtuigend bewijs van consistentie kan
geven,”
wordt de situatie zelf nog ontmoedigender (Nelson, 2002: 5). Dat is
natuurlijk
niet de manier waarop de meeste wiskundigen wiskunde bedrijven, maar
door de
meerderheid van de wiskundigen wordt heilig aan het geloof
vastgehouden, dat
men in ieder geval in staat zou moeten zijn om theoretisch elke
wiskundige
bewering binnen het raamwerk van een formeel systeem te plaatsen. Bovendien
geloven
veel
denkers dat wiskunde het meest zekere middel is om kennis te verwerven,
het
geheiligde summum van intellect. “Deze misvatting leidt tot van die
verdwazingen als de pseudo-Euclidische vorm die Spinoza aan zijn Ethica
af.
Deze schrijvers zijn nuchter in hun opvatting over wiskunde en toch
geven zij
ons teveel eer.” (Nelson, 2002: 5). “Waarom noemen wij wiskundigen, die
net als
dichters en musici iets maken, wat wij doen, ontdekken en niet
bedenken? Dit is
de Pythagoreïsche religie” (Nelson, 1995: 3). Volgens Edward Nelson
zijn de
meeste wiskundigen toegewijde aanhangers van deze religie, hoewel zij
die aan
Plato toeschrijven, die meer dan vijftig jaar na het overlijden van
Pythagoras
werd geboren. Bovendien
speelt
geloven
eveneens een rol in de wetenschap. Als de aard van energie en materie
in
ogenschouw wordt genomen, worden de natuurkundige wetten als axioma’s.
Als wij
geloven dat “de wereld rationeel is” en doordrongen is van een
impliciete orde,
zoals Gödel deed, zou het opvatten van de natuurkundige wetten als
axioma’s
aanvaardbaar kunnen zijn; toch blijft dan, net als in de theologie,
geloven een
voorbereidende stap voor het begrijpen. Veel
wetenschappers
zouden
betogen dat zelfs al kunnen zij de oorsprong van het heelal niet
helemaal (of
gedeeltelijk) verklaren – of de oorsprong van het leven, de aard van
het
bewustzijn of van de tijd – het antwoord in ieder geval niet met God te
maken
zou hebben. Zij hebben hun geloof in hun cognitieve processen en hun
collegae
gesteld. Zij onderwerpen zich aan die autoriteiten; maar geloof hebben
ze,
zonder twijfel. Als we het
geloof
definiëren
als “een geloof dat gebaseerd is op het gezag van de informatiebron,”
of dat
nou de Schrift is, wetenschappers, een vriend, een leraar, een digitale
afbeelding, een DNA-test, ons eigen kenvermogen en ervaringen of zelfs
politici
(voor de echte gekken), zullen we beseffen dat geloven een essentiële
rol
speelt in de ontwikkeling (of vernietiging) van kennis. Waarom is het
in
wetenschap en wiskunde aanvaardbaar om te geloven, niet alleen in
axioma’s of
natuurwetten, maar ook in toetsingsproces en het causaliteitsprincipe,
terwijl
geloven op het terrein van de religie op zijn best als bijgeloof wordt
beschouwd? Zoals Gödel stelt, “religies zijn voor het grootste deel
slecht,
maar religie is dat niet” (Wang, 1996: 316). George
Berkeley had
al in
1734 die houding betwist. In The Analyst vraagt hij zich af: Of
Wiskundigen, die
zo
tactvol zijn in religieuze zaken, in hun eigen Wetenschap wel zo strikt
gewetensvol zijn? Of zij zich niet onderwerpen aan het Gezag, en wel
dingen in
Vertrouwen aanvaarden en onvoorstelbare Punten geloven? Of zij niet hun
eigen
Geheimen hebben, en wat nog belangrijker is, hun eigen Antipathieën en
Tegenstrijdigheden? Misschien
vond men
dat Berkeley,
omdat hij zelf geen wiskundige was, in zijn mening over de wiskunde “te
alledaags” was, wat verantwoordelijk was voor het afwijzen van zijn
ideeën. Om
dergelijke bezwaren te weerleggen, hebben rationele theïsten geprobeerd
om hun
geloofspunten te rechtvaardigen, door zich te onderwerpen aan de
aanvaarde
deductieregels. Men zou echter kunnen aanvoeren dat er “gebruik wordt
gemaakt
van deduceerbare bewijzen in een geval waarin het bestaan van het iets
dat
gededuceerd moet worden, dubieus is.” (Sinha, 1999: 5). Zoals is
opgemerkt door
Ludwig Wittgenstein, een filosofische tegenstander van Gödel,
verschaffen
mensen die een intellectuele grondslag willen leveren voor hun theïsme,
bewijzen ten gunste van het bestaan van God, hoewel hun feitelijke
geloof niet is
gebaseerd op het bewijs zelf (Davis, 2002: 22). Bovendien zou het
ervaren van
het goddelijke best eens een van de beperkingen van de rationaliteit
kunnen
zijn. Gödels
Ontologische Bewijs Gödels
ontologische
bewijs
is, net als de meeste ontologische bewijzen, gebaseerd op de Proslogion,
een
geschrift van Anselmus van Canterbury, uit de elfde eeuw. Anselmus
definieert
God als “groter dan dat iets kan niets gedacht worden” (Small, 2006:
16). Hij
betoogt dat zelfs de atheïst zou toegeven dat het bestaan van God
mogelijk is,
maar dat een dergelijk bestaan gewoon een contingente onwaarheid is.
(Small,
2006: 16). Net zoals Michelangelo zijn David voorzien moet hebben
voordat hij
het marmer van vorm veranderde, zou de atheïst kunnen beweren dat hij
zich een
wereld kan voorstellen waarin God bestaat, zelfs als die wereld niet de
echte
wereld is. In de
zeventiende
eeuw volgde
René Descartes, die gebruik maakte van een analogie van de Euclidische
meetkunde, in de voetstappen van Anselmus. In de Vijfde Meditatie,
ondersteunt
Descartes
de
bewering
dat
“het
niet
minder tegenstrijdig is om een
volmaakt opperwezen
te bedenken, dat niet bestaat, dan het bedenken van en driehoek waarvan
de
binnenhoeken samen geen 180 graden zijn. Dus, […] omdat wij geen
volmaakt opperwezen
kunnen bedenken – wij hebben namelijk wel een idee van een volmaakt
opperwezen
– moeten we tot de conclusie komen dat er een volmaakt opperwezen
bestaat”
(Oppy, 2002). (Het is opmerkelijk dat in de niet-Euclidische wiskunden
de
binnenhoeken van driehoeken samen niet 180 graden zijn.) In de
achttiende
eeuw
probeerde Gottfried Leibniz, samen met Isaac Newton de schepper van de
Analyse,
het bewijs van Descartes te verbeteren. Hij beweerde dat het bewijs van
Descartes ondeugdelijk is, tenzij men eerst aantoont dat het voor een
uiterst
volmaakt wezen mogelijk is om te bestaan. Leibniz betoogde dat het,
omdat
volmaaktheden niet objectief geanalyseerd kunnen worden, onmogelijk is
om te
bewijzen dat volmaaktheden onverenigbaar zijn – en hij kwam tot de
conclusie dat
alle volmaaktheden naast elkaar kunnen bestaan in een enkele entiteit,
namelijk, God. (Oppy, 2002). Dat is het
intellectuele en
historische raamwerk dat Gödel gebruikte om zijn ideeën te bedenken.
Hij
bewonderde Leibniz en probeerde zijn ontologische bewijs verder te
verbeteren.
Sommigen hebben een vraagteken gezet bij de geldigheid van de
onderliggende
modale logica, terwijl anderen bezwaar hebben gemaakt tegen zijn
verzameling
axioma’s en definities. Dat is het enige wat ze kunnen doen tegen het
Gödeliaanse
bewijs, omdat ze geen fout kunnen ontdekken in zijn foutloze redenatie.
Sommige
mensen die bezwaar maken scharen zich achter het standpunt van Immanuel
Kant,
die zich in de achttiende eeuw verzette tegen ontologische bewijzen in
het
algemeen door te betogen dat het bestaan geen predikaat is. Dat wil
zeggen dat
bestaan geen eigenschap van het individu is, op dezelfde manier waarop
het
blauw of sterk is; daarom kan het bestaan van iets niet bewezen worden
(Small,
2006: 18). Misschien geldt het bewijs wel in de propositionele logica –
de
onderliggende logica van de wiskunde – maar in de modale logica deugt
het
bewijs in ieder geval niet. Gödels
bewijs,
zelfs als het
deugdelijk is, draagt geen oplossing aan voor een persoonlijke God, wat
een
deel was van Gödels moraal. Evenmin richt het zich op het vraagstuk van
de
uniciteit, tenminste wat betreft de gelijkvormigheid. Maar zelfs als
dit
argument niet als bewijs wordt aanvaard, vanwege het dubieuze van de
gekozen
axioma’s, duidt het toch op een via positiva naar het rationeel
begrijpen van het Godsidee. (Small, 2006: 28). Conclusie “Het is
echter,
zoals
Bertrand Russell merkte, veel gemakkelijker om ervan overtuigd te
worden dat
ontologische bewijzen niet deugen, dan precies te vertellen wat er niet
aan
deugt” (Oppy, 2002). Toch zouden “mensen die de aannamen van het
ontologische
bewijs verdacht vinden, zichzelf af moeten vragen of hun verdenking is
gebaseerd […] op onwil om de conclusie van het bewijs te aanvaarden”
(Small,
2003: 25). Op dezelfde manier zouden mensen die het met het bewijs eens
zijn
moeten bedenken of zij niet inschikkelijk zijn geweest in hun
filosofische
starheid. Uiteindelijk is het bestaan echter afhankelijk van geloof. We
zouden
tot in de eeuwigheid over kunnen discussiëren of God al dan niet
bestaat en het
zal Gods bestaan niet beïnvloeden. Het zal echter wel het onze
beïnvloeden. We zouden
niet
naïef moeten
zijn en denken dat we kennelijk elk rationeel wezen ervan kunnen
overtuigen om
het theïsme te aanvaarden. Ondanks al onze inspanningen om het bestaan
van God
rationeel te bewijzen, moeten we toegeven dat we niet eens een enkele
koppige
atheïst zouden kunnen overtuigen die zijn argumenten verhult in een
wetenschappelijk of filosofisch jargon. Wat opmerkelijk is bij Gödels
theologische denkwijzen, is dat, terwijl “negentig procent van de
huidige
filosofen het een taak van de filosofie vinden om de religie uit de
hoofden van
de mensen te rammen,” zei Gödel (Wang, 1996: 152), “dat hij het
mechaniek van
de moderne logica gebruikte om Leibnizs ontologische bewijs te
reconstrueren”
(Yourgrau, 2005: 13). Blaise
Pascal,
essentieel
voor de ontwikkeling van de waarschijnlijkheidsleer, zou hen misschien
kunnen
overreden om hun standpunt te herzien, met zijn beroemde weddenschap,
gepubliceerd in 1670: God bestaat
of Hij
bestaat
niet. Laten we winst en verlies tegen elkaar afwegen als we kiezen voor
‘God
bestaat.’ Als je wint, win je alles. Als je verliest, verlies je niets.
Wedt er
dus maar zonder aarzelen om dat Hij bestaat. (Pensées) Vandaar dat
Gödel,
als
vertolker van het theïsme, eeuwigdurend zegeviert.
P. Blackburn, M. de Rijke & Y. Venema, “Modal Logic”, Cambridge, Cambridge University Press, Theretical Traces in Computer Science, 2001. John L. Casti & Werner DePauli, “Gödel: A Life of Logic”, New York, Basic Books, 2000. Philip J. Davis, “A Brief Look at Mathematics and Theology”, Humanistic Mathematics Journal 26, 19-24, June 2002. De citaten volgen de paginanummering van de online-versie, beschikbaar op www2.hmc.edu/www_common/hmnj/davis2brieflook1and2.pdf Freeman Dyson, “From Eros to Gaia”, New York, Penguin Books, 1993. Albert Einstein, Telegram aan Rabbi Herbert S. Goldstein van New York, 24 april 1929. Barry Mazur, “When is One Thing Equal to Another Thing?” www.math.harvard.edu/~mazur/ , 2006. Edward Nelson, “Confessions of an Apostate Mathematician”, www.math.princeton.edu/%7Enelson/, 1995. Edward Nelson, “Mathematics and Faith”, www.math.princeton.edu/%7Enelson/, 2002. Graham Oppy, “Ontological Arguments”, Stanford Encyclopedia of Philosophy, http://plato.stanford.edu/entries/ontological-arguments/, 2002. Paul A. Schilpp, “Albert Einstein: Philosopher-Scientist”, La Salle, IL, Open Court, 1949. Bhaswati Sinha, “Nyāyakusumāñjali: Hindu Rational Enquiry into the Existence of God”, New Delhi, Aryan Books International, 1999. Christopher G. Small, “Kurt Gödel’s Ontological Argument” www.stats.uwaterloo.ca/~cgsmall/ontology.html/, 2006. Christopher
G.
Small,
“Reflections
on
Gödel’s
Ontological
Argument”, Klarheit in
Religionsdingen, edited by Wolfgang Deppert and Michael Rahnfeld,
Grundlagen unserer Zeit Band III, Leipziger Universitatsverlag,
Leipzig,
109-144, 2003. Online
beschikbaar op Hao Wang, “A Logical Journey: From Gödel to Philosophy”, Cambridge, Massachusetts, MIT Press, 1996. Palle
Yourgrau,
“A
World without Time: The Forgotten Legacy of Gödel and Einstein”, New
York,
Basic Books, 2005.
Voordracht
op
het
Studentencongres voor Geheel India, over Wetenschap en de Spirituele
Zoektocht,
in India, 9 december 2006. * * *
|