www.verbodengeschriften.nl



WIJSHEID VAN HET OOSTEN

  

MIJMERINGEN VAN EEN CHINESE MYSTICUS

  

 

KEUZE UIT DE FILOSOFIE

 

VAN

 

CHUANG TZŬ

 
 
MET EEN INLEIDING
 
DOOR

 

LIONEL GILES, M.A. (Oxonia)

 
WETENSCHAPPELIJK MEDEWERKER VAN HET               BRITS MUSEUM
 
  
 
 

 

 

 

LONDEN 

 

JOHN MURRAY, ALBEMARLE STREET

 

[1906]

 

 

 

INHOUD

 

PAGINA

Opmerking

2

Inleiding

2

De leer der betrekkelijkheid

11

Het samenvallen van tegendelen

13

Illusies

15

De geheimzinnige immanentie van Tao

16

De verborgen bron

20

Niet ingrijpen in de Natuur

22

Passieve deugd

23

Aanpassing aan omstandigheden

26

Onsterfelijkheid van de Ziel

28

De Wijze of Volmaakte Mens

29

Sprokkelwerk

31

Persoonlijke anekdotes

39

 


OPMERKING

 

De passages in dit boek zijn, met een of twee zeer geringe wijzigingen, ontleend aan de vertaling door Professor H. A. Giles (Quaritch, 1889).

 

OPMERKING VAN DE REDACTEUREN

 

De bedoeling van de Redacteuren van deze reeks is zeer duidelijk afgebakend. Op hun bescheiden manier beogen ze vooral dat deze boeken ambassadeur zullen zijn van de welwillendheid en het begrip tussen Oost en West — de oude wereld van het Denken en de nieuwe van het Doen. In deze onderneming en hun eigen kring, zijn zij slechts de navolgers van het grootste voorbeeld in het land. Zij zijn ervan overtuigd dat een grondigere kennis van de grote idealen en de hoogstaande filosofie van het oosterse denken zou kunnen bijdragen aan een herleving van de ware geest van Naastenliefde, die een land met een andere geloofsovertuiging en kleur veracht noch vreest.

L. CRANMER-BYNG.
S. A. KAPADIA.

Northbrook Society,
  21, Cromwell Road,
    Kensington, S.W.

 

MIJMERINGEN VAN EEN CHINESE MYSTICUS

 

INLEIDING

 

Ofschoon de Chinese geschiedenis geen authentiek document kan leveren van vóór de Chou-dynastie, rond elfhonderd jaar voor Christus, bestaat er geen twijfel over dat de beschaving in een veel vroegere periode al een hoge vlucht had genomen. Lao Tzŭ was dus geenszins de eerste beschavende leermeester van een half-barbaars volk. Hij oefende juist een reactionaire invloed uit, want de oproep die hij deed was gericht tegen de aanwas van wetten en verboden, de toename van weelde en andere kwaden die gepaard gaan met een snelle materiële vooruitgang. Dat zijn leven moest samenvallen met een uitbreiding van juist die principes, die hij met zoveel felheid bestreed, is een van de ironieën van het lot. Voor hij in het graf lag was er een andere grote man opgestaan, die een ongehoorde nadruk legde op het angstvallig toepassen van de voorschriften voor ceremonies en rituelen en er met een zwaarwegendheid, die nooit eerder was voorgekomen, in slaagde regels op te leggen voor het uiterlijke gedrag.

 

Terwijl Lao Tzŭ in opstand was gekomen tegen de toenemende gekunsteldheid van het leven in zijn tijd, moest een terugkeer naar de natuur dubbel zo noodzakelijk hebben geleken voor zijn leerling Chuang Tzŭ, die meer dan twee eeuwen later een bloeitijd meemaakte, toen het schrikbeeld van de beschaving gestaag voortgeschreden was. Mismoedig zag hij dat de leringen van Lao Tzŭ nooit enige hechte greep hadden gekregen op de massa, terwijl de ster van Confucius onmiskenbaar steeds hoger rees. In zijn eigen herinnering had de verkondiging van de ethiek van Confucius een krachtige impuls gekregen door Mencius, de tweede rechtzinnige Chinese wijze. Chuang Tzŭ was echter tot in het diepst van zijn hard doordrongen van de principes van het zuivere taoďsme, zoals dat overgeleverd was door Lao Tzŭ, die meer aanspraak kon maken op de titel “de van Tao-verzadigde” dan Spinoza op die van “de van God vervoerde.” In zijn verschillende stadia drong Tao door tot in het diepst van zijn hart en kwam tot uiting in zijn hele denken. Daarom was hij bij uitstek bevoegd om het daverende protest van zijn Meester, tegen de materialistische tendensen van zijn tijd, nieuw leven in te blazen.

 

Chuang Tzŭ had geen hoge positie in de samenleving. Van Ssŭ-ma Ch’ien komen we te weten dat hij een onbeduidend ambt bekleedde in een klein provinciestadje. Maar zijn literaire en filosofische talenten moeten hem al snel bekendheid hebben gebracht, want we zien dat hij veel contacten had met de toonaangevende geleerden van die tijd, ten overstaan van wie hij, naar vermeld, zijn leerstellingen doeltreffend verdedigde. Hij schijnt echter in de overheidsdienst geen promotie te hebben gemaakt, wat zonder twijfel toegeschreven kan worden aan zijn eigen gebrek aan ambitie en beduchtheid voor een drukke loopbaan, want we beschikken over zijn eigen verslag van een delegatie die hem tevergeefs probeerde over te halen om het ambt te aanvaarden van eerste minister van de staat Ch’u.

De ambtelijke dagelijkse gang van zaken moet uiterst onaangenaam geweest zijn voor deze fijnzinnige dichterlijke geest, zoals dat sindsdien ook vaak het geval is geweest met andere fulminerende genieën.

Vrijpostig in zijn verbeeldingskracht en toch niet opdringerig van aard, geneigd tot zwaarmoedigheid en toch met een vurig enthousiasme, van nature een scepticus en toch bezield met een grenzeloos vertrouwen in zijn leer, was hij iemand vol tegenstrijdigheden, maar desalniettemin bekwaam genoeg om een bres te slaan in de gietijzeren tradities van het Confucianisme, zo niet anderen na hem op hetzelfde spoor te zetten. Over zijn geestelijke ontwikkeling zijn geen documenten bewaard gebleven. Zijn opvattingen, zoals die onthuld worden in zijn grote filosofische werk, zijn uitgerijpt, al zijn ze niet helemaal consequent. Hij komt over op het publiek als een scherpzinnige aanhanger van de school van Lao Tzŭ, die welbespraakt en gloedvol uiting geeft aan de ideeën die ontsproten waren aan het brein van zijn Meester. Chuang vergoedt daarmee de belangrijkste tekortkoming van Lao Tzŭ. Hij beschikt over de gave van van het woord, die hem in staat stelt de grootse gedachten, die tot dan toe hun enige uitdrukking hadden gevonden in sobere en onsamenhangende uitspraken, in een fleurig jasje te steken. Deze fragmenten van een bondige wijsheid, verzameld in de bont geschakeerde verhandeling die bekend staat als de Tao Tę Ching, lijkt de kern te hebben gevormd van Lao’s leer, die Chuang van daaruit in wel honderd verschillende richtingen ontwikkelde. Het zou echter niet terecht zijn om daaruit af te leiden dat Chuang Tzŭ niets heeft dat niet teruggevoerd kan worden tot die oudere wijze, of zelf geen andere waardevolle en onafhankelijke ideeën heeft kunnen ontwikkelen. Integendeel. In zijn intelligente aanpak van ongrijpbare metafysische vraagstukken deed hij nauwelijks of helemaal niet onder voor die van Lao Tzŭ zelf, en is zonder twijfel door na hem volgende Chinese denkers, nooit meer geëvenaard. Zijn geschriften hebben diezelfde prikkelende suggestiviteit, die een stempel drukt op de voortbrengselen van alle grote geesten. Na het lezen en herlezen van Chuang Tzŭ rest het gevoel dat er sluimerende diepten overblijven, die nog steeds niet gepeild zijn. Daarnaast geeft hij de vrije teugel aan zijn eigen verrassende fantasieën en voorkeuren. Er zitten aspecten aan de leer van Lao, waar hij amper een blik op werpt of volledig negeert, terwijl hij zich anderzijds door zijn sprankelende verbeeldingskracht laat meeslepen tot ver uit het zicht van zijn inspiratiebron. Als we niet te zeer nadruk leggen op deze analogie, zouden we kunnen zeggen dat hij voor de Grondlegger van het Taoďsme was, wat Paulus was voor de Grondlegger van het christendom.

 

Met Lao Tzŭ vormt Tao dus de kern en het draaipunt van Chuang Tzŭ’s hele systeem, en dat maakt een echte eenheid van zijn werk, dat in andere opzichten onmiskenbaar verstikkend en onsamenhangend is. Maar de manier waarop Tao wordt opgevat door Chung Tzŭ, is niet precies hetzelfde Tao waarover Lao Tzŭ met zo’n verrassend ontzag sprak. Het verschil valt beter te begrijpen na een korte beschrijving van de geleidelijke ontwikkeling van de betekenis van het woord. De eerste betekenis van Tao is “weg” of “manier,” en in hele vroege tijden werd het gebruikt als stijlfiguur voor de “manier” of methode om iets te doen. Van daaruit werd het een aanduiding voor een voorschrift voor juist gedrag, moreel handelen, of het principe dat daaraan ten grondslag lag. In het gewone taalgebruik ontstond ook geleidelijk een vanzelfsprekende tegenstelling tussen de Hemelse Manier (T’ien Tao) en de Menselijke Manier, waarbij het eerste begrip de hoogste wijsheidsnorm en morele uitmuntendheid betekende, in tegenstelling tot het blinde rondtasten naar de waarheid in lagere regionen. Ten slotte liet men het “T‘ien” vallen en stond Tao alleen nog maar voor het grote onzichtbare principe van het Goede, dat het Universum beheerste en vulde. Die overgang is al aanwijsbaar bij Lao Tzŭ, die waarschijnlijk de eerste was die deze term in haar transcendentale betekenis gebruikte, maar tevens de oudere uitspraak T’ien Tao aanhoudt. In een van zijn passages is T’ien Tao vrijwel equivalent aan Tao als Eerste Oorzaak, en moet daarom niet vertaald worden als de Weg, maar Tao van de Hemel. Dat brengt ons bij het volgende stadium, waarvan Chuang Tzŭ de vertegenwoordiger is. In zijn geschriften lijkt Tao nooit “weg” te betekenenm, maar hij voert een nieuw verwarrend element in, doordat hij over T’ien en Tao spreekt alsof zij twee gelijktijdig bestaande en toch volmaakt andere kosmische principes zijn. Hij gebruikt ook de combinatie T‘ien Tao, en daarin moet de aanwijzing gezocht worden voor het probleem. Tao van de Hemel is duidelijk eerder een eigenschap dan iets dat op zichzelf staat, en T’ien is nu de Eerste Oorzaak geworden. Het is echter een onpersoonlijker begrip dan Lao Tzŭ’s transcendentale Tao en benadert in feite heel nauw onze eigen term “God.” [1]

 

Wat is dan de Tao van Chiang Tzŭ? Hoewel hij geenszins altijd duidelijk en consequent is over het onderwerp, lijkt hij het te zien als de “Deugd” of het tot uitdrukking brengen van het goddelijke Eerste Principe. Het is wat hij ergens “het geluk van God” noemt — dat voor de taoďst natuurlijk een toestand betekent van diepe en gelijkmoedige rust, een “heilige, eeuwigdurende sereniteit.” Lao Tzŭ spreekt over Tao als iets dat al bestond vóór Hemel en Aarde. De “Hemel,” zegt hij, ontleent haar wet aan Tao, maar de wet van Tao is zijn eigen oorspronkelijkheid. Voor hem is Tao dus de voorganger van T’ien, wat de huidige filosofen het Onbepaalde of Absolute noemen. Wat dit T’ien betreft maakt de dubbelzinnigheid die daarin schuilt, het twijfelachtig of hij daar eigenlijk zelf wel een welomschreven idee over had. Hij lijkt gewoon de al bestaande Chinese kosmogonie overgenomen te hebben, zonder zich te realiseren of te bekommeren over het feit, dat die niet verenigbaar was met zijn eigen nieuwe opvatting van Tao. Chuang Tzŭ schuift deze dubbelzinnigheid tot op zekere hoogte terzijde door terug te grijpen naar het eerdere gebruik van het begrip. Hij onttroont Tao van zijn belangrijkste positie als het Absolute en zet daar T’ien voor in de plaats. Tao wordt een mystiek moreel principe, zoiets als Lao Tzŭ's Tę, of “Deugd,” waarbij het laatste begrip, als het al gebruikt wordt, het grootste gedeelte van zijn formele betekenis is kwijtgeraakt. Een zodanig ruim gestelde verduidelijking zal bruikbaar blijken voor de lezer, hoewel hij misschien nog steeds in de war gebracht zal worden door een passage als de volgende: “Een mens ziet het Ene [2], zoals hij zijn vader ziet en heeft Het even lief. Moet hij dan niet liefhebben wat groter is dan het Ene?” Het is een feit dat in de Chinese filosofie als geheel, consequente gedachtegangen of een vastomlijnde terminologie niet aangetroffen worden en misschien het minst van al in een dergelijk abstract systeem als dat van het vroege taoďsme.

 

Wij verlaten nu die enigszins vruchteloze bespreking over de onderlinge verhouding van Tao en T’ien en komen terecht bij wat zonder twijfel Chuang grootste krachttoer was binnen het domein van het zuivere denken. Zoals in zoveel gevallen, is de kiem aangedragen door Lao Tzŭ van wie de uitspraak is “Het erkennen van schoonheid als zodanig, houdt het idee in van lelijkheid en het erkennen van goed houdt het idee van kwaad in.” Naar aanleiding van deze aanwijzing, komt Chuang Tzŭ tot het benadrukken van de betrekkelijkheid van alle menselijke opvattingen. Zelfs ruimte en tijd zijn betrekkelijk. Via de zintuigen verkregen kennis, komt dus bij ons binnen door vanuit één standpunt naar dingen te kijken en is daarom uiterst bedrieglijk en onbetrouwbaar. Zodoende lijkt het dat de meest fundamentele inzichten van ons denken onwerkelijk zijn en verbrokkelen als ze blootgesteld worden aan het “Licht van de Natuur.” Tegenstellingen staan niet langer in schril contrast met elkaar, maar zijn in zekere zin eigenlijk identiek, omdat er een werkelijke en alomvattende Eenheid achter ligt. Er is niets dat objectief en niets dat subjectief is; wat zoveel wil zeggen als dat subjectief ook objectief en objectief ook subjectief is. Als hij hier even ophoudt en vraagt of het mogelijk is te zeggen dat subjectief en objectief echt bestaan, lijkt hij de grens te raken van het zuivere en onverbloemde scepticisme. Maar het punt wordt niet benadrukt. In zijn hart is hij een idealist en zal niet serieus het bestaan ter discussie stellen van een bestendige Werkelijkheid, die schuil gaat achter de stroom van verschijnselen. Ware wijsheid bestaat dus uit het afstand nemen van het eigen individuele standpunt en je te verplaatsen in de “subjectieve verhouding met alle dingen.” Iemand die dat bereikt zal “alle onderscheid opgeven tussen dit en dat,” omdat hij in staat is een laatste Eenheid te ontwaren waarin alle dingen ondergedompeld zijn, het geheimzinnige Ene, dat “ze allemaal samensmelt, overstijgt.”

 

Terwijl hij nog steeds Lao Tzŭ in het oog houdt, trekt onze schrijver nog meer opmerkelijke conclusies uit deze leer der betrekkelijkheid. Deugd houdt ondeugd in, en zal die dus indirect teweegbrengen. In ieder geval is streven naar deugdzaamheid slechts een onwetende en eenzijdige manier om naar de principes van het universum te kijken. We kunnen beter het kunstmatige onderscheid tussen goed en kwaad overstijgen en Tao zelf als voorbeeld nemen, waarbij we onze geest, absoluut passief en onbewogen en zonder een poging in enige richting te doen, in een toestand van volmaakt evenwicht brengen. Het ideaal is dus iets dat goed noch kwaad is, genot noch pijn, wijsheid noch dwaasheid. Het bestaat gewoon uit het volgen van de natuur, of de weg van de minste weerstand nemen. Het bereiken van die toestand en de daaruit voorkomende zegeningen voor de geest, vormen het belangrijkst onderwerp van de verhandeling van Chuang Tzŭ. Volgens hem is de enige plicht van de mens, in een paar woorden samengevat: “Ontbindt je geestelijke energie tot een leegte en je lichamelijke tot niet-doen. Laat je Zelf samenvallen met de natuurlijke ordening van de verschijnselen, zonder ruimte te geven aan het Ik.”

 

Dit uitschakelen van het Ik is in feite het vervangen van je eigen beperkte individualiteit door de oneindige sfeer van Tao. Maar Tao is niet zomaar onbeweeglijk en onveranderlijk, maar ook intens onbewust — een merkwaardige eigenschap, waardoor meteen een muur geplaatst wordt tussen Tao en ons idee van een persoonlijke God. En omdat Tao het grootse voorbeeld is voor de mensheid, zou Chuang Tzŭ eigenlijk willen dat wij zoveel mogelijk naar een soortgelijke onbewustheid streven. Maar omdat tijdens dit leven absolute en ononderbroken onbewustheid iets onmogelijks is, pleit hij niet voor een collectieve zelfmoord, wat duidelijk de natuurlijke orde geweld aan zou doen, maar voor een toestand van geestelijke leegheid, die uiteindelijk een totale afwezigheid van het ik-bewustzijn zal betekenen. Om dit idee verder te verduidelijken, geeft hij aantal sprekende, uit het leven gegrepen, voorbeelden, zoals de parabel van de kok van vorst Hui, die zich aan Tao wijdde en met zijn geest werkte en niet met zijn ogen. [3] Hij laat zien dat de hoogste vorm van handvaardigheid alleen bereikt kan worden door mensen bij wie hun vaardigheid een tweede natuur geworden is, die zo vertrouwd zijn geraakt met hun werk dat al hun handelingen instinctief en uit zichzelf lijken te gebeuren, die met andere woorden het stadium hebben bereikt waarop zij zich daadwerkelijk “onbewust” zijn van enige inspanning. De bedoeling van deze toepassing van Tao in het dagelijkse leven van de handwerksman, is de weg te wijzen naar de hogere regionen van onthechte beschouwing, waar die haar volledigste ontplooiing zal vinden. Hetzelfde idee wordt doorgevoerd in het domein van de ethiek. Zoals we hebben gezien zou Chuang Tzŭ de mensen moreel noch immoreel, maar gewoon niet-moreel willen hebben. En met dit doel moet elke zweem van het Ik verwijderd worden, de geest moet bevrijd worden al zijn zich eigen gemaakte maatstaven, en alle vertrouwen moet gesteld worden in het natuurlijke gevoel.

Elke poging om aardse mensen onveranderlijke morele normen op te leggen moet afgekeurd worden, omdat dat geen ruimte laat voor dat spontane en ongedwongen instemmen met de natuur, wat juist het zout is van het menselijke handelen. Dus als het uitvoerbaar zou zijn, zou Chang Tzŭ de mensheid willen terugvoeren naar het Gouden Tijdperk, dat bestond voordat het onderscheid tussen goed en kwaad opkwam. Toen de kunstmatige hindernis tussen tegenstellingen werd opgeworpen, had de wereld, in zijn ogen, al haar oorspronkelijke goedheid verloren. Want alleen al het feit iemands gedrag goed te noemen, betekent een sprong in de onzekere zee van betrekkelijkheid, en derhalve een afwijken van het hemelse patroon. Daarin ligt de verklaring van de paradox, waarop hij doorlopend hamert, namelijk dat wijsheid, naastenliefde, plichten jegens de naasten, enzovoort, het tegenovergestelde zijn van Tao.

 

Het is nauwelijks verwonderlijk dat China aarzelde om een systeem te aanvaarden, dat logischerwijs tot dergelijke extreme conclusies leidt. Toch moeten wij Chuang Tzŭ niet te snel afschrijven als een onpraktische dromer. Hoewel zijn ideeën veraf lijken te liggen van de wereld der werkelijkheid, hebben ze een grond van waarheid. Om zijn ideeën op een opzienbarendere manier kenbaar te maken, legde hij zonder twijfel een onterechte nadruk op de mystieke kant van Lao Tzŭ’s filosofie, tot zelfs het buitensluiten van datgene dat een betere behandeling verdiende. Dat hij zelf echter niet helemaal blind was voor de onhoudbaarheid van een dergelijk extreem standpunt, kan opgemaakt worden uit een opmerking die hij terloops laat vallen: “Omdat er geen doen zou moeten zijn, zou er ook geen niet-doen moeten zijn.” Dit is een veelzeggende uitspraak, die laat zien hoe Chuang Tzŭ wellicht zijn koppige houding heeft veranderd, om tegemoet te komen aan de eisen van het werkelijke leven. Wat hij bedoelt is dat elke rigide, vooraf bepaalde gedragslijn vermeden moet worden en evenzeer van handelen als de handeling zelf afgezien moet worden. Het belangrijkste is dat niets gedaan moet worden met een bedoeling en niets dat de natuurlijke gang van zaken geweld aandoet. Anderzijds zou het, als een bepaalde manier van handelen zich voordoet als de meest voor de hand liggende en natuurlijke, niet in overeenstemming zijn met Tao om daar dan voor terug te deinzen. Dit staat bekend als de leerstelling van het niet-doen, maar het zou juister zijn het de leerstelling van de spontaniteit te noemen.

 

Er zit nog een ander opmerkelijk element in het systeem van Chuang Tzŭ, dat veel bijdraagt aan het wegnemen van het probleem van het verzoenen van theorie en praktijk. Dat is wat hij de leer noemt van niet-weerspannigheid en zelfaanpassing aan uiterlijke omstandigheden. Het is in feite een uitvloeisel van het grootse principe om buiten het Ik te treden — een proces dat de geestelijke horizon vergroot en zich kunnen inleven in anderen teweegbrengt. Iets van een dergelijke heilzame aanpassing was nodig om te voorkomen dat de taoďstische gedragslijn afdreef naar donquichotterie.

 

Ook hier heeft Lao Tzŭ misschien het zaadje geleverd dat in de pagina’s van zijn leerling moest rijpen. “Wat de wereld eerbiedigt, kan niet oneerbiedig bejegend worden,” is de uitspraak van de oudere wijze. Maar Chuang Tzŭ ging verder dan dit negatieve voorschrift. Hij zag heel goed dat iemand zich, tenzij hij bereid is om met zijn hoofd tegen een stenen muur te lopen, in het tegenwoordige jargon, ‘aan moet passen aan zijn omgeving.’ Zonder ook maar een jota van zijn innerlijkste overtuigingen te laten vallen, moet hij “met de stroom meezwemmen, om de anderen niet voor het hoofd te stoten.” Uiterlijk mag zich dan aanpassen, als hij innerlijk maar zijn eigen normen bewaart.

Er moet geen sprake zijn van razende en tierende propaganda, maar van eindeloos geduld en tact.

Beminnelijke morele overreding en zelf het voorbeeld geven, zijn de enige manier Chuang Tzŭ onderschrijft en zelfs daarmee moet behoedzaam omgegaan worden zegt hij: “Als je steeds anderen kwetst door je superioriteit, zal je het waarschijnlijk zelf moeten berouwen.” Hij gruwt vooral van de onbeholpen domheid die mensen zijn voorraad medicijnen door de strot blijft duwen ongeacht plaats of seizoen. Zodoende wordt dus zelfs Confucius gehekeld omdat hij de as van het verleden nieuw leven in probeert te blazen en “de gebruiken van Chou voort wil laten zetten in Lu.” Dat is, zegt hij, als “een boot over land voortduwen, veel geploeter en geen resultaat, behalve dat je er zonder twijfel zelf last van hebt.” Er moet geen blind en rigide vasthouden bestaan aan gewoonte en traditie, geen onredelijke bewondering voor de oudheid. “Kleedt een aap in de gewaden van Chou Kung, [4] en hij zal ongelukkig zijn, totdat ze aan stukken gescheurd zijn.” “En het verschil tussen heden en verleden,” voegt hij daar cynisch aan toe, “is even groot als het verschil tussen Chou Kung en een aap.” De afkeuring die in deze opmerkingen wordt overgebracht is niet helemaal onverdiend. Terwijl hij zelf nauwelijks onderdeed voor Confucius wat betreft zijn vurige bewondering voor de oude tijden, verviel hij nooit in de fout om te veronderstellen dat de wereld stil kan staan, hoewel hij wel bang was dat ze ooit terug zou kunnen draaien. Hij geloofde dat het grootste staatsmanschap was, dat rekening kon houden met veranderde omstandigheden en zijn maatregelen aan kon passen aan de tijd. Het is duidelijk dat het niet-doen dat hij predikte, hoe moeilijk ook te peilen en nog moeilijker te bewerkstelligen, iets heel anders was dan stilstand. Het was een les die China nodig had; ook in de afgelopen tijd. Was het maar meer ter harte had genomen!

 

De betrekkelijke veronachtzaming van Chuang Tzŭ onder de literati van het Middelste Koninkrijk is zonder twijfel hoofdzakelijk te wijten aan zijn onhoffelijke behandeling van Confucius, waarvan we net een voorbeeld hebben gegeven. De meeste schrijvers die melding van hem maken spreken over zijn vijandige houding ten opzichte van het hoofd van de orthodoxe school. In feite is die vijandigheid ietwat overdreven. In de eerste plaats is de houding van Chuang Tzŭ op geen enkele manier consequent. De toon die hij aanslaat tegen Confucius doorloopt alle mogelijke kleurschakeringen. In de eerste zeven hoofdstukken, die de kern van het werk van Chuang Tzŭ vormen, wordt hem een zeer belangrijke plaats toegekend, waarbij hij grotendeels als spreekbuis fungeert voor de eigen inzichten van de schrijver, wat hij heeft gedaan om er een geur van gezag aan te geven. Er is maar een enkele passage waarin hij onheus wordt bejegend, hoewel een andere laat doorschemeren dat hij een profeet was, die niet bij zijn tijd hoorde. In hoofdstuk vi zouden we zelfs een onbeholpen poging kunnen zien, om de twee uitersten, het mystieke taoďsme en feitelijke confucianisme, met elkaar te verzoenen.

Het schijnt dat misschien niet iedereen kan streven naar de vertrouwelijkere verbondenheid met Tao, hoewel Tao in iedereen aanwezig is. Want hier schikt Confucius zich naar de wil van de Hemel, die beschikt heeft dat hij, net als het overgrote deel van de mensheid, zal rondtrekken binnen de gewone “geboden van het leven,” met hun bekrompen visie, vooroordelen, tradities, formaliteiten en rituelen. Maar hij erkent wel openlijk de verheven gelukzaligheid van de paar uitverkorenen die dat kunnen overstijgen. In een aantal van de latere hoofdstukken (waarvan de echtheid niet altijd onbetwistbaar is) wordt de Meester veel strenger behandeld. Zoals vanzelfsprekend te verwachten valt, lijkt hij vooral gehekeld te worden in zijn zogenaamde gesprekken met Lao Tzŭ. [5] Maar op andere plaatsen wordt hij voorgesteld als een oprechte zoeker naar de waarheid, of zelfs geciteerd als een erkende autoriteit.

Hij citeert uitspraken die nu in de Tao Tę Ching staan, en gedraagt zich over het algemeen eerder als een leerling van Lao Tzŭ, dan als leider van een rivaliserend systeem. In hoofdstuk xxii laat hij hem, door een merkwaardige onoplettendheid, in feite zelf de confucianisten met hun scholastieke haarkloverijen op de hak nemen. Confucius wordt hier aangevallen als “iemand met uiterlijk vertoon en schoonschijnende woorden. Hij ziet abusievelijk de tak voor de wortel aan.” Als hem het welzijn van de staat wordt toevertrouwd, “zal het alleen per ongeluk zijn als hij daarin slaagt.” Maar die tirade wordt meteen gevolgd door een karakteristieke redevoering in de taoďstische geest, afgestoken door niemand anders dan de zeer kwaadaardige wijze zelf. Het is inderdaad nauwelijks voorstelbaar dat de centrale figuur van de Analecta in de volgende trant spreekt: “Niets is heillozer dan opzettelijke deugdzaamheid, wanneer de geest naar buiten kijkt. Want door zo naar buiten te kijken, wordt het zelfonderzoekend vermogen teniet gedaan….Wat betekent het om de deugd na te streven? Welnu, iemand die naar deugdzaamheid streeft, brengt in praktijk wat hij goedkeurt en veroordeelt wat hij niet in praktijk brengt.”

 

Die onjuiste voorstelling van zaken wordt zover doorgedreven dat er uitspraken in zijn mond worden gelegd, die precies het tegenovergestelde zijn van wat hij in werkelijkheid zei. En het is onwaarschijnlijk dat Chuang Tzŭ veel gewetensbezwaren had bij het op die manier gebruik maken van de eigen leerstellingen van de grote Leraar. Hij stond zonder twijfel volledig open voor de voordelen van het lenen, en als het ware in zich opnemen, van de ongeëvenaarde faam van een zo groot man. Daarnaast moet alleen al de stoutmoedigheid van het snode plan aantrekkelijk voor hem zijn geweest en hij voerde het uit met wat de confucianisten terecht beschouwen als uiterste onbeschaamdheid. Toch zou het te ver gaan om te zeggen dat deze merkwaardige vorm van eerbetoon helemaal onoprecht was. Er zijn tekenen dat Chuang Tzŭ, bijna ondanks zichzelf, onder de indruk was van het zuivere eigen karakter van de man wiens hele levensvisie hij wantrouwde, maar wiens boodschap zo diep in het hart gegrift was van zijn landgenoten. Hij kon niet ontkomen aan die alomtegenwoordige invloed. Juist het grote aantal malen dat hij Confucius ten tonele voert, als profeet of als mikpunt voor zijn beledigingen, zegt toch iets over een bepaalde ongewilde fascinatie.

 

De toestand van onzekerheid waarin we achterblijven naar aanleiding van de echte inschatting van Confucius door onze schrijver, kan dienen om aandacht te vragen voor de ongewoon ironische eigenschap van zijn geest, die op een aangename manier zijn dogmatisme tempert en hem feitelijk vaak redt van een steile afdaling naar het lachwekkende. Het zou bijna kunnen lijken dat hij, getrouw aan het taoďstische voorschrift, door de inperkende grenzen van zijn individuele Ik heen probeerde te breken, om zijn eigen meningen van buitenaf te bekijken. Het hoeft geen betoog dat er in de man evengoed een bron van diepe, bijna trotse ernst schuilt. Maar hij verliest nooit dat bepaalde vleugje subtiliteit dat hem zo merkwaardig geschikt maakt voor de bijnaam “vlinder,” hem verleend als toespeling op zijn beroemde droom. [6] Om een zo vage schets van deze unieke figuur in de Chinese literatuur, te voltooien, moet aan deze eigenschappen een steeds terugkerende trek worden toegevoegd: een allesdoordringende melancholie, een verdrietig tobben over “de twijfelachtige ondergang van de mensheid.” Neem bijvoorbeeld de volgende paar regels die een beschrijving geven van de geestelijke vermogens tijdens hun onvermijdelijke ondergang: “Dan treedt, onder de verwoestende invloed van herfst en winter, geleidelijk de aftakeling op; een verdwijnen, als het stromen van water, om nooit weer terug te keren. Ten slotte, als alles verstopt raakt, als een oud afvoerkanaal, de stilstand, — de geest die het begeeft en nooit weer het licht zal zien.” Net zoals de vorm van Chuang Tzŭ’s werk over het grensgebied heen zweeft, is de inhoud eerder dichterlijk dan strikt filosofisch, vanwege de lichtheid en elegantie waarmee hij over de van veel haken en ogen voorziene onderwerpen, heen scheert. Helderheid en nauwkeurigheid van denken worden soms opgeofferd aan de verbeelding en elegante stijl. Hij waagt zich zelden aan passages waarin hij onafgebroken doorredeneert, maar verlaat zich bij voorkeur op flitsen literaire inspiratie. Er wordt verteld dat hij heeft geschitterd in zijn twistgesprekken met Hui Hui Tzŭ, maar de voorbeelden van zijn dialectiek die bewaard zijn gebleven zijn misschien meer subtiel dan overtuigend. Het verhaaltje van de witvissen onder de brug [7] toont alleen aan dat hij bij het discussiëren met een sofist zichzelf kon verlagen tot onverhulde en ongeneerde sofisterij.

 

Een opmerkelijke trek van Chuang Tzŭ’s methode is de rijkdom aan toelichting, die hij kwistig over zijn favoriete onderwerpen heen strooit. Hij bedenkt wel honderd verschillende manieren om op de moraal te wijzen, die nooit ver van zijn gedachten af ligt. Omdat hij zich, evenzeer als Herbert Spencer na hem, de noodzaak realiseerde van het steeds weer herhalen, met de bedoeling onwillige breinen onbekende opvattingen op de dringen, keert hij steeds weer terug naar de hoofdpunten van zijn systeem en schikt kundig zijn argumenten in een eindeloze stroom van voorval en anekdote. Deze anekdotes zijn doorgaans gegoten in de vorm van een dialoog — niet de kort en bondig beredeneerde dialoog van Plato, maar losse gesprekken tussen echte of denkbeeldige personages, soms rustig van toon, soms hoogdravend en hier en daar oprijzend tot fijnzinnig retorische hoogten. Als bezwaar tegen deze methode zou ingebracht kunnen worden dat die de eigenlijke ontwikkeling van de gedachten in de weg staat, omdat daardoor het verloop teniet gedaan wordt en dus geschikter is voor een louter populair werk dan dat van een echte oorspronkelijke denker. Anderzijds kan alleen maar benadrukt worden dat het een opvallend inkleuring geeft en de saaiheid verlicht, die onafscheidelijk bverbonden is met lange filosofische verhandelingen. Over het geheel genomen is het bezwaar zwaarwegend en toch is het evenzeer waar dat een andere methode Chuang Tzŭ’s werk beroofd zou hebben van meer dan de helft van zijn aantrekkelijkheid. Zijn onsterfelijkheid is uiteindelijk minder te danken aan de materie, waarvan een groot gedeelte volgens de huidige maatstaven nogal grofmazig is, dan aan de uitmuntende vorm. Als middel om een principe ingang te doen vinden tot de geest, is een enkele door Chuang Tzŭ vertelde anekdote meer waard dan vellen vol droge betogen.

 

Hoewel de ingewikkeldheid van zijn tekst en de ontoegankelijkheid van zijn onderwerp een belemmering zijn geweest voor een wijdverbreide populariteit, heeft Chuang Tzŭ nooit de gunst verloren van selecte groep geleerden. Van tijd tot tijd, als het taoďsme toevallig weer in de mode was, genoot hij ook een aanzienlijke populariteit aan het Hof. Samen met de Tao Tę Ching, vormde zijn boek het onderwerp van lezingen en onderzoek en naar verluid hebben verschillende Keizers het bestudeerd en erover geschreven. In 713 n.C. werd een speciaal decreet uitgevaardigd dat behelsde dat ambtenaren in overheidsdienst, die de Chuang Tzŭ onder de knie hadden, geselecteerd werden voor promotie. Dat hij altijd gezien werd als een harde noot die moeilijk te kraken was, wordt genoegzaam aangetoond door de vloed aan commentaren en andere werken die gewijd waren aan zijn verheldering. Desalniettemin wordt ons zoals gebruikelijk verhaald over een wonderbaarlijk jongetje — een van de wonderkinderen waaraan de Chinese annalen zo rijk zijn — die op zijn twaalfde de betekenis van zowel Lao Tzŭ als Chuang Tzŭ begreep. De werken van de filosoof werden voor het eerst gedrukt in het jaar 1005 n. C., in de standaarduitgave van Kuo Hsiang, en de regerende Keizer gaf al zijn ministers een exemplaar cadeau.

 

Tot we belanden bij Lin Hsi-chung, in het begin van de huidige dynastie, kan niet gezegd worden dat de Chinese commentaren een erg oogverblindend licht hebben geworpen op onze schrijver. Een vroege schrijver, die hem mogelijk in levende lijve heeft gezien, klaagt erover dat “hij zich in de wolken verbergt en niets van mensen afweet.” Een andere noemt hem “roekeloos, iemand die zich aan geen enkele wet onderwerpt.” Van een derde horen we: “in zijn verlangen zich te bevrijden van de kluisters van het echte bestaan, is hij zichzelf kwijtgeraakt in het drijfzand van de metafysica.” Soms wordt hij vervloekt met de lafste loftuitingen: “In zijn leringen speelt eigendom geen rol, bovendien zijn ze niet gebaseerd op eeuwige principes; desalniettemin dragen ze de schijn van wijsheid en hebben hun goed kanten.” Anderzijds houden fanatieke confucianisten vol dat “zijn boek opzettelijk was bedoeld om hun Meester met slijk te besmeuren, om mensen zijn eigen ketterse leer te laten aanvaarden; en dat daarom niets anders genoegdoening zou kunnen geven dan dat zijn geschriften verbrand en zijn leerlingen gedood zouden worden. Over wat er juist en onjuist was van zijn systeem, wilden zij niet eens een woord vuilmaken.”

 

Van verwante dichterlijke zielen heeft hij een mildere erkenning gekregen. De grote Po Chü-i, van de Tang-dynastie, van wie hij een speciale favoriet is geweest, was zo geďnspireerd door het bestuderen van zijn werken, dat hij drie korte gedichten schreef, waarvan een de volgende strofen bevat [8]:

 

VREDIGE OUDE DAG

 

Chuang Tzŭ zei: “Tao geeft mij het volgende geploeter in mijn volwassenheid, kalmte op mijn oude dag en rust als ik dood ben.”

 

Aanstonds daalt gezwind de gouden zon

Veraf vervloeit de azuren hemel in de nacht

Tao, ‘s werelds steeds veranderende inborst

Gelukkig zij, die vreugde scheppen in zijn wetten.

 

Tao laat mij zwoegen; jeugd wil bereiken,
Serene rust in ’s levens herfst en verval

Ik volg Tao, de seizoenen zijn mijn vrienden

Bied ik weerstand, komt ongeluk op mijn weg.

 

In mijn borst kan verdriet niet schuilen

Door mij heen voel ik de wereldgeest trillen

En als ik voor de wind uitdrijf als een wolk

Of met die ene zwaluw, vervaagt mijn wil

 

Ik lig te dromen onder de moerbeiboom

De dageraad breekt aan, de waterklok drupt loom;

Een nieuwe dag beschijnt rimpels, grijze haren

Symbolen van de volheid van mij jaren.

 

Geen blik achterom als ik vertrek,

Ik leef nog, ik ben vrij van zorgen.

Leven en dood gaan, steeds weerom

Dus zuinig met de kleine dingen van de dag

 

Sterk is mijn geloof, ik wacht, verlang

Eén te zijn met Eeuwigheid’s hartenklop.

 

De brahmaanse invloed die uit deze regels blijkt, wordt getrouw verwoord door Chuang Tzŭ. Er zijn critici die dezelfde invloed nog verder terug willen voeren en van mening zijn dat de bespiegelingen van Lao Tzŭ zelf rechtsreeks ontleend zijn aan India. Maar door de afwezigheid van enig betrouwbaar bewijs van contacten tussen die twee landen zo lang geleden, kan het laatste woord over die theorie nog niet gesproken worden. Met Chuang Tzŭ ligt het iets anders. De tussenliggende periode was getuige geweest van de opkomst van Gautama en de verspreiding van een nieuwe en krachtige religie, die zich belichaamde in de meer wezenlijke onderdelen van de brahmaanse geloofsartikelen. Tegen de tijd van Chuang Tzŭ was het boeddhisme wijd en zijd doorgedrongen tot heel Azië. Pas veel later werd het ingevoerd in China, maar het lijkt niet meer dan redelijk te veronderstellen dat het eerder al hier en daar druppelsgewijs binnengesijpeld is.

 

Zonder twijfel treffen we bij de Chinese filosoof zodanig treffende punten van overeenkomst aan met het brahmanisme, dat ze niet zomaar verklaard kunnen worden als toevallig samenvallen van het denken. Hij gelooft bijvoorbeeld dat ieder mens een ziel heeft, die een emanatie is van de grote onpersoonlijke Ziel van het universum, in tegenstelling tot de geest, die slechts het podium of achtergrond is van onze steeds veranderend gevoelens en emoties en samen met het lichaam sterft. Dat de ziel van nature onsterfelijk is en zich, na het doorlopen van een reeks verschillende toestanden tijdens het geconditioneerde bestaan, uiteindelijk verenigt met de goddelijke essentie, waar zij uit voortgekomen is. Hoe het bereiken van dit eindpunt van opperste gelukzaligheid verhaast kan worden, is de vraag die aan de basis ligt van Chuang Tzŭ’s filosofie. Zijn antwoord wijst op het ontledigde beschouwen van Tao als enige middel om ter wille van zichzelf de gehechtheid aan het bestaan teniet te doen, en zodoende de ziel te bevrijden van haar lichamelijke ketenen. Tot zover lijkt hij op de boeddhist. Maar als het aankomt op het beschouwende leven, merken we dat hij in een of twee details afwijkt van het algemeen erkende boeddhistische ideaal. Voor hem betekent de hoogste vorm van deugdzaamheid niet versterving van de dierlijke instincten. In plaats daarvan zou hij willen het leven dat de vrije en natuurlijk loop gelaten worden. Het bestaat ook niet uit leven als een kluizenaar. Want “de volmaakte mens kan de grenzen van het menselijke overstijgen en zich toch niet terugtrekken uit de wereld.”

 

“Mensen,” zegt hij, “die vanuit diepe wouden of steile gebergten de mensheid willen dienen, zijn gewoon niet opgewassen tegen de druk van hun meer verheven natuur.” Opnieuw brengt zijn afkeer van uiterlijk vertoon hem tot het veroordelen van alles dat zweemt naar ritueel formalisme en ascese, waarvan hij heel goed ziet dat het symptomen zijn van verval van morele eigenschappen. De enige vorm van vasten die hij wel aanbeveelt is het “vasten van de geest.”

 

Maar nadat het zich ontdaan had van elke zweem van materialistische grofheid en veranderd was in een zuiver spirituele gezindte, werd het taoďsme weldra alles bij elkaar te vaag en ongrijpbaar om zich in zijn eentje staande te houden tegen zijn ontzagwekkende rivaal. Het moest wachten op de inbreng van hoognodige boeddhistische elementen voor het zich opnieuw kon doen gelden als een nationale religie. Het lot van Chuang Tzŭ was dat hij dit verval eerder zou verhaasten dan een halt toeroepen. Zij grootste fout lag in het veronachtzamen van de ontwikkeling van de grootse en morele waarheden, die Lao Tzŭ als gist had toegevoegd aan zijn diepzinnigere bespiegelingen. De deugden nederigheid, vriendelijkheid en vergeven van krenkingen, die het vroegere taoďstische evangelie zo hooggeacht had, worden door hem doodgezwegen of ondergeschikt gemaakt aan het allesoverheersende mystieke doel. Zo stierf in latere handen de gloedvolle belofte weg van een buitengewoon verheven moraal, tot stof en as van een pseudo-metafysica. Als een radicale vertegenwoordiger van zijn eigen principes bekommerde Chuang Tzŭ zich amper over uiterlijke en zichtbare resultaten. Hij was allesbehalve een verkondiger. Zijn echte domein was het domein van de geest. Toch rest het feit dat de intellectuele verheffing en verfijning van zijn systeem, het met met uitzondering van slechts een paar, buiten bereik bracht van alle andere mensen.

Anders dan Confucius bekommerde hij zich nauwelijks of niet om het worstelende merendeel van de mensheid, waarvan toch niet te verwachten viel dat het kon opstijgen naar de hoger gelegen vlakten van het abstracte denken.

 

Dit is echter een kritiek die Chuang Tzŭ’s literaire status onberoerd laat en het is uiteindelijk zijn literatuur die aanspraak maakt op het onsterfelijke deel van zijn naam en faam. Want van alle Ouden heeft hij het volmaaktste meesterschap uitgeoefend over de Chinese prozastijl en was de eerste die liet zien tot welke hoogten van welbespraaktheid en schoonheid zijn moedertaal opgestuwd kon worden. En hoe groot de prestaties ook zijn waarop de latere Chinese literatuur zich kan beroemen, in deze opzichten is hij nooit overtroffen. Zijn meesterhand heeft inderdaad snaren doen klinken die sindsdien nooit meer door een andere aanslag in beweging zijn gebracht. Tot slot rest de vraag welke uitwerking deze geschriften teweeg zouden kunnen brengen op de huidige westerse geest? Zeker is dat hij op velen, zelfs ondanks het noodzakelijkerwijs onvolmaakte middel van een vertaling, een grote aantrekkingskracht heeft. Er kan in ieder geval rustig voorspeld worden dat door zijn oorspronkelijkheid en sierlijkheid een veel grote aantal lezers aangetrokken, dan er afgestoten zullen worden door zijn nogal fantastische mystieke grilligheden.




Voetnoten

 

[1] Zo luidt de vertaling in de begeleidende fragmenten.

[2] T‘ien.

[3] Zie pag. 21

[4] Een grote rechtskundige en maatschappelijke hervormer uit de twaalfde eeuw v. C., broer van de eerste heerser van de Chou-dynastie.

[5] Lao Tzŭ ontkomt daar zelf ook niet helemaal aan. Zie het merkwaardige voorval op p. 82 van dit boek.

[6] Zie pag. 19

[7] Zie pag. 39.

[8] Mijn vriend Mr. L. Cranmer-Byng is zo vriendelijk geweest om de vleugels van zijn dichtkunst te verlenen aan mijn letterlijke prozavertaling. Alle drie gedichten zijn te vinden aan het einde van het hoofdstuk over Chuang in de grote encyclopedie van T‘u Shu.


 

DE LEER DER BETREKKELIJKHEID

 

In de noordelijke zee leeft een vis, die K’un wordt genoemd. Die K’un is zo reusachtig groot, dat ik niet weet hoeveel li [1] zijn omvang is. Hij verandert van gedaante en wordt een vogel met de naam P’eng. Ook de rug van P’eng meet ik weet niet hoeveel li en als die vogel opstijgt en wegvliegt, verduisteren zijn vleugels als wolken de hemel. Als het tij op zijn hoogst is maakt hij zich klaar om naar de zuidelijke zee te vertrekken, die het Hemelse Meer heet. Er bestaat een boek, dat Khî Hsieh heet, - het Verslag van Wonderen. Wij lezen daarin de woorden dat als P’eng zuidwaarts vliegt, hij met zijn vleugels eerst over een afstand van drieduizend li op het water slaat. Dan stijgt hij negentigduizend li op een wervelwind omhoog en rust pas uit na een vlucht van zes maanden. Dat is te vergelijken met windvlagen, die korenvelden doen bewegen alsof er paarden overheen gaan, stofjes die trillen in een zonnestraal en levende dingen die door de wind tegen elkaar worden geblazen. Is blauw de ware kleur van de hemel? Of is het slechts het gevolg van afstand en eindeloze uitgestrektheid? Als je van boven naar beneden zou kijken zou precies hetzelfde te zien zijn…..wat betreft dat vele water; - als het niet zoveel zou zijn, zou het niet de kracht hebben om een grote boot te dragen. Giet een kopje water in een holte, en een strootje zal erop drijven alsof het een boot is. Zet er het kopje in, en het zal vastraken; - het water is te ondiep en de boot te groot. Zo is het ook met al die wind; als het niet zoveel zou zijn, zou het niet de kracht hebben om grote vleugels te dragen. Daarom steeg P’eng omhoog tot negentigduizend li en was er zoveel wind onder hem; en dus was er genoeg wind. Dat bleek toen hij de blauwe hemel boven zich had, niets zijn vlucht nog belemmerde of tegenhield en hij daarom zijn weg naar het Zuiden kon vervolgen.

 


 

Een krekel en een jonge duif lachten naar Phing en zeiden, “Wij moeten moeite doen om naar een iep of sappanboom te vliegen en soms vallen we gewoon op de grond voor we ze bereiken. Wat voor zin heeft het dan voor dat schepsel om negentigduizend li op te stijgen om naar het Zuiden te vliegen?” Iemand die naar de groene buitenwijken gaat en naar huis terugkeert voor de derde maaltijd van de dag, zal zijn buik even vol hebben als toen hij erop uit trok; iemand die honderd li ver gaat moet zijn graan fijnstampen voor als hij halt houdt voor de nacht; iemand die duizend li ver gaat moet zijn voorraad voor drie maanden meenemen. Wat zouden deze twee schepseltjes daar nou over kunnen weten? De kennis van iets kleins haalt het niet bij die van iets groots; de ervaring van een paar jaar haalt het niet bij die van vele. Hoe weten wij dat dit zo is? De paddenstoel die maar een ochtend bestaat weet niet wat er plaatsvindt tussen begin en einde van de maand. De maar zo kort levende krekel weet niet wat zich afspeelt tussen lente en herfst. Dat zijn voorbeelden van een kort leven. In het Zuiden van Khü staat een boom, die Ming-ling wordt genoemd en vijfhonderd jaar een lente heeft gekend en even lang een herfst; en heel lang geleden leefde er een schildpad die ook vijfhonderd jaar lang een lente en een herfst heeft meegemaakt. P’ęng Tzŭ [2] is iemand die tot op de dag van vandaag beroemd is om zijn hoge leeftijd. Zou het niet tragisch zijn als iedereen hem zou willen evenaren?

 

Op de vragen die door Thang aan Kî werden voorgelegd vinden we vergelijkbare antwoorden: - “In het kale en barre Noorden ligt een donkere en uitgestrekte zee, - het Hemelse Meer. Daarin leeft een vis, die meerdere duizenden li’s breed is en waarvan niemand weet hoelang hij is. Zijn naam is de Khwän.

Er is ook een vogel die Phäng heet; zijn rug lijkt op de berg Taď en zijn vleugels zijn als wolken die zich langs de hemel uitstrekken. Op een wervelwind stijgt hij op, als het ware langs de spiralen van een bokshoorn, tot een hoogte van negentigduizend li, tot hij, ver weg van de wolkendampen, de blauwe hemel boven zich draagt, zet dan koers naar het Zuiden en vliegt voort tot de zee.”

Een kwartel aan de rand van het moeras moest daarom lachen en zei, “Waar gaat hij naartoe? Ik maak een sprongetje en kom een paar meter verder weer neer en vlieg dan het kreupelhout en de bosjes in. Dat is mijn volmaakte vliegen. Waar gaat dat schepsel naartoe?” Dat laat het verschil zien tussen het grote en het kleine.

 

Zo is het ook met iemand, die verstandig genoeg is voor het werk in een bepaalde functie en door zijn goede gedrag indruk kan maken op de gemeenschap, voldoende deugdzaam is om één heerser te behagen of talent genoeg om in één staat een ambt te bekleden. Hij heeft hetzelfde soort zelftrots als deze kleine schepseltjes. Als Sung Ju Tzŭ zo iemand zou zien, zou vast in lachen uitbarsten. De hele wereld zou Sung Ju Tzŭ kunnen prijzen, maar daardoor zou hij zich niet gaan inspannen; de hele wereld zou hem kunnen veroordelen, maar daardoor zou hij niet gaan kniezen. Hij trok een duidelijke lijn tussen binnen en buiten, en kende de grenzen van echte faam en schande. Maar dat was alles. Hoever de wereld ook ging, hij ergerde zich niet en maakte zich ook geen zorgen, maar er bleef nog steeds grond over die hij niet omspitte.

 


 

Yao wilde het keizerrijk overdragen aan Hsu-Yu. “Als de zon en maan al zijn opgekomen,” zei hij, “is het verspillen van licht als je toortsen laat branden, of niet? Als de seizoensregens vallen, is het verspillen van water als je de velden blijft bevloeien. Als jij de troon zou overnemen, zou de wereld goed geordend zijn. Ik bezet die nog steeds, maar het enige wat ik zie zijn mijn mislukkingen. Ik verzoek je dringend de wereld over te nemen.”

 

Hsu Yu zei, “Je regeert de wereld, maar de wereld wordt al goed geregeerd. Als ik dus jouw plaats inneem, doe ik dat dan voor de naam? Maar een naam is slechts de gast van de werkelijkheid. Als ik het doe moet ik dan de rol van gast spelen? Als een snijdervogel haar nest diep in het woud bouwt, heeft ze niet meer dan één tak nodig. Als een mol bij de rivier drinkt, neemt hij niet meer dan een buikje vol. Ga naar huis en vergeet de zaak, Heer. Ik moet niets hebben van wereldheerschappij! Het kan best dat de kok zijn keuken niet goed beheert, maar de priester en familieleden van de dode die bij het offeren aanwezig zijn, springen dan toch ook niet over de wijnzakken en offerstenen heen om zijn plaats in te nemen?”

 


 

Niets onder het hemelgewelf is groter dan het topje van een aar. Een uitgestrekte bergketen is iets kleins. Ook is er geen enkele leeftijd die langer duurt dan die van een kind dat al jong sterft. P’ęng Tzŭ stierf zelf ook jong. Het universum en ikzelf ontstonden samen; en ik, en alles daarin, zijn Een.

 


 

Het was in de tijd van de herfstoverstromingen. Elke stroompje stortte zich in de rivier, die zwol in haar modderige loop. De oevers weken zover uiteen dat het niet mogelijk was om een koe van een paard te onderscheiden.

 

Toen lachte de Geest van de Rivier van plezier, omdat alle schoonheid van de aarde zich bij hem had verzameld. Stroomafwaarts reisde hij naar het Oosten tot hij de zee bereikte. Daar blikte hij oostwaarts en ontwaarde geen grenzen aan haar golven en zijn gelaat veranderde. En hij staarde over de wijdte, zuchtte en sprak tot de Geest van de Zee: “Een afgezaagd gezegde luidt dat iemand die slechts een deel van de waarheid heeft gehoord, denkt dat er niemand is zoals hij. En zo iemand ben ik.”

 

“Als ik vroeger mensen geringschattend hoorde spreken over de leer van Confucius of hoe zij het heldendom van Poh I onderschatten, geloofde ik ze niet. Maar nu heb ik uw onuitputtelijkheid aanschouwd — helaas had ik uw verblijfplaats niet eerder gevonden, want anders was ik voor altijd het mikpunt van spot geworden voor de verlichten!”

 

Daarop antwoordde de geest van de Zee: “Met een kikker uit een put — het schepsel uit een beperkte ruimte, kun je niet spreken over de zee. Met een zomerinsekt — het schepsel van een enkel seizoen, kun je niet spreken over ijs. Je kunt niet spreken over Tao met een opvoeder: zijn denkraam is te bekrompen. Maar nu je uit je eigen beperkte ruimte tevoorschijn bent gekomen en de grote zee hebt gezien, weet je hoe onbeduidend je bent en kan ik met jou spreken over grote principes….

 

“Zijn de Vier Zeeën, vergeleken met het universum, niet als poelen in het moeras? Is het Middelste Koninkrijk, vergeleken met de omringende zee, niet als voederwikkezaden in een graanschuur? Van al die ontelbare dingen, is de mens er slechts een. En van al die mensen die het land bewonen, leven van de vruchten der aarde en zich voortbewegen in kar en boot, is de individuele mens er slechts een. Is hij dan, vergeleken met de hele schepping, niet slechts als een haar in een paardenvacht?

 

“De ruimte is grenzeloos; de tijd is eindeloos. Omstandigheden zijn niet onveranderlijk; duur niet eindig. De wijze mens kijkt de ruimte in en ziet het kleine niet te klein, noch het grote te groot; want hij weet dat er geen einde is aan een dimensie. Hij kijkt terug in het verleden en treurt niet over het verre, noch verheugt hij zich over het nabije; want hij weet dat de tijd geen einde kent. Hij onderzoekt volheid en verval en verheugt zich niet als hij slaagt, noch jammert hij als hij faalt; want hij weet dat omstandigheden niet onveranderlijk zijn. Wie helder de ordening van het bestaan begrijpt, verheugt zich niet over het leven en klaagt evenmin over de dood; want hij weet dat duur niet eindig is.

 

“Wat de mens wel weet is niet te vergelijken met wat hij niet weet. De tijdspanne van zijn bestaan is niet te vergelijken met de tijdspannen van zijn niet-bestaan. Met het kleine het grote verbruiken kan hem alleen maar in verwarring brengen en bereikt hij zijn doel niet. Hoe zou iemand dan kunnen zeggen dat de punt van een haar het summum van kleinheid is, of het universum het summum van grootheid?”

 


 

Mensen die gelijk zouden willen hebben, zonder het tegenovergestelde ongelijk, of goed bestuur zonder het tegenovergestelde wanbestuur,— begrijpen niets van de grote principes van het universum of de omstandigheden waaraan de hele schepping onderhevig is. Je zou net zo goed kunnen spreken over het bestaan van het universum zonder over dat van de aarde, of over het negatieve principe, zonder het positieve, wat overduidelijk ongerijmd is.

 


 

Als je het absolute als maatstaf aanvaardt voor evenwichtigheid, die zo betrekkelijk is, zullen je resultaten niet absoluut evenwichtig zijn. Als je het absolute als maatstaf voor juistheid aanvaardt die zo betrekkelijk is, zullen je resultaten niet absoluut juist zijn. Mensen die op hun zintuigen vertrouwen, worden slaaf van uiterlijke bestaansvormen. Alleen mensen die geleid worden door hun gevoel vinden de ware maatstaf. Wat dat betreft zijn zintuigen minder betrouwbaar dan gevoel. Toch vertrouwen dwazen op hun zintuigen om te weten wat goed is voor de mensheid, met helaas slechts uiterlijke resultaten.

 

HET SAMENVALLEN DER TEGENDELEN

 

Tzŭ Ch‘i of Nan-kuo zat voorovergebogen aan tafel. Hij sloeg zijn blik naar de hemel, zuchtte en was niet meer aanspreekbaar, alsof zijn geest en lichaam van elkaar losgeraakt waren. Yen Chę‘ng Tzŭ Yu, die naast hem stond, riep uit “je lichaam wordt als droog hout en je geest als gedoofde as, waar zit je aan te denken? De man die nu over de tafel zit gebogen is niet degene die er net nog was.”

“Beste vriend,” antwoordde Tzŭ Ch‘i, “dat is een rake vraag. Vandaag heb ik mijn Ik begraven….Begrijp je? …..Ah! misschien ken je alleen de muziek van de Mens en niet die van de Aarde. Of zelfs als je de muziek van de Aarde wel hebt gehoord, de muziek van de Hemel heb je in ieder geval niet gehoord.”

 

“Verklaar je nader,” zei Tzŭ Yu.

 

“De adem van het universum,” vervolgde Tzŭ Ch‘i, “wordt wind genoemd. Bij tijd en wijle waait de wind niet. Maar als het waait, weergalmt elke opening haar vlagen. Heb je nooit geluisterd naar dat aanwakkerende geloei? Grotten en valleien in heuvels en wouden, holten in reusachtige bomen met enorme omvang — zijn als neusgaten, monden, oren, holten in balken, bokalen, vijzels, greppels en poelen. Daar raast de wind doorheen, snuivend, snurkend, zuchtend, puffend, murmelend, fluitend en snorrend, nu eens met een schelle sopraan, dan weer met een diepe bas, de ene keer zacht, de andere keer luid, totdat in een windstilte weer een doodse stilte valt. Heb je nooit bij de bomen die beroering gezien?”

 

“Welnu,” vroeg Tzŭ Yu, “als de muziek van de Aarde uit niets anders bestaat dan holten en de muziek van de Mens uit riet- en bamboefluiten, waaruit bestaat dan de muziek van de Hemel?”

 

“De uitwerking van de wind op deze verschillende openingen, “ antwoordde Tzŭ Ch‘i, “is niet hetzelfde. Maar wat is het dat aan elk afzonderlijk het vermogen tot geluid geeft?....... Met een steeds veranderende stemming wisselen vreugde en boosheid, zorgen en wroeging, bij ons af. Zij komen tevoorschijn als muziek uit lege holten, als paddenstoelen uit dampen. Binnen in ons wisselen dag en nacht elkaar af, maar we kunnen niet zeggen waaruit ze voortkomen. Kunnen we dan verwachten dat wij opeens onze vinger op de oorzaak kunnen leggen?

 

“Maar voor deze emoties moet er een Ik zijn, want bij mijn Zelf zouden geen kans maken. Zover is zeker, maar we weten niet wat het is dat hen in gang zet. Het zou een ziel kunnen zijn, maar voor het bestaan van de ziel zijn onvoldoende aanwijzingen. Het is zeer aannemelijk dat er een dergelijke kracht werkzaam is, hoewel wij zijn vorm niet kunnen zien. Hij is werkzaam zonder vorm.

 

“Neem het lichaam met al zijn vele verschillende onderdelen. Op welk onderdeel is de mens het meest gesteld? Koestert hij ze allemaal evenzeer, of heeft hij een voorkeur? Zijn ze hem niet allemaal van dienst? En besturen die dienaren zichzelf, of zijn ze onderverdeeld in heersers en onderdanen? Het is vast een of andere ziel die ze allemaal bestuurt.

 

“Maar of we er al dan niet achter komen wat de werkzaamheden van die ziel zijn, de ziel zelf maakt dat weinig uit. Want zij kan dan wel samen met mijn sterfelijke omhulsel ontstaan, maar op het moment dat dit sterfelijke omhulsel het opgeeft, betekent dat ook het einde van haar opdracht. Zo vreselijk afgemat worden door het geploeter en gezwoeg van het leven en daar doorheen moeten snellen, zonder het verloop tegen te kunnen houden, is dat eigenlijk niet deerniswekkend? Opophoudelijk werken en dan, zonder leven meeer om van de vruchten te genieten, opeens uitgeleefd vertrekken, zonder te weten waar naartoe, is dat niet een terechte reden voor verdriet?

 

“Wat voor voordeel schuilt er in wat mensen onsterfelijkheid noemen? Het lichaam vergaat, de geest samen daarmee. Dat is onze werkelijke reden voor verdriet. Kan de wereld zo dom zijn dat zij dat niet ziet? Of ben ik de enige die dom is, en anderen niet?......Er is niets dat niet objectief is, niets dat niet subjectief is. Maar het is onmogelijk om van het objectieve uit te gaan. Alleen vanuit subjectieve kennis is het mogelijk tot objectieve kennis te komen. Vandaar dat gezegd wordt, ‘Het objectieve komt voort uit het subjectieve; het subjectieve vloeit voort uit het objectieve. Dat is de Theorie der Afwisseling.’ Desalniettemin sterft het objectieve als het subjectieve tot leven komt. Als het ene mogelijk is, is het andere niet mogelijk. Als het ene bevestigend is, is het andere ontkennend. Omdat dat zo is, verwerpt de ware wijze elk onderscheid tussen dit en dat. Hij neemt zijn toevlucht tot het Ene en plaatst zichzelf in een subjectieve verhouding tot alle dingen.

 

“En voor zover het subjectieve tevens het objectieve is, en het objectieve tevens het subjectieve en de tegengestelden onder beiden ononderscheidelijk samensmelten, wordt het voor ons onmogelijk te zeggen of het subjectieve en objectieve eigenlijk wel bestaan.

 

“De spil van Tao is als het subjectieve en objectieve beiden datgene niet meer hebben wat daarmee in wisselwerking staat. En als die spil door het middelpunt gaat waarin alle Oneindigheden bij elkaar komen, smelten zowel positief als negatief samen in het oneindig Ene…..Daarom zijn, gezien vanuit het standpunt van Tao, een balk en een pilaar identiek. Dat geldt ook voor lelijkheid en schoonheid, grootheid, slechtheid, verdorvenheid en vreemdheid. Scheiden is hetzelfde als samenvoegen, want die twee toestanden vallen samen in het Ene. Alleen ware wijzen begrijpen dit principe van de gelijkheid van alle dingen. Zij zien dingen niet als op zichzelf staand, iets subjectiefs, maar voelen zich met de gadegeslagen dingen. En door ze zo te zien, begrijpen zij hen, nee, beheersen hen; en iemand die ze kan beheersen heeft wijsheid bereikt. [3] Je zelf dus in een subjectieve relatie plaatsen met alle dingen in de omgeving, zonder je bewust te zijn van hun objectiviteit, dat is Tao. Maar je verstand afpeigeren terwijl je hardnekkig vasthoudt aan de individualiteit van dingen en niet zien dat ze in feite allemaal Een zijn, dat wordt Drie ‘s Morgens genoemd.”

 

“Wat is Drie ‘s Morgens?” vroeg Tzŭ Yu.

 

“Iemand die apen hield,” antwoordde Tzŭ Chi, “vertelde over hun rantsoen kastanjes: elke aap kreeg ’s morgens drie kastanjes en ’s avond vier. Maar daarover waren de apen woedend, zodat de eigenaar zei dat ze ook ’s ochtends vier en ’s avonds drie konden krijgen, een afspraak waar ze allemaal heel blij mee waren. Het werkelijke aantal kastanjes bleef hetzelfde, maar er was een aanpassing verricht aan de voorkeur en afkeur van de betrokkenen. Dat is nu het principe van jezelf in een subjectieve verhouding plaatsen met de dingen in de buitenwereld.

 

“Dat is de reden dat de ware wijze, omdat hij tegengestelden als gelijk ziet, zich aanpast aan de wetten van de Hemel. Dat wordt ‘twee wegen tegelijkertijd’ volgen genoemd.

 

“De kennis van de Ouden had een beperking. Die ging terug tot een tijdperk waarin materie nog niet bestond. Dat was het uiterste punt tot waar hun kennis reikte. Het tweede tijdperk was dat van de materie, maar een onbepaalde materie. Het derde tijdperk zag materie als iets bepaalds, maar tegengestelden waren nog onbekend. Toen die verschenen, raakte Tao in verval. En met het vervallen van Tao kwamen de individuele vooroordelen op.”

 

ILLUSIES

 

Hoe weet ik dat liefde voor het leven eigenlijk geen illusie is? Hoe weet ik dat iemand die bang is om dood te gaan, als een kind is dat verdwaald is en zijn huis niet kan vinden?

 

Mevrouw Li Chi was de dochter van Ai Fęng. Toen ze hoorde dat ze uitgehuwelijkt zou worden aan de hertog van Chin, weende ze tot het borststuk van haar kleed doordrenkt was van tranen. Maar toen ze in het koninklijke paleis kwam, samenleefde met de hertog en rijkelijke maaltijden genoot, speet het haar dat ze gehuild had. Hoe weet ik dan dat de doden spijt hebben van het feit dat ze zich eerder zo vastgeklampt hebben aan het leven?

 

Mensen die dromen over een feestmaal, worden jammerend en verdrietig wakker. Mensen die dromen over gejammer en verdriet, ontwaken en gaan vrolijk op jacht. Terwijl ze dromen weten ze niet dat ze dromen. Sommigen zullen zelfs tijdens het dromen de droom verklaren die ze dromen en, pas als ze weer wakker zijn, weten ze dat het een droom was. Stukje bij beetje komt het Grote Ontwaken naderbij en dan zullen we ontdekken dat dit leven in werkelijkheid één grote droom is. Dwazen denken dat ze nu al wakker zijn en slaan zichzelf hoog aan omdat ze denken dat ze echt prins of boer zijn.

 

Confucius en jij zijn allebei een droom en ik die zeg dat jullie een droom zijn, ben zelf ook maar een droom. Dat is een paradox. Morgen zal er misschien een wijze opstaan die dat zal uitleggen. Maar dat ‘morgen’ zal pas komen als tienduizend generaties voorbij zijn gegaan.

 

Stel dat jij en ik ruzie hebben. Als jij mij slaat en ik jou, heb jij het dan per se bij het rechte eind en ben ik dan fout? Of ik sla jou, en jij mij niet, heb ik dan per se gelijk en jij ongelijk? Of hebben we beiden deels gelijk en deels ongelijk? Of hebben we beiden helemaal gelijk of helemaal ongelijk? Jij en ik kunnen dat niet weten en daarom moet de wereld wel onwetend van de waarheid zijn.

 

Wie moet ik als scheidsrechter tussen ons nemen? Als ik iemand neem die het met jou eens is, zal hij jouw kant kiezen. Hoe kan zo iemand dan tussen ons bemiddelen? Als ik iemand neem die het mij eens is, zal hij mijn kant kiezen. Hoe kan zo iemand dan tussen ons bemiddelen? En als ik iemand neem die het met ons beiden eens of oneens is, zal hij evenmin tussen ons kunnen bemiddelen. Omdat dus jij, noch de scheidsrechter een beslissing kunnen nemen, moeten we het dan niet laten afhangen van een Andere? Een dergelijke afhankelijkheid is alsof het geen afhankelijkheid is. Wij worden omvat in de uitwissende eenheid met het Ene.

 


 

Op zekere dag droomde ik, Chuang, dat ik een vlinder was, die heen en weer fladderde. In alle opzichten en hoedanigheden een vlinder. Ik was mij alleen maar bewust van mijn voorkeuren als vlinder en onbewust dat ik eigenlijk een mens was. Plotseling werd ik wakker en daar lag ik dan, weer mijzelf. Ik weet echter niet of ik toen een mens was die droomde dat ik een vlinder was, of dat ik nu een vlinder ben die droomt dat hij een mens is. Tussen mens en vlinder moet toch een verschil bestaan. Die overgang wordt zielsverhuizing genoemd.

 

DE GEHEIMZINNIGE IMMANENTIE VAN TAO

 

Halfschaduw zei tegen Schaduw, “het ene moment beweeg je, het andere ben je in rust. Het ene moment zit je, het andere sta je op. Vanwaar die wispelturigheid?

“Ik ben afhankelijk,” zei Schaduw, “van iets dat mij laat doen wat ik doe, en dat iets hangt op zijn beurt af van iets anders dat het laat doen wat het doet. Mijn afhankelijkheid is zoals de schubben van een slang en de vleugels van een krekel dat zijn. Hoe kan ik dan vertellen waarom ik het ene doe en niet het andere?

 


 

De kok van vorst Hui sneed een os in stukken. Elke slag van zijn hand, elk op en neer gaan van zijn schouder, elke stap van zijn voet, elke buiging van zijn knie, elk krrr van het scheurende vlees, en elk shhh van zijn hakmes, was in volmaakte harmonie,— ritmisch als de Dans van het Moerbeibos, gelijktijdig als de akkoorden van de Ching Sou.

 

“Goed gedaan!” riep de vorst uit, “je bent een echte vakman.”

 

“Sire,” antwoordde de kok, “Ik ben altijd al Tao toegedaan geweest. Dat is beter dan vaardigheid. Toen ik begon met ossen in stukken te snijden, zag ik gewoon een hele os voor me. Na drie jaar ervaring zag ik geen heel beest meer. En nu werk ik met mijn geest en niet met mijn ogen. Als mijn zintuigen mij vragen op te houden, maar mijn geest mij aanspoort om door te gaan, val ik terug op eeuwige principes. Ik volg de spleten en holten zoals die al aanwezig zijn, volgens de natuurlijke structuur van het dier. Ik probeer niet door gewichten heen te snijden, nog minder door grote botten.

“Een goed kok vervangt zijn mes eens per jaar, — omdat hij hakt. Maar ik heb dit mes al negentien jaar en hoewel ik al vele duizenden ossen heb versneden, is het snijvlak even scherp alsof het net van de wetsteen komt. Want in gewrichten zitten altijd tussenruimten en omdat de rand van het mes geen dikte heeft, volstaat het datgene dat geen dikte heeft in een dergelijke spleet te steken. [4] Daardoor wordt die spleet wijder en vindt het lemmet een overvloed aan ruimte. Zodoende heb ik mijn mes negentien jaar zo scherp gehouden alsof het net van de wetsteen komt.

 

Niettemin, als ik op een hard stuk stuit, waar het mes een weerstand raakt, ben een en al behoedzaamheid. Ik richt er mijn blik op, houd mijn hand stil en zachtjes leg ik mijn lemmet aan, totdat het stuk met een ftttt meegeeft, zoals een aardkluit uit elkaar valt op de grond. Dan trek ik mijn mes terug, strek mij uit, kijk voldaan in het rond, veeg triomfantelijk mijn mes schoon en berg het zorgvuldig op.”

 

“Uitstekend!” riep de vorst uit, “van de woorden van deze kok heb ik geleerd hoe ik zorg moet dragen voor mijn leven.”


 

In de staat Chęng was een opzienbarende magiër die Chi Han heette. Hij wist alles over geboorte en dood, winst en verlies, ongeluk en geluk, een lang en kort leven en voorspelde met een bovennatuurlijke nauwgezetheid gebeurtenissen tot op de dag. De mensen uit Chęng plachten weg te vluchten als hij aan kwam lopen; maar Lieh Tzŭ ging naar hem kijken en raakte zo onder de indruk dat hij, toen hij weer terug was, tegen Hu Tzŭ [5] zei, “Ik zag Tao altijd als iets volmaakts. Nu weet ik iets dat nog volmaakter is.”

 

“Tot nu toe,” antwoordde Hu Tzŭ, “heb ik je alleen iets geleerd over de franje, niet de wezenlijke dingen van Tao. Wat voor eieren leggen jouw kippen als je geen hanen in je hoenderhof hebt? [6] Als jij mensen Tao door de strot probeert te duwen, loop je alleen maar met jezelf te koop. Neem je vriend mee en stel mij aan hem voor.”

 

De dag daarop ging Lieh Tzŭ met Chi Han op bezoek bij Hu Tzŭ, en toen ze weer buiten kwamen zei Chi Han: “Helaas! jouw leraar is ten dode opgeschreven. Ik geef hem amper tien dagen. Ik ben geschokt over hem. Hij is nog slechts natte as.”

 

Lieh Tzŭ liep naar binnen en weende bittere tranen. Hij vertelde het aan Hu Tzŭ, maar die laatste zei: “Ik liet hem mijzelf gewoon zien zoals de aarde ons haar buitenkant laat zien, roerloos en stil, terwijl het scheppen de hele tijd doorgaat. Ik heb alleen maar voorkomen dat hij mijn innerlijk ingehouden energie zag. Neem hem nog een keer mee.”

 

De volgende dag verliep het gesprek zoals eerder; maar toen ze weggingen zei Chi Han tegen Lieh Tzŭ: “Wat een geluk voor jouw meester dat hij mij ontmoet heeft. Hij is opgeknapt. Hij zal genezen.

Ik zag dat er helende krachten aan het werk zijn.”

 

Lieh Tzŭ liep weer naar binnen en vertelde dat aan Hu Tzŭ, waarop de laatste antwoordde: “Ik liet hem mijzelf nu gewoon zien zoals de hemel zich laat zien in heel haar onbewogen grootsheid en liet alleen wat energie uit mijn hielen lopen. Hij kon dus zien dat ik toch wat had. Breng hem nog een keer mee.”

 

De volgende dag vond een derde onderhoud plaats en toen ze weggingen zei Chi Han tegen Lieh Tzŭ: “Jou leraar is geen enkele dag hetzelfde. Ik kan niet eens zeggen hoe hij eruit ziet. Zorg dat hij weer gewoon wordt, dan zal ik hem nog een keer bekijken.”

 

Dat werd net als de vorige keer overgebracht aan Hu Tzŭ, waarop de laatste zei: “Ik heb hem mijzelf nu laten zien in een toestand van volmaakt evenwicht. Waar een walvis zich vermaakt, — is de afgrond. Waar water in rust is, — is de afgrond. Waar water in beweging is, — is de afgrond. De afgrond heeft negen namen. Dit zijn er drie van.” [7]

 

De dag daarop gingen de twee nog een keer op bezoek bij Hu Tzŭ, maar Chi Han kon niet stil blijven staan en in zijn verwarring keerde hij om en sloeg op de vlucht.

 

“Ga hem achterna!” riep Hu Tzŭ, waarop Lieh Tzŭ hem achterna rende, maar niet kon inhalen. Dus liep hij terug en vertelde Hu Tzŭ dat de voortvluchtige verdwenen was.

 

“Ik liet hem mijzelf nu gewoon zien,” zei Hu Tzŭ, “zoals Tao was voordat de tijd bestond. Ik was voor hem een grote, op zichzelf staande leegte. Hij wist niet wie ik was. Zijn gezicht betrok. Hij raakte verward. En daarom vluchtte hij.”

 

Toen was Lieh Tzŭ ervan overtuigd dat hij tot nu toe nog geen grein ware kennis had verworven en ging meteen serieus aan het werk. Drie jaren gingen voorbij zonder dat hij zijn huis verliet. Hij hielp zijn vrouw met het bereiden van de maaltijd voor het gezin, en voerde de varkens alsof hij een mens was. Hij ontdeed zich van alles wat kunstmatig was en keerde terug tot het natuurlijke. Hij werd louter een schim. Te midden van verwarring was hij helder. En zo ging hij verder tot het eind.


 

De wereld denkt, dat de beste verklaring van Tao in boeken is te vinden. Maar boeken zijn slechts een verzameling van woorden. Woorden hebben iets kostbaars in zich; dat is de gedachte, die zij dragen. Maar die gedachte is het gevolg van iets anders, en juist dat andere kan niet in woorden worden uitgedrukt. Wanneer de wereld om de waarde, die zij aan woorden hecht, die overbrengt op boeken, kan zij waarderen, wat geen waardering verdient; want wat zij waardeert is niet de werkelijke waarde.

 

Hertog Huan zat op zekere dag te lezen boven in zijn zaal, toen een wielenmaker die beneden aan het werk was zijn hamer en beitel neergooide, de trap opliep en zei: “Welke woorden mag uwe Hoogheid dan wel bestuderen?”

 

“Ik bestudeer de woorden van de Wijzen,” antwoordde de hertog.

 

Leven die wijzen nog?” vroeg de wielenmaker.

 

“Nee,” antwoordde de hertog, “ze zijn dood.”

 

“Dan zijn de woorden die uwe Hoogheid bestudeert,” antwoordde de wielenmaker, “slechts de droesem van de Ouden.”

 

“Wat bedoel je daarmee, kerel!” riep de hertog, “ je bemoeien met wat ik lees? Verklaar je nader, of je gaat eraan.”

 

“Laat ik een voorbeeld geven,” zei de wielenmaker, “van mijn eigen vak. Als je bij het maken van een wiel te langzaam werkt, kun je het niet stevig krijgen; als je te snel werkt, passen de spaken niet. Je moet dus niet te snel en niet te langzaam te werk gaan. Hand en geest moeten harmonieus samenwerken. Woorden kunnen niet uitleggen wat dat is, maar er zit iets geheimzinnigs aan. Ik kan mijn zoon daar niet in onderrichten en hij kan het ook niet van mij leren. Hoewel ik al zeventig ben, maak ik op mijn oude dag nog steeds wielen. Als de Ouden, samen met wat zij niet konden overbrengen, dood en verdwenen zijn, moet dus wat uwe Hoogheid bestudeert wel droesem zijn.”

 


 

Een dronken man die van de kar afvalt, valt niet dood, maar kan zich wel bezeren. Zijn botten zijn hetzelfde als bij andere mensen, maar hij ondergaat dit ongeval op een onverschillige manier. Zijn geest verkeert in een toestand van zekerheid. Hij is zich er niet bewust van dat hij op een rijdende kar zit, ook niet dat hij er afvalt. Ideeën van leven, dood, angst, enzovoort, dringen niet tot hem door. Daarom overkomt hem niets als hij in aanraking komt met de tastbare wereld. Als een dergelijke zekerheid verkregen kan worden door wijn, hoeveel te meer dan niet door het Ene? In dat Ene zoekt de wijze zijn toevlucht en zodoende zal hem niets meer deren.

 


 

Lieh Yü K‘ou gaf Po Hun Wu Jęn les in boogschieten. Terwijl hij de boog helemaal spande, plaatste hij een beker water op zijn elleboog en liet de pijl vliegen. Nauwelijks was de ene pijl uit het zicht of er zat al een andere op het koord, terwijl de boogschutter al die tijd roerloos als een standbeeld bleef staan.

 

“Maar dat is schieten onder gewone omstandigheden,” riep Po Hun Wu Jen, “dat is niet schieten onder bijzondere omstandigheden. Ik zal samen met jou een hoge berg bestijgen, op de rand gaan staan van een afgrond van meer dan duizend voet diep en zien hoe je dan schiet.”

 

Daarop beklom Wu Jęn met Lieh Yü een hoge berg, ging op de rand staan van een afgrond van duizend voet diep, nadat hij die achterwaarts genaderd was totdat een vijfde zijn voeten boven de afgrond uitstak en wenkte Lieh Yü naderbij. Maar de laatste viel voorover op de grond, terwijl het zweet tot zijn hielen neergutste.

 

“De volmaakte mens,’ zei Wu Jen, “vliegt omhoog naar de blauwe hemel, duikt naar beneden naar de gele bronnen, [5] of vliegt naar een uiterste van de windstreken, zonder een spier te vertrekken. Maar jij bent doodsbang en hebt een verbijsterde blik. Jouw innerlijke beheer is verstoord.”


 

Een leerling zei tegen Lu Chü: “Meester ik heb uw Tao bereikt. ’s Winters kan ik zonder vuur, ’s zomers kan ik ijs maken.”

 

“Jij maakt alleen maar gebruik van sluimerende warmte en koude,” antwoordde Lu Chü. “Dat is niet wat ik Tao noem. Ik zal je laten zien wat mijn Tao is.”

 

Daarop stemde hij twee luiten en plaatste de ene in de hal en de andere in de aangrenzende kamer. En toen hij op de ene de toon kung aansloeg, klonk op de andere ook de toon kung; als hij de toon chio aansloeg op de een, klonk op de ander ook de toon chio. Dat kwam omdat ze allebei op dezelfde toonhoogte gestemd waren.

 

Maar als hij de spanning van een snaar veranderde, zodat die niet meer paste in het octaaf, en dan de luit aansloeg, was het gevolg dat alle vijfentwintig snaren samen vals klonken. Er was geluid zoals voorheen, maar de invloed van de grondtoon was verdwenen.


 

Voetnoten

 

[1] Een toespeling op de uitspraak van Lao Tzŭ: “Wat geen substantie heeft, dringt binnen waar geen spleet is.”

[2] Zijn huisleraar.

[3] De kippen staan voor de letter van de leer; de hanen voor de geest en de eieren voor de ware kennis van de leer

[4] D.w.z. drie stadia van Tao.

[5] De hel.


 

DE VERBORGEN BRON

 

Tao heeft zijn wetten en tekenen. Het is zowel verstoken van handelen als vorm. Het kan overgedragen maar niet ontvangen worden. Het kan verkregen maar niet gezien worden. Voor hemel en aarde waren was Tao. Onveranderd heeft het altijd bestaan. Geestelijke wezens ontlenen daaraan hun verhevenheid, terwijl het universum werd wat we nu kunnen zien. Voor Tao is het zenit niet hoog en het nadir niet laag; geen tijdsmoment is lang geleden, in al die eeuwen is het niet ouder geworden.

Hsi Wei [1] verkreeg Tao, en zag de orde van het universum. Fu Hsi [2] verkreeg het, en kon eeuwige principes vaststellen. De Grote Beer verkreeg het en is nooit van zijn koers afgeweken. Zon en maan verkregen het en zijn nooit opgehouden met draaien.

 


 

Chuang Tzŭ zei: O “mijn voorbeeld! Gij die alle dingen vernietigt en dat niet als wreed beschouwt; gij die alle tijden begunstigt en dat niet liefdadigheid noemt; gij die ouder zijt dan de oudheid en dat niet oud noemt; gij die het universum ondersteunt en alle vormen daarin schept en dat geen vaardigheid noemt; dit is Tao van het Ene!”

 


 

Leven volgt op dood. Dood is het begin van leven. Wie weet wanneer het einde bereikt is? Het leven van de mens is het gevolg van het samenballen van de levensvloeistof. Het samenballen is leven; het uiteenvallen dood. Als leven en dood dus slechts opeenvolgende toestanden zijn, wat heb ik dan te klagen?

 

Daarom zijn alle dingen Een. Waar wij van houden is in leven roepen. Wat we haten is bederf. Maar bederf wordt op zijn beurt in leven roepen en in leven roepen wordt dan eens te meer bederf.

 


 

Het universum is prachtig, maar zegt niets. De vier seizoenen houden aan door een onveranderlijke wet, maar zeggen niets. De hele schepping is gebaseerd op absolute principes, maar zegt niets.

 

En de ware Wijze, die zich uitspreekt over de schoonheid van het universum, is doorgedrongen tot de principes van de geschapen dingen. Vandaar dat hij zegt dat de volmaakte mens niets doet, de ware Wijze niets tot stand brengt, behalve staren naar het universum.

 

Want het menselijke verstand, hoe scherpzinnig ook, kan al zijn onderzoek van de talloze ontplooiingen van de dingen, hun dood en geboorte, hun hoekigheid en rondheid, — nooit de oorsprong bereiken. De schepping is, en is altijd geweest.

 

De zes hoofdpunten, die zich tot het oneindige uitstrekken, worden altijd omvat in Tao. In al zijn nietigheid moet een lenteaartje toch Tao in zich meedragen. Er is niets op aarde dat niet opkomt en vervalt, maar het verdwijnt nooit helemaal. Het Yin en Yang,[ 2] en de vier seizoenen, houden zich aan hun eigen regelmaat. Ogenschijnlijk teniet gegaan, toch blijvend bestaand; het stoffelijke verdwenen, het onstoffelijke gebleven, — dat is de wet der schepping, die alle begrip te boven gaat. Dat wordt de bron genoemd, vanwaar een glimp van het Ene verkregen kan worden.

 


 

De kennis van de mens is begrensd, maar van wat hij niet weet hangt de mate af waarin hij het Ene kan begrijpen.

 

Kennis van het Ene, de grote Ontkenning, het grote Namenregister, de grote Gelijkvormigheid, de grote Ruimte, de grote Waarheid, de grote Wet, — dat is volmaaktheid. De grote Ontkenning is almachtig. Het grote Namenregister is allesomvattend. De grote Gelijkvormigheid is alles-in-zich-opnemend.

 

De grote Ruimte is allesontvangend. De grote Waarheid is alleseisend. De grote Weg is allesbindend.

 

Het laatste einde is het Ene. Het maakt zich zichtbaar in de wetten der natuur. Het is de verborgen bron. In den beginne was het. Dat is echter onvatbaar. Vanuit het onkenbare komen wij tot het kenbare.

 

Onderzoek moet niet begrensd worden, moet ook niet onbegrensd zijn. In deze onbepaaldheid zit iets bestaands. Tijd verandert het niet. Het kan niet onderhevig zijn aan vermindering. Moeten we dit dan niet onze grote Gids noemen?

 

Waarom ons wijfelende hart dat dan niet laten onderzoeken? En dan, met behulp van zekerheid die twijfel verjagend, terugkeren naar een toestand zonder twijfel, waarin de twijfel dubbel zo dood is?

 


 

“Chi Chęn,” zei Shao Chih, “onderwees Toeval; Chieh Tzŭ onderwees Voorbestemming. Aan welke kant lag het gelijk, in de bespiegelingen van die twee scholen?

 

“De haan kraait,” antwoordde  T‘ai Kung Tiao, “en de hond blaft. Zoveel is zeker. Maar zelfs de wijste van ons zou niet kunnen vertellen waarom de ene kraait en de andere blaft, noch raden waarom ze eigenlijk kraaien en blaffen.”

 

“Ik zal het uitleggen. Het oneindig kleine is niet waarneembaar; het oneindig grote is onmeetbaar. Toeval en Voorbestemming moeten te maken hebben met iets dat bepaald is. Daarom zijn beiden onjuist.

 

“Voorbestemming heeft te maken met het echte bestaan. Toeval houdt de afwezigheid in van enig principe. Een naam en belichaming daarvoor hebben, — betekent een materieel bestaan hebben. Daarvoor geen naam en belichaming hebben, — daarover valt te praten en te denken; maar hoe meer er gepraat wordt, hoe verder je van huis raakt.

 

“Het ongeboren schepsel kan niet afgehouden worden van het leven. De dood kan niet afgebakend worden. Van geboorte tot dood is maar een kort tijdsbestek; toch kan het geheim niet doorgrond worden. Toeval en Voorbestemming zijn slechts a priori-oplossingen.

 

“Als ik zoek naar een begin, vind ik slechts een oneindige tijd. Als ik vooruitkijk naar een eind, zie ik slechts een oneindige tijd. De oneindigheid van de voorbije en toekomstige tijd houdt in dat er geen begin is en dat is in overeenstemming met de wetten van het stoffelijke bestaan. Toeval en

Voorbestemming verschaffen ons een begin, maar wel een dat alleen maar te rijmen valt met het bestaan van materie.

 

“Tao kan niet iets bestaands zijn. Als het iets bestaand was, zou het niet niet-bestaand kunnen zijn. De naam Tao is alleen maar voor het gemak bedacht. Toeval en Voorbestemming zijn beperkt tot het stoffelijke bestaan. Hoe kunnen zij dan van invloed zijn op het oneindige?

 

“Als taal toereikend zou zijn, zou het maar een dag vergen om Tao helemaal uit te leggen. Omdat taal ontoereikend is, vergt het die tijd om het stoffelijke bestaan te verklaren.

 

Tao is iets dat voorbij het stoffelijk bestaande is. Het kan niet overgebracht worden door woorden of zwijgen. In die toestand, waarin woorden noch zwijgen zijn, kan zijn transcendentale aard misschien begrepen worden.”

 


 

Alle dingen komen voort uit kiemen. Die dingen worden nder allerlei vormen doorlopend tot stand gebracht. Steeds maar rond, als een wiel, waarvan geen enkel deel meer beginpunt is dan een ander. Dat wordt het hemelse evenwicht genoemd. En wie de weegschaal vasthoudt? Het Ene.

 


 

Het leven kent onderscheid; maar in de dood worden we allemaal gelijk gemaakt. De dood zou een begin hebben, maar dat het leven geen begin zou hebben, — kan dat? Wat bepaalt dat het op de ene plaats wel en op de andere niet aanwezig is? De hemel heeft haar onveranderlijke orde. De aarde heeft haar geheimen aan de mens geschonken. Maar waar moet ik zoeken waar ik zelf vandaan kom?

 

Als we niet weten wat hierna komt, hoe kunnen we dan de werking van het Lot ontkennen? Als we niet weten wat voorafging aan de geboorte, hoe kunnen we dan de werking van het Lot bevestigen?

Als dingen zich ontwikkelen zoals ze moeten, wie kan dan beweren dat datgene dat dat bewerkstelligt niet bovennatuurlijk [3] is? Als dingen zich anders ontwikkelen, wie kan dan beweren dat dat zo is?


 

Voetnoten

 

[1] Een mythische figuur.

[2] De eerste in de standaardlijst van Chinese heersers.

[3]De positieve en negatieve principes van de Chinese kosmogonie.



NIET INGRIJPEN IN DE NATUUR

 

Paarden hebben hoeven waarmee ze over ijzel en sneeuw kunnen draven; een vacht, om hen te beschermen tegen wind en kou. Ze eten gras en drinken water en werpen hun benen op over de vlakten. Dat is de ware natuur van paarden. Vorstelijke verblijven zijn niet aan hen besteed.

 

Op een dag verscheen Po Lo en zei: “Ik weet hoe ik met paarden om moet gaan.”

 

Hij brandmerkte en schoor ze, vijlde hun hoeven en voorzag ze van een halster. Hij gaf ze een bit, ketende hen aan hun benen en bracht ze onder in een stal, met het resultaat dat twee of drie van de tien doodgingen. Daarna liet hij ze honger en dorst lijden, stappen en galopperen. Hij roskamde, trimde en zadelde hen op met de ellende van een hoofdtuig met kwasten vóór en de angst van de geknoopte zweep achter, totdat meer dan de helft bezweken was.

 

De pottenbakker zei: “Met klei kan ik doen wat ik wil. Als ik wil dat iets rond wordt, gebruik een passer, als het vierkant moet worden een winkelhaak.”

 

De timmerman zei: “Met hout kan ik doen wat ik wil. Als ik wil dat het rond wordt gebruik ik een richtboog, als het recht moet worden een liniaal.”

 

Maar op wat voor gronden denken wij dat de aard van klei en hout vragen om het gebruikmaken van passer en winkelhaak, richtboog en liniaal? Toch roemt eeuw na eeuw Po Lo om zijn kundigheid bij het behandelen van paarden en pottenbakkers en timmerlieden om hun vaardigheid met klei en hout.

De bestuurders van het rijk maken dezelfde fout.

 

Ik zal nu het regeren van het rijk vanuit een heel ander standpunt bekijken.

 

Mensen hebben bepaalde natuurlijke neigingen; ze weven en kleden zich, bewerken de akker en voeden zich. Dat heeft de hele mensheid gemeenschappelijk en iedereen is het daarover eens. Van dergelijke neigingen wordt gezegd dat ze “door de Hemel gezonden” zijn.

 

In de tijd toen de mensen nog naar hun natuurlijke neigingen leefden, gingen ze met een vaste blik rustig hun gang. Toen waren er geen wegen over de bergen, geen boten en ook geen bruggen over het water. Alles kwam op, elk op zijn eigen manier. Vogels en dieren vermenigvuldigden zich. Bomen struikgewas tierden welig en groeiden hoog op. De mensen lieten de dieren hun gang gaan en je kon een boom inklimmen en in het nest van de raaf kijken. Want de mens leefde te midden van vogels en dieren, en de hele schepping was één. Er was geen onderscheid tussen goede en slechte mensen. Omdat ze allemaal evenzeer zonder kennis waren, konden ze niet van hun deugdzaamheid afdwalen.

Omdat ze allemaal evenzeer verstoken waren van slechte begeerten, bevonden ze zich in een toestand van natuurlijke eenvoud. Dat is de volmaaktheid van het menselijke bestaan.

 

Maar toen de geleerde mensen kwamen, die het volk strikten met naastenliefde en ketenden met plichten jegens hun naasten, vond de twijfel haar weg in de wereld. En met hun dwepen met muziek en drukte maken over rituelen, zaaiden ze innerlijke verdeeldheid in het rijk.

 

PASSIEVE DEUGD

 

Yen Hui [1] nam afscheid van Confucius.

 

“Waar ga je naartoe?” vroeg de meester.

 

“Ik ga naar de staat Wei,” was het antwoord.

 

“En wat ga je daar doen?” vervolgde Confucius.

 

“Ik heb gehoord,” antwoordde Yen Hui, “dat de vorst van Wei al op leeftijd is, maar een onhandelbaar karakter heeft. Hij gedraagt zich alsof de staat van geen enkel belang is, en wil zijn eigen fouten niet zien. Daardoor komen de mensen om het leven en liggen hun lijken overal verspreid, zoals al dat kreupelhout in een moeras. Ze zijn ten einde raad. En van u, Heer, heb ik gehoord dat als een staat goed bestuurd wordt, er geen aandacht aan besteed hoeft te worden; maar als die slecht bestuurd wordt, wij die staat een bezoek moeten gaan brengen. De geneeskunde bestrijkt allerlei ziekten. Op die manier zou ik mijn kennis willen beproeven, zodat ik misschien iets goeds voor de staat kan doen.”

 

“Helaas!” riep Confucius uit, “je zult je alleen maar ellende op de hals halen, want Tao moet niet verkondigd worden. Als dat wel gebeurt, verliest het zijn eenheid. Als het zijn eenheid verliest, wordt het onzeker en veroorzaakt dan geestelijke verwarring, — en daar is dan geen ontkomen meer aan.

 

De Wijzen van ooit verwierven eerst zelf Tao, en daarna pas voor anderen. Als jij Tao nog niet hebt, hoe kom je dan aan tijd om aandacht te besteden aan de daden van slechte mensen?

Weet je overigens waar Deugd op uit loopt en Kennis eindigt? Deugd loopt uit op verlangen naar roem; kennis eindigt in ruzies. Mensen vermorzelen elkaar in het gevecht om roem, terwijl hun kennis vijandigheid uitlokt. Beiden zijn heilloze instrumenten en mogen nooit onvoorzichtig gebruikt worden….Maar je hebt natuurlijk een plan. Vertel.”

 

“Serieus optreden,” antwoordde Yen Hui, “en kalm blijven; energiek en één doel voor ogen hebben, — lukt het daarmee?”

 

Helaas!” zei Confucius, “zo lukt het niet. Als je een vertoning maakt van je volmaakt zijn en jezelf opdringt, zal de vorst gaan twijfelen. Gewoonlijk is hij tegendraads en is daarom plezier gaan scheppen in de gevoelens van anderen met voeten te treden. En als hij zodoende tekortgeschoten is in het in praktijk brengen van gewone deugden, verwacht je dan dat hij openstaat voor hogere? Je kunt wel aandringen, maar tevergeefs. Uiterlijk zul je gelijk hebben, maar innerlijk niet. Hoe kun je dan bereiken dat hij zich beter gaat gedragen?....Je vastberadenheid zal je voor ellende behoeden, maar dat is het enige. Je zult hem niet zodanig kunnen beďnvloeden dat hij de stem van zijn eigen hart zal gaan volgen.”

 

“Dan,” zei Yen Hui, “weet ik het ook niet meer. Kunt u mij een manier aan de hand doen?”

Confucius zei: “Vasten!......Ik zal het je uitleggen. Dat is één manier, maar heel moeilijk in praktijk te brengen. Gemakkelijke zijn niet afkomstig van het universum.

 

“Welnu,” antwoordde Yen Hui, “mijn familie is arm en al maanden hebben wij geen wijn gedronken of vlees gegeten. Is dat geen vasten?”

 

“Dat is vasten als religieus voorschrift,” antwoordde Confucius, “maar geen vasten van de geest.”

 

“Mag ik dan vragen,’ zei Yen Hui, “waaruit dat vasten van de geest dan bestaat?”

 

“Werken aan eenheid,” antwoordde Confucius. “Niet met je oren horen maar met je geest; niet met je geest, maar met je ziel. Het horen moet stoppen bij je oren. De werking van de geest moet stoppen bij zichzelf. Dan wordt de ziel iets leegs, dat lijdelijk op de omgeving reageert. Alleen in die leegte kan Tao verblijven. Die leegte is het vasten van de geest.”

 

“Dat wil zeggen,” zei Yen Hui, “dat de reden dat ik mijn eigen manier niet kan gebruiken mijn Ik is.

Als die manier wel werkt betekent dat dat mijn Ik verdwenen is. Bedoelt u dat met leeg zijn?”

 

“Precies, “antwoordde de Meester. Ik zal het uitleggen. Als je het domein van deze vorst kunt binnendringen, zonder zijn eigenliefde te kwetsen, als hij met plezier naar je luistert en onverstoorbaar is als je zwijgt; zonder kennis, zonder kalmerende middelen, gewoon aanwezig is in een toestand van volmaakte kalmte, — ben je bijna geslaagd…..Zie je dat raam? Een lege kamer krijgt daardoor een stralend aanzicht; maar het landschap blijft buiten komt niet verder dan het raam…..Dat is de betekenis van wel gebruik maken van je ogen en oren om contact met je innerlijk te houden, maar je geest afsluiten voor alle kennis…..Dat is de manier om de hele schepping weer te doen herleven.”

 


 

Hertog Ai uit de staat Lu zei tegen Confucius: “In de staat Wei woont een lepralijder die Ai T‘ai T‘o heet. De mensen die bij hem wonen zijn zeer op hem gesteld en doen geen moeite om van hem af te komen. Veel van de vrouwen die hem eenmaal gezien hebben, zeggen tegen hun ouders, dat ze liever zijn bijvrouw zijn, dan de echtgenote van een andere man.

 

“Hij houdt nooit zedenpreken, maar zorgt ervoor dat mensen op hem gesteld zijn. Hij oefent geen macht uit om het lichaam van mensen te beschermen. Hij bekleedt geen ambten waarmee hij hun hart kan strelen. Hij is enigszins afstotelijk. Hij is meelevend, maar dringt niets op.

 

Zijn kennis is beperkt tot zijn eigen toestand. Toch drommen mannen en vrouwen om hem heen.

 

“Omdat ik dacht dat hij anders was dan gewone mensen, liet ik hem komen en zag dat hij er inderdaad enigszins afstotelijk uitzag. Toch hadden wij maanden met elkaar doorgebracht voordat zijn gedrag mijn aandacht trok. Nog voor het jaar voorbij was, vertrouwde ik hem door en door en toen mijn staat een eerste minister nodig had, bood ik hem dat ambt aan. Met tegenzin nam hij dat aan. Misschien dacht hij dat ik niet goed genoeg voor hem was! In ieder geval nam hij het wel aan, maar na zeer korte tijd nam hij afscheid van mij en vertrok. Ik treurde om hem, omdat het was alsof ik een goede vriend kwijtgeraakt was en er niet genoeg andere over waren met wie ik mij kon vermaken. Wat is dat voor man?”

 

“Toen ik eens als afgevaardigde in de staat Ch’u was,” antwoordde Confucius, “zag ik een toom biggetjes, die bij hun dode moeder dronken. Na een tijdje bekeken ze haar eens goed, lieten het lichaam in de steek en liepen weg. Want hun moeder bekommerde zich niet meer om hen en leek bovendien niet meer op een varken. Wat zij liefhadden was hun moeder en niet het lichaam dat haar omhulde, maar dat wat het lichaam maakte dat zij het was.

 

“Tegenwoordig zegt Ai T‘ai T‘o niets en wordt toch vertrouwd. Hij doet niets en wordt toch opgezocht. Hij brengt iemand ertoe hem uit zichzelf het bestuur over de staat aan te bieden, en de enige angst is dat hij daar voor zal bedanken.

 

“Wat bedoel je met dat zijn talent volmaakt is?” vroeg de hertog.

 

“Leven en dood,” antwoordde Confucius, “zijn en niet-zijn, succes en mislukking, armoede en rijkdom, deugd en ondeugd, goede en slechte berichten, honger en dorst, warmte en koud, — wentelen allemaal rond op het steeds veranderende wiel van het Lot. Dag en nacht volgen elkaar op en niemand kan zeggen waar ze elk beginnen. Daarom mogen ze niet de harmonie verstoren van de mens, noch zijn ziel binnendringen. Maar zwem met de stroom mee, zodat je anderen niet kwetst. Doe dat dag in dag uit, onafgebroken en leef in vrede met de mensheid. Dan sta je open voor alle onvoorziene gebeurtenissen en zou gezegd kunnen worden dat je je talenten vervolmaakt hebt.”

 

“En deugdzaamheid, zonder uiterlijk vertoon, wat is dat?”

 

“In een waterpas,” zei Confucius, “verkeert het water in een toestand van volmaakte rust. Dat moet je voorbeeld zijn. Het water blijft daar rustig binnenin en stroomt niet over. Uit werken aan een dergelijke harmonie, vloeit de deugd voort. En als de deugd geen uiterlijke vorm aanneemt, zal dat de mens niet op afstand houden.”

 


 

“Vertel me eens,” zei Lao Tzŭ, “waaruit bestaat naastenliefde en plichten jegens je naasten?

 

“Die bestaan,” antwoordde Confucius, “uit het vermogen genoegen in alle dingen te scheppen; uit alomvattende liefde, zonder het Ik. Dat zijn de kenmerken van naastenliefde en plichten jegens je naasten.”

 

“Wat een onzin,” riep Lao, “Is alomvattende liefde dan niet in tegenspraak met zichzelf? Is het je ontdoen van je Ik, dan geen positieve uiting van het Zelf? Meester, wilt u soms de reden zijn dat het rijk zijn voedingsbron kwijtraakt? Kijk naar het universum, met zijn onveranderlijke ordening, zon en maan, die onophoudelijk licht geven, sterren, met hun nooit veranderende rangschikking, dieren en vogels die onveranderlijk samenscholen, bomen en struiken, die zonder uitzondering omhoog groeien. Wees zoals zij; volg Tao en u zult volmaakt zijn. Waarom al die inspanningen voor naastenliefde en plichten jegens je naasten? Dat is zoiets als op een trommel slaan bij het zoeken naar een voortvluchtige. Helaas! Meester, u hebt veel verwarring teweeggebracht in de geest van de mens.”

 


 

Stel je een boot voor die de rivier oversteekt en waarmee een andere, lege, boot in aanvaring dreigt te komen. Zelfs een opvliegend man zou zijn kalmte niet verliezen. Met stel je voor dat er iemand in die tweede boot zou zitten. Dan zal de opvarende van de eerste hem toeroepen afstand te houden. En als die ander het niet meteen zou horen, of zelfs niet na drie keer, zouden er ongetwijfeld lelijke woorden vallen. In het eerste geval werd hij niet kwaad, in het tweede wel, omdat in het eerste geval de boot leeg was en er in het tweede geval wel iemand in zat. Zo is het ook met de mens. Als hij leeg door het leven kan rondzwerven, wie zou hem dan kunnen kwetsen?”



 

Voetnoten

 

[1] De favoriete leerling van de Meester.



 

AANPASSING AAN OMSTANDIGHEDEN

 

Yen Ho stond op het punt om huisleraar te worden van de oudste zoon van vorst Li, van de staat Wei.

Bijgevolg merkte hij op tegen Chü Po Yü: “Het is iemand die van nature kwaadaardig is. Als ik hem op zijn gewetenloze manier zijn gang laat gaan betekent dat de staat in gevaar brengen. Als ik hem in bedwang probeer te houden, stel ik mijn eigen veiligheid op het spel. Hij is slim genoeg om fouten bij anderen te zien, maar niet bij zichzelf. Ik heb dus geen idee wat ik moet doen.”

 

“Goeie vraag,” antwoordde Chü Po Yü; “voorzichtig zijn en eerst jezelf veranderen. Uiterlijk mag je je best aanpassen, maar innerlijk moet je aan je eigen normen blijven vasthouden. Daarbij moet je op twee punten letten. Je moet je uiterlijke aanpassing niet naar binnen laten dringen, en je innerlijke normen niet naar buiten brengen. Als je dat toch doet zul je in het eerste geval je positie verliezen, ontslagen worden, instorten en bezwijken. In het laatste geval wordt er over je geroddeld, je naam genoemd, word je een boeman, iets waar ze bang voor zijn. Als hij een kind wil zijn, wees dan een kind met hem. Als hij verkeerde wegen volgt, volg hem dan. Als hij roekeloos wil zijn, wees dan ook roekeloos. Als hij alle gevoel voor betamelijkheid opzij zet, doe dat dan ook. Ga net zover als hij. Zo kun je hem bereiken zonder hem te kwetsen.

 

“Ken je niet dat verhaal over de bidsprinkhaan? In zijn woede strekte hij zijn voorpoten uit om een voorbijrijdend rijtuig tegen te houden, niet beseffend dat dat dit zijn krachten te boven ging. Zo’n hoge dunk had hij van zichzelf! Wees voorzichtig. Als je steeds anderen kwetst door je superieure houding, zul je waarschijnlijk de mist ingaan.

 

“Weet je niet dat mensen die tijgers houden, hen geen levende dieren durven te voeren, uit angst dat zij razernij bij hen opwekken als ze de prooi doden? Dus dat er geen levende dieren gevoerd worden uit angst dat ze razernij bij de tijger opwekken als hij ze verscheurt? Om dergelijke uitbarstingen te voorkomen houden ze dus nauwkeurig in de gaten wanneer ze honger hebben of verzadigd zijn. Tijgers zijn anders dan mensen, maar de laatsten zijn ook in de hand te houden als ze maar juist behandeld worden, en onhandelbaar als ze razend gemaakt worden.

 

Mensen die verzot zijn op paarden omringen hen met allerlei gemakken. Soms worden ze geplaagd door muggen of vliegen en als een stalknecht die dan, terwijl het dier dat niet verwacht, wegslaat, is het gevolg dat het paard zijn bit breekt en hoofd en borst van de stalknecht zal bezeren. De bedoeling is goed, maar dat is niet echt voor een paard zorgen. Daarom moet je op je hoede zijn.”

 


 

Voor reizen over water is niets zo geschikt als een boot. Voor reizen over land niets zo geschikt als een rijtuig. Dat komt omdat een boot soepel in water beweegt, maar als je die probeert over land voort te duwen, krijg je hem nooit vooruit. De oude en recente tijden kun je vergelijken met water en land. Chou en Lu met de boot en het rijtuig. Gewoonten van Chou ingang proberen te doen vinden in Lu, is als een boot over land voortduwen: veel geploeter, geen resultaat, behalve dat je er zelf last van hebt….

 

Kleed een aap in de mantels van Chou Kung en hij zal niet gelukkig zijn voor ze in stukken zijn gescheurd. En het verschil tussen verleden en heden is even groot als dat tussen Chou Kung en een aap.

 


 

Toen Hsi Shih [1] eens overstuur was trok ze haar wenkbrauwen op. Een lelijke vrouw uit het dorp zag hoe mooi zij er toen uit zag, ging naar huis, bracht zichzelf in een passende gemoedstoestand en trok haar wenkbrauwen op. Het gevolg was dat de rijke mensen uit het dorp hun deuren barricadeerden en niet naar buiten durfden, terwijl de armen vrouw en kinderen namen en naar elders vertrokken. Die vrouw zag hoe mooi opgetrokken wenkbrauwen zijn, maar niet waarin de schoonheid van opgetrokken wenkbrauwen ligt.

 


 

Kuan Chung lag op sterven en hertog Huan ging bij hem op bezoek.

 

“Edelachtbare heer,” zei de hertog, “u bent echt ziek. U had, voor het geval het slechter met u zou gaan, beter kunnen zeggen aan wie ik het bestuur van de staat moet toevertrouwen.”

 

“Wie wenst uwe Hoogheid daarvoor uit te kiezen?” vroeg Kuan Chung.

 

“Zou Pao Yü het willen?” vroeg de hertog.

 

“Hij niet,’ zei Kuan Chung. “Hij is zuiver, onomkoopbaar en goed. Met mensen die niet zijn zoals hij, zal hij zich niet inlaten. En als hij één keer gehoord heeft dat iemand iets verkeerd gedaan heeft, vergeet hij het nooit meer. Als u hem belast met het bestuur van het rijk, zal hij meteen overhoop liggen met zijn vorst en voor de mensen alles in het honderd laten lopen. Het zou niet lang duren voordat hij en uwe Hoogheid ruzie zouden hebben.”

 

“Wie dan wel,” vroeg de hertog.

 

“Er is geen andere keuze,” antwoordde Kuan Chung, “het moet Hsi P‘ęng worden. Hij is iemand die het gezag vergeet van mensen die boven hem staan, en ervoor zorgt dat mensen die onder hem staan het zijne vergeten. Omdat hij zich schaamt dat hij niet de gelijke is van de Gele Keizer, heeft hij medelijden met mensen die zijn gelijke niet zijn.

 

“Je eigen deugdzaamheid delen met anderen wordt ware wijsheid genoemd. Je eigen rijkdom delen met anderen wordt als verdienstelijk aangerekend. Je uitmuntende verdienstelijkheid ten toon spreiden is niet de manier om het hart van mensen te winnen. De goede manier is verdienstelijkheid bescheiden ten toon spreiden. Er gebeuren dingen in de staat die hij niet hoort; er gebeuren dingen in zijn familie die hij niet ziet. Er is geen andere keuze; het moet Hsi P‘ęng worden.”

 


 

Het verleden verheerlijken en het heden veroordelen is altijd de manier van de geleerde geweest. Maar als Hsi Wei Shih [2] en anderen van dat soort op dit moment teruggehaald zouden worden, wie van hen zou zich dan aanpassen aan deze tijd?



 

Voetnoten

 

[1] Een beroemde schoonheid van lang geleden.

[2] Een patriarch.



 

ONSTERFELIJKHEID VAN DE ZIEL

 

Toen Lao Tzŭ stierf, ging Ch‘in Shih rouwbeklag betuigen. Hij slaakte drie kreten en vertrok.

 

Een leerling vroeg hem: “Was u niet een vriend van onze Meester?”

 

“Dat was ik,” antwoordde Ch‘in Shih.

 

“Als dat zo is, denkt u dan dat dit een voldoende uiting van verdriet is voor dit verlies?” voegde hij daaraan toe.

 

“Ik denk het,” zei Ch‘in Shih. “Ik dacht dat hij een man uit duizenden was, maar nu weet ik dat hij dat niet was. Toen ik naar binnen ging om mijn rouwbeklag te betuigen, trof ik oude mensen aan die huilden alsof het om hun kinderen en jongen mensen die jammerden alsof het om hun moeder ging. Als hij bereikt heeft dat die mensen zo aan hem gehecht zijn, moet hij woorden geuit hebben die niet gesproken, en tranen gelaten hebben die niet vergoten hadden moeten worden, waarmee hij de eeuwige principes geweld aan heeft gedaan, de hoeveelheid menselijke gemoedsbewegingen heeft doen toenemen en kennelijk de bron heeft vergeten van waaruit hij zijn eigen leven ontvangen heeft. De Ouden noemden dergelijke gemoedsbewegingen ‘de ketenen van de sterfelijkheid.’

 

De Meester kwam, omdat het zijn tijd was om geboren te worden. Hij ging, omdat het zijn tijd was om te sterven. Voor mensen, die het verschijnsel geboorte en dood in die betekenis aanvaarden, is geen plaats voor gejammer en verdriet. De Ouden spraken over de dood als over het Lot dat het touw doorsnijdt, waaraan iemand in de lucht bungelt. De brandstof is op, maar het vuur kan doorgegeven worden en we weten niet waar dat eindigt.

 


 

De menselijke gedaante verworven hebben moet altijd een bron van vreugde zijn. En dan talloze overgangen ondergaan, met slechts het oneindige in het vooruitzicht, — wat een wat een weergaloze gelukzaligheid! Daarom verheugt de echte wijze zich in wat nooit verloren kan gaan, maar eeuwig duurt.

 


 

Overal waar ouders hun zoon gebieden naartoe te gaan, moet hij gaan. De natuur is niets anders dan iemands ouders. Als zij mij gebiedt vroeg te sterven, en ik bezwaren maak, ben ik een ongehoorzame zoon. Zij kan mij geen kwaad doen. Tao geeft mij geploeter in mijn volwassenheid, kalmte op mijn oude dag en rust als ik dood ben. En wat tijdens mijn leven zo’n vriendelijke leidsman is, is ook de beste leidsman bij mijn dood.

 

Stel dat vloeibaar metaal in een smeltkroes op zou borrelen en zeggen: “Maak van mij een magisch zwaard.” Ik denk dat de ijzergieter het als iets griezeligs zou weggooien. En ik denk dat als een zondaar als ik tegen Tao zou zeggen: “Maak van mij een mens, maak van mij een mens,” het mij ook zou weggooien als iets griezeligs. Het universum is de smeltkroes en Tao is de ijzergieter. Ik zal overal naartoe gaan waar ik naartoe gestuurd wordt, om zo te ontwaken uit het verleden, zoals iemand ontwaakt uit een droomloze slaap.

 


 

Chuang Tzŭ zag op zekere dag een lege schedel liggen, verbleekt, maar nog steeds in vorm. Hij tikte er met zijn rijzweep tegen en zei: “Waart gij ooit een eerzuchtig burger, die door zijn buitensporige verlangens hier terechtgekomen is? — een staatsman die zijn land in het verderf gestort heeft en gevallen is in de strijd? — een ellendeling die alleen maar schande heeft nagelaten? — een bedelaar die gestorven is onder kwellingen van honger en kou? Of hebt gij deze toestand bereikt door het verstrijken der jaren?”

 

Toen hij klaar was met spreken, pakte hij de schedel, legde die als kussen onder zijn hoofd en viel in slaap. ’s Nachts droomde hij dat de schedel aan hem verscheen en tegen hem zei: “U spreekt goed, Heer, maar alles wat u zegt heeft betrekking op het leven en de zorgen van stervelingen. Na de dood is dat allemaal verdwenen. Wilt u wat horen over de dood?”

 

Nadat Chuang Tzŭ bevestigend had geantwoord, begon de schedel: “Na de dood is er geen heerser boven en zijn er geen onderdaan beneden. Het verschijnsel van de vier jaargetijden is onbekend. Ons bestaan wordt alleen begrensd door de eeuwigheid. De vreugde van een koning kan niet groter zijn dan die wij genieten.”

 

Chuang Tzŭ was echter niet overtuigd en zei: “Als ik het Lot zou kunnen overhalen jouw lichaam opnieuw geboren te laten worden en je benen en vlees te vernieuwen, zodat je zou kunnen teruggaan naar je ouders, vrouw en de vrienden uit je jeugd, — zou je dat dan willen?”

 

Toen sperde de schedel zijn ogen wijd open, fronste zijn wenkbrauwen en zei: “”Hoe zou ik de vreugde, groter dan die van een koning, kunnen verwerpen en mij opnieuw mengen in het geploeter en de zorgen van de sterfelijkheid?”

 

DE WIJZE OF VOLMAAKTE MENS

 

De volmaakte mens negeert het Ik; de goddelijke mens negeert doen; de ware Wijze negeert bekendheid.

 


 

De volmaakte mens is een geestelijk wezen. Al was de zee opgedroogd, hij zou het niet warm hebben. Al was de Melkweg stijf bevroren, hij zou het niet koud hebben. Al werden de bergen gekliefd door de bliksem en de diepe zeeën omhoog geworpen door de storm, hij zou niet beven.

 


 

Hoe kan de Wijze gaan zitten bij zon en maan en het universum in zijn greep houden? Hij mengt alles tot een harmonieus geheel, door de verwarring over dit en dat te verwerpen. Positie en afkomst, die door het gewone volk geprezen worden, worden door de Wijze onverstoorbaar genegeerd. De omwentelingen van tienduizend jaar laten zijn heelheid ongedeerd. Het universum kan voorbijgaan, maar hij zal nog steeds floreren.

 


 

Voor de echte wijze is kennis een vloek, oprechtheid als lijm, deugdzaamheid slechts een middel om iets te verwerven, en vaardigheid alleen maar kunstje voor de handel. Want de echte wijzen maken geen plannen en hebben daarom ook geen kennis nodig. Zij verdelen niet en hebben dus geen lijm nodig. Ze willen niets en hoeven daarom niet deugdzaam te zijn. Zij verkopen niets en hebben dus geen kunstjes voor de handel nodig. Deze vier eigenschappen zijn hen geschonken door het Lot en dienen hen als hemels voedsel. En mensen die aldus gevoed worden door het hemelse, hebben weinig behoefte aan het menselijke. Ze hebben de gedaante van een mens, zonder menselijke hartstochten.

Omdat ze de gedaante hebben van een mens, laten ze zich in met mensen. Omdat ze geen menselijke hartstochten hebben, vinden negatieve en positieve dingen in hen geen plek. Oneindig klein is wat hen mens maakt; oneindig groot wat hen goddelijk maakt!

 

Hui Tzŭ zei tegen Chuang Tzŭ: “Bestaan er mensen zonder hartstochten?”

 

Chuang Tzŭ antwoordde: “Zeker.”

 

“Maar als een mens geen hartstochten heeft,” vroeg Hui Tzŭ, “wat maakt hem dan mens.”

 

“Door het Universum,” antwoordde Chuang Tzŭ, “is hij en Tao geeft hem zijn vorm. Hoe zou hij dan geen mens kunnen zijn?”

 

“Als hij dan mens is,’ zei Hui Tzŭ, “hoe kan hij dan zonder hartstochten zijn?”

 

“Wat jij bedoelt met hartstochten,” antwoordde Chuang Tzŭ, “dat bedoel ik niet. Met een mens zonder hartstochten bedoel ik iemand die door goed en kwaad zijn innerlijke gebeuren niet laat verstoren, maar zich juist als iets vanzelfsprekends voegt naar alles wat er gebeurt, en niets toevoegt aan het geheel van zijn sterfelijkheid.

 


 

Wie weet wat het Universum is, weet wat de Mens is, en heeft Tao bereikt. Omdat hij weet wat het Universum is, weet hij dat hij daaruit voortkomt. Omdat hij weet wat de Mens is, berust hij in de kennis van het bekende, wachtend op de kennis van het onbekende. Je eigen toebedeelde tijd volmaken en niet halverwege bezwijken — dat is volmaakte kennis en volmaakte kennis heet wijsheid

 

Dat is echter een zwakke plek. Kennis is afhankelijk van vervolmaking. En omdat die vervolmaking niet zeker is, hoe kan ik dan weten dat mijn goddelijke niet menselijk is en mijn menselijke niet goddelijk? We moeten volmaakte mensen hebben, want alleen dan kunnen we volmaakte kennis hebben.

 

Maar wat is een volmaakte mens? — De volmaakte mensen van ooit, handelden zonder berekening, probeerden niet op zeker te spelen. Zij maakten geen plannen. Als iets niet lukte, hadden ze dus geen reden tot spijt; als het wel lukte geen reden voor gelukwensen. Daarom konden zij bergtoppen beklimmen zonder angst, te water gaan zonder nat te worden, door vuur lopen zonder zich te verbranden. Zo dicht waren zij Tao genaderd.

 

De volmaakte mensen van ooit, sliepen zonder dromen en ontwaakten zonder angst. Konden alles eten en haalden diep adem. Want volmaakte mensen halen adem uit hun diepste diepten; gewone mensen uit hun keel. Uit onvolmaakte mensen komen woorden kokhalzend als braaksel naar buiten. Als de hartstochten van de mens diep zijn, is hun goddelijkheid oppervlakkig.

 

De volmaakte mensen van ooit wisten niet wat het was om het leven lief te hebben en de dood te haten. Zij verheugden zich niet over het feit dat ze geboren waren, maar streefden ook niet naar de dood. Even komen, even gaan — dat is alles. Ze vergaten niet waaruit ze voortgekomen waren en probeerden ook niet hun terugkeer te bespoedigen. Opgewekt speelden zij de hen toebedeelde partijen, geduldig wachtend op het einde. Dat is wat genoemd wordt ‘het hart niet van Tao af laten dwalen,’ noch het goddelijke door het menselijke aan laten vullen. En dat wordt bedoeld met een volmaakte mens.

 


 

De volmaakte mensen van ooit, vervulden hun plichten jegens hun naasten, maar lieten zich niet met hen in. Zij gedroegen zich alsof ze onvolmaakt waren, maar zonder anderen te vleien. Van nature ongenuanceerd, waren ze toch niet ontoegeeflijk. Ze gaven blijk van hun onafhankelijkheid, zonder tot het uiterste te gaan. Ze leken te glimlachen alsof ze tevreden waren, terwijl die uitdrukking slechts een natuurlijke reactie was. Hun uiterlijke verschijning leek haar aantrekkelijkheid te ontlenen aan de overvloed aan innerlijke goedheid. Ze leken te behoren tot de wereld rondom hen, terwijl ze trots haar grenzen overschreden. Het was alsof ze naar zwijgen verlangden, terwijl ze in werkelijkheid geen taal meer nodig hadden. Ze beschouwden strafwetten als een stronk [1]; gemeenschappelijke rituelen als vleugels [2]; wijsheid als een nuttige bijkomstigheid; moraal als leidraad. Voor hen betekenden strafwetten een barmhartige maatregel; gemeenschappelijke rituelen een vrijgeleide voor de wereld; wijsheid een verontschuldiging voor wat ze niet konden laten; en moraal de weg bewandelen zoals de anderen. En zodoende prezen alle mensen hen voor het waardige leven dat zij leidden.

 


 

De kalmte van de Wijze is niet wat de wereld kalmte noemt. Zijn kalmte is het gevolg van zijn geestelijke instelling. De hele schepping kan zijn evenwicht niet verstoren, vandaar zijn kalmte. Als water in rust is, is het als een spiegel die baard en wenkbrauwen weerspiegelt. Dat laat zien hoe glad het wateroppervlak is en de filosoof hanteert dat als voorbeeld. En als water die helderheid aan het stilstaan ontleent, hoeveel te meer dan de geest! De geest van de Wijze verkeert in rust en wordt daardoor de spiegel van het universum, de spiegel van de hele schepping.

 


 

Hoewel hij niemand kwetst rekent de ware Wijze naastenliefde en barmhartigheid niet tot zijn verdienste. Hij zoekt geen gewin, maar veracht niet zijn volgelingen die dat wel doen. Hij streeft niet naar rijkdom, maar gaat er niet prat op dat hij daar afstand van doet. Hij vraagt niemand om hulp, maar beschouwt die onafhankelijkheid niet als een verdienste, maar veroordeelt ook mensen niet die met behulp van hun vrienden hogerop willen komen. Hij gedraagt zich anders dan de gewone mensen, maar laat zich niet voorstaan op zijn uitzonderlijkheid, maar als anderen zich aanpassen aan de meerderheid, kijkt hij ook niet op hen neer als schijnheiligen. Hij weet dat positief niet onderscheiden kan worden van negatief en dat groot en klein onbepaald zijn.

 


 

De ware Wijze negeert de Hemel. Hij negeert de mens. Hij negeert een begin. Hij negeert de materie. Hij gedraagt zich in overeenstemming met zijn generatie en heeft daar geen last van. Hij neemt de dingen zoals ze komen en laat zich daardoor niet meeslepen. Hoe kunnen wij worden zoals hij?

 


 

Uiterlijke straffen worden toegediend met ijzer en hout. Innerlijke straffen worden toegediend door angst en wroeging. Dwazen die zich uiterlijke straffen op de hals halen, worden behandeld met ijzer of hout. Mensen die zich innerlijke straffen op de hals halen worden verscheurd door tegenstrijdige gemoedstoestanden. Alleen de zuivere en volmaakte mens kan beiden vermijden.



 

Voetnoten

 

[1] Een natuurlijke basis voor regeren.

[2] Als hulmiddel voor de mens op zijn levensreis.



 

SPROKKELWERK

 

Schenk geen aandacht aan de tijd, noch aan goed of kwaad, maar ga op weg naar het domein van het Oneindige en vindt daar uiteindelijk rust.

 


 

Ons leven is begrensd, maar kennis is onbegrensd.

 


 

Als iemand zich wil beschermen en maatregelen wil treffen tegen dieven die koffers plunderen, tassen leegroven en dozen openbreken, moet hij ze dichtbinden met koorden en touwen en vastmaken met sloten en grendels. Dat wordt doorgaans verstandig zijn genoemd. Maar als een sterke dief langs komt, zal hij de koffers op zijn schouders laden, de dozen onder de arm nemen, de tassen op zijn rug slingeren en er vandoor gaan. Hij is alleen maar bang dat de koorden en touwen, sloten en grendels niet vast genoeg zitten. In dat geval heeft de man die eerst verstandig werd genoemd, in feite alleen maar goederen opgestapeld ten behoeve van een sterke dief.

 

Ik zal proberen te verduidelijken wat ik bedoel. Wat doorgaans een verstandig mens genoemd wordt is in feite iemand die bezittingen verzamelt ten behoeve van een sterke dief, of niet soms? En wat de wereld wijs noemt is de wacht houden voor een grote dief, of niet soms? Hoe ik dat weet? Lang geleden lagen in de staat Ch’I de steden binnen gezichtsafstand van elkaar. Ze konden het geluid van elkaars honden en hanen horen. Het gebied waarover hun netten uitgespreid waren, waar hun spaden en ploegen de aarde bewerkten, mat meer dan tweeduizend li in het vierkant en bevond zich binnen haar vier grenzen. En de manier waarop de voorouderlijke tempels en de altaren voor land en graan waren opgesteld, de steden, dorpen en gehuchten werden bestuurd, was helemaal in overeenstemming met de wetten van de wijzen. Maar op een morgen doodde graaf T'ien Ch'eng de bestuurder van Ch'i en roofde zijn staat. Was het alleen de staat die hij stal? Daarmee eigende hij zich ook de wetten toe, die de wijzen hadden ingesteld. Dus hoewel de graaf de naam van dief en rover had, kon hij toch even rustig zijn leven voortzetten als de keizers Yao en Shun. Kleine staten durfden hem niet te veroordelen, grote staten hem niet aan te vallen en twaalf generaties lang had zijn familie de staat Ch’I in bezit. Is dat niet een geval waarin iemand zich niet alleen wederrechtelijk de staat Ch’i toe-eigende, maar ook de wetten van de wijzen, en die gebruikte om een dief en rover te beschermen?

 


 

Tzŭ Ch‘i uit Nan-po zwierf door het Sang-gebergte, toen hij tot zijn grote verbazing een reusachtige boom zag. Wel duizend rijtuigen met trekdieren zouden beschutting kunnen vinden in zijn schaduw.

 

“Wat een boom!” riep Tzŭ Ch‘i uit. “Hij moet vast bijzonder goed timmerhout kunnen leveren.” Toen hij omhoog keek zag hij dat de takken veel te kronkelig waren voor dakspanten en toen hij de stam bestudeerde zag hij dat die zo onregelmatig van structuur was dat daar onmogelijk doodskisten van gemaakt konden worden. Hij proefde een blad, maar dat scheurde het vel van zijn lippen en de geur was zo sterk dat iemand daar drie dagen lang dronken van zou worden.

 

“O!” zei Tzŭ Ch‘i. “Deze boomt deugt nergens voor en daarom is hij zo groot kunnen worden. Als je wijs wilt zijn moet je dit voorbeeld volgen.”

 


 

Iemand probeert niet naar zichzelf te kijken in stromend, maar in stilstaand water. Want alleen wat zelf rustig is, kan anderen rust bijbrengen.

 


 

Is Confucius een Wijze of niet? Hoe komt hij aan zoveel leerlingen? Hij wil een goede dialecticus zijn, maar weet niet dat als zodanig bekend te staan, door echte Wijzen gezien wordt als de ketenen van een misdadiger.

 


 

Wie genoegen schept in mensen is geen volmaakt mens. Zijn genegenheid is geen echte naastenliefde. Omdat hij afhankelijk is van een geschikte gelegenheid, is hij niet echt waardevol. Iemand die niet vertrouwd is met goed en kwaad is geen volmaakt mens. Iemand die aandacht heeft voor zijn goede naam is niet wat een mens zou moeten zijn. Iemand die zich niet bewust is van zijn eigen bestaan kan nooit mensen regeren.

 


 

Als de vijver opdroogt en de vissen achterblijven op de droge bodem, valt hen bevochtigen met adem of speeksel, niet te vergelijken met hen gewoon in hun oorspronkelijke meren en rivieren laten. En in plaats van Yao [1] te prijzen en kritiek op Chieh [2] te hebben, zou het beter zijn afstand van hen te nemen en aandacht te besteden aan het ontwikkelen van Tao.

 


 

Vissen worden geboren in het water. De mens wordt geboren in Tao. Als vissen een vijver hebben om in rond te zwemmen, zullen ze goed gedijen. Als de mens Tao heeft om in te leven, zal hij zijn leven in rust kunnen doorbrengen.

 


 

Lang geleden, in de tijd van de Grote Wijzen, legden mensen knopen in koorden, waarmee ze konden tellen. Zij genoten van hun voedsel, bewonderden hun kleding, waren tevreden met hun gewoonten en voelden zich behaaglijk in hun huizen. Hoewel de belendende staten op gezichtsafstand van elkaar lagen en ze elkaars honden en hanen konden horen, werden mensen oud en stierven zonder ooit hun grenzen te hebben overschreden. In die tijd heerste er een volmaakte orde.

 

Maar er is iets gebeurd waardoor mensen hun hals uitrekken en op hun tenen gaan staan. “Er is een belangrijk man in die en die plaats!” roepen ze, pakken proviand in en snellen derwaarts. Zij laten hun ouders in de steek en onttrekken zich aan de dienst van hun meester. Hun voetsporen vormen een eindeloos pad naar de staten van andere heersers en hun karresporen weven meer dan duizend li heen en weer. Dat is de schuld van geleerde mensen die snakken naar kennis.

 

Zolang geleerden naar kennis snakken en dus Tao niet hebben, zal de wereld in grote verwarring verkeren. Hoe ik dat weet? Kennis stelt mensen in staat armbogen te maken, kruisbogen, netten, pijlen en dergelijke apparaten, maar dan vliegen de vogels geschrokken omhoog. Kennis stelt mensen in staat vishaken te maken, lokmiddelen, visnetten, sleepnetten en dammen, maar dan vluchten de vissen in verwarring naar het diepe water. Kennis stelt mensen in staat vallen te maken, strikken, kooien en klemmen, maar dan vluchten de dieren in verwarring naar de moerassen. De vloed van woorden die mensen in staat stelt sluwe plannen te maken en giftige lasterpraat rond te strooien, ondoordachte praatjes te verspreiden over “hard en “wit,” van die vreselijk hoogdravende taal te spreken over “hetzelfde” en “anders,” brengen het hoofd van gewone mensen op hol. De schuld daarvan is dat snakken naar kennis.

 

In de wereld weet iedereen voldoende om zich bezig te kunnen houden met wat hij niet weet, maar niemand voldoende om zich bezig te houden met wat hij wel al weet. Iedereen weet voldoende om te veroordelen wat hij niet goed vindt, maar niemand weet voldoende om te veroordelen wat hij goed heeft leren vinden. Vandaar de grote verwarring, die boven de glans van zon en maan verduistert, beneden het aanschijn van heuvels en rivieren aantast, en daartussen de rondgang van de jaargetijden doet omslaan. Er is geen enkel kruipend en wriemelend insect, geen fladderend en vliegend schepsel meer over, dat niet zijn aangeboren natuur is kwijtgeraakt. Zo groot is de verwarring van de wereld, teweeggebracht door het hunkeren naar kennis.

 

Vanaf de tijd van de Drie Dynastieën tot nu toe, is het zo geweest. De pure en ongekunstelde mensen worden opzij geschoven en de schoonschijnende verzinsels van onrustige geesten met graagte aanvaard. Het eenvoudige en rustige niets-doen wordt verworpen en verwarde en schreeuwerige denkbeelden met verrukking aanhoord. En die warboel en dat geschreeuw brengt de wereld al heel lang in verwarring.

 


 

“Mag ik wat vragen,” zei Tzŭ Kung, “over volmaakte mensen?”

 

“Volmaakte mensen,” antwoordde Confucius, “zijn volmaakt in de ogen van andere mensen, maar heel gewoon voor de Hemel. Vandaar de uitspraak dat het geringste in de Hemel, het beste is op aarde, en het beste op aarde, het geringste in de Hemel.

 


 

De goedheid van een wijze bestuurder, strekt zich uit over het hele rijk, toch lijkt hij dat zelf niet te beseffen. Tao beďnvloedt de hele schepping, maar is zich daar niet van bewust. Het verschijnt onder talloze vormen en brengt alle dingen vreugde. Het is gegrond op het grondeloze en reist rond door streken van Nergens.

 


 

Door niet-doen kan iemand het middelpunt van niet-denken worden, het brandpunt van verantwoordelijkheid, de scheidsrechter van de wijsheid. Anderen moeten alle ruimte krijgen, terwijl hij zelf onaangedaan blijft. Hij laat zich volkomen meegaan met de hemelse principes, zonder daar iets van te laten blijken. Dat kan allemaal samengevat worden in het woord niets-doen. Want de volmaakte mens gebruikt zijn geest als spiegel. Die hecht nergens aan en weigert niets. En zodoende kan hij de materie overwinnen, zonder zichzelf schade toe te brengen.

 


 

Elke toevoeging of afwijking van de natuur, valt buiten de uiterste vervolmaking van de mens. Iemand die volmaaktheid heeft bereikt, verliest nooit het zicht op de natuurlijke voorwaarden van zijn bestaan. Alles wat toegevoegd, afgezonderd, te lang of te kort is, neemt hij niet mee in zijn heelwording. Want evenmin als de korte pootjes van een eend niet pijnloos verlengd en de lange poten van een kraanvogel niet zonder ellende voor de kraanvogel ingekort kunnen worden, kan wat teveel is in de morele aard van de mens, niet afgesneden, noch wat tekort is verlengd worden. Dat is de manier om elk verdriet te vermijden.

 


 

Wat ik onder volmaaktheid versta, is niet wat bedoeld wordt met naastenliefde of plichten jegens naasten. Het wordt gevonden in het ontginnen van Tao. En mensen die ik beschouw als ontginners van Tao, zijn niet degenen, die naastenliefde en plichten jegens de naasten tot ontwikkeling brengen. Dat zijn mensen die zich overgeven aan de natuurlijke gang van de dingen. Wat ik volmaakt luisteren noem is niet luisteren naar anderen, maar naar jezelf. Wat ik volmaakt kijken noem is niet het kijken naar anderen, maar naar jezelf. Want iemand die niet naar zichzelf maar alleen naar anderen kijkt, neemt geen bezit van zichzelf, maar van anderen, zodat hij neemt wat anderen zouden moeten nemen en niet wat hij zelf zou moeten nemen. In plaats van zichzelf, wordt hij in feite iemand anders.

 


 

Ts‘ui Chü vroeg aan Lao: “Als het rijk niet bestuurd moet worden, wie houdt dan het hart van de mensen op orde?”

 

“Hoed je ervoor,” antwoordde Lao, “je te bemoeien met de natuurlijke goedheid van het mensenhart.

Het hart van de mens kan bedwongen of geprikkeld worden. In beide gevallen met fatale afloop.

 


 

De mensen van deze wereld verheugen zich over anderen, die net zoals zij zelf zijn, en hebben een hekel aan anderen die anders zijn dan zij.

 


 

Als ijzer en steen zonder Tao zouden zijn, zouden ze geen geluid kunnen voortbrengen. En zoals zij de eigenschap van geluid hebben, maar dat niet kunnen uitzenden tenzij erop geslagen wordt, is datzelfde principe toepasbaar op de hele schepping.

 


 

In het Gouden Tijdperk werden knappe mensen niet bewonderd en werd geen waarde gehecht aan kennis. Bestuurders waren slechts bakens, terwijl de mensen even vrij waren als herten. De mensen waren hartelijk, zonder zich bewust te zijn van plichten jegens hun naasten. Ze hielden van elkaar zonder te weten dat dit naastenliefde was. Ze waren waarachtig zonder te beseffen [3] dat dit rechtschapenheid was. Ze waren oprecht zonder te weten dat dat vertrouwen was. Ze waren geheel vrij in hun doen en laten, zonder het gevoel te hebben dat ze verplichtingen jegens wie dan ook hadden. Daarom lieten hun daden geen spoor na en werd hun geschiedenis niet overgeleverd aan het nageslacht.

 


 

Wie weet dat hij een dwaas is, is geen grote dwaas.

 


 

Een beroep doen op wapens, is de verfoeilijkste vorm van deugd. Belonen en straffen, is de verfoeilijkste vorm van opvoeding. Rituelen en wetten, is de verfoeilijkste vorm van regeren. Muziek en prachtige kleren, is de verfoeilijkste vorm van geluk. Huilen en rouwen, is de verfoeilijkste vorm van verdriet. Deze vijf zouden de bewegingen van de geest moeten volgen. De Ouden legden zich toe op het onderzoek van bijkomstigheden, maar stonden niet toe dat dit voorafging aan dat van de wezenlijke dingen.

 


 

Ouders respecteren is gemakkelijk; ouders liefhebben moeilijk. Maar zelfs dat is gemakkelijker dan je natuurlijke plichten vergeten, wat op zijn beurt weer gemakkelijker is dan anderen laten vergeten wat het gevolg daarvan is. Op dezelfde manier is dat gemakkelijker dan de hele wereld vergeten, dat op zijn beurt gemakkelijker is dan vergeten hoe je zelf de wereld beďnvloed.

 


 

Naastenliefde en plichten jegens de naasten zijn als een herberg, die gebouwd is door de wijze bestuurders van ooit. Je kunt daar overnachten, maar niet te lang, want ander zul je jezelf te schande maken.


 

Zowel kleine als grote dingen moeten een vorm hebben. Van iets dat geen vorm heeft kan de geest geen beeld vormen, noch een vorm bedenken van iets van een oneindige omvang. Hoe groot iets is kan een punt van discussie zijn, en je kunt een beeld vormen van hoe klein iets is. Maar wat geen onderwerp van discussie kan zijn en waarvan ook geen beeld gevormd kan worden, kan niet groot of klein zijn.


 

Het leven van de mens gaat voorbij als een galopperend paard en verandert bij elke wending en elk uur. Wat kan ik anders doen of laten, dan het verval zijn gang laten gaan?

 


 

Gezien wat er in de wereld gebeurt en de manier waarop mensen tegenwoordig gelukkig zijn, weet ik niet of dat geluk echt is of niet. In mijn ogen bestaat het geluk van gewone mensen uit slaafs achter de meerderheid aanlopen, alsof ze daar niets aan kunnen doen. Toch zeggen ze allemaal dat ze gelukkig zijn. Maar ik kan niet zeggen of dat al dan niet geluk is. Bestaat er eigenlijk wel zoiets als geluk?

 

Mijn ware geluk bestaat uit niet-doen, dat door de wereld als iets vreselijks wordt gezien. Daarom is gezegd: “volmaakt geluk is de afwezigheid van geluk.”

 


 

Iemand die met fiches speelt, speelt goed. Als hij zijn kleingeld inzet wordt hij zenuwachtig. Als het geel goud is, verliest hij zijn verstand. Zijn spelvaardigheid is in alle gevallen hetzelfde, maar hij wordt in verwarring gebracht door de waarde van zijn inzet. Iedereen die belang hecht aan uiterlijke zaken, raakt zijn innerlijke hulpbron kwijt.

 


 

De Grote Waarzegger liep in zijn ceremoniële gewaad naar de slachtplaats en sprak de varkens als volgt toe: “Hoe kunnen jullie er bezwaar tegen hebben dat jullie geslacht worden? Ik heb jullie drie maanden vetgemest. Ik heb mijzelf tien dagen gekastijd en drie dagen gevast. Ik zal straks op een bewerkte offertafel fijngehakt gras strooien en jullie daar in zijn geheel opleggen. Lijkt jullie dat wat?”

 

Daarna sprak hij vanuit het standpunt van de varkens en vervolgde: “Misschien is het eigenlijk toch beter om op zemelen te leven en aan de slachtplaats te ontkomen…..”

 

“Maar,” voegde hij daaraan toe, weer vanuit zijn eigen standpunt, “als je geëerd wilt worden kun je beter op het slagveld sneuvelen, dan dat je hoofd in de mand van de beul valt.”

 

Hij verwierp dus het standpunt van de varkens en verkoos zijn eigen standpunt. In welk opzicht onderscheidde hij zich dan van de varkens?

 


 

Toen Yang Tzŭ naar de staat Sung reisde, kwam hij ’s avonds voorbij een herberg. De herbergier had twee bijvrouwen — een mooie en een lelijke. Van de laatste hield hij, de eerste haatte hij. Yang Tzŭ vroeg hoe dat kwam, waarop een van de bedienden van de herberg zei: “De mooie is zich zo bewust van haar schoonheid, dat niemand haar mooi vindt. De lelijke is zich zo bewust van haar lelijkheid dat niemand haar lelijk vindt.

 

“Onthoud dat, leerlingen!” riep Yang.

 

“Wees deugdzaam, zonder je daar bewust van te zijn en overal waar je zult komen, zul je geliefd zijn.”

 


 

Shun vroeg aan Ch‘ęng: “Kan iemand Tao verwerven en het dan voor zichzelf houden?”

 

“Jouw lichaam,” antwoordde Ch‘ęng, “is niet van jou. Hoe zou Tao dat dan kunnen zijn?”

 

“Als mijn lichaam,” zei Shun, “niet van mij is, van wie is het dan?”

 

“Het is het aan jou toevertrouwde evenbeeld van het Universum,” antwoordde Ch‘ęng. “Jouw leven is niet van jou. Het is de aan jou toevertrouwde harmonie van het Universum. Jouw individualiteit is niet van jou. Het is het aan jou toevertrouwde aanpassingsvermogen van het Universum. Jouw kinderen zijn niet van jou. Het zijn de aan jou toevertrouwde omhulsels van het Universum. Jij beweegt, maar je weet niet hoe; bent in rust maar weet niet waarom; proeft, maar kent de oorzaak niet. Dat is de werking van de wetten van het Universum. Hoe zou je dan Tao kunnen verwerven en het dan voor jezelf houden?”

 


 

De mens doorloop dit ondermaanse leven als een zonnestraal die door een spleet heendringt — het ene moment is hij er, het volgende weer verdwenen.

 


 

Bergwouden en leemachtige velderijen doen mijn hart van vreugde zwellen. Maar nog vóór de vreugde voorbij is, ben ik al weer verdrietig. Vreugde en verdriet komen en gaan, dat heb ik niet in de hand.

 

Helaas! het leven van de mens is slechts een oponthoud bij een herberg. Als iets zich binnen het bereik van zijn ervaring bevindt, weet hij wat er gebeurt. Anders kent hij het niet. Hij weet dat hij kan wat hij kan en niet kan wat hij niet kan. Maar er is altijd iets dat hij niet kent en dus niet kan; en dat geworstel dat dat niet zo moet zijn — is dat geen reden voor verdriet?

 

De beste taal is onuitgesproken taal, de beste manier van doen is doen zonder bedoeling.

 

Spreid je kennis ten toon en het zal blijken hoe oppervlakkig die is.

 


 

Waarom zouden Yao en Shun geprezen moeten worden? Hun scherpzinnige beschouwingen komen louter neer op eerst een gat in de muur hakken, om dat vervolgens weer op te stoppen met bramenstruiken; elk haar afzonderlijk kammen en korrels voor een rijstepudding tellen! Wat hebben zij in hemelsnaam voor hun generatie betekent?

 


 

Laat kennis halt houden voor het onkenbare. Dan is er geen kennis en dat is volmaaktheid.

 


 

Geen wapen zo dodelijk als de wil van de mens. Het magische zwaard als tweede. Geen rover zo sterk als de Natuur. In het hele universum is daar geen ontsnappen aan. Toch is het niet de Natuur, die verwondt. Het is het eigen hart van de mens.

 


 

Geboorte is geen begin; dood geen einde.

 


 

Ontdoe je van de prikkels van het doel. Bevrijd de geest van de verstoring door het denken. Verwijder de hindernissen die je van de deugd afhouden. Doorbreek de versperringen die de weg naar Tao blokkeren.

 


 

Een eenbenige man heeft geen versierselen, omdat zijn uiterlijk toch niet op bijval kan rekenen.

Veroordeelde misdadigers beklimmen zonder angst grote hoogten, omdat zij leven en dood niet meer vanuit hun vroegere standpunt zien. En mensen die geen aandacht besteden aan hun morele kledij en instelling, vergeten hun eigen Ik. En als zij zodoende hun Ik vergeten, naderen ze volmaaktheid.

 

Zij verheugen zich niet als mensen hen bewonderen. Ze worden niet boos als mensen hen beledigen. Maar alleen mensen die de eeuwige harmonie van Hemel en Aarde zijn binnengegaan, kunnen dat.

 

Als je boosheid uiterlijk is en niet innerlijk, zal dat boosheid zijn die voortkomt uit niet-boos-zijn. Als je handelingen uiterlijk zijn en niet innerlijk, zullen het handelingen zijn die voortkomen uit niet-doen.

 

Als je rust wilt bereiken, ontdoe je dan van je gemoedsstemmingen. Als je wilt dat je doen in overeenstemming is met wat juist is, geef je dan alleen over aan de eisen van het noodzakelijke. Het enige noodzakelijke is het Tao van de Wijze.

 


 

Als plannenmakers niets hebben dat hen bang maakt, zijn ze niet gelukkig. Als dialectici geen hypothesen en conclusies hebben, zijn ze niet gelukkig, Als critici niemand hebben op wie zij hun gal kunnen spugen, zijn ze niet gelukkig. Dergelijke mensen zijn slaaf van de buitenwereld.

Een hond wordt niet als een goede hond gezien, omdat hij een goede blaffer is. Een mens wordt niet als een goed mens gezien, omdat hij een goede prater is.

 


 

De bestuurders van ooit, beschouwden alle verworvenheden als de verdienste van hun onderdanen, en schreven alle mislukkingen aan zichzelf toe.

 


 

Toen Chü Po Yü zestig werd, veranderde hij van mening. Wat hij tot dan toe als juist had gezien, zag hij nu als onjuist. Maar wie zal zeggen of het juist van vandaag niet even onjuist is als alles wat de afgelopen vijftig jaar onjuist was?

 


 

Shao Chih vroeg aan T‘ai Kung Tiao: “Wat wordt bedoeld met maatschappij?”

 

“De maatschappij,” antwoordde T‘ai Kung Tiao, “is een afspraak tussen een aantal families en individuen, om bepaalde gewoonten in acht te nemen. Mensen, die het niet met elkaar eens zijn, sluiten zich aaneen om een evenwichtig geheel te vormen. Neem die eenheid weg en iedereen heeft weer zijn eigen Ik.

 

“Wijs alle verschillende onderdelen van het paard aan. Dat is geen paard, hoewel er wel een paard voor je staat. Het is de combinatie die het paard maakt.

 

“Op dezelfde manier is een berg hoog vanwege alle afzonderlijke deeltjes. Een rivier is groot vanwege alle afzonderlijke druppels.Wijs is iemand die alle deeltjes vanuit het standpunt van het geheel ziet.

Ondanks de meningen van anderen, houdt hij vast aan zijn eigen inzicht, maar niet hardnekkig.

Ondanks zijn eigen inzichten, kijkt hij, hoewel hij beseft dat ze waar zijn, niet neer op de meningen van anderen.”

 


 

Als hout tegen hout gewreven wordt, ontstaat vuur. Metaal dat blootgesteld wordt aan vuur, wordt vloeibaar. Als de Positieve en Negatieve principes onevenwichtig tewerk gaan, raken Hemel en Aarde ernstig verstoord. Donder dreunt en regen brengt bliksem, die de grote acacia’s verschroeit…. Zo komt, in het gevecht tussen rust en onrust, de wrijving tussen goed en kwaad, veel vuur tot ontwikkeling, dat het innerlijke evenwicht van de mens verteert. De geest kan het vuur niet weerstaan en gaat teniet, en dat betekent het einde van Tao.

 


 

Ontdoe je van onbeduidende kennis, en grote wijsheid zal zijn licht op je werpen. Doe goedheid weg en je zult zien dat je van nature goed bent. Een kind leert niet praten omdat het onderricht wordt door geleerde taalkundigen, maar omdat het te midden van mensen woont die zelf kunnen praten.

 


 

De mens beschikt over een uitgestrekt domein. Zijn geest kan tot in de hemel rondzwerven. Als er onvoldoende ruimte in huis is, zullen de vrouw en haar schoonmoeder tegen elkaar op lopen. Als de geest niet tot in de hemel kan rondzwerven, zullen talenten elkaar tegenwerken.

 


 

De vis is de bestaansreden van een fuik. Als de vis gevangen is, is de fuik niet meer nodig. Het konijn is de bestaansreden van een strik. Als het konijn gevangen is, is de strik niet meer nodig. De mening die geuit moet worden is de bestaansreden van taal. Als de mening geuit is, is de taal niet meer nodig. Maar wat moeten we nog met taal, als er geen meningen meer zijn?

 


 

Helaas! De kennis van de mens reikt tot de haar op een haar, maar leidt niet tot eeuwige vrede.

 


 

Het mensenhart is gevaarlijker dan bergen en rivieren, moeilijker te begrijpen dan de Hemel zelf. De Hemel kent haar perioden van lente, zomer, herfst, winter en dag en nacht. De mens heeft een ondoordringbaar innerlijk en zijn drijfveren zijn ondoorgrondelijk. Sommige mensen lijken achteruit te gaan, terwijl ze in werkelijkheid vooruit gaan. Anderen hebben talenten, maar lijken waardeloos. Weer anderen zijn onderdanig, maar bereiken wel hun doel. En nog weer anderen lijken heel standvastig, maar bezwijken toch. En tot slot zijn er mensen die zich traag voortbewegen, maar toch snel vooruitkomen.



 

Voetnoten

 

[1] Een legendarische Keizer, wiens regeringsperiode, samen met die van zijn opvolger Shun, beschouwd kan worden als het Gouden Tijdperk van China.

[2] De laatste heerser van de Hsia-dynastie, een echte tiran.

[3] Waarin hij zijn losse geld bewaart.



 

PERSOONLIJKE ANEKDOTES

 

Chuang Tzŭ zat te vissen aan de P‘u, toen de vorst van Ch‘u twee hoge ambtenaren naar hem toe stuurde om hem te vragen of hij het bestuur van de staat Ch’u op zich wilde nemen.

 

Chuang Tzŭ ging door met vissen en zei, zonder zijn hoofd om te draaien: “Ik heb gehoord dat zich in Ch’u een heilige schildpad bevindt, die al ongeveer drieduizend jaar dood is en dat de vorst die schildpad zorgvuldig heeft opgeborgen in een kistje op het altaar van zijn voorouderlijke tempel. Zou die schildpad dood willen zijn en vereerd worden, of liever leven en met zijn staart in de modder kwispelen?”

 

“Hij zou vast liever willen leven,” antwoordden de twee ambtenaren, “en met zijn staart in de modder kwispelen.”

 

“Maak dat je wegkomt!” riep Chuang Tzŭ. “Ik wil ook met mijn staart in de modder kwispelen.”

 


 

Hui Tzŭ was eerste minister in de staat Liang. Chuang Tzŭ ging naar Liang toe om hem op te zoeken.

 

Iemand merkte op: “Chuang Tzŭ is aangekomen. Hij wil in plaats van u minister worden.”

 

Toen werd Hui Tzŭ bang en speurde drie dagen en nachten de hele staat af om hem te vinden.

 

Daarna ging Chuang Tzŭ zelf op bezoek bij Hui Tzŭ en zei: “In het Zuiden is een vogel. Het is een soort Do, kent u die? Hij is vertrokken vanuit de zuidelijke op weg naar de noordelijke zee. Hij strijkt nergens neer, behalve op de wu-t‘ung-boom. Hij eet alleen maar bamboezaden en drinkt niets anders dan het zuiverste bronwater. Een uil die het rottende kadaver van een rat bemachtigd had, keek op toen de vogel overvloog en krijste. Loopt u niet tegen mij te krijsen vanwege het koninkrijk Liang?”

 


 

Chuang Tzŭ en Hui Tzŭ liepen op de brug over de Hao, toen de eerste opmerkte: “Kijk die witvissen eens rondschieten! Zo vermaken vissen zich.”

 

“Jij bent geen vis,” zei Hui Tzŭ, “dus hoe kun jij dan weten hoe vissen zich vermaken?”

 

“En jij bent mij niet,” kaatste Chuang Tzŭ terug, “hoe kun jij weten dat ik dat niet weet?”

 

“Als ik, omdat ik jij niet bent, niet kan weten wat jij weet,” drong Hui Tzŭ aan, “volgt daaruit dat jij, omdat je geen vis bent, niet kunt weten waaruit het vermaak van vissen bestaat.”

 

“Laten we terugkeren,” zei Chuang Tzŭ, “tot jouw oorspronkelijke vraag. Jij vroeg mij hoe ik wist waaruit het vermaak van vissen bestaat. Alleen de vraag al laat zien dat jij wist dat ik het weet. [1] Ik weet dat door wat ik zelf voelde op deze brug.”

 


 

Toen Chuang Tzŭ’s vrouw gestorven was, kwam Hui Tzŭ hem condoleren. Hij trof de weduwnaar aan, terwijl hij op de grond zat te zingen, met zijn benen uitgespreid in een rechte hoek en de maat sloeg op een bekken.

 

“Samenleven met je vrouw,” riep Hui Tzŭ uit, “en je oudste zoon volwassen zien worden en dan geen traan laten over haar lijk,— dat is al erg genoeg. Maar op een bekken trommelen en zingen, dat gaat echt te ver.”

 

“Helemaal niet,” antwoordde Chuang Tzŭ. “Toen ze stierf, kon ik er niets aan doen dat ik even geraakt was door haar dood. Weldra bedacht ik echter dat ze voor haar geboorte al in een eerdere toestand bestaan had, zonder vorm en zelfs zonder materie; dat, terwijl ze in die onbepaalde toestand verkeerde, materie aan de geest werd toegevoegd; dat die materie vorm aannam en het volgende stadium de geboorte was. Dankzij nog een verandering, is zij nu dood, van het ene stadium overgegaan in het andere, zoals de opeenvolging van lente, zomer, herfst en winter. En nu zij ligt te rusten in de Eeuwigheid, zou huilen en jammeren voor mij betekenen dat ik toegeef dat ik deze natuurwetten niet ken. Daarom zie ik daarvan af.”

 


 

Toen Chuang Tzŭ op sterven lag, vertelden zijn leerlingen hem dat zij hem een prachtige begrafenis wilden geven. Chuang Tzŭ zei: “Hemel en Aarde als mijn doodskist, zon, maan en sterren als mijn doodsgewaden en de hele schepping die mij naar mijn graf vergezeld, — zijn dan niet alle benodigdheden voor mijn begrafenis bij de hand?”

 

“Wij zijn bang,” voerden de leerlingen aan, “dat de aasgieren het lichaam van onze Meester zullen opvreten;” waarop Chuang Tzŭ antwoordde: “Boven de grond zal ik tot voedsel dienen voor de gieren; onder de grond voor de veenmollen en mieren. Waarom mij dan de een onthouden, om de ander te voeden?”

 

 

 



Voetnoten

 

[1] Want jij vroeg me hoe ik dat wist.

 


 

GERAADPLEEGDE VERTALINGEN:

 

Tswang Tse, Rijdend op een Wolk. Vertaling: Robert Hartzema. 1977. Uitgeverij KERN, Amsterdam

Uit de Werken van Tsjwang-tze. Vertaling: Ir. J. A. Blok. 1973. Uitgeverij Ankh-Hermes B.V. Deventer.

Zhuang Zi, De Innerlijke Geschriften. Vertaling: Kristofer Schipper. 1997. Uitgeverij Meulenhof f, Amsterdam

Zhuang Zi. De Volledige Geschriften. Vertaling: Kristofer Schipper. 2007. Uitgeverij Augustus, Amsterdam – Antwerpen.

The Texts of Taoism. Vertaling: James Legge. 1891. Internet Sacred Texst Archive.

The Complete Works of Chuang Tzu, Burton Watson. 1968. Terebess Asia Online.

Zhuangzi – “Being Boundles” Vertaling: Nina Correa. Dao Is Open

Chuang Tzu. Vertaling: Derek Lin. True Tao

The Chuang Tzu. Vertaling: Lin Yutang.  Taoism Virtula Library.