BARTHOLOMEO DE LAS CASAS

NAAR HET HOOGDUITSCH


VAN


CHRISTIAAN GEORG FRIEDRICH WEISE


Evangelieprediker te Wansleben en Amsdorf bij Halle


Te Amsterdam, bij

Johannes van der Hey en Zoon

1835


Bartholomeo de las Casas was oorspronkelijk van Fransche afkomst. Uit Frankrijk was onder de regering van Ferdinand III (den Heilige) een zekere Casaus naar Spanje gekomen. Deze onderscheidde zich in den langdurigen krijg tegen de Mooren, vooral bij de inneming der stad Sevilië, welke Ferdinand in 1247 veroverde, door buitengewone daden. Van den Koning, die hem daarvoor beloonde, bekwam hij verlof in dezelve zijn verblijf te kiezen. Zijne nakomelingen, die den adelstand verwierven, lieten, om hunnen naam meer naar de Spaansche uitspraak te vormen, de letter u daaruit weg.

Bartholomeo werd in het, jaar 1474 te Sevilië, in het begin der regering van Ferdinand V (den Katholieken) en Isabella geboren. Daar hij tot den geestelijken stand bestemd werd, zoo studeerde hij in zijne vaderstad in de Wijsbegeerte en Godgeleerdheid, en bezocht hij daarna de Hoogeschool te Salamanca, Dat hij, als een jongeling van negentien jaren, zijnen vader Antonio in het jaar 1493, in het gevolg van Columbus, op diens tweede Ontdekkingsreis, naar Amerika vergezeld zou hebben, en met hem in 1498 naar Spanje zou zijn teruggekeerd, is hoogst onwaarschijnlijk, daar hij toen in het midden zijner studiën was. Kort daarna werd hij tot het verhevene beroep van eenen Zendeling onder de Indianen bestemd (1).

Reeds lang had Columbus aan den Koning en nog meer aan de zacht gestemde en gevoelige Koningin den wensen geuit, dat er Geestelijken naar Hispaniola mogten komen, om zich het zielenheil van deze kinderen der Natuur aan te trekken, terwijl hij zich tegen het doopen der Indianen, alvorens dat zij onderrigt in de godsdienst ontvingen, als een misbruik van het Sacrament, verklaarde. Ook waren reeds in 1496 Roman Pané, een arme Kluizenaar, gelijk hij zich noemde, van de Orde der Hieronijmiten, en Juan Borgognon, een Franciskaner Monnik, tot dat einde naar Hispaniola gekomen. Maar derzelver ongeschiktheid was verderfelijk voor de goede zaak. De Cazike Guarionex, op wien zij het voornamelijk gerigt hadden, wilde in zijn oud geloof volharden, en de Indianen traden de Christelijke beelden met den voet. Men maakte den armen onwetenden, als hadden zij reeds van kindsbeen af, onder Naamchristenen geleefd, hun proces op, en zij eindigden hun leven op den brandstapel. Izabella uitte bij herhaling den wensch, ja zij gebood, dat men de ingezetenen in de nieuw ontdekte landen met zachtmoedigheid behandelen zou, en zij bewilligde niet dan met grooten tegenzin (in 1497) in de slavernij der oorspronkelijke bewoners, zelfs dergenen, die in openlijken strijd waren gevangen genomen. Zij deed dit, ongeacht de drogredenen, met welke hunne onderdrukking en slavernij tot voorwerpen van menschelijk en goddelijk regt gemaakt en van de staatzuchtige Geestelijken van dien tijd bekrachtigd werden.


Zie voor de complete tekst: www.verbodengeschriften.nl