|
www.verbodengeschriften.nl
Redekunstige
grondslag van verstandhouding
Frederik van Eeden
Uitgeverij Het Spectrum
Utrecht/Antwerpen
Vormgeving
en
omslag
Studio Spectrum
Dit werk werd voor het eerst uitgegeven in Studies.
Derde reeks, 1897
Tweede druk 1975
©
1975 by Het Spectrum.
12-0545.02
D
1975/0265/141
ISBN 90 274 5291 1
Inhoud
Inleiding door Bastiaan Willink
..... 1
Redekunstige grondslag van verstandhouding ..... 7
Argument ..... 7
I. Realiteit en Gradatie ..... 8
II. Woord-waarde ..... 12
III. Waarheid ..... 14
IV. Zekerheid, Rede en Mysterie ..... 16
V. Het Ik ..... 22
VI. Tijdloosheid en Onsterfelijkheid ..... 27
VII. Richting, Vrijheid en Doel ..... 32
Slotwoord ..... 36
Inleiding
Frederik
van
Eeden
was een veelzijdig schrijver. Veel Nederlanders herinneren zich
zijn Grassprietjes en De kleine Johannes als
verplichte literatuur, die
toch
vaak met
veel plezier werd gelezen. Minder algemeen bekend, maar even hoog
gewaardeerd
in kennerskringen, zijn enkele andere werken: de roman Van de koele
meren
des doods, het wijsgerig gedicht Het lied van schijn en wezen (vooral
het
eerste
deel),
het toneelstuk De heks van Haarlem.
Hoewel Van Eedens romans, toneelstukken en gedichten vrijwel
altijd
een
sterk filosofische inslag hebben — ze handelen over het wezen van de
werkelijkheid en over wat tegenwoordig ‘existentiële’ problematiek
genoemd zou
worden — is minder bekend dat zijn filosofische en psychologische
ideeën ook
uiteengezet zijn in een aantal essays die niet direct tot de schone
letteren
gerekend worden.
Vijftien jaar geleden verscheen als Mededeling 16 van het Frederik van
Eeden-Genootschap
een Nederlandse vertaling van de belangwekkende Studie over dromen,
oorspronkelijk
een in 1913 voor de vereniging voor ‘Psychical research’ te Londen
gehouden
voordracht. Andere essays zijn echter na de dood van de schrijver in
1932 nooit
herdrukt, terwijl er bij zijn die in deze tijd zeker belangstelling
zouden
wekken. Ik noem bijvoorbeeld zijn studie over ons ‘dubbel-ik’ en vooral
de Redekunstige
grondslag van verstandhouding.
Voordat Van Leden zijn periode van sociale strijd begon, die
in
‘Walden’
zijn hoogtepunt beleefde, werkte hij van 1893 tot 1897 aan de synthese
van zijn
fundamentele ideeën over wereld en menselijke geest, en de raakvlakken
tussen
beide: wetenschappelijke en poëtische taal.
Krijgen wereld en menselijke geest al veel aandacht in andere werken
als Het
lied van schijn en wezen en Van de koele meren des doods, die
bewijzen
dat
Van
Eeden de meest uitgesproken ‘filosofische’ literator van het
Nederlands taalgebied was, in de Redekunstige grondslag ligt
de nadruk vooral,
de titel zegt het al, op de taal als middel tot rationeel communiceren.
Aan dit
na de Tweede wereldoorlog sterk in de belangstelling gekomen onderwerp
werd in
de tijd tussen de wereldoorlogen, toen de grote studies over Van Eeden
van
Kalf, Van Tricht en Verwey verschenen, veel minder aandacht besteed.
Deze
biografen behandelen de Redekunstige grondslag dan ook slechts
zijdelings. Ik hoop plausibel te maken, dat deze betrekkelijke
verwaarlozing
ongerechtvaardigd is en dat het tijd wordt om het essay de plaats te
geven die
het toekomt: het is een werk van in Nederland vrijwel onbekend niveau,
dat
alleen door vergelijking met in andere taal geschreven werken voldoende
naar
waarde geschat kan worden.
De Redekunstige
grondslag werd door Van Eeden met een tweeledig doel geschreven:
een
onwankelbare grondslag te creëren voor communicatie, zodat
misverstanden niet
meer behoefden op te treden, en een inleiding te schrijven bij zijn
eigen
literaire werk. Het eerste wordt geadstrueerd door het begin van de Redekunstige
grondslag zelf:
Aanmerkend
de
door
mij in zovelen bespeurde behoefte aan vastheid, duidelijkheid en
logisch verband, heb ik gepoogd in een aantal stellingen een grondslag
van
verstandhouding te vestigen, waarnaar ik zal kunnen verwijzen elkeen
die in de
vlottende aandoeningen van poëtische beelding en fantasie meent geen
genoegzame
bevrediging te kunnen vinden.
Het
tweede door passages in zijn recent opnieuw gepubliceerde dagboek:
…….Met
meer
lust
gewerkt. En over de volgende ‘Studies’ gedacht. Het stuk filosofie
vooraf. Dan over verzen. Dan mijn boeken... (9 maart 1896)
…….Ik heb een week lang niet aan Lioba geschreven maar aan liet
anti-rationalistisch
Betoog voor mijn studies. Daarvan heb ik nu vier hoofdstukken. Die zijn
een
voorbereiding op de toelichting van mijn boeken... (21 maart 1896)
De
twee intenties vullen elkaar aan. In de eerste helft van het werk zet
Van Eeden
vooral uiteen hoe een wetenschappelijk gevormde taal de werkelijkheid
op zo
ondubbelzinnige wijze kan afbeelden, dat misverstanden kunnen worden
vermeden.
In de tweede helft ligt vooral de nadruk op de unieke directheid
waarmee de
literatuur, en vooral de poëzie, essentiële aspecten van onze wereld
weergeeft.
Tussen beide delen zijn vele verbindende schakels. Het lijkt me zinvol
die
connecties, en de hoofdlijn van de gedachtegang kort samen te vatten
(per
alinea behandel ik een hoofdstuk).
Er
zijn concrete en abstracte zielstoestanden of ‘gevoelens’. Objecten in
onze
buitenwereld zijn combinaties van concrete gevoelens. Ook zijn er
concrete
gevoelens die geen deel van de buitenwereld zijn. De relaties tussen
concrete
gevoelens zijn abstracte gevoelens. Concrete zielstoestanden worden het
best
uitgedrukt door beeldende taal, abstracte zielstoestanden door streng
geconstrueerde
taal, waarvan de wiskundige symboliek het beste voorbeeld is.
Het geheel van alle gevoelens is de wereld, het bestaande. We maken
beelden van
het bestaande, die ermee corresponderen doordat ze een gelijke vorm
hebben. Die
beelden zijn weer vast te leggen in taal. Poëzie legt directer vast dan
wetenschappelijke taal. Het is in de praktijk onmogelijk, feilloos de
waarheid
te spreken, omdat de vermogens, waarmee we afbeelden en in taal
vastleggen,
gebrekkig zijn. Toch kunnen we streven naar een limiet van feilloze
afbeelding
en verwoording.
Dat doen wij in de natuurwetenschap bij het ordenen van de gezichts-,
gehoor-, gevoels-,
smaak- en reukindrukken en het vastleggen van hun relaties in
wetenschappelijke
taal. De natuurwetenschap tracht zekere, voor alle ruimte en tijd
geldige,
kennis te verzamelen. Uiteindelijk tracht de mens de kennis zó te
ordenen dat
ze een eenheid vormt, die onveranderlijk is en dus voor altijd geldig.
Het
zoeken naar die eenheid heeft tot gevolg, dat de mens de Rede probeert
op te
heffen, want de Rede is het instrument om zo dicht mogelijk de eenheid
te
benaderen en kan alleen gebruikt worden als er meerdere zaken zijn die
vergeleken worden. Het is onmogelijk de werkelijkheid wetenschappelijk
als
eenheid te beschrijven, want er zijn in de wetenschap altijd grootheden
die
niet tot elkaar herleidbaar zijn, zoals bijvoorbeeld ruimte en tijd.
Uitsluitend via mystiek kan de eenheid bereikt worden, maar pas nadat
we via de
wetenschap zeer dicht bij de eenheid gekomen zijn. Onafhankelijk van de
natuurwetenschap weten we — en die kennis is de zekerste die we hebben
— dat
ons Ik bestaat. Het Ik is in principe onafhankelijk van ruimte en tijd.
Er
bestaan immers waarnemingen die geen ruimte- of tijdsaspect bezitten.
Zo hebben
sommige (on)lustgevoelens geen ruimteaspect en zijn er ook
(on)lustgevoelens
die zich aan herinneringen hechten, maar zelf geen tijdsaspect
bezitten.
Het Ik (het ‘Zelf’) is, omdat het onafhankelijk is van ruimte en tijd,
niet
‘sterfelijk’ in de normale zin van het woord. Aangezien het
onafhankelijk van
de tijd is, kan het niet ‘dood’ gaan. Men kan echter niet zeggen wat er
precies
mee gebeurt nadat het lichaam gestorven is.
Het Ik is bovendien vrij, want omdat het onafhankelijk is van ruimte en
tijd,
staat het los van causaal verband en zijn er geen materiële oorzaken
voor het
handelen.
Over
de
hoogste
dingen, die buiten het bereik van de natuurwetenschap vallen,
kan
niet wetenschappelijk maar alleen in beeldende taal gesproken worden.
Filosofen
die dat niet begrijpen maken slechte wetenschap óf slechte poëzie.
De
lezer die iets meer dan oppervlakkig bekend is met de filosofische
wereldliteratuur, zal vele ideeën van Van Eeden herkennen. Zo doet de
definitie
van de wereld als de som van alle gevoelens sterk denken aan het
‘psychisch
monisme’ van onze landgenoot Gerardus Heymans, een rond de
eeuwwisseling tot
ver buiten onze landsgrenzen bekende Groningse hoogleraar in
psychologie en
filosofie. Ook in het buitenland waren er filosofen die sterk verwante
wijsgerige theorieën naar voren brachten. Misschien de belangrijkste
was de
Oostenrijkse filosoof Ernst Mach, die we in een ander verband nog
zullen
bespreken.
In de tweede plaats is er Van Eedens onderscheid tussen letterlijke en
beeldende taal, dat we later in iets gewijzigde vorm in Nederland
vooral
terugvinden bij de wiskundige en filosoof Gerrit Mannoury. In het
Engels
taalgebied werd de distinctie vooral bekend door het werk The
meaning of meaning (1923) van C. K. Ogden en I. A. Richards.
Maar het meest interessant is de opvallende overeenkomst tussen de Redekunstige
grondslag en de Tractatus logico-philosophicus een geheel
van
filosofische aforismen, dat door de Weense filosoof Ludwig Wittgenstein
in de
Eerste Wereldoorlog werd geschreven. Ik ga op de parallellen en
verschillen
tussen beide werken wat uitvoeriger in, omdat dat veel aan de Redekunstige
grondslag verduidelijken kan en omdat ook de kwaliteit van het
werk dan
beter kan worden afgemeten.
Allereerst zijn er de overeenkomsten in de vorm.
Beide werken bestaan uit zeven groepen aforismen, zijn ongeveer even
lang: een
tachtig bladzijden.
Een minder oppervlakkige parallel is de relatie tot Spinoza.
Wittgensteins Tractatus
logico-philosophicus een door de Engelse filosoof G. E. Moore
bedachte
Latinisering van de oorspronkelijke titel Logisch-philosophische
Abhandlung, naar het model van Spinoza’s Tractatus
theologico-politicus, Wittgensteins Tractatus vertoont
echter naar vorm en inhoud eigenlijk
een
veel
sterkere gelijkenis met Spinoza’s Ethica. Want terwijl
Spinoza’s Tractatus een ‘normaal’ gestructureerd boek is, dat
een zeer omvangrijk
historisch
deel over bijbelinterpretatie bevat en heel expliciet ingaat
de eisen waaraan een staatsvorm moet voldoen, bestaat de Ethica uit
stellingen
en
is
het laatste werk
geen exposé van een ethiek, maar geeft het algemeen-filosofische
grondslagen
die aan een ethiek voorafgaan.
Wittgensteins Tractatus kan goed met
de Ethica vergeleken
worden,
maar Van Eedens Redekunstige grondslag lijkt er niet alleen
op, het bevat
vele
passages
die expliciet op Spinoza’s filosofische grondslagen ingaan. Spinoza
wordt van
alle auteurs het meest genoemd. In bijna elk van de zeven hoofdstukken
van de Redekunstige
grondslag zet Van Eeden zich af op Spinoza, of sluit hij zich bij
hem aan.
We kunnen dieper ingaan op de inhoudelijke overeenkomsten met
Wittgensteins Tractatus. Zo stellen beide werken een
‘beeldtheorie’ voor:
Redekunstige
grondslag:
(37) Om het bestaande
te
begrijpen,
d.i. te vergelijken en te ordenen maken wij er van een beeld.
(38) Onze voorstelling van het bestaande is niet het bestaande zelf,
maar een
beeld er van.
Alleen in voorstelling, in beeld, kunnen wij over de dingen denken.
Onze
gedachte werkt niet met de dingen zelf maar met de voorstelling er van.
Deze
ordent zij. Dit is het schema, dat zij van de dingen maakt, de
organisatie van
dat schema is de theorie.
(39) Het woord-symbool is de zinnelijke representatie van de
voorstelling van
het bestaande.
Dus een symbool van een beeld. Er is dus 1. de realiteit, 2. de
voorstelling er
van, het schema, 3. de uitdrukking van dat schema in woordsymbolen.
Tractatus:
(2.1) Wir machen uns
Bilder
der Tatsachen.
(2.12) Das Bild ist ein Modell der Wirklichkeit.
(3) Das logische Bild der Tatsachen ist der Gedanke.
(3.1) Im Satz drückt sich der Gedanke sinnlich wahrnehmbar aus.
Aangezien
bij
Wittgenstein
realiteit en taal in logische, en bij Van Eeden in
introspectief-psychologische
termen worden behandeld, verschillen de middengedeelten van Tractatus
en Redekunstige grondslag aanzienlijk. Op dat
fundamentele
verschil kom ik
later terug. Maar behalve de juist met citaten geadstrueerde
overeenkomsten
tussen de passages aan het begin zijn er ook aan het slot van beide
werken
duidelijke parallellen. Ik wijs bijvoorbeeld op de stellingen over de
onafhankelijkheid van het ‘Ik’ van ruimte en tijd (122-125 in de Redekunstige
grondslag en de aforismen rond 6.4312 in de Tractatus).
Maar
de
meest
fundamentele overeenkomst komt aan het licht als we de
basisintenties
van beide denkers beschouwen tegen de achtergrond van het Europa van
vóór de
Eerste Wereldoorlog. Als uitgangspunt kies ik het recent verschenen
boek Wittgensteins
Vienna van Allan Janik en Stephen Toulmin. Deze auteurs betogen
dat de Tractatus de meest geconcentreerde en best
geconstrueerde verwoording
is van
het Weense
culturele klimaat rond de eeuwwisseling.
Rond 1900 deden zich in Wenen fundamentele veranderingen voor, die aan
de
oppervlakte van het dagelijks leven nog niet zichtbaar waren, maar
spoedig
zouden de Eerste Wereldoorlog, de socialistische revoluties, de
nationale
onafhankelijkheidsbewegingen, de relativiteits- en quantumtheorie, de
psychoanalyse en andere explosieven de negentiende-eeuwse orde
aantasten van
adel en bourgeoisie, mechanistische wetenschap en georganiseerde
godsdienst,
tonale en figuratieve kunst, en keizerrijk.
De omwentelingen werden vooral voorbereid door individuen die eenzaam
in hun
werkkamers arbeidden aan diepgaande kritiek op het ogenschijnlijk
oppermachtige
leven van hypocrisie en fraaie façaden. Allen hadden zij gemeen een
kritische
houding ten opzichte van heersende wereldbeelden. Ze verwierpen de
moraal van
de machtigen, of het simpele materialisme van de
wetenschapsbeoefenaren, of de
verstarde esthetische normen van de minnaars van Brahms of Johann
Strauss, of
alles tegelijk.
Centraal stond de analyse van de menselijke uitdrukkings- en
communicatiemiddelen. Mach en Boltzmann bestudeerden de taal van de
natuurkunde, Freud drong diep door in de wereld van de droomsymboliek.
Schönberg,
Kokoschka en Loos onderwierpen de uitdrukkingsmiddelen in muziek,
schilderkunst
en architectuur aan een kritische analyse die volledig nieuwe
kunstzinnige
vormen tot resultaat had: de twaalftoonstechniek, de abstracte
schilderkunst en
de nieuwzakelijke bouwstijl die vooruitloopt op het Bauhaus.
Fritz Mauthner publiceerde een groot driedelig werk, de Beiträge zu
einer Kritik
der Sprache, waarin
hij het taalgebruik zo breed mogelijk onderzocht met
introspectief-psychologische
methoden. Zoals bij de in het vervolg van dit essay nog te introduceren
Nederlandse ‘significi’, leidde dat onderzoek niet tot goed toetsbare
of
praktisch bruikbare stellingen.
Tenslotte noem ik Karl Kraus, die als eenmans-artikelenfabriek doet
denken aan
de hedendaagse Amerikaanse journalist I. F. Stone. Kraus bestookte het
establishment met essays over alle mogelijke onderwerpen. Kenmerkend
waren zijn
eerlijkheid en zijn ironie. Hij wilde zich bevrijden van de knellende
Habsburgse
banden van conventie en hypocrisie. Na bevrijding zou men eindelijk
rationeel
en creatief kunnen zijn.
Volgens Janik en Toulmin moet Wittgensteins Tractatus gezien
worden als
de zuiverste uiting van de Weense taalkritiek rond de eeuwwisseling. Ze
hebben
daar zeer veel argumenten voor, waar ik hier niet op in kan gaan. Ik
haal tot
slot alleen nog een passage aan, in vertaling, waarin ze hun
systematische
conclusie presenteren, nadat ze uitgebreid betoogd hebben dat de Weense
taalkritiek een zeer sterke ethische ondertoon had, die gericht was op
het
begrenzen van de conventionele taal en het vrijmaken van de creatieve
expressie
van het individu (blz. 193):
Wittgenstein
probeert
de
ethische sfeer af te grenzen van de sfeer van de rationele
communicatie, omdat hij gelooft dat ze juister gelocaliseerd wordt in
de sfeer
van het poëtische: ‘Ethiek en esthetica zijn één en hetzelfde’. Precies
zoals
het logisch geraamte van de wereld a priori is, is ook de ethiek een
voorwaarde
voor de wereld: ‘Ethiek is transcendentaal’. Maar net zoals de logica
is ook de
ethiek niet afhankelijk van feiten: ‘Hoe dingen in de wereld zijn, is
volkomen
onbelangrijk voor wat hoger is’. Veel moeilijkheden die men bij het
interpreteren van de Tractatus hebben te maken met het feit
dat zowel
ethiek als logica samenhangen met wat ‘getoond’ maar niet ‘gezegd’ kan
worden;
daarom is het ‘mystieke’ dubbelzinnig. In de eerste plaats slaat het op
het poëtische
vermogen van de taal om de ‘betekenis van het leven’ over te brengen.
Taal kan
ervaring weergeven, maar kan ook ervaring betekenis geven. Het eerste
is
mogelijk omdat de proposities die feiten weergeven modellen zijn met
een
logische structuur. Het laatste is poëzie. Het geluid dat evengoed door
de
muzikale notatie, door een grammofoonplaat of door het muzikale idee
wordt
voorgesteld, doordat ze een gemeenschappelijke vorm hebben, brengt ook
een
bepaald gevoel teweeg. Taal kan dus feiten weergeven door middel van
proposities, of aan de andere kant emotie overdragen via gedichten. Het
doel
van de Tractatus is, deze twee dingen te onderscheiden, en ze
daardoor
te beschermen voor verwarring.
Het
Nederlandse geestelijke klimaat rond 1900 is goed vergelijkbaar met dat
van
Wenen. Multatuli’s kruistocht, uiteindelijk weinig effectief, tegen de
Nederlandse ‘Droogstoppel’-mentaliteit was wellicht één van de factoren
die Van
Eeden op het idee brachten, dat fundamentele discussies vaak bij
voorbaat
onmogelijk waren bij gebrek aan een ‘redekunstige grondslag van
verstandhouding’. De geboorte van de abstracte schilderkunst in Wenen
vond
plaats niet lang nadat Van Eeden als een der eersten in ons land had
gewezen op
het grote belang van het werk van Van Gogh. Van Eeden zelf deed
psychologisch
onderzoek (en bedreef therapie), in verschillende opzichten gelijkend
op het
werk van Freud. Terwijl Ernst Mach de mechanica van Newton kritiseerde
op het
punt van de aanname van absolute ruimte en absolute tijd, en zo de weg
baande
voor Einstein, droeg Lorentz in ons land met zijn
‘Lorentz-transformatie’-theorie
en zijn elektronentheorie in belangrijke mate bij tot het ontstaan van
relativiteitstheorie en quantumtheorie. De leerlingen van D. J.
Korteweg, de
vader van de moderne wiskunde in Nederland, Brouwer en Mannoury, waren
ten
tijde van Van Eedens werk of er vlak na, bezig met zeer belangrijk
onder zoeken
naar de grondslagen van wiskunde en wetenschappelijke taal.
Frederik van Eeden was goed bekend met ontwikkelingen in het
buitenland. Zijn
internationaal pionierswerk op het gebied van de psycho-therapie, na
studie bij
Charcot in Parijs en bij Liébault in Nancy, vermeldde ik reeds. Ook was
hij de
vertrouweling van Lady Welby, die zelf weer een zeer uitgebreide
correspondentie voerde met de eerste belangrijke Amerikaanse filosoof
Charles
Sanders Peirce. Zij was de eigenlijke grondlegster van de ‘significa’,
hoewel
Van Eeden schrijft dat de Redekunstige grondslag vóór haar
invloed tot
stand kwam. Met de Berlijnse intelligentsia had Van Eeden zijn hele
leven nauwe
banden, zodat hij o.a. in contact kwam met de jonge filosoof Martin
Buber. Men
kan zeggen dat in heel cultureel Europa een stemming heerste, die
pogingen
begunstigde om de verstandhouding tussen individuen, klassen of
volkeren te
bestuderen of te bevorderen een stemming die een reactie was op de
hypocriete
wijze waarop de gevestigde machten de diepe kloven in verschillende
sectoren
van de maatschappij negeerden.
Tractatus en Redekunstige
grondslag worden
beide bepaald door het verlangen een synthetisch beeld van taal en
wereld te
scheppen, waarin hun tijd zich herkent en waarin een grondslag wordt
gelegd
voor een juiste plaatsing van het niet exact formuleerbare element in
de
communicatie. Dat element wordt in beide werken geïdentificeerd met het
‘poëtische’ en het ‘mystieke’. Het exact-wetenschappelijke taalgebruik
moet
streng worden afgegrensd van het ‘mystieke’. De wetenschappelijke
scherpte van
de Tractatus is in de Redekunstige grondslag niet
altijd
aanwezig. Toch wordt dat voor een deel gecompenseerd door de fijne
analysen die
Van Eeden, in sommige van zijn werken een literator van internationaal
formaat,
aan de literaire en ethische taal wijdt. Men kan stellen dat, waar
Wittgensteins
ontologisch-logische deel belangrijker is dan het overeenkomstige
ontologisch-psychologische
deel in de Redekunstige grondslag, Van Eeden er beter in
geslaagd is het
niet-wetenschappelijke element evenwichtig te behandelen.
En zo komen we op de fundamentele verschillen. Hoe zeer de ‘ethische’
bedoelingen lijken overeen te stemmen, de wetenschappelijke uitwerking
ervan is
zeer verschillend. Wittgensteins werk kwam mede voort uit een
indrukwekkende
poging, de door Frege en Russell opgebouwde moderne logica toe te
passen op
fundamentele problemen in de filosofie. Wittgensteins eigen werk op het
gebied
van de logica is nauwelijks van belang voor de ontwikkeling van die
wetenschap
geweest. Toch is het effect van zijn toepassing van de logica op de
filosofie
erg groot geweest.
Van
Eeden werkte vanuit een psychologische achtergrond. Gepromoveerd in de
medicijnen hield hij zich al vroeg bezig met psychopathologie en
psychotherapie. Het bekendst werden zijn psychologische inzichten door
zijn
klinische werk samen met Van Renterghem en de psychologische roman Van
de
koele
meren
des doods, waaraan de Utrechtse hoogleraar Rümke een
zeer
interessant boek heeft gewijd. Ook was hij een van de eersten in
Nederland die
zich bezighield met het analyseren van dromen (zie vooral de genoemde Study
of
dreams van 1913), en zijn theorieën op het gebied van de
paranormale
verschijnselen komen ook in de Redekunstige grondslag ter
sprake.
De
kracht en de zwakte van Tractatus en Redekunstige
grondslag kan
goed worden afgemeten aan het effect van beide werken. Wittgensteins
werk trok,
nogal tegen de zin van de auteur, bijna uitsluitend belangstelling van
wetenschapsfilosofen. Het logisch atomisme van Bertrand Russell en het
logisch
empirisme van de Wiener Kreis bouwden beide voort op filosofische
grondslagen
die door Wittgenstein met zijn toepassing van de logica in
taalfilosofie en
ontologie gelegd waren. Vanuit hedendaags perspectief men zeggen dat
Russell en
de ‘Wiener Kreis zelf weer de voorlopers zijn geweest van vruchtbare
ontwikkelingen in wetenschap en filosofie, zoals het doordringen van de
logica
in de taalwetenschap, de grondslagen van natuurkunde en psychologie, en
de
algemene methodologie.
Van Eedens invloed is vooral merkbaar in de evenals hij sterk ethisch
gerichte
groep Nederlandse ‘significi’: de dichter en rechtsfilosoof Jacob
Israël de
Haan, de wiskundigen L. E. J. Brouwer en Gerrit Mannoury, en nog andere
minder
belangrijke figuren. Vijfentwintig jaar na het schrijven van de Redekunstige
grondslag ontstond uit een voorbarige poging, een ‘Internationaal
Instituut
voor Wijsbegeerte’ te Amsterdam te stichten, de ‘Signifische Kring’ met
een
meer bescheiden werkprogramma.
De belangrijkste discussies in de Kring, tussen Van Eeden, Brouwer,
Mannoury,
en de taalkundige Jacques van Ginniken zijn pas in de jaren dertig als Signifische
dialogen uitgegeven. Ze geven goed weer welke onoverbrugbare
kloven
tussen
de leden van de Kring bestonden. Het katholicisme van Van Ginniken het
marxisme
van Mannoury, het individualisme van Brouwer en de onduidelijke positie
van Van
Eeden, die in die tijd juist tot het katholicisme overging, deden elke
poging
tot gezamenlijk en opbouwend wetenschappelijk werk teniet.
Toch gingen de leden wel van een zelfde, naar later bleek onvruchtbaar,
programma uit. Dat bestond uit een doel, de studie van taalgebruik en
de
verschillende soorten betekenis van ‘taaldaden’, en een middel, een
scala van introspectief-psychologische
methoden. Taalkundigen als De Vooys, Van Wijk en Van Ginniken, en de
belangrijke filosoof van de wiskunde Brouwer bestreden in die tijd fel,
dat met
behulp van formele logica of empirisch-wetenschappelijke experimenten
enig
resultaat in de taalkunde of het wiskundig grondslagenonderzoek bereikt
kon
worden. De taalpsychologie die door Van Ginniken werd voorgestaan en
het
wiskundig intuïtionisme van Brouwer hadden die vooronderstelling gemeen
en
kwamen ook beide uit op introspectieve analysen. In de Redekunstige
grondslag nam Van Eeden al een soortgelijke positie in. Hij stelt
daar een
theorie van werkelijkheid voor, die nauwelijks te onderscheiden is van
het
‘psychisch monisme’ van de grote Nederlandse psycholoog-filosoof
Heymans. Voor
Van Eeden is de realiteit de som van psychische toestanden en
de
relaties daartussen. En ook Van Eedens taaltheorie lijkt sterk op de
taalpsychologie van Van Ginniken, terwijl Van Eedens leerling Jacob
Israël de
Haan die laatste theorie bijna geheel onderschrijft in zijn
proefschrift van
1916, waarin de ‘juridische significa’ wordt gefundeerd.
Na de ontbinding van de Signifische Kring in 1925 blijkt dat de
wetenschappelijke basis van de significa geen duidelijke vooruitgang
mogelijk
maakt. Weliswaar heeft vooral Mannoury, vóór de Tweede Wereldoorlog in
kleine
geschriften, na de oorlog in zijn driedelig handboek van de significa,
die verstandhoudingstheorie
met stugge volharding en grote inventiviteit verbreed, toch was het
vrijwel onmogelijk
op Mannoury’s vaak nogal persoonlijke ideeën verder te bouwen.
Mannoury waardeerde de Redekunstige grondslag zeer en
beschouwde het
essay als het eerste belangrijke signifische werk. Naast bewondering
voor Van Eedens
‘profetische psychologistische opvatting’ van wis- en natuurkunde en
voor de
vele fijne analysen, had Mannoury vooral kritiek op de wat gemakkelijke
aanvaarding van het bestaan van een ‘Ik’ en de overtuiging dat er ‘één
Eenheid’
en ‘iets Absoluuts’ is. Daar kan onder meer aan toegevoegd worden, dat
het door
Mannoury zelf uitvoerig verdedigde onderscheid tussen ‘indicatieve’ en
‘volitioneel-affectieve’
begrippen sommige met geheel duidelijke passages in de Redekunstige
grondslag over wetenschappelijke en poëtische taal verhelderd zou
hebben.
Maar nog belangrijker is, dat de hedendaagse taalkunde en filosofie van
wiskunde en empirische wetenschap de oppervlakkigheid en
onvruchtbaarheid van
veel psychologistisch werk duidelijk hebben gemaakt. De nadruk ligt
tegenwoordig op formeellogische en verwante analysen en de snelle
vooruitgang
op gebieden als syntaxis en semantiek van natuurlijke talen en het
grondslagenonderzoek van wiskundige en empirisch-wetenschappelijke
theorieën
contrasteert scherp met de stilstand in de significa. De Nederlandse
filosoof
E. W. Beth vestigde het eerst de aandacht op dit contrast en op het
archaïsche
karakter en de psychologie die de basis is van de significa en ook van
de Redekunstige
grondslag.
Toch
mogen
deze
kritische kanttekeningen niet verhinderen, dat Van Eedens
filosofische hoofdwerk eindelijk de aandacht krijgt die het zonder
twijfel
verdient. Het is op zijn minst interessant dat de Redekunstige
grondslag tot
op grote hoogte met een erkend meesterwerk als de Tractatus vergeleken
kan
worden.
Het
zou jammer zijn als de werken uit Hollands tweede ‘Gouden
Eeuw’
even lang op waardering zouden moeten wachten als dat met veel van hun
illustere voorgangers in de achttiende en negentiende eeuw het geval
was.
Op
enkele voetnoten na, waarin vooral aangehaalde passages vertaald zijn,
volgt de Redekunstige grondslag hierna in ongewijzigde vorm.
De
spelling
is
aangepast en de hoofdstuktitels worden behalve in de inhoudsopgave ook
boven de
hoofdstukken genoemd. Tot slot van deze inleiding dank ik Dipl.-Ing.
Hans van
Eeden voor zijn belangwekkende verduidelijking van historische feiten
rond de
persoon van zijn vader, en dr. Hans van den Bergh, prof. J. J. A.
Mooij, drs.
A. Rijksbaron en dr. H. W. van Tricht voor suggesties tot verbetering
van vorm
en inhoud van deze inleiding.
Bastiaan
Willink
Redekunstige grondslag
van verstandhouding
Argument
Aanmerkend
de
door
mij in zovelen bespeurde behoefte aan vastheid, duidelijkheid en
logisch verband, heb ik gepoogd in een aantal stellingen een grondslag
van
verstandhouding te vestigen, waarnaar ik zal kunnen verwijzen elkeen
die in de
vlottende aandoeningen van poëtische beelding en fantasie meent geen
genoegzame
bevrediging te kunnen vinden.
Vastheid en duidelijkheid in dialectische zin is het die verlangd
wordt. De
symbolische betekenis van elk woord moet streng worden gehandhaafd en
beantwoorden aan de meest algemene opvatting. De termen moeten
eenvoudig zijn
in hun verband en redekunstig juist.
Nu zou elkeen te allen tijde deze eisen moeten stellen wanneer de
organisatie
ener taal even fijn en samengesteld ware als die der ziel, waarvan zij
de representante
en verzinnelijking is.
Maar, zoals ik in het eerste hoofdstuk nader tracht te betogen, is de
samenhang
tussen taal en ziel op verre na een zo innige niet.
Het taalgeheel, dat de menigte, ook de zeer begaafde menigte, alleen
kent en
gebruikt, is in vergelijking met onze ziel, maar een zeer grof en
schematisch
samenstel.
Wil men zich nu houden aan hetgeen de menigte duidelijkheid noemt, dan
moet men
alleen gebruik
maken van de algemeen gekende en gebruikelijke wendingen, en wil men
beantwoorden aan de eis van vastheid en logisch verband, dan moet men
alle
gebruikte uitdrukkingen brengen in onderlinge harmonie.
Hiermee beperkt men zich zodanig, dat men ze1f niet trachten kan verder
te gaan
dan het in taal brengen van betrekkelijk primitieve en
niet-samengestelde
dingen.
Want alleen in zeer eenvoudige zaken is de betekenis der woorden en
zinswendingen, — gesteld al dat zij zuiver zijn — vast en bij velen
gelijk.
En de harmonie der delen, de redekunstige samenhang — die wet der
geformuleerde
gedachte die men logica noemt — is slechts bij eenvoudige structuur te
bereiken. Omdat het materiaal, de woorden en zinnen, geen fijner
organisatie
toelaat. Zodat men, steeds in ‘t oog houdend dat de ziel de
realiteit en
de taal daarvan de zinnelijke reproductie is, dikwijls bespeurt dat de
harmonie
der levende dingen zou worden opgeofferd aan de harmonie der rede, die
de
logica uitmaakt.
Men heeft dan te kiezen tussen twee: of zich te bepalen tot het zó
eenvoudige,
dat het redekunstig_ harmonisch kan worden uitgedrukt, — of de logische
samenhang der taal ondergeschikt te achten en zø nodig op te offeren
aan de
hogere harmonie der meer reële, of laat ik liever zeggen levende
dingen. Bij
dit laatste wordt dan de taal op een gans andere wijze gebruikt, zoals
ik dat
aanstonds zal uiteenzetten.
Ieder
die
getracht
heeft diepere en fijnere gevoelens uit te drukken, stond
bewust of
onbewust, voor dit dilemma. Hij zal toelichting niet behoeven. Doch een
beeld,
— hoewel in vele opzichten gebrekkig — kan mijn bedoeling voor anderen
illustreren.
De volledigste reproductie van een levend mensenlichaam is een
automaat. Deze
beantwoordt in vorm, kleur en zelfs in beweging aan het origineel.
Theoretisch
is dit de beste weergave.
Maar de kunstigste, vernuftigst en meest ingewikkeld samengestelde, en
coulantst
werkende automaat kan toch niet meer dan zeer eenvoudige dingen
voorstellen.
Terwijl voor een gevoelig en ervaren toeschouwer een paar zwarte
strepen op wit
papier, vaag, mistekend, onsamenhangend zelfs, een oneindig sterker en
juister
effect van leven teweeg kunnen brengen. De onontwikkelde echter
verkiest de
automaat. Daar die immers ademhaalt en oog-verdraait evenals een levend
mens.
Naar zijn grove observatie is dit de samenhang der werkelijkheid, aldus
liet
best beantwoord door de samenhang der reproductie. Dit is voor hem
logica. De
zwarte krijtstrepen daarentegen hebben voor hem geen zin, en zijn
onlogisch.
Dit beeld is dienstig, mits men het bijtijds loslaat. Aan fraaie of
gewenste
automaten zijn wij niet gewoon. Doch het vervaardigen ener
redekunstig-harmonische
taalstructuur, die beantwoordt aan eenvoudige en algemene zaken
waarover wij
elkander moeten verstaan, is van groot belang.
I. Realiteit en Gradatie
1.
Het ideale betoog is het
mathematische.
Uitgaan van axioma’s. Alleen termen invoeren van bepaalde,
onveranderlijke
waarde. Inductief komen van het eenvoudige tot het samengestelde.
Synthetisch
voortbouwen, niet sneller, dan de volkomen bevestiging van al het
voorafgegane
gedoogt.
2.
Doch
alleen in abstracte dingen is zulk een betoog rigoureus mogelijk. Bij
de
invoering van concrete termen wordt de striktheid schijnbaar.
Zo heeft de naar de wijze der wiskunst gevormde bouw van
Spinoza’s
betoog
niet de waarde van een zuiver wiskunstig, algebraïsch of meetkundig
betoog. Zijn
bewijzen omtrent de dingen van de ziel, voor ‘t bestaan van God, e.a.,
hoe
uitnemend en streng ook, staan niet gelijk met en hebben niet de
absolute
waarde van wiskunstige bewijzen. Want de termen die hij verplicht is te
bezigen, ten einde te bereiken wat hij bereiken wil, hebben niet de
exactheid,
niet de absolute vastheid van zuivere abstracties, zoals cijfers en
verhoudingen.
3.
De term substantie, de termen zijn, natuur, begrijpen zijn
—
hoewel
abstract
— met even exact als de termen: drie, gelijk,
ongelijk,
evenwijdig, congruent, enz.
4.
Zij zijn evenwel abstracter, minder concreet; voor ons begrip dus
minder reëel
dan de termen mens, lucht, pijn, enz.
5.
Er zijn dus graden van abstractheid. Als hoogste graad noem ik drie,
—
als laagste pijn, en wel een bepaalde pijn van een bepaald persoon op
een
bepaald moment — tussenbeide werkelijkheid.
6.
Een betoog nu is gewisser, en zijn effect zekerder, naarmate de termen
er van
minder concreet zijn.
7.
Concrete dingen schijnen ons reëler, dan abstracte. Een boek
is iets dat
bestaat, een getal niet, beseffen wij. Ook hier is gradatie. Het meest
reëel
schijnen ons de stoffelijke voorwerpen.
8.
Een eenvoudige overweging en analyse van dit; besef brengt er ons toe,
niet de
voorwerpen, maar hun zintuiglijke impressie, de zielsaandoening, als
het meest
reële aan te nemen. ‘Licht’ als aandoening, is de eerste realiteit, de
meest
zekere, — ‘zon’ is een conclusie, uit waarnemingen gemaakt.
9.
Ofschoon wij spreken van getallen als dingen weten wij dat zij niet
bestaan,
tenzij als gedachtebeelden. Drie is niets, er kan niet drie zijn, er
kunnen alleen
drie dingen zijn. De gehele niet—toegepaste mathesis in dus onreëel, en
iets
anders dan het werkelijke. Het is de wijze (modus) der werkelijkheid,
in onze gedachten
verbeeld of verfiguurlijkt door symbolen. Het is het stelsel der
verhoudingen
in veelheid (getallen) of in uitgebreidheid, maar ledig, en
onbestaanbaar,
zonder een inhoud van werkelijke dingen. Nu moeten deze dingen
gevoelens zijn,
want andere werkelijkheden kennen wij niet. In het gedachtebeeld der
mathesis
vervangen wij de inhoud door een gefingeerde eenheid (in de getallen)
of door
strepen en figuren. In de mechanica is de inhoud ‘kracht’.
10.
Wij bespeuren, dat deze niet-bestaande dingen, de vormen, het minst
bedrieglijk,
het zuiverst in hun samenhang zijn.
11.
En in alles is gradatie. Er zijn overgangen tussen het concrete, meer
reële,
maar in samenhang minder betrouwbare, en het abstracte, onreële, maar
in samenhang
exacte, stabiele.
(Spinoza: Sunt diversi gradus realitatis sive entitatis.1 Princ.
Phil.
Cartes.
Axiomata.)
Zo schijnt een bepaald voorwerp, b.v. een appel iets reëlers dan de
gezichtimpressie die wij er van krijgen — hoewel wij dit bij
overweging
anders inzien — terwijl de impressie ‘rood’ toch weer iets
reëlers
schijnt dan het denken of de herinnering ‘rood’, de herinnering schijnt
ons
weer minder abstract dan het begrip of idee ‘rood’, of de generalisatie
‘roodheid’, doch deze generalisatie is voor ons weer minder abstract
dan
‘gedachte’, of ‘eigenschap’, en deze begrippen zijn niettemin nog niet
zulke
zuivere abstracties als de geometrische en planimetrische figuren
— terwijl
de getallen het zuiverst abstract zijn.
b. Men blijve bedenken dat wij dingen werkelijk en concreet noemen die
later
blijken minder werkelijk en concreet te zijn (8). Dat er dus een schijnbare
werkelijkheid is, en dat voor ons besef dingen
werkelijk
kunnen worden die het te voren niet waren. Dit hangt af van ons besef,
ons gevoel,
van de inhoud der abstracte relaties
12.
Wij bemerken geen scherpe overgangen en geen scherpe scheiding. Het
concrete
schijnt geleidelijk aan te sluiten aan het abstracte. Bij nauwkeurige
overweging
evenwel moet men aannemen dat er een punt is, waar het zuiver abstracte
een
concrete inhoudt krijgt.
a. Het begrip ‘gelijkheid’ is een zuivere abstractie. ‘Kracht’
al
niet meer.
Hier komt er iets bij, dat niet enkel relatie is, maar inhoud van
relatie,
afkomstig van waarneming.
b. ‘Rede’, ‘logica’ zijn zuivere abstracties. ‘Substantie’, ‘gedachte’
al niet
meer. Het juiste moment van overgang ontgaat ons.
c. Wij bemerken echter dat de relaties dezelfde blijven, met of zonder
inhoud,
en blijven heersen over al het concrete.
d. De relaties hebben dus de kenmerken van het absolute (algemeenheid,
stabiliteit). Doch zij zijn onwerkelijk zolang hun de inhoud ontbreekt.
13.
Terwijl de relaties zelve alle uit elkaar kunnen worden afgeleid,
beginnende
bij het axioma, het volstrekt zekere, — kan de inhoud der relatie nooit
uit de
relaties worden afgeleid.
14.
De inhoud der relatie is waarneming of gevoel, kan dus uit niets anders
worden
afgeleid.
15.
Concreet en abstract zijn dus als twee stromen, die niet in elkander
overgaan,
maar evenwijdig zijn, in gestadige samenhang.
Ditzelfde beeld wordt door H. Spencer (First Principles, 2nd
ed.,
pag.
153)
gebruikt voor wat men gewoonlijk uitwendige en inwendige
sensaties
noemt, en die hij onderscheidt als ‘levendige’ en ‘zwakke’ impressies.
De scheiding
tussen concreet en abstract schijnt mij een geheel andere, en, ofschoon
evenmin
scherp, toch minder moeilijk en geforceerd.
16.
En de samenhang is aldus, dat de relaties ingewikkelder worden naarmate
hun
inhoud concreter wordt.
De mathesis der mathesis is ‘t eenvoudigst, de mathesis van ‘t
meest
concrete, de zielsaandoeningen, is oneindig samengesteld.
Muziek verduidelijkt dit. Muziek kan het hoogst denkbare
uitdrukken,
is
zuiver concreet als geluid, en kan zuiver geabstraheerd worden. Muziek
is ook
denkbaar zonder geluid, als enkel verhoudingen en getallen van grote
samengesteldheid. Men kan zich een wezen denken dat zonder lucht of
luchttrillingen te kennen, de abstracte verhoudingen van muziek zó
verstaat,
als wij muziek verstaan. Niet indirect door berekening, (want berekenen
is geen
begrijpen maar middel tot begrijpen), maar direct zoals wij voelen.
Muziek
schijnt dus het meest te naderen tot een zuiverder en volmaakter wijze
van
begrijpen van het bestaande.
17.
Aan deze conditie der dingen, zoals wij die door reflectie in onszelf
bemerken,
beantwoordt nu de reproductie en expressie er van door de taal. Aan de
zielstoestanden, in hun trappen van concreet tot abstract en het
daarmee
samengaande, loopt de taal parallel. En wel zodanig dat de meest
abstracte dingen
worden vertegenwoordigd door de meest symbolische woorden.
Hoe concreter de dingen zijn die uitgedrukt moeten worden, des te meer
is ook
de taal gevoel en klank, niet-symbolisch, imitatief, beeldend.
18.
Men zal menen dat dit b.v. voor de namen van voorwerpen niet opgaat.
Maar
inderdaad zijn niet de voorwerpen de meest concrete dingen, maar de
zielsaandoeningen (8). En deze worden het best uitgedrukt door de minst
symbolische
taal, door eenvoudige directe klankexpressie, door beeldende taal
(poëzie).
Uitroepen als ‘Oh!’, ‘Ach!’ — woorden als ‘blij’, ‘somber’, zijn ‘t
minst
symbolisch, en beduiden de meest concrete dingen.
De woorden der wiskunde zijn zuivere symbolen.2
a.
Men
kan
alleenstaande woorden niet als voorbeeld nemen, daar de
klankexpressie
der taal niet ontstaat door de enkele woorden, maar door hun samenstel.
Een
zuiver symboliek woord kan in een zin kracht hebben door zijn klank.
b.
Maar
in
een abstract betoog doen de woorden niets door hun klank. In poëzie
doen ze bijna alles alleen door hun klank, poëzie is de meest directe
woordexpressie
van gemoedsaandoeningen, dus representatie van de meest concrete
dingen.
19.
Nu sluit zich hierbij aan het onder 6 genoemde, dat een betoog gewisser
en zijn
effect zekerder is, naarmate de termen er van abstracter, minder
concreet zijn.
20.
Dus is een taalstructuur minder feilbaar, naarmate het de representatie
is van
meer abstracte begrippen.
21.
Of ook, hoe zuiverder symboliek, hoe gewisser de taal. Een volstrekt
symbolische taal, — de mathesis — is onfeilbaar.
22.
En eveneens, hoe meer de taal overgaat van het symbolische tot het
niet-symbolische (nabootsende, beeldende) of direct-expressieve,
vertegenwoordigend de meer abstracte begrippen, des te ingewikkelder
worden
hare relaties (16).
a. De mathesis kan maar op één wijze geschreven worden. Zij
kan zich — ook
zonder concrete inhoud — eindeloos verwikkelen, maar haar
representatie
door de taal is precies, eenvoudig, noodwendig.
b. Zodra de relaties een concreter inhoud krijgen, wordt de
representatie
onzekerder en samengestelder (in de mechanica, bij de invoering van
woorden als kracht, massa, snelheid, tijd, ruimte). Welke
onzekerheid
en
samengesteldheid
toeneemt met de meerdere concreetheid van de inhoud. (Wijsbegeerte, met
de
woorden begrip, gedachte, gevoel, waarneming, welke woorden
dingen representeren
die nader staan aan zielsaandoeningen en dus concreter zijn.) (8). Bij
taal die
de concreetste dingen wil weergeven (zielsaandoeningen), wordt de
bepaaldheid
en zekerheid bijna nul, de samengesteldheid der relatie oneindig,
c. In de exacte wetenschap worden de relaties ingewikkelder — de
mathesis
hoger — naarmate men de levensverschijnselen, dus de
zielsaandoeningen, nadert.
23.
Aan het essentiële onderscheid, zonder scherp merkbare scheiding,
tussen
abstract en concreet, in de dingen — beantwoordt symboliek en beelding
in de
taal.
24.
Ook hier zijn twee stromen, wier grensscheiding men niet nauwkeurig
waarnemen
kan (12), doch die nooit in elkander overgaan (13, 15).
Mathesis is zuiver symboliek, poëzie bijna zuiver beelding,
wijsbegeerte
half symboliek, half beelding.
25.
Wetende dat de symbolische representatie der dingen alleen de
stelligheid en
het volmaakte verband: de logica, toeliet, heeft men steeds getracht
het
bestaande door symbolische taal uit te drukken.
26.
Dit pogen is echter steeds te vergeefs geweest, evenzeer als die om het
concrete uit het abstracte af te leiden.
27.
De twee stromen lopen parallel, zowel in de dingen als in hun
reproductie door
de taal.
c.3 De wijsbegeerte zoekt de relaties der hogere en
fijnere,
innerlijke gewaarwordingen. Doch ook hier. bereikt zij met ontzaglijke
inspanning, door boeken vol ingewikkelde en dikwijls vage abstracties,
nog maar
het eenvoudigste. Tenzij zij de zuivere symboliek verlaat en beeldend
spreekt.
d. Het hoogste en beste in ons kennen wij onafhankelijk van
wijsbegeerte en
wetenschap. Wij erkennen het bestaan er van zonder nadere grond, door
intuïtie,
gevoel, innerlijk besef. Wij exprimeren het uitsluitend door beelding,
door
directe verzinnelijking in visie en geluid, — door kunst,
muziek en
poëzie.
28.
De taal wordt dus op twee wijzen gebruikt, twee wijzen die essentieel
verschillen: 1. op symbolische wijze, vertegenwoordigend de relaties en
abstracte begrippen, 2. beeldend, vertegenwoordigend de inhoud der
relaties, de
concrete dingen.
Ter illustratie diene het volgende beeld. Een melodie drukt
een
zielsaandoening uit: b.v. vertwijfeling. Nu kan men de verhouding der
luchttrillingen in getallen berekenen en opschrijven. Dit is de
symbolische
weergave. Tot de aandoening: ‘vertwijfeling’, komen wij langs deze weg
echter
nooit. Hiervoor moeten wij de melodie zingen en horen. Dit is de
beeldende
weergave.
29.
Elk dezer wijzen van taalgebruik is zelfstandig. Nooit kan de een de
ander
vervangen. Wat men met een versregel doen kan, kan men onmogelijk door
redeneringen doen, en omgekeerd.
30.
Alleen in zuiver symbolische taal is strikte logica mogelijk en een
vereiste.
Naarmate de taal meer beeldend wordt, meer concrete dingen
representeert, houdt
de mogelijkheid en het vereiste van streng logisch verband op (22b).
Omdat men dan iets nieuws invoert, het concrete, dat
zelfstandig is
en niet
uit het vorige afgeleid of af te leiden (13, 14, 15).
31.
Ook de concrete dingen zijn onderling ondergeschikt aan dezelfde
relaties als
de abstracte, maar in oneindige samengesteldheid. Beeldende taal drukt
deze
relaties niet uit. Dit is niet in haar macht, noch
haar
bedoeling.
Zij
wil alleen van het concrete, de zielsaandoening of zielstoestand,
een getrouwe representatie geven, die zinnelijk waarneembaar is. Haar
vereiste
is dus niet logica, maar nauwkeurige overeenstemming met de
zielstoestanden.
Beeld: Een melodie drukt de relaties der luchttrillingen niet
uit.
Een
versregel drukt geen relaties uit, maar een sentiment, — heeft
dus met
logica niets te maken. Ze is beter naarmate ze het sentiment juister
uitdrukt,
schoner, naarmate het sentiment schoner is.
32.
Alleen mathesis is zuiver symbolisch. In de meest exacte wetenschap, in
de
meest abstracte filosofie wordt de taal toch nu en dan beeldend
gebruikt. Dit
is onvermijdelijk om de concrete dingen aan te duiden, wier relaties
men
beschouwt. ‘Kracht’, ‘realiteit’ zijn b.v. woorden die iets concreets
beduiden
en om ze te bespreken moet men iets beeldends zeggen. Dikke boeken zijn
geschreven omdat men dit niet inzag, en vruchteloos poogde door
verwikkeling
van abstracties het concrete te zeggen. Over de woorden ‘abstract’ en
‘reëel’
is eindeloos getwist. Men kan niet anders doen dan het diepste,
eenvoudigste
sentiment dat men vinden kan, beeldend uit te drukken. En dan verder
redeneren.
Zo sprak ik van Mathesis als de vorm, en van de dingen als de inhoud
der relaties. Dit zijn beeldende expressies. ‘Beelden bewijzen
niet’, zei
mij eens een filosoof. Hij bedoelde niet taalbeelden, maar analogieën.
Wij
kunnen ze echter geen van beide missen. Wij kunnen ook geen wiskunstige
lijnen
tekenen; maar moeten het doen met strepen.
33.
In een betoog als dit is het dus niet uitvoerbaar en ook niet nodig
zuiver
symbolisch te spreken. De bewijskracht van een betoog is voldoende
wanneer de
ingevoerde beelden, die het concrete moeten weergeven als algemeen
erkend
kunnen gelden, en die zuiver logisch zijn gebonden.
Doch men is door die voorwaarde tot het eenvoudigste bepaald.
Hoge
en schone
zielstoestanden kunnen niet op deze wijze worden betoogd, hun relaties
zijn te
ingewikkeld. Ze kunnen alleen worden gebeeld, in poëzie, doch de
algemene
erkenning dezer beelden is onzekerder, hun kracht en invloed hangt af
van de
individuele ontvankelijkheid.
NOTEN
1.
Er zijn verschillende graden van realiteit of zijn. (Axioma IV)
2
Men bedenke hier het onderscheid tussen symbool en beeld, Beeld
representeert
door gelijkheid. Symbool door voorafgaande verstandhouding.
3.
De inhoudelijke discontinuïteit van de tekst suggereert dat hier een
stuk (a
en b) van stelling 27 is weggevallen.
II. Woord-waarde
34.
Gelijkheid is het primitiefste begrip. Evengoed als wij weten dat er
iets is,
weten we dat er twee dingen kunnen zijn die op elkander gelijken zonder
hetzelfde te zijn, zonder identiek te zijn. Identiek is een term
die
eigenlijk een negatie uitdrukt ‘niet iets anders’.
35.
Vergelijken is de hoofdfunctie van denken. Het zielsleven is
gecombineerd uit
willen, gewaarworden en vergelijken.
In onbegrensde complicatie gaan deze drie altijd samen.
Overeenkomstig de
bewegingsvormen in drie afmetingen in uitgebreidheid, zijn dit de
bewegingsvormen in drie afmetingen in denking.
36.
De gewaarwording, het gevoelde, is het eigenlijk zijnde, het bestaande.
a. Hiermee kan zowel object als subject, ik en niet-ik bedoeld
zijn.
Zowel het
gewaarwordende als de onderstelde oorzaak van gewaarwording.
b. Wat ik hier ‘het bestaande’ of ‘de dingen’ noem, wordt ook wel
genoemd ‘de
werkelijkheid, de realiteit’. Ik kies een andere term om verwarring te
vermijden. Realiteit betekent een eigenschap die wij ‘aan het bestaande
in meer
of minder mate kunnen toekennen (11 a). Het bestaande kan een
verschillende
mate van realiteit hebben, het kan meer of minder bestaan. Het object
heeft
altijd meer realiteit, meer bestaanszekerheid, dan het subject.
37.
Om het bestaande te begrijpen, d.i. te vergelijken en te ordenen maken
wij er
een beeld van.
Het beeld van iets is een nieuw ding welks hoofdeigenschap is
de
gelijkheid
met het eerste ding. Wij willen de realiteit begrijpen d.i. vergelijken
en
ordenen, omdat dit noodwendig samengaat met leven, groeien of willen.
Het begrijpen
is uiting van willen en voorwaarde tot verder willen. Evenals
plantenwortels
zijn groei en nodig tot groei.
38.
Onze voorstelling van het bestaande is niet het bestaande zelf, maar
een beeld
er van.
Alleen in voorstelling, in beeld, kunnen wij over de dingen
denken.
Onze
gedachte werkt niet met de dingen zelf maar met de voorstelling er van.
Deze
ordent zij. Dit is het schema, dat zij van de dingen maakt, de
organisatie van
dat schema is de theorie.
39.
Het woordsymbool is de zinnelijke representatie van de voorstelling van
het
bestaande. Dus een symbool van een beeld. Er is dus 1. de
realiteit, 2. de
voorstelling er van, het schema, 3. de uitdrukking van dat schema in
woordsymbolen.
40.
Het beeldend woord, de poëzie, beeldt het bestaande meer direct af.
Niet geheel direct omdat het altijd gedeeltelijk symbolisch
is.
Muziek kan
het meest directe beeld der realiteit heten.
41.
Gelijkheid met het origineel is hoofdeigenschap van het beeld,
buitendien heeft
het nog andere eigenschappen waardoor het verschilt van het origineel.
Dit is een zeer belangrijk principe, dat vaak vergeten wordt.
Toegepast op
38 en 39 volgt er uit dat de voorstelling van het bestaande nooit
geheel gelijkt
op het bestaande. Bij al onze gedachten moeten wij dus met deze
ongelijkheid
rekening houden, daar wij met voorstellingen denken, niet met reële
dingen. Elk
onzer voorstellingen is een beeld (een denkbeeld) , en
verschilt dus van
de dingen.
Bij het onderling vergelijken en ordenen onzer voorstellingen — het
maken
der
theorie — moet nauwkeurig opgelet worden waarin dat
verschil
bestaat, en of het van invloed kan zijn op de conclusies.
Hetzelfde geldt in nog hoger mate voor de taal. Hier heeft men te doen
met
symbolen van beelden, of met beelden van beelden. Het gevaar om tot
foutieve
conclusies te komen door verwaarlozing van het noodwendig verschil
tussen beeld
en origineel wordt hierdoor verdubbeld.
Bij ‘t zuiver symbool bestaat het gevaar niet. De fout kan dus daarbij
alleen
schuilen in de voorstelling.
Bij zuivere beelding daarentegen wordt geen theorie en geen conclusies
gemaakt.
Daar volgt het woord getrouw het bestaande. Ook hier is dus de kans op
dwaling
geringer. Die kans is ‘t grootst bij half-symbolische, half-beeldende
taal.
Waar onze voorstellingen beeldend worden uitgedrukt, en die beelden van
beelden
onderling worden geordend en vergeleken, dus betheoretiseerd. Hierdoor
ontstaan
de sofismen, de valse dialectiek. De verwaarlozing van bovenstaand
principe
kenmerkt de oudere (Griekse) filosofie. De moderne lezer van Plato’s
dialogen
stuit herhaaldelijk op redeneringen, die niet logisch te weerleggen
zijn, maar
waarbij hij voelt (of zijn gezond verstand zoals hij het uitdrukt,
zegt) dat
het verschil tussen woorden en termen, en voorstellingen wordt
verwaarloosd.
Daarentegen komt het in onze tijd veel meer voor dat het verschil
tussen
voorstelling en dingen uit het oog wordt verloren. (O.a. in de nog
steeds
algemeen mishandelde kwesties: wil, stof, kracht, natuur, enz.)
Met dingen bedoel ik hier onze gewaarwordingen en gevoelens, en hun
onmiddellijk postulaat, de wereld buiten het ik.
Het bovenstaande schijnt zeer voor de hand liggend en zeer bekend.
Ieder weet
wel dat zijn voorstelling van de aarde, of van zichzelf, iets anders is
dan de
aarde of hij zelf, en dat het woord aarde of zijn naam, weer iets
anders is dan
zijn voorstelling. Evenzo dat men slechts met voorstellingen denken en
met
woorden spreken kan.
Maar door de complicaties, en door de overgangen van concretie tot
abstractie,
is men dit alles toch zelden gestadig indachtig.
Als men over ‘kracht’, ‘schoonheid’, ‘waarheid’, ‘wil’ spreekt dan
vergeet men
vaak niet alleen dat het woord iets geheel anders is dan de daarmee
bedoelde
voorstelling, nl. iets veel bepaalder, concreter, standvastiger — maar
vooral
dat
de
voorstelling iets geheel anders is dan de dingen. De
voorstelling: een vaag, half-abstract, half-zinnelijk zielebeeld,
gebonden aan
een vorm, een woord, een minder of meer bepaalde herinnering, en iets
dat
altijd willekeurig kan opgeroepen en vergeleken worden, het bestaande:
een
reeks van gewaarwordingen verbonden door een idee, het platonisch idee,
een
term door Descartes, Spinoza, Boehme enz. overgenomen, maar aanleiding
tot
grote verwarring. Want het spraakgebruik leeft er zeer familiaar mee en
maakt
er van ‘voorstelling’, maar voorstelling is een beeld, een abstractie,
een
schijn, een modus. En idee is een bestaand ding, een gevoel, een ens.
Het
spraakgebruik heeft dus met ‘ idee’ juist andersom gedaan als
met
‘Waarheid’ en ‘Rede’. Die heeft ze van modus tot ens gemaakt (47).
Hierdoor is het b.v. mogelijk dat van twee zeer verstandige personen de
een
beweert dat de wereld ‘wil’ is, en de ander dat er in ‘t geheel geen
wil is
(Schopenhauer en Haeckel).
En, het bovenstaande in ‘t oog houdend, kan men zeer goed aannemen, dat
beiden
gelijk
hebben.
Dat wil zeggen, al zeggen zij glad het tegenovergestelde, zo
kan
toch bij
beiden de voorstelling der dingen beantwoorden aan het bestaande. Hun
verschil
kan daardoor ontstaan, dat zij dezelfde woorden voor ongelijksoortige
voorstellingen gebruiken, ofwel een deel derzelfde voorstelling willen
representeren door logisch tegenstrijdige termen.
III. Waarheid
42.
Ik heb getracht mij in ‘t voorgaande zoveel mogelijk van
zuivere termen
te bedienen. Termen waarbij geen belangrijk verschil kon bestaan in
corresponderende gedachten. Hetzij door hun eenvoudigheid en
principieelheid
(gelijk, ongelijk) hetzij door hun algemene, bepaalde, en geijkte
aanwending
(symbool, beeld, abstract, concreet). Zodoende zijn de fouten van een
betoog
direct na te speuren in zijn organisatie, of theorie.
43.
Uit het gezegde volgt nu, dat het zo vaak gebruikte woord ‘waarheid’
een
onzuivere term is.
44.
De toestand zoals ik die heb uiteengezet wordt door het volgende beeld
verduidelijkt:
Wij leven in het bestaande zoals mensen in een huis waar zij niet uit
kunnen.
Ieder maakt van dat huis een klein model binnenskamers. Dit komt
overeen met
onze voorstelling van de dingen. Hij maakt vervolgens van dat model een
tekening en toont die door de ramen aan zijn buren. Dit komt overeen
met onze
taal.
Een
beeld
dat
in details niet opgaat. En losgelaten moet worden bij complicatie.
Hierbij in acht te houden wat in 41 is gezegd.
45.
Het verband der woorden ‘waar’ en ‘waarheid’ is niet meer van dezelfde
aard als
het verband tussen ‘gelijk’ en ‘gelijkheid’. Men heeft door onattent
gebruik
van ‘waarheid’ een zelfstandig begrip gemaakt, ongeveer gelijkstaand
met
‘werkelijkheid’ of ‘het zijnde’.
46.
‘Waarheid spreken’ (oprecht zijn) betekent volgens de currente
opvatting
woorden gebruiken die volkomen beantwoorden aan onze gedachten en
voorstellingen.
In het beeld overgebracht: het model volkomen door de tekening
weergeven.
Dit is principieel onmogelijk, omdat een tekening iets anders is dan
een model
(41), maar bovendien is het accidenteel onmogelijk, omdat ieders
tekenvermogen
meer of minder gebrekkig is.
Men blijkt dan ook, als men waarheid spreken en oprechtheid
verplichtend stelt,
iets anders te bedoelen. Men kan niemand de verplichting opleggen zijn
gedachten volmaakt in taal weer te geven. Oprecht zijn is niet een daad
die men
willekeurig kan doen of laten, het is een kunst waarop men zich moet
toeleggen,
waarin de een verder is dan de ander.
Wat men verplichtend stelt is het niet opzettelijk onze
voorstellingen
onjuist afbeelden.
Als morele regel is dit praktisch meestal voldoende. Maar ook hier is
theoretisch geen zuiverheid in de termen. De bepaaldheid en klaarheid
van het
begrip, dat beantwoordt aan het woord opzet, bewuste intentie, is
door
fijner
psychologisch
inzicht verminderd. Men kan opzet hebben, zonder
het te
weten. Men kan zich iets bewust zijn, en niet weten dat men het zich
bewust is.
Men kan m.a.w. feitelijk opzettelijk liegen en overtuigd zijn dat men
de
waarheid spreekt.
Grof en duidelijk komt dit voor bij moreel zieken, bij hystericae b.v.,
maar in
fijnere nuance bij iedereen. Onder invloed van emotie, van angst,
verlangen,
hoop vervalst iedereen min of meer zijn gewaarwordingen of
voorstellingen
Zonder twijfel opzettelijk, met het doel aan de emotie tegemoet te
komen, maar
niettemin zonder het helder bewust te zijn, zonder het ook voor
zichzelf te
willen er kennen. Een ongelukkig persoon kan zich ter wille van een
ander
gelukkig voordoen, zonder helder te weten dat hij liegt.
De verzekering van een derde kan hem tot inzicht van zijn leugen
brengen.
Het morele voorschrift ‘waar zijn’ of ‘oprecht zijn’ is dus in fijnere
en
complexe dingen geheel onvoldoende. De meeste onoprechte mensen kunnen
niet
oprecht zijn, weloverlegde, beredeneerde leugen is zeldzaam, men liegt
gewoonlijk
te goeder trouw.
Tot oprechtheid is nodig: helderheid van voorstelling, zelfkennis, en
vermogen
tot uitdrukking.
‘De waarheid’ als abstractie, als idee, die men naar dit voorschrift
betrachten
moet, betekent dus: de harmonie tussen woorden en gedachten.
47.
Doch als men van ‘de waarheid’ of ‘het ware’ spreekt, bedoelt men
meestal iets
anders en iets meer.
Niet
de
overeenstemming
tussen iemands persoonlijke inzichten en zijn woorden,
want
men stelt het voor als iets absoluuts, één onveranderlijk ding, dat men
wenst
te weten, en waarnaar alle mensen zoeken. Dit getuigt van een
algemene
verwarring en onzuivere terminologie.
Men verwart waarheid met ‘werkelijkheid’ en werkelijkheid met ‘ding’ en
men
verwaarloost tevens het verschil tussen ding en voorstelling.
Als men zegt te weten wat glas is, dan bedoelt men dat men alle
zintuiglijke
indrukken die glas direct of indirect teweeg brengt tot een
samenhangende
voorstelling heeft verenigd. De indrukken zelf en hun objectieve
oorzaak, d.i.
het bestaande, die weet men niet, maar gevoelt men, op dezelfde wijze
als een
onwetende of een dier ze gevoelt, of kan gevoelen.
48.
Met ‘het ware’ kan men dus niet bedoelen ‘het werkelijke, het reële’,
want dan
kan men noch zoeken, noch weten, men kan het alleen zijn en ondergaan.
49.
Met ‘waarheid’ kan men bedoelen de meest juiste voorstelling van de
dingen. Dit
is echter niet in overeenstemming met het spraakgebruik. Waarheid is
dan iets
betrekkelijks, iets dat men zeer wel bereiken kan, daar er altijd een
voorstelling juister is dan alle andere. Ook zou er dan steeds een meer
ware
waarheid gevonden kunnen worden, een nog juistere voorstelling. Terwijl
van een
absolute waarheid geen sprake kan zijn, daar een absoluut juiste
voorstelling
niet bestaan kan, evenmin als een absoluut juist model van een huis.
Want de
voorstelling blijft van het bestaande essentieel verschillen (41).
50.
De enige zuivere betekenis die men dus aan het woord waarheid hechten
kan, is
de abstracte overeenstemming, de harmonie tussen voorstelling en ding.
Of nog generaler
en abstracter, harmonie, overeenstemming, zowel tussen woord en
gedachte,
voorstelling en werkelijkheid, beeld en origineel. De consequenties
van dit
inzicht zijn velerlei. a. Vooreerst zijn er altijd twee dingen nodig om
van
waarheid te kunnen spreken, het beeld en het origineel. Iets kan alleen
waar
zijn ten opzichte van iets anders. b. Het bestaande op zichzelf kan
niet waar
of onwaar zijn,
— het is.
c. Het begrip waarheid ontstaat door het besef dat wij
weerspiegelen — reflecteren — het bestaande, waar wij
zelf deel van uitmaken.
d. De waarheid is niet dat wat weerspiegelt, noch het weerspiegelde,
maar de
harmonie tussen beide, dus de zuiverheid van weerspiegeling.
e. Met het ophouden dezer functie, het weerspiegelen, de reflectie,
vervalt het
begrip. Voor een bestaanswijze zonder reflectie heeft het woord
waarheid geen
zin.
f. Absolute waarheid is een onbestaanbaarheid om twee redenen. Een
ervaringsreden,
accidenteel, en een noodwendige reden, principieel.
g. De ervaringsreden is dat wij geen grens kennen aan zuiverheid,
evenmin als
aan de gladheid van een spiegel. Er is altijd een nog groter zuiverheid
en
gladheid mogelijk.
h. De principiële reden is dat iets zichzelf niet weerspiegelen kan, en
er dus
altijd een deel van het bestaande, het reflecterende, het zelf,
ongereflecteerd
moet blijven. Zoals het spiegelbeeld van een vertrek altijd onvolkomen
moet
blijven omdat de spiegel zelf er aan ontbreekt.
i. Nog juister is het beeld misschien als men in plaats van een
wandspiegel een
ronde tuinspiegel neemt, hangend midden in een tuin. Alleen de spiegel
zelf is
dan onweerspiegelbaar. En het zoeken naar absolute waarheid, met de
tergende en
onbegrijpelijke onmogelijkheid, wordt goed verbeeld door het zoeken
naar de
spiegel zelf, die men weet dat er toch is en waartoe men telkens
schijnt te
moeten komen al volgende de dichtstbij liggende voorwerpen, in het
weerkaatste
beeld van de tuin.
51.
Spinoza noemt adequate ideeën, die, welke in zich zelf, niet ten
opzichte van
hun object, de kentekenen van een waar idee hebben. Het idee omschrijft
hij als
‘mentis conceptum, quem mens format’.1 En hij zegt dat het
idee van
een ding iets anders is als het ding. Het idee van een cirkel iets
anders als
de cirkel. Maar in zijn Cogitata Metaphysica doet hij zeer
duidelijk
uitkomen en dat ‘Ens rationis nihil est praeter modum cognitandi’ 2
en verder dat ‘modos cogitandi non
esse ideas rerum’.3 En wijst tevens de bron der dwaling aan
‘res enim
ex nominibus judicant, non autem nomina ex rebus’.4
Nu komt mij echter voor dat
Spinoza deze
fout evenmin vermeden heeft als zijn voorganger Cartesius. In het
beroemde: ‘dubito,
cogito, ergo sum’ 5 is het zwaartepunt der zekerheid
gezocht in
denken niet in zijn, dus in de schijn niet in het wezen. Alle denken is
vergelijken, maar het ‘ens’ is één en kan niet vergelijken, het is.
Zodra
denking begint, begint weerspiegeling, beelding, voorstelling, en dus
afwijking
van het zuivere Wezen. Een cirkel kan geen idee zijn, noch een idee van
een
cirkel, wanneer men een idee ‘ens’ wil noemen. En een ‘mentis
conceptum’ is
niet langer ‘ens’ maar ‘modus’. God te noemen: ‘res cogitans’ is
dwaasheid. Het
hoogste Zijn wordt hierdoor benoemd naar één enkele van zijn oneindig
veel attributen. Men kan dit logisch verdedigen, maar dan ook dat
God:
res dubitans 6, res errans 7, of res peccans 8
genoemd moet
worden. Want zondigen, dwalen, twijfelen en denken zijn alle trappen in
de
oneindige gradatie van niet-zijn tot zijn, en onderling niet van groot
of
essentieel verschil in verhouding tot het absolute Zijn. Wie de Godheid
naar
één dezer attributen benoemt, verkleint Hem. Daarom zegt Boehme: ‘Gott
ist alle
Bosheit von Ewigkeit bewusst, aber man heiszet’s nicht Gott sondern
Gottes Zorn’,
en ook: ‘Gott, so viel er Gott heiszet, kann nichts Böses
wollen’. Voor
het hoogste zijn is ‘cogitatio’ 9 een gevaarlijke term,
omdat ze
leidt tot pogingen om het onnoembare langs menselijke denkwijze te
benoemen.
Wat Spinoza ‘Cogitatio’ noemt, noemt Boehme: ‘Mysterium Magnum’ 10,
en
Nicolaus
van
Cusa: ‘Comprehensio incomprehensibilis’ 11 en
dit
zijn veel veiliger uitdrukkingen. Spinoza’s gevoelen was schoon en
zuiver, maar
zijn bewijzen zijn allen schijnbewijzen. Hij zal onder de ideae verae 12
b.v. noemen: ‘Deus se ipsum infinito amore amat’ 13, maar
ook dat
drie hoeken van een driehoek gelijk zijn aan twee rechten. Het eerste
is een
idee, volgens zijn definitie, want het is een gevoel, een realiteit, in
poëzie
uitgedrukt. Maar wie dat voelt zal ook terstond voelen dat het tweede
iets
geheel anders is, een lege formule, waaraan alle realiteit ontbreekt.
Daarom geven de lange redeneringen van Spinoza zo vaak de
indruk van
nutteloze verwikkeling, die het ons niet verder brengt te volgen.
Enkele schone
zinnen van hem doen meer dan zijn scherpzinnigste betogen.
NOTEN
1.
en begrip van de geest dat door de geest gevormd wordt.
2. een volgens de rede bepaald zijnde is niets anders dan een wijze van
denken.
(Begin van de Cog. Met.)
3.
wijzen van denken zijn geen ideeën van dingen. (Begin van de Cog.
Met.)
4. want ze beoordelen zaken naar namen, en niet namen naar
zaken.
(Begin
van de Cog. Met.)
5. ik twijfel, ik denk, dus ik ben.
6. twijfelend iets.
7. dwalend iets.
8. zondigend iets.
9.
denken.
10. het Grote Mysterie.
11. het onbegrijpelijke Begrip.
12. ware ideeën.
13. God bemint zichzelf met oneindige liefde.
IV. Zekerheid, Rede en
Mysterie
52.
Natuurwetenschap beoogt het in orde en samenhang brengen van alle
zintuiglijke
gewaarwordingen, van de verschijnselen van gevoel, gezicht, gehoor,
smaak en
reuk, en het zich onderling over deze orde en deze samenhang verstaan.
Daartoe
observeert zij, combineert volgens de meest algemeen geldige
denkwetten, en
constateert, bestendigt met behulp van taal en symbool.
53.
Haar kentekenen van zekerheid zijn: algemeenheid en bestendigheid.
a. Iets is zeker, gewis (waar) wanneer het niet verandert bij
de
verschillende individuen, noch op verschillende tijdstippen. Het
grondkenmerk
is dus onveranderlijkheid, hetzij in ruimte
(algemeengeldigheid) hetzij
in tijd (bestendigheid.)
b. Het door Spinoza aangenomen kenmerk van adequatie, door één individu
alleen
beseft, is nog niet het hoogste, niet absoluut. Wat wij absoluut zekere
ideeën
noemen heten dat omdat wij ze zeker achten voor iedereen. Een
krankzinnige of een dromend persoon kan zekerheid voelen voor
absurditeiten.
Dat hij ongelijk heeft volgt alleen daaruit dat hij met zijn
overtuiging alleen
staat. Derhalve is ook wiskunstige zekerheid geen feitelijk volstrekte,
want
men zou kunnen volhouden dat alle mensen krankzinnig zijn en waren. Zij
is dus
allen oneindig groot, niet absoluut.
Alleen
alwetendheid
kan
absolute zekerheid voelen. De hoogste zekerheid onzer ideeën
is wat men in de mathesis een limiet zou noemen. Zij nadert steeds de
absolute,
maar bereikt haar nooit en kan haar nooit bereiken. Want de universele
zekerheid van een idee moet toch ten slotte weer door de persoonlijke
en
beperkte zekerheid van het individu worden geconstateerd.
Spinoza heeft dit zelf op andere wijze aangeduid in de Tract. de Emend. Intellect., bij de
uitlegging wat
een waar idee is. ‘Certitudo et essentia objectiva idem est’.1
Essentia
objectiva beschrijft hij als een limiet.
54.
In deze gewisheid is dezelfde gradatie die in 11 is geconstateerd.
Het meest algemeengeldige en bestendige is mathesis, het minst
een
enkele zins-indruk.
55.
Dat het in 53 gezegde zo is, berust ten slotte weer op persoonlijke
overtuiging. Maar tevens is deze overtuiging dat het meest ware het
meest algemeengeldige
is, ook zelf van de grootste algemeen-geldigheid, zodat zij als het
ware
zichzelf bevestigt, en veilig tot grondslag van zekerheid dienen kan.
Het is
niet nodig, of mogelijk een diepere grondslag te zoeken.
56.
Het is nu van ’t hoogste belang nooit te vergeten dat de
natuurwetenschap ontstaan
is door de wil der mensen. Een groot abstract schema, gesymboliseerd en
bestendigd door taal, is ontstaan en wordt in stand gehouden en
uitgebreid door
de samenwerking van miljoenen afzonderlijke personen.
57.
Dit schema is het bestaande niet, maar een beeld er van, gemaakt en
gedragen
door personen (38).
58.
Hieruit volgt dat dit beeld ondergeschikt is aan de personen. Dat het
niets
heeft, wat niet in die personen was. En dat het die personen zelf niet
omvat,
noch ooit omvatten kan (50h).
59.
Eveneens volgt er uit dat het streven naar waarheid algemeen is. Dat
dus alle
personen gemeen hebben het streven naar orde, algemeenheid en
bestendigheid. Of
(volgens 53) onveranderlijkheid.
60.
Het hoofdverschil tussen orde en wanorde, algemeenheid en
bijzonderheid,
onveranderlijkheid en veranderlijkheid is hetzelfde als tussen eenheid
en veelheid.
Alle personen streven dus naar eenheid.
61.
Het bestaan ener natuurwetenschap leert ons dus op de meest zekere en
afdoende
wijze een hoofdeigenschap kennen van onze ikheid, ons zelf, namelijk de
begeerte naar Rust en Eenheid. Wat door persoonlijke zelfstudie niet
altijd
zeker wordt, krijgt door het beschouwen van grote verschijnselen
berustende op
de gemeenschappelijke werking van vele personen de hoogst mogelijke
graad van
zekerheid.
62.
Het is waarschijnlijk dat deze eigenschap van het Ik, gebleken uit het
meest
onveranderlijke en meest algemeen-erkende, gemeenschappelijk product
der
personen, ook zal gelden in al de overige functies van het Ik. Men kan
dus met
voldoende zekerheid vaststellen, dat de ikheid, zolang zij iets doet,
iets
zoekt, zich beweegt, gericht is naar Eenheid en Onveranderlijkheid of
Rust.
63.
Men noemt de natuurwetenschap het product van Waarneming en Rede. Dit
is
algemeen erkend.
64.
Hieruit volgt dat er is 1. iets dat waarneemt, het Ik, 2. iets dat
waargenomen
wordt: het Niet-ik, en
3. de Rede, iets dat niet waargenomen wordt maar behoort tot het
waarnemende
Ik.
65.
Rede is een woord dat even onnauwkeurig wordt gebruikt, en waarvan het
begrip
even onzuiver is geworden, als het woord Waarheid en het begrip
daarvan. Men
spreekt van Rede als van iets zelfstandigs. Maar de meest universele
betekenis
van het woord is — ongeveer — verhouding. Verhouding nu kan niet
bestaan zonder
vergelijking. Dus het begrip Rede sluit in dat er twee of meer dingen
zijn die
worden vergeleken door een derde, het Ik (50c).
66.
Evenals dit voor waarheid is gezegd kan het woord Rede geen zin hebben
en het
begrip niet bestaan zonder reflectie, weerspiegeling. Waar niets wordt
vergeleken is geen Rede.
67.
Evenzeer: waar geen veelheid is en geen verandering, is geen Rede.
Hieruit
volgt terstond de conclusie (in verband met 59, 60 en 61), dat het
streven der
personen gericht is naar het eind, de opheffing der Rede.
a. Hier vooral moet men zwakke geesten waarschuwen in deze
conclusie
geen
paradox te zien met sentimentele bijbedoeling. Wat het woord Rede tot
devies en
het begrip tot toeverlaat maakt, is algemeengeldigheid en
bestendigheid. In het
Absolute, waar het begrip Rede niet meer behoort, zijn deze
eigenschappen
volkomen. De conclusie is alleen zo merkwaardig omdat ze duidelijk
maakt hoe
Rede slechts een menselijk begrip is, een hulpmiddel, dat ons daarheen
voert
waar het niet meer bestaan kan. Welk eindpunt echter voor ons oneindig
ver
schijnt te liggen.
68.
Wanneer het woord: absoluut, volstrekt, iets betekent is het dat, wat
niet
verandert, niet wisselt, maar één is en één blijft, overal en altijd.
H. Spencer zegt dat ‘persistence is what we mean by
reality’ (op.
cit., pag. 160). Men voelt evenwel bij aandachtig
overwegen van het
gebruik der twee woorden dat ze niet zonder reden ontstaan zijn, en dat
men de
begrippen niet identiek kan verklaren, zonder iets te verwaarlozen.
69.
Daaruit volgt dat het streven der personen gericht is naar het
Absolute.
a. Ook wanneer men de logische noodwendigheid van deze
conclusie
inziet en
aanvaardt, is het mogelijk dat zij niet dan een zeer vage en flauwe
indruk
maakt. Men moet gestadig in het oog houden wat in 8, 19 en 41 is
gezegd. De
conclusie is des te dwingender naarmate zij meer door abstracties is
bereikt. Beelding
is in dit geval slechts weinig, niet meer dan hoog noodzakelijk
gebruikt: Het
spreken van ‘iets dat waarneemt’ is b.v. beeldend, niet zuiver
abstract.
Werkend met zo weinig gegevens als ik hier deed, kan men vrij streng
logisch
blijven, maar dan ook slechts zeer eenvoudige, niet-samengestelde,
dingen
zeggen, en geen aandoeningen wekken.
Maar even als men na afloop ener chemische, fysische of astronomische
berekening, na het vinden ener nieuwe formule, zich moet te binnen
brengen wat
al de gebruikte termen in realiteit betekenen, om welke betekenis men
gedurende
de becijfering niet heeft kunnen denken, — zo moet men na een
logische
conclusie overdenken welke concretie aan de gebruikte abstracte termen
beantwoordt. Conclusie 69 is als cijferschrift. Ze drukt niets uit voor
wie de
sleutel niet heeft. Het is een getal, een formule. Om te kunnen zeggen
dat men
haar verstaat, moet men de realiteiten, dat is de gevoelens kennen,
ondervonden
hebben,
of
liever zelf geweest zijn die door de termen worden
vertegenwoordigd. De juistheid dezer formule te erkennen, betekent het
bestaan
der bedoelde gevoelens aan te nemen. De zielstoestanden of gevoelens,
die de
inhoud vormen der gebruikte termen, zijn de heiligste en hoogste die
dichters
en profeten getracht hebben te beelden.
b. Als ik zeg: ‘de liefde Gods werkt in alle zielen’, dan heb ik een
uitdrukking waarvan de betekenis niet zeer veel van die van 69
verschilt. Maar
in deze expressie ligt veel meer beelding. De woorden hebben veel meer
aandoenende
kracht, werken ook door klank, door geluid, niet enkel door vooraf
bepaalde
algemeen erkende betekenis. De uitwerking dezer laatste woorden is veel
onzekerder, veel afhankelijker van persoonlijk gehoor en
ontvankelijkheid. De
begrippen door elk der termen vertegenwoordigd zijn minder
onveranderlijk,
minder algemeengeldig. Maar de laatstgenoemde uitdrukking kan iets
teweegbrengen waar formule 69 volkomen machteloos is. Ze kan iets doen
voelen wat te voren niet gevoeld werd. Daarentegen is ze veel
ongeschikter voor
logisch betoog, voor het ordenen en betheoretiseren van reeds bekende
gevoelens. Men kan met deze termen slecht cijferen. Met die van 69 kan
men
daarentegen slecht indruk maken of aandoeningen opwekken. Men kan
echter niet
zeggen dat de ene uitdrukking meer wáár is dan de andere. Dit ter
illustratie
van wat over symbolische en beeldende taal, over wiskunde, wijsbegeerte
en
poëzie gezegd is (24 vlgd. enz.).
70.
Waar gemeten wordt, moet een maatstaf zijn. In de natuurwetenschap
wordt alles
zoveel mogelijk tot één maatstaf teruggebracht. De eenheden van warmte,
van
gewicht, van massa, van kracht, van snelheid, van elektriciteit worden
alle
teruggebracht tot eenheid van ruimte en tijd genomen uit de grootte en
de
beweging van de aardbol. In de natuurwetenschap is de aarde de maatstaf
aller
dingen, d.w.z. van alle natuurverschijnselen of zintuiglijke
waarnemingen.
71.
Het begrip Rede sluit vergelijking en meting in.
Waar
dus
van
rede sprake is onderstelt men het bestaan van een maatstaf, een
eenheid
van maat.
Men weet hoe hierin reeds lang de sluitsteen der wijsbegeerte
gezocht is. Protagoras
noemde de mens de maatstaf aller dingen, Plato hem uitdrukkelijk
weersprekende,
noemde, in zijn Leges, God de maatstaf aller dingen (ό δη
Θεος ημιν παντων
χρηματων μέτρον)
Dit verschil is kenmerkend geacht voor beider leer.
72.
Wie de mens de maatstaf aller dingen noemt, moet daarmee bedoelen dat
de
eenheid der maat voor alle dingen ligt in de menselijke Rede.
Dit is, naar ik meen, ook thans nog een veel voorkomende
mening. Men
houdt
de tekortkomingen van ons begrip voor niet-essentieel, maar
accidenteel.
73.
Deze mening moet voortkomen uit de algemeen geldige overtuiging dat er
één
eenheid van maat voor alles is, — en uit de ervaring dat men in de
natuurwetenschap
alle waarnemingen reeds meer en meer tot één eenheid van maat terug
brengt.
74.
De twee volgende overwegingen moeten echter daarbij bedacht worden: 1.
Dat niet
alle dingen zintuiglijke waarnemingen zijn. Zintuiglijke waarnemingen
vormen
maar een deel van het ons bekende. Lust, onlust, verlangen, wij ding,
verheffing,
en alle gemoedsaandoeningen zijn geen zintuiglijke waarnemingen.
75.
En 2. dat ook in de natuurwetenschap geen eenheid van maat bestaat.
Lengtemaat
en tijdmaat zijn nimmer tot één eenheid terug te brengen. Wanneer de
beweging
der aarde vertraagde of versnelde zou dit geen verandering brengen in
onze
ruimte-eenheid.
76.
Om deze genoemde redenen mogen wij uit de ervaring in de
natuurwetenschap
opgedaan geen conclusies, zelfs geen waarschijnlijkheid, afleiden
omtrent het
bestaan van een eenheid van maat voor alle dingen, die gelegen is in
onze
menselijke Rede.
Ook al hadden wij een eenheid van maat gevonden voor alle
zinswaarnemingen
en een voor alle overige dingen, dan zou dit niet bewijzen dat ze, in
ons, een
gemeenschappelijke eenheid hadden. Maar zelfs het eerste is niet het
geval, en
kan blijkens de allerzekerste ervaring, nimmer het geval zijn. Nimmer
kan de
menselijke Rede voor tijd en lengte een gemeenschappelijke eenheid
vinden.
Niets is er waarvan wij zekerder zijn.
77.
En bovendien, niet alleen de ervaring, maar onze meest exacte, meest
absolute
wetenschap leert ons dat in de menselijke Rede de eenheid van maat niet
gevonden kan worden. Er zijn onderling onmeetbare grootheden zoals de
straal en
de omtrek van de cirkel. De wiskunde kent en gebruikt oneindig kleine
en
oneindig grote grootheden. Zij leert het bestaan van een asymptotische
nadering,
waarbij een lijn een andere steeds nader komt, en haar nooit raakt, al
wordt
zij oneindig verlengd. Uit dit alleen reeds blijkt onafwijsbaar dat de
ikheid
het bestaan erkent van dingen waarvoor zij geen maatstaf heeft, en
zeker weet
er nimmer een te kunnen vinden.
78.
Deze ontoereikendheid der Rede had reeds onmiddellijk afgeleid kunnen
worden
uit 67. Het bestaan onzer menselijke Rede is onafscheidelijk gebonden
aan
veelheid en verandering. Ons wetenschappelijk denken is vergelijken van
indrukken op verschillende tijdstippen, berust dus op verandering in op
volging
van tijd. Ons mathematisch denken is vergelijken van verschil in
uitgebreidheid, of veelheid.
Alle redelijk denken is onafscheidelijk van beweging, verandering en
tijdsverloop.
Zodra wij dus iets aannemen dat Absoluut is, erkennen wij dat onze Rede
daarvoor geen maatstaf hebben kan (68).
79.
Er is dus geen ontkomen aan dit dilemma:
óf er is niets absoluuts, en de eenheid van maat voor alle dingen
bestaat niet,
óf zij ligt niet in de menselijke Rede.
80.
Daar nu de overtuiging dat er één éénheid en iets Absoluuts is tot de
meest
algemeen geldige dingen behoort, hetzij bewust uitgesproken in poëzie
of
wijsbegeerte, hetzij geïmpliceerd in het natuurwetenschappelijk streven
en in
het mathematisch denken, mag men veilig de ontoereikendheid der
menselijke Rede
als maatstaf aller dingen, als vaststaand en boven alle twijfel
beschouwen.
Dit inzicht is met of zonder logisch-dialectisch betoog,
bereikt
zolang
mensen denken. Alleen de telkens weer terugkerende verdwazing der
mensen
noodzaakt tot een herhaling van het zo lang bekende. Maar niet altijd
zijn de
twee hoofd-inzichten van 1 en II zorgvuldig genoeg met dit inzicht
gecombineerd. De half-symbolische, half-beeldende kracht der wijsgerige
taal,
met haar betekenis en gevolgen, is o.a. door Spinoza niet genoeg in ‘t
oog
gehouden, zodat hij voor een goed deel poëzie gaf waar hij meende
wiskunst te
geven. Terwijl Kant, Hegel en volgelingen, wanneer zij dit inzicht
waren
getrouw gebleven, niet zoveel woorden zouden besteed hebben aan wat zij
voor
verdieping hielden, maar wat inderdaad niet anders dan verbreding kan
worden.
Eindelijk zou de wijsgerige betekenis der kunstenaars, mystici en
profeten
minder zijn verworpen en onderschat. Schopenhauer zei: ‘Philosophie ist
Kunst, keine
Wissenschaft’.
Het tweede inzicht dat naar mijn mening niet genoeg is betracht, is dat
der
gradatie (14), onmiddellijk met het vorige samenhangend. Misleid door
het
gebruik van woorden, maakte men scherpe grenzen, waar de realiteit
altoos overgangen
heeft. Niets is belangrijker en nuttiger bij ‘t denken, maar
niets ook tevens
moeilijker, dan het vasthouden der principes van gradatie en
woordwaarde.
Alle begrippen, door onze termen vertegenwoordigd, vloeien in elkaar
uit, en
niet alleen links en rechts maar naar alle zijden. Ook de begrippen
‘rede’,
‘absoluut’, ‘zeker’, ‘bestaan’, enz. zijn gegradeerd tot in oneindige
verijling.
Het absolute en het niet-absolute, het ik en het niet-ik, het zijn en
het niet-zijn
vloeien in elkaar uit met overgangen die ons ontgaan (16). En in de
mate van
gradatie der verschillende dingen is wederom gradatie, en zo tot in ‘t
oneindige. Hoe meer men nadenkt, hoe meer men het oneindige aan alle
kanten om
zich beseft. In welke richting men denkt, men stuit altijd op het
onbegrijpelijke,
absurde en ondenkbare, zoals Spencer dat in zijn First Principles uiteen
zette.
Men zal misschien een lijn of een driehoek een zeer bepaald begrip
vinden. Maar
als men aan een lijn wil denken, denkt men aan een streep en die
bedoelt men
niet (12). En een streep is evenmin een bepaald begrip, want dit begrip
is uit zintuiglijke
waarnemingen samengesteld, waarvan het ondoorgrondelijke reeds is
aangetoond
(10,) (51i).
De punten van overgang tussen de verschillende begrippen vinden een
analoge in
de z.g. kritische punten der mechanica. Men neemt hun bestaan aan en
kent ze
alleen bij benadering.
81.
Onder mysterie of geheimenis verstaat men, naar de meest algemene
opvatting,
datgene wat bestaat, maar voor onze menselijke Rede noodzakelijk
ondoorgrondelijk is en blijven moet.
82.
Het is bekend dat er onder mensen zowel een zeer sterke neiging tot,
als een
zeer sterke afkeer van het mystieke bestaat. Een behoefte om het aan te
nemen
en een andere behoefte om het te verwerpen.
83.
Deze beide in ‘t oog vallende verschijnselen hebben, zoals ik zal
aantonen,
eenzelfde grond, en wel de begeerte naar het Absolute of, zoals Spinoza
zou
zeggen, amor Dei, de liefde Gods (69, 69b).
84.
Men kan namelijk naar het Absolute streven in de dingen, en ook in de
voorstelling, afbeelding der dingen, die is het systeem der
natuurwetenschappen
of der dialectische wijsbegeerte (57).
85.
Is men nu gewend het laatste uitsluitend te doen, alleen in het schema
der
dingen gemaakt in voorstelling, zinnebeeld en taal, het Absolute te
zoeken, dan
verwacht men ook daarin alleen de bereiking van het Absolute. Men gaat
menen
dat de verwezenlijking van het vurig nagestreefde, de volstrekte
kennis, het
absolute weten, moet bestaan uit een volmaking van onze wetenschap,
onze
voorstelling der dingen.
86.
Maar al wat mystiek, of uiteraard voor onze rede ondoorgrondelijk is,
bewijst
door zijn bestaan dat een absolute volmaking van zulk een systeem
noodzakelijk
onmogelijk is, dat het Absolute nooit in de voorstelling of afbeelding
van het
bestaande kan bereikt worden. Immers, dat systeem is alleen uit
waarneming — of
voorstelling van waarneming — en rede opgebouwd.
87.
Om die reden, en uit kracht der bekende menselijke eigenschap die doet
ontwijken of ontkennen
wat
men niet gaarne wenst, ‘ontkent of ontwijkt degene die het absolute
uitsluitend
in het systeem der
wetenschappen zoekt te bereiken, datgene wat hem zou dwingen
het
onmogelijke dier bereiking te erkennen.
88.
De van mystiek afkerigen, de z.g. rationalisten, tonen en belijden dus
een even
grote begeerte naar
het Absolute als andere mensen. Zij zoeken echter het Absolute daar
waar het
nimmer te bereiken is nl. in de voorstelling, beelding of symboliek der
dingen,
niet in de dingen zelf. En zij schuwen en ontkennen datgene wat hen,
naar hun
mening, de mogelijkheid tot bereiking zou ontnemen.
89
Zij beroepen zich gaarne op de mathesis, daar die de meest absolute of
exacte
wijze van kennis is. Evenwel weet ieder dat de levende realiteit iets
anders is
dan mathesis (9). En bovendien wordt door geen wijze van kennis de
noodzakelijke ontoereikendheid onzer Rede duidelijker aan ‘t licht
gebracht
dan
juist
door de mathesis (77).
Het zijn dan ook niet de mathematici waaronder men de
heftigste
rationalisten
vindt. Integendeel waren sommige grote wiskundigen mystici, b.v.
Keppler,
Pascal en Newton, en sommige mystieken van onze tijd ook wiskundigen,
b.v.
Zöllner en Fechner. De rationalisten vindt men vooral onder geleerden
die orde
en exactheid trachten te brengen in een van het absolute ver
verwijderde reeks
waarnemingen, dus de zg. natuurfilosofen en de medici.
Daar deze zich niet bezig houdei met het onderzoek der menselijke
rede
kunnen
zij
zich eerder vleien met de illusie van haar alvermogen.
90.
De mystiek-gezinden zijn veelal degenen die het Absolute zoeken in het
levend-reële,
in hun gemoedsaandoeningen, in hun zielstoestanden, de onmiddellijk
bekende
werkelijkheid.
Dus de vromen, de profeten, de dichters, de kunstenaars, die
allen
op hun wijze
zoeken naar het bestendige en onveranderlijke in het leven zelf
91.
Deze vinden in de dingen geen bewijs of aanduiding van de noodzakelijke
onbereikbaarheid van het Absolute.
92.
Immers, men kan niet de mogelijkheid van een voor onze rede
ondoorgrondelijke
zielstoestand uitsluiten, met dezelfde gewisheid waarmee wij de
mogelijkheid
uitsluiten van een eenheid van maat, naar onze rede, voor tijd en
ruimte.
Dit
zal
nog
nader worden toegelicht in hoofdstuk V.
93.
Nu vindt men echter bij de mystiek-gezinden dikwijls een
geringschatting,
verwerping en afkeer
van de menselijke Rede, die van gelijksoortige aard is en op
gelijksoortige gronden
rust als de afkeer der rationalisten van het Mysterie.
94.
Want wanneer men de in 39 en 57 uiteengezette verhouding van wetenschap
en
dingen niet indachtig blijft, die dezelfde is van beeld en wezen, maar
alleen
let op de noodwendige onvolkomenheid van het beeld, dan zal men in het
door
onze rede gebouwde systeem der wetenschap iets bedrieglijks zien, dat
het Absolute
belooft maar het nimmer geven kan.
95.
Men zal dan, menende gerechtigd te zijn dit bedrieglijke te
verwaarlozen, door
grote begeerte misleid, het Mysterie reeds menen te vinden waar het nog
niet
is. En daarna, door de reeds genoemde neiging om te ontkennen en te
mijden wat
men niet wenst, afkerig worden van de Rede, die telkens wat reeds het
ondoorgrondelijke scheen tot haar maatstaf weet terug te brengen.
96.
Deze verwaarlozing en afkeer van de Rede is niet minder dwaas en niet
minder
goddeloos — om het zo uit te drukken — dan de verwaarlozing en afkeer
van het
Mysterie.
97.
Want het is duidelijk dat overal waar eenheid en bestendigheid wordt
gebracht,
het Absolute wordt
genaderd of het streven naar het Absolute wordt gediend. En dat hoe
meer het de
Rede gelukt samenhang en onveranderlijkheid te brengen in waarnemingen
en
voorstellingen, dus in het beeld der dingen, des te meer ook dit beeld
dienstig
zal kunnen zijn aan het levend-reële zelf, dat er zich door
weerspiegeld ziet,
om de weg naar het Absolute te vinden en de dwaalwegen te vermijden.
98.
En wie de Rede vreest of haar in haar functie wil belemmeren begrijpt
niet haar
aard. Want zij kan nooit iets anders doen dan nader brengen aan het
Absolute,
en waar zij niet meer dienen kan heft zij zichzelf op (67).
99.
En de mysticus, de vrome, die waarachtig naar het Absolute streeft,
behoort de
Rede dankbaar te zijn wanneer zij een schijnbaar mysterie weet te
verklaren.
Want het is toch beter teleurgesteld te worden dan te dwalen. En het
gevoel kan
steeds verdwalen, maar de Rede, zover haar gebied reikt, niet.
100.
Van
de
andere kant behoort de natuurgeleerde, inziend dat zijn streven naar
eenheid en samenhang niet anders is dan het streven naar het Absolute,
dankbaar
te zijn dat er Mysterie is, en de Rede niet meer dan een menselijk
hulpmiddel,
ondergeschikt aan de levende realiteit en het Zelf. Want daardoor
vervalt de
noodzakelijke onbestaanbaarheid, dus onbereikbaarheid van het Absolute,
die
niet te loochenen zou zijn, wanneer de maatstaf aller dingen moest
gezocht
worden in de menselijke Rede.
NOTEN
1.
zekerheid en objectieve essentie zijn identiek.
V. Het Ik
101.
De
toelichting
van 91 en 92 hangt samen met het in 53b gezegde. De
zekerheid die een persoon
alleen uit zichzelf heeft, is voor die persoon nog niet de hoogst
mogelijke
graad van zekerheid, hij verlangt bevestiging door algemeengeldigheid.
Dromenden
en krankzinnigen voelen zekerheid voor de meest absurde dingen.
Voorbeelden van dit laatste feit zijn in de moderne
psychologie
overvloedig.
De dingen die een koortslijder voelen kan zijn boven alle beschrijving
absurd. Hij
voelt zich zelf één en toch twee, klein en toch groot, een ander en
toch
zichzelf. De meest fundamentele principes der logica gelden voor hem
niet. Een
dromer kan in de droom zekerheid voelen dat hij niet droomt. Een lijder
aan
grootheidswaan noemt zich zelf God, almachtig en alomtegenwoordig,
hoewel hij
nederig vraagt vrijgelaten te worden, of schatrijk, terwijl hij om een
cent
bedelt.
102.
Uit
deze
feiten volgt dat de ikheid, het zelf, dat wat waarneemt, niet
onafscheidelijk
is
van
Rede. Ik wijs er nadrukkelijk op dat dit het enige is
wat uit de genoemde feiten onmiddellijk blijkt. Nadere gevolgtrekkingen
leiden
spoedig tot de diepste en ingewikkeldste vragen. Hoe de dromer of
krankzinnige
de rede verliest en in hoever zijn persoonlijke identiteit gewijzigd is
blijft
onbepaald. Alleen dit is onbetwistbaar dat er wordt waargenomen zonder
Rede.
103.
Het
begrip
Ikheid wordt hier ‘t best omschreven als: dat wat waarneemt.
Alleen
deze omschrijving is algemeen geldig, algemeen verstaanbaar en niet te
onbepaald. Het is daarom de enige die logische behandeling toelaat. Dat
wat
waarneemt nu is niet hetzelfde als het waargenomene (64), niet
hetzelfde als
Rede en volgens het voorgaande ook niet onafscheidelijk van Rede.
Bij het gebruiken der woorden ‘Persoon’, ‘Ikheid’, ‘Zelf’ (zie
57
vlg.) volg
ik zoveel mogelijk het spraakgebruik, omdat ik meen dat men
het
spraakgebruik niet door willekeurige definities forceren mag (116),
maar het
zou wel goed zijn als men deze drie woorden leerde gebruiken, voor drie
onderscheiden begrippen, drie gradaties van het bijzondere, veelvoudige
en
betrekkelijke tot het algemene, éne en absolute.
104.
Dat
wat
waarneemt is niet hetzelfde als ruimte, want het neemt ruimte waar.
Het
is ook niet onafscheidelijk van ruimte, want het kan niet-ruimtelijk
waarnemen.
Ik zal kortheidshalve het spraakgebruik volgen dat ruimte en
tijd
noemt als
zelfstandige waarneembare dingen, terwijl het slechts wijzen van
waarneming
zijn. Zij hebben als zodanig toch een zekere graad van realiteit en
kunnen
evengoed besproken worden als ‘dingen’ als b.v. kleuren of geluiden.
Dat
waarneming zonder ruimte-waarneming bestaat, weet ieder. Lust en onlust
en de
meeste gemoedsaandoeningen zijn zulke waarnemingen. Er zijn ook
ziekelijke,
abnormale en absurde ruimte-waarnemingen, b.v. het bij vele mensen
bekende
gevoel, alsof de lichaamsdelen vooral de vingertoppen, zeer dik en toch
zeer
dun zijn, meestal tegen ‘t inslapen bespeurd. Dit alles verwijst naar
een
grotere bestendigheid van het waarnemende Ik, dan van de
ruimte-waarneming.
105.
Dat
wat
waarneemt, is niet hetzelfde als tijd. En het is,
hoogstwaarschijnlijk,
ook niet onafscheidelijk van de tijdswaarneming.
Dit laatste is minder duidelijk en niet met zo
algemeen-erkende
feiten toe
te lichten. Evenwel, al weet men het niet zoals de mystici het weten,
door het
weten dat zijn is, het allerzekerste weten, 1
zo
zal men het toch ook niet op logische gronden kunnen loochenen wanneer
men
werkelijk goed bekend is met de vele feiten van abnormale
tijdwaarneming of
waarneming zonder tijdwaarneming.
De abnormale tijdwaarnemingen zijn b.v. die waarbij dromen die een heel
leven
omvatten afspelen in weinige seconden, zoals dat bij zeer vermoeiden
gebeurt,
of wel waarbij zoals vaak in koortstoestanden, de dagen en
weken in een
ogenblik schijnen om te vliegen. Dan ook het zeer bekende verschijnsel
dat een
lange droom eindigt met een uitwendige zinsindruk die precies in de
droom past.
B.v. men droomt dat men op de jacht is, het geweer aanlegt, schiet, en
het
schot is b.v. het toeslaan van een deur waardoor men ontwaakt. Verder
weet men
dat in de ouderdom
de tijd sneller schijnt te gaan.
Dat het schijnbaar sneller gaan van de tijd een abnormale
tijdwaarneming is, is
niet zo gemakkelijk in te zien. Men denkt alleen aan een gebrekkige
waarneming,
die veel indrukken waardoor de tijd gemeten wordt, laat ontglippen. Dat
de zaak
dieper is, bewijst het tegenovergestelde, waarbij lange reeksen van
indrukken
of voorstellingen van indrukken zich samendringen in een tijdsverloop
dat door
alle andere mensen als zeer kort, een paar seconden, wordt waargenomen,
of
waarbij, zoals in de droom met het schot, iets wat in tijdsverloop volgt,
oorzaak
en uitleg is van de droom die voorafging. Hier is het alle begrip te
bovengaande, het mystieke, voor elkeen duidelijk, want dat een reeks
van daden,
ondervindingen, taferelen en gesprekken, in droom of voorstelling,
kunnen
waargenomen worden in het duizendste gedeelte van de, naar algemene
maatstaf,
daartoe benodigde tijd, of dat een feit causale invloed heeft op een
voorafgaand feit, is voor het menselijk verstand even onbegrijpelijk en
wonderbaarlijk
als het zijn op veel plaatsen tegelijk, of het oneindig grote en
kleine, of de asymptotische
nadering.
Waarneming zonder tijdswaarneming is, in zeker opzicht, de aandachtige
denker
geen vreemd begrip, hoewel moeilijk overtuigend te beschrijven. Ik
reken
hiertoe het gevoel van lust en onlust, dat verbonden wordt aan
herinneringen
die op zichzelf betrekkelijk onverschillige feiten betreffen, die
vooraf gingen
aan een zeer heuglijk of zeer droevig onvoorzien geval. B.v. een reis,
die werd
afgebroken door een treffend doodsbericht. Hoe aangenaam de reis ook
moge geweest
zijn, aan de herinnering van elke bijzonderheid gedurende die reis
ondervonden
hecht zich een gevoel van onlust, zo innig dat het schijnt of de reis
zelf smartelijk
geweest zou zijn ook al ware het doodsbericht niet gekomen. Nu zijn de
herinneringsvoorstellingen der reis waarnemingen met tijdswaarneming,
maar het
vreemde gevoel , van onlust, dat zich aan al die herinneringen
hecht is
óók een waarneming, en wel een zonder tijdwaarneming. Een dergelijk
lustgevoel
is vaak nog duidelijker. Wie het ondervonden heeft, zal mij verstaan.
Wie het
niet uit eigen ervaring kent, zal het willen verklaren door associatie.
Voor
wie het kent, is dit geen verklaring. Associatie werkt door causaal
verband,
maar niet terug van gevolg op oorzaak. Evenzeer is uitgesloten het
causaal
verband gemaakt door herhaald herinneren. De bedoelde lust- of
onlust-waarneming
hecht zich aan elk nieuw herinnerd detail.
Er is natuurlijk een verband maar niet in tijdsopvolging. Het is een
voorgevoel
in het herinneringsbeeld, even duidelijk mystiek voor de aandachtige
waarnemer,
als de echte voorgevoelens, of de droom met het geweerschot.
Tot abnormale tijdsgewaarwording hoort ook het bekende en vaak
beschreven 2 gevoel alsof al het waargenomene, op
een bepaald
moment, reeds vroeger was waargenomen. Mijzelf is deze gewaarwording
welbekend,
maar in latere jaren heeft het zich aldus gecompliceerd, dat
het mij op
een bepaald moment toeschijnt alsof ik vroeger in volmaakt gelijke
omstandigheden de bekende abnormale tijdssensatie gehad had. Na een
ogenblik is
de illusie verdwenen. Deze ‘verdubbeling’ der abnormale gewaarwording,
om het
zo te noemen, weerlegt mijns inziens alle gewone verklaringen. Ook die
dat het
een herinnering aan een vroeger leven zou zijn. Maar wel is het een
teken van
het buiten de tijd bestaan der Ikheid.
In de geschriften van dichters en mystieken vindt men aanduidingen van
soortgelijke gewaarwordingen, maar van een veel hoger orde (Plato in Phaedrus,
Porphyrius in Het leven van Plotinus, e.a.).
Ten behoeve van mijn betoog kon ik met het genoemde volstaan. Dat het
waarnemend Ik iets anders is dan de tijdwaarneming, daaraan
waarschijnlijk niet
onafscheidelijk verbonden en van grotere onveranderlijkheid, zal na het
gezegde
wel geen weerspraak vinden.
Maar ik mag niet nalaten op de veel sterkere argumenten te wijzen die
de
nieuwere psychologie te dezer zake heeft bijgebracht.
De onbetwistbare getuigenissen van gerealiseerde voorgevoelens en
voorspellende
dromen of hallucinaties zijn reeds overvloedig en vermeerderen bij de
dag. In
de geschiedenis zijn ze lang bekend en erkend, en de grote meerderheid
der
mensen heeft ze nimmer geloochend. Ze worden nog alleen bestreden op
theoretisch-filosofische
gronden, a priori. Er is geen gebrek aan goed-geconstateerde feiten.
Hun aantal
overtreft reeds lang elke redelijke eis. Veel lang als waarschijnlijk
aangenomen voorstellingen van geologie, paleontologie, etnografie en
biologie
rusten op onzekerder gegevens.
Maar juist om het a-prioristische der bestrijding heb ik willen tonen
dat grondige
overweging deze feiten a priori aannemelijk moet maken en doen
verwachten.
Hetzelfde geldt, ten opzichte der ruimte-waarneming, voor de
verschijnselen van
zogenaamde helderziendheid of telepathie. Het is opmerkelijk en een
teken van
de hogere (meer absolute) aard van tijd dan van ruimte dat het ons veel
meer
moeite kost het Ik van tijd los te maken dan van ruimte. Dat de
ruimteloze
waarnemingen niet de
indruk van mysterie geven, maar een abnormale tijdwaarneming
onmiddellijk. Toch
worden zover ik weet ruimte en tijd bijna algemeen te samen genoemd als
dingen
van gelijke aard.
106.
Al
kan
dus het Ik, omschreven zijnde als: dat wat waarneemt, niet gezegd
worden
zonder waarneming te zijn, toch is het iets anders als de waarneming en
onderscheidt zich daarvan door meerdere onveranderlijkheid.
Ter wille van de logica houd ik mij hier aan de in 103 gegeven
omschrijving.
Hiermee is niet gezegd dat men altijd met het Ik, of het Zelf iets zou
moeten
bedoelen dat niet zonder waarneming kan bestaan.
Ook moet men het Ik hier niet opvatten als de persoon,, de persoonlijke
identiteit. Deze laatste is, zoals de nieuwere psychologie leert,
dikwijls veranderlijk,
onstabiel.
Er zijn personen die twee of meer persoonlijkheden schijnen te hebben,
al voelt
zich meestal één ikheid identiek met de andere.
Maar ook in deze abnormale toestanden blijft de stelling gelden dat
‘dat wat
waarneemt’ zich ten opzichte van het waargenomene onderscheidt door
onveranderlijkheid.
107.
Uit
68
en 106 volgt dat het Ik, dat wat waarneemt, van alle ons bekende
dingen
het meest absolute is.
Wij kennen niet anders dan het Ik, en de waarnemingen.
En er is geen waarneming die niet in absoluutheid beneden het
waarnemende
blijft. Men kan dit ook zo zeggen: van alle dingen is ons Zelf het
naast bij
God.
108.
Alle
mensen
erkennen of impliceren in hun doen de zekerheid van het bestaan
van
een Ik. Dit bestaan is dus van alles het zekerste (53). Deze zekerheid
is
echter verkregen zonder waarneming en zonder Rede.
Dit kan wel geen weerspraak vinden. Niemand kan zich het Ik
voorstellen,
niemand kan zeggen dat hij het Ik waarneemt. Ook van vergelijken is
geen
sprake, dus evenmin van rede(65).
109.
De
kennis
die de hoogste zekerheid geeft, mag wel de hoogste kennis
genoemd
worden. De hoogste kennis is dus die waarbij noch van waarneming, noch
van rede
sprake kan zijn.
Deze kennis kan dus evengoed zijn als weten genaamd
worden.
Het
is
de ‘veritas sicuti se habet’ 3 van Thomas a Kempis, het
onbegrijpelijk begrijpen, de ‘Visio sine Comprehensione’ 4,
het Mysterium
Magnum van Boehme,5 het ‘kennen’ in tegenstelling van
‘wissen’ van
Von Helmholtz.
Het moet deze hoogste zekerheid zijn die Spinoza noemde ‘essentia
objectiva’ en
zocht in zijn adequate ideeën (51). Maar niet gestadig indachtig aan
het verschil
tussen beelding en zijn, of niet bedenkend dat de beelding reeds begint
bij
elke denking, elk begrip, elk woord, kende hij deze zekerheid ook toe
aan denkingen
en wiskunstige begrippen. Zulke denkingen en begrippen echter
sluiten
‘veelheid’ en ‘vergelijking’ in, en daarmee houdt de absolute zekerheid
op, en
kan men alleen van een limiet spreken (53), want er is versterking of
verzwakking der zekerheid mogelijk, door meerder of minder
algemeengeldigheid,
om de in 53 en 101 genoemde redenen. Voor eenvoudige begrippen mag dit
bijna
ondenkbaar zijn, maar ik wijs er op dat er een wiskunstig systeem
gemaakt is
uitgaande van de stelling dat twee evenwijdige lijnen elkander in ‘t
oneindig
verlengde kunnen snijden. En ook dat de vraag of ruimte eindig is niet
rondweg
door alle astronomen wordt
ontkend 6, hetgeen daarop zou neerkomen dat er wellicht
geen rechte
lijn bestaat, maar alle lijnen delen zijn van een cirkelomtrek met zeer
grote
straal. Het tegenbewijs is niet te leveren. En wanneer er maar één
individu leefde
met de overtuiging dat er wél een rechte lijn bestond, die zichzelf,
oneindig
verlengd, nooit ontmoette, — te midden van een wereld vol
mensen die
daarvan niets begrepen, — dan zou hij in deze overtuiging niet
dezelfde
zekerheid kunnen voelen als wij thans, en Spinoza’s adequatie zou hem
vermoedelijk
niet kunnen beletten te gaan denken dat hij aan waanideeën leed.
Maar al kan men de echtheid van alle waarneming, en de juistheid van
alle
begrippen betwijfelen, niemand kan twijfelen aan ‘t bestaan van iets
wat
waarneemt.
Men vindt het onderscheid tussen dit weten, deze hoogste absolute
kennis, die is, en de altijd min of meer betrekkelijke kennis
die denkt, zich
voorstelt en
beeldt, bij alle mystieken en bij de meeste wijsgeren aangegeven. Jean de la Croix spreekt van ‘le dénuement de
toutes images, même les plus sublimes’. ‘Wer mysterium magnum findet,’ zegt
Jacob
Boehme, ‘der findet alles darinnen; es darf keinen Buchstaben-beweis.’ Madame de la Mothe-Guyon zegt: ‘le propre de la foi est de
dérober à l’âme toutes espèces, images,
distinctions, multiplicité.7
110.
Deze
hoogste
kennis kan niet gezegd worden iets anders te zijn dan het Ik,
dat
wat waarneemt. Het is dus één.
111.
Het
Ik
kan niet gezegd worden iets anders te zijn dan absoluut. Want wij
kunnen
er noch veelheid noch veranderlijkheid aan toekennen.
Het Ik is namelijk meer absoluut dan alle waarneming (107).
Het
constateren
van veelheid en verandering zou moeten berusten op een waarneming. Dan
was het
niet meer: dat wat waarneemt, maar dat wat waargenomen wordt. En het Ik
trekt
zich dan, beeldend gesproken, weer achter het waargenomene,
minder
absolute, terug.
Men merke op dat de negatieve formulering hier noodzakelijk is, en men
late
zich niet verleiden tot positieve schijnconclusies die onmiddellijk in
absurditeit uitlopen. B.v. deze, dat het Ik dus absoluut is, dat
er
veel
ikheden
zijn en dat het Absolute dus veelheid heeft. Men blijve streng
indachtig
aan het gezegde over woordwaarde. ‘Veel ikheden’ betekende: veel dingen
die
kennen dat wat waarneemt. Men kan het Absolute noch bepalen, noch
beelden, noch
denken. Maar alleen deze logische gevolgtrekking blijft uit al het
voorgaande
dat men aan ‘dat wat waarneemt’ noch veelheid, noch veranderlijkheid
kan toekennen,
dat men het dus niet anders kan noemen dan absoluut. Het
betoog blijft
rigoureus, al voelt men bij het nagaan wat de termen betekenen, dat men
gewerkt
heeft met oneindige, dus ondenkbare grootheden.
112.
Uit
108
en 111 volgen deze dilemma’s:
1. óf er is niets, óf er is iets wat niet anders kan genoemd worden dan
absoluut;
2. óf wij hebben in ‘t geheel geen kennis, óf wij zijn en
kennen dat wat niet anders genoemd kan worden dan
absoluut.
a.
Wanneer
namelijk
dat, waarvan het bestaan het allerzekerste is niet bestaat,
dan
bestaat het minder zekere natuurlijk niet.
b. Als onze allerzekerste kennis geen kennis is, dan is de minder
zekere het
natuurlijk ook niet.
Het is hier nodig met enige ophelderingen te hulp te komen. Wie zeggen
het meest
op de rede te bouwen, voelen dikwijls het meest geneigd haar te
wantrouwen,
waar verbeelding en gevoel ontbreken.
d. Het noemen in woorden van dingen als deze geeft dikwijls het gevoel
of men
etiketten plakt op de golven van een zee. Toch moet men het er mee
doen, als het
er op aan komt uit dwalingen vrij te komen. En men kan het er mee doen
als men
blijft bedenken wat men doet, en zich bepaalt tot ontkenningen, waar
bevestigingen niet geoorloofd zijn.
e. Deze negatieve uitdrukkingen van het redelijk denken, en van het
betrekkelijk weten houden dus alleen de weg vrij, sluiten de dwaalwegen
af, — het weten van
hoger orde, de levende realiteit
zelf, moet de weg gaan.
f. Spreken van meer of minder absoluut zou men absurd kunnen noemen.
Toch is de
term geoorloofd en nodig. Men bedoelt een meerdere of mindere graad van
die
eigenschappen die wij in volkomen mate aan het absolute moeten
toekennen, en
die in zichzelf ook weer negaties zijn, niet-veel, niet-veranderlijk.
g. Op analoge wijze spreekt men in de wiskunde van grotere en kleinere
oneindige grootheden 2/0 > 1/0. Voor ons verstand
een
absurditeit.
h. Nu bedenke men weer de oneindige gradatie aller dingen. Men kan niet
zeggen
waar ons Ik begint, waar het gevoelen waarneemt, en waar het
een
gevoelen is. Als men tracht waar te nemen hoe men
waarneemt,
trekt het waarnemende zelf zich steeds dieper en dieper terug. Men weet
altijd
dat het is, maar het laat zich nooit weerspiegelen. Het
verliest zich in
een oneindig verschiet. Wat ik hier van het Ik zeg, zegt Spinoza
ongeveer van
de ‘essentia objectiva’, een woord ongeschikt tot betoog. Hoe diep men
inkeert
in reflectie, men weet het waarnemende, het zelf, er altijd nog dieper
achter.
En is het voor onze rede geheel als een repetent-getal, of de
verhouding van straal
tot cirkelomtrek, oneindig en onbereikbaar. Want het kan niet zijn waar
veelheid
is, noch waar verandering is, en ons reflectief denken kan niet zijn
waar die
twee ontbreken, want daar is geen beelding en geen vergelijking.
i. Men zal bijvoorbeeld zeggen als alle mensen — en
ook
wel alle
dieren en levende wezens, die waarnemen — datgene zijn en
kennen wat niet anders dan één en onveranderlijk kan
genoemd worden,
dan
zijn en
kennen zij allen één en hetzelfde.
k. Zeker, dit is onvermijdelijk en onbetwistbaar. Er is éénzelfde iets
dat
allen zijn en kennen — maar in oneindige gradatie van verschil
— en
dat wij het Zelf noemen.
l. Wie dit wil loochenen omdat niemand het denken of begrijpen kan, zou
ook het
bestaan van een parabool of, een rechte lijn moeten loochenen omdat
niemand kan
denken of begrijpen dat twee zulke lijnen elkaar steeds zouden naderen
en toch
in ‘t oneindige elkaar niet bereiken.8
113. Door het
voorgaande is
nu het in
92 gezegde voldoende toegelicht. Wanneer het Ik niet onafscheidelijk is
van
rede en onveranderlijker dan alle waarneming, kan de rede ook niet
beslissen
over de onmogelijkheid van onbekende of ondenkbare gewaarwordingen of
toestanden van het Ik.
Want dit zou betekenen: dat de minst stellige kennis mag
oordelen
over de meest stellige.
Wie deze stelling erkent, erkent daarmee dat het mysterie bestaat, dat
de mens
evengoed mysticus behoort te zijn als logicus of mathematicus.
Wie haar verwerpt, verwerpt daarmee de gehele hogere wiskunde, die
gebaseerd is
op het mysterie. Niet op het toevallig onbekende maar op het essentieel
onkenbare.
En men verwarre de mystieke termen der mathesis niet met de zogenaamde
onbestaanbare grootheden, lege symbolen zonder zin, alleen dienstig in
het
verband, evenals absurde woord-expressies. De oneindige grootheden moeten
bestaan
in de realiteit, en worden als zodanig gebruikt. De onbestaanbare
kunnen niet
bestaan.
NOTEN
1. ‘(Intellectus) res non
tam
sub duratione
quam sub quadam specie aeternitatis percipit et numero infinito; vel
potius, ad
res percipiendas nec ad numerum nec ad durationem attendit. a (Spinoza,
Tract. de Int. Em.)
Von Helmholtz heeft getracht dit weten te onderscheiden als ‘kennen’
tegenover
het gewone ‘wissen’, maar ik vrees dat men deze terminologie
niet zal willen
aanvaarden of kunnen volhouden.
A.
(Het verstand) neemt de dingen niet zozeer waar onder het aspect van de
duur
als wel onder dat van een soort eeuwigheid en een oneindig getal; of
liever,
bij het waarnemen van de dingen houdt het noch rekening met het getal
noch met
de duur. (Par. 108)
2. O.a. door de romanschrijvers Dickens in David Copperfield en
Couperus
in Extase.
3.
de waarheid zoals ze waarlijk is.
4. Visie zonder
Begrip.
5. ‚Der Geist ging hindurch als ein Blitz, und sahe in Grund der
Ewigkeit.’ (Boehme)
6. Prof. R. Ball in de Fortnightly Review, ik meen van
1894.
7. ‘Non est, inquit Antonius,
perfecta oratio in qua se
monachus, vel
hoc ipsum quod orat, intelligit.’ A (Cassian, Collat. 9, cap. 13)
A.
Niet is, zo sprak Antonius, het gebed volmaakt waarin de monnik
zichzelf of
datgene wat hij bidt, begrijpt.
De schrijver van deze Collationes,
Johannes
Cassianus (360—ca. 435), was de stichter van het klooster van Sint
Victor bij
Marseille.
8. Van Eeden zal hier wel hyperbool i.p.v. parabool bedoeld hebben.
VI. Tijdloosheid en
Onsterfelijkheid
114.
Wat
in
de vorige hoofdstukken enigszins omslachtig moest betoogd worden,
zijn
eigenlijk primitieve en eenvoudige dingen die een tot rijpheid gekomen
mens uit
zich zelf, zonder redenering en ook zonder het onder woorden te
brengen,
begrijpt of voelt. Het betoog heeft niet moeten dienen om gevoelens
teweeg te
brengen, maar om ze uit de verwarring van dwaalredenen te bevrijden.
Indien het
gezegde ongewoon of nieuw klinkt, is het door het warnet van lege
redenaties
waarin velen onzer tijdgenoten, misleid door slechtverstane
natuurwetenschap,
gevangen zijn geraakt. De hoofddwalingen waartoe de natuurgeleerde, bij
de
ontzaglijke toeneming van de omvang van zijn arbeid, het geredelijkst
komt,
zijn:
1. het toekennen van groter zekerheid, reëler wezen, aan de
verschijnselen dan
aan datgene wat de verschijnselen waarneemt;
2. het zoeken van absoluutheid en eenheid in de voorstelling van het
Zijn, in
plaats van in het Zijn zelf, alsof het ooit mogelijk ware het bestaande
te
omvatten door een concept van het bestaande.
115.
Voor
wie
mijn betoog aandachtig heeft gevolgd, zal het duidelijk zijn, dat
ik
op dezelfde wijze voortgaand, onmogelijk een systeem kan bouwen dat
enigszins
meer ingewikkelde zaken omvat. Even voorzichtig, nauwkeurig en
logisch-gebonden
te spreken over dingen als: ziel, geest, verstand, geluk,
deugd, zedelijkheid, schoonheid, goed, kwaad, liefde, hart en
dergelijke, is
onmogelijk. Principieel onmogelijk, omdat de termen geen bepaalde
waarde hebben
en dus geen stellige behandeling gedogen.
116.
Men
kan
de begripsbepaling nog wel een eindweegs voortzetten, maar vervalt
dan
spoedig in duizelingwekkende complicatie. En men bereikt daarmee zeer
weinig.
Want dit is te vaak uit ‘t oog verloren, dat als termen geen
bepaalde
waarde hebben, men ze die ook niet geven kan. Men
hangt hierin
geheel af van de menigte die de taal maakt. Wanneer men aan een term
een
bepaalde waarde opdringt, en de menigte accepteert die niet, bereikt
men niets
en maakt de verwarring groter. Terwijl de andere fout, waartoe alle
wijsgerige
systeembouwers vervallen zijn, deze is, dat men voor zich zelf de
waarde van
elke term bepaalt, en vergt dat de wereld die zal accepteren. Dit leidt
tot het
vormen van een wijsgerentaal, een jargon dat door de wereld reeds lang
als
onduldbaar is verworpen (Hegel en volgelingen).
Men wil namelijk de methode waarop de uitwendige zinnelijke
waarnemingen werden
gerangschikt ook toepassen op het inwendige, niet zinnelijke, — en
vergeet
daarbij meestal dat men zich hier niet in een onbekend gebied beweegt,
waar men
naar willekeur kan classificeren en namen geven, zoals een reiziger in
een ondoorzochte
streek, zoals een botanicus met nieuwe planten of een chemicus met
nieuwe
stoffen. Het geldt hier het heiligste bezit van iedereen, en geen
terminologie
heeft waarde, dan die geboren is uit het sterkste en zuiverste
gevoel,
gerechtigd door consent van allen en bevestigd door duurzaam gebruik.
Het woord
is hier, in volle zin, aan de dichter, de beelder, — en de geleerde, de
ordenaar en rangschikker, is geheel aan hem ondergeschikt, op dezelfde
wijze
als hij bij de zinnelijke waarneming ondergeschikt is aan de feiten.
Want de
dichterlijke beeldingen, dat zijn zijn enige gegevens, dat zijn de
feiten,
waaraan hij zich te houden heeft. Aangezien het innerlijk leven
op geen
andere wijze tot waarneembare uiting komen kan dan door dichterlijke
beelding.
Reeds vroeger (in de studies, 2e reeks) heb ik staaltjes
gegeven van
de
slordige, willekeurige, en roekeloze wijze waarop natuurgeleerden van
de eerste rang, in Engeland, Duitsland en Nederland,
zich
noemend
psychologen of soms wel wijsgeren, omspringen met termen en
begrippen,
die het innerlijke leven raken. Met woorden als: ziel, geest,
bewustzijn, verstand, rede, lust, wil, wordt geleefd
alsof het cijfers en driehoeken waren. Men moest het eens zó met
microscopische
preparaten durven doen! En toch zijn ze veel ijler, vager en moeilijker
te
behandelen dan de fijnste preparaten. Wie zich niet met een
oppervlakkig
schijntje tevreden stelt, ziet grenzenloze verwarring in bijna alle
psychologische
geschriften, gevolg van de onattente behandeling van onbestemde termen.
117.
Die
wijsheid,
die niet is het begrijpen van in voorstelling gebrachte
zintuiglijk
waarneembare dingen, maar het juiste gevoelen, en die altijd, als
wijsbegeerte
of als religie, de hoogste wijsheid is genoemd, kan dus niet bereikt
worden
door een steeds voortgezette bouw van logisch verbonden termen. Zij
moet zich
bij ieder in zichzelf vormen door de uitkomst van al het ondervondene
en waargenomene,
— maar ze kan wel steeds bevorderd worden door uiterlijke middelen,
door
dichterlijke of artistieke beelding.
118.
Ook
kan
een logische beschouwing der meest oorspronkelijke begrippen en
meest
algemene termen ons behoeden voor de verwarring door schijn-logica.
Onmiddellijk steunende op het in hoofdstuk V betoogde kan men, zonder
het
logisch verband te verlaten, door enkele negatie, sommige voorbarige
positieve
conclusies der zogenaamd rationalistische of positivistische
schijnlogica te
niet doen.
119.
Het
Zelf,
genoemd: dat wat waarneemt, kan ook genoemd worden: dat wat
voelt.
Want alle waarneming komt neer op gevoelen.
a. Hier is een belangrijk onderscheid. Waarnemen betekent,
naar de
meest
algemene opvatting, een koud, onbewogen (stil) gevoelen, waarbij geen
andere
actie plaatsgrijpt dan vergelijken. Waarbij dus het waarnenende of
gevoelende
zelf bijna onveranderlijk blijft. Gevoelen daarentegen sluit altijd in
een verandering
van het gevoelende, een staat, een toestand van dat wat voelt.
b. Het is nu zo nodig te bedenken da alle waarneming, ook de waarneming
van een
waarneming, ten slotte toch neerkomt op gevoelen, op een
gevoelstoestand van
dat wat waarneemt.
c. Hier schuilt namelijk een zeer gevaarlijke valstrik, waarin al
menigeen is
verward geraakt. Bij het woord ‘waarneming’ denkt men aan iets zeer
absoluuts,
bij het woord ‘gevoel’ aan iets zeer betrekkelijks. En door de
besproken
neiging naar het absolute heeft ‘waarnemen’ de schijn van een hoger
functie
gekregen dan ‘gevoelen’.
d. De illusie van een onveranderlijk, gevoelloos, absoluut waarnemen,
heeft een
soortgelijke strijd teweeggebracht als die in hoofdstuk IV besproken
is. De
rationalisten, bedrogen door de absolute schijn der waarneming,
vertrouwden
alleen op haar en minachtten het gevoel. (Ook wel geloof genoemd, een
term
geheel
en
al onzuiver en vaag geworden door de bijbetekenis van
‘aannemen
op gezag van anderen’). De mystiek-gezinden daarentegen, voelende de
totale
leegte en waardeloosheid van een begrip ‘absolute, gevoelloze
waarneming’,
verhieven het gevoel ten koste der waarneming.
e. De strijd had dezelfde oorzaken als die in 83-87 genoemd zijn, nl.
de
neiging tot het absolute, en het zoeken van dat absolute is een
schijnbeeld.
f. Er kan namelijk geen waarneming zijn zonder vergelijken en geen
vergelijken
zonder eenheid van maat. Dit geldt voor de mathesis, het schijnbeeld,
de ledige
modus van het bestaande, en het geldt voor het bestaande zelf, de
realiteit der
gevoelens.
g. Er is dus geen waarneming zonder vergelijking van
gevoelens, met
een
onderstelde eenheid van maat, die ook moet zijn iets als
een
gevoelen.
h. Ook onder de artiesten heeft het waandenkbeeld ener
gevoelloze
waarneming, als de hoogste functie, geheerst.
120.
Dat
wat
voelt kan niet gezegd worden hetzelfde te zijn als het gevoelde,
maar
het kan ook niet gezegd worden iets anders te zijn dan gevoel.
Dit nu is niet hetzelfde als 106. En wel omdat waarneming
insluit
iets anders
dat waargenomen wordt, maar gevoel niet, ten minste volgens het
spraakgebruik
niet zo stellig. Gevoel heeft de betekenis van ‘toestand’. ‘Ik gevoel
mij wel = ik ben wel.
De mens die uitroept:
‘Immers is mijne ziel stil tot God, van Hem is mijn Heil’, ‘Immers is
Hij mijn
Rotssteen en mijn Heil, mijn Hoog vertrek, ik zal niet grotelijks
wankelen’,
het Zelf van die mens kan gezegd worden een gevoel te zijn. Maar
toch,
dat
gevoel
is niet hetzelfde als zijn Zijn, want dat Zelf kan zich ook
van dat
gevoel los maken en nog dieper inkeren, zodat er van uitroepen geen
sprake is.
Toch blijft het een gevoel, maar nog veel hoger en stiller, en zo tot
in ‘t oneindige.
Zover, dat het woord waarnemen alle zin verliest, maar gevoel nog niet
121.
Het
Zelf,
het Ik, omschreven als dat wat voelt, is niet hetzelfde als de
persoon, het Ik, omschreven
als de gezamenlijke menigte van al onze gevoelens. Het eerste
kan niet
gezegd worden anders te zijn als één, onveranderlijk, absoluut, het
andere,
door onnadenkend spraakgebruik er vaak mee verward, is
véél, veranderlijk, betrekkelijk en maakt uit onze persoonlijkheid. Wij
zijn en kennen beiden, maar het
eerste met groter stelligheid van wezen en kennis, want al het andere
kennen
wij en zijn wij door het eerste.
In het in 1895 zoveel opgang makende boek van Arthur Balfour, The
Foundations
of
Belief, werd vooral op dit onderscheid de aandacht gevestigd.
Het eerste werd genoemd het ideaal-Ego, het tweede het psychologisch
Ego, The
relations between them are obscure’.
Hun samenhang is echter niet zozeer duister, als wel onmogelijk in
woorden en
in voorstelling te brengen. Ieder weet hem door onmiddellijke kennis.
Zeggen
kan men alleen dat de samenhang volkomen is, want er zijn nooit
gevoelens
zonder ‘dat wat voelt’. Ook dit dat men voor alle persoonlijke
gevoelens een
grens, een beperking kent, maar niet voor dat wat voelt. Men zou kunnen
zeggen,
met een gebrekkig beeld, dat het Ik de oneindige en onveranderlijke
essens
uitmaakt van de persoonlijkheid. Maar ik zie niet het belang van zulke
pogingen
tot omschrijving, die misleiden omdat ze schijnen te bepalen wat
onbepaalbaar
is. Het zou goed zijn met het Zelf altijd het ideaal Ego te
bedoelen, het psychologisch Ego kan men de persoonlijkheid of anders
noemen, al
naar dit uitkomt met het zuiverste gebruik, of met de wijze waarop men
ons het
best zal verstaan.
Het komt er niet op aan wat deze of gene meent te bedoelen wanneer hij
‘Ik’
zegt. Het komt er op aan wat niemand loochenen kan inderdaad te moeten
bedoelen. En dat is: ‘dat wat voelt’.
122.
De
uitdrukking
‘sterfelijk’ betekent dat iets er op een bepaald tijdstip
zijn
kan, en op een volgend tijdstip niet meer. Deze uitdrukking kan dus
nooit
worden toegepast op dat wat absoluter is dan de tijd zelf en niet
onafscheidelijk van tijd.
123.
Het
Ik,
dat wat voelt, sterfelijk te noemen heeft dus geen zin (105).
Maar men bedenke dat het evenmin zin heeft het onsterfelijk te
noemen,
strikt logisch gesproken. Dat zou zijn alsof men, bewezen hebbende dat
ruimte
geen kleur kon hebben, concludeerde dat zij dus wit of zwart was. Of
vreugde
rond, omdat ze niet hoekig kon zijn. Men kan de begrippen ‘Ik’ en
‘sterven’
niet samenbrengen. Beeldend en poëtisch kan men daarom zeer goed van
eeuwig en
onsterfelijk spreken. Als men maar bedenken blijft — wat
weinig
geschiedt — dat eeuwig niet betekent ‘oneindig lang’, maar
in
‘t
geheel
niet lang, en in ‘t geheel niet kort, maar zonder duur, zonder
tijd.
Wat menigten van redeloze en nutteloze woorden over ‘de
onsterfelijkheid’ waren
ongeschreven gebleven, als men dit inzicht indachtig had weten te
blijven.
124.
Men
heeft
in de natuurwetenschap geconcludeerd dat er iets is in alle
verschijnselen, hetwelk men ‘kracht’ noemde, dat wel in vorm maar niet
in wezen
veranderde en zover onze ervaring strekt niet veranderlijk of
vergankelijk was.
Daar het Ik nog constanter is dan al het waargenomene (107), kan het Ik
nog
minder veranderlijk of vergankelijk zijn.
Het zich losmaken van de tijdsidee is het gewichtigste en moeilijkste
werk
der
gedachten.
Het is de sleutel van alle hogere wijsheid. Zoals
Emerson
zegt, uit de manier waarop iemand hierover spreekt, kan men altijd
opmaken of
hij een waarlijk verhelderde, een echte wijze is, of iemand die napraat
over
dingen waarvan hij niet weet.
Vele lieden die gretig de onvergankelijkheid van het Zelf aannemen,
bazelen
over een toekomst, een toekomstig leven, een leven na de dood, en zulke
dingen
meer, daarmee tonende niet te weten waar ze ‘t over hebben.
Jezus zei: ‘Eer Abraham was, ben ik’, niet ‘was ik’ maar ‘ben
ik’.
Positieve verklaringen over een ‘toekomst’ der ziel worden hem
niet
toegeschreven.
Paulus was veel onzekerder, en verloor veel eerder uit het oog wat hij
meende.
Niet ten onrechte heeft men hem verweten Jezus’ leer door te veel
positieve explicaties
ontheiligd te hebben. Plato
geeft zijn inzicht scherp in de Timaeus. 1 Schleiermacher
zegt: ‘so haben sie auch
gedichtet die
Unsterblichkeit,
die sie allgenügsam erst nach der Zeit suchen, statt inner und über der
Zeit,
und ihre Fabeln sind weiser als sie selbst’, ‘Es schwebt schon jetzt
der Geist
über der zeitlichen Welt’, ‘weine, wenn du dahin treibst im Strome der
Zeit
ohne den Himmel in dir zu tragen’. De
Oud-Indische wijsheid is vervuld met dit
besef der tijdeloosheid van het Zelf. En men denke aan het ‘daar is uur
noch
tijd’ door hoevelen niet nagepraat, door hoe weinigen gevoeld.
125.
Evenmin
kan
gezegd worden dat het Ik zich hier of daar bevindt, of zich ergens
heen begeven zal. Dit schijnt gemakkelijker te bedenken en te
onthouden.
Maar het schijnt maar zo. Eer men ‘t weet, plaatst men het ergens.
Ieder denkt
het in ons. Maar het is niet in ons. En het is
evenmin buiten
ons. Het kan evengoed nergens-tegenwoordig als alom-tegenwoordig heten.
126.
Wij
zijn
en kennen dus, met volstrekte zekerheid, wat noch sterfelijk, noch
veranderlijk, en evengoed alom-tegenwoordig als nergens-tegenwoordig
127.
Maar
wij
zijn en kennen evenzeer, in gradatie van steeds geringer zekerheid,
veel andere dingen,
die te samen uitmaken de persoon.
Hiertoe moet alles behoren wat ziel, gemoed, verstand,
karakter,
geest,
lichaam enz. genoemd is.
128.
Deze
dingen
zijn alle min of meer veranderlijk, dus alle min of meer
vergankelijk. In alle echter is dat wat voelt onveranderlijk.
De vergankelijkheid van het lichaam is het meest bekend en
begrepen.
Van
lichaam tot Zelf is een onafgebroken gradatie van betrekkelijk tot
absoluut,
van veranderlijk tot onveranderlijk, van vergankelijk tot
onvergankelijk.
129. Wie
onder ‘ziel’ iets
anders
verstaat dan
het Zelf, kan met zeggen dat de ziel onvergankelijk is.
Alleen het Zelf kan absoluut genoemd worden. Maar het absolute
is
één en onveranderlijk.
Waar dus veelheid is en verandering, daar is opheffing dier veelheid en
eindiging der verandering mogelijk. Daar kan men dus de mogelijkheid
niet
uitsluiten van een einde. Wat wij ‘vergaan’ noemen, is nooit anders dan
het
einde van een toestand van het volstrekte Zijn. Maar dat
Zijn
in volstrekte staat alleen kan blijven, alle andere toestanden ervan
kunnen
eindigen.
130.
Hiermede
is
niet gezegd dat alles wat wij onder onze persoon verstaan ook
eindigt met de dood van het lichaam.
Zeker is dat alles wat onmiddellijk en geheel van ons lichaam
afhangt met de
dood er van moet eindigen. Alle zintuiglijke gewaarwordingen moeten
ophouden,
voor zover zij van de zintuigen afhangen.
131.
Men
kan
niet met zekerheid aangeven welke gewaarwordingen geheel en al
onafhankelijk
zijn van onze zintuigen.
Bijna alle gewaarwordingen verbinden zich met
gezichtsvoorstellingen
en
sensaties. In de meest kleurloze en lichaamloze gewaarwordingen van een
droom
is het geheel afwezig zijn van lichaamsgevoelens zelden volkomen zeker.
De
meest zuivere emoties (gemoedstoestanden) gaan toch bijna altijd
gepaard met
sensaties (lichaamsgewaarwordingen). Het mag voor de wijzen en
gevoeligen onder
ons door ervaring vaststaan dat er emotie zonder sensatie is, men kan
het geen
algemeen geldend feit noemen.
132.
Daaruit
volgt
dat wij van geen gewaarwordingen zeker kunnen zijn dat zij zich
na de dood nog zullen voordoen.
Dat is te zeggen, geen algemeen bekende gewaarwordingen. Wie
gewaarwording
gehad heeft van het tijdloos Zijn, weet, met volkomen
zekerheid, zoals
sommige verhelderden het wisten, dat die niets met dood of vergaan
uitstaande
hebben en altijd gelijkelijk zijn.
133.
Maar
met
zekerheid kan men zeggen dat er en gewaarwordingen geheel en al van
de
zintuigen afhangen.
Immers de zuiverst zinnelijke gewaarwording is niet een
enkelvoudig
ding,
maar een resultaat, een effect van de werking en weer-werking van twee
dingen,
het niet-ik en het ik. Dat een zinsindruk zó is als zij is, en niet
anders,
hangt niet alleen van het zintuig af, maar ook van het Zelf dat de
indruk van
het zintuig ontvangt. Wat een melodie is, wordt niet alleen door het
oor
bepaald, maar ook door het Zelf
134.
Daaruit
volgt
dat van geen enkele sensatie alle componenten, of voorwaarden van
bestaan, eindigen met de ondergang van het lichaam.
Om dit in te zien, bedenke men dat alle zintuiglijke
gewaarwordingen
kunnen
bestaan zonder dat het betrokken zintuig werkt. Beethoven hoorde zijn
muziek
ondanks zijn doofheid. In droom en in hypnose, ook door suggestie in
wakende
toestand kan men alle denkbare sensaties voelen zonder dat de zintuigen
werken.
Er zijn dan nieuwe voorwaarden van bestaan voor de gevoelde sensaties
gevonden.
Ongetwijfeld zijn ook deze alle min of meer afhankelijk van de
lichaamsstructuur, maar wederom geen enkele geheel afhankelijk.
135.
Daar
wij
nu weten dat sommige componenten der sensatie zeker blijven bestaan
na
vernietiging der lichaamsstructuur, terwijl de overige reeds gevonden
kunnen
worden bij gehele vernietiging of buitenwerkingstelling van het
betrokken
zintuig, zo is er geen zekerheid dat alle ons bekende gewaarwordingen
na de
vernietiging der lichaamsstructuur onmogelijk zouden worden. Er is
waarschijnlijkheid dat zij mogelijk blijven.
Dat nieuwe en onbekende waarnemingen van het Zelf niet
uitgesloten
kunnen
worden is reeds betoogd (91, 92 en 113). Dat geeft echter geen waarborg
dat
onze persoonlijkheid na de dood zou kunnen blijven. Maar wanneer de ons
bekende
gewaarwordingen evenmin uit te sluiten zijn, is de mogelijkheid gegeven
dat
onze individualiteit ook na vernietiging der lichaamsstructuur kon
behouden
blijven.
Ook betekent dit, dat er na de vernietiging van het lichaam iets kan
overblijven wat in tijd blijft voortbestaan. Dit zou dan de
bedoelde ‘onsterfelijkheid’
zijn, die echter nooit ‘onvergankelijkheid’ kan heten.
Deductief kan men alleen tot de bovenstaande weinig stellige conclusie
komen.
De zekerheid van een tenietgaan der persoonlijkheid is er niet, de
waarschijnlijkheid spreekt voor een blijven. De positieve ontkenning er
van
door sommige psychologen mist alle grond. Omtrent de samenhang van
hallucinaties met de lichaamsstructuur is zo goed als niets bekend. Het
voorkomen van verschijningen van stervenden of gestorvenen is door
honderden
voorbeelden gestaafd, en van een logische of wetenschappelijke
weerlegging is
eenvoudig geen sprake, wat men ook moge beweren. Er zijn nooit anders
dan grote
woorden tegen aangevoerd, bij totaal gebrek aan argumenten.
136.
Uit
126
en 127 volgt nu dat ieder persoon deel heeft aan het
onvergankelijke en
absolute (goddelijk), maar niet dat iedere er in gelijke mate deel aan
heeft. Ieder
individu is en kent het goddelijke in verschillende
mate. Naar
die mate is hij dus ook onsterk, onvergankelijk, onveranderlijk.
Uitvoeriger logische bespreking is onmogelijk en voert
onmiddellijk
in het ongerijmde.
NOTEN
1. λέγομεν
γὰρ δὴ ὡς ἦν ἔστιν τε καὶ ἔσται͵ τῇ δὲ τὸ ἔστιν μόνον κατὰ τὸν ἀληθῆ λόγον
προσήκει͵ [38a] τὸ
δὲ ἦν τό τ΄ ἔσται
περὶ τὴν ἐν χρόνῳ γένεσιν ἰοῦσαν
πρέπει λέγεσθαι - κινήσεις γάρ ἐστον͵ τὸ δὲ ἀεὶ κατὰ ταὐτὰ ἔχον ἀκινήτως οὔτε πρεσβύτερον οὔτε νεώτερον προσήκει γίγνεσθαι διὰ χρόνου
οὐδὲ γενέσθαι ποτὲ οὐδὲ γεγονέναι νῦν οὐδ΄
εἰς αὖθις ἔσεσθαι͵ τὸ παράπαν τε οὐδὲν ὅσα γένεσις τοῖς ἐν αἰσθήσει
φερομένοις
προσῆψεν͵ ἀλλὰ χρόνου
ταῦτα αἰῶνα μιμουμένου καὶ κατ΄ ἀριθμὸν κυκλουμένου γέγονεν εἴδη (Tim.,
37-38). A
A. Want we zeggen ervan, dat ‘het is’ en dat ‘het zal zijn’, terwijl
met recht
alleen ‘het is’ eraan toekomt; daarentegen mag men de uitdrukkingen
‘was’ en
‘zal zijn’ alleen toepassen op het in de tijd verlopende worden, want
beide
zijn bewegingen. Het steeds onbeweeglijk zichzelf blijvende komt het
niet toe
ouder of jonger te worden door de tijd heen, noch het vroeger of het nu
geworden te zijn of het in de toekomst te worden; überhaupt heeft het
niets te
maken met alles wat de in beweging zijnde objecten van zintuiglijke
waarneming
door het worden toekomt; dat zijn veeleer vormen van de tijd, die de
eeuwigheid
nabootst en volgens het getal in een kringloop beweegt.
Hoogst
opmerkelijk
schijnt
het mij dat het Absolute, de Godheid, hier ‘beweegloos’
genoemd wordt tegenover de tijdsverschijnselen die gezegd worden
‘bewegingen’
te zijn, en ‘het Eeuwige na te bootsen’.
VII. Richting, Vrijheid
en Doel
138. 1 Aan de gradatie tussen
veranderlijk en
onveranderlijk
beantwoordt
er een tussen actief (bewegelijk) en inactief (onbewegelijk). Het meest
veranderlijke
is het meest actieve, het meest onveranderlijke het meest inactieve.
Deze gradatie is dezelfde als in 11. Alleen moet men oppassen
voor
de
onzekere betekenis van de woorden ‘reëel’ en ‘niet-reëel’. Ik noem daar
het
instabiele het meest reële, het stabiele het niet-reële. Met evenveel
recht kan
men het tegenovergestelde zeggen. Dat komt omdat ‘reëel’ een kenmerk is
dat wij
toekennen aan datgene wat ons het meest reëel schijnt. En wat
ons reëel
schijnt, hangt af van onze wijsheid. Naarmate wij het stabiele beter kennen
— beeldend gezegd ‘het goddelijke naderen’ — wordt de
schijnbare
realiteit van het instabiele, veranderlijke, betrekkelijke, geringer,
en kennen
wij realiteit (beeldend gezegd: wezens-inhoud) toe aan wat wij
abstract
en niet-reëel noemden.
De woorden ‘actie, daad, beweging’ en ‘verandering’ worden vaak
afwisselend
toegepast. De woorden zijn alle min of meer onbestemd en min of meer
beeldend.
Eenzelfde ding noemt men b.v. een gevoelsbeweging, een psychische
actie, een wilsdaad,
een ziels-verandering.
139.
‘Beweging’
is
een welomschreven begrip, maar onafscheidelijk van de begrippen:
‘tijd en ruimte’. Het is geen zelfstandige zaak, want het kan geen
waarneming
zijn. Wij nemen alleen dingen waar die zich bewegen, d.i. die
veranderen van
plaats, in tijd en in ruimte.
Zoals tijd en ruimte geen zelfstandige dingen zijn maar wijzen
van
waarneming
(Kant), zo is beweging slechts een wijze van zijn.
140.
‘Beweging’
toegepast
op ruimteloze dingen (gedachte, gevoel) is dus een
beeldende uitdrukking.
Van groot belang om hetgeen in 41 is gezegd.
141.
‘Verandering’
is
een zuiverder woord, meer abstract-symbolisch, minder beeldend
(17). Het is een ontleding van het begrip: beweging. Het is niet
onafscheidelijk
van het begrip: ruimte.
Wij kunnen van ‘verandering’ spreken zonder te denken aan
verplaatsing.
Evenwel gelukt dat ons nooit geheel, wij denken altijd aan een zekere
onderlinge verplaatsing van kleinste delen. Het woord ‘verandering’
toegepast
op ruimteloze dingen is dus nog altijd min of meer beeldend.
142.
Maar
het
begrip ‘verandering’ kan niet afgescheiden worden van het begrip
‘tijd’
Wij spreken niet van ‘verandering’ zonder te denken aan een
vergelijking op
verschillende tijdstippen. Evenwel is er als men scherp oplet een
verschil in
‘t gebruik van het woord verandering. Soms wordt het gebruikt zonder
dat de tijdsidee
insluipt.
Als
men
twee
verschillende tonen waarneemt, van gelijke hoogte maar met ander
timbre, dan zegt men dat men een verandering (verschil) constateert,
bedoelende
‘een andere toestand’, zonder daarmee te zeggen dat dezelfde toon is overgegaan in een
andere, en zonder
ook uit te drukken dat men de twee tonen op verschillende tijden heeft
vergeleken. Men kan ze gelijktijdig vergelijken. Het horen
van harmonieën is zonder twijfel een gelijktijdig vergelijken.
Afgescheiden van
de tijdsidee reduceert ‘verandering’ zich in ‘veelheid’. Men heeft dus ‘beweging’
verbonden aan tijd en ruimte, ‘verandering’ beweging
zonder
de ruimte-gedachte, ‘veelheid’ verandering zonder de
tijds-gedachte. Maar het
gebruik dezer
woorden is vlottend en onbestemd en herhaaldelijk beeldend. Dat
wil
zeggen,
men
gebruikt ze, verbonden aan de tijd- of ruimte-gedachte, om
er iets
mee uit te drukken wat vrij is van de tijd- en ruimte-gedachte.
Als men op deze wijze nagaat de grote onzekerheid, onbestemdheid en de
subtiele
wisselingen van zo eenvoudige en primitieve uitdrukkingen, dan wordt
het
duidelijk hoe ontoereikend en onzuiver systemen als het Kantiaanse
stelsel
moeten zijn. Kant maakt uitvoerige berekeningen en samenvoegingen van
nog veel
vager en samengestelder termen, zonder die steeds te toetsen aan de
enig
mogelijke maatstaf, het gebruik. Hun waarde en betekenis berust op de
omslachtig, maar niettemin stellig daarin uitgedrukte intentie.
143.
Evenals
‘beweging’,
worden ook de woorden ‘actie’, ‘daad’, ‘doen’, min of meer
beeldend gebruikt.
Zo spreekt men wel van de schepping der wereld als een daad.
Maar
een daad
die nooit zou begonnen zijn en nooit ophoudt. Dus tijdloos, als iets
waarvan
onze menselijke, in tijd of ruimte-en-tijd volbrachte daden een beeld
zijn.
144.
Evenzo
wordt oorzaak in verschillende betekenissen en ook beeldend
gebruikt.
Zo noemt men een bliksemstraal de oorzaak van een brand of een
slag
de
oorzaak van de dood. Hier is het als een zuiver tijdelijke oorzaak
bedoeld, een
opvolging van twee gebeurtenissen (oorzaak en gevolg) in tijd en
ruimte,
waarvan de ene ophoudt als de andere begint.
Maar als men wrijving de oorzaak noemt van warmte of vuur de oorzaak
van licht,
dan bedoelt men wel een opvolging in tijd, maar een permanente oorzaak
met
permanent gevolg, waarbij de oorzaak niet hoeft op te houden als het
gevolg
begint.
Noemt men eindelijk kracht de oorzaak van beweging, dan is er geen
sprake meer
van beginnen of ophouden, dan bedoelt men oorzaak in de zin van
bestaansgrond,
en dan verdwijnt gaandeweg de tijdsgedachte uit het begrip. Men kan dan
niet zo
stellig meer zeggen dat men bedoelt dat beweging het gevolg is
van
kracht, dat kracht er éérst is en daarna pas de beweging, dat kracht
overgaat
in beweging en zelf ophoudt. Als men zegt dat ‘deugd de oorzaak is van
geluk’
bedoelt men evenmin dat de deugd plaats maakt voor geluk en zelf
ophoudt,
terwijl het geluk begint. In dit laatste voorbeeld spreekt men dus van
‘oorzaak’ zonder aan de ruimte en zonder aan tijd te denken. Maar dit
laatste — de tijdsgedachte — kan men nooit
geheel
loslaten.
Men denkt: de
deugd moet er eerst zijn, en dan komt geluk. Toch is
ook dit een
beeldende uitdrukking, waarbij men het woordje ‘eerst’ gebruikt als een
aan de
tijd ontleend beeld voor iets wat men zonder tijd bedoelt. Men bedoelt
dat onmiddellijk
waar deugd is ook geluk zal zijn. Dit kan men niet anders uitdrukken
dan
beeldend door te spreken van ‘een gevolg, teweeggebracht door, of
voortgevloeid uit.’
Zo is steeds de uitdrukking ‘eerste oorzaak’ een aan de tijd ontleend
beeld
voor tijdloze dingen.
145.
Wat
van
beweging en oorzaak gezegd is, geldt ook voor het woord richting.
Het woord ‘richting’, niet-beeldend gebruikt, betekent iets wat
onafscheidelijk
is van beweging in tijd en ruimte. Het kenschetst de aard ener beweging
ten opzichte
van een bepaalde plaats. Maar het wordt ook gebruikt voor dingen die
geen
bewegingen zijn en die geen ruimte innemen. Men spreekt van ‘richting
van
ontwikkeling’, ‘levensrichting’ enz.
146.
Uit
140-145
volgt, in verband met 41, dat als men de ziel, of het leven
noemt
een beweging, met een oorzaak en een richting, dat men dan met ieder
woord een
noodzakelijke onjuistheid zegt. De verwaarlozing van dit inzicht is
de bron
van alle wijsgerige verwarring, waaruit men zich als men er eenmaal
ingeraakt
is, door scherpzinnigste redenering en uitvoerigste bespiegelingen niet
redden
kan. Geen metafysische beschouwing kan zich aan ‘t gebruik
dezer woorden
ontrekken, want het zijn de meest elementaire termen, en nooit wordt
gestadig,
consequent, onveranderlijk in acht gehouden dat het alle beeldingen
zijn, dat
zij dus afwijken van wat zij verbeelden moeten, en dat hun betrekkingen
en
verhoudingen niet noodzakelijk beantwoorden aan de betrekkingen en
verhoudingen
der originelen, waarvoor zij staan.
147.
Wij,
mensen,
zijn en kennen zowel dingen, die in tijd en ruimte worden
waargenomen, als dingen die niet in tijd en ruimte worden waargenomen
(112) en
deze dingen sluiten zich geleidelijk aan elkander aan (11). Bij de
eerste soort
is de zekerheid geringer (54), de schijnbare realiteit groter (7), de
woord-representatie
symbolischer (17), de logische behandeling gemakkelijker. Gradueel gaat
deze
soort over in de tweede soort waarbij de zekerheid groter, de realiteit
schijnbaar geringer, de woord-representatie beeldender en de logische
behandeling onmogelijk wordt. Wij spreken over de dingen van de tweede
soort in
beelden ontleend aan dingen van de eerste soort. Hierdoor wordt dus de
bespreking steeds onjuister, omdat het beeld hoe langer hoe minder kan
gelijken
op wat verbeeld wordt. De gradatie is oneindig en reikt tot in het
absolute,
het volkomen onbeeldbare.
148.
De
woorden doel en afkomst betekenen begrippen die
ontleend zijn
aan waarnemingen in tijd en ruimte. Wij zijn en kennen dus dingen
waarvoor de
uitdrukkingen doel en afkomst nooit gebezigd kunnen worden, tenzij
beeldend
d.w.z. poëtisch.
Het woord ‘levensdoel’ is dus evenzeer onjuist als
‘levensrichting’.
Poëtisch kunnen de uitdrukkingen dienstig zijn, mits men dan ook weer
de
ontoereikendheid van het beeld bedenke. Bedoelt men met ‘doel’ iets
waarbij
verleden en toekomst, nu en aanstonds, vóór en achter te pas komen, dan
kan men
niet zeggen dat het leven doel of richting heeft.
149.
Hetzelfde
geldt
van het woord vrijheid en onvrijheid.
Vrijheid betekent — ongeveer — los zijn van verband.
Wij hebben
dus nooit andere dan schijnbare vrijheid waargenomen, en een absolute
losheid
van alle verband is voor elk onzer ondenkbaar. Wij impliceren voor alle
gedachten, en weten dus met de hoogst denkbare zekerheid dat alles in
één
verband is (80). Maar wij gebruiken het woord vrijheid, meestal in de
zin van
‘los zijn van causaal verband’. Dit begrip is ontleend aan tijd- en
ruimte-waarneming.
In die zin kunnen de woorden vrij of onvrij niet op alles van ons
worden toegepast.
150.
Het
Zelf,
dat wat voelt, dat wat waarneemt, is. Vrij in de zin van
‘los
van causaal verband’.
Men
bedenke
goed
dat het woord ‘verband’ in de laatste betekenis is het beeld van
een beeld. ‘Causaal verband’ is al een beeld, ontleend aan touwen of
bouten, — en als wij
spreken van het verband dat alles
samenhoudt, ook de niet-tijdelijke en niet-ruimtelijke dingen, dan is
dit weer
een
beeldende
uitdrukking,
ontleend
aan tijd-en-ruimte begrippen, voor dingen die tijd-en-ruimte
te boven gaan.
151.
Wanneer
het
Zelf gezegd kan worden actief te zijn, dan is het ook vrij in zijn
actie.
Actie, toegepast op een tijd-en-ruimteloos iets, kan niet de
betekenis
hebben die wij er gewoonlijk aan toekennen. Het is een beeld, maar toch
kan het
iets verzinnelijken. Maar wat het verzinnelijkt kan niet gebonden zijn
aan de
wetten van causaal verband, omdat wij causaal verband denken
en bedoelen
in tijd-en-ruimte.
152.
Wat
gewoonlijk
onder wilsvrijheid wordt verstaan, kan dus op logische grond
niet ontkend worden.
Het Zelf, dat wat voelt, dat wat waarneemt, kan ook aangeduid
worden
als
‘dat wat wil’. Het spraakgebruik gdoogt het en er is geen vaste
terminologie
voor nauwkeuriger onderscheiding. Zulk een terminologie is niet mogelijk
en
niet
nodig.
Het niet-actieve en het actieve Zelf is voor ons begrip
één.
‘He is
wise
among men,
he is possessed of devotion and performs all actions, who sees
in-action in
action and action in in-action’ (Bhagavad gîtâ, cap. IV,
29).
153.
Deze
vrijheid
in actie van het Zelf heeft invloed op alle menselijke daden.
Het
verband der dingen buiten tijd-en-ruimte is weer in verband met het
causaal
verband der dingen in tijd-en-ruimte.
a.
Dit volgt daaruit dat alles in één verband is. De overgang is
gradueel
en onmerkbaar. De materiële, tijd-en-ruimtelijke gebeurtenissen grijpen
alle in
elkaar, evenwel kunnen ze gewijzigd worden door de invloed van het
vrije Zelf,
het boven tijd en ruimte verhevene. Van een schending van de wet van ‘t
behoud
van energie is hierbij geen sprake, omdat de mate van energie, benodigd
tot
wijziging, oneindig klein is,
doch
de
invloed
der wijziging oneindig groot. Het duidelijkst voorbeeld
geeft de
beweging van een groot leger. De geweldigste effecten worden
teweeggebracht
door een psychische gebeurtenis in het hoofd van de veldheer, wier
materiële
energie tegenover de uitwerking feitelijk nul is. En de hersenwerkingen
in het
hoofd van de veldheer zijn weer onder de invloed van zijn tijd-en-
ruimteloze
Zelf, dat de keuze van zijn bevelen bepaalt, en waarvan de ‘actie’ ook
‘inactie’
benoemd kan worden, daar het woord actie hier alleen beeldend en
poëtisch gebruikt
kan worden. Aldus verliest zich de oorsprong van de geweldigste
levensgebeurtenissen en van alle daden voor ons oog in het
ondoorgrondelijke en
absolute.
154.
Hieruit
volgt
dat de mens zijn eigen leven kan richten en bepalen, zoals een
veldheer de bewegingen van zijn troepen bepaalt. Hij moet rekening
houden met
de wetten van het causale verband, die hij niet veranderen kan, evenals
een
veldheer rekent met de krachten zijner soldaten. Hij is evenwel vrij in
zijn
bestier, en verantwoordelijk voor hetgeen er gebeurt.
a. Hiermee is toegelicht en verklaard (in de zin van
‘verhelderd’,
niet
mathematisch bewezen, wat hier een onmogelijkheid is) waarom en wanneer
wij van
verantwoordelijkheid spreken. Een krankzinnige noemen wij niet
verantwoordelijk
omdat wij begrijpen dat een verwarring, een min of meer materiële
stoornis, de
beschikkingen en het beleid van zijn eeuwige Zelf te niet doet en
verijdelt.
Dit kan geheel of gedeeltelijk het geval zijn, en zo zijn er graden van
verantwoordelijkheid waartussen geen scherpe grenzen te trekken zijn.
Naarmate
wij deze materiële (betrekkelijke, tijd-en-ruimtelijke, causale)
stoornissen
meer als zodanig hebben leren kennen, heeft zich het begrip
verantwoordelijkheid verengd. Wij veroordelen de erfelijke booswicht of
dronkaard minder streng dan men het vroeger deed. Wij zien verder in
dat een volledige
kennis van het verband aller dingen, het begrip
verantwoordelijkheid,
zonde, schuld, zou doen vervallen.2 Evenwel is zulk een
kennis
alleen bij God, nooit bij de mens. Daarom blijven wij schuld en
verantwoording
zien, en reageren daarop met afkeer en verachting, overal waar wij het
ruimte-en-tijdeloze
deel van de mens in zijn werking vrij achten, maar die werking gevoelen
tegenstrijdig aan ons eigen tjjd-en-ruimteloze Zelf. Want wij achten de
gevoelens van dat Zelf universeel en algemeen geldig (108, 53) met het
woord
‘moraal’ en ‘morele gevoelens’ duiden wij deze gevoelens aan. Zij komen
natuurlijk bij elk individu voor, ook waar ze nominaal worden ontkend.
Wanneer
de stoornissen der krankzinnigheid liggen op de grens van het causale
en het tijd-en-ruimteloze
spreken wij van insania moralis. De natuurlijke reactie hierop is een
menging
van afkeer en medelijden. Ook de hoogststaande wijze kan voor de
boosaardige,
zelf zuchtige, valse, grof-sensuele waanzinnige geen zuiver medelijden
voelen.
Er komt afkeer bij.
155.
Gewoonlijk
wordt geluk genoemd als het doel des levens. Het woord geluk
is echter eveneens onbestemd. Het staat voor allerlei aandoeningen, in
gradatie
van de meest materiële en voorbij gaande tot de meest eeuwige en
absolute. Bij
de lagere aandoeningen worden ook de woorden lust en genot gebruikt. In
de
hogere zijn deze uitdrukkingen poëtische beelding. Het woord geluk
toegepast op
de hoogste aandoeningen of toestanden is maar een beeldend woord,
evenals
‘licht’ of ‘vrede’.
Het is duidelijk hoe hierdoor steeds verwarring en strijd
ontstaan
moest.
Het einddoel van Stuart Mill ‘het grootste geluk voor ‘t grootste
aantal’ kan
volkomen bespottelijk of volkomen juist genoemd worden, al naar men het
in
lager of hoger betekenis verstaat. Wie de hogere toestanden kent, en
weet hoe
het woord ‘geluk’ beeldend gebruikt moet worden, verzet zich natuurlijk
tegen
de grove wijze waarop anderen het verstaan. (Men merke op hoe hier de
woorden
‘hoger’ en ‘lager’ eveneens beeldend zijn.)
156.
Zo
men
wil spreken van een richting des levens en een doel, zo kan men
maar één
doel noemen:
God, het absolute, de eenheid en onveranderlijkheid (62).
Spinoza’s
term
‘in
suo esse perseverare’ 3 is hiermede in volkomen
harmonie,
wanneer men aanmerkt dat er graden zijn van zijn (11) en dat het
hoogste Zijn
is het Absolute, aan allen gemeen. De richting naar dit doel is
natuurlijk het
Recht, de Rechtvaardigheid, het rechtvaardig zijn (doing right). Lust,
genot is
de aandoening die vergezelt het voldoen aan begeerten. Vals genot,
slechte lust
is de aandoening die slechte (onharmonische, ongecoördineerde)
begeerten
vergezelt. Het voldoen aan de allerhoogste begeerte (naar God) geeft
natuurlijk
het allerhoogste geluk. Evenwel begeert men het hoogste niet, omdat het
geluk
brengt, maar men heeft geluk omdat men de hoogste begeerte bevredigt.
Dit ‘doel’ heeft niet alle andere kenmerken van een doel. Want het kan
niet
gezegd worden vóóruit te liggen, of over een zekere tijd bereikt te zullen worden. Het ligt
noch vóór,
noch achter. Het is tegelijk doel en oorsprong.
NOTEN
1.
De schrijver heeft 137 niet gebruikt.
2.
Tot
dit inzicht kwam Multatuli, en de grotere Duitse Multatuli Friedrich
Nietzsche.
Maar daar bleven ze staan, het onmiddellijk volgende hebben ze niet
bereikt.
3.
in zijn zijn volharden
Slotwoord
In
het licht der bovenstaande beschouwingen wordt het duidelijk hoe elke
redekunstige
bespreking van hogere en diepere dingen moet uitlopen in absurditeit,
en hoe
elke hogere bespiegeling noodwendig moet wemelen van
tegenstrijdigheden. Want
de allereenvoudigste termen worden daar niet meer dan beelden. En als
men b.v.
de zon noemt ‘het oog des hemels’, dan zal men natuurlijk ook weer
moeten
zeggen dat de zon volstrekt geen oog is. Evenzo moet men van de
schepping
zeggen dat zij een daad is, maar toch ook weer volstrekt geen daad, van
het
leven dat het doel en richting heeft, maar toch ook weer volstrekt geen
doel en
richting, van het zelf dat het actief is en toch ook weer volstrekt
inactief.
Dit is de grond der Augustinische uitspraak: ‘Credo quia absurdum’. 1
Evenwel kan er over al deze dingen wel gesproken worden, maar
alleen in
poëzie. Want dan weet elk hoe hij de woorden te verstaan heeft, en
er is
geen gevaar voor verwarring of ontheiliging.
De redenerende wijsbegeerte, die de beeldende, dichterlijke of muzikale
kracht
der woorden verwaarloost, en hen gebruikt als tekenschrift, symbolisch
of
algebraïsch, om er aldus een wetenschappelijk stelsel van te maken, mag
niet
verder gaan dan het eenvoudigste, namelijk een voorlopige kritiek,
behandelende
de aard van ons kernvermogen en uitdrukkingsvermogen, de waarde der
woorden en
der daaraan door ‘t gebruik gebonden begrippen, zoals dat in de
bovenstaande
156 stellingen beproefd is, ter betere verstandhouding.
Elke poging, verder te gaan op deze wijze en ook de inhoud aller
wijsheid
zodoende vast te stellen, bij wijze van wetenschap, is, zoals uit deze
kritiek
van zelf volgt, een droevige bron van verwarring, een ontaarding, een
intrinsieke onmogelijkheid, een ontzuivering en verstomping van het
gevoel.
Over het hoogste en heiligste mag en kan alleen gesproken worden in
poëzie, wie
anders beproeft, bederft de taal en schendt het heiligste.
Deze ontaarding is begonnen in het werk van elk dier wijsgeren, die wij
als de
voornaamste hebben te beschouwen. Zij begint in de steeds redenerende
Socrates,
in de quasi-mathematische Spinoza, in de quasi-wetenschappelijke Kant.
Hun grote betekenis wordt daardoor niet weggenomen, op hun werk wordt
de
wijsheid van onze tijd gegrondvest. Het is de consequentie van hun
kritiek zelf
die leidt tot de verwerping hunner methode.
De verstandige begrijpt dat ik onder poëzie niet versta uitsluitend
metrische
of berijmde taal. Poëzie noem ik elk sterk en zuiver spreken, waarbij
de taal
kracht heeft niet alleen door abstracte betekenis, maar ook door haar
klank,
haar beeldende en muzikale uitdrukking. Zulk een taal behoeft geen vast
metrum
of rijm te hebben, maar wel altijd ritme en welluidendheid of
klankrijkheid.
In zulke poëzie zijn de heilige boeken der volken, hun wetten van
menselijke
wijsheid, altijd grotendeels geschreven. Ook in het proza der grootste
wijsgeren of mystieken zijn altijd gedeelten of elementen van zuiver
poëtische
werking. Maar in hun zoeken naar het onbereikbare, naar logische,
mathematische
of wetenschappelijke vorm, voor wat uiteraard daarvoor ongeschikt is,
richtten
zij hun bewuste toeleg verkeerd en verzwakten daardoor in taal en
uitdrukking.
Ter verduidelijking geef ik een enkel citaat. Wat ik bedoel met het
quasi-mathematische
in Spinoza is duidelijk genoeg, even bekend mag ik het quasi-logische
van de platonische
Socrates onderstellen 2, — wij volgen zijn redeneringen met
het
gevoel dat hij juist redeneert en dat hij ook juist voelt, maar dat
toch de
juistheid zijner redenering niet een bewijs is van de juistheid van
zijn
gevoel, dat er nog iets bijkomt dat door impressie werkt en niet door
logica.
Van wat ik Kants quasi-wetenschappelijkheid noem, geef ik het volgende
voorbeeld. Bij de beschouwing van ‘het Verhevene’ zegt Kant o.a.:
‘Denn da das Gefühl des Erhabenen eine mit der Beurtheilung des
Gegenstandes verbundene
Bewegung des Gemüths, als seinen Charakter bei sich führt, anstatt dass
der Geschmack
am Schönen das Gemüth in ruhiger Contemplation voraussetzt und erhält,
diese Bewegung
aber als subjectiv zweckmässig beurtheilt werden soll (weil das
Erhabene gefällt)
so wird sie durch die Einbildungskraft entweder auf das Erkenntniss-
oder auf
das Begehrungsvermögen bezogen, in beiderlei Beziehung aber die
Zweckmässigkeit
der gegebenen Vorstellung nur in Ansehung dieser Vermögen (ohne Zweck
oder Interesse)
beurtheilt werden, da dann die erste, als eine mathematische, die
zweite als
dynamische Stimmung der Einbildungskraft dem Objecte beigelegt und
daher dieses
auf gedachte zwiefache Art als erhaben vorgestellt wird’ (Analytik
des Erhabenen, par. 24). 3
Bij geduldige en aandachtige overweging en bij grote vertrouwdheid met
Kants
wijze van spreken vindt men hier gewichtige dingen uitgedrukt. Maar op
een
wijze die wetenschappelijk schijnt, en toch alle vastheid der
wetenschappelijke
uitdrukking mist, omdat bijna geen enkele der gebruikte substantieven
een welbepaalde,
onveranderlijke, zich in alle tijden en talen gelijkblijvende waarde
bezit.
Inderdaad is het citaat poëzie, en wel van een zeer gebrekkige soort.
Het lang-ademig
ritme, de sobere, droge klank is niet zonder werking, de hoge, neutrale
ernst
onmiskenbaar. Maar de beelding is uiterst zwak, onzuiver en
gecompliceerd en
het geheel verliest alle waarde en betekenis voor de lezer die zich
niet door lange
oefening de symbolische tekenspraak, de gedachte-algebra van Kant heeft
eigen
gemaakt. Zulk een expressie zulke poëzie kan nooit geacht worden te
zijn
blijvend en universeel. Zij is beperkt en artificieel en kan nooit
gemeengoed
worden van de mensheid. Bij vertaling in een ver van ons afstaande
taal, b.v.
Chinees of Sanskriet, zou zij totaal onherkenbaar en waardeloos worden.
Terwijl, om een ander uiterste te noemen, soortgelijke, hoewel
eenvoudiger
dingen zijn uitgedrukt door liederen, door muziek of door parabelen. In
deze
vorm nu is de uitdrukking veel vaster, blijvender en universeler. Een
melodie
of een parabel wordt verstaan overal en altijd waar de menselijke geest
een
zekere organisatie heeft bereikt en is veel meer onafhankelijk van en
onaantastbaar door reproductie. Maar er zijn eindeloos veel overgangen,
volmaakte vastheid en algemeenheid is onbereikbaar, maar wordt dichter
benaderd
naarmate de beelding eenvoudiger en zuiverder is.
1893-1897.
NOTEN
1.
Ik geloof (het), omdat het ongerijmd is. (Wordt vooral aan Tertullianus
toegeschreven, de carne Christi, 5).
2.
Als typisch voorbeeld noem ik de plaats aan ‘t eind van het 1e
boek van de Republiek, waar Socrates aan Thrasymachos bewijst
dat de
onrechtvaardige onwetend is.
3. In de Kritik der
Urteilskraft, 1790, 1799.
|