Oorspronkelijk gepubliceerd in Contemporary Review, 1877. Herdrukt in Lectures and Essays (1879).
Een scheepseigenaar stond op het punt om een schip met emigranten te laten uitvaren. Hij wist dat het schip oud was en eigenlijk helemaal niet deugdelijk was gebouwd en dat het vele zeeën en klimaten had gezien en vaak was gerepareerd. Men had bij hem twijfels geuit over de zeewaardigheid van het schip. Deze twijfels kwelden hem en maakten hem ongelukkig; hij bedacht dat hij het schip misschien grondig onder handen moest nemen en repareren, zelfs al zou dat hem op grote kosten jagen. Maar voordat het schip uitzeilde slaagde hij erin om die sombere gedachten te verdrijven. Hij hield zichzelf voor dat het schip zoveel reizen had overleefd en aan zoveel stormen het hoofd had geboden, dat het zinloos was om te veronderstellen dat het ook niet van deze reis weer veilig zou terugkeren. Hij zou zijn vertrouwen stellen in de de Voorzienigheid, die al die ongelukkige gezinnen die hun vaderland verlieten om elders een betere toekomst op te bouwen vast wel zou beschermen. Hij zou alle onaangename achterdocht over de oprechtheid van de bouwers en aannemers uit zijn hoofd zetten. Op die manier raakte hij er oprecht en eenvoudig van overtuigd dat zijn schip volkomen veilig en zeewaardig was; met een gerust hart zag hij het schip uitvaren en wenste de ballingen van harte veel succes in hun toekomstige nieuwe vaderland. Hij streek zijn verzekeringspenningen op toen het midden op de oceaan verging en had het er verder niet meer over.
Wat moeten we nou over hem zeggen? Ongetwijfeld dat hij heel schuldig was aan de dood van die mensen. We moeten toegeven dat hij oprecht in de deugdelijkheid van zijn schip geloofde; maar de oprechtheid van zijn overtuiging kan hem op geen enkele manier baten, omdat hij op grond van de bewijzen die hij ter beschikking had niet het recht had om te geloven. Hij had zijn overtuiging niet verkregen door die, door middel van zorgvuldig onderzoek, te verdienen, maar door zijn twijfels te onderdrukken. En hoewel hij er uiteindelijk zo zeker van was dat hij niet anders meer kon denken, moet hij daar toch, voor zoverre hij zich willens en wetens in die gemoedstoestand had gemanipuleerd, zelf verantwoordelijk voor worden gehouden.
Laten we de situatie een beetje veranderen en veronderstellen, dat het schip eigenlijk helemaal niet ondeugdelijk was; dat het de reis en nog vele reizen daarna veilig maakte. Maakt dat de schuld van de eigenaar kleiner? Geen zier. Als een handeling is verricht, is die voor altijd juist of onjuist; geen toevallig uitblijven van goede of slechte gevolgen kan dat veranderen. De man zou niet onschuldig zijn geweest, maar het zou alleen niet zijn ontdekt. De vraag naar juist of onjuist heeft te maken met de oorsprong van zijn overtuiging, niet met de zaak zelf; niet met het hoe van de zaak, maar hoe hij ertoe is gekomen; niet of het uiteindelijk juist of onjuist is gebleken, maar of hij het recht had om iets te geloven op grond van de bewijzen die hem ter beschikking stonden.
Zie voor de complete tekst: www.verbodengeschriften.nl