1844
De wereldbrand
EARTH'S HOLOCAUST
door Nathaniel
Hawthorne (Salem,
Massachusetts, 4 juli 1804 - Plymouth, New Hampshire, 30 juli
1864),
OP EEN
KEER - het doet er weinig of niet toe of dat nu in de
verleden of in de komende tijd is - was deze uitgestrekte wereld
zo overladen geraakt met een opeenhoping van afgedragen rotzooi,
dat de bewoners besloten zich daar door middel van een groot
vreugdevuur van te ontdoen. De plek die daarvoor, onder protest
van de verzekeringsmaatschappijen en even centraal gelegen als
welke andere plek ook op de aardbol, werd uitgezocht was een van
de meest uitgestrekte prairies in het Westen, waar de vlammen
geen menselijke nederzetting in gevaar konden brengen en waar een
uitgebreide menigte toeschouwers de voorstelling geriefelijk zou
kunnen bewonderen. Omdat ik wel hou van dit soort schouwspelen en
ik mij tevens verbeelde, dat de luister van dit vreugdevuur
wellicht iets diepers of een morele waarheid, eertijds in mist of
duisternis verborgen, zou kunnen openbaren, schikte het mij
derwaarts te reizen om het bij te wonen. Bij mijn aankomst was,
hoewel de stapel van de ertoe veroordeelde rotzooi nog
betrekkelijke klein was, de brand er al in gestoken. Er was
midden op die grenzeloze vlakte, bij het vallen van de avond, als
een eenzame verwijderde ster aan het firmament, slechts een
flakkerende gloed waarneembaar, waar niemand van zou kunnen
verwachten, dat het op zo'n meedogenloze gloed, als het voornemen
was, zou uitlopen. Ieder ogenblik echter arriveerden er reizigers
te voet, vrouwen met geheven schorten, mannen te paard,
kruiwagens, volgestouwde bagagewagens en andere voertuigen, grote
en kleine en van ver en nabij, volgeladen met zaken die nergens
anders voor geschikt bevonden waren dan om verbrand te
worden.
"Wat voor spullen zijn er gebruikt om de fik erin te steken?"
vroeg ik aan een omstander, want ik wilde me graag van het hele
verloop van de zaak, van begin tot eind, op de hoogte
houden.
De persoon tot wie ik mij richtte, was een sombere man,
vijftig jaar oud of daaromtrent, die daar kennelijk als
toeschouwer naartoe gekomen was; hij maakte onmiddellijk op mij
de indruk alsof hij voor zichzelf de werkelijke waarde van het
leven in alle facetten gewogen had en daarom weinig persoonlijk
belang hechtte aan het oordeel, dat de wereld daarover zou kunnen
vellen. Voor hij mijn vraag beantwoordde, keek hij me bij het
opvlammende licht van het vuur recht in mijn ogen.
"O, gewoon wat kurkdroge brandbare spullen," antwoordde hij,
"en uitermate geschikt voor het doel - in feite niets anders dan
kranten van gisteren, tijdschriften van afgelopen maand en de
droge bladeren van afgelopen jaar. Hier komt nu nog wat
verouderde troep, dat als een handvol houtkrullen vlam zal
vatten."
Zie voor de complete tekst: www.verbodengeschriften.nl