Redekunstige grondslag van verstandhouding

Frederik van Eeden

Uitgeverij Het Spectrum

Utrecht/Antwerpen

Vormgeving en omslag Studio Spectrum
Dit werk werd voor het eerst uitgegeven in Studies.
Derde reeks, 1897
Tweede druk 1975

© 1975 by Het Spectrum.

12-0545.02 D 1975/0265/141 ISBN 90 274 5291 1

Inhoud

Inleiding door Bastiaan Willink ..... 1
Redekunstige grondslag van verstandhouding ..... 7
Argument ..... 7
I. Realiteit en Gradatie ..... 8
II. Woord-waarde ..... 12
III. Waarheid ..... 14
IV. Zekerheid, Rede en Mysterie ..... 16
V. Het Ik ..... 22
VI. Tijdloosheid en Onsterfelijkheid ..... 27
VII. Richting, Vrijheid en Doel ..... 32
Slotwoord ..... 36


Inleiding

Frederik van Eeden was een veelzijdig schrijver. Veel Nederlanders herinneren zich zijn Grassprietjes en De kleine Johannes als verplichte literatuur, die toch vaak met veel plezier werd gelezen. Minder algemeen bekend, maar even hoog gewaardeerd in kennerskringen, zijn enkele andere werken: de roman Van de koele meren des doods, het wijsgerig gedicht Het lied van schijn en wezen (vooral het eerste deel), het toneelstuk De heks van Haarlem.
Hoewel Van Eedens romans, toneelstukken en gedichten vrijwel altijd een sterk filosofische inslag hebben — ze handelen over het wezen van de werkelijkheid en over wat tegenwoordig ‘existentiële’ problematiek genoemd zou worden — is minder bekend dat zijn filosofische en psychologische ideeën ook uiteengezet zijn in een aantal essays die niet direct tot de schone letteren gerekend worden.
Vijftien jaar geleden verscheen als Mededeling 16 van het Frederik van Eeden-Genootschap een Nederlandse vertaling van de belangwekkende Studie over dromen, oorspronkelijk een in 1913 voor de vereniging voor ‘Psychical research’ te Londen gehouden voordracht. Andere essays zijn echter na de dood van de schrijver in 1932 nooit herdrukt, terwijl er bij zijn die in deze tijd zeker belangstelling zouden wekken. Ik noem bijvoorbeeld zijn studie over ons ‘dubbel-ik’ en vooral de Redekunstige grondslag van verstandhouding.
Voordat Van Leden zijn periode van sociale strijd begon, die in ‘Walden’ zijn hoogtepunt beleefde, werkte hij van 1893 tot 1897 aan de synthese van zijn fundamentele ideeën over wereld en menselijke geest, en de raakvlakken tussen beide: wetenschappelijke en poëtische taal.
Krijgen wereld en menselijke geest al veel aandacht in andere werken als Het lied van schijn en wezen en Van de koele meren des doods, die bewijzen dat Van Eeden de meest uitgesproken ‘filosofische’ literator van het Nederlands taalgebied was, in de Redekunstige grondslag ligt de nadruk vooral, de titel zegt het al, op de taal als middel tot rationeel communiceren. Aan dit na de Tweede wereldoorlog sterk in de belangstelling gekomen onderwerp werd in de tijd tussen de wereldoorlogen, toen de grote studies over Van Eeden van Kalf, Van Tricht en Verwey verschenen, veel minder aandacht besteed. Deze biografen behandelen de Redekunstige grondslag dan ook slechts zijdelings. Ik hoop plausibel te maken, dat deze betrekkelijke verwaarlozing ongerechtvaardigd is en dat het tijd wordt om het essay de plaats te geven die het toekomt: het is een werk van in Nederland vrijwel onbekend niveau, dat alleen door vergelijking met in andere taal geschreven werken voldoende naar waarde geschat kan worden.


Zie voor de complete tekst: www.verbodengeschriften.nl