FJODOR DOSTOJEWSKI
Uit: De Gebroeders Karamazow
Vijfde boek, hoofdstuk 5
Uit het Russisch naar het Engels vertaald door Constance Garnett
De Grootinquisiteur
"ZELFS dit moet een inleiding hebben – ik bedoel een
literaire inleiding,” lachte Iwan, “en daar ben ik
niet zo goed in. Weet je, het speelt in de zestiende eeuw en toen
– dat heb je waarschijnlijk op school geleerd – was
het in de dichtkunst gebruikelijk om hemelse krachten naar de
aarde te halen. Ik ga het nu niet over Dante hebben, maar in
Frankrijk gaven ambtenaren en de monniken in hun kloosters
regelmatig voorstellingen waarin de Madonna, heiligen, engelen,
Christus en God zelf optraden. Dat was toen heel gewoon. In zijn
Notre Dame de Paris laat Victor Hugo in het Hotel de
Ville, tijdens de regering van Lodewijk XI, ter ere van de
geboorte van de dauphin, gratis een stichtelijke voorstelling
voor het volk geven. Het heette Le bon jugement de la tres
sainte et gracieuse Vierge Marie, en zij verschijnt daarin
zelf op het podium en spreekt haar bon jugement uit.
Vóór Peter de Grote werden in Moskou af en toe ook
zo’n voorstellingen, meestal ontleend aan Het Oude
Testament, gegeven. Maar behalve toneelstukken deden ook allerlei
legenden en balladen de ronde, waar zonodig heiligen, engelen en
de hele hemelse heerschaar aan deelnamen. In onze kloosters waren
de monniken druk bezig met vertalen, kopiëren en zelfs met
het vervaardigen van gedichten, zelfs in de tijd van de Tataren.
Een van die gedichten (natuurlijk aan de Grieken ontleend) is
bijvoorbeeld De Omzwervingen van Onze Lieve Vrouw door de
Hel, minstens even gedurfd beschreven als bij Dante. Daarin
bezoekt Onze Lieve Vrouw de hel en de aartsengel Michael geeft
haar een rondleiding langs de folterplaatsen. Ze ziet de zondaars
en hoe ze worden gestraft. Ze ziet ondermeer een opmerkelijke
groep zondaars in een brandend meer; sommigen zinken naar de
bodem van het meer, zodat ze niet meer boven kunnen komen. Dat
zijn de “Godvergetenen” - een buitengewoon
diepzinnige een veelbetekenende benaming. En kijk, Onze Lieve
Vrouw valt, geschokt en wenend neer voor de troon van God en
smeekt om genade voor alle mensen in de hel – voor ieder
die ze daar heeft gezien, zonder onderscheid. Zij blijft hem
smeken en als God op de handen en voeten van zijn, aan het kruis
geslagen zoon, wijst en vraagt “Hoe kan ik zijn folteraars
vergeven?” gebiedt zij alle heiligen, alle martelaren, alle
engelen en aartsengelen neer te vallen en samen met haar om
genade te smeken voor iedereen zonder uitzondering. Het eindigt
ermee, dat zij van God gedaan krijgt, dat hij elk jaar van Goede
Vrijdag tot Pinksteren een pauze in het lijden inlast en meteen
laten de zondaars een schreeuw van dankbaarheid uit de hel
opstijgen en zingen: “O Heer, U bent rechtvaardig in Uw
oordeel.” Zoiets zou mijn gedicht zijn geworden als het
toen was verschenen. Hij treedt in mijn gedicht op, maar Hij zegt
niets, Hij verschijnt alleen en verdwijnt weer. Vijftien eeuwen
zijn, sinds Hij beloofd heeft in al zijn heerlijkheid te
verschijnen, voorbijgegaan, vijftien eeuwen sinds zijn profeet
heeft geschreven: “Zie, ik zal spoedig terugkomen;”
“Maar die dag of dat uur kent niemand, ook de Zoon niet,
alleen de Vader (Marc. 13:32),“ zoals hijzelf op aarde
heeft gepredikt. Maar de mensheid verwacht hem nog steeds met
hetzelfde geloof en met dezelfde liefde. Zelfs met een groter
geloof, want er zijn vijftien eeuwen voorbijgegaan sinds de mens
geen tekenen uit de hemel meer ziet.
De hemel geeft geen tekenen meer
Die de stem van je hart bevestigen
Alleen het geloof in de stem van het hart was nog overgebleven. Het is waar, dat er in die tijd veel wonderen gebeurden. Er waren heiligen, die wonderbaarlijke genezingen verrichtten; volgens hun levensbeschrijvingen was de Hemelse Koningin zelf aan een aantal heiligen verschenen. Maar de duivel sliep niet en onder het volk rees twijfel aan de echtheid van deze wonderen. En juist in die tijd stak in het noorden, in Duitsland, een gruwelijke nieuwe ketterij de kop op. “Een reusachtige ster, als een toorts (dat is dus de Kerk) viel neer in de bronnen van de stromen en het water werd bitter.” Deze ketterijen begonnen godslasterlijk de wonderen te ontkennen. Maar zij die trouw bleven aan het geloof, geloofden alleen nog maar vuriger. De tranen van de mensheid rezen als voorheen naar Hem op, zij verwachtten zijn komst, hadden Hem lief, hoopten op Hem en hunkerden ernaar net als tevoren voor Hem te lijden en te sterven. Hoeveel eeuwen had de mensheid met een vurig geloof gebeden: “O Heer onze God, kom spoedig”; zoveel eeuwen hadden tot Hem geroepen, opdat Hij zich in zijn oneindige barmhartigheid zou verwaardigen tot zijn dienaren neer te dalen. Hij was al eerder neergedaald. Hij was aan enkele heiligen, martelaren en kluizenaars verschenen, zoals we in hun levensbeschrijvingen kunnen lezen. Bij ons aan Tyutchev, die heilig in zijn eigen woorden geloofde, zoals hij getuigt, dat onder de last van het Kruis, in een slavische dracht,
Zie voor de complete tekst:
www.verbodengeschriften.nl