www.verbodengeschriften.nl


SPINOZA

 

Theologisch-Politiek Traktaat

 

Hoofdstuk 6

 

Over Wonderen


 

Titelpagina van het boek

 

 

Hieraan onderkennen wij dat wij in God blijven en God in ons,

dat Hij ons van zijn Geest gegeven heeft. 1 Johan. 4:13

 

 

 

 

Hoofdstuk 6

 

Over Wonderen

 

Zoals alle kennis waarvoor mensen niet toegerust zijn doorgaans ‘goddelijk’ genoemd wordt, zo wordt ook elke gebeurtenis waarvan het volk de oorzaak niet kent eveneens ‘goddelijk’ genoemd of omschreven als Gods werk. Gewone mensen denken, wanneer ze een natuurlijk voorval zien dat ongewoon is en strijdig met de mening die ze door ervaring gekregen hebben over wat natuurlijk is, dat dit het best mogelijke bewijs is dat Gods kracht en voorzienigheid aan het werk zijn — vooral als het voorval hen baat of voordeel oplevert! Ze denken dat niets een duidelijk bewijs is van het bestaan van God, dan een voorval waarbij de natuur haar orde doorbreekt. Als iemand dingen verklaart — waaronder ‘wonderen’— aan de hand van hun natuurlijke oorzaken, of zich er op toelegt dergelijke voorvallen te begrijpen, zal het gewone volk hem ervan beschuldigen dat hij God, of tenminste Gods voorzienigheid te niet wil doen.

 

Volgens hen doet God dus helemaal niets, zolang de natuur naar haar gewone orde te werk gaat; en zolang God werkzaam is, doen natuur en natuurlijke oorzaken dat niet. Zij stellen zich dus twee verschillende, niet met elkaar samenvallende krachten voor, Gods kracht en die van de natuurlijke dingen, hoewel zij denken dat de kracht van natuurlijke dingen iets is dat op een of andere manier door God bepaald wordt of, zoals tegenwoordig gezegd wordt, geschapen wordt door God.

 

Hoe vatten zij die twee krachten op? en hoe vatten zij God en natuur op? Dat weten zij niet! behalve dat zij zich Gods macht voorstellen als het bewind van een alleenheerser en de macht van de natuur als kracht en impuls. Het volk noemt dus elke ongewone natuurlijke gebeurtenis een ‘wonder’ of ‘Gods werk’; ze willen de natuurlijke oorzaken van dingen liever niet weten — deels uit liefde voor God en deels uit afkeer van degenen die de natuurwetenschappen beoefenen.

 

Het enige wat ze willen horen zijn dingen die hen kunnen verbazen, dat wil zeggen dingen waarover ze volstrekt onwetend zijn. De enige manier waarop ze God kunnen vereren en alles aan zijn heerschappij kunnen verbinden, is door natuurlijke oorzaken op te heffen en zich dingen buiten de natuurlijke orde voor te stellen. Zij zijn het meest onder de indruk van Gods macht als ze zich voorstellen dat die, als het ware, de natuur onderworpen heeft.

 

Deze zienswijze lijkt ontsproten te zijn aan de eerste Joden. De heidenen uit hun tijd vereerden zichtbare goden — zon, maan, aarde, water lucht enz. Om aan te tonen dat ze ongelijk hadden en hen te laten zien dat die goden zwak en veranderlijk waren en onder de heerschappij van een onzichtbare God stonden, vertelden de Joden de heidenen over hun wonderen. Dat was niet alleen een poging om de heidenen van hun goden af te brengen, maar ook om hen te laten zien dat de hele natuur bestemd was ten behoeve van de Joden, in opdracht van de God die zij aanbaden. Deze manier van denken was voor de heidenen zo aantrekkelijk dat de Joden tot op de dag van vandaag nog steeds wonderen blijven bedenken, omdat ze anderen ervan willen overtuigen dat zij God dierbaarder zijn dan de anderen en God ter wille van hen alle dingen geschapen heeft en onafgebroken bestuurt.

 

De aanspraak die de massa in haar dwaasheid maakt kent geen grenzen, omdat zij evenmin een deugdelijk idee heeft over God, als over de natuur, Gods besluiten verwart met die van mensen en een zo beperkt beeld van de natuur heeft, dat ze gelooft dat mens daar het belangrijkste deel van uitmaakt.

 

Dat is voldoende over de meningen en vooroordelen van de massa omtrent de natuur en wonderen, maar om mijn eigen opvattingen op een ordelijke manier naar voren te brengen, zal ik laten zien:

 

1.     Dat er niets gebeurt dat in strijd is met de natuur, maar dat de natuur een vaste en onveranderlijke eeuwigdurende orde bewaart en tegelijkertijd wat een ‘wonder’ eigenlijk betekent.

2.     Dat wonderen ons niet kunnen bewijzen dat God bestaat, of laten zien wat Gods wezen of zijn voorzienigheid is; en dat al die dingen veel beter begrepen kunnen worden door middel van de onveranderlijke orde van de natuur.

3.     Dat de Schrift onder ‘Gods’ besluiten en wilsuitingen en vandaar ‘Gods voorzienigheid' niets anders verstaat dan de orde van de natuur, wat noodzakelijkerwijs volgt uit de eeuwige natuurwetten. En tot slot,

4.     Hoe de in de Bijbel vermelde wonderen opgevat moeten worden en de belangrijkste punten waarop gelet moet worden bij het beschouwen van de wonderverhalen.

 

Dat zijn de belangrijkste onderwerpen van dit hoofdstuk en ik denk dat die zeer nuttig zijn voor het boek als geheel.

 

DE ONVERANDERLIJKHEID VAN DE NATUUR

 

Uit wat ik aangetoond heb in hoofdstuk 4, valt eenvoudig op te maken dat alles wat God wil of bepaalt, de eeuwige noodzakelijkheid en waarheid behelst. Immers op grond van het feit dat Gods begrip niet valt te onderscheiden van Gods wil, hebben wij aangetoond dat wij, wanneer wij zeggen dat God iets wil, hetzelfde beweren als wanneer wij zeggen dat God datzelfde begrijpt. Dus met dezelfde noodzakelijkheid waarmee uit de goddelijke natuur en volmaaktheid volgt dat God een of ander ding begrijpt zoals het is, volgt daaruit tevens dat God ditzelfde ding wil zoals het is. Maar omdat niets anders, dan op grond van een goddelijk besluit, noodzakelijkerwijs waar is, volgt hieruit overduidelijk dat de universele wetten van de natuur louter besluiten Gods zijn, die uit de noodzakelijkheid en volmaaktheid van de goddelijke natuur volgen. Als dus in de natuur iets gebeurt dat strijdig is met de eeuwige natuurwetten, zou dat ook strijdig moeten zijn met Gods besluiten, verstand en natuur. Welnu, anders gezegd,  als beweerd wordt dat God iets doet dat strijdig is met de natuurwetten, geldt eveneens dat God handelt op een manier die strijdig is met Gods eigen natuur en niets kan ongerijmder zijn.

 

Daarom kan in de natuur niets gebeuren dat strijdig is met haar universele wetten. Bovendien gebeurt in de natuur niets dat niet uit die wetten volgt. Alles wat gebeurt, gebeurt dus door Gods wil en eeuwig besluit, dat wil zeggen dat, zoals ik zo-even heb aangetoond, alles wat gebeurt, plaatsvindt volgens de wetten en regels, die de eeuwige noodzakelijkheid en waarheid behelzen.

 

De natuur houdt zich dus altijd aan wetten en regels die eeuwige noodzakelijkheid en waarheid behelzen, hoewel wij ze niet allemaal kennen; zij houdt zich dus ook aan een onveranderlijke orde. En wij hebben geen goede redenen om aan de natuur slechts een beperkte macht toe te schrijven, in de veronderstelling dat haar wetten alleen opgaan voor sommige dingen en niet voor alles. Overigens staat het woord ‘natuur’ dat ik gebruik, niet alleen voor materie en haar verschijningsvormen, maar eveneens voor talloze andere dingen. Want omdat de kracht van de natuur de kracht van God zelf is, en haar wetten en regels Gods besluiten zijn, moeten we zonder voorbehoud geloven dat de kracht van de natuur oneindig is en haar wetten zo uitgebreid, dat zij zich uitstrekken tot alles wat begrepen wordt door het goddelijke verstand. De andere mogelijkheid is zeggen dat God een natuur geschapen heeft die zo zwak is en wetten en regels vastgesteld heeft die zo weinig opleveren, dat God vaak gedwongen wordt haar opnieuw te hulp te komen, als zij in stand gehouden moet worden en de dingen moeten gaan zoals God dat wil. Dat is duidelijk zo strijdig met de rede als maar mogelijk is.

 

Daaruit maak ik dus op dat in de natuur niets gebeurt dat niet uit haar wetten volgt, dat haar wetten zich uitstrekken tot alle dingen die begrepen worden door het goddelijke verstand en tot slot, dat de natuur een onveranderlijke orde bewaart.

 

WAT ‘WONDER’ BETEKENT

Uit deze feiten volgt duidelijk dat de enige betekenis van begrip ‘wonder’ te maken heeft met mensen. Daarmee wordt een gebeurtenis bedoeld waarvan wij ‘mensen,’ de natuurlijke oorzaak niet kunnen verklaren op grond van iets waarmee wij vertrouwd zijn of anders een gebeurtenis waarvan ik, de spreker, de natuurlijke oorzaak niet kan verklaren op grond van iets wat ik al ken.

 

In feite zou ik een wonder kunnen omschrijven op een manier die onafhankelijk is van de mens, omdat ik zou kunnen zeggen dat een wonder een gebeurtenis is waarvan de oorzaak niet verklaard kan worden vanuit de beginselen van natuurlijke dingen, die bekend zijn door het natuurlijke inzicht. Maar dat is niet juist. Het is de massa, het doorsnee volk, die heeft gezegd dat wonderen hebben plaatsgevonden; dus het gaat om het begripsvermogen van die mensen; en zij zijn altijd volstrekt onwetend geweest van de beginselen van natuurlijke dingen. Zodoende worden wij gedwongen de gevolgtrekking te maken dat de Ouden alles wat ze niet konden verklaren als wonder zagen, op de manier waarop de massa doorgaans natuurlijke dingen verklaart, namelijk door te proberen zich een gelijksoortige gebeurtenis te herinneren, die zij gewend waren te ervaren zonder dat er sprake was van een wonder. Want de massa denkt dat zij een gebeurtenis voldoende begrijpt als zij zich daar niet over verbaast! Vandaar dat de Ouden en tot nu toe vrijwel iedereen, geen manier weten om te beoordelen of een gebeurtenis een wonder is, behalve de gebeurtenis die voldoet aan mijn omschrijving. In de Schrift worden veel dingen vermeld als wonder, hoewel hun oorzaak tegenwoordig eenvoudig verklaard kan worden aan de hand van bekende beginselen van de natuurlijke dingen. Ik heb daarop geduid, toen ik sprak over de zon die stilstond ten tijde van Jozua, en teruggegaan is in zijn baan ten tijde van Achaz. Maar dat zal ik later in dit hoofdstuk uitgebreider behandelen, als ik toekom aan mijn beloofde bespreking van de interpretaties van wonderen.

 

WAT WE VAN DE NATUUR, EN NIET VAN WONDEREN, KUNNEN LEREN OVER GOD

 

Nu komen we op het tweede punt van de lijst, namelijk aantonen dat wonderen ons niet leren wat God is, dat God bestaat, of wat Gods voorzienigheid is, maar dat deze dingen juist veel beter begrepen kunnen worden uit de onveranderlijke orde van de natuur. Mijn bewijs daarvan is het volgende: omdat Gods bestaan niet vanzelfsprekend is *, moeten wij dat afleiden uit begrippen waarvan de waarheid zo zeker en betrouwbaar is dat het niet voorstelbaar is dat ze ooit onwaar zullen worden. Zij moeten zich althans zodanig aan ons voordoen op het moment dat wij Gods bestaan daaruit afleiden — dat is nodig als wij dat daaruit af willen leiden zonder enige kans op twijfel. Als wij ons zouden kunnen voorstellen dat die begrippen door een of andere kracht onwaar gemaakt zouden kunnen worden — ongeacht welke zouden wij hun waarheid kunnen betwijfelen en dus ook aan onze gevolgtrekking dat God bestaat, zodat wij dan nooit ergens zeker van kunnen zijn. Het volgende punt is dat wij niet weten of iets overeenstemt met de natuur,of daar strijdig mee is, tenzij wij hebben aangetoond dat het overeenstemt, of strijdig is met die beginselen. Dus als wij ons zouden kunnen voorstellen dat een of andere kracht — ongeacht welke — iets zou kunnen laten gebeuren in de natuur dat daar strijdig mee is, zou dat in tegenspraak zijn met die eerste begrippen, dat wil zeggen de begrippen waarvan de waarheid zo zeker en betrouwbaar is dat het onvoorstelbaar is dat ze ooit onwaar zullen worden. Dus we moeten, of de stelling dat iets zou kunnen gebeuren in de natuur dat strijdig is met de natuur als iets ongerijmds verwerpen, of de eerste begrippen betwijfelen. De tweede mogelijkheid zou ons ertoe leiden aan God en alles te twijfelen, aan alles, wat voor bewijs er ook voor is geweest.

 

Dus als we een wonder zodanig opvatten dat het een gebeurtenis betekent die strijdig is met de orde van de natuur, tonen wonderen ons niet het bestaan van God aan. Juist het tegendeel: zij zouden ons doen twijfelen aan zijn bestaan, althans de deur openzetten voor dergelijke twijfels. Zonder wonderen is die deur gesloten, omdat wij zonder wonderen volstrekt zeker kunnen zijn van Gods bestaan, omdat wij dan weten dat alle dingen in de natuur een vaste en onveranderlijke orde volgen.

 

Maar stel dat we een wonder de betekenis geven van een gebeurtenis die niet verklaard kan worden door natuurlijke oorzaken? Goed, maar dat kan dan op twee manieren opgevat worden: of het wonder kan gelijkgesteld worden met een gebeurtenis die natuurlijke oorzaken heeft, die echter niet ontdekt kunnen worden door het menselijke verstand, of met een gebeurtenis die geen andere oorzaak heeft dan God of Gods wil.

 

Maar omdat alles wat gebeurt door natuurlijke oorzaken, alleen volgens Gods kracht en wil gebeurt, moeten we uiteindelijk op het volgende uitkomen: of een wonder al dan niet natuurlijke oorzaken heeft, het is een gebeuren dat niet verklaard kan worden uit zijn oorzaak, dat wil zeggen een gebeuren dat het menselijke bevattingsvermogen te boven gaat. Maar door een dergelijke gebeurtenis, of eigenlijk iets dat ons bevattingsvermogen te boven gaat, kunnen we iets niet begrijpen! De enige manier waarop wij iets helder en duidelijk kunnen leren begrijpen, als het niet vanzelfsprekend is, is door iets anders dat we wel helder en duidelijk begrijpen. Daarom kunnen we uit een wonder, of enige gebeurtenis die ons bevattingsvermogen te boven gaat, niet Gods wezen begrijpen, zijn bestaan of wat dan ook, aangaande God en natuur.

 

Anderzijds, als wij leren begrijpen dat elke gebeurtenis door God bepaald en teweeggebracht wordt, dat de werkingen van de natuur uit Gods wezen voorkomen, en de natuurwetten in feite Gods eeuwige besluiten en wilsuitingen zijn, moeten wij daar zonder enig voorbehoud uit opmaken dat we dan meer kennis hebben van zowel God en Gods wil, als van natuurlijke gebeurtenissen, duidelijker begrijpen hoe die gebeurtenissen afhangen van hun eerste oorzaak en hoe zij volgens de eeuwige natuurwetten te werk gaan.

 

Daarom hebben, voor zover ons verstand reikt, gebeurtenissen die wij helder en duidelijk begrijpen veel meer recht werken Gods genoemd en aan Gods wil toegeschreven te worden, dan gebeurtenissen waarover we niets weten, hoewel de laatsten een veel grote beroep doen op onze verbeelding en mensen zeer versteld doen staan. Mensen die zich beroepen op Gods wil als zij iets niet weten, zijn eenvoudigweg lichtzinnig. Het is een belachelijke manier om blijk te geven van hun onwetendheid.

 

En zelfs als we wel iets op zouden kunnen maken uit wonderen, zouden wij daaruit toch niet Gods bestaan kunnen afleiden. Een wonder is een begrensde gebeurtenis, slechts een uiting van een eindige en begrensde kracht; daarom kunnen wij daaruit zeker niet het bestaan afleiden van een oorzaak met een oneindige kracht. Uit natuurlijke gebeurtenissen kan wel iets wat er op lijkt afgeleid worden. De natuurwetten strekken zich uit over een oneindige hoeveelheid dingen en wij zien ze in zekere zin als oneindig; en de natuur gaat, in een begrensde en onveranderlijke orde, volgens die wetten te werk: dus in zoverre wijzen zij ons op een of andere manier op de oneindigheid, eeuwigheid en onveranderlijkheid van God.

 

Daaruit kunnen we dus opmaken dat wij Gods bestaan en voorzienigheid niet door wonderen kunnen leren kennen, maar dat die veel beter afgeleid kunnen worden uit de vaste en onveranderlijke orde van de natuur. Ik spreek daarbij over een wonder voor zover daaronder niet iets anders verstaan wordt dan een werk dat het menselijke bevattingsvermogen te boven gaat of verondersteld wordt te boven te gaan. Want evenzeer als het wonder verondersteld wordt de orde van de natuur te vernietigen of te onderbreken of met haar wetten in strijd te zijn, kan het, zoals wij zo-even hebben aangetoond, niet alleen geen enkele kennis van God geven, maar zou het ons juist de kennis die wij van nature hebben, ontnemen en ons doen twijfelen aan God en aan alles.

 

Ik zie hier geen enkel verschil tussen een gebeurtenis die strijdig is met de natuur en een bovennatuurlijke gebeurtenis, waarvan verondersteld wordt dat het een gebeurtenis is die in feite niet strijdig is met de natuur, maar niet door de natuur teweeggebracht kan worden. Een wonder vindt niet plaats buiten de natuur; het is een gebeurtenis in de natuur zelf; en een gebeurtenis waarvan wordt gezegd dat die boven de natuur is, moet nog steeds een onderbreking zijn van de orde van de natuur. Als er dus in de natuur iets zou gebeuren dat niet uit de natuurwetten volgt, zou dat onverenigbaar moeten zijn met de orde, die door God door middel van de natuurwetten voor eeuwig in de natuur is ingesteld. Zodoende zou dit tegen de natuur en haar wetten ingaan en dientengevolge zou het geloof daarin ons aan alles doen twijfelen en ons tot atheïsme brengen.

 

Ik denk dat ik nu voldoende redenen heb gegeven voor mijn bespreking van het hierboven genoemde tweede punt. Wat ik heb gezegd laat zien dat het begrip wonder, waaronder iets verstaan wordt dat of strijdig met of boven de natuur is, louter een ongerijmdheid is. Dus de enige manier waarop wij de in de Schrift vermelde wonderen kunnen opvatten, is een wonder zien als een werk van de natuur dat, of het menselijke bevattingsvermogen te boven gaat, of verondersteld wordt dat te boven te gaan.

 

DE SCHRIFT DUIDT AAN DAT WIJ DOOR WONDEREN NIETS KUNNEN LEREN OVER GOD

 

Nergens leert de Schrift openlijk dat we God niet door wonderen kunnen kennen, maar toch kan die opvatting eenvoudig afgeleid worden uit de Schrift, vooral uit het bevel dat Mozes geeft aan de Joden om elke profeet ter dood te brengen die hen op een dwaalspoor brengt, zelfs als hij wonderen verricht (Deuteronomium 13:1-5). Want hij zegt: ‘als hij u een teken of een wonder aankondigt en het komt…..dan zult gij niet luisteren naar de woorden van die profeet …… want de Here, uw God, stelt u op de proef …. Die profeet zal ter dood gebracht worden …..’ Hieruit volgt duidelijk dat zelfs valse profeten wonderen kunnen verrichten en mensen, tenzij zij goed beschermd zijn door de ware kennis en liefde voor God, door wonderen even gemakkelijk valse goden kunnen aanvaarden als de ware God.

 

Wij hebben dus nogmaals gezien dat de Israëlieten, met al die wonderen, zich toch nog steeds niet een deugdelijk begrip van God konden vormen. Toen zij dachten dat Mozes van hen heengegaan was, vroegen ze Aäron om zichtbare goden en het beeld van God dat zij zich uiteindelijk door die wonderen vormden was — o schande! — een kalf. (Exodus 32:1-6) Hoewel Asaf van veel wonderen had gehoord, twijfelde hij nog steeds aan Gods voorzienigheid en zou bijna van het rechte pad zijn afgeraakt, als hij ten slotte niet de ware gelukzaligheid had begrepen. Zie Psalm 73. Zelfs Salomo, die schreef in een tijd toen de Joden een grote bloei beleefden, vermoedt dat alles bij toeval gebeurt. Zie Prediker 3:19-21, 9:2-3.

Tot slot: vrijwel geen enkele profeet was in staat te zien hoe de orde van de natuur en de lotgevallen van de mens te rijmen vielen met het beeld dat zij zich gevormd hadden van Gods voorzienigheid, terwijl dat altijd volstrekt duidelijk was geweest voor de filosofen, die dingen niet door wonderen proberen te begrijpen, maar door heldere begrippen. Filosofen zien het ware geluk alleen in de deugd en gemoedsrust; zij willen de natuur gehoorzamen, in plaats van ernaar te streven dat de natuur hen gehoorzaamt; zij weten zeker dat God de natuur bestuurt, zoals haar universele wetten eisen, maar niet zoals de bijzondere wetten van de menselijke natuur eisen, en dat God niet alleen rekening houdt met de mensheid, maar met de hele natuur.

 

Dus zelfs de Schrift stelt dat wonderen geen ware kennis van God geven en ook Gods voorzienigheid niet duidelijk onderrichten. Vaak vertelt de Schrift dat God wonderen verricht om zichzelf aan de mensen bekend te maken, zoals bijvoorbeeld in Exodus 10:2 wordt verhaald dat God de Egyptenaren misleidde en tekenen van zichzelf gaf, zodat de Israëlieten zouden weten dat hij God was; maar daaruit volgt niet dat wonderen dat werkelijk aantonen; de boodschap is alleen dat de Joden door hun geloofsstelsel gemakkelijk door wonderen te overtuigen waren. Ik heb immers al in hoofdstuk 2 duidelijk aangetoond dat profetische argumenten, dat wil zeggen, argumenten die gebaseerd zijn op openbaringen, niet ontleend kunnen worden aan universele en gemeenschappelijke begrippen, maar in plaats daarvan aan opvattingen — zelfs ongerijmde — die de luisteraars al hebben, dat wil zeggen mensen die de Heilige Geest wil overtuigen. Ik heb daar al veel voorbeelden van aangehaald, waaronder de getuigenis van Paulus, die een Griek met de Grieken was en een Jood met de Joden. (1 Corinth. 9:20-22)

 

Maar hoewel die wonderen de Egyptenaren en Joden niet konden overtuigen, op grond van dingen die ze al aanvaard hadden, konden ze toch geen waar idee en kennis van God geven. Ze konden hooguit bereiken dat de Hebreeën aanvaardden dat er een God is die machtiger is dan alles wat hen bekend was, en dat die God zich vooral bekommerde om de Hebreeën, voor wie de zaken destijds zelfs beter gingen dan ze gehoopt hadden. De wonderen konden deze mensen er niet toe brengen te aanvaarden dat God zich om iedereen evenzeer bekommert, want dat leert alleen de filosofie. Daarom raakten de Joden, zoals iedereen die Gods voorzienigheid alleen maar kende uit de verschillende toestanden van menselijke aangelegenheden en de ongelijke lotgevallen van mensen, ervan overtuigd dat ze God dierbaarder waren dan andere volkeren, hoewel zij toch die andere niet overtroffen in menselijke volmaaktheid. Dat heb ik aangetoond in hoofdstuk 3.

 

HOE DE SCHRIFT GODS VOORZIENIGHEID OPVAT

 

Mijn derde punt op de lijst was, aan de hand van de Schrift, aan te tonen dat Gods besluiten en bevelen, en zodoende zijn voorzienigheid, in feite niets anders zijn dan de orde van de natuur, dat wil zeggen dat, als de Schrift zegt dat een bepaalde gebeurtenis door God of Gods wil teweeggebracht is, dat alleen betekent dat een bepaalde gebeurtenis heeft plaatsgevonden volgens de wetten en orde van de natuur en niet, zoals de massa denkt, dat de natuur even haar werking staakte of haar orde onderbroken werd.

 

Maar de Schrift leert niet rechtstreeks dingen die niet binnen haar leer vallen, omdat het, zoals ik al heb laten zien, aangaande de goddelijke wet, niet de bedoeling van de Schrift is dingen te verklaren door natuurlijke oorzaken of dingen te leren die slechts aangelegenheden voor beschouwing zijn. Wat ik hier dus wil laten zien moet door redeneren afgeleid worden van bepaalde Schriftverhalen, die bij toeval meer uitvoeriger dan gebruikelijk verteld zijn. Ik zal enkele daarvan aanhalen.


In 1 Samuel 9:15-16 wordt ons verteld dat God aan Samuël openbaarde dat hij Saul naar hem toe zou sturen. Maar God stuurde Saul niet naar hem toe op de manier waarop mensen doorgaans iemand naar een ander sturen. Dit sturen van God was niets anders dan de orde van de natuur zelf, zoals we zien in datzelfde hoofdstuk (1 Samuël 3-10), dat vermeldt dat Saul op zoek was naar zijn ezelinnen die zoekgeraakt waren; hij stond al op het punt de zoektocht te staken en zonder ze naar huis terug te keren, toen hij op aanraden van zijn dienaar naar de profeet Samuël toe ging om van hem te vernemen waar hij ze kon vinden. Uit het hele verhaal blijkt niets dat er op duidt dat Saul een andere aanzegging van God gekregen had, dan deze keten van natuurlijke oorzaken, die hem naar Samuël toe leidde.

 

In Psalm 105:24-5 wordt verteld dat God het hart van de Egyptenaren veranderde, zodat zij de Israëlieten zouden gaan haten; toch was dit een volstrekt natuurlijke verandering, zoals duidelijk blijkt uit Exodus 1:7-11 waar we te weten komen dat de Egyptenaren zwaarwegende natuurlijke redenen hadden om de Israëlieten aan slavernij te onderwerpen.

 

In Genesis 9:13 vertelt God aan Noach dat hij voor hem een regenboog in de wolken zal stellen. Deze daad van God is natuurlijk niets anders dan de breking en terugkaatsing die de zonnestralen ondergaan in waterdruppels. In Psalm 147:18 wordt de natuurlijke werking van de wind, waardoor ijs en sneeuw smelten, een woord van God genoemd en in vers 17 heten wind en koude het bevel en Gods woord. In Psalm 104:4 worden wind en vuur boden en dienaren van God genoemd. De Bijbel bevat nog veel andere van die zegswijzen; zij geven heel duidelijk aan dat Gods besluit, gebod, bevel en woord niets anders zijn dan de werking van natuurlijke oorzakelijkheid.

 

Het valt dus niet te betwijfelen dat alles wat in de Schrift verhaald wordt op een natuurlijke manier is gebeurd en toch aan God wordt toegeschreven, omdat de opzet van de Schrift — zoals ik al heb aangetoond — niet is dingen te leren door middel van hun natuurlijke oorzaken, maar alleen dingen te vertellen die de verbeelding aanspreken en doen dat volgens een methode en stijl, die het meest geschikt zijn om de verwondering over de dingen te vergroten en zodoende in het hart van gewone mensen vroomheid teweeg te brengen.

 

Dus als we in de Bijbel toch bepaalde dingen aantreffen waarvan wij de oorzaken niet kunnen verklaren, dingen die buiten of zelfs strijdig met de natuur voorgevallen zijn, zouden wij die niet als een probleem moeten zien, en zonder voorbehoud moeten geloven dat wat werkelijk gebeurd is op een natuurlijke manier heeft plaatsgevonden.

 

Ik beweer dat de omstandigheden van de wonderen duidelijk laten zien dat zij natuurlijke oorzaken vereisen. Om de Egyptenaren bijvoorbeeld met zweren te bezoeken, was het nodig dat Mozes as in de lucht gooide (Exod. 9:10; ook de sprinkhanen kwamen over het land Egypte op bevel van God in overeenstemming met de natuur, namelijk door een oostenwind die een hele dag en nacht waaide, en ze vertrokken weer door een zeer krachtige westenwind (Exod. 10:14,19). Op eenzelfde bevel van God spleet de zee open voor de Joden (Exod. 14:21), namelijk door een oostenwind die een hele nacht zeer krachtig blies. Ook toen Elisa een knaap, van wie men geloofde dat hij dood was, weer tot leven wilde wekken, moest hij zich meerdere keren over hem heen buigen tot het lichaam van de knaap weer warm werd en hij zijn ogen opende (2 Kon. 4:34-35). Zo worden in het Evangelie van Johannes handelingen vermeld die door Christus uitgevoerd werden als voorbereiding op het genezen van de blinde, en er zijn talrijke andere gevallen die aantonen dat er, om een wonder teweeg te brengen, nog meer nodig is dan het absolute besluit van God. Daarom moeten we geloven dat, hoewel de omstandigheden van een wonder niet altijd uitvoerig beschreven worden, een wonder zonder dat nooit is verricht. Dit wordt bevestigd door Exodus 14:27, waar eenvoudigweg meegedeeld wordt dat Mozes zijn hand uitstrekte en dat de wateren van de zee tegen het aanbreken van de morgen terugvloeiden in hun bedding, zonder dat er melding wordt gemaakt van wind; maar in het Lied van Mozes (Exod. 15:10), lezen we, ‘Gij bliest met uw adem (dat wil zeggen met een sterke wind) en de zee overdekte hen.’ In het verhaal wordt dus de bijkomende omstandigheid weggelaten, waardoor het wonder groter wordt.

 

Maar misschien zal iemand volhouden dat we in de Schrift veel dingen aantreffen, die op geen enkele manier verklaard kunnen worden door natuurlijke oorzaken, zoals bijvoorbeeld dat de zonden van mensen en hun gebeden regen kunnen veroorzaken en vruchtbaarheid van de aarde, of dat het geloof blinden kan genezen, enzovoort. Maar ik denk dat ik dat al genoegzaam beantwoord heb: ik heb laten zien dat de Schrift dingen niet verklaart door bijkomende oorzaken, maar ze slechts verhaalt in de orde en bewoordingen die mensen, en in het bijzonder het gewone volk, het meest doeltreffend aanzetten tot vroomheid. Zij spreekt dus zeer onzorgvuldig over God en de dingen, omdat haar opzet niet is het verstand van mensen te overtuigen, maar hun verbeelding aan te spreken en bezig te houden. Als de Schrift de vernietiging van een natie zou beschrijven op de manier waarop politieke geschiedschrijvers dat doorgaans doen, zou dat het volk onberoerd laten, terwijl het tegenovergestelde het geval is omdat zij alles op een dichterlijke manier schetst en alles toeschrijft aan God, zoals dat meestal het geval is. Dus als de Schrift vermeldt dat de aarde onvruchtbaar was vanwege de zonden der mensen, of blinden door geloof genazen, hoeven wij daardoor niet meer geraakt te worden, dan door passages die duidelijk niet letterlijk genomen moeten worden, bijvoorbeeld waar de Schrift verhaalt dat God vanwege de zonden der mensen vertoornd of verdrietig is, of berouw heeft van het goede dat hij beloofd en gedaan heeft, of dat God zich iets herinnert wat hij beloofd omdat hij een teken ziet, en andere soortgelijke uitspraken, die of op een dichterlijke manier uitgedrukt worden, of verteld worden in overeenstemming met de opvattingen en vooroordelen van de schrijver.

 

Daarom kunnen wij er absoluut zeker van zijn dat elke gebeurtenis, die in de Schrift als waar wordt beschreven, plaatsgevonden moet hebben — zoals al het andere — volgens de natuurwetten. En als er iets opgetekend is waarvan overtuigend aangetoond kan worden dat het strijdig is met de natuurwetten, of daaruit niet afleidbaar is, moeten we aannemen dat het door heiligschennende mensen heimelijk aan de heilige boeken is toegevoegd. Want alles wat strijdig is met de natuur, is eveneens strijdig met de rede en wat strijdig is met de rede is ongerijmd en dient daarom verworpen te worden.

 

HOE DE VERHALEN OVER WONDEREN OPGEVAT MOETEN WORDEN

 

Er resten nog enige dingen omtrent de interpretatie van wonderen die nog vermeld, of eigenlijk kort samengevat moeten worden, want het meeste daarover is al gezegd, en dat zal toegelicht worden met enkele voorbeelden. Dat is het vierde punt dat ik beloofd heb te bespreken in dit hoofdstuk. Mijn opzet is hier dat ik wil voorkomen dat iemand, door een wonder verkeerd te interpreteren, overhaast gaat denken dat hij iets in de Schrift gevonden heeft dat strijdig is met het natuurlijke licht.

 

Zelden vertellen mensen een gebeurtenis precies zoals die heeft plaatsgevonden, zonder daar iets van hun eigen mening aan toe te voegen. En als zij iets nieuws horen of zien, zijn zij, tenzij ze zeer op hun hoede zijn, zo druk bezig met hun eigen vooropgezette meningen, dat ze iets heel ander waarnemen dan de naakte feiten die ze horen of zien, vooral als dergelijke feiten het bevattingsvermogen van de waarnemer te boven gaan en helemaal als hij er belang bij heeft dat ze op een bepaalde manier plaatsvinden. Dat is de reden waarom kroniek- en geschiedschrijvers meer onthullen over hun eigen meningen dan over de gebeurtenissen die zij vermelden, waarom twee mensen die een verschillende mening hebben een enkele gebeurtenis zo anders vertellen dat het lijkt dat ze over verschillende gebeurtenissen spreken, en waarom het zo vaak zo gemakkelijk is om in een geschiedkundig boek de meningen van de geschiedschrijver te ontdekken.

 

Ten bewijze hiervan zou ik vele voorbeelden kunnen geven, zowel van natuurfilosofen, die natuurhistorische boeken hebben geschreven als van geschiedschrijvers, maar ik zal volstaan met een enkel voorbeeld uit de Schrift en de beoordeling van de andere overlaten aan de lezer. Ten tijde van Jozua deelden de Hebreeën, zoals ik al eerder vermeld heb, de toen gangbare mening dat de zon in een dagelijkse baan beweegt, terwijl de aarde in rust blijft. Aan deze vooropgezette mening pasten zij hun verslag aan van het wonder dat voorviel tijdens hun strijd met de vijf koningen (Jozua 10:12-13). Ze vertelden niet eenvoudigweg dat die dag langer duurde dan gewoonlijk, maar beweerden dat de zon en maan stilstonden of hun beweging gestaakt hadden, een bewering die hen destijds zeer van pas zou komen om de heidenen, die de zon aanbaden, ervan te overtuigen en door die ervaring kracht bij te zetten, dat de zon onder de heerschappij van een andere godheid stond, die de zon kon dwingen haar dagelijkse baan te veranderen. Daarom hebben ze, deels op grond op hun godsdienst, deels op vooropgezette meningen, dat voorval heel anders opgevat en verteld, dan wat er in werkelijkheid plaatsgevonden had.

 

Dus om de wonderen in de Schrift te kunnen verklaren en uit de verhalen ervan te kunnen begrijpen hoe ze in werkelijkheid plaatsgevonden hebben, is het noodzakelijk de meningen te kennen van degenen die ze het eerst verteld en voor ons neergeschreven hebben en die te onderscheiden van de werkelijke indrukken die de wonderen op hun zintuigen hebben gemaakt, want anders zullen we die meningen en oordelen verwarren met het feitelijke wonder, zoals het werkelijk heeft plaatsgevonden; erger nog, we zullen dan feitelijke gebeurtenissen verwarren met zinnebeeldige en denkbeeldige voorvallen. Immers vele dingen die in de Schrift als werkelijk zijn verteld en ook als zodanig geloofd werden, waren in feite slechts zinnebeeldig en denkbeeldig. Zoals bijvoorbeeld dat God uit de hemel neerdaalde (Exod. 19:28, Deut. 28) en dat de berg Sinaï in rook stond (Exod. 19:18), omdat God daarop neerdaalde in vuur; of dat Elia ten hemel voer in een vurige wagen met vurige paarden (2 Kon. 2:11). Al die dingen waren zonder twijfel slechts zinnebeelden, aangepast aan de opvattingen van hen, die ze aan ons overgeleverd hebben, zoals ze zich aan hen voorgedaan hadden, namelijk als werkelijk. Iedereen die zelfs maar weinig meer inzicht heeft dan het gewone volk, weet dat God geen linker- en rechterkant heeft; dat hij niet beweegt of in rust is, noch zich op een bepaalde plaats bevindt, maar dat hij absoluut oneindig is en alle volmaaktheden in hem besloten zijn.

 

Nogmaals, deze dingen zijn bekend bij iedereen die dingen beoordeelt naar de inzichten van het zuivere verstand en niet naar zijn uitwendige zintuigen, omdat die immers geleid worden door zijn verbeelding. Dat doet het volk dat zich God als een persoon voorstelt, die een koninklijke hofhouding voert met een troon op de hemelkoepel, boven de sterren, waarvan ze denken dat die niet zo ver van de aarde af staan. Aan deze en soortgelijke opvattingen zijn veel verhalen uit de Schrift aangepast en zouden door filosofen dus niet voor werkelijk gehouden moeten worden. Om, tot slot, in het geval van wonderen te kunnen begrijpen wat er eigenlijk heeft plaatsgevonden, zouden we op de hoogte moeten zijn van de Joodse zegswijzen en beeldspraak. Iedereen die daar onvoldoende aandacht aan schenkt, zou in de Schrift voortdurend wonderen kunnen zien, waar niets van dien aard door de schrijver bedoeld is; hij zou dan niet alleen niet weten wat er feitelijk gebeurd is, maar ook niet wat de schrijvers van de heilige boeken bedoeld hebben. Zo zegt bijvoorbeeld Zacharia, als hij spreekt over een op handen zijnde oorlog (Zach. 14:7): ‘het zal één dag zijn, die is bij God bekend, geen dag en geen nacht; maar ten tijde van de avond zal er licht wezen.’ Met deze woorden lijkt hij een groot wonder te voorspellen, maar toch bedoelt hij alleen dat de strijd de hele dag onbeslist zal blijven, dat de uitkomst alleen aan God bekend is, maar dat zij in de avond de overwinning zullen behalen. Met soortgelijke uitspraken werden door de profeten herhaaldelijk overwinningen en nederlagen van de naties voorspeld. Zo zegt Jesaja, als hij de verwoesting van Babylon beschrijft (Jesaja 13:10): ‘de sterren en de sterrenbeelden doen hun licht niet stralen, de zon is bij haar opgang verduisterd en de maan laat haar licht niet schijnen.’ Ik veronderstel dat niemand bedenkt dat bij de verwoesting van Babylon deze verschijnselen zich werkelijk hebben voorgedaan en evenmin wat de profeet daaraan toevoegt: ‘ik zal de hemel doen wankelen en de aarde zal bevend van haar plaats wijken’ (Zach. 14:13).

 

Zo zegt Jesaja ook, als hij de Joden voorspelt dat zij veilig vanuit Babylon zullen terugkeren naar Jeruzalem en tijdens hun tocht geen honger en dorst zullen lijden: ‘zij leden geen dorst, toen hij hen door de woestijn leidde; hij deed voor hen water uit de rots stromen; hij toch spleet de rots, zodat het water vloeide’ (Jes. 48:21). Deze woorden kunnen alleen maar betekenen dat de Joden, zoals andere mensen, in de woestijn waterbronnen vonden, waaraan zij hun dorst lesten; want het is gebleken dat toen de Joden met toestemming van Cyrus naar Jeruzalem terugkeerden, hen dergelijke wonderen niet toegevallen zijn.

 

Heel veel dingen die in de Bijbel gebeuren moeten dus louter gezien worden als Joodse zegswijzen. Daarom hoef ik daar verder niet uitvoeriger op in te gaan, maar ik wil wel in het algemeen aandacht vragen voor het feit dat de Joden dergelijk zegswijzen niet alleen bezigden ter versiering, maar ook en in feite hoofdzakelijk uit vrome beweegredenen. Dat is ook de reden voor het vervangen van ‘God eren’ door ‘God vaarwel zeggen’ in 1 Koningen 21:10 en Job 2:9 en voor alle dingen die aan God toegeschreven worden, waardoor het lijkt dat de Schrift alleen maar wonderen vermeldt, zelfs als er gesproken wordt over de gewoonste gebeurtenissen zoals in de hierboven gegeven voorbeelden. Wanneer de Schrift zegt dat ‘God het hart van de Farao verhardde’ (Exod. 4:21, 7:3), moeten we dus aannemen dat dat alleen betekent dat de Farao weerspannig was; als er staat dat God ‘de vensters van de hemel opende,’ betekent dat alleen dat het heel hard regende, enzovoort. Als wij nadenken over deze eigenaardigheden en ook over het feit dat de meeste dingen zeer beknopt verhaald worden, met zeer weinig bijzonderheden en als het ware ingekort, zullen we zien dat er in de Schrift amper iets voorkomt waarvan niet bewezen kan worden dat het strijdig is met het natuurlijke verstand, terwijl anderzijds veel dingen die eerder duister leken, met enig nadenken begrepen en eenvoudig verklaard kunnen worden.

 

TWEE BENADERINGEN VAN WONDEREN

 

Ik denk dat ik alles, wat ik mij voorgenomen had te verklaren, nu heel duidelijk verklaard heb. Maar voordat ik dit hoofdstuk afsluit, zou ik aandacht willen vragen voor het feit dat ik bij de behandeling van wonderen volgens een andere methode te werk ben gegaan, dan ik gebezigd heb bij de bespreking van de profetie. Over de profetie heb ik gesteld dat niet teruggebracht kon worden tot wat de Schrift geopenbaard is, terwijl ik in dit hoofdstuk mijn gevolgtrekkingen alleen maar gemaakt heb vanuit beginselen die bekend zijn door natuurlijke inzichten van het verstand. Ik heb die manier weloverwogen gevolgd, omdat de profetie, voor zover zij de menselijke kennis te boven gaat, een zuiver theologisch vraagstuk is. Ik wist dus dat ik daarover geen uitspraken kon doen, noch haar aard duidelijk kon maken, behalve door wat ik kon afleiden uit hetgeen geopenbaard is. Daarom was ik genoodzaakt de verhalen over profetieën te verzamelen en daaruit bepaalde gevolgtrekkingen te maken, die mij, voor zover dat mogelijk is, duidelijk zouden maken wat de aard en eigenschappen zijn van de gave van de profetie. Maar in het geval van de wonderen was ik daartoe niet genoodzaakt, omdat ons onderzoek een zuiver filosofisch vraagstuk is (namelijk of er in de natuur iets kan gebeuren dat strijdig is met de natuurwetten of daar niet uit volgt). Daarom leek het mij verstandiger het probleem te ontrafelen vanuit zekere en door en door bekende aannames, terwijl dat ook opgelost had kunnen worden vanuit de leerstellingen en wezenlijke beginselen van de Schrift. Om dat voor iedereen duidelijk te maken, zal ik in het kort laten zien hoe dat kan.

 

De Schrift beweert in verschillende passages in het algemeen dat de orde van de natuur vast en onveranderlijk is. Bijvoorbeeld in Psalm 148:6 en Jeremia 31:35. In Prediker 1:10 leert de wijze nadrukkelijk ‘er ís niets nieuws onder de zon,’ en in vers 11 licht hij dat toe en zegt dat, hoewel er soms iets voorvalt dat nieuw lijkt, dat niet echt nieuw is, maar ‘het was er al in verre tijden, die vóór ons waren. Er is geen heugenis van de vorige tijden en ook van de latere, die er zullen zijn, zal geen heugenis wezen, bij hen die nog later zullen leven.’ En in 3:11 zegt hij nogmaals, ‘alles heeft hij voortreffelijk gemaakt,’ en voegt daaraan meteen daarop toe, ‘ik heb ingezien dat al wat God doet, voor eeuwig is; daaraan kan men niet toedoen en daarvan kan men niet afdoen.’

 

Al die passages maken duidelijk dat de natuur een vaste en onveranderlijke orde bewaart en dat God in alle tijden die bekend en onbekend zijn, dezelfde is geweest; verder dat de natuurwetten zo volmaakt zijn dat daaraan niets toegevoegd en afgedaan kan worden; en tot slot dat wonderen zich slechts als iets nieuws voordoen vanwege de onwetendheid van de mens. Dat leert de Schrift ons nadrukkelijk; nergens beweert de Schrift dat zich iets voordoet dat strijdig is met of niet kan volgen uit de natuurwetten; en daarom moeten we een dergelijke leer ook niet aan haar toeschrijven. Aan deze overwegingen moeten wij toevoegen dat wonderen oorzaken en bijkomende omstandigheden vereisen en dat zij niet het gevolg zijn van een of ander geheimzinnig oppermacht die het volk aan God toekent, maar van een goddelijk bevel en besluit, dat wil zeggen (zoals wij met de Schrift hebben aangetoond) uit de wetten en orde van de natuur; tot slot, dat wonderen zelfs door valse profeten verricht kunnen worden, zoals blijkt uit Deuteronomium 8 en Mattheus 24:24.

 

De gevolgtrekking die wij daaruit zeer duidelijk kunnen maken is dat de wonderen natuurlijke voorvallen zijn geweest en daarom als zodanig verklaard moeten worden, dat ze noch nieuw lijken (in de woorden van Salomo), noch strijdig met de natuur, maar voor zover mogelijk in volledige overeenstemming zijn met gewone gebeurtenissen. Nu ik de aan de Schrift ontleende regels uiteengezet heb, kan iedereen dat nu verder eenvoudig zelf doen. Maar hoewel ik staande houd dat de Schrift deze leer onderricht, beweer ik niet dat zij die leert als een waarheid die noodzakelijk is voor het heil, maar alleen omdat de profeten het wat dat betreft met ons eens zijn; daarom staat het eenieder vrij over dit onderwerp te denken wat hij wil, voor zover hij denkt dat dat het beste voor hem zelf is en het de meest waarschijnlijke manier om hem tot het aanbidden van God en toewijding aan de godsdienst te brengen.

 

Dat is ook de mening van Josephus, want aan het slot van het tweede boek van zijn Oudheden, schrijft hij: ‘Laat niemand denken dat het verhaal over de zee die splijt om deze mensen te redden, ongeloofwaardig is, want wij vinden in oude optekeningen dat dit al eerder gezien was, en het is om het even of dat door Gods buitengewone wil, of door de loop van de natuur plaatsgevonden heeft. Datzelfde gebeurde ook ooit bij de Macedoniërs, onder bevel van Alexander. Toen ze op zoek waren naar een andere passage spleet de Pamphilische Zee om hen doorgang te verlenen. Dat was Gods voorzienigheid die toentertijd Alexander als zijn instrument gebruikte om het Perzische rijk te verwoesten. Dit wordt bevestigd door alle geschiedschrijvers die beweerd hebben dat ze het leven van de Vorst beschreven hebben. Maar mensen zijn vrij om te denken wat ze willen.’


Dit zijn de woorden van Josephus en dat is zijn mening over wonderen.



NOOT


* Zolang ons idee van God eerder verward dan helder en duidelijk is, twijfelen we aan Gods bestaan en dus aan alles. Iemand die een verward idee heeft over de goddelijke natuur, zal niet zien dat zijn bestaan tot zijn natuur behoort, zoals iemand die de natuur van de driehoek niet goed begrijpt, niet zal weten dat haar drie hoeken gelijk zijn aan twee rechte hoeken. Hoe kunnen wij dan Gods natuur helder en duidelijk begrijpen? Daartoe moeten we ons richten op bepaalde zeer eenvoudige begrippen — bekend als ‘algemene begrippen’ — en die verbinden met begrippen die passen bij de goddelijke natuur. Zodoende zal het duidelijk worden dat God noodzakelijk bestaat en alom aanwezig is; dat alles wat we begrijpen Gods natuur inhoudt en daardoor wordt begrepen en tot slot dat alles wat we goed begrijpen waar is. Zie hierover de inleiding van mijn boek Descartes’ beginselen van de Wijsbegeerte, Meetkundig uiteengezet.


* * *