HANS ZINSSER
1934
RATTEN, LUIZEN EN
GESCHIEDENIS
EEN BIOGRAFISCH ONDERZOEK WAARIN
NA TWAALF, VOOR
DE VOORBEREIDING VAN DE LEEK ONMISBARE,
INLEIDENDE
HOOFDSTUKKEN,
DE LEVENSGESCHIEDENIS
BEHANDELD WORDT
VAN DE
dit boek is in hartelijke
genegenheid opgedragen aan Chales Nicolle, wetenschapper,
schrijver en filosoof (en Nobelprijswinnaar)
In
de verschillende stadia van haar Avontuurlijke Loopbaan ook
bekend als Morbus pulicaris
(Cardanus, 1545);
Tabardiglio y puntos (De Toro, 1574); Pintas;
febris purpurea
epidemica (Coyttarus,
1578); Febris quam lenticulas vel puncticulas vocant
(Fracastorius, 1546); Morbus hungaricus;
La
Pourpre; Pipercorn;
Febris petechialis vera; Febris maligna pestilens; Febris putrida
et maligna; Tyfus carcerorum; Jayl Fever Fièvre des Hopitaux;
Pestis bellica; Morbus castrensis; Famine Fever; Irish Ague;
Tyfus exanthematicus; Faulfieber; Hauptkrankheit; Pestartige
Bräune; Exanthematisches Nervenfieber, enzovoort,
enzovoort.
INLEIDING
Hans Zinsser heeft niet alleen een zeer
onderhoudend en vaak geestig verhaal geschreven of de Tyfus, maar
durft daarnaast verbanden te leggen. Het enige nadeel is dat hij
een evolutionist is, maar als je de evolutionistische saus uit
zijn boek wegfiltert, resteert er een relaas waarin hij duidelijk
weet te maken hoezeer de loop van de geschiedenis bepaald is door
epidemieën en hoe onbelangrijk generaals daarin geweest
zijn, zoals hij dat stelt. Hij laat zien hoe nauw het verband is
tussen epidemieën en maatschappelijke ontreddering,
opkomende industrialisatie, oorlogen, godsdiensttwisten,
werkeloosheid, armoede en uitzichtloosheid.
Voorwoord
Deze hoofdstukken — wij aarzelen een zo onsamenhangend
geheel een boek te noemen —zijn geschreven tijdens
terloopse momenten, als ontspanning tijdens het onderzoek naar de
tyfeuze koorts in het laboratorium en in het veld. Als je de
besmettelijke ziekten over de wereld volgt, ga je ze uiteindelijk
als biologische individuen zien, die door de eeuwen heen geleefd
hebben, vele mensengeneraties hebben overspannen en een leven
hebben geleid, dat biografisch benaderd kan worden. De tyfus
leent zich — meer dan de meeste andere ziekten — voor
een dergelijke benadering vanwege haar buitengewone parasitaire
cycli in de insecten- en zoogdierwereld en de saillante feiten,
die de afgelopen tien jaar allemaal verhelderd zijn. De
bacterioloog vindt in geen enkele andere infectie een zo gunstige
gelegenheid om de ontwikkeling van het parasitisme te bestuderen.
Bovendien vindt deze ziekte, in haar tragische verhouding tot de
mensheid, haar weerga niet — zelfs niet in pest en
cholera.
In de loop van al die jaren, waarin wij in beslag waren genomen
door besmettelijke ziekten en waarbij wij afwisselend plaats
namen op de stoel van de biologische oorlogsvoering en in het
laboratorium, zijn wij steeds meer onder de indruk geraakt van
het belang — vrijwel geheel veronachtzaamd door historici
en sociologen — van de invloed van die rampen op het lot
der volkeren, dus op opkomst en ondergang van beschavingen. De
hoofdstukken, die dit aspect van ons onderwerp behandelen, bieden
weinig meer dan inleidende opmerkingen. Zij zouden kunnen dienen
om historici, die over kennis beschikken die wij missen, te
stimuleren die factoren de aandacht te geven die zij verdienen en
hun invloed te verwerken in de interpretaties van de afgelopen
geschiedenis van de mensheid.
Wij willen er geenszins aanspraak op maken dat wij enige
oorspronkelijke bijdrage hebben geleverd aan de geschiedenis van
de geneeskunde. Wij hebben informatie verzameld waar wij maar
konden en hebben vrijelijk gebruik gemaakt van het werk van
scherpzinnige geleerden zoals Schnurrer, Hecker, Ozanam, Hirsch,
Murchison, en anderen. Bij het raadplegen van teksten uit oudheid
en Middeleeuwen werd onze armzalige kennis van de klassieken
aangevuld door de welwillende en vriendelijke hulp van onze
collegae, de hoogleraren Gulick en Rand, van onze vriend Dr. Fred
B. Lund, en door de enthousiaste belangstelling van Mr. C. T.
Murphy van de Oudheidkunde-faculteit van Harvard. Gesprekken en
correspondentie met Professor Sigerist van de John Hopkins
Universiteit, Professor Merriman van Harvard, Majoor Hume van de
Krijgsmacht van de Verenigde Staten, en vele anderen zijn ons op
essentiële plaatsen tot onschatbare hulp geweest. In het
bijzonder zijn wij dank verschuldigd aan onze wijze en
beminnelijke vriend Professor W. Morton Wheeler, die vrijgevig
met zijn advies en aanmoediging is geweest. Omdat dit op geen
enkele manier een wetenschappelijke verhandeling is, hebben wij
verwijzingen naar recente publicaties achterwege gelaten en om
niemand tekort te doen vrijwel geen namen genoemd.
Voor onze hoofdstukken en opmerkingen over zaken van literair
belang, maken wij geen verontschuldigingen. Hoewel wij ze
relevant vinden voor het algemene schema van onze uiteenzetting,
zullen velen dat niet relevant vinden. In zekere zin is dit boek
echter een protest tegen de Amerikaanse houding, die de neiging
vertoont te benadrukken dat een specialist geen belangstelling
dient te hebben buiten zijn eigen gekozen terrein — tenzij
dat golfen, vissen of bridgen is. Een specialist moet zich
— in onze nationale visie— bij zijn eigen vak houden,
zoals “een schoenmaker bij zijn leest.” Wij lopen de
kans — vanwege dit werkstuk — als minder dan een
bacterioloog aangeslagen te worden. Het is de moeite waard. Een
dag heeft echter vierentwintig uur; je kunt maar tien uur werken
en acht uur slapen.
Wij zijn de mening toegedaan dat het allesbehalve uitzonderlijk
is dat een gerichte intellectuele bezigheid in het algemeen het
bevattingsvermogen kan vergroten; dat het een vergissing is om de
menselijke geest te verdelen in subspecialisaties; en dat kunst
en wetenschap veel gemeen en voordeel van elkaar kunnen hebben
door wederzijdse evaluatie. Europeanen hebben dat lang
gekoesterd. Wij zijn niet zo onbezonnen dat wij durven te beweren
dat ons boek daaraan heeft bijgedragen. Wij hebben het in ieder
geval opgeschreven zoals het in ons opkwam en ons daarmee
vermaakt en op vertrouwd.
H. Z.
Zie voor de complete tekst: www.verbodengeschriften.nl