| ‘In het museum in Dresden hangt een schilderij van Claude Lorrain dat volgens de catalogus Acis en Galatea heet... Dat schilderij zag ik in een droom, niet als een schilderij evenwel, maar als een realiteit. Ik zag net als op het schilderij een hoekje van de Griekse archipel en ik was, zo leek het, drieduizend jaar in de tijd teruggegaan. Blauwe, liefkozende golven, eilanden en rotsen, en oevers vol bloemen; in de verte een betoverend panorama, de roep van de ondergaande zon... Hier had de wieg van de mensheid gestaan. De mensen werden gelukkig en onschuldig wakker en zo sliepen zij in; in de bossen weerklonken hun vrolijke liederen, en het teveel van hun overvloedige krachten stortte zich in de liefde, in kinderlijke vreugde uit. En ik voelde het terwijl ik de immense toekomst die hen wachtte en waarvan ze zelfs geen idee hadden, ontwaarde, en mijn ziel huiverde bij die gedachten.’ (Uit: Boze geesten.) |
Fjodor Dostojewski
DE DROOM
VAN EEN BELACHELIJKE MAN
1877
Uit het Russisch naar het Engels vertaald door Constance Garnett, 1861-1946
Ik ben een
belachelijk mens. Ze noemen me tegenwoordig een gek. Dat zou een
promotie zijn als het niet zo zou zijn dat ik in hun ogen net zo
belachelijk blijf als vroeger. Maar tegenwoordig neem ik ze dat
niet meer kwalijk, tegenwoordig zijn ze me allemaal even lief en
zelfs als ze me uitlachen — ja juist dan zijn ze me
bijzonder lief. Ik zou zelf met ze mee kunnen lachen — niet
om mezelf, maar uit genegenheid voor ze — als het me niet
zo verdrietig maakte ze zo te zien. Verdrietig omdat ze de
waarheid niet kennen en ik de waarheid wel ken. O, wat is het
moeilijk om de enige te zijn die de waarheid kent! Maar ze zullen
dat niet begrijpen. Nee dat zullen ze niet begrijpen.
Vroeger heb ik er onder geleden dat ik zo belachelijk leek. Niet
leek, maar was. Ik ben altijd belachelijk geweest en ik heb het
misschien al vanaf het uur dat ik geboren ben geweten. Misschien
wist ik al vanaf mijn zevende jaar dat ik belachelijk was. Daarna
ging ik naar school, studeerde aan de universiteit en weet je,
hoe meer ik leerde, hoe zekerder ik besefte dat ik belachelijk
was. Zodat het op het einde leek alsof alle wetenschappen die ik
aan de universiteit studeerde, hoe meer ik me erin verdiepte, er
alleen maar waren om mij te bewijzen en duidelijk te maken, dat
ik belachelijk was. Met het leven ging het op dezelfde manier als
met de wetenschap. Zoals het met de studie ging, liep het ook in
het leven. Met ieder jaar groeide en versterkte zich in mij
hetzelfde besef dat ik in alle opzichten een belachelijke figuur
was. Iedereen lachte me altijd uit. Maar ze wisten niet of hadden
er een vermoeden van dat, als er één mens ter
wereld was die beter dan wie dan ook besefte dat ik belachelijk
was, ik dat dan zelf was, en wat voor mij het meest stuitende
was, was dat ze dat niet wisten. Maar dat was mijn eigen schuld;
ik was zo trots dat niets mij er toe kon bewegen dat ooit aan wie
dan ook te vertellen. Die trots groeide in mij van jaar tot jaar
en als het gebeurd zou zijn dat ik me gepermitteerd zou hebben om
tegenover wie dan ook te bekennen dat ik belachelijk was, geloof
ik dat ik me dan nog dezelfde avond voor de kop geschoten zou
hebben. O, wat heb ik in mijn jonge jaren geleden onder de angst
dat ik daaraan zou toegeven en het aan mijn kameraden zou
bekennen. Maar sinds ik de volwassenheid bereikt heb, ben ik,
hoewel ik mij van mijn verschrikkelijke eigenschap ieder jaar
meer bewust werd, om de een of andere onbekende reden kalmer
geworden. Ik zeg “onbekend”, omdat ik tot op de dag
van vandaag niet kan vertellen waarom.