OVER DE DOMHEID VAN WETENSCHAPPERS

DOOR

William Hazlitt 1778 - 1830


UIT: TAFELGESPREKKEN, ESSAYS OVER MENSEN EN MANIEREN (1822).

Aan de beschrijving van mensen, die van alle mensen de minste ideeën hebben, voldoen uitsluitend schrijvers en lezers. Het is beter om zowel niet te kunnen lezen als schrijven, dan niets anders te kunnen. Een lanterfanter, die gewoonlijk wordt aangetroffen met een boek in de hand, is (wij kunnen daar bijna zeker van zijn) evenmin in staat of bereid om te letten op wat er om hem heen of in zijn eigen hoofd gebeurt. Van zo iemand wordt gezegd dat hij zijn verstand in zijn zak met zich meedraagt of het thuis op de planken van zijn bibliotheek achterlaat. Hij is altijd bang om zijn gedachten hun gang te laten gaan en elke waarneming te duiden die niet op een mechanische manier, - doordat hij zijn ogen laat gaan over bepaalde duidelijk leesbare letters, - bij hem wordt opgeroepen; hij krimpt ineen door de vermoeienis van het denken, dat, bij gebrek aan oefening, ondragelijk voor hem wordt en gaat tevreden zitten voor een eindeloze en vermoeiende reeks woorden en halfgevormde beelden, die de leegte van zijn brein vullen en elkaar doorlopend uitwissen. Leren is veel te vaak slechts een achtergrond voor het gezonde verstand, een surrogaat van ware kennis. Boeken worden minder vaak gebruikt als een “bril,” waarmee de natuur kan worden bekeken, dan als oogkleppen om zwakke ogen en luie karakters te behoeden voor het krachtige licht en het wisselende landschap daarvan. De boekenwurm wikkelt zichzelf in zijn web van verbale algemeenheden en ziet van de dingen alleen maar de glimmende schaduwen, die van de breinen van anderen terugkaatsen. De natuur brengt hem van zijn stuk. De indrukken van echte voorwerpen, ontdaan van de vermomming van woorden en uitgebreide en omslachtige omschrijvingen, zijn dreunen die hem doen wankelen; hun verscheidenheid brengt hem in verwarring, hun snelheid put hem uit; en hij wendt zich af van de drukte, het lawaai, de gloed en de wervelende beweging van de wereld om hem heen (het is niet van plan om die te volgen in haar prachtige veranderingen en komt niet op het idee om die veranderingen terug te brengen tot vaststaande principes), naar die volstrekte eentonigheid van dode talen en de minder verontrustende en meer begrijpelijke combinaties van de letters van het alfabet. Hij vindt het goed zo, helemaal goed. ‘Laat mij met rust’, is het motto van de slapenden en de doden. Je kunt net zo goed een lamme vragen om uit zijn stoel op te springen en zijn krukken weg te werpen, of, zonder wonder, ‘zijn bed op te nemen en te lopen,’ als dat je kunt verwachten dat de ontwikkelde lezer zijn boek weg zal gooien en zelf zal gaan denken. Hij klampt zich aan zijn boek vast als zijn intellectuele houvast; en zijn angst om aan zichzelf te worden overgelaten is als de afschuw voor de leegte. Hij kan alleen maar ademen in een ontwikkelde atmosfeer, zoals andere mensen gewone lucht inademen. Hij is een lener van betekenis. Hij heeft geen ideeën van zichzelf en moet leven op die van andere mensen. 


Zie voor de complete tekst: www.verbodengeschriften.nl