| www.verbodengeschriften.nl
Uit: DE ZACHTE MOORDENAARS (1974) Het sociopathologisch syndroom der maatschappijstructuren
Opgedragen
aan
allen
Die mij een kwaad hart toedragen Met het heimelijke verlangen Dat zij dit boek onbevooroordeeld zullen lezen
En tevens met een warm hart Opgedragen aan alle kinderen Opdat zij, ondanks alles, het geloof in zichzelf in de medemens en in een betere wereld niet zullen verliezen
Van psycho- naar sociopathologisch syndroom Een
aan de heersende maatschappijstructuren perfekt aangepast gedrag is het
zuiverste symptoom van geestelijk-gestoord-zijn. Aanpassing gebeurt
immers ten
koste van het ‘menselijke’ in de mens. Het ‘menselijke’ is niet
vanzelfsprekend
in deze maatschappij. Het is een curiosum, iets vreemd, iets
eigenaardig, iets dat men gaat bekijken, dat men heimelijk en met
heimwee
bewondert, dat soms ontroert en waarvoor men eventueel een standbeeld
opricht
of een straatnaamverandering doorvoert nadat men het eerst gevangen,
verguisd
of vermoord heeft. In een maatschappij als deze is geen plaats voor het
‘menselijke’. Integendeel. Van bij de geboorte wordt elk mensenkind
systematisch en op efficiënte wijze aan een ‘ontmenselijkingsproces’
onderworpen.
Dit proces is zo efficiënt dat elke aangepaste structuurspeler zelfs
geen weet
meer heeft van wat hem werd aangedaan. Onze ontmenselijkte maatschappij
wordt
haast ervaren als een vanzelfsprekendheid. Schoolvoorbeelden van
ontmenselijking zijn de door de mens ontworpen en in stand gehouden
structuren. Het sociopathologisch syndroom der
maatschappijstructuren. Het
psychopathologisch syndroom van de normale mens (Impasse. Het
psychopathologisch syndroom van de normale mens. 160 pp. De
Nederlandsche
Boekhandel, 1973.) stoelt op dit sociopathologisch
syndroom dat tot
doel heeft de mens de toegang tot het menselijke te ontzeggen. Merkwaardig
genoeg
pretendeert
dit
sociopathologisch
syndroom
der
maatschappij-structuren
juist
de
bevordering
van
het
menselijke
in
de
mens tot eigen doel te
hebben.
Dit is van alle leugens de gemeenste die er bestaat. Daarom noemen wij
deze
gemeenheid der maatschappij-structuren ‘the soft killers’, ‘de
zachte
moordenaars’. Wanneer
men
iemand
richt
op
een
ander
doel
dan
de
eigen
ontplooiing,
wanneer
secundaire
doelstellingen
primair
worden
gesteld, wanneer de konkrete mens in
dienst moet
staan van de maatschappij en niet andersom, wanneer die maatschappij
zich bij
de bepaling van haar doelstellingen laat leiden door bepaalde
belangengroepen,
dan is de vervreemding als wezenskenmerk in de maatschappij ingebouwd,
dan is
die maatschappij misdadig. In zo’n maatschappij leven wij. De eigenheid
van de
konkrete mens wordt ontkend, de middelen deze te realiseren worden hem
geweigerd en wie gewoon zichzelf wenst te worden, wordt weggeduwd naar
de rand,
naar de marge van deze maatschappij, wordt een outsider, een marginale,
een-die-er-niet-bij- hoort. Het
is geen eenvoudige opgave zich niet te laten herleiden tot de inhoud
die de
aktuele maatschappijstructuren voorstaan, hun veiligheid, waarborgen en
levensverzekering van de hand te wijzen, zich niet te laten beperken en
indijken tot de zogenaamde normaliteit van hun maatstaven. Elke
structuur
zal
immers
op
haar
menselijke
waarde
moeten
worden
getoetst.
Dit
is
het
ultieme
criterium.
Enkel die structuren die een hulpmiddel zijn
tot, een
steunpunt voor vermenselijking zullen de wereld van morgen mogelijk
maken. Het
menselijke laat zich immers nooit integraal structureren.
De
structuurmakers
ondervinden weinig tegenstand. Het merendeel der mensen offert gewillig
zijn
mens-zijn op voor een veilig bestaan binnen de door de
structuren
toegestane speelruimte. Merkwaardig
genoeg
leeft
bij
het
merendeel
der
mensen
de
‘zekerheid’
dat
tegen
deze
structuren
niets
valt
te
ondernemen. De weerloosheid waarmede de mens aan de
structuren, —
door hemzelf geschapen en in stand gehouden —, overgeleverd is, dwingt
hem tot
‘aanpassing’ ten koste van het ‘menselijke’ in de mens. Als ‘beloning’
krijgt
hij sociale zekerheid, een vast inkomen (een minimum althans, zo wordt
hem
beloofd), eventuele kosteloze geneeskundige verzorging en op het eind
(na
afschrijving dus) een ‘overlevingspensioen’ veiligheid, geborgenheid
tot aan
zijn dood. Daar gaat het juist om. De mens offert zijn ‘menselijkheid’
op voor
een veilige geborgenheid, voor verveling, vervreemding, voor een
‘ongeboren
toestand’, een vormloosheid, inhoudsloosheid, leegheid, voor een
niet-zijn. Wie
binnen deze structuren grondig durft nadenken, naar eigen eenheid
zoekt, naar
verbondenheid met de medemens en de kosmos verlangt, bij een pasgeboren
kind de
kindermoord in zichzelf opnieuw ervaart, ontkomt niet meer aan een
fundamentele
krisis, aan een fundamentele konflikt-situatie, aan een innerlijke
revolte
gevolgd door opstandigheid en het uiteindelijk verlangen
er-wat-aan-te-doen... Dit
is meteen de vraag wie kan wat doen? en tegen wie? tegen wat? Wie met
enige
zelfkritiek de diverse sociale situaties en structuren analyseert, komt
tot de
vaststelling dat de ‘diverse machten’ stevig in het zadel zitten en elk
hun
repressie-apparaten hebben uitgebouwd. Elke structuur neemt in haar
bovenbouw,
— zo poogt zij althans —, enkel betrouwbare elementen op. Wie zich
binnen een
eigen structuur marginaal opstelt wordt vroeg of laat geliquideerd,
eerder
vroeg dan laat. Het systeem werkt doorgaans perfect. Mensen die
opgeleid werden
om binnen structuren goed te functioneren, vrezen de uitsluiting. Wordt
men
uitgesloten dan is men meteen een gestigmatiseerde, een verschoppeling,
een
vereenzaamde, een paria. Daarmee is de cirkel gesloten. Het
mechanisme van de instandhouding der structuren zelf is echter
doorzichtig, nl.
de opbouw van een eigen repressie-apparaat. Dit repressie-apparaat kan
de meest
uiteenlopende vormen aannemen. Het behoort tot de strategie der
revolutie deze
repressie te ontmaskeren. De verschijningsvormen zijn zo verscheiden,
zo
misleidend, zo tegengesteld dat hun gemeenschappelijke oorsprong haast
ondoorzichtig wordt. De gemeenschappelijkheid zelf is nochtans evident
met
zachte of harde hand, — zalvend of straffend —, al wie deviërende
tekenen
vertoont tot de orde roepen of uitstoten. En
toch rest de fundamentele vraag : hoe kan de mens tot structuren worden
herleid, hoe kan de mens binnen structuren worden ingebed, hoe kan de
mens aan structuren
worden onderworpen, hoe kan de mens tot massale vervreemding worden
gedwongen ?
Deze vraag trekt niet in twijfel dat het gebeurt, zij slaat alleen op
de mogelijkheid van dit gebeuren. Hoe is dit alles mogelijk
geworden ? Even
merkwaardig is
de vaststelling dat deze structuren zich handhaven ondanks de
min of
meer bewuste innerlijke onvrede van het merendeel der ‘onderhorigen’. Dit
alles voert ons tot een belangrijke en haast ongelooflijke vaststelling
dat het
‘menselijke’ zich in zeer weinig mensen kan realiseren, mensen die zich
aan de structuren
hebben onthecht, mensen die eventueel wel bereid zijn deze structuren
tot
steunpunt te nemen, echter niet tot lotsbestemming of einddoel. De
vaststelling
dat de meeste mensen hun ‘aanpassing’ betalen met hun menselijkheid.
Waarom ?
Wat krijgen zij in de plaats? De zinloosheid. Het luchtledige. De
vervreemding.
Gebrek aan levensruimte, aan menselijk leven. Wie
in volle ernst de eigen situatie onder ogen durft nemen, ontkomt niet
meer aan
fundamentele, essentiële ‘menselijke’ vragen. Waarom leef ik ? Wat is
de zin
van dit, mijn leven? Waarvoor sloof ik mij af of uit? Aan welke waarden
leen ik mijn leven? Welke leenheer dien ik? Wie in volle
ernst al
deze
vragen
onder ogen durft zien, ontdekt dat hij wordt misleid en misbruikt, dat
hij een
oneerlijk spel speelt in de eerste plaats tegenover zichzelf, dat hij
in de
eigenwaan gegrepen zit, dat hij het medeplichtig slachtoffer is van een
gigantische ontmenselijking. Welke
structuren
zijn
het
waarmee
de
mens
hoofdzakelijk
wordt
geconfronteerd
van
bij
geboorte
af
tot
aan
wat doorgaans de dood wordt genoemd ? Reeds vanaf
de start
doen zich fundamentele verschillen voor. Het predominerend
structuurpatroon
verschilt van individu tot individu, naargelang de toevalligheid van
het gezin
waarin men geboren werd. Een arbeiderskind zal, — in deze maatschappij
—, een
andere structurele lijdensweg ondergaan, op een andere wijze in zijn
mens-zijn
worden verminkt dan het kind dat in het gezin van een rechter, een
arts, een
groot-industrieel werd geboren. De ontmenselijkingskansen liggen
verschillend,
maar zijn in hun betekenissen analoog. Ieder mens maakt een
verschillende structuurcarrière
door, het pathologische der structuren is echter van dezelfde orde. Het
hoeft
dan ook niet te verwonderen dat sommige ‘intellectuelen’ en
‘bourgeois-kinderen’ het opnemen voor de ‘arbeiders’, daar hun
menselijk
geschonden-zijn gemeenschappelijk is. Ons
eerste boek behandelde het psychopathologisch syndroom van de ‘normale
mens’.
Het sociopathologisch syndroom der maatschappij-structuren is een
verdere fundering
van het pathologisch syndroom. Immers, hoe kan de mens op dergelijke
pathologische actie der maatschappij-structuren reageren ? 1
Wie
in
het
nauw
gedreven
wordt,
zal
zich
pantseren, zijn
afweer zo goed mogelijk organiseren. The
struggle
for life. Wij weten wat dit betekent. Wij hebben immers
oorlogservaringen. Alle
energiebronnen die, in geval van vrede een rijke diversiteit vertonen,
worden
van hun oorspronkelijk doel afgeleid en uitsluitend ter beschikking
gesteld van
de weerbaarheid. Dit is een zeer uitputtende aangelegenheid.
2 Wie
in verweerhoudingen
verstard is wordt
afgeleid van zijn oorspronkelijk doel, zijn opgave als mens, zijn
vermenselijking. Het essentiële der konkreet-individuele opgave
verdwijnt naar
het achterplan, naar de vergetelheid, naar die ruimte waar
oorspronkelijke
werkelijkheid wens en fantasie wordt. 3 Wie
afgeleid wordt van
zijn
oorspronkelijk doel zal tussen zijn tot droom herleide werkelijkheid
enerzijds
en zijn gepantserde verweerhouding anderzijds een spanningsveld van
ongenoegen, mistevredenheid, op gekropte agressiviteit en ervaringen
van
zinloosheid ‘in leven’ houden. Dit
heeft tot merkwaardig gevolg dat de ‘oorspronkelijke werkelijkheid’
verdwijnt
om plaats in te ruimen voor de ‘nieuwe werkelijkheid’ die
vanuit de structuren
wordt gedicteerd. Zij bepalen, beslissen en bevelen wat de
‘werkelijkheid’ zal
zijn waaraan de mens zich conform heeft te gedragen. Zoniet, treedt het
in elke
structuur ingebouwd repressie-apparaat op met zijn stigmatiserende
woorden: zondig,
misdadig, abnormaal. Deze drie laatste stigmata verwijzen naar
drie
belangrijke repressieve machtsstructuren : de moraal (kerkelijke of
officiële),
het gerecht en de geneeskunde. Het deshumaniserend bolwerk van deze
drieëenheid
bereikt het verbluffend resultaat dat de mens buiten zijn
werkelijkheid, buiten
De Werkelijkheid wordt gehouden en een neurotisch leven ontwikkelt
binnen een structureel-bepaalde
schijnwerkelijkheid. Deze schijnwerkelijkheid werd echter officieel
geïnstalleerd als de werkelijkheid, en wie daarvan afwijkt,
wie
eventueel interesse zou hebben voor De Werkelijkheid, zal
noodzakelijkerwijze
met deze structuren in botsing komen. Wie
bij deze botsing afknapt, vlucht in het psychopathologisch syndroom;
anderen
stellen zich marginaal op, een luxe die zij zich kunnen veroorloven
vanuit hun
kontakt met De Werkelijkheid, met De Menselijkheid. Bij
de marginalen zijn er echter twee groepen die niet passen binnen het
sociopathologisch syndroom der maatschappij-structuren, enerzijds
diegenen die
zogenaamd definitief afknappen, de psychotici, en anderzijds diegenen
die het
sociopathologisch syndroom overschrijden vanuit hun contact met De
Werkelijkheid. Beide groepen vinden elkaar : een dubbele marginaliteit
waarbij
de groepen in elkaar overgaan. Dit wordt op zijn beurt handig door het
repressie-apparaat der maatschappij-structuren uitgebuit: zij kennen
maar één
vorm van vreemde marginaliteit, die der krankzinnigen: de anderen
worden ook
krankzinnig verklaard. Als
verweer tegen het sociopathologisch syndroom zijn beide vormen van
marginaliteit belangrijk en vullen elkaar aan: eerst genoemde door op
de meest
geprononceerde, existentieel-dramatische wijze aan te tonen dat het zo
niet
verder kan, laatst genoemde door leef- voorbeelden te geven, door
exemplarisch
aan te tonen hoe het anders kan. Zo wordt enigszins doorzichtig dat het
menselijke zich in het zwakke openbaart. Zo wordt echter meteen
duidelijk dat
juist het ergste wat een mens kan overkomen, is: een normaal,
aan-maatschappelijke-structuren-aangepast-individu te worden. Eenmaal vastgelopen
in de structuren, zijn dramatische levensomstandigheden nodig
om
een
deblokkering mogelijk te maken. Een
woord dat in is in deze maatschappij is het woord identificatie:
men
identificeert
zich
met
alles
en
nog
wat:
in
de
opvoeding
met
de
ouderfiguren,
op
school
met het opgedrongen maatschappijbeeld, in het
beroepsleven met de toebedeelde rol, bij het bereiken van de
pensioengerechtigde leeftijd met de overbodigheid,... De meest-massale
identificatie, — en tevens de minst onderkende —, gebeurt met
het
sociopathologisch syndroom der maatschappij-structuren. Alles is
immers
afgestemd op het ‘er komen’. Wat betekent nu juist ‘er komen’?
Hier
openbaart zich het intrigerend-absorberend spel der gevestigde
structuren. Het
‘er komen’ is niet meer of minder dan een plaatsje vinden binnen die
structuren.
Hoeft
het
nog
verduidelijking?
Wie
geen opvoeding geniet, komt
er niet.
Wie op school niet meekan, komt er niet. Wie niet lichamelijk
gezond is,
komt er niet. Wie met de rechter in aanraking kwam, komt er
niet. Wie
andere vormen van wetenschapsbeoefening voorstaat dan de officieel
geconsacreerde,
komt er niet. Wie het politieke beleid fundamenteel kritisch
beoordeelt, komt
er niet. Wie de voorrang van de economie als de meest vervreemdende
macht
ontmaskert, komt er niet. Wie er niet komt, lijdt aan een defect in
zijn identificatiemechanisme,
is een onaangepaste, een mislukkeling, althans in deze maatschappij.
Wie
zichzelf
wil
worden,
zijn
en
blijven,
komt
er
niet.
Het ‘menselijke’ komt
er niet. Daarom zijn mensen bange wezels, daarom offeren mensen hun
menselijkheid en die van hun kinderen, omdat zij er anders niet komen. Nadenkend
over
wat
het
‘er
komen’
betekent,
stuit
men
op
het
sociopathologisch
syndroom
der
maatschappij-structuren.
Het
psychopathologisch
syndroom van de
‘normale
mens’ wordt door het sociopathologisch syndroom der gevestigde
structuren
voorbereid en nadien bevestigd. Beide syndromen zijn interdependent.
Genezing
situeert zich op een ander niveau, verlaat de schijnwerkelijkheid,
heeft
Werkelijkheidsgehalte, valoriseert het Menselijke. De mens is
slachtoffer van
beide syndromen, maar heeft tevens beide syndromen in handen. De
Uitwegen uit
de Impasse hebben betrekking op beide syndromen: de individuele
bewustwording
op het psychopathologisch syndroom, de sociale verantwoordelijkheid op
het
sociopathologisch syndroom. Daarom hebben wij dit de twee-enige uitweg
genoemd. Het
sociopathologisch syndroom vertoont gemeenschappelijke symptomen die
binnen elke
structuur kunnen worden teruggevonden, ook al ligt de accentuering
verschillend. Er is trouwens een hiërarchiserende dependentie der
verschillende
structuren en ieder medemens is gelijktijdig lid van meerdere
structuren. De
hierna volgende symptomen worden door de structuurverdedigers en
organisatie-analisten ànders benoemd: zij zouden noodzakelijke
voorwaarden zijn
voor het voortbestaan der structuur, waardevrije constituerende
elementen,
ordenende beginselen, en dies meer. Dat in de uitbouw zelf het
deshumaniserende
reeds ligt besloten, schijnt niet zo gemakkelijk door te dringen.
Enkele van de
belangrijkste symptomen zijn 1
Nood
aan
zelfbestendiging
als
autonome
instelling eigen
aan elke structuur. Structuren dienen
zichzelf
aan alsof zij natuurlijke gegevenheden zouden zijn, altijd bestaan
hebben en
ook altijd zullen bestaan. Hoewel deze stelling gemakkelijk historisch
en
geografisch te weerleggen is, doet men alsof. Dit alsof-gedrag
manifesteert
zich telkens wanneer men naar het hoe en waarom van een bepaalde
structuur
vraagt. Wie huwelijk, gezin, onderwijs, gerecht, geneeskunde,... op hun
al dan
niet humaniserende waarde durft toetsen, wordt als ondergraver van
instellingen, ondermijner van het gezag, saboteur van de bolwerken der
beschaving, afbreker van de hoekstenen der maatschappij, kortom als een
‘subversief element’ bestempeld. De geeigende taal van het alsof-gedrag
der
vanzelfsprekendheid hoort men dagelijks. Zinnen als ‘zo iets doet men
niet’,
‘er zijn nu eenmaal grenzen’, ‘hoe durft men het aan’, ‘waar haalt men
die
pretentie vandaan’, illustreren dit. Structuurbekleders pretenderen
buiten en
boven de mens te staan: zij beschouwen zichzelf niet als veranderlijke
steunpunten die door de mens kunnen worden gebruikt of terzijde gelaten
naargelang zij het humaniseringsproces bevorderen of verhinderen. 2
Vertikaal-piramidale
opbouw
der
eigen
structuur. Dit
symptoom is even fundamenteel, even noodzakelijk
als de zelfbestendigende functie : het is de voorwaarde der
zelfbestendiging.
Deze vertikaal-piramidale opbouw wordt liefst zo eenvoudig mogelijk
gehouden.
Kerk en leger zijn hier prototypen. De basis heeft men liefst zo breed
mogelijk, de top zo eng mogelijk, met tussen beiden variërende
tussenschakels
naargelang de behoeften. Elke piramide is ongeacht de structuur zeer
goed
herkenbaar. Men wéét wie wie is. Typische kenmerken van dit symptoom
zijn 3
Ingebouwd
repressie-apparaat
naar
het
straf-
en
beloningsmodel. Het
straf
en beloningsmodel is het
instrumentarium om
de vertikaal-piramidale opbouw te verzekeren. Waar macht in handen is
van
weinigen, is repressie een noodzaak. Beloning en straf zijn de
evaluatie-momenten van het ons opgelegd rollenspel. Sociale structuren
zijn
immers rolverdelers. Binnen iedere structuur krijgt men een
welbepaalde
rol toebedeeld. Om het opgelegd rollenspel goed te spelen dient men de
eigen
identiteit te verloochenen en de aliënatie, de vervreemding, als nieuw
wezenskenmerk te aanvaarden. De
geoorloofde rollen hebben zeer eenvoudige kenmerken: braaf en
gehoorzaam zijn,
goed leren, hard werken, geboden en verboden onderhouden en daarmee is
de kous
af, ook al mag men nu en dan een klein steekje laten vallen.
Grote
steken laten vallen is het zichzelf toegeëigend voorrecht van de top
der piramiden. Wie
de officieel opgelegde, economisch-productieve,
politiek-ideologisch-onderworpen rollen weigert te Spelen, krijgt
vanbuitenuit
door de maatschappelijke repressie-organen een andere rol opgedrongen
waarbij
het ware gelaat van deze maatschappij zichtbaar wordt: de marginale rol
van
politiek delinquent of van krankzinnige. In gespecialiseerde
instituten,
uitgerust met de meest verfijnde marteltechnieken, wordt men krankzinnig
gemaakt: de moderne versie van de middeleeuwse brandstapels, —
zachte
moordenaars met vuile handen. De negatief-destructieve krachten in deze
maatschappij wanen zich zo sterk dat zij veel van hun
camouflage-technieken
laten varen, martelingen en geweld openlijk propageren als
burgerdeugden en
uitingen van patriottisme. Nooit was de delinquentie bij de overheid zo
schaamteloos. Piramide, top, autoriteit, straf en beloning... : sleutelwoorden die één en dezelfde constellatie aanduiden en verwijzen naar hetzelfde syndroom. Twee vormen van autoriteit moeten echter duidelijk van elkaar worden onderscheiden: een humane autoriteit die de andere niet vernietigt, maar wekt en door de andere van binnen uit aanvaard en dus toegankelijk wordt enerzijds en een deshumaniserende autoriteit die zich vanuit de structuren opdringt anderzijds. De eerstgenoemde autoriteit kan zich waar maken ondanks de structuren, de tweede heeft de structuren nodig om zich in stand te houden. Deze laatste biedt het beeld van een wonderlijke mengeling van onmacht en psychisch en/of fysisch geweld. Zij is eigen aan nagenoeg alle structuren in deze maatschappij, is zeer gedifferentieerd en kent veel nuances: zij beschikt tussen twee extreme polen over een gamma van mogelijkheden. Enerzijds is er het ruw-brutale optreden, frequent beoefend door beschaafde lieden en bestaande uit de zeer eenvoudige knok-, knots- en kloptechniek, anderzijds de meer verfijnde, haast onzichtbare diep-inwerkende dwang die speelt in opvoeding, onderwijs en beroep (‘spelen’ is hier een metafoor en heeft niets gemeenschappelijks met de humaniserende spel-funktie). Men kan gerust stellen dat onze Westerse maatschappij in al haar geledingen één grote aaneengerijgde dwangbuis is, waarbij zelfs het kind, als laatste toevlucht om opgelopen frustraties tot ontlading te brengen, de pop straffend vermaant of in de hoek zet. De stoute pop is de resultante van twintig eeuwen Westerse beschaving.
Hersenspoeling wordt ingeschakeld daar waar de maatschappijstructuren in hun deshumaniserend werk hebben gefaald. Elke structuur beschikt over het nodig fit-in arsenaal om het conform gedrag der individuele leden aan de groepsnormen te verzekeren. Oudere structuren gebruiken meer autoritaire methoden, zoals de tuchtraad der advocaten en de orde der geneesheren. Nieuwere structuren doen beroep op methoden van meer psychologische aard, die meer in zijn, zoals bijvoorbeeld sensitivity-training. Het doel blijft hetzelfde, er zorg voor dragen dat de leden goed blijven functioneren binnen een bepaalde groep of structuur in overeenstemming met de door haar bepaalde regels. De hersenspoeling heeft veel vormen en technieken, ook de benamingen zijn verschillend, maar westers getint... Onze moderne managers gaan blij naar de hersenspoelmachine net of zij met vakantie gaan, er even uitvliegen: bevoorrechte zielen... Al deze technieken hebben maar één doel: de mens reduceren tot wat aanvaardbaar is voor de desbetreffende structuur. Ingenieuze manipulatietechnieken die de mens leren hoe zich prettig te voelen in een vernauwde situatie die bestaanszekerheid biedt.
4 Werkelijkheidsreductie en bewustzijnsvernauwing als noodzakelijke voorwaarden om de structuren te her-leiden tot zachte moordenaars. Dit vierde symptoom is fundamenteler dan de drie voorgaande, het fundeert de drie voorgaande en wordt tevens door hen ontkend. Dit vierde symptoom vormt de zwaarste beschuldiging, men mag er zich bijgevolg aan verwachten dat zij massaal zal worden genegeerd. Werkelijkheidsreductie en bewustzijnsvernauwing werden reeds eerder in dit hoofdstuk besproken, zij zullen onze leidraad zijn in de drie volgende hoofdstukken. Indien onze structuurgidsen zo bekwaam en betrouwbaar zouden zijn als uit hun beweringen blijkt, hoe kon de mens dan in dergelijke impasse belanden? Elke structuur levert haar bijdrage in het reductieproces van de werkelijkheid en in het manipuleerbaar maken van het mensenmateriaal. De namen zijn veranderd, klinken hedendaagser. Men spreekt van adaptatie- en programmeringstechnieken.
Werkelijkheidsreductie,
bewustzijnsvernauwing
en
vervreemding
gaan
in
versneld
tempo
verder.
De
technocraten
hebben
hun
handen
vrij. Zij beheersen de databanken en de
computers. De
robotisering kan beginnen. De elektronische baby kan geboren worden,
net op
tijd want de aarde zal te dor geworden zijn, onbewoonbaar voor
menselijke
gevoelens. De mens heeft immers, zo meent hij althans, het vuur van de
goden
gestolen, heeft zeggingsmacht gekregen over hemel en aarde, heeft de
hemel
reeds afgeschaft en is de aarde aan het verschroeien tot elk spoor van
menselijk leven definitief zal zijn uitgewist... Het
maatschappelijk adaptatie-proces is een reductieproces Van
Werkelijkheid, een
vernauwingsproces van Bewustzijn, een zachte moord op de Mens in de
mens. Drie
elkaar completerende triades ondersteunen het sociopathologisch
syndroom der
maatschappij-structuren. De eerste triade (gezin, school, beroep) voert
de
werkelijkheidsreduktie door. De tweede triade (moraal, gerecht,
geneeskunde)
kontroleert het reductie- en adaptatieproces. De derde triade
(wetenschap,
beleid, economie) biedt de rechtvaardigingsgrond voor deze reductie: de
wetenschap geeft de fundering die door het beleid operationeel wordt
gemaakt
met het oog op de economische belangen.
Lees hier een interview met Steven de Batselier: De wijze
man
van Bunsbeek, het grote hart van Vlaanderen ,
http://users.skynet.be/bk284765/bok/debatsel.htm
De
Nederlandse Boekhandel, Antwerpen/Amsterdam 1974, ISBN 90 289 0009 8 *
* *
|