Wakefield
door
Nathaniel Hawthorne
1837
Ik herinner me een voor waar verteld verhaal uit een oud tijdschrift of dagblad, over een man — we zullen hem Wakefield noemen — die een tijd lang bij zijn vrouw wegbleef. Als theoretisch gegeven is het niet ongewoon, en moet ook niet — zomaar of zonder uitleg van omstandigheden — veroordeeld worden als onfatsoenlijk of onzinnig. Hoe het ook zij, dit geval is zonder de minste overdrijving misschien het uitzonderlijkste geval van echtelijk plichtsverzuim en bovendien de opmerkelijkste vreemde gebeurtenis, die ooit in de hele lijst van menselijke eigenaardigheden is aangetroffen. Het gehuwde stel woonde in Londen. De echtgenoot nam, onder het voorwendsel dat hij op reis ging, zijn intrek in een etagewoning in de aan zijn eigen huis belendende straat, zonder dat zijn vrouw en vrienden dat wisten en verbleef daar, zonder ook maar de geringste reden voor een dergelijke zelfverkozen ballingschap, meer dan twintig jaar. Tijdens die periode hield hij elke dag zijn huis in de gaten en zag daar herhaaldelijk de in de steek gelaten mevrouw Wakefield. En na die zo grote hiaat in zijn echtelijke gelukzaligheid — toen hij ongetwijfeld zijn dood onder ogen zag, zijn situatie blijvend leek, en zijn vrouw zich al heel lang daarvoor had neergelegd bij de herfst van haar weduwse staat — kwam hij op een avond de deur weer binnen, rustig, alsof hij een dag weg was geweest en werd weer een liefhebbende echtgenoot tot zijn dood.
Deze schets is het enige wat mij bijgebleven is. Maar het voorval doet, hoewel het getuigt van de zuiverste originaliteit, zonder weerga is en waarschijnlijk nooit herhaald zal worden, volgens mij toch een beroep op de welwillende bijval van de mensheid. Ondanks dat wij weten, ieder voor onszelf, dat niemand van ons zich zou bezondigen aan een dergelijke dwaasheid, hebben wij wel het gevoel dat iemand anders dat wel zou kunnen. In mijn eigen overpeinzingen is dat in ieder geval vaak voorgekomen, altijd met een opwindende verbazing, maar ook met een gevoel dat het verhaal echt gebeurd moet zijn en met een idee over het karakter van de hoofdpersoon. Telkens als een onderwerp een zo krachtige invloed uitoefent op de geest, is het de tijd en moeite waard over zoiets na te denken. Als de lezer daarvoor kiest, moet hij daar zelf maar over nadenken; maar als hij er de voorkeur aan geeft om samen met mij rond te zwerven door de twintig jaar van Wakefields gril, heet ik hem welkom, in het vertrouwen dat er bij Wakefield sprake is van een allesdoordringende moed en deugdzaamheid, zelfs als wij die niet zouden kunnen ontdekken, die samengebald is in de laatste zin van dit verhaal. Het denken heeft altijd iets doelgerichts en elk treffend voorval iets moreels.
Wat voor iemand was Wakefield? Het staat ons vrij daar ons eigen idee over te vormen en zijn naam daaraan te geven. Hij bevond zich op dat moment op het hoogtepunt van zijn leven; zijn echtelijke gevoelens, die nooit fel waren geweest, waren bedaard tot een kalme, alledaagse gemoedstoestand; van alle echtgenoten was hij waarschijnlijk de meest toegewijde, omdat zijn gemoed in de hand zou worden gehouden door een zekere traagheid, wat hij ook tegen zou komen. Hij was een intellectueel, maar niet daadwerkelijk; zijn geest hield zich bezig met lange en trage overpeinzingen, die doelloos eindigden, of niet de kracht hadden om iets te bereiken; zijn gedachten waren zelden doortastend genoeg om grip te krijgen op woorden. Verbeelding, in de eigenlijke betekenis van het woord, maakte geen deel uit van Wakefields talenten. Wie zou er bedacht op zijn geweest dat onze vriend, met een koel maar niet verdorven of dolend hart en een nooit koortsachtig met opstandige gedachten verwijlende geest, noch verbijsterd door oorspronkelijkheid, aanspraak zou maken op de opmerkelijkste plaats onder de plegers van buitenissige daden? Als zijn kennissen was gevraagd van wie zij in Londen het zekerst wisten dat hij vandaag niets zou doen waar morgen niet meer aan gedacht zou worden, zouden ze meteen Wakefield voor ogen hebben gehad. Alleen zijn bloedeigen echtgenote zou geaarzeld hebben. Zonder zijn karakter uitgerafeld te hebben, was zij zich gedeeltelijk bewust van een kalm egoïsme, dat zijn nietsdoende geest had aangetast; van een merkwaardig soort ijdelheid, zijn meest onbehaaglijke eigenschap; van een geslepen aard die zelden iets duidelijkers had teweeggebracht dan het bewaren van nauwelijks vermeldenswaardige geheimpjes; en tot slot van wat zij soms iets vreemds noemde bij de goede man. Die laatste trek is niet nader te omschrijven en bestond misschien niet eens.
Zie voor de complete tekst: www.verbodengeschriften.nl