Inleiding
Er zijn mensen die vinden dat wij
in de best denkbare maatschappij leven. Zij zijn er van overtuigd
dat de mensheid op de goede weg is. Zij geloven in de schone
schijn en zien overal vooruitgang. Eens zal de mensheid een
theorie van alles hebben en dan zullen alle problemen opgelost
worden. Tegen beter weten in blijven zij daarop hopen. Zij voelen
zich vrij en beseffen niet hoe onvrij ze eigenlijk zijn. Zij
hebben geleerd dat angst, zorgen, pijn en verdriet nu eenmaal bij
het leven horen. Zij klampen zich vast aan hun schijnzekerheden.
Zij sluiten zich af voor wat ze niet willen zien en niet willen
horen en zijn dus ziende blind en horende doof.
In een land waar alle wilgen van
jongs af aan geknot worden kan geen mens zich een voorstelling
maken van een wilg zoals die had kunnen zijn als hij vrijuit had
kunnen groeien tot de boom zoals hij bedoeld is. In een wereld
waarin alle kinderen van jongs af aan geknot en gesnoeid worden
in hun vrijheid, omdat ze nu eenmaal moeten leren leven in deze
maatschappij, kan geen mens zich een voorstelling maken van de
mens zoals die eigenlijk bedoeld is. De mensen hebben geen beeld
van een onafhankelijke, vrije mens. Ooit moet de mens dat geweest
zijn, vrij en alleen afhankelijk van de natuur.
Nu leven mensen gevangen in hun
overtuigingen, tradities, geloven en gewoonten, afhankelijk van
anderen, van de cultuur én de natuur. Daarmee hebben zij
een kunstmatige en kunstige, virtuele kooi geconstrueerd. De
tralies vertekenen het zicht op de werkelijkheid. En zo leeft de
mensheid in een onrechtvaardige, oneerlijke, maatschappij, waarin
de rijken rijker en de armen armer worden en waarin eigenlijk
niemand de weg weet. Omdat iedereen ervan overtuigd is dat er
geen weg terug meer is, is vooruitgang de enige mogelijkheid,
zonder dat iemand weet waar naartoe.
Altijd zijn er mensen geweest die
zich met veel pijn en moeite ontworsteld hebben aan de kooi, soms
gedwongen door omstandigheden, soms omdat ze dachten dat er meer
moest zijn dan het leven wat ze leefden en op zoek gingen naar
een andere wereld. Als je op de goede weg zit, zelfs zonder het
doel te kennen, moet het leven steeds eenvoudiger worden en is
eenvoud wellicht het einddoel. Als je op de verkeerde weg zit
wordt het dus steeds ingewikkelder, tot je er in verstrikt raakt.
Plato beschrijft in zijn Allegorie van de Grot hoe mensen in
verwarring raken als zij de schaduwwereld in de grot verlaten en
het licht aanschouwen. In alle culturen bestaat dezelfde metafoor
en dan moet er toch een kern van waarheid inzitten. Zij die
bleven in hun gelukzalige aanschouwing noemen de mensen mystici.
Anderen die terugkeerden in de grot en verontwaardigd waren over
alles wat zich daar afspeelde, heetten profeten. Veel profeten
heeft de mensheid gekend. Geen van hen is in staat gebleken de
geketenden de weg naar buiten te wijzen. Misschien hebben ze
onvoldoende alle consequenties van hun ontdekking overzien.
Misschien zijn ze niet in staat geweest eenduidig de weg te
wijzen. Of hebben zij altijd het onderspit gedolven tegen de
gevestigde orde en is het waar dat, zoals Plato schrijft: "En als
iemand zou proberen hen te bevrijden en naar boven te leiden,
zouden zij hem dan niet doden als zij hem in handen zouden
krijgen?"