| www.verbodengeschriften.nl
VAN EMOTIE NAAR LAESIE
Uit: Van Emotie naar Laesie Fundamentele beschouwingen over de fysiologie en pathofysiologie van psychofysische betrekkingen met inbegrip van therapeutische aspecten.
F. Hoffmann-La Roche & Co. Aktiengesellschaft Bazel 1969
De groeiende kennis van de relaties der emoties met de normale en gestoorde lichamelijke functies, eist van de moderne arts, dat hij emotionele conflicten als even reëel beschouwt als micro-organismen
F. Alexander, 1950
Dat
chronische emotionele prikkels bij patiënten, die hiervoor gedisponeerd
zijn,
tot een functionele stoornis en tenslotte tot een organische ziekte
kunnen
leiden, is een experimenteel en klinisch bewezen feit. (ALEXANDER,
BIKOVV,
BONFILS, BOSS, CANNON, CANNON et al., CONDREAU, DELAY, DUNBAR, F. HOFF,
IVANOV-SMOLENSK, RAYNAUD, SELYE, STAEHELIN, WOLF, WOLF et al.). 1. Experimentele
onderzoekingen De
experimentele onderzoekingen van CANNON, CANNON et al., die als eersten
de
emotionele en hormonale uitingen van de nood-reactie waarnamen en door
prikkeling van het diencephalon een ulcus konden veroorzaken, alsmede
die van
SELYE, welke de biologische verschijnselen van de alarmreactie en het
Algemeen
Adaptatiesyndroom beschreef, waren een wezenlijke prikkel tot het
onderzoek van
deze fundamentele samenhangen.
SELYE
heeft
het
geheel van alle onspecifieke algemene reacties van het organisme,
die
door chronisch inwerkende
traumatische,
toxische infectieuze of emotionele prikkels uit de buitenwereld worden
opgewekt, het algemene adaptatiesyndroom genoemd en heeft het wetmatige
verloop
van deze biologische processen gedetailleerd beschreven. Alarmreactie (shock en tegenshock)
Afweer- of compensatiefase
Uitputtings- of decompensatiefase
Afbeelding 11. Het algemene adaptatiesyndroom (volgens Selye).
Uit
de
experimentele
onderzoekingen van SELYE blijkt, dat chronische
emotionele
prikkels precies als chronisch infectieuze, traumatische of toxische
prikkels
tot reproduceerbare functionele stoornissen en organische laesies, bij
voorbeeld hypertensie of een ulcus, kunnen leiden.
dieren
ulcera
aantoonbaar)
en af, naarmate men het experiment frequenter herhaalt
(psychogeen gewenningsfenomeen). Na beëindiging van een 24 uur durende
immobilisatie, verdwijnen de ulcera in de regel weer spoedig. Na 5
dagen zijn
de door de emotionele shock ontstane laesies niet meer aan de tonen.
Dat
deze bij het proefdier verkregen relaties tussen emotie en laesie ook
bij de
mens experimenteel aantoonbaar zijn, kon voor het eerst door WOLF et
al. worden
aangetoond. De auteurs konden bij een patiënt met een maagfistel die
gedurende
lange periodes in observatie was, vaststellen dat tijdens perioden van
overmatige emotionele stress ulcera verschenen, welke later, in
perioden van
herstel en ontspanning, weer verdwenen (afbeelding 15). 2. Klinische ervaringen
Uit
de
experimentele
onderzoekingen bleek dat chronische emotionele prikkels
evenals chronisch infectieuze, traumatische of toxische prikkels
dezelfde,
biologisch aantoonbare, functionele en organische veranderingen ten
gevolge
kunnen hebben. Voor de puur
wetenschappelijk georiënteerde medicus is er nu de moeilijkheid, dat
weliswaar
de gevolgen van de emotie aantoonbaar zijn, niet echter — in
tegenstelling met
infectie, trauma of toxon — de emotie zelf met de tot dusverre
ontwikkelde
methodieken, die op de grondslagen van anatomie, fysiologie en
pathologie
berusten. De emotie kan slechts door middel van psychologische methoden
intuïtief worden herkend en gedefinieerd. Uit de definitie van DELAY
‘De emotie
is tegelijkertijd een uiterlijk verschijnsel, een wijze van gedrag, een
expressie, een innerlijke ervaring, een manier door iets getroffen te
zijn, een
affectieve toestand en een affect’ blijkt de complexiteit van deze
moeilijk te
begrijpen, individueel vaak variërende stressor. Ondanks deze
moeilijkheid
is het niet geoorloofd, zoals dat de zuiver somatisch georiënteerde
geneeskunde
heeft gedaan, deze stressor te negeren, omdat hij niet in de tot nu toe
geldende conceptie past. Het feit dat 30— 50 % van alle patiënten
emotioneel
ziek zijn (BLEULER), toont nadrukkelijk aan dat in de dagelijkse
praktijk het
herkennen van de psychologische componenten der ziekte even belangrijk
is als
dat van pathologisch-anatomische en pathofysiologische componenten.
Uitgaande van het inzicht in de beschreven betrekkingen, komt
ALEXANDER in zijn fundamentele studie Psychosomatic
Medicine tot
de volgende conclusies: 1 De psychologische factoren, waardoor de fysiologische processen worden beïnvloed, moeten met dezelfde nauwgezetheid, welke men bij de studie van fysiologische processen in acht neemt, worden onderzocht. 2
Psychologische
processen verschillen niet principieel van fysiologische processen. Zij
onderscheiden zich van fysiologische processen slechts door de
afwijkende
methodiek, dat wil zeggen hierdoor, dat zij subjectief begrepen en in
woorden
kunnen worden uitgedrukt.
STAEHELIN
formuleert
de
betekenis van de psychosomatische school als volgt: ‘De laatste
decennia ondergaat de geneeskunde in zoverre een verandering, dat de
bijna
uitsluitend natuurwetenschappelijke opvatting der eeuwwisseling wederom
naar de
psychologische kant wordt uitgebreid. De opmars der psychosomatiek gaat
onstuitbaar door. Ziekten en ziekteklachten worden weer in een
oorzakelijk
verband met de individuele levensgeschiedenis en met de persoonlijke
conflictsituatie van de betreffende zieke begrepen en ook steeds meer
wordt
gepoogd ze als zodanig te behandelen.’
Uit
de bijna onoverzienbare literatuur der laatste decennia, waarin over
psychosomatische problemen vanuit het standpunt van de psychiater en
psychotherapeut, maar evengoed ook vanuit het standpunt van de
internist, pediater,
dermatoloog en medicus practicus over omvangrijke klinische en
praktische
ervaringen mededeling wordt gedaan, willen wij de belangrijke
Frankforter
internist F. HOFF citeren, die in zijn leerboek Klinische
Physiologie und
Pathologie het volgende schrijft: ‘Als wij ons nu afvragen, in
welke
mate psychische invloeden bij het ziekteverloop een rol spelen, dan is
de
omvang van deze inwerkingen nauwelijks te overschatten. Psychische
invloeden
grijpen tenslotte in alle orgaanfuncties in en er bestaat geen ziekte
waarbij
psychische invloeden niet min of meer belangrijk tot het ontstaan der
ziekte
kunnen bijdragen. Wij verwijzen hier naar de studie van CARUS, de
uitnemende arts en denker van de Romantiek, die l00 jaar geleden op
baanbrekende wijze de psychische afhankelijkheid van alle lichamelijke
processen en daardoor de eenheid van lichaam-en-ziel in het leven voor
ons
denken heeft ontsloten. CARUS heeft reeds op de buitengemene betekenis
van het Onderbewuste en het bewuste in de pathogenese
gewezen. Zijn
studie Psyche, waaruit
ook heden lang niet genoeg geput is, wat van bijzondere waarde voor het
medisch
denken zou zijn, begint met de zin: ‘De sleutel tot het inzicht in de
aard van
het bewuste zieleleven ligt in het gebied van het onbewuste.’ Op dit
inzicht berusten
alle beslissende vorderingen van de meer recente psychologie, met
inbegrip van
de psychoanalyse van FREUD, het totaal van de moderne neurose-leer en
psychotherapie... Ofschoon dit medische grondbegrip van de
psychisch-lichamelijke ziekte-éénheid niet mechanistisch-causaal kan
worden
verklaard, is het echter toch met een geschikte methodiek voor
experimenten
toegankelijk. Door hypnose en suggestie is het
mogelijk,
functieveranderingen binnen het vegetatieve regulatiesysteem te
verkrijgen, die
vloeiende overgangen naar de pathologische bevindingen aan het ziekbed
laten
zien. Zo liet HEYER zien dat op suggestie van voedselopname niet alleen
maagsecretie optreedt, maar ook een aan de aard van het gesuggereerde
voedingsmiddel aangepaste kwaliteit van het maagsap. LANGHEINRICH
toonde hierop
gelijkende wetmatigheden voor de galsecretie aan. VON WEIZSAECKER en
HANSEN
konden ongeklede gehypnotiseerde proefpersonen in grote mate in hun
warmteregulatie onafhankelijk maken van de hun omgevende temperatuur.
GIGON kon
door hypnose indrukwekkende veranderingen in de suiker-huishouding bij
diabetici veroorzaken. MARX slaagde erin, door de hypnotische
suggestie: ‘U
drinkt een liter water’, urinelozing tot 900 cc teweeg te brengen.
Uit afbeelding 17 blijkt dat bij een andere student in de naar buiten toe gelijk lijkende omstandigheden van het artsexamen niet dergelijke sterke circulatoire reacties geregistreerd werden. Weliswaar namen ook hier met
het ogenblik der ondervraging polsfrequentie en bloeddruk reproduceerbaar toe. De verhogingen zijn echter belangrijk minder, namelijk bij de polsfrequentie van 70 naar 80 per minuut en bij de tensie van 110/70 naar 130/90 mm Hg. Ook hij deze student dalen polsfrequentie en bloeddruk iedere keer na ondervraging tot de oorspronkelijke waarden. De oorzaak voor dit verschil van circulatoir gedrag schuilt in de verschillend sterke emotionele deelname van de twee studenten aan de examen-situatie. De verschillende emotionele en cardiovasculaire reacties van ieder student apart zouden dan ook aan de verschillende intensiteit, waarmede de studenten zich met bepaalde doelstellingen, het leveren van bepaalde prestaties, identificeren, te wijten zijn.
Terwijl
bij
gezonden
- zoals dit uit het voorbeeld van WICK blijkt — emotionele
stress
tot voorbij gaande emotionele en vegetatief-functionele reacties leidt
en na
afebben van de storende acute emotionele prikkels het organisme zijn
evenwicht
hervindt, kunnen echter — zoals psychoanalytische onderzoekingen hebben
aangetoond — onder invloed van emotionele prikkels bij die patiënten,
welke
voor neurosen gedisponeerd zijn, vegetatief-functionele stoornissen tot
ontwikkeling komen. Deze stoornissen kunnen, volgens de resultaten van
het
onderzoek door W.R. HESS over twee groepen worden verdeeld; te weten:
In een
sympathisch-ergotrope en een parasympathisch-trofotrope functiegroep
(afbeeldingen 18 en 19, tabel I). ‘Men
heeft
ondubbelzinnig
kunnen bewijzen dat emotionele invloeden de functie van
elk willekeurig orgaan kunnen aanzetten of remmen. Nadat de emotionele
spanning
is geweken, vinden de lichamelijke functies hun evenwicht terug. Als nu
een
dergelijke emotionele stimulatie of remming van een vegetatieve functie
chronisch wordt, spreken wij van deze chronische stoornis als
‘orgaanneurose’.
Dit begrip omvat de zogenaamde ‘functionele’ stoornissen van
vegetatieve
organen, welke stoornissen tenslotte op emotionele processen berusten,
die in
bepaalde corticale en subcorticale gebieden van de hersenen hun
substraat
hebben.’ (ALEXANDER.) Niet
slechts
uit
experimentele onderzoekingen maar ook uit omvangrijke klinische
ervaringen is het nu duidelijk geworden dat langdurige functionele
stoornissen
van een of ander orgaan resp. orgaansysteem langzamerhand tot
morfologisch
zichtbare veranderingen van een orgaan of orgaansysteem leiden.
was
het een sympaticus-neurose die tot een laesie leidde, welke als
gangreen van
het weefsel imponeerde. De these van RAYNAUD is een belangrijke
mijlpaal, want
met haar begint de pathologie van de angiospasmen en vegetatieve
neurosen. Zij
bewees dat, indien volgens VIRCHOW de functionele stoornis in de regel
het
gevolg is van een laesie, zij eveneens de óórzaak der laesie kan zijn
(DELAY.)
De
neurotische stoornis is hierdoor gekenmerkt, dat alle vegetatieve
processen,
welke voor geconcentreerde, agressieve activiteit in een
stress-situatie nodig
zijn, worden gemobiliseerd, maar dat ten gevolge van remming of
onderdrukking
der agressieve impulsen strijd of vlucht nooit plaats hebben. Terwijl
onder
normale omstandigheden deze, met activering van het sympathicoadrenale
systeem
samengaande, vegetatieve veranderingen slechts zo lang waar te nemen
zijn, als
dit voor het versterkte effect nodig is, bevindt zich het door
neurotische
mechanismen, bij voorbeeld door chronische opkropping van woede,
agressie en
seksualiteit, gestoorde organisme in een chronisch stadium van
voorbereiding
tot strijd of vlucht, welke nooit volgen. Tot deze groep behoren in het
bijzonder de cardiovasculaire manifestaties van emotionele spanning, in
de vorm
van cardiale symptomen en hoofdpijn (tension headache), alsmede
essentiële
hypertensie. 2.
Psychosomatische stoornissen, waarvan de emotionele toestand gekenmerkt
is door
een gevoelsmatig zichzelf-terugtrekken voor een handeling in een
regressieve
toestand van afhankelijkheid. Terwijl
de
psychoanalytische
school van ALEXANDER de mening vertegenwoordigt, dat
bepaalde emotionele conflicten met bepaalde psychosomatische
stoornissen
correleren, legt de existentieel-analytische school van BOSS, CONDREAU
en
STAEHELIN het accent op de voor elke psychosomatische stoornis typische
grondstemming, die BOSS in zijn Einfiührung in die psychosomatische
Medizin voor
ulcera ventriculi et duodeni, asthma bronchiale, essentiële
hypertensie,
colitis, mager- en vetzucht en de verhoogde neiging tot het krijgen van
ongelukken, CONDREAU voor gynaecologische psychosomatische symptomen en
ziekten
en STAEHELIN voor allergieën, gastro-intestinale en cardiovasculaire
stoornissen, hebben uitgewerkt. Deze
specifieke
grondstemming,
die voor het begrip van bepaalde psychosomatische
symptomen en ziekten zo belangrijk is, wordt door STAEHELIN als volgt
gedefinieerd: ‘Nu zijn echter juist de dagelijkse en meer
oppervlakkige
stemmingen en stemmingsschommelingen, zoals vreugde, haat, toorn, vrees
enz.,
ofschoon zij ook bij het de mens primair bepalende gestemd-zijn
behoren, voor
het begrip van lichamelijke en psychische ziekten onbelangrijk. Van
grote
betekenis is echter dát, wat wij grondstemming noemen, of desnoods
grond-ontstemming, het affectieve cachet, de emotionele
uitgangshouding. Met
grondstemming bedoelen wij niet die meer oppervlakkige, gemakkelijk
wisselende,
dagelijkse stemmingsschommelingen. Wij bedoelen hiermee veeleer die
bepaalde
emotionele uitgangshouding, welke haar stempel vaak gedurende jaren en
decennia
op het leven van ieder mens drukt... Deze grondstemming wordt meestal,
ofschoon
niet altijd, in de kinderjaren door de wisselwerking van aanleg en
buitenwereld
gevormd; zij kan gedurende het hele leven hetzelfde blijven of kan zich
wijzigen, vernauwen, of kan verwrongen worden, etc. Een duidelijk
verwrongen,
ziekelijke vernauwde grondstemming kan nu zoals wij dat dagelijks vele
malen
tijdens onze medische werkzaamheden bij onze patiënten te zien krijgen,
zich in
lichamelijke en psychische ziekten en klachten uiten’ (STAEHELIN). Deze
theorieën
en
model-voorstellingen, welke nog een sterke experimentele en
praktische ondersteuning nodig hebben, zijn in zoverre van belang, dat
bepaalde
psychosomatische stoornissen, welke tenslotte bepaalde neurosetypen
zijn, niet
slechts constitutioneel bepaald zijn, maar ook in de loop van de
ontwikkeling
van het individu, afhankelijk van sociologische en familiaire
omstandigheden,
worden gevormd. ‘Een
van
de
belangrijkste verdiensten der psychoanalyse, vooral van de
sociologisch
georiënteerde psychoanalyse die zich in de V.S. onder invloed van
FROMM,
KARDINER en SULLIVAN heeft ontwikkeld, is dat zij heeft kunnen aantonen
dat
psychobiologische tendenties, welke tot nu toe als werkingen van de
natuur
werden beschouwd, in werkelijkheid een uitvloeisel van de cultuur zijn
en van
de betrekkingen van het individu met zijn milieu afhankelijk zijn… Dit
heeft
therapeutische consequenties want hetgeen constitutioneel aanwezig is,
is
onveranderlijk; maar wat verworven wordt, is veranderlijk.’
(DELAY.) *
* *
|